direct naar inhoud van Regels
Plan: Buitengebied, deelplan Nolderwoud
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels:

Artikel 1 Begrippen

In deze regels wordt verstaan onder:

1.1 plan:

het bestemmingsplan "Buitengebied, deelplan Nolderwoud" met identificatienummer NL.IMRO.1690.2021BP1002012-VG01 van de gemeente De Wolden;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aan- of uitbouw:

een aan een (hoofd)gebouw aanwezig bouwwerk, dat ruimtelijk en architectonisch ondergeschikt is aan dat (hoofd)gebouw, maar in functioneel opzicht onderdeel uitmaakt van dat (hoofd)gebouw;

1.4 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 aangebouwd bijbehorend bouwwerk:

een aan het (hoofd)gebouw aanwezig gebouw (aan- of uitbouw), dat zowel architectonisch, ruimtelijk en functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

1.7 architectonisch ondergeschikt

een aan-, uit- of bijgebouw die qua omvang en uitstraling ondergeschikt is aan een op dezelfde plaats voorkomend hoofdgebouw; dit kan zich uiten door materiaalgebruik, gevelindeling en/of nokhoogte (minimaal 1 m lager dan de nokhoogte van het hoofdgebouw);

1.8 bebouwing:

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.9 bedrijfsgebouw:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.10 bedrijfsmatige exploitatie

het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/zodanige exploitatie, dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt;

1.11 bedrijfsvloeroppervlakte:

de totale vloeroppervlakte van de ruimte binnen een functie die wordt gebruikt voor een bedrijf, een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

1.12 bedrijfswoning:

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.13 bestaand:
  • a. het gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening of het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning;
  • b. het onder a bedoelde geldt niet voor zover sprake was van strijd met het voorheen geldende bestemmingsplan, de voorheen geldende beheersverordening of bestemmingsplan, daaronder mede begrepen het overgangsrecht van het bestemmingsplan of de beheersverordening of een andere planologische toestemming;
1.14 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.15 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.16 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegenaan gebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak (waaronder een overkapping die hooguit aan twee zijden tegen gevels aangebouwd en aan minimaal twee zijden open is), dat door de vorm onderscheiden kan worden vanhet hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw;

1.17 bosbouw:

het geheel van bedrijfsmatig handelen en van activiteiten gericht op de instandhouding en ontwikkeling van bestaande, respectievelijk nieuwe bossen ten behoeve van (de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu en recreatie;

1.18 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.19 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.20 bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.21 (bouw)perceelgrens:

een grens van een bouwperceel;

1.22 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.23 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die met de grond verbonden is, dan wel steun vindt in of op de grond (direct of indirect);

1.24 detailhandel:

het bedrijfsmatig (online) te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.25 camper:

een motorvoertuig dat is uitgerust om in te overnachten en te recreëren;

1.26 camperplaats:

een parkeerplaats, geheel of gedeeltelijk ingericht, die een goede en stevige ondergrond biedt voor een camper en waar het voor campers is toegestaan om een bepaalde tijd te overnachten;

1.27 dienstverlening:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten;

1.28 erotisch getinte vermaaksfunctie:

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal;

1.29 experimenteerruimte recreatie:

ruimte bedoeld voor het op kleinschalige wijze uitproberen van nieuwe recreatievormen met als doel om de innovatiekracht van het bedrijf te versterken;

1.30 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.31 groepsaccommodatie:

een verblijf met meer dan tien slaapplaatsen, niet zijnde mobiele kampeeronderkomens of stacaravans, in hoofdzaak bestemd voor en gebezigd als verblijf voor vakantiedoeleinden en andere recreatieve doeleinden;

1.32 hoofdgebouw:

een of meer panden, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer panden of bouwwerken op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.33 horecabedrijf en/of -instelling:

een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waarin bedrijfsmatig logies wordt verstrekt, een en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van een erotisch getinte vermaaksfunctie;

1.34 kampeermiddel:
  • a. een tent, een tentwagen, een kampeerauto (camper) of een caravan;
  • b. enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde;

een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht, dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.35 kampeerterrein:

een terrein ter beschikking gesteld voor het plaatsen, dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen;

1.36 kantine:

een ruimte waarin de bedrijfsuitoefening is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van maaltijden, eenvoudige etenswaren en dranken met een omvang van maximaal 200 m2 bedrijfsvloeroppervlakte;

1.37 landschappelijke waarden:

de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap;

1.38 lodge:

een sober recreatieverblijf in de vorm van een blokhut;

1.39 logiesverstrekkend bedrijf:

een bedrijf waar tegen vergoeding logies wordt verstrekt, waarbij de logieseenheden enkel zijn ingericht voor nachtverblijf. Naast het verstrekken van logies kunnen accommodaties worden aangeboden voor dagverblijf en maaltijdbereiding;

1.40 mantelzorg:

langdurige zorg die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden aan een hulpbehoevende door personen uit diens directe omgeving, waarbij de zorgverlening rechtstreeks voortvloeit uit de sociale relatie en de gebruikelijke zorg van huisgenoten voor elkaar overstijgt;

1.41 mantelzorgunit:

een eenvoudig te plaatsen gebouw, zoals een stacaravan of een prefab cabine, ten behoeve van mantelzorg dat na afloop van de mantelzorg op eenvoudig wijze te verwijderen is;

1.42 natuurlijke waarden:

de abiotische en biotische waarden van een gebied;

1.43 normaal onderhoud:

het onderhoud dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming horen, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van dat bouwwerk niet wijzigen;

1.44 ondergeschikte detailhandel:

detailhandel als activiteit die in ruimtelijk en functioneel opzicht gerelateerd is maar ondergeschikt is aan de op de ingevolge het bestemmingsplan toegestane hoofdfunctie;

1.45 overkapping:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat hooguit aan twee zijden tegen gevels is aangebouwd en aan minimaal twee zijden open is;

1.46 overig bouwwerk:

een bouwkundige constructie van enige omvang, geen pand zijnde, die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

1.47 peil:
  • a. indien op het land wordt gebouwd:
    • 1. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
    • 2. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • b. indien in het water wordt gebouwd: het Normaal Amsterdams Peil;
1.48 permanente bewoning:

bewoning als hoofdverblijf binnen de vaste woonplaats. Wanneer de bewoner gedurende een aaneengesloten periode van 180 dagen per kalenderjaar ten minste 2/3 van die tijd het adres van de groepsaccommodatie dan wel het recreatieverblijf als verblijf in gebruik heeft, is in ieder geval sprake van het hebben van een hoofdverblijf in de recreatiewoning;

1.49 prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen voor of met een ander tegen vergoeding;

1.50 prostitutiebedrijf:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was, prostitutie wordt verricht. Onder een prostitutiebedrijf worden in elk geval verstaan: een erotische massagesalon, een sekstheater, een bordeel of een parenclub, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijf, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.51 recreatief medegebruik:

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

1.52 recreatieverblijf:

een gebouw, uitsluitend in de vorm van een zomerhuis, dat naar de aard en de inrichting is bedoeld voor verblijfsrecreatie waaronder tevens lodges verstaan worden;

1.53 recreatievijver:

een door de mens aangelegd waterlichaam met beperkte oppervlakte dat in gebruikt mag worden voor recreatieve doeleinden;

1.54 restaurant of café-restaurant:

een horecabedrijf dat voornamelijk is gericht op het verstrekken van maaltijden;

1.55 semi-permanent kampeermiddel:

kampeermiddel (stacaravan, pipowagen en/of hiermee vergelijkbaar onderkomen) bestemd voor gebruik gedurende de periode 15 maart tot en met 31 oktober ten behoeve van kamperen op erven van woningen en (agrarische) bedrijven (minicampings);

1.56 stacaravan:

een caravan, die als een bouwwerk dient te worden aangemerkt;

1.57 verblijfsrecreatie:

een verblijf dat plaatsvindt in het kader van de weekendrecreatie en/of het vakantieverblijf en gedurende het hele jaar wordt gebruikt voor recreatieve bewoning van personen die elders hun hoofdverblijf hebben, waarbij maximaal een aaneengesloten periode van 180 dagen ten minste 2/3 van die tijd door dezelfde perso(o)n(en) gebruik wordt gemaakt van het recreatieverblijf;

1.58 verkoopvloeroppervlakte:

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de detailhandel;

1.59 visrecreatie

recreatieve activiteiten in de vorm van visactiviteiten;

1.60 voorgevel(rooilijn):
  • a. langs een wegzijde met een regelmatige of nagenoeg regelmatige ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing: de evenwijdig aan de as van de weg gelegen lijn, welke, zo veel mogelijk aansluitend aan de ligging van de voorgevels van de bestaande bebouwing, een zo veel mogelijk gelijkmatig beloop van de rooilijn overeenkomstig de richting van de weg geeft;
  • b. langs een wegzijde waarlangs geen bebouwing als onder a bedoeld aanwezig is en waarlangs mag worden gebouwd: bij een wegbreedte van ten minste 10 m, de lijn gelegen op 15 m uit de as van de weg; bij een wegbreedte geringer dan 10 m, de lijn gelegen op 10 m uit de as van de weg;
  • c. in situaties waarbij a en b geen uitsluitsel geven kunnen de volgende uitgangspunten worden gehanteerd: plaats huisnummering, zijde van het gebouw waar zich de voordeur of de hoofdingang bevindt, plaats brievenbus, plaats van de hoofdontsluiting van het perceel;
1.61 vrijstaand bijbehorend bouwwerk:

een niet met het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat zowel ruimtelijk als functioneel ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

1.62 woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.63 woonhuis:

een gebouw, dat één woning omvat, dan wel twee of meer naast elkaar en/of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de dakhelling:

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

2.2 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

2.3 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

2.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Overstekken van daken, dieper dan 40 cm, worden meegerekend bij de oppervlakte van bouwwerken.

2.6 de afstand tot de perceelgrens

vanaf enig punt van een bouwwerk tot de (bouw)perceelgrens;

2.7 de hoogte van een molen of windturbine:

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de molen of windturbine.

Bij de toepassing van het bepaalde over het bouwen binnen bouwvlakken of bestemmingsvlakken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de bouw- c.q. bestemmingsgrens, dan wel de rooilijn met niet meer dan 1 m wordt overschreden.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Bos

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bosbouw;
  • b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van het bosgebied;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. het recreatief medegebruik en het educatief medegebruik;

met de daarbij behorende:

  • d. bestaande infrastructurele voorzieningen;
  • e. openbare nutsvoorzieningen;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;
  • h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van gebouwen en overkappingen geldt de regel dat op of in deze gronden geen gebouwen en geen overkappingen gebouwd mogen worden.

3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, geldt de regel dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 5 m zal bedragen tenzij het een erfafscheiding betreft, dan mag de hoogte max. 2 m bedragen;

3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • het bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;

nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing.

3.4 Specifieke gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval het opslaan van mest en/of andere landbouwproducten wordt begrepen.

3.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
3.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • b. het aanleggen van fiets-, voet- en/of ruiterpaden;
  • c. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief en/of educatief medegebruik;
  • d. het ontgronden, afgraven, ophogen en/of egaliseren van de gronden;
  • e. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- en/of communicatieleidingen;
  • f. het verharden van perceel-, kavelontsluitings- en/of onderhoudswegen.
3.5.2 Uitzondering vergunningplicht

Het in lid 3.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

    • 1. het normale onderhoud betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
    • 3. werken en werkzaamheden die nodig zijn voor de uitvoering en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals is opgenomen in Bijlage 1.
3.5.3 Voorwaarden

De in lid 3.5.1 genoemde vergunningen kunnen slechts worden verleend, mits:

  • a. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke, de geomorfologische, cultuurhistorische en de archeologische waarden;
  • b. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.

Artikel 4 Recreatie

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. één recreatiebedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'recreatie uitgesloten' geen recreatie is toegestaan behalve visrecreatie;
  • b. groepsaccommodaties, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodaties';
  • c. recreatieverblijven (niet zijnde lodges) uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijven';
  • d. lodges uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lodges';
  • e. standplaatsen voor campers, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperplaatsen', met dien verstande dat het aantal standplaatsen voor campers ten hoogste 10 bedraagt;
  • f. een recreatievijver, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatievijver';
  • g. voorzieningen ten dienste van het recreatiebedrijf, waaronder:
    • 1. sanitaire voorzieningen;
    • 2. ondergeschikte detailhandel, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel';
    • 3. dienstverlening;
    • 4. sportvoorzieningen en recreatieve voorzieningen;
    • 5. horeca in de vorm van een restaurant, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - restaurant';
    • 6. horeca in de vorm van een ondergeschikte kantine, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel';
    • 7. wonen ten behoeve van het bedrijf, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
    • 8. opslag in gebouwen, ter plaatse van de aanduiding 'opslag';


met daaraan ondergeschikt:

  • h. dagrecreatieve voorzieningen;
  • i. parkeervoorzieningen, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie uitgesloten - parkeren' geen parkeervoorzieningen zijn toegestaan;


met de daarbij behorende:

  • j. tuinen, erven en terreinen;
  • k. groenvoorzieningen en bebossing;
  • l. wegen en paden;
  • m. water;
  • n. gebouwen ten behoeve van het recreatiebedrijf;
  • o. bedrijfswoning;
  • p. bijbehorende bouwwerken;
  • q. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen
  • a. gebouwen en overkappingen zullen binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. gebouwen en overkappingen alsmede bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd in lijn met de beeldkwaliteit zoals deze is bedoeld in het Landschappelijk inpassingsplan en beeldkwaliteitsplan Bijlage 1;
  • c. het bouwen van nieuwe recreatieverblijven is slechts toegestaan indien de bedrijfsmatige exploitatie via de centrale voorziening wordt geëxploiteerd;
4.2.2 Groepsaccommodaties

Voor het bouwen van de in lid 4.1 sub b genoemde groepsaccommodatie gelden de volgende regels:

  • a. de groepsaccommodaties en aangebouwd bijbehorend bouwwerk zullen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - groepsaccommodaties';
  • b. de oppervlakte van de groepsaccommodatie zal ten hoogste 175 m² bedragen, met dien verstande dat in aanvulling hierop de oppervlakte van een aangebouwd bijbehorend bouwwerk ten hoogste 25 m² mag bedragen;
  • c. de goothoogte van de groepsaccomodatie zal ten hoogste 3 m bedragen, tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte zal bedragen;
  • d. de dakhelling van de groepsaccomodatie zal ten minste 15º en ten hoogste 60° bedragen, dan wel de bestaande dakhelling indien deze minder of meer bedraagt, met dien verstande dat een bijbehorend bouwwerk mag worden voorzien van een plat dak;
  • e. het aantal groepsaccommodaties zal ten hoogste het ter plaatse aangeduide maximum aantal te bouwen groepsaccommodaties bedragen, indien en voor zover de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'maximum aantal gebouwen';
4.2.3 Recreatieverblijven

Voor het bouwen van de in lid 4.1 sub c genoemde recreatieverblijven gelden de volgende regels:

  • a. de recreatieverblijven (niet zijnde lodges) zullen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - recreatieverblijven';
  • b. de recreatieverblijven zullen vrijstaand worden gebouwd;
  • c. de onderlinge afstand tussen recreatieverblijven zal ten minste 15 m bedragen, dan wel de bestaande afstand in deze minder bedraagt;
  • d. het aantal recreatieverblijven zal ten hoogste het bestaande aantal bedragen dan wel het ter plaatse aangeduide maximum aantal te bouwen recreatieverblijven, indien en voor zover de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'maximum aantal gebouwen';
  • e. het aantal vrijstaande bijbehorende bouwwerken zal per recreatieverblijf ten hoogste één bedragen;
  • f. de oppervlakte van een recreatieverblijf inclusief het daarbij bijbehorende bouwwerk zal ten hoogste 80 m² bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte zal bedragen;
  • g. de oppervlakte van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk bij het recreatiebedrijf zal ten hoogste 15 m² bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte zal bedragen;
  • h. de bouwhoogte van een recreatieverblijf zal ten hoogste 7 m bedragen, tenzij de bestaande bouwhoogte meer bedraagt, in welk geval de bouwhoogte ten hoogste de bestaande bouwhoogte zal bedragen;
  • i. de goothoogte van een recreatieverblijf zal ten hoogste 3 m bedragen, tenzij de bestaande goothoogte meer bedraagt, in welk geval de goothoogte ten hoogste de bestaande goothoogte zal bedragen;
  • j. de dakhelling van een recreatieverblijf zal ten minste 15° en ten hoogste 60° bedragen, dan wel minimaal de bestaande dakhelling indien deze minder of meer bedraagt.
4.2.4 Recreatieverblijven - lodges

Voor het bouwen van de in lid 4.1 sub d genoemde recreatieverblijven gelden de volgende regels:

  • a. de lodges zullen uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - lodges'
  • b. de lodges zullen vrijstaand worden gebouwd;
  • c. de onderlinge afstand tussen de lodges zal ten minste 3 m bedragen;
  • d. het aantal lodges zal ten hoogste het ter plaatse aangeduide maximum aantal te bouwen recreatieverblijven bedragen indien de gronden zijn voorzien van de aanduiding 'maximum aantal gebouwen';
  • e. bijbehorende bouwwerken bij lodges zijn niet toegestaan;
  • f. de oppervlakte van een lodge zal ten hoogste 40 m² bedragen;
  • g. de bouwhoogte van een lodge zal ten hoogste 7 m bedragen;
  • h. de goothoogte van een lodge zal ten hoogste 3 m bedragen;
  • i. de dakhelling van een lodge zal ten minste 15° en ten hoogste 60° bedragen;
  • j. de lodges worden voorzien van een zadeldak.
4.2.5 Voorzieningen ten dienste van het recreatiebedrijf

Voor het bouwen van de in lid 4.1 sub g (alsmede sub o) genoemde gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste één bedragen;
  • b. de bedrijfswoning mag uitsluitend worden gebouwd ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning';
  • c. de oppervlakte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 200 m² bedragen, tenzij de bestaande oppervlakte meer bedraagt, in welk geval de oppervlakte ten hoogste de bestaande oppervlakte zal bedragen;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' bedraagt de oppervlakte van gebouwen ten hoogste 100 m²;
  • e. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' wordt het gebouw voorzien van een asymmetrisch zadeldak;
  • f. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel' bedraagt de oppervlakte van gebouwen gezamenlijk ten hoogste 450 m2;
  • g. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel' wordt het gebouw voorzien van een zadeldak;
  • h. de goothoogte van de gebouwen en overkappingen zal ten hoogste 4 m bedragen;
  • i. de dakhelling van de gebouwen zal ten minste 15° en ten hoogste 60° bedragen.
  • j. voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken en overkappingen bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken en overkappingen zal per bedrijfswoning ten hoogste 100 m² bedragen;
    • 2. de goothoogte van een bijbehorend bouwwerk of overkapping zal ten hoogste 3 m bedragen;
    • 3. de dakhelling van een bijbehorend bouwwerk zal ten hoogste 60° bedragen.
4.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn bedraagt ten hoogste 1 m en daarachter ten hoogste 2 m, met dien verstande dat de bouwhoogte op zijerven die grenzen aan een openbaar toegankelijk gebied op een afstand van 1 m of minder uit de perceelgrens ten hoogste 1 m bedraagt;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkapping zijnde, zal ten hoogste 10 m bedragen.
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen met het oog op het voorkomen van een onevenredige aantasting van:

  • het bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;

nadere eisen stellen aan:

  • a. de plaats en afmetingen van de bebouwing.
4.4 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan:

  • het bebouwingsbeeld;
  • de woonsituatie;
  • de verkeersveiligheid;
  • de sociale veiligheid;
  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;

bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in:

  • b. lid 4.2.3 sub f en toestaan dat de oppervlakte van een recreatieverblijf inclusief eventueel bijbehorend bouwwerk wordt vergroot tot ten hoogste 100 m², mits:
    • 1. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast ten behoeve van het recreatief verblijf;
  • c. lid 4.2.5 en toestaan dat de goothoogte wordt verhoogd tot 5,5 m met dien verstande dat bij de bedrijfswoning dit voor maximaal voor 25% wordt toegepast.
4.5 Specifieke gebruiksregels
4.5.1 Algemeen
  • a. de bedrijfsmatige exploitatie van de recreatieverblijven vindt plaats via één centrale voorziening.
4.5.2 Kantine en detailhandel visrecreatie

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel' gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bedrijfsvloeroppervlakte ten behoeve van horeca in de vorm van een kantine bedraagt hoogstens 200 m 2;
  • b. de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van detailhandel in visproducten en daarmee vergelijkbare producten bedraagt hoogstens 250 m 2.
4.5.3 Opslag
  • a. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' mogen gebouwen uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van opslag en stalling van (onderhouds)materieel ten dienste van het recreatiebedrijf.
4.5.4 Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van recreatieverblijven en groepsaccommdaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen onderkomens voor permanente bewoning;
  • b. het gebruik van gronden voor nieuwe recreatieverblijven en groepsaccommodaties (als ook verbouw van bestaande recreatieverblijven) en de bedrijfsmatige exploitatie hiervan anders dan via de centrale voorziening;
  • c. het gebruik van vrijstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning;
  • d. het gebruik bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel' ten behoeve van detailhandel anders dan ondergeschikte detailhandel van het recreatiebedrijf;
  • e. het gebruik bouwwerken ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kantine en detailhandel' ten behoeve van kantine anders dan ondergeschikt aan de recreatieve hoofdfunctie;
  • f. het overnachten anders dan in de bestemming 'Recreatie' opgenomen bestemmingsomschrijving, zoals in caravans en tenten.
4.5.5 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze bestemming wordt in aanvulling op het gestelde in 4.5.4 in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gronden en bouwwerken overeenkomstig de in 'Recreatie' opgenomen bestemmingsomschrijving zonder de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen in de bestemmingen zoals die zijn opgenomen in het als Bijlage 2 opgenomen Inrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing ;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen gronden en bouwwerken ter plaatse van het plangebied overeenkomstig de in 'Recreatie' opgenomen bestemmingsomschrijving worden gebruikt onder de voorwaarde dat per te realiseren fase geheel uitvoering is gegeven aan de aanleg en instandhouding van de landschapsmaatregelen die zijn opgenomen in het in Bijlage 2 opgenomen Inrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
4.6 Afwijken van de gebruiksregels
4.6.1 Afwijken van de voorwaardelijke verplichting voor landschappelijke inpassing

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder 4.5.5 indien in plaats van de landschapsmaatregelen zoals opgenomen in het in Bijlage 1 opgenomen Landschappelijk inpassingsplan en beeldkwaliteitsplan andere landschapsmaatregelen worden getroffen, met dien verstande dat:

  • a. de landschapsmaatregelen minimaal gelijk zijn aan de in het Bijlage 1 opgenomen landschapsmaatregelen en voorzien in een minimaal gelijk beschermingsniveau van de landschappelijke waarden waarvoor de in het genoemde landschapsmaatregelen zijn bepaald;
  • b. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden.
4.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
4.7.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het verwijderen van beplanting;
  • b. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 30 cm;
  • c. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, niet zijnde de terreinontsluiting, met een oppervlakte van meer dan 100 m².
4.7.2 Uitzondering vergunningplicht

Het in lid 4.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

  • a. het normale onderhoud betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. werken en werkzaamheden die nodig zijn voor de uitvoering en instandhouding van de landschappelijke inpassing zoals is opgenomen in Bijlage 1.
4.7.3 Voorwaarden

De in lid 4.7.1 genoemde vergunningen kunnen slechts worden verleend, mits:

  • d. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke, de natuurlijke, de geomorfologische, cultuurhistorische en de archeologische waarden;
  • e. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de waterhuishouding van het gebied en de omliggende percelen, c.q. de gebruiksmogelijkheden daarvan.

Artikel 5 Waarde - Archeologie

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede voor het behoud en herstel van de archeologische waarden.

5.2 Bouwregels

Voor zover de oppervlakte van de ingreep in de grond groter is dan 3.000 m² en de activiteit op een grotere diepte dan 25 cm wordt uitgevoerd:

  • 1. dient de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen als bedoeld in de Wabo een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld;
  • 2. kunnen aan een omgevingsvergunning als bedoeld in de Wabo de volgende regels worden verbonden:
      • de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
      • de verplichting tot het doen van opgravingen;
      • de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties, tenzij in het rapport als bedoeld onder a naar het oordeel van het bevoegd gezag is aangetoond dat het bouwwerk waarop de aanvraag betrekking heeft niet zal leiden tot een onevenredige aantasting van archeologische waarden.
5.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.2 voor de overlegging van het aldaar genoemd archeologische rapport indien naar het oordeel van het bevoegd gezag de archeologische waarde van het terrein in andere beschikbare informatie voldoende is vastgesteld.

5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden met een oppervlakte van meer dan 3.000 m² uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:
    • 1. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur dieper dan 25 cm, met dien verstande dat geen vergunning nodig is wanneer het betreft niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het verbeteren van de verdichte bodemstructuur (woelen) tot ten hoogste 10 cm onder de bouwvoor;
    • 2. het graven en/of baggeren van sloten, vaarten en andere watergangen dieper dan 25 cm;
    • 3. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 25 cm;
    • 4. het aanplanten en/of het rooien van bomen en/of houtgewas, waarbij stobben worden verwijderd op meer dan 30 cm diepte en/of voor zover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 25 cm wordt geroerd.
  • b. De onder a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:
    • 1. plaatsvinden in of op gronden waarvan op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er zich ter plekke geen archeologische waarden bevinden;
    • 2. reeds in uitvoering zijn ten tijde van het van kracht worden van het plan;
    • 3. het normale onderhoud betreffen;
    • 4. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
    • 5. op archeologisch onderzoek zijn gericht.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 6 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene gebruiksregels

Onder strijdig gebruik met dit plan wordt in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, met uitzondering van de in dit plan toegestane standplaatsen voor campers;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een prostitutiebedrijf;
  • c. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden;
  • d. het storten van puin en afvalstoffen;
  • e. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen.

Artikel 8 Algemene afwijkingsregels

8.1 Afwijkingsbevoegdheden

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van:

  • a. de in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages voor zover dit gelet op het gebruik en/of de constructie noodzakelijk is;
  • b. het bepaalde in het plan en toestaan dat zend- ontvangst- en/of antennemasten tot een bouwhoogte van 45 m worden gebouwd;
  • c. het bepaalde in het plan en toestaan dat een tijdelijke mantelzorgunit geplaatst wordt bij een bedrijfswoning, niet zijnde recreatiewoningen, ten behoeve van mantelzorg, met dien verstande dat:
    • 1. de te realiseren woonruimte en de bewoning ervan noodzakelijk zijn uit oogpunt van mantelzorg;
    • 2. door het gemeentelijke WMO/zorgloket of een deskundige (indicatiesteller) is aangetoond dat de extra bebouwing noodzakelijk is in verband met medische, psychische en/of sociale omstandigheden;
    • 3. de oppervlakte van units op een bouwperceel ten hoogste 100 m2 bedraagt;
    • 4. de bebouwing in een langdurige behoefte aan mantelzorg zal voorzien;
    • 5. de unit uitsluitend wordt gebruikt voor mantelzorg en deze wordt verwijderd na afloop van de mantelzorg voor de persoon waarvoor deze afwijking wordt toegepast. Het bevoegd gezag neemt hiertoe voorwaarden op in de omgevingsvergunning;
    • 6. de mantelzorgunit ten minste 4 m achter de naar de weg(en) gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw, dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd/geplaatst;
  • d. het bepaalde in het plan en toestaan dat op kleinschalige wijze nieuwe recreatievormen worden uitgeprobeerd (experimenteerruimte) binnen de bestemmingen 'Recreatie', met dien verstande dat:
    • 1. het recreatieterrein een bedrijfsmatige exploitatie moet hebben;
    • 2. de afwijking slechts wordt verleend voor maximaal 20% van het recreatieterrein met een maximum oppervlakte van 1 ha;
    • 3. er sprake moet zijn van een toegevoegde waarde voor het bestaande recreatieve product;
    • 4. er sprake moet zijn van een goede landschappelijke inpassing en waarbij de verblijfsrecreatieve middelen niet mogen leiden tot een onevenredige aantasting van de in de directe omgeving voorkomende natuurlijke waarden, milieu- en landschapswaarden;
    • 5. er sprake moet zijn van geen goed gemotiveerd, innovatief en kwalitatief hoogwaardig plan;
  • e. het bepaalde in het plan en toestaan dat binnen de bestemming 'Recreatie' de plaatsing van een windturbine met een ashoogte van 15 m wordt toegestaan met dien verstande dat:
    • 1. plaatsing binnen het bouwblok plaatsvindt;
    • 2. plaatsing niet plaatsvindt binnen een gebied waarop de Welstandsnota van toepassing is;
    • 3. plaatsing niet plaatsvindt binnen een zone van 500 m rondom gebieden waarop de Welstandsnota van toepassing is;
    • 4. het Landschappelijk Ontwikkelingskader (LOK) indien nodig wordt toegepast;
    • 5. voor percelen waarop de Welstandsnota van toepassing is onderzocht kan worden of plaatsing buiten het bouwvlak tot de mogelijkheden behoort met inachtneming van het bepaalde in lid 8.1 onder i, sub 3;
    • 6. er maximaal 2 windturbines per perceel (bouwvlak) geplaatst kunnen worden.
    • 7. de te plaatsen windturbine(s) moet(en) stroom opleveren voor de locatie waarop het wordt geplaatst ten behoeve van een energieneutraal bedrijf dan wel ten behoeve van een LDE (Lokaal Duurzaamheids Energie-initiatief). In afwijking hiervan mag ook geleverd worden aan adressen gelegen binnen de postcoderoos van de te realiseren windmolen(s);
  • f. het bepaalde in het plan en toestaan dat de plaatsing van mini-turbines tot 2 meter boven de nok op daken van bedrijfsgebouwen wordt toegestaan mits de totale hoogte van gebouw en turbine niet hoger wordt dan 15 m;
  • g. het bepaalde in het plan en toestaan dat zonnepanelen buiten het bouwblok worden geplaatst met dien verstande dat:
    • 1. aangetoond wordt dat deze panelen geplaatst worden ten behoeve van het eigen bedrijf en/of de eigen woning;
    • 2. de maximale toegestane oppervlakte bij een woonbestemming 50 m² bedraagt;
    • 3. de maximale toegestane oppervlakte bij overige bestemmingen max. 150 m² bedraagt dan wel een grotere oppervlakte indien onderbouwd is dat deze ten dienste van het eigen bedrijf nodig is;
    • 4. grootschalige zonnevelden buiten het bouwblok mogen worden geplaatst als aangetoond kan worden dat deze het doel hebben om meerdere huishoudens/bedrijven/LDE (Lokaal Duurzaamheids Energie-initiatief) binnen De Wolden van energie te voorzien;
    • 5. de maximale oppervlakte afhankelijk is van het landschap waarin de panelen worden aangelegd;
    • 6. door de maatvoering wordt verwezen naar Bijlage 3 Deel 4 Landschappelijk Ontwikkelingskader (LOK).
  • h. het bepaalde in het plan en toestaan dat gronden gebruikt worden voor de aanleg van een fietspad;
8.2 Voorwaarden

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.1 mag slechts worden verleend indien deze niet leidt tot een onevenredige aantasting van:

  • a. het bebouwingsbeeld;
  • b. de woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de milieusituatie;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden;
  • g. de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
  • h. voor de plaatsing van windmolens en zonnepanelen dient bij de vergunningverlening rekening te worden gehouden met Deel 4 Landschappelijk Ontwikkelingskader (LOK) (Bijlage 3).

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.1 Milieuzone - hydrologische beïnvloeding
9.1.1 Bestemmingsomschrijving

Binnen de aanduiding 'milieuzone - hydrologische beïnvloeding' dienen de hydrologische waarden te worden hersteld, behouden en ontwikkeld. De natuurlijke waarden van het Dwingelderveld voor zover de hydrologische aandachtsgebieden zijn gelegen rondom dit gebied dienen in stand te worden gehouden.

9.1.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren, zulks ongeacht het bepaalde in de bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:
    • 1. het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstroomprofiel en het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen;
    • 2. het aanbrengen van drainage dieper dan 40 cm.
  • b. Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die:
    • 1. het normale onderhoud betreffen;
    • 2. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van deze verordening.
  • c. De onder a genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de hydrologische waarden van de gronden, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en er geen significant negatieve aantasting plaatsvindt van het gebied Dwingelderveld.
9.2 Overige zone - spuitvrije zone
9.2.1 Specifieke gebruiksregels

Het gebruik van gevoelige functies is niet toegestaan ter plaatse van de aanduiding overige zone - spuitvrije zone in verband met de toepassing van gewasbestrijdingsmiddelen ten behoeve van de agrarische bedrijfsvoering op de percelen kadastraal bekend gemeente De Wolden, sectie O, nummers 123, 124 en 125.

9.2.2 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan door middel van het verlenen van een omgevingsvergunning afwijken van lid 9.2.1 door het gebruik van gevoelige functies toe te staan, mits de agrarische bedrijfsvoering op de percelen kadastraal bekend gemeente De Wolden, sectie O, nummers 123, 124 en 125 hierdoor niet wordt belemmerd en het gebruik niet leidt tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat of het verblijfsklimaat van de voor gewasbestrijdingsmiddelen gevoelige functies.

Artikel 10 Overige regels

10.1 Werking wettelijke regelingen

De wettelijke regelingen waarnaar in de regels van dit plan wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan.

10.2 Parkeergelegenheid
  • a. Een bouwwerk, waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, mag niet worden gebouwd wanneer voor dit bouwwerk op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien.
  • b. bij een omgevingsvergunning wordt beoordeeld of sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de normen die zijn neergelegd in de CROW-publicatie 381 met dien verstande dat indien gedurende de planperiode een nieuwe versie verschijnt, met deze nieuwe versie rekening wordt gehouden. Hierbij kunnen voorschriften worden opgenomen over het realiseren en in stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein.
  • c. Tot een gebruik, strijdig met de gegeven bestemmingen, wordt in ieder geval gerekend een functiewijziging van bouwwerken of onbebouwde gronden in een functie met een grotere behoefte, zonder dat in voldoende mate ruimte aanwezig is ten behoeve van het parkeren of stallen van auto's. Deze bepaling geldt niet:
    • 1. voor bestaand gebruik;
    • 2. voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingsruimte wordt voorzien.
  • d. bij de toepassing van het bepaalde onder c wordt beoordeeld of sprake is van voldoende parkeergelegenheid aan de hand van de normen die zijn neergelegd in de CROW-publicatie 381 met dien verstande dat indien gedurende de planperiode een nieuwe versie verschijnt, met deze nieuwe versie rekening wordt gehouden, waarbij alleen gelet wordt op de toename van de parkeerbehoefte als gevolg van de functiewijziging. Hierbij kunnen nadere eisen worden gesteld aan de situering en omvang van de parkeergelegenheid ten behoeve van het realiseren en in stand houden van parkeergelegenheid op eigen terrein.
  • e. Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde sub a en c en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, indien de structuur van de omgeving daartoe aanleiding geeft en geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bereikbaarheid.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 11 Overgangsrecht

11.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening of bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel kan worden gebouwd krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%.
  • c. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
11.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van de beheersverordening of het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met de beheersverordening strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende beheersverordening of bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 12 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: 'Regels van het "bestemmingsplan Buitengebied, deelplan Nolderwoud".