| Plan: | TAM-omgevingsplan Groeskuilen Gemert |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1652.TAMopGroeskuilen-VA01 |
BAM Wonen BV is voornemens om de locatie aan de Groeskuilen 101 in Gemert te herontwikkelen tot woongebied. Op deze locatie was voorheen een kwekerij gevestigd. In het beoogde plan zijn 37 woningen voorzien en krijgt de bestaande bedrijfswoning aan Groeskuilen 101 een reguliere woonfunctie. De aanwezige bedrijfsbebouwing wordt volledig gesloopt ten behoeve van de nieuwe woonwijk, enkel de bestaande bedrijfswoning aan de Groeskuilen 101 (binnen het plangebied) en de bedrijfsbebouwing aan de Lodderdijk (buiten het plangebied) blijft behouden.
De te realiseren woningen liggen aan de oostzijde van Gemert en worden ingesloten door een agrarisch landschap aan de noordoost zijde, een sportcomplex aan de noordwest zijde en het bebouwde gebied van Gemert aan de andere zijden. Het stedenbouwkundig plan gaat uit van 10 twee-onder-een-kap woningen (bungalows), 12 rijwoningen, 11 sociale huurwoningen (tevens rijwoningen) en 4 vrije kavels. In totaal worden er met het plan 37 woningen inclusief infrastructuur, groen en water mogelijk gemaakt. De bestaande bedrijfswoning aan Groeskuilen 101 krijgt een eigen woonfunctie waarbinnen uitsluitend deze bestaande vrijstaande woning is toegestaan.
Figuur 1.1: Voorgenomen ontwikkeling (Bron: Stedenbouwkundig plan, De Loods Architecten)
Het ter plaatse geldende omgevingsplan (er geldt altijd maar één omgevingsplan) staat de ontwikkeling niet toe. De beoogde herontwikkeling past niet geheel in het tijdelijk deel van het omgevingsplan; het geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woongebied Gemert 2011'. De gemeente Gemert-Bakel heeft aangegeven medewerking te willen verlenen aan het opstellen van een nieuw juridisch-planologisch kader. Dit TAM-omgevingsplan voorziet hierin. Een wijziging van het omgevingsplan dient te worden getoetst aan het geldende beleid en moet voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en de instructieregels van het Rijk- en de provincie Noord-Brabant. De voorliggende motivering voorziet daarin en is onderdeel van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel.
Het plangebied ligt aan de oostzijde van de dorpskern van Gemert en wordt begrensd door de Kouter in het zuiden, de Groeskuilen in het noordoosten, de Lodderdijk in het noordwesten en bebouwing in het westen. Het plangebied heeft een omvang van 11.379 m².
Figuur 1.2: Ligging plangebied in het oosten van Gemert
Figuur 1.3 Luchtfoto plangebied
Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet zijn alle op 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege één omgevingsplan geworden. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan bestemmingsplannen niet meer.
Het omgevingsplan is in te zien via Regels op de kaart in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl). Hier vindt je de van rechtswege in het omgevingsplan opgegane bestemmingsplannen en de vanuit de wet gekregen 'bruidsschat'. Dat zijn de bouw- en milieuregels die voorheen landelijk golden, maar die het Rijk voortaan over laat aan de gemeente.
Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn op het plangebied de volgende bestemmingsplannen van toepassing, namelijk:
Bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woongebied Gemert 2011' (vastgesteld 29 juni 2011)
Het plangebied heeft volgens het geldende bestemmingsplan de volgende bestemmingen en aanduidingen:
De gronden binnen de enkelbestemming 'Detailhandel' zijn bestemd voor detailhandel. Uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'tuincentrum' is een tuincentrum toegestaan. Ook is er een bouwvlak opgenomen binnen het plangebied.
Ter plaatse van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' zijn de gronden mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in de grond voorkomende archeologische waarden.
Figuur 1.4: Uitsnede bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woongebied Gemert 2011'
(bron: omgevingswet.overheid.nl/ regels-op-de-kaart)
Daarnaast gelden aanvullende/gewijzigde regels vanuit de bestemmingsplannen 'Tijdelijke huisvesting werknemers, Boerderijsplitsing, Uitbreiding oppervlak bijbehorende bouwwerken' (vastgesteld 7 oktober 2021) en het bestemmingsplan 'Parkeren Gemert-Bakel' (vastgesteld 23 januari 2018). Uit het paraplubestemmingsplan 'detailhandel Gemert-Bakel' volgen geen directe regels van toepassing op deze locatie.
Strijdigheid
De beoogde ontwikkeling is strijdig met het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Gemert-Bakel. Meer specifiek in relatie tot de voorheen geldende bestemmingsplan omdat in relatie tot het bestemmingsplan de beoogde bouw- en gebruiksactiviteiten niet zijn toegestaan.
In hoofdstuk 2 is de beschrijving van de huidige situatie en de voorgenomen ontwikkeling opgenomen. In hoofdstuk 3 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan de beleidskaders van het Rijk, de provincie Noord-Brabant, het waterschap en de gemeente Gemert-Bakel. Hoofdstuk 4 omvat de toets aan de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 komt de uitvoerbaarheid van het plan en de procedure aan de orde. In hoofdstuk 6 tenslotte is de conclusie en de belangenafweging opgenomen.
Het plangebied is gelegen aan de oostzijde van Gemert. Het plangebied bevindt zich aan de zuidwestzijde van de Groeskuilen. Het plangebied grenst aan de noordwestzijde aan een kinderdagverblijf en een hoveniersbedrijf, aan de noordoost zijde en aan de zuidwest zijde vormen woonpercelen de plangrens. Binnen het plangebied ligt een voormalige kwekerij en aan de Groeskuilen 101 een bedrijfswoning met tuin.
Figuur 2.1.1 Ligging plangebied in omgeving
Figuur 2.1.2 Locatie gezien vanaf de noordoost zijde (Bron: Google Maps, 2023)
Rondom het plangebied liggen belangrijke structuren waar in de stedenbouwkundige opzet van de nieuwe wijk rekening mee gehouden is. In het ontwerp is rekening gehouden met de positionering van de bestaande woningen ten zuidoosten en zuidwesten van het plangebied. Hierbuiten is de groenstructuur ten zuidwesten van het plangebied doorgetrokken tot aan het centrum van het plangebied: de brink.
Figuur 2.1.3 Inpassing bestaande bebouwing (Bron: De Loods Architecten en Adviseurs, januari 2025)
Voor de ontwikkeling van Groeskuilen is een stedenbouwkundig plan opgesteld, Deze is opgenomen in Bijlage 1.
De locatie Groeskuilen wordt ontwikkeld tot woningbouwlocatie voor maximaal 37 woningen (+ omzetting bedrijfswoning Groeskuilen 101 naar reguliere woning).
Figuur 2.2.1 Stedenbouwkundig plan (Bron: Stedenbouwkundig plan, De Loods Architecten en Adviseurs)
De planlocatie aan de Groeskuilen is volledig gesloten naar haar omgeving, de Kouter en het Imhof.
Herontwikkeling maakt het mogelijk dit gebied te openen en te verbinden met de omliggende woonwijk. Een nieuwe ontsluitingsweg vanaf de Kouter doet dit voor gemotoriseerd verkeer maar een gangetje verbindt het Imhof met een nieuw groen driehoekig plein centraal in het plangebied: de brink.
Figuur 2.2.2: Vogelvlucht vanuit het zuidoosten (Bron: De Loods Architecten en
Adviseurs)
Van oudsher ontstond de brink aan de rand van het dorp en was voor gemeenschappelijk gebruik van de aangrenzende woningen/boerderijen. Deze collectiviteit krijgt hier op eigentijdse wijze vorm doordat het groene plein ontmoeting van bewoners en passanten faciliteert, ruimte biedt voor natuurlijke spelaanleiding, bezoekersparkeren en een waterbergende functie. In combinatie met de aanplant van nieuwe bomen, andere inheemse vegetatie en in te metselen nestkasten wordt de biodiversiteit van de locatie fors verbeterd.
Rondom de brink verrijzen rijwoningen voor gezinnen en levensloop-bestendige tweekappers geschikt voor senioren. Deze woningen liggen met hun rug naar de nieuw te realiseren woningen die aansluiten op respectievelijk de Groeskuilen en de Kouter.
Aan de Kouter en Groeskuilen verrijzen woningen die in maat en schaal aansluiten bij de bestaande bebouwing. De verkaveling en de introductie van de brink zorgen ervoor dat zicht op achterkanten van woningen tot een minimum beperkt blijft wat de sociale veiligheid versterkt. Het woningaanbod bestaat uit een divers aanbod aan woningtypen geschikt voor senioren, gezinnen en 1- en 2-persoonhuishoudens, met een mix van (sociale) huur en koop. Het resultaat is een groene woonomgeving die voorziet in een behoefte aan betaalbaar wonen en die aansluiting zoekt bij de bestaande woonomgeving.
Het woningbouwprogramma bestaat uit 37 (+ omzetting bedrijfswoning Groeskuilen 101 naar reguliere woning) grondgebonden woningen bestaande uit 22 koopwoningen en 11 sociale huurwoningen voor Goed Wonen evenals 4 zelfbouwkavels voor grondeigenaar. Een gevarieerde mix van levensloopbestendige woningen en betaalbare rijwoningen in het koopsegment. Daarnaast worden, in opdracht van Goed Wonen, 11 rijwoningen gerealiseerd. Met dit gevarieerd woningaanbod voor diverse doelgroepen in zowel koop- als huursegment wordt aangesloten bij de woningbouwprogrammering uit de geldende woonzorgvisie en wordt er zorg gedragen voor evenwicht in de huidige woningmarkt.
In het plan wordt ruimte geboden aan 30% sociale huurwoningen, 32% betaalbare koopwoningen en 38% dure koopwoningen. Voor de definities en prijsgrenzen wordt aangesloten bij de actuele vastgestelde 'Regionale Begrippenlijst Wonen' van de Woningmarktregio Metropoolregio Eindhoven. Dit plan draagt hiermee bij aan de na te streven gemeente brede prijssegmentering.
De ruimtelijke opzet van woningbouwlocatie Groeskuilen bestaat uit een heldere opzet van (groen)structuren.
Het groen aan de westzijde van het plangebied komt naar binnen tot een centraal groene 'brink'. De staat in verbinding met een groene zone aan de Kouter. Binnen het groen is tevens ruimte gereserveerd voor waterberging.
De parkeerplaatsen worden verder met groen afgeschermd en daarmee deels uit het zicht onttrokken.
Figuur 2.2.3: Groennorm (Bron: De Loods Architecten en Adviseurs)
Voor het parkeren is er naar gestreefd om deze binnen het plangebied op te lossen. Dit zal zowel op eigen terrein als in de openbare ruimte zijn in de vorm van hofjes en haaksparkeren. Hierbuiten zijn er een aantal parkeerplaatsen gereserveerd binnen het groen. Indien blijkt dat deze parkeerbehoefte niet volledig benodigd is, kan deze ruimte (deels) weer worden toebedeeld aan de groene inrichting.
Voor de bestaande woning aan de Groeskuilen 101 wordt in de huidige en toekomstige situatie op eigen terrein geparkeerd via de huidige inrit aan de Groeskuilen. Ook zijn de 4 zelfbouwkavels voorzien in parkeerplaatsen op eigen terrein.
De woningen aan de Groeskuilen (zelfbouwkavels en bestaande woning) ontsluiten direct op de Groeskuilen. De woningen in het 'binnengebied' ontsluiten via een lus rond een groenvoorziening, die te bereiken is via de Kouter.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toetsing
De vier ambities uit de NOVI zijn verder uitgewerkt in 26 beleidskeuzes, die in de toelichting van de NOVI zijn vertaald naar 21 Nationale belangen. Gezien de aard van dit plan zijn vooral de volgende nationale belangen relevant:
(1) Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
(2) Realiseren van een goede omgevingskwaliteit;
(5) Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woningbehoeften;
De voorgenomen ontwikkeling is ten gunste van nationale belangen zoals het tegengaan van het woningtekort. Er wordt een bijdrage geleverd aan nationale belangen door het toevoegen van woningbouw waarbij veel aandacht is voor groen, gezondheid en duurzaamheid.
Ten aanzien van nationaal belang 5 is de onderbouwing terug te vinden in paragraaf 4.1 (ladder voor duurzame verstedelijking). Uit die onderbouwing blijkt dat sprake is van een duurzame ontwikkeling die aansluit op de woningbehoeften.
Ten aanzien van nationaal belang 1 en 2 kan worden opgemerkt dat in Hoofdstuk 4 het plan aan de hand van de relevante aspecten in de fysieke leefomgeving is gemotiveerd, gevolgd door een algehele afweging van het plan in Hoofdstuk 6. Op deze plek volstaat de conclusie dat met het plan sprake is van een goede omgevingskwaliteit.
Overige nationale belangen zijn minder van relevant voor dit plan, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit plan onbelangrijk thema betrekking hebben.
Het plan past binnen de beleidskaders van de Nationale Omgevingsvisie.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.
Het Bkl stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan dan ook regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
Toetsing
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het plangebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit plan relevant zijn. Uit raadpleging van 'Regels op de kaart' blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Het Bkl stelt binnen dergelijke gebieden regels aan maximale bouwhoogten van windturbines om verstoring van het radarbeeld te voorkomen. Dit plan voorziet niet in windturbines en gelet op de bouwhoogten die mogelijk worden gemaakt vormt dit plan geen belemmering voor de werking van het meest nabijgelegen radarstation.
Voor zover verdere thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit plan, vindt een afweging van deze instructieregel plaats in Hoofdstuk 4 van deze motivering.
Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor dit plan, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit plan onbelangrijk thema betrekking hebben.
De ontwikkeling draagt bij aan het rijksbeleid.
In de Omgevingsvisie Noord-Brabant is het provinciaal beleid ten aanzien van de ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Noord-Brabant op hoofdlijnen uiteengezet voor de periode tot 2050. Naast een beeld van het Noord-Brabant van nu is een beeld geschetst van het welvarend, verbonden, klimaatproof en vernieuwend Noord-Brabant van 2050. Hieruit zin vier hoofdopgaven onderscheiden die nauw met elkaar samenhangen:
Samen met andere partijen zoals gemeenten en bedrijven wil de provincie uitvoering geven aan projecten die passen binnen deze opgaven. Van belang is dat het in de toekomst ook goed wonen, werken en verblijven blijft. Werken aan een goede omgevingskwaliteit zowel in de bebouwde als in de onbebouwde omgeving is het uitgangspunt.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling draagt bij aan onder andere 'goed wonen binnen de bebouwde omgeving'. Voor sommige van deze ambities zijn regels nodig om ze te kunnen realiseren. Provincie Noord-Brabant heeft daarom een Omgevingsverordening vastgesteld. In de volgende subparagraaf wordt het plan getoetst aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Op 1 januari 2024 is de Omgevingsverordening Noord-Brabant in werking getreden.
In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening zijn zogenoemde instructieregels opgenomen die gemeenten moeten toepassen in hun omgevingsplannen. De instructieregels richten zich op een evenwichtige toedeling van functies. Dit betekent dat de regels ook vanuit functies (van gebieden) zijn opgebouwd. Daarnaast richten de regels zich op een goede omgevingskwaliteit, inclusief een veilige en gezonde leefomgeving. Tevens zijn een aantal algemene basisprincipes opgenomen.
In het geval van dit plan zijn rechtstreeks werkende regels en de instructieregels voor gemeenten relevant. Hierna wordt aan deze regels getoetst. Volgens de verbeelding van de Omgevingsverordening ligt het plangebied geheel binnen de volgende werkingsgebieden:
Toetsing
Stedelijk gebied
Artikel 5.31 (Externe werking Natuur Netwerk Brabant) bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling die binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en die aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant geeft, de negatieve effecten waar mogelijk moet beperken en de overblijvende, negatieve effecten moet compenseren. Deze bepaling is niet van toepassing op aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In paragraaf 4.5 is gemotiveerd dat dit project gelet op de aard en omvang in verhouding tot de ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant geen negatieve effecten tot gevolg zal hebben. Compensatie is dan ook niet aan de orde.
Artikel 5.55 (Duurzame stedelijke ontwikkeling) bepaalt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals wonen, werken of voorzieningen in beginsel binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en dat daarbij gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling past binnen regionale afspraken en dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. In paragraaf 4.1 van deze motivering is gemotiveerd dat er in regionaal verband voldoende ruimte is voor het toevoegen van 22 koopwoningen, 11 sociale huurwoningen en 4 vrije kavels.
Stalderingsgebied
Binnen het Stalderingsgebied (Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen) gelden regels over de toename van de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdieren op agrarische bedrijven. Dit project heeft geen betrekking op een bestaand of nieuw agrarisch bedrijf. De regels voor stalderingsgebieden zijn in dit geval dan ook niet relevant.
Beperkingen grootschalige logistiek
Artikel 5.56a (Grootschalige logistiek) stelt beperkingen aan de ontwikkeling van grootschalige logistiek. Deze regels zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project.
Norm wateroverlast stedelijk gebied
Artikel 2.2 (Omgevingswaarde wateroverlast stedelijk gebied) richt zich op de bergings- en afvoercapaciteit waarop regionale wateren moeten zijn ingericht, als omgevingswaarde wateroverlast een overstromingskans van 1/100 per jaar voor gebieden die in een ruimtelijk plan bestemd zijn voor de doeleinden bebouwing, hoofdinfrastructuur en spoorwegen en/of 1/10 per jaar voor overige gebieden.
In paragraaf 4.15 is omschreven op welke manier de berging en afvoer van water binnen de planlocatie is opgelost.
Diep grondwaterlichaam
Artikel 3.12 (diep grondwaterlichaam) beschrijft dat het verboden is om milieubelastende activiteiten, onconventionele winning van koolwaterstoffen, te verrichten binnen het diep grondwaterlichaam-gebied. Dit is bij de beoogde ontwikkeling niet aan de orde.
Geen attentiezone waterhuishouding
In Artikel 3.15 (Aanwijzing vergunningvrije gevallen open bodemenergiesysteem) staat dat een omgevingsvergunning voor een open bodemenergiesysteem van het Bal niet is vereist als de onttrekking buiten de Attentiezone waterhuishouding ligt. Dit is het geval bij de beoogde ontwikkeling. Hoewel er geen omgevingsvergunning is vereist, zullen de in Artikel 3.15 genoemde activiteiten niet worden toegevoegd bij de beoogde ontwikkeling.
De beoogde woningbouwontwikkeling is passend binnen het provinciaal beleid.
In het gebied van het plan is waterschap Aa en Maas de waterbeheerder. De ‘Waterschapsverordening Waterschap Aa en Maas 2024’ is in werking getreden op 3 april 2024. In de waterschapsverordening staan de regels voor bewoners en bedrijven die activiteiten doen bij beken, sloten en gemalen. De waterschapsverordening vervangt de Keur.
In de waterschapsverordening wordt met algemene regels gewerkt. Voorheen werden de vergunningplichten, meldplichten etc. geheel in de keur geregeld. Naast de keur golden alleen nog aparte algemene voorschriften voor grondwateronttrekkingen krachtens de keur, en beleidsregels voor de vergunningverlening. In de nieuwe situatie stelt de waterschapsverordening alleen nog het meest noodzakelijke vergunningplichtig. De algemene voorschriften zijn al een tijdje vervallen omdat ondertussen landelijke regelgeving daarvoor in de plaats gekomen is. Het doel van het werken met algemene regels is om de regels voor burgers en bedrijven te vereenvoudigen. Voor een aantal activiteiten waar voorheen nog een vergunning nodig was, geldt daarom nu een algemene regel waarin de meest noodzakelijke voorwaarden opgenomen zijn.
Toetsing
Op basis van de Waterschapsverordening ligt de locatie niet binnen de invloeds- en/of attentiegebieden. De toetsing aan de waterhuishouding is opgenomen in paragraaf 4.15.
De beoogde ontwikkeling strijkt met het beleid van Waterschap Aa en Maas.
Op 26 juni 2025 is de Omgevingsvisie Gemert-Bakel 2040 officieel in werking getreden. De omgevingsvisie is één van de kerninstrumenten in de Omgevingswet. Hiermee wordt richting gegeven aan de gewenste kwaliteit van de fysieke leefomgeving op lange termijn. De omgevingsvisie beschrijft hoe er gezorgd kan worden dat de gemeente Gemert-Bakel ook in 2040 bestaat uit zeven vitale kerkdorpen en een toekomstbestendig buitengebied. Want ‘vitale kernen’ en ‘toekomstbestendig buitengebied’ zijn de twee ambities die de omgevingsvisie nastreeft. Om de kernen vitaal te houden wordt ingezet op beschikbaarheid van voldoende voorzieningen in alle kernen, voldoende woningen en een goede bereikbaarheid.
Als Gemert in woningen en inwonersaantallen groeit wordt daarbij ook een mobiliteitstoename verwacht. Vooral voor de zoeklocatie aan de oostzijde is een goede ontsluiting een randvoorwaarde. Vooralsnog kan op het bestaande wegennet ontsloten worden. In de mobiliteitsvisie wordt nader onderzocht of en welke maatregelen genomen moeten worden om dit ook in de toekomst te waarborgen.
Figuur 3.1: Uitsnede Omgevingsvisie Gemert, plangebied rood omcirkeld (Bron: Gebiedsgerichte uitwerking Gemert-Bakel)
Toetsing
Het plangebied is in de Ontwerp omgevingsvisie aangewezen als 'kern'. De beoogde ontwikkeling van woningbouw sluit aan bij de ambities van de omgevingsvisie, zowel om te voldoen aan de beoogde woningbouwopgave als voor de gekozen locatie.
Het plangebied valt binnen de zoeklocatie voor woningbouw, namelijk inbreiding. De mobiliteitstoename als gevolg van de beoogde ontwikkeling kan in overeenstemming met de omgevingsvisie vooralsnog ontsloten worden op het bestaande wegennet.
Met de Nota Parkeernormen biedt de gemeente een toetsingskader voor het bepalen van de parkeerbehoefte van ruimtelijke plannen en ontwikkelingen in de gemeente Gemert-Bakel om daarmee de bereikbaarheid en leefbaarheid te waarborgen. Met behulp van dit toetsingskader moet worden voorkomen dat als gevolg van ruimtelijke ontwikkelingen of wijzigingen parkeerproblemen in de openbare ruimte ontstaan.
Om deze doelstelling te halen wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten:
Op 23 januari 2018 heeft de gemeenteraad van Gemert-Bakel het bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan Parkeren Gemert-Bakel' vastgesteld. De parkeernormen uit de nota zijn vertaald in dit bestemmingsplan en dienen toegepast te worden bij het verlenen van een omgevingsvergunning in afwijking van het ter plaatse geldende bestemmingsplan.
Toetsing
De toetsing aan de gemeentelijke parkeernormen vindt plaats in paragraaf 4.3. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd worden. De algemene parkeerregeling uit het paraplubestemmingsplan wordt overgenomen in de regels van dit bestemmingsplan.
De visie ‘Samen Thuis in Gemert-Bakel, wonen – zorg – welzijn' is op donderdag 21 november 2024 vastgesteld door de gemeenteraad. De visie wordt als volgt beschreven:
Met deze visie zetten we ons in voor een prettige woonomgeving, passende woningen en een zorgzame samenleving. We willen een groene leefomgeving met (sport-)voorzieningen en voldoende woningen voor iedereen: een gemeente waar het fijn leven is, een plek waar iedereen zich thuis voelt.
Gemert-Bakel wil een aantrekkelijke woongemeente zijn en blijven. Prettig en passend wonen draagt bij aan de kwaliteit van leven, van huishoudens, de leefbaarheid van buurten, dorpskernen en de gemeente als geheel. Daartoe werkt de gemeente samen met haar partners aan een goed functionerende woningmarkt. De woonzorgvisie is een sturingsinstrument in dit voortdurende streven.
Verschillende trends en ontwikkelingen hebben consequenties voor de woningvraag, woningvoorraad, zorgvraag en woonomgeving. Hier speelt de gemeente Gemert-Bakel met deze woonzorgvisie op in. Zo neemt het aantal huishoudens in de komende jaren toe als gevolg van bevolkingsgroei en krimp van de gemiddelde huishoudensomvang. In het bijzonder wordt geconstateerd dat de groep 65-plussers de komende jaren verder toeneemt. Zij blijven ook steeds vaker en langer zelfstandig wonen waardoor mede de vraag naar passende woningen toeneemt.
Op basis van de trends en ontwikkelingen zet de woonzorgvisie in op de volgende drie ambities:
Toetsing
In paragraaf 2.2.2 is het woningbouwprogramma opgenomen. Daaruit blijkt dat met de ontwikkeling wordt voorzien in een gevarieerd aanbod aan woningen in verschillende segmenten. De ontwikkeling maakt woningen mogelijk voor o.a. starters, ouderen en gezinnen. De segmentering van het woningbouwprogramma is verankerd in een met de initiatiefnemer gesloten overeenkomst. Daarnaast voorziet de ontwikkeling in de realisatie van voldoende openbare ruimte/groen, wat de kans op ontmoeten en bewegen vergroot.
De gemeente Gemert-Bakel heeft de ambitie een groene gemeente te willen zijn. Het streven is om een goede balans te vinden tussen ruimte, economie en leefbaarheid. De te respecteren uitgangspunten zijn cultuurhistorie, natuurvriendelijkheid en duurzaamheid. Bij nieuwe ontwikkelingen wil de gemeente de kwaliteit en de kwantiteit van het ruimtebeslag garanderen en waarborgen. Bij initiatieven met het toevoegen van woningen wordt als tegenprestatie 75 m2 extra groen per woning verwacht. Deze groennorm van 75 m2 dient als richtgetal voor een benodigde hoeveelheid recreatief groen in stedelijk gebied. De groennorm wordt toegepast voor alle initiatieven die een uitbreiding van het bestand aan woningen en appartementen tot doel hebben. De toepassing van de groennorm is uitgewerkt in 'Uitwerking groennorm Gemert-Bakel'. Eind 2024 is de groennorm geactualiseerd. Het doel van de Groennorm 2.0 is om de kwaliteit van de leefomgeving te garanderen door het stimuleren van de gezonde leefomstandigheden, klimaatrobuustheid en bevorderen van de biodiversiteit.
Per wooneenheid dient 'fysiek' 75 m2 groen met de eigenschap 'permanent openbaar toegankelijk' gerealiseerd te worden. Dit heeft vergaande consequenties voor de wijze van vormgeving en inrichting van het groen. Het te realiseren groen heeft door deze kwalificatie een blijvend, tenminste (semi-) openbaar karakter. Het groen hoeft niet per definitie eigendom van de gemeente te zijn (of te worden). Indien niet voorzien kan worden in de tegenprestatie is het mogelijk om een bedrag te storten in het Groenfonds. De mogelijkheid om geld te storten in het fonds dient als uitweg voor het geval dat een (gehele of gedeeltelijke) fysieke invulling van de groennorm onlogisch of onmogelijk is. Dit op basis van het beleid en afspraken tussen de gemeente en de initiatiefnemer. De Groennorm 2.0 staat voor herontwikkellocaties en inbreidingslocatie een saldering met bestaande verhardingen toe en relateert de benodigde groennorm beter aan de omvang van het te ontwikkelen gebied.
Als de directe leefomgeving rondom een initiatieflocatie beschikt over voldoende groen, dan is het niet nodig om van het inbreidingsinitiatief een volwaardige fysieke invulling van de groennorm ter plekke van het initiatief te eisen. Een geschikt groen- of uitloopgebied is permanent (24/7) openbaar toegankelijk, kan bestaan uit recreatief ontsloten parken, groenzones, speelterreinen en trapveldjes. Ook het buitengebied kan geschikt zijn voor het maken van 'ommetjes' via openbare routes of zandpaden. De werkelijke loopafstand van 300 m (enkele afstand) naar omliggend groen of het buitengebied wordt als norm gehanteerd.
Toetsing
De ontwikkeling van Groeskuilen betreft een stedelijke inbreiding. Ondanks dat binnen het plangebied voormalige bebouwing aanwezig is, is gezien de omvang van het plangebied, van herontwikkeling geen sprake. Derhalve geldt voor deze ontwikkeling de norm van 75 m2 per woning. Voor de berekening van de groennorm is de rekentool Groennorm 2.0 doorlopen, zie Bijlage 2.
Voor de ontwikkeling van 37 (+ omzetting bedrijfswoning Groeskuilen 101 naar reguliere woning) woningen geldt normaliter een groennorm van 2.775 m2 (37*75 m2). Middels de rekentool groennorm 2.0 wordt de gesloopte verharding en bebouwing gesaldeerd met het planvoornemen. Met de sloop van de aanwezige verharding en bebouwing binnen het projectgebied is de groennorm gecorrigeerd naar 2.570 m². Uit de rekentool Groennorm 2.0 blijkt dat de ontwikkeling een groenscore heeft van 3.763,5 m2. Hieruit volgt dat met de beoogde groene inrichting voldoende kwalitatief groen wordt ontwikkeld en dat ruimschoots aan de groennorm wordt voldaan.
Het beoogde groen sluit grotendeels aan op omliggende groenstructuren. Een groot deel van het groen wordt als wadi ontworpen, ter berging van hemelwater bij hevige regenval. Hierdoor ontstaat dubbelgebruik van deze gronden. Aangezien ruim wordt voldaan aan de groennorm en de wadi's enkel bij (en na) hevige regenval niet primair als recreatief groen gebruikt kunnen worden, is dit dubbelgebruik mogelijk. De toepassing van de wadi is nader uitgewerkt in paragraaf 4.15. De exacte inrichting van het groen wordt bij de ontwikkeling van het plan verder uitgewerkt. In het stedenbouwkundige plan is een globale inrichting opgenomen en is de aard van de beplanting benoemd.
De ontwikkeling past binnen het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Artikel 5.129g Bkl legt hiervoor geen grens vast. Geldende jurisprudentie onder de Wro/Bro is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied moet ook rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien. De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
Het geldende omgevingsplan is vertrekpunt bij de beoordeling of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. In dit geval geldt er voor de locatie een stedelijke bestemming (detailhandel). Er worden 37 grondgebonden woningen (+ omzetting bedrijfswoning Groeskuilen 101 naar reguliere woning) mogelijk gemaakt, bestaande uit 22 koopwoningen, 11 sociale huurwoningen en 4 zelfbouwkavels. Het toevoegen van 37 woningen wordt op deze plek gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Omdat de locatie binnen het bestaand stedelijk gebied ligt, hoeft de locatiekeuze niet gemotiveerd te worden.
Beschrijving behoefte
De relevante regio voor wonen is De Peel binnen de regio Zuidoost-Brabant.
Figuur 4.1: Woonregio's (Bron: Brabantse Agenda Wonen, september 2017)
De woningbehoefte in de gemeente Gemert-Bakel blijkt uit diverse onderzoeken. Hierna worden deze onderzoeken beschreven.
Bevolkings- en woningbehoefteprognose Noord-Brabant, Actualisering 2023
Tot 2050 komen er in Noord-Brabant nog ruim 225.000 huishoudens bij. Vooral het aantal alleenstaanden groeit sterk. Verwacht wordt dat in 2050 van alle huishoudens meer dan 40% een eenpersoonshuishouden is. Vooral het aantal oudere alleenstaanden (75+) neemt sterk toe. De komende jaren wacht Brabant nog een flinke woningbouwopgave. Alleen al tot 2035 zal de woningvoorraad nog met 165.000 woningen moeten toenemen, oftewel zo'n 13.500 woningen per jaar. Dit om de verwachte groei van het aantal huishoudens op te kunnen vangen en woningtekorten terug te dringen. De indicatie voor de gemeente Gemert-Bakel is 2.115 woningen in de periode 2023-2035.
Figuur 4.2: Indicatie toename woningvoorraad
Monitor Bevolking en Wonen (juni 2025)
De provincie Noord-Brabant heeft in haar laatste monitor Bevolking en Wonen een update gegeven wat betreft de benodigde capaciteit. De provincie heeft berekend dat er voor subregio de Peel in de periode 2024 tot en met 2033 totaal 6.735 woningen bij moeten komen. En er is harde plancapaciteit voor 1.965 woningen. In Gemert-Bakel gaat het om 2.000 woningen en een harde plancapaciteit voor 620 woningen.
Regionale afstemming Peelgemeenten
Binnen deze woonregio zijn de Woonafspraken De Peel gemaakt, die jaarlijks worden geactualiseerd. Deze woonafspraken zijn nu in uitvoering en vormen de leidraad waarlangs gewerkt wordt. Plannen worden onderling gedeeld en er vindt afstemming plaats over de woningbouw. De afspraken gaan onder andere over afstemming van uitbreidingslocaties, niet-traditionele woonvormen en de huisvesting van specifieke doelgroepen, waaronder arbeidsmigranten en doelgroepen die 'claims' leggen op Wmo-budget. Onderhavig plan ligt binnen bestaand stedelijk gebied en de harde plancapaciteit blijft lager dan de gemeentelijke bruto nieuwbouwopgave zoals opgenomen in de Woondeal Zuidoost-Brabant (max. 100% harde plancapaciteit).
Woningbouwversnelling
De gemeente Gemert-Bakel heeft de ambitie om te groeien naar 35.000 inwoners. Groei biedt kansen om een aantrekkelijk woon- en leefklimaat te blijven bieden. De woningbehoefte voor eigen inwoners van de gemeente is groot. De komende 10 jaar wil de gemeente samen met ontwikkelaars 2.400 woningen realiseren (2022-2032). Om dit voor elkaar te krijgen heeft het college van B&W prioriteiten gesteld in de woningbouwprojecten die door de gemeente worden opgepakt.
Bij de afweging van woningbouwplannen geeft de gemeente Gemert-Bakel prioriteit aan het ontwikkelen van inbreidingslocaties. Binnen de kernen wordt verdicht met oog voor de leefbaarheid. Bij uitbreidingslocaties wordt ingestoken op afronding van de kernen met nieuwe aanbreidingswijken, waarbij kwaliteit voorop staat.
Focus op de grotere woningbouwplannen
Er wordt volop ingezet op plannen die snel gerealiseerd kunnen worden en waarin het soort woningen wordt gebouwd waar in de gemeente behoefte aan is. Er is namelijk vooral behoefte aan betaalbare huur en koopwoningen voor starters, senioren en kleine huishoudens. Dit is daarom het soort woningen waarvoor de gemeente de komende 10 jaar de bouw stimuleert. De gemeente gaat aan de slag met circa 30 woningbouwprojecten, verdeeld over de zeven kernen van de gemeente. De gemeente focust op grotere woningbouwplannen. Het project Groeskuilen is één van de 15 projecten binnen Gemert dat deel uit maakt van de geprioriteerde projecten. Aanvragen voor de bouw van een klein aantal woningen kosten namelijk veel tijd en leveren niet de gewenste snelheid op. Bij de afweging van woningbouwplannen geeft de gemeente Gemert-Bakel prioriteit aan het ontwikkelen van inbreidingslocaties. Binnen de kernen wordt verdicht met oog voor de leefbaarheid. Bij uitbreidingslocaties wordt ingestoken op afronding van de kernen met nieuwe aanbreidingswijken, waarbij kwaliteit voorop staat.
Figuur 4.3: Woningbouwprojecten gemeente Gemert-Bakel (bron: gemeente)
Woonzorgvisie Gemert-Bakel 2020-2024
De kwalitatieve woningbehoefte is beschreven in de gemeentelijke visie 'Samen thuis in Gemert-Bakel, visie op wonen - zorg - welzijn' (november 2024), zogenaamd de woonzorgvisie. Ook zijn twee verordeningen vastgesteld waarin regels zijn opgenomen voor sociale woningbouw en middenhuur. In de gemeentelijke woonzorgvisie wordt bij de realisatie van de totale plancapaciteit gestreefd naar een verdeling over de verschillende marktsegmenten. De gemeente Gemert-Bakel bouwt versneld met balans in het woningaanbod voor iedere doelgroep, met de focus op starters en senioren. In het plangebied wordt daarbij aangesloten door 37 woningen voor diverse doelgroepen mogelijk te maken. De ontwikkeling maakt woningen mogelijk voor o.a. starters, ouderen en gezinnen. Het gaat om 37 grondgebonden woningen bestaande uit 22 koopwoningen, 11 sociale huurwoningen en 4 zelfbouwkavels. Een gevarieerde mix van levensloopbestendige woningen, betaalbare rijwoningen in het koop- en huursegment. Met dit gevarieerd woningaanbod voor diverse doelgroepen in zowel koop- als huursegment sluit de ontwikkeling aan bij de woningbouwprogrammering uit de geldende woonzorgvisie en wordt er zorg gedragen voor evenwicht in de huidige woningmarkt. De segmentering van het woningbouwprogramma is verankerd in een met de initiatiefnemer gesloten overeenkomst.
Woningbouwopgave Woondeal zuidoost-Brabant (mei 2025)
In de op 9 maart 2023 vastgestelde Regionale Woondeal Zuidoost-Brabant heeft het Rijk prestatieafspraken gemaakt met onder andere de provincies en gemeenten. Deze Woondeal zuidoost-Brabant is vigerend. Echter de woningbouwopgave is geactualiseerd naar 2025. Voor Gemert-Bakel wordt vooralsnog uitgegaan van de volgende (concept) woningbouwaantallen.
De minimale opgave 2022 t/m 2030 voor de gemeente Gemert-Bakel is 1.750 woningen. De aantallen uit de regionale Ontwikkelstrategie gelden de komende jaren als richtinggevende ambitie. De opgave 2025 - 2040 is in Gemert-Bakel 3.655 woningen. De gemeente Gemert-Bakel komt de regionale afspraken na en zorgt dat de minimale woningbouwbehoefte gerealiseerd wordt
Conclusie behoefte
Het toevoegen van de beoogde woningen geeft invulling aan de woningbehoefte van diverse doelgroepen, waaronder starters en senioren.
De ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt invulling gegeven aan de woningbehoefte.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een wijziging van het omgevingsplan projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Projecten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W. In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 33 woningen en 4 zelfbouwkavels. Totaal worden 37 woningen (+ omzetting bedrijfswoning Groeskuilen 101 naar reguliere woning) mogelijk gemaakt. Een dergelijke ontwikkeling valt onder categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Hiervoor is een mer-beoordeling noodzakelijk. Op basis van deze aanmeldnotitie kan het bevoegd gezag het m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen.
In Bijlage 3 is de M.e.r.-beoordeling opgenomen.
Uit deze notitie blijkt dat het plangebied niet is gelegen in een kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder blijkt uit de kenmerken van het project en de kenmerken van de milieueffecten dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen verwacht worden. Cumulatieve effecten met andere ruimtelijke projecten zijn niet te verwachten.
Voorgaande betekent dat er geen aanleiding is voor het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure.
Het doorlopen van een mer-procedure is niet noodzakelijk.
Op het gebied van verkeer en vervoer stellen de Ow, het Bkl en de provinciale TAM-omgevingsverordening geen (instructie)regels. Verkeer en parkeren moeten bij een ruimtelijk plan dat activiteiten mogelijk maakt als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.
De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling wordt berekend op basis van de gemeentelijke parkeernormen uit de 'Nota Parkeernormen Gemert-Bakel, 2017'. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Gemert. Volgens het gemeentelijke parkeernormenbeleid dient uit te worden gegaan van een ligging in het gebiedsprofiel 'Rest bebouwde kom Bakel en Gemert'.
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling is gebruik gemaakt van kencijfers uit CROW publicatie 744. Hierbij wordt voor het bepalen van de te hanteren kencijfers op basis van CBS data voor de gemeente Gemert-Bakel een stedelijkheidsgraad aangehouden van 'Matig stedelijk'. Voor de ligging van het plangebied wordt uitgegaan van 'Rest bebouwde kom'. Tenslotte wordt op basis van de omgevingsadressendichtheid en het gemiddelde autobezit in de gemeente Gemert-Bakel, welke afkomstig zijn van het CBS, bij het bepalen van het juiste kencijfer, het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd.
Uitgangspunt bij beoordeling: STOMP principe
In beginsel worden de aspecten verkeer en parkeren beoordeeld conform het STOMP principe. STOMP staat voor: Stappen, Trappen, Openbaar Vervoer, Mobility as a Service (MaaS) en ten slotte de Privéauto. Het STOMP principe gaat ervanuit dat de voetgangers en fietsers de belangrijkste verkeersdeelnemers zijn die binnen de ontwikkeling gefaciliteerd dienen te worden, daarna volgt het openbaar vervoer en de deelmobiliteitsvoorzieningen en als laatste wordt de privéauto gefaciliteerd. Het toepassen van het STOMP principe draagt bij aan een duurzame gebiedsontwikkeling, daarom is dit principe belangrijk om mee te nemen in de beoordeling.
In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect verkeer zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerwijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer). Dit gebeurt in de volgende stappen:
Inventarisatie ontsluiting huidige situatie
Voetgangers
Onderzocht is of er binnen een acceptabele loopafstand (ca. 500 meter) bestemmingen zijn die een verplaatsing te voet realistisch maken, of de wegen en straten in de omgeving van de beoogde ontwikkeling voorzien zijn van veilige en comfortabele voetpaden en of de wegen veilig en zonder grote omwegen oversteekbaar zijn.
Binnen 500 meter naar het zuiden zijn een paar voorzieningen te voet bereikbaar. Aan de Vlasakker is een basisschool en een kinderdagverblijf gevestigd. Direct daarnaast ligt een klein park en is een horecagelegenheid gevestigd. Ten noordwesten van de beoogde ontwikkeling bevinden zich een aantal sportverenigingen, maar jammer genoeg is de ingang van het sportpark alleen met een forse omweg te bereiken, waardoor de loopafstand oploopt tot een kilometer.
De looproute naar de basisschool loopt over de Kouter en de Wetering. Deze zijn voorzien van vrijliggende voetpaden, die allen met circa 2 meter breed genoeg zijn om zonder problemen naast elkaar te lopen en andere voetgangers te kunnen passeren . Ze zijn van de rijbaan gescheiden door een groenstrook en geparkeerde auto's, zodat een comfortabele afstand van gemotoriseerd verkeer kan worden gehouden. Met een maximumsnelheid van 30 km/u en een intensiteit van maximaal 1.200 motorvoertuigen per etmaal zijn de straten zo rustig dat oversteken overal veilig kan.
Fietsers
Onderzocht is of er binnen een acceptabele fietsafstand (ca. 2 kilometer, wat langer voor voortgezet onderwijs of werk) bestemmingen zijn die een verplaatsing per fiets realistisch maken, of de wegen en straten in de omgeving van de beoogde ontwikkeling voorzien zijn van veilige en comfortabele voetpaden en of de wegen veilig en zonder grote omwegen oversteekbaar zijn.
Ondanks dat het centrum van Gemert niet midden in de bebouwde kom ligt, maar in het westen van de bebouwde kom, is Gemert zo compact dat het binnen 2 kilometer van de oostelijk gelegen projectlocatie ligt. De meeste voorzieningen en het gebied met de meeste banen is dus binnen 10 minuten fietsen bereikbaar vanuit de beoogde ontwikkeling. De sportvelden van Gemert liggen direct ten noorden van de beoogde ontwikkeling. Op het sportpark zijn velden om te voetballen, tennissen, hockeyen en honkballen te vinden, evenals een atletiekbaan. Het bedrijventerrein van Gemert ligt juist direct ten noordoosten van de beoogde ontwikkeling. Ondanks dat het vrij uitgestrekt is, zijn bijna alle bedrijven in dit gebied ook binnen 2 kilometer te bereiken. In Gemert is met het Commanderijcollege een middelbare school gevestigd die van vmbo tot gymnasiumonderwijs biedt.
Het centrum van Gemert is per fiets bereikbaar over straten waar weinig gemotoriseerd verkeer rijdt, op de route via Kouter, Ripskant, Wijst, Burgemeester Rietmansstraat en Pater van de Eisenstraat rijden nergens meer dan 1.000 mvt/etmaal. Ook de 2 vestigingen van de middelbare school zijn beiden via dergelijke rustige straten met een maximumsnelheid van 30km/u te bereiken. Het gevaarlijkste punt is de kruising met de Burgemeester de Bekkerslaan. Deze weg is met bijna 5.000 mvt/etmaal wat drukker, en heeft een maximumsnelheid van 50km/u. Op de kruising met de Wijst is de weg van een drempel voorzien, waardoor verkeer wordt afgeremd.
Het bedrijventerrein is bereikbaar via vrijliggende fietspad, dat vanaf de Groeskuilen en vanaf de Lodderdijk los van een autoweg het gebied insteekt.
Openbaar vervoer
Gemert is per openbaar vervoer alleen met bussen ontsloten. De dichtstbijzijnde halte is halte Lodderdijk, vanwaar 1 maal per uur bus 25 naar Helmond vertrekt. Deze buslijn wordt bediend van 6:46 tot 18:51. De reis naar Helmond duurt ongeveer een half uur.
Vanaf het Pastoor Poelplein vertrekken meer bussen, naar onder meer Uden, Eindhoven, Deurne en Helmond via een snellere route. Deze halte is op bijna 1,5 kilometer lopen van de beoogde ontwikkeling gelegen. De halte is voorzien van (gedeeltelijk overdekte) fietsenstallingen. Deze halte is vanaf Eindhoven tot na middernacht bereikbaar. Hiermee is de beoogde ontwikkeling per openbaar vervoer matig ontsloten. In combinatie met de fiets is de ov-bereikbaarheid redelijk.
MaaS
In Gemert zijn geen deelfietsen of -scooters beschikbaar. Wel is er een aanbod van deelauto's. OnzeAuto biedt deelauto's aan, waarvan de dichtstbijzijnde op ca. 500 meter van de beoogde ontwikkeling is gestationeerd, op de Wijst.
Auto
De beoogde ontwikkeling is voor gemotoriseerd verkeer ontsloten via de Kouter en Groeskuilen. Deze sluiten aan op de Lodderdijk, via welke in westelijke richting het centrum van Gemert bereikt kan worden, en in noordelijke richting alle bestemmingen richting het noorden en oosten zoals Venray, Venlo of Nijmegen bereikt kunnen worden. Automobilisten met bestemmingen of herkomsten elders zullen meestal gebruikmaken van de Burgemeester de Bekkerlaan en het Heijtsveld om de N272 te bereiken. De rit naar het einde van de bebouwde kom is ongeveer 1,5 km lang.
Parkeren
Om te bepalen of er in voldoende parkeergelegenheid is voorzien, is het ontwerp getoetst aan de Parkeernota Gemert-Bakel uit 2017. De parkeernota voorziet in de mogelijkheid om de parkeerbehoefte - die verdwijnt vanwege het opheffen van de activiteiten van de kwekerij - af te trekken van de parkeerbehoefte die de realisatie van de woningen veroorzaakt (salderen). Het aangrenzende hoveniersbedrijf en het kinderdagverblijf aan de Lodderdijk blijven nog wel bestaan. Zij hebben parkeergelegenheid op eigen terrein en kunnen daarom geen onderdeel uitmaken van eventuele saldering. De ruimte om te salderen, met de parkeerbehoefte die verdwijnt vanwege het opheffen van de activiteiten van de kwekerij, is zeer beperkt. De parkeerbehoefte van de voormalige bedrijfsactiviteiten was zeer laag. Bovendien werd deze veelal binnen het eigen plangebied opgevangen. Er wordt daarom geen gebruik gemaakt van salderen.
In onderstaande tabel is de berekening weergegeven van het normatieve aantal parkeerplaatsen. Dit bedraagt, afgerond, 70 parkeerplaatsen.
Tabel normatieve parkeerbehoefte beoogd programma
| aantal | Norm per woning | normatieve parkeerbehoefte | |
| Koop, vrijstaand | 2 | 2,3 | 4,6 |
| Koop, twee-onder-een-kap | 12 | 2,2 | 26,4 |
| Koop, tussen/hoek | 12 | 1,8 | 21,6 |
| Huur, sociale sector | 11 | 1,6 | 17,6 |
| Totaal | 37 | 70,2 |
De parkeerbehoefte wordt verdeeld over het noordelijk en het zuidelijk deel van het plangebied. Om te voldoen aan de parkeerbehoefte zijn er binnen het plangebied 85 parkeerplaatsen gerealiseerd. Deze parkeerplaatsen zijn onder te verdelen in 12 parkeerplaatsen ten behoeve van de woningen aan de Groeskuilen (4 vrije kavels; 2x koop, vrijstaand en 2x koop, twee-onder-een-kap) en 73 parkeerplaatsen aan de zuidzijde. De woningen aan de Groeskuilen dienen te voorzien in de parkeerbehoefte op eigen terrein. Er zijn vier dubbele opritten beoogd. Een dubbele oprit kan slechts voor 1,7 parkeerplaats worden geteld, omdat deze niet altijd volledig kunnen worden gebruikt als er behoefte aan is. Met deze correctie worden er in het noordelijk deel 10,8 parkeerplaatsen gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van 9,0 parkeerplaatsen in het noordelijk deel.
Voor de overige woningen (zuidelijk plandeel) is een behoefte van 61,2 parkeerplaatsen. Daarnaast dienen aan de Kouter 12 parkeerplaatsen te worden gecompenseerd. Deze openbare parkeerplaatsen komen vanwege het planvoornemen te vervallen. De totale parkeerbehoefte van het zuidelijk plandeel bedraagt daarom 73,2 parkeerplaatsen. Met de realisatie van 73 parkeerplaatsen wordt er voldaan aan de parkeerbehoefte van het zuidelijk plandeel.
Conclusie parkeren
Met de realisatie van 85 parkeerplaatsen wordt voldaan aan de parkeerbehoefte van 70 voor het plangebied en 12 ter compensatie aan De Kouter.
Verkeersgeneratie
De netto verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bestaat uit het aantal verkeersbewegingen dat te verwachten is vanwege de realisatie van de 37 woningen verminderd met het aantal verkeersbewegingen dat veroorzaakt wordt door de huidige invulling van het te ontwikkelen perceel. Voor een klein deel bestaat dit uit een bestaande perceel van een vrijstaande woning waar een woning wordt toegevoegd, maar het overgrote deel bestaat uit een bedrijf dat zowel gebruikt wordt als kwekerij. De oppervlakte van dit deel is 7.900 m2.
Voor zowel de diverse typen woningen als voor een kwekerij (bedrijfsfunctie) heeft het CROW kencijfers gepubliceerd in publicatie 744. De kencijfers van het CROW zijn er voor diverse stedelijkheidsgraden, locaties binnen een kern en kennen een bandbreedte. Conform de stedelijkheidsgraad van gemeente Gemert-Bakel is uitgegaan van de kencijfers voor een weinig stedelijk gebied. Als locatie binnen het gebied is 'rest van de bebouwde kom' gekozen. Het midden van de bandbreedte is aangehouden. Dit komt overeen met het autobezit in de gemeente, wat ten opzichte van gemeenten in Nederland met een vergelijkbare stedelijkheidsgraad gemiddeld is. Voor de bestaande kwekerij wordt een bedrijfsfunctie arbeidsextensief, bezoekers extensief aangehouden. Dit omdat hier de norm voor de verkeersgeneratie lager ligt dan bijvoorbeeld bij een tuincentrum of groencentrum.
In onderstaande tabel is de uitkomst van de berekening weergegeven.
Tabel berekening verkeersgeneratie beoogde ontwikkeling
| aantal/ m2 | kengetal per woning/ m2 | normatieve verkeersgeneratie | |
| Koop, vrijstaand | 2 | 8,2 | 16,4 |
| Koop, twee-onder-een-kap | 12 | 7,8 | 93,6 |
| Koop, tussen/hoek | 12 | 7,4 | 88,8 |
| Huur, sociale sector | 11 | 6,0 | 66 |
| Totaal Toename | 37 | 264,8 | |
| Bedrijf arbeidsextensief | 7.900 m2 | 0,048 m2 bvo | 379,2 |
| Totaal afname | 379,2 |
De normatieve verkeersgeneratie van de ontwikkeling zelf bedraagt 265 mvt/e op een weekdag. In de voormalige situatie bedroeg de verkeersgeneratie op een weekdag worst-case berekend op 379 mvt/e. Gezien het huidige gebruik als kwekerij zal de verkeersgeneratie echter lager zijn dan berekend.
Wel is duidelijk dat de beoogde ontwikkeling zorgt voor een forse daling van het aantal verkeersbewegingen door zware motorvoertuigen. Een kwekerij is functies die zwaar vrachtverkeer aantrekt, veel meer dan de woningen die ervoor in de plaats komen, en slechts beperkt licht autoverkeer (werknemers, vertegenwoordigers, bezoekers).
Worst-case wordt daarom uitgegaan van een autonome verkeerstoename van 265 mvt/e van licht verkeer.
Effecten op verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid
Omdat de hoeveelheid gemotoriseerd zwaar verkeer in de omgeving van de beoogde ontwikkeling afneemt en het lichte verkeer slecht beperkt toeneemt kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve effecten op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling zal veroorzaken.
De beoogde ontwikkeling is voor alle modaliteiten op een acceptabele manier ontsloten. De beoogde ontwikkeling zorgt voor een beperkte toename van gemotoriseerd verkeer op de wegen waarop het verkeer van en naar de beoogde ontwikkeling wordt afgewikkeld, en heeft dus geen negatieve effecten op de verkeersveiligheid en -afwikkeling. Er wordt in voldoende parkeergelegenheid voorzien om aan de parkeerbehoefte te voldoen. Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Omgevingswet en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt. Dit is anders indien uit de Omgevingswet voortvloeit dat een passende beoordeling moet worden gemaakt. Deze dient te zijn verricht ten tijde van vaststelling van het TAM-omgevingsplan.
De Omgevingswet maakt onderscheid tussen bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en bepalingen met betrekking tot de bescherming van dier- en plantensoorten.
Soortenbescherming
De activiteit die een TAM-omgevingsplan mogelijk maakt en die mogelijke gevolgen heeft voor verblijfsplaatsen van beschermde dieren of planten, is een flora- en fauna-activiteit. Het is in beginsel verboden om zonder vergunning een flora- en fauna-activiteit te verrichten.
Bij een wijziging van het omgevingsplan is het nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de activiteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig. Voor sommige flora- en fauna-activiteiten is een omgevingsvergunning nodig.
In alle gevallen geldt de specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit die er kort samengevat op neerkomt dat maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
Voor de beoogde ontwikkeling is in november 2024 een quickscan naar flora en fauna uitgevoerd, zie Bijlage 5 Uit de resultaten van de quickscan kan het volgende geconcludeerd worden:
Algemene vogels
Er zijn mogelijk beschermde vogelnesten aanwezig in het broedseizoen. Het gaat om vogels waarvan het nest niet jaarrond wordt beschermd of als strenger beschermd wordt beschouwd. Hiervoor zijn maatregelen die negatieve effecten voorkomen verplicht. Verstoring van broedvogels en vernietiging van vogelnesten kan worden voorkomen door de vegetatie buiten de periode 15 maart – 15 juli (het broedseizoen van de meeste vogels) te verwijderen. Door naleving van deze maatregel worden ten aanzien van vogels geen overtredingen op de Omgevingswet begaan. Omdat vogels sporadisch ook buiten de periode 15 maart – 15 juli broeden, kan het verwijderen van opgaande vegetatie toch leiden tot overtreding van de Omgevingswet. Indien blijkt dat er broedende vogels aanwezig zijn, dan mogen deze niet worden verstoord. Ook mogen in gebruik zijnde nesten niet worden vernield.
Algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën
In het plangebied komen mogelijk zoogdieren en amfibieën voor, die onder de Omgevingswet zijn beschermd. Het gaat om algemeen voorkomende soorten (zogenaamde andere soorten), waarvoor in Noord-Brabant een vrijstelling geldt in geval van ruimtelijke ontwikkeling en beheer en onderhoud. Dit houdt in dat deze soorten verstoord mogen worden, zonder dat daar vooraf een omgevingsvergunning voor flora- en fauna-activiteiten voor is verkregen. Wel geldt altijd de Zorgplicht (artikel 11.27 Bal); deze houdt in dat nadelige gevolgen voor dieren en planten altijd zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. Om aan de algemene zorgplicht te voldoen, moeten dieren die tijdens de werkzaamheden worden aangetroffen, zo snel mogelijk naar een aangrenzende locatie buiten het plangebied worden verplaatst.
De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor beschermde soorten, een vergunning voor een flora en fauna activiteit is niet noodzakelijk. Wel dient rekening gehouden te worden met het broedseizoen van beschermde vogelnesten en de Zorgplicht.
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Daarnaast bevat het Bkl regels over het Natuur Netwerk Nederland.
Natura 2000-gebieden
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een wijziging van het omgevingsplan kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Houtopstanden (bos)
Mocht de wijziging van het omgevingsplan gevolgen hebben voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour houtkap (dat wil zeggen: er moeten bomen worden geveld), gelden rijksregels uit het Bal. Bij vellen hoort een herplantingsplicht maar hierop bestaan uitzonderingen (zie artikel 11.111 Bal). Als de rijksregels voor vellen van toepassing zijn, is het vellen van houtopstanden verboden zonder eerst een melding te doen.
Natura 2000-gebieden
De beoogde ontwikkeling zal waarschijnlijk geen direct effect op de natuurwaarden in Natura 2000-gebieden hebben. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd om aan te tonen dat de ontwikkeling niet leidt tot significante negatieve effecten op beschermde natuurgebieden in de omgeving. Aanvullend is berekend of de bouw en het gebruik van de woningen stikstofdepositie veroorzaken op de gevoelige en overbelaste delen van Natura 2000-gebieden. Door middel van de meest recente AERIUS-rekentool is inzicht verkregen in de mogelijke toename van stikstof in de aanleg- en gebruiksfase, zie Bijlage 4 voor de memo met uitgangspunten, en voor de rekenresultaten. Uit de resultaten van de AERIUS-berekening kan het volgende geconcludeerd worden:
AERIUS Calculator geeft aan dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/jr. voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Op grond van de Omgevingswet voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project.
Natuurnetwerk Nederland
Het plangebied ligt niet nabij Natuurnetwerk Nederland/ Natuurnetwerk Brabant (NNB). Het plangebied ligt op ruim 850 meter afstand van NNB, de Peelse Loop richting het noorden. Hiermee kan geconcludeerd worden dat door de werkzaamheden geen NNB verloren gaat. Omdat er geen negatieve effecten op het NNB zijn te verwachten, zijn er op dit punt geen bezwaren vanuit het provinciale natuurbeleid.
Houtopstanden
De Omgevingswet beschermt bos van minimaal 10 are en bomenrijen van minimaal 21 bomen, gelegen buiten de bebouwde kom (de zogenaamde 'houtopstanden'). Het is verboden deze houtopstanden geheel of gedeeltelijk te vellen zonder voorafgaande melding bij gedeputeerde staten. Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom, bovendien zijn binnen het plangebied geen bos en bomen van een dergelijke omvang aanwezig. De bomen op de onderzoekslocatie vallen dan ook niet onder de definitie houtopstanden. Het aspect houtopstanden is daarom niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling van woningbouw binnen de bebouwde kom van Gemert.
De voorgenomen ontwikkeling leidt niet tot significante effecten op beschermde natuurgebieden. Het aspect gebiedsbescherming vormt dan ook geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling.
De te beschermen bomen en boomstructuren zijn opgenomen op de Groene Kaart van de gemeente Gemert-Bakel. Voor het kappen van bomen of (delen van) houtopstanden op de Groene Kaart is een ontheffing nodig. Ook voor het kappen van een boom binnen de structuurlijnen en groenvlakken zoals aangegeven op de Groene Kaart is een ontheffing nodig.
Als de aanvraag voor kap ingediend wordt omdat instandhouding van de boom niet langer verantwoord lijkt dan is aanvullend een rapportage noodzakelijk. Uit deze rapportage, opgesteld door een boomdeskundige (minimaal ETW gecertificeerd), blijkt dat de boom niet veilig in stand gehouden kan worden.
Daarnaast zijn in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan mogelijk bepalingen opgenomen of voor het kappen van een boom of houtopstand een omgevingsvergunning noodzakelijk is.
In en of nabij het plangebied zijn volgens de Groene Kaart geen beschermde bomen en groenstructuren aanwezig, zie figuur 4.6.1.
Figuur 4.6.1 Overzicht waardevolle bomen en groenstructuren (bron: Groenekaart, Gemert-Bakel)
Hoewel er binnen het plangebied geen waardevolle bomen aanwezig zijn volgens de Groene Kaart, zijn er wel bomen aanwezig waarvoor eventueel een kapvergunning benodigd is. Dit betreffen de bomen in de oosthoek van het plangebied. Voor niet beschermde bomen geldt een kapvergunningplicht bij bomen met een stamomvang groter dan 30 cm1 op 1,3 m1 hoogte boven het maaiveld. Wanneer deze bomen niet behouden blijven in de verdere planuitwerking, dient eventueel een kapvergunning aangevraagd te worden. Ook ten noorden van het plangebied staan aan de Groeskuilen bomen. Bij het realiseren van inritten en parkeerplaatsen op de vrije kavels in het noordelijk deel van het plangebied dienen deze bestaande bomen te worden ontzien. Voor de inritten/ parkeerplaatsen aan de Groeskuilen dient een Boom Effect Analyse (BEA) te worden uitgevoerd.
Binnen het plangebied zijn geen waardevolle bomen of groenstructuren aanwezig. Mogelijk blijkt uit de verdere planuitwerking dat voor niet beschermde bomen een kapvergunning nodig is. Het aspect 'bomen' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Wanneer een ontwikkeling betrekking heeft op een milieubelastende activiteit die leidt tot een verhoging van de concentratie in de buitenlucht van luchtverontreinigende stoffen, kan deze activiteit alleen worden verleend als de omgevingswaarden voor deze stoffen in acht worden genomen (artikel 8.17 Bkl). Dit wil zeggen dat deze omgevingswaarden niet mogen worden overschreden. De kans op overschrijding is met name aanwezig als een activiteit in of nabij een aandachtsgebied plaatsvindt. In deze gebieden (aangewezen in artikel 5.51, lid 2, van het Bkl) bestaat een reële kans op (een dreigende) overschrijding van een omgevingswaarde. Onderzoek zal moeten uitwijzen of de activiteit daadwerkelijk leidt tot een overschrijding van de omgevingswaarden.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies wordt bij het opstellen van een ruimtelijk project uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het Bkl bevat omgevingswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide, stikstofoxiden, benzeen, koolmonoxide, lood, en fijn stof (PM10 en PM2,5) (artikel 2.3 t/m 2.6 Bkl). Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De omgevingswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.
Tabel Omgevingswaarden stikstofdioxide en fijn stof
| stof | toetsing van | omgevingswaarden |
| stikstofdioxide (NO2) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| fijn stof (PM10) | jaargemiddelde concentratie | 40 µg/m³ |
| 24-uurgemiddelde concentratie | max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³ | |
| fijn stof (PM2,5) | jaargemiddelde concentratie | 25 µg/m³ |
Bestuursorganen kunnen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.
"Niet in betekenende mate"(nibm)
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide (NO2) als fijn stof (PM10) van 1,2 µg/m3 of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering. Het gaat onder andere om het toelaten van:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.
De beoogde ontwikkeling maakt 37 woningen (+ omzetting bedrijfswoning Groeskuilen 101 naar reguliere woning) mogelijk aan Groeskuilen te Gemert. Gelet op het aantal woningen valt de ontwikkeling daarmee onder de standaardactiviteiten, zoals genoemd in artikel 5.54. Deze activiteiten dragen 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Om die reden is nader onderzoek met toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit. De Lodderdijk is de maatgevende weg. Uit de tool blijkt dat in 2024 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10 en PM2,5) langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden liggen. Hierdoor is ter plaatse van het plangebied als gevolg van de ontwikkeling (met bijbehorende toename van het benoemde gehalte stikstof en fijnstof in de lucht) sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Figuur 4.7.1 Toetspunt directe omgeving projectgebied (Bron: Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit)
Tabel Concentraties NO2
Tabel Concentraties PM10
Tabel Concentraties PM2,5
De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit. Het aspect 'Luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. Geluid kan afkomstig zijn van (spoor)wegen, industrieterreinen en andere activiteiten. In deze paragraaf wordt ingegaan op geluid afkomstig van wegverkeer, spoorwegverkeer en industrieterreinen. In de volgende paragraaf (4.9) komt geluid vanwege activiteiten aan bod.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden volgens tabel 5.6. Een overschrijding is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 5.6. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.
In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:
Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.
Tabel Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort
Met de beoogde ontwikkeling worden nieuwe geluidgevoelige gebouwen gerealiseerd. Derhalve is een akoestisch onderzoek wegverkeersweglawaai uitgevoerd, zie Bijlage 6. In het onderzoek is de ontwikkeling getoetst aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en is aangegeven wat hiervan de consequenties zijn. Hierbij is rekening gehouden met het geluid door wegen op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen en wordt erin voorzien dat het geluid op de nieuwe geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied aanvaardbaar is. Op basis van de resultaten is beoordeeld of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en is vervolgens beoordeeld of voor de ontwikkeling extra geluidwerende maatregelen noodzakelijk zijn.
Toetsing standaardwaarden en grenswaarden
Het berekende geluid van gemeentelijke wegen bedraagt maximaal 51 dB. Hiermee worden de standaardwaarde van 53 dB en de grenswaarde van 70 dB niet overschreden. Maatregelen hoeven niet nader onderzocht te worden.
In het kader van de aanvraag van de omgevingsvergunning zal er een vervolgonderzoek uitgevoerd worden naar de geluidwering van de gevels ten behoeve van een aanvaardbaar binnenniveau.
Effecten op de omgeving
De toename van het verkeer kan effect hebben op bestaande woningen in de omgeving. Als uitgangspunt wordt gehanteerd dat bij een toename van de verkeersomvang met meer dan 40% sprake is van een geluidstoename van meer dan 1,5 dB (wat voor het menselijk oor hoorbaar is). De maatgevende woningen hierin zijn de bestaande woningen aan onder andere de Groeskuilen, Kouter en Lodderdijk. De verkeersgeneratie van de ontwikkeling zelf bedraagt maximaal 265 mvt/e, zie paragraaf 4.3. In het planjaar 2040 rijden volgens het BBMA model over de Groeskuilen en Kouter 1.030 mvt/etmaal en op de Lodderdijk 5.117 mvt/etmaal op een weekdag, zie akoestisch onderzoek Bijlage 6. Omdat het verkeer op de Lodderdijk richting het noorden en zuiden verdeelt betreft de bijdrage van het verkeer van de ontwikkeling zelf op de Lodderdijk circa 132 mvt/e per wegdeel. De bijdrage bedraagt circa 5% op de Lodderdijk. De extra bijdrage op de maatgevende wegen is dermate laag dat relevante negatieve uitstralingseffecten naar de omgeving zijn uitgesloten.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat geluidgevoelige functies (zoals woningen) niet aan te veel geluidbelasting worden blootgesteld. In deze paragraaf komt geluid vanwege activiteiten aan bod.
In een omgevingsplan wordt rekening gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en voorziet erin dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is (opnemen van waarden in het omgevingsplan). Het geluid door een activiteit is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de waarden als aangegeven in de tabellen 5.7 en 5.8 (instructieregels Bkl).
Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw
| 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur | |
| LAr,LT als gevolg van activiteiten | 50 dB(A) | 45 dB(A) | 40 dB(A) |
| LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen | -- | 70 dB(A) | 70 dB(A) |
| LAmax door andere piekgeluiden | -- | 65 dB(A) | 65 dB(A) |
Tabel Standaardwaarden toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten
| 07.00-19.00 uur | 19.00-23.00 uur | 23.00-07.00 uur | |
| LAr,LT als gevolg van activiteiten | 35 dB(A) | 30 dB(A) | 25 dB(A) |
| LAmax door aandrijfgeluid van transportmiddelen | -- | 55 dB(A) | 55 dB(A) |
| LAmax door andere piekgeluiden | -- | 45 dB(A) | 45 dB(A) |
Met de beoogde ontwikkeling worden woningen mogelijk gemaakt, waarmee sprake is van nieuwe geluidgevoelige gebouwen.
De beoogde woningen worden gerealiseerd op een locatie waar voorheen een kwekerij was gevestigd. Direct ten noordoosten van het plangebied blijft de bestemming 'Detailhandel' gelden. Op deze plek is op dit moment een kinderdagverblijf (Groeskuilen 91) en hoveniersbedrijf (Lodderdijk 29) gevestigd.
Het kinderdagverblijf ligt op ruim 15 m afstand van de beoogde woningen. Het gaat hier enkel om activiteiten in de dagperiode. Hoewel niet getoetst hoeft te worden aan het stemgeluid van kinderen die buitenspelen, kan dit wel hinder opleveren voor bewoners. Binnen het kinderdagverblijf verblijven maximaal 25 kinderen per dag. Het kinderdagverblijf heeft aan de noordzijde een relatief kleine buitenspeelplaats waar tweemaal per dag (ochtend en middag) wordt buitengespeeld. De buitenspeelplaats ligt op circa 17 meter van het plangebied. Deze wordt afgeschermd van de beoogde woningen door bestaande bebouwing van het kinderdagverblijf zelf en bedrijfsbebouwing. Gezien de beperkte omvang van het kinderdagverblijf, het gebruik tijdens de dagperiode en de afschermende ligging, vormt het aspect geluidhinder als gevolg van stemgeluid geen belemmering voor de beoogde geluidgevoelige gebouwen.
Ten noordwesten, direct grenzend aan het plangebied ligt een hoveniersbedrijf. Dit bedrijf bestaat uit een kantoor en een loods. Het kantoor, aan de voorzijde nabij de Lodderdijk, wordt gebruikt voor gebruikt voor ontvangst van klanten voor tuinontwerpen en kantoorpersoneel. Personeel en bezoekers parkeren aan de zijde van de Lodderdijk. Voor dit bedrijf is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidemissie van de (milieubelastende) activiteiten en werkzaamheden. Dit onderzoek maakt als Bijlage 7 onderdeel uit van deze motivering.
Uit het onderzoek kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Op basis van de resultaten kan worden gesteld dat ter plaatse van de geluidgevoelige gebouwen na realisatie van de ontwikkeling een akoestisch goed woon- en leefklimaat gewaarborgd blijft en er derhalve akoestisch gezien sprake is van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving. Voor wat betreft het aspect geluid zijn er derhalve geen bezwaren voor de woningbouwontwikkeling.
In de directe omgeving zijn verder hoofdzakelijk woningen aanwezig. Ten noorden op circa 80 m afstand is het sportcomplex Molenbroek gelegen. Op grotere afstand ten oosten van de planlocatie ligt het bedrijventerrein Wolfsveld.
Het sportcomplex Molenbroek betreft een relatief groot complex waar verschillende sportverenigingen gehuisvest zijn. De dichtstbijzijnde sportvelden liggen op circa 80 m ten noorden van de beoogde woningen. Rondom de gebouwen en parkeervoorzieningen nabij sportvelden is vaak sprake van geluidhinder. Deze liggen echter op meer dan 270 m afstand. Daarnaast zijn er ook nog bestaande woningen aanwezig die op kortere afstand van het sportcomplex zijn gelegen. Gelet op voorgaande wordt ter plaatse van de beoogde woningen geen hinder verwacht als gevolg van het sportcomplex.
Het bedrijventerrein Wolfsveld ligt op circa 250 m ten oosten van het plangebied. Ook hier geldt dat gelet op de grote afstand en reeds bestaande woningen er ter plaatse van het plangebied geen sprake is van hinder.
Er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen.
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals bij veehouderijen, industrie, horeca en (andere) milieubelastende activiteiten. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient op grond van het Bkl rekening te worden gehouden met de geur door activiteiten op gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Voor een aantal activiteiten moet de gemeente geurregels opnemen in het omgevingsplan. Hiervoor staan instructieregels in het Bkl. Dit geldt voor rioolwaterzuiveringsinstallaties (rwzi's), het houden van landbouwhuisdieren en andere agrarische activiteiten. Voor andere geurveroorzakende activiteiten kan de gemeente zelf kiezen welke geurregels ze in het omgevingsplan geurregels stelt.
Vanwege de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle geldende bestemmingsplannen binnen een gemeente gezamenlijk het tijdelijke deel van het omgevingsplan geworden, totdat de gemeente één nieuw gebiedsdekkend omgevingsplan vaststelt. Tot het tijdelijke deel van het omgevingsplan hoort ook de geurverordening, mits de gemeente deze heeft vastgesteld. Tot slot behoort ook de zogenaamde bruidsschat tot het tijdelijke deel omgevingsplan. De bruidsschat bevat onder andere regels over geur door het houden van dieren, andere agrarische activiteiten, geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken en geur door het bereiden van voedingsmiddelen.
In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies). Naast de hiervoor genoemde functies, kan het omgevingsplan andere geurgevoelige gebouwen of gedeelten van gebouwen aanwijzen, mits er hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vierde lid, van het Bkl). Ook biedt het Bkl de mogelijkheid om in het omgevingsplan niet alleen gebouwen aan te wijzen als geurgevoelig, maar ook locaties waarbij hoofdzakelijk sprake is van verblijf van mensen (artikel 5.91, vijfde lid, van het Bkl).
Op een afstand van circa 430 meter van de projectlocatie ligt ten noorden een veehouderij voor vleesvee. In het verlengde van deze veehouderij ligt een veehouderij voor vleesvarkens op een afstand van circa 760 meter. Ten oosten van de projectlocatie ligt een veehouderij voor vleesvarkens op een afstand van 1,2 kilometer.
In artikel 22.3.12 van de bruidsschat is bepaald dat tussen een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom en een veehouderij met landbouwhuisdieren waarvoor bij wet geen geuremissiefactor geldt (zoals melkvee en paarden), een vaste afstand van 100 meter moet worden aangehouden. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.
Figuur 4.10.1 uitsnede KDR kaart met het projectgebied rood omcirkeld (Bron: I-GO)
Op basis van de geurkaart van de GGD is de achtergrondbelasting op het plangebied bepaald, zie figuur 4.10.2. De planlocatie valt binnen de categorie 'Goed'. Hiermee kan gesteld worden dat de geurbelasting op de planlocatie goed is en er sprake is van een gezond woon- en leefklimaat ter plaatse van de planlocatie.
Figuur 4.10.2 Achtergrondbelasting geur (Bron: GGD)
Geur van overige activiteiten
Naast voorgenoemde specifieke gevallen kan geur ook veroorzaakt worden door bijvoorbeeld een horecagelegenheid of bedrijvigheid (bijvoorbeeld voedingsmiddelenindustrie of mengvoederindustrie). Hiervoor gelden in beginsel geen landelijke regels (Bkl), maar een gemeente is vrij om hier zelfs regels over op te nemen.
De meest nabij gelegen bedrijfsmatige activiteiten (hoveniersbedrijf, Lodderdijk 29 en kinderdagverblijf, Groeskuilen 91) veroorzaken geen geur. In de directe omgeving van het plangebied vinden verder geen activiteiten plaats die geur veroorzaken en daarmee kunnen leiden tot geurhinder op de beoogde geurgevoelige woningen. Ook de ontwikkeling zelf zorgt niet voor geurhinder op geurgevoelige gebouwen.
Het aspect 'Geur' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Daarnaast is in het Bkl is het risicobegrip breder: er zal gemotiveerd moeten worden dat bij risico's van branden, rampen en crisissen rekening gehouden wordt met het belang van:
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar (ofwel 10-6). Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het PR gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico/aandachtsgebieden
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Kwetsbare functies
Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:
Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.
In figuur 4.11.1 is te zien welke risicobronnen er in de omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Uit de figuur blijkt dat het plangebied niet ligt binnen een plaatsgebonden risicocontour of aandachtsgebied waarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Ook ligt het projectgebied niet binnen een aandachtsgebied voor explosie, brand of gifwolk van een risicobron in de omgeving. Dit levert dan ook geen belemmeringen op.
Figuur 4.11.1 Uitsnede risicokaart (Bron: Atlas Leefomgeving)
Met het oog op bovenstaande vormt het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Cultureel erfgoed omvat archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap en dergelijke. De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van een rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Gemeentelijk beleid
Op basis van de huidige wetgeving zijn de gemeenten in Nederland verantwoordelijk voor het behoud van het archeologisch bodemarchief. Omdat ruimtelijke ingrepen gevolgen kunnen hebben voor dit bodemarchief, moeten gemeenten bij de besluitvorming archeologie als volwaardige factor meenemen in de belangenafweging. Om dit op een verantwoorde en transparante wijze te kunnen doen is gemeentelijk archeologiebeleid wenselijk. De gemeente beschikt over een vastgestelde beleidsplan archeologie.
Het beleidsplan archeologie van de gemeente is vertaald in de diverse bestemmingsplannen, zo ook in het voor het plangebied geldende bestemmingsplan 'Bestemmingsplan Woongebied Gemert 2011' en daarmee het nu geldende omgevingsplan. Hierin is voor het overgrote deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 5' opgenomen, zie paragraaf 1.3. Binnen deze dubbelbestemming mogen alleen bouwwerken gebouwd worden tot een oppervlakte van respectievelijk maximaal 2.500 m2 en niet dieper dan 0,40 meter onder maaiveld.
Het beoogde planvoornemen voorziet in bodemingrepen groter dan 2500 m2 en dieper dan 0,40 meter. Een archeologisch onderzoek wordt noodzakelijk geacht. Voor het plangebied van Groeskuilen is in 2016 een Archeologische quickscan en verkennend booronderzoek met profielputten uitgevoerd om de aanwezigheid van archeologische sporen vast te stellen, dit onderzoek is in Bijlage 8 te vinden.
De quickscan toonde aan dat er zich mogelijk archeologische waarden in het plangebied zouden kunnen bevinden. Met name de aanwezigheid van hoge enkeerdgronden op dekzand in een gradiëntzone nabij (periodiek) watervoerende dalen verhoogde de kans daarop, evenals de ligging langs de historische voorlopers van de huidige wegen langs het plangebied.
Uit het booronderzoek is gebleken dat een aanzienlijk deel van de humeuze bovenlaag van (sub)recente ouderdom is. Hieronder bevindt zich een ouder akkerpakket, dat onder te verdelen is in twee fasen. Daterend materiaal is hierin niet aangetroffen, maar op basis van visuele kenmerken worden de akkerlagen gedateerd in de Nieuwe tijd. Mogelijk is op enig moment dieper geploegd waarbij de bruine akkerlaag is ontstaan (tot circa 45 cm onder het toenmalig maaiveld), waarna een recentere bouwvoor is ontstaan door bodemingrepen tot circa 35 cm -mv. Een oudere datering van deze akkerlagen kan echter niet worden uitgesloten.
In de boringen is geen dekzand aangetroffen. De bodemtextuur wisselt en op een diepte van circa 0,5 m vanaf de top van de C-horizont is een leemlaag aangetroffen. Direct onder de akkerlagen is sprake van gley-vlekken en in de oostelijke hoek van het plangebied is sprake van sterke ijzeroervorming.
Het dikke antropogene eerddek is (grotendeels) van (sub)recente ouderdom. Het betreft geen dek dat ontstaan is als gevolg van eeuwenlange bemesting in een potstalsysteem. Ook is geen sprake van een toplaag bestaande uit dekzand, of van relatief droge bodemtypes. De aangetroffen bodemop-bouw is daarmee minder gunstig voor agrarisch gebruik dan op basis van de gegevens uit het bu-reauonderzoek werd verwacht. De verwachting voor (pre)historische landbouwers dient derhalve om-laag te worden bijgesteld. Ook voor jagers en verzamelaars is landschappelijk gezien geen sprake van een aandachtslocatie. Bovendien zullen vindplaatsen van dit type, die grotendeels bestaan uit vondststrooiïngen, grotendeels verstoord zijn doordat het natuurlijke bodemprofiel volledig verstoord is door landbewerking. Op basis hiervan dient de archeologische verwachting bijgesteld te worden tot een lage verwachting voor alle periodes.
Op grond van de lage archeologische verwachting wordt geadviseerd om in het kader van de geplande ontwikkeling binnen het plangebied geen archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren.
Bovenstaand advies is beoordeeld door de adviseur van het bevoegd gezag (beoordelingsrapport van Het Archeologiebureau, d.d. 14 november 2016). De adviseur van het bevoegd gezag heeft het bevoegd gezag geadviseerd het plangebied betreffende archeologie vrij te geven, zodat de geplande ontwikkeling zonder nader onderzoek plaats kan vinden.
Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart herziening 2024, zie figuur 4.12.1, van de provincie Noord-Brabant is beoordeeld of er cultuurhistorische waarden aanwezig zijn binnen de planlocatie. Op de kaart is te zien dat er geen cultuurhistorische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied. De meest nabij gelegen historische route betreft de Lodderdijk ten noordwesten van het plangebied.
De planlocatie aan de Groeskuilen is volledig gesloten naar haar omgeving, de Kouter en het Imhof. Herontwikkeling maakt het mogelijk dit gebied te openen en te verbinden met de omliggende woonwijk. Een nieuwe ontsluitingsweg vanaf de Kouter doet dit voor gemotoriseerd verkeer maar een gengkse verbindt straks het Imhof met een nieuw groen driehoekig plein centraal in het plangebied: de brink.
Van oudsher ontstond de brink aan de rand van het dorp en was voor gemeenschappelijk gebruik van de aangrenzende woningen/boerderijen. Deze collectiviteit krijgt hier op eigentijdse wijze vorm doordat het groene plein ontmoeting van bewoners en passanten faciliteert, ruimte biedt voor natuurlijke spelaanleiding, bezoekersparkeren en een waterbergende functie.
Figuur 4.12.1 cultuurhistorische waarden in en direct rond het plangebied
Het aspect archeologie en cultuurhistorie heeft geen impact op beoogde ontwikkeling.
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Om te beoordelen of de bodem binnen het plangebied geschikt is voor de beoogde functie, wonen, is op 24 oktober 2024 een milieuhygiënisch vooronderzoek uitgevoerd volgens onderzoeksprotocol NEN 5725, zie Bijlage 10.
Uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie altijd in gebruik is geweest als kwekerij. Op de locatie zelf hebben geen bodembedreigende activiteiten plaats gevonden, wel zijn bij de terrein inspectie en bestudering van de onderzoeken locaties aangetroffen die als verdacht gezien kunnen worden, te weten:
Conclusie is dat voldoende inzicht is verkregen in de mogelijke aanwezigheid van verontreinigingen op de onderzoekslocatie. De locatie is verdacht op het voorkomen van een bodem en grondwater verontreiniging. Gelet op de toekomstige ontwikkelingen wordt een bodemonderzoek noodzakelijk geacht, aangezien de locatie niet onverdacht is en op de locatie woningen komen, bodemgevoelige locatie.
Verkennend en actualiserend bodemonderzoek
In het kader van het bovenstaande is een verkennend en actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 11.
Het verkennend bodemonderzoek heeft geleid tot een goed beeld van de bodemkwaliteit ter plaatse van de onderzoekslocatie. Op basis van de vastgestelde milieuhygiënische bodemkwaliteit wordt geacht dat er geen belemmering aanwezig is voor de voorgenomen herontwikkeling en het huidige en toekomstige gebruik van de locatie.
Tijdens het verkennend bodemonderzoek is onder de klinkerverharding ten zuidoosten van de onderzoekslocatie is plaatselijk een laag van 0,2 tot 0,4 m-mv menggranulaat aangetroffen. Aanbevolen wordt om dit menggranulaat te onderzoeken middels een verkennend asbestonderzoek. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning zal dit nader worden onderzocht.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Bij ontwikkelingen waar na de Tweede Wereldoorlog nog niet in de grond is geroerd en geen nadere onderzoeken hebben plaatsgevonden, is een kans aanwezig dat nog ontplofbare oorlogsresten aanwezig zijn. In het kader van aanvraag om omgevingsvergunning voor de bouw van een nieuw gebouw stemt de initiatiefnemer met de gemeente Gemert-Bakel af of en in hoeverre een detectie-onderzoek voor de betreffende bouwlocatie noodzakelijk is.
De bodem van de projectlocatie is reeds geroerd. Hiermee kan gesteld worden dat in het verleden eventueel aanwezige onontplofte oorlogsresten al zijn gevonden en nu niet meer aanwezig zijn. Desondanks geldt de zorgplicht, wat inhoudt dat stel er worden oorlogsresten gevonden met de realisatie van het planvoornemen, deze gemeld wordt bij het bevoegd gezag.
Het aspect 'onontplofbare oorlogsresten' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen wordt rekening gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst.
Waterschapsverordening
Het beleid ten aanzien van waterbeheer is op rijksniveau onder meer vastgelegd in het Nationaal Waterplan en op provinciaal niveau in de Omgevingsverordening Noord-Brabant. Voor het wettelijk kader in de vorm van de Waterschapsverordening wordt verwezen naar paragraaf 3.3.1.
Gemeentelijk beleid
Op 14 december 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Gemert-Bakel het Gemeentelijk Watertakenplan (GWTP) vastgesteld. Dit wordt gebruikt om nu en in de toekomst aan de gemeentelijke zorgplichten te kunnen voldoen en als toetsingskader voor nieuwe ontwikkelingen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met dit waterbeleid.
Het veranderende klimaat en de verstedelijking brengen grote uitdagingen met zich mee. Regenbuien worden steeds extremer en komen vaker voor, met veel overlast en schade tot gevolg. Ook het vasthouden van het gewenste grondwaterpeil wordt moeilijker tijdens extreem lange droge of natte perioden. Omdat het aantal warme dagen toeneemt wordt hittestress ook een probleem, vooral in een bebouwde omgeving met weinig groen en veel verharding.
De zorg voor riolering draagt bij aan een gezonde leefomgeving. In het GWTP zijn de gemeente zorgplichten voor afvalwater, hemelwater (regenwater) en grondwater uitgewerkt. De kans op overlast dient hierbij te worden beperkt tot maatschappelijk aanvaardbare normen. Er dient rekening gehouden te worden met de verwerking van extreme neerslaghoeveelheden. Hemelwater moet zo lokaal mogelijk verwerkt worden. Dat betekent het volgende:
Bij nieuwe ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met het volgende:
Waterbergingsvoorziening binnen een ontwikkeling
Voor de waterberging die binnen een ontwikkeling wordt gerealiseerd gelden een aantal eisen. Eén van deze eisen is dat de waterbergingsvoorziening moet 60 liter met m2 verhard oppervlak probleemloos kunnen bergen. Daarnaast mag de afvoer uit een voorziening maximaal 2 l/s/ha zijn en moet binnen 5 dagen leeggelopen zijn.
Opnemen gebruiksregel waterbergingsvoorziening in bestemmingsplan
Voor (ver)nieuwbouw neemt de gemeente Gemert-Bakel bij bestemmingsplanwijzigingen een voorwaardelijke gebruiksregel in het bestemmingsplan op waarin de realisatie en instandhouding van een minimale hoeveelheid waterberging wordt voorgeschreven. Dit compenseert de versnelde afvoer van hemelwater naar de openbare ruimte of riolering vanaf verhard oppervlak. Alleen voor inbreidingslocaties is het mogelijk om af te wijken van deze gebruiksregel, als het redelijkerwijs niet mogelijk is om de vereiste waterberging binnen het plangebied te realiseren. Daarbij moet aangetoond worden dat de kans op wateroverlast niet toeneemt door het plan.
De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 37 woningen (+ omzetting bedrijfswoning Groeskuilen 101 naar reguliere woning). Er is sprake van een toename van het verharde oppervlak. navolgend volgt een beschrijving op welke wijze rekening is gehouden met de waterhuishoudkundige aspecten en het beleid van de waterbeheerders.
Hoogteligging
Volgens het Actueel Hoogtebestand van Nederland (AHN), bevindt het maaiveld zich op een hoogte van gemiddeld 17,60 m +NAP. De zuid- en noordwestzijde van het plangebied ligt lager op een hoogte van 17,30 m +NAP. De weg Kouter ligt op een hoogte van gemiddeld 17,70 tot 17,80 m +NAP. De weg Groeskuilen loopt in noordwestelijke richting af van 17,70 m +NAP op de kruising met de Kouter tot 17,10 m +NAP op de kruising met de Lodderdijk.
Bodem
Vanaf maaiveld tot circa 10 m -mv bestaat de bodem uit de formatie van Boxtel (zand, zeer fijn tot zeer grof, lokaal kleiig, grindig of humeus; leem, lokaal zandig, lokaal humeus; klei, siltig tot zandig; veen, klei). Hieronder is tot circa 20 m-mv de formatie van Beegden (zand, matig grof tot uiterst grof, lokaal grindig; grind, fijn tot grof, lokaal zandig; stenen; keien; blokken; klei, lokaal siltig tot zandig) aanwezig. Hieronder is de formatie van Stramproy (zand, uiterst fijn tot zeer grof, lokaal humeus; klei, lokaal siltig tot zandig, lokaal humeus) aanwezig.
Op basis van een op locatie uitgevoerd verkennend bodemonderzoek blijkt de bodem voornamelijk te bestaand uit zwak siltig, matig fijn tot (naar de diepte toe) matig grof zand. De ondergrond is zwak tot matig grindig. Lokaal bevat de grond brokken leem en/of is deze keienhoudend. De grond van het traject 0-1 m -mv is veelal zwak humeus.
Waterdoorlatendheid
Een regenwaterberging moet binnen 1 tot 5 dagen weer volledig beschikbaar zijn. Lediging van de regenwaterberging gebeurt bij voorkeur door infiltratie in de bodem. Afvoer op oppervlaktewater of regenwaterriolering is mogelijk als infiltratie niet mogelijk is.
Op de planlocatie heeft een oriënterend bodem- en infiltratieonderzoek plaatsgevonden, deze is opgenomen als bijlage 11 van de motivering. Uit dit onderzoek blijkt dat de waterdoorlatendheid in de onverzadigde zone (boven grondwaterniveau) lokaal sterk kan verschillen en in de verschillende bodemlagen sterk uiteen loopt. In de onverzadigde zone zijn bodemlagen onderzocht die geclassificeerd zijn als overwegend slecht doorlatend. Op basis van de onderzoeksresultaten zijn de lokale infiltratiemogelijkheden zeer beperkt.
Wanneer meer bekend is over het toekomstige hemelwatersysteem, ligging en systeem keuze, zal de locatie specifieke waterdoorlatendheid nader worden onderzocht en kan het infiltratieplan verder worden uitgewerkt. Hieruit zal blijken of binnen minimaal 5 dagen weer voldoende regenwaterberging beschikbaar is.
Grondwater
Voor beleid, vergunningen en ontwateringsdieptes is het belangrijk om te weten wat de actuele karakteristieken zijn, zoals de GHG en de GLG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand en Gemiddelde Laagste Grondwaterstand).
Op de driesprong van de Kouter is een grondwaterpeilput gelegen (GMW51F13748, meetperiode nov2021 tot mei2024). De grondwaterpeilput is gelegen op een diepte van 4,0 m -mv (13,64 m +NAP). Op basis van de gegevens van deze grondwaterpeilput alsmede de grondwaterstromingsrichting is voor het plangebied ingeschat dat de GHG is gelegen op 16,90 m +NAP. Hiermee zou de GHG zich op 0,4 tot 0,7 m -mv bevinden. De GLG is ingeschat op 15,60 m +NAP (0,7 tot m 1,0 m -mv) (zie figuur onder). Het grondwater van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de geraadpleegde bronnen in noordoostelijke richting.
Volgens opgave van de provincie Noord-Brabant ligt het onderzoeksgebied niet in een waterwingebied, grondwaterbeschermingsgebied of boringvrije zone. Het aanwezig zijn van ongeregistreerde onttrekkingen in de directe omgeving is niet bekend.
Figuur 4.15.1 Gegevens peilbuis GMW51F13748 (bron: gemeente Gemert-Bakel)
Peelrandbreuk
Volgens de geologische (breuken)kaart van de provincie Noord-Brabant bevinden zich in de omgeving van Gemert meerdere breuken, waaronder de Peelrandbreuk. De Peelrandbreuk is een geologische breukzone in Limburg en Noord-Brabant. De breuk loopt in Nederland grofweg van Roermond tot Oss. Oostelijk van de breuk ligt de Peelhorst (horsten), die omhoog gedrukt wordt en ten westen ligt de Roerdalslenk (slenken), die langzaam daalt.
De grondwaterstroom vanaf de hoge Peelhorst kan bij de breuklijn stagneren vanwege de overgang van grof naar fijn zand. Daardoor kunnen, als gevolg van lokaal hogere grondwaterstanden, de hoger gelegen horsten toch aanzienlijk natter zijn dan het lager gelegen landschap in de slenk. Door het hoogteverschil kan er dan een flinke waterdruk ontstaan, die het grondwater bij de breuk omhoog stuwt. In sommige gebieden is de druk dusdanig hoog dat sterke kwel optreed en water tot aan maaiveld reikt. Dit wordt wijst genoemd en is er sprake van wijstgronden. Volgens de Heemkundekring van Gemert ligt het plangebied tussen de Peelrandbreuk die aan de noordzijde van het plangebied is gelegen en de breuk van Gemert die aan de zuidzijde van de planlocatie ligt. Volgens de Atlas van de Provincie Noord-Brabant worden in de omgeving van het plangebied geen wijstgronden aangeduid (zie figuur onder).
Figuur 4.15.2 Breuklijnen Gemert (bron: Heemkundekring van Gemert)
Oppervlaktewater
Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een set van kaarten. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem.
Behoudens een bermsloot aan de noordzijde van het plangebied langs de groeskuilen is er in en rondom het plangebied geen oppervlaktewater gelegen. Het dichtstbij gelegen oppervlaktewater betreft de Molenbroekseloop die is gelegen ten zuiden van het plangebied op een afstand van 215 m van een centraalpunt van het plangebied (zie figuur onder).
Figuur 4.15.3 Uitsnede Legger (bron: waterschap Aa en Maas)
Veiligheid (waterkering)
Het plangebied ligt niet in een kern- of beschermingszone van een waterkering.
Klimaat
Korte, hevige buien zullen naar verwachting steeds vaker voorkomen. Dit klimaateffect kan een grote impact hebben. In dat kader zijn door de gemeente gestandaardiseerde stresstesten voor wateroverlast gemaakt. Met behulp van de kaarten uit de klimaatstresstest kan inzicht worden verkregen in de kwetsbaarheid van de omgeving ten gevolge van extreme regenval. De kaarten maken inzichtelijk waar wateroverlastlocaties kunnen ontstaan na extreme buien van respectievelijk 44 mm, 70 mm, 90 mm en 160 mm. Het is mogelijk dat de gepresenteerde wateroverlast niet altijd in de praktijk (in die mate) herkend wordt. Aan de resultaten kunnen geen rechten worden ontleend, maar geven wel een goede indicatie van de te verwachten overlastlocaties bij hevige neerslag.
De onderstaande figuren laten voor het plangebied en omgeving het resultaat van de klimaatstresstest zien voor een bui van 70 mm in 1 uur en 160 mm in 2 uur.
Uit de testen blijkt dat met name het deel van het plangebied dat het laagst is gelegen aan de zuidwestzijde licht gevoelig is voor wateroverlast bij kortdurende en extreme neerslag. Het plangebied zelf is in mindere mate gevoelig voor overlast. De rondom liggende wegen zijn in beide situaties nog begaanbaar (zie figuren hieronder).
Figuur 4.15.4 Klimaatstresstest 70 mm in 1 uur (bron: gemeente Gemert-Bakel)
Figuur 4.15.5 Klimaatstresstest 160 mm in 2 uur (bron: gemeente Gemert-Bakel)
Ontwatering
Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij het ontwerp rekening gehouden te worden met minimale ontwateringsdiepten. Uitgangspunt hierbij is dat bij de inrichting van (nieuw) stedelijk gebied in principe wordt aangesloten bij de huidige grond- en oppervlaktewaterpeilen, en dat er ten gevolge van de inrichting van het betreffende gebied geen negatieve effecten op de omgeving ontstaan (verdroging of vernatting). Met andere woorden, hydrologisch neutraal ontwerpen.
De ontwateringsdiepte is het verschil in hoogte tussen het maaiveld en de maximaal optredende grondwaterstand. Gangbare normen voor de ontwateringsdiepte zijn opgenomen in onderstaande tabel.
Tabel Normen voor ontwateringsdiepte
| Ontwatering | Norm |
| Woningen met kruipruimte | 0,7 m -onderkant vloer |
| Woningen zonder kruipruimte | 0,3 m -onderkant vloer |
| Tuinen en openbare groenvoorzieningen | 0,5 m -mv |
| Primaire wegen | 1,0 m -wegas |
| Secundaire wegen en woonstraten | 0,7 m -wegas |
Vanuit de gemeente moet rekening worden gehouden met een ontwateringsdiepte van minimaal 80 cm onder de kruin van de weg en 1,2 m onder vloerpeil van de te bouwen woningen. Het bouwpeil moet 20 cm tot 30 cm boven de kruin van de openbare weg liggen.
Het huidige maaiveld is gemiddeld gelegen op een hoogte van 17,30 tot 17,60 m +NAP. De GHG is ingeschat op 16,90 m +NAP (0,7 m -mv). De ontwatering is voor de toekomstige weg- en bouwpeilen niet voldoende. Lokaal zal het maaiveld opgehoogd moeten worden. Uitgaande van de GHG en ontwateringsnormen van de gemeente voor weg- en vloerpeil zouden de toekomstige wegen komen te liggen op een peil van 17,70 m +NAP en de bouwpeilen op een hoogte van 18,10 m +NAP.
Riolering
In de rondom het plangebied gelegen wegen ligt een gemengd rioolstelsel.
Voor de beoogde ontwikkeling is een afwateringsplan opgesteld. Deze maakt als Bijlage 12 onderdeel uit van deze motivering. Op basis van het stedenbouwkundig plan is het verhard oppervlak bepaald. Hierbij is onderscheid gemaakt in verschillende soorten oppervlak.
In het afwateringsplan zijn de oppervlaktes en de benodigde berging per onderdeel opgenomen. Voor de bepaling van verhard oppervlak van de bouwvelden is in overleg met de gemeente een aparte staat opgemaakt, zie bijlage van het afwateringsplan. Hierin is onderscheid gemaakt in hoofdbouw, bijgebouw/garage, oprit, voortuin en achtertuin.
De woningen aan de Groeskuilen zijn vrijstaande woningen met grote percelen. In overleg met de gemeente is afgesproken dat deze percelen de wateropgave op eigen terrein dienen te realiseren.
De parkeervakken aan de Kouter vervangen de bestaande langsparkeerstrook. Deze parkeervakken worden uitgevoerd in doorlatende verharding. In overleg met de gemeente mogen deze dan, in afwijking van het HOOR, als 50% afwaterend worden gerekend.
Tabel Verhard oppervlak en benodigde berging
De toename van verhard oppervlak zorgt voor versnelde afvoer van hemelwater en dient daarom gecompenseerd te worden in de vorm van waterberging. Om hieraan te voldoen hanteren het waterschap en de gemeente een compensatienorm van 60 mm ten opzichte van het verharde oppervlak. Van de totale wateropgave is 183 m3 afkomstig van de bouwvelden en 146 m3 is afkomstig van openbare inrichting.
Randvoorwaarden en uitgangspunten
Ten aanzien van het plan en de omgang met hemelwater zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Voor de waterberging gelden de volgende eisen:
Hemelwater
Voor de ontwikkeling is een hemelwatersysteem met een bergingscapaciteit van 329 m3 nodig. De vrije bouwkavels aan de Groeskuilen moeten het hemelwater op eigen terrein verwerken.
In het stedenbouwkundig plan is een wadi voorzien die een bergingscapaciteit heeft van 53,5 m3. Op het perceel van de twee-onder-een-kap en vrijstaande woningen wordt een berging van 2,85 m3 op eigen terrein gemaakt (totaal 10 stuks).
Op verschillende bijgebouwen wordt een groendak gemaakt waarmee 2,5 m3 berging wordt gerealiseerd.
Onder de parkeerhoven mogen in overleg met gemeente twee bergingskelders worden aangebracht. Deze hebben gezamenlijk een bergingscapaciteit van 245,5 m3.
De totale bergingscapaciteit in het plangebied is dan 330 m3. Hiermee wordt voldaan aan de bergingseis.
Kwaliteit
Uitgangspunt bij elke ruimtelijke ontwikkeling is, dat de kwaliteit van oppervlaktewater en grondwater ten opzichte van de huidige situatie niet mag verslechteren. Waar mogelijk wordt een verbetering nagestreefd. De waterkwaliteit wordt beïnvloed door het (veranderende) ruimtegebruik en het gebruik van bouwmaterialen. Om de water- en bodemkwaliteit niet negatief te beïnvloeden wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen (koper, zink, lood). De emissies vanuit bouwmaterialen worden beperkt door gebruik te maken van producten die voorzien zijn van een keurmerk.
Vuilwater
Hemelwater en afvalwater wordt gescheiden ingezameld, verwerkt en aangeleverd door de aanleg van een vrijverval riolering. Regenwater mag niet aan de vuilwaterriolering worden aangeboden.
Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin, is voor de berekening uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 120 liter per dag geproduceerd per IE. Per woning wordt uitgegaan van een gemiddelde woningbezetting van 2,5 bewoners. Dit betekent dat er dus 2,5 x 120 liter = 300 liter per dag per woning wordt geloosd. Conform het planontwerp zullen er in totaal 37 woningen worden gerealiseerd. Dit komt overeen met een aanbod c.q. toename van 11,1 m³/dag. Het vuilwater (zogenaamde droogweerafvoer; DWA) zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de Kouter en Groeskuilen. Op basis van een totaal aanbod van 11,1 m³/dag zal ca. 9,9 m3/dag worden afgevoerd op het riool in de Kouter en 1,2 m3 op het riool in de Groeskuilen. De berekening is gebaseerd op basis van aannames en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken worden.
Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening gehouden moet worden. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid. Met het oog op die doelen moet het plan aan het omgevingsaspect duurzaamheid worden getoetst.
Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De nieuwbouw zal hieraan voldoen. Met de beoogde ontwikkeling worden geïndustrialiseerde, duurzame houtbouw woningen gerealiseerd. Houtbouw speelt een belangrijke rol in het verduurzamen van woningbouw. Tijdens de groeifase van hout slaan bomen CO2 op en daarnaast is hout zelf licht, herbruikbaar en circulair toepasbaar. Het voorkomt het gebruik van steen en beton, die voor een hoge CO2-uitstoot zorgen.
Met de beoogde ontwikkeling wordt, mede door het gebruik van houtbouw, bijgedragen aan duurzame woningbouwontwikkeling.
Eén van de doelen van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Gezondheidsbescherming
Een deel van de in dit hoofdstuk beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Dit betreffen onder andere bodemkwaliteit, luchtkwaliteit en geluidhinder.
Naast het wettelijk kader, waarbij de instructieregels uit het Besluit Kwaliteit leefomgeving (Bkl) het kader vormen, dient rekening gehouden te worden met de gevolgen voor de gezondheid als gevolg van de volgende milieubelastende activiteiten:
Gezondheidsbevordering
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. In het Bkl zijn ook nog andere onderwerpen opgenomen die een relatie hebben met gezondheid, zoals de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen met een handicap (artikel 5.162 Bkl).
Gemeentelijk beleid
Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving is voor vitale kernen en toekomstbestendig buitengebied een streven binnen de Omgevingsvisie Gemert-Bakel 2024, zie paragraaf 3.4.1. De manier waarop de leefomgeving is ingericht is van invloed op de mentale en fysieke gezondheid en veiligheid van mensen die in Gemert-Bakel wonen of de gemeente bezoeken. Het kan de leefstijl, het sociaal welbevinden en de levensverwachting van mensen positief of negatief veranderen.
Omdat de gemeente de lichamelijke en geestelijke gezondheid en het sociaal welbevinden van mensen wil beschermen en verbeteren heeft de omgevingsvisie aandacht voor gezondheid vanuit omgevings- en milieukwaliteit. Inzetten op omgevingskwaliteit betekent dat Gemert-Bakel de bestaande basis op orde houdt (gezondheidsbescherming) en bij het inrichten van de openbare ruimte ontwerpkeuzes maakt die uitnodigen tot spelen, sporten en bewegen voor iedereen (gezondheidsbevordering). De keuzes die de gemeente maakt over de ruimtelijke inrichting versterken de autonomie en zelfredzaamheid van onze inwoners, zodat iedereen mee kan doen. Bij milieukwaliteit wordt gedacht aan de luchtkwaliteit, geuroverlast en geluidshinder rondom industrie, wegen of veehouderijen en de gezondheidseffecten die dit heeft op de omgeving. Gestreefd wordt om overal te voldoen aan de wettelijke grenswaarden om de volksgezondheid te beschermen.
Gezondheidsbescherming
De omgevingsaspecten in relatie tot gezondheidsbescherming zijn in dit hoofdstuk uitgebreid onderzocht. Voor bijvoorbeeld de omgevingsaspecten bodemkwaliteit, waterkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder en omgevingsveiligheid blijkt dat aan de normen wordt voldaan, dan wel dat hiervoor de nodige maatregelen kunnen worden getroffen om aan deze normen te voldoen. Op deze plaats volstaat kort de conclusie dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling van woningen op de planlocatie.
Daarnaast neemt met de ontwikkeling de hoeveelheid verharding af en wordt groen toegevoegd. Dit heeft een positief effect op het voorkomen van hittestress en het infiltreren en bergen van hemelwater.
Geitenhouderijen
Op basis van verschillende onderzoeken (Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (VGO)) is aangetoond dat er verhoogde gezondheidsrisico's (verhoogde kans op longontsteking) zijn wanneer in de nabijheid (1,5 tot 2 kilometer) van een geitenhouderij wordt gewoond. Dit moet in overweging worden genomen in het kader van een goed woon- en leefklimaat. Het plangebied ligt niet binnen een straal van 2 kilometer van een geitenhouderij. Het plangebied ligt dan ook niet binnen het invloedsgebied van een geitenhouderij. Zodoende vormt dit aspect dan ook geen belemmering voor het plan of andersom.
Endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen
Op basis van de notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxinen toetsingskader 1.0 kan worden beoordeeld of er sprake is van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkenshouderijen en pluimveehouderijen. Dit is met name het geval bij omschakeling naar, nieuwvestiging of uitbreiding van dergelijke bedrijven. Voor de omgekeerde werking (realisatie van een kwetsbaar object zoals een woning in de omgeving van een dergelijke veehouderij) kan gebruik worden gemaakt van de afstandsbepaling uit het toetsingskader. Op basis daarvan kan worden bepaald of sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat met betrekking tot endotoxinen. ODZOB adviseert om bij een situatie waarbij binnen een afstand van 250 meter van het te realiseren kwetsbare object een veehouderij is gelegen, de genoemde afstandsbepaling toe te passen. Als uit blijkt dat niet voldaan kan worden aan de afstand dan, adviseert ODZOB negatief te besluiten op de ontwikkeling. Het plan is niet gelegen binnen 250 meter van een veehouderij met welke diersoort dan ook. De dichtstbijzijnde veehouderij bevindt zich immers op ongeveer circa 410 meter ten noorden van het plangebied ((vlees)rundveehouderij Lodderdijk 26 Gemert). Daarom is geen sprake van een verhoogd volksgezondheidsrisico ten aanzien van varkens- of pluimveehouderijen.
Spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen
In het kader van een goed woon- en leefklimaat moet een afweging worden gemaakt tussen het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en de volksgezondheid. Als gevolg van die afweging kan het nodig zijn om een spuitvrije zone aan te houden tussen gevoelige functies zoals woningen en percelen waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Het plangebied wordt aan de zuidoostzijde en de zuidwestzijde omgeven door bebouwd gebied. Aan de noordwestzijde wordt het plangebied begrensd door een sportcomplex. Enkel aan de noordoostzijde ligt een smal agrarisch perceel, op meer dan 50 meter van de projectlocatie. Dit perceel is echter met gras ingezaaid. Het perceel is niet agrarisch in gebruik. In de directe omgeving van het plangebied liggen dan ook geen gronden waar (mogelijk) sprake is van een spuitzone. Spuitzones vormen dan ook geen belemmering voor dit plan.
Gezondheidsbevordering
De bewoners en gebruikers van het plangebied worden gestimuleerd om te verblijven in de buitenruimte door middel van een aantrekkelijke groene plek met diverse mogelijkheden voor ontspannen.
Bij de inrichting van de openbare ruimte is gekozen om groenstructuren en langzaamverkeersroutes aan te laten sluiten op structuren en infrastructuur uit de omgeving. Deze inrichting vergroot daarmee de toegankelijkheid voor zowel toekomstige bewoners als voor bewoners en gebruikers uit de omgeving.
Vanuit het aspect gezondheidsbescherming is de beoogde ontwikkeling passend binnen het plangebied. De ontwikkeling zelf draagt bij aan gezondheidsbevordering.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:
Aan de hand van de verschillende omgevingsaspecten (met name geluid, geur, gevaar en stof) dient getoetst te worden of er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of bedrijven niet in hun bedrijfsuitoefening worden geschaad.
In het oude bestemmingplan is gebruik genaakt van milieucategorieën en richtafstanden conform de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Onder de Omgevingswet wordt (voor nieuwe gevallen) gebruik gemaakt van milieuzonering nieuwe stijl, gebaseerd op milieugebruiksruimte. Om die reden wordt zowel onder de oude regeling als op basis van toekomstige regelingen beoordeeld of er sprake is van een goed woon- en leefmilieu en of er invloed is op de huidige bedrijfsvoering van bedrijven.
Een nieuwe ontwikkeling mag geen inbreuk maken op de milieugebruiksruimte van omliggende activiteiten enerzijds en anderzijds moet ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de aanwezige toegestane activiteiten zijn de aspecten geluid, geur en omgevingsveiligheid reeds getoetst in respectievelijk paragraaf 4.9, 4.10 en 4.11.
Hierna worden de bedrijfsactiviteiten rond het plangebied nader beschouwd. Rond het plangebied vinden verschillende bedijfsactiviteiten plaats.
De omliggende milieubelastende activiteiten waaronder het kindcentrum en het hoveniersbedrijf ten noorden van van het plangebied vormen verder geen hinderaspect ten aanzien luchtkwaliteit, zie paragraaf 4.7 en stof. Met de ontwikkeling zelf worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt.
Het aspect milieubelastende activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
In het tijdelijke deel van het omgevingsplan liggen in en nabij de planlocatie geen planologisch relevant leidingen. In en nabij de planlocatie zijn dan ook geen planologisch relevante leidingen en/of telecommunicatieverbindingen aanwezig die een belemmering vormen voor de ontwikkeling of waarvoor de ontwikkeling een belemmering is. Daarnaast zijn in de omgeving van het plangebied geen hoogspanningsverbindingen aanwezig.
Gelet op het voorgaande staat het aspect planologisch relevante leidingen de uitvoering van de beoogde ontwikkelingen niet in de weg.
Het omgevingsaspect trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a van de Bruidsschat.
Bij het ontwikkelen van een nieuw ruimtelijk plan kan het noodzakelijk zijn in het kader van een evenwichting toedeling van functies aan locaties rekening te houden met trillingsbronnen en de mogelijke overlast (hinder of verstoring) daarvan. Conform artikel 4.1, lid 1 en 4.2, lid 1 Omgevingswet moet een motivering worden opgenomen omtrent de relevante feiten en de af te wegen belangen.
Hinder of zelfs schade door trillingen kan ontstaan door:
Deze trillingen bewegen zich door de bodem. Trillingen nemen af als de afstand tot de bron groter wordt.
Vanwege de toenemende aandacht voor trillingen en trillinghinder langs spoorlijnen (met name waar veelvuldig goederentreinen rijden) is er sinds mei 2019 de 'Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen' (Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat). In de Handreiking wordt twee afstandscriteria aangegeven t.a.v. van de beoordeling van het aspect trillingen. Vindt een plan of project plaats binnen een afstand van 100 meter van een spoorlijn, dan wordt geadviseerd een quickscan trillinghinder uit te voeren op basis van paragraaf 10.1 van de Handreiking. Vindt een plan of project plaats binnen 250 meter afstand van een spoorlijn, dan moet worden beoordeeld in hoeverre klachten, bodemopbouw en/of het treinbeeld aanleiding geven voor het doen van nader onderzoek.
Dit TAM-omgevingsplan maakt trillingsgevoelige functies mogelijk, namelijk woningen. Het plangebied ligt niet in de nabijheid van het spoor. Trillingen als gevolg van verkeer over het spoor kan dan ook op voorhand worden uitgesloten.
In de buurt van het plangebied liggen geen drukke wegen met grote hoeveelheden zwaar verkeer en lijnbussen. De mogelijke hinder van trillingen als gevolg van de omliggende wegen kan gezien het soort weg als acceptabel beschouwd worden.
Verder zijn er in de nabijheid geen bedrijfsmatige activiteiten die trillingen veroorzaken, zie paragraaf 4.18 met afstanden tot de meest nabij gelegen activiteiten anders dan wonen.
Gelet op het voorgaande is het voor het aspect trillingen verantwoord om de functie wonen aan het plangebied toe te delen.
Licht kan wenselijk zijn of juist hinderlijk. Vanuit gezondheidsoogpunt is het belangrijk dat er voldoende daglicht in bouwwerken komt (daglichttoetreding). Daarnaast is ook voldoende zonlicht op gebouwen, tuinen, terrassen en speelplekken belangrijk. Een toename van schaduw kan ongewenst zijn. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling zal met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden moeten worden met licht/schaduw.
Er bestaan in Nederland geen formele wettelijke normen en eisen ten aanzien van de bezonning voor bebouwing. Om te bepalen of effecten voor de omgeving evenredig of onevenredig zijn wordt over het algemeen in stedelijke gebieden aangesloten bij de lichte bezonningsnormen van het TNO.
Met het planvoornemen worden enkel grondgebonden woningen mogelijk gemaakt. Gelet op de ligging van het plangebied (en de nieuw te realiseren woningen) ten opzichte van omliggende percelen met woningen is het effect van schaduwwerking op bestaande woningen nagenoeg uitgesloten. Een bezonningstudie naar schaduwwerking is niet noodzakelijk.
Voor de beoogde woningen is gezien het woningtype en de positie van deze woningen sprake van voldoende daglichttoetreding op deze nieuwe woningen.
De beoogde ontwikkeling leidt niet tot onevenredige effecten voor wat betreft bezonning en schaduwwerking.
Indien een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie behoort tot de kostenverhaalplichtige activiteiten. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
Op grond van artikel 8.14 kan het bevoegd gezag beslissen van het kostenverhaal af te zien. Dit kan in drie gevallen, namelijk als het totaal van de verschuldigde kosten minder dan € 10.000,- bedraagt, er geen verhaalbare kosten bouwrijp maken zijn (als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV) of de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.
De gemeente en initiatiefnemer hebben voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder meer het kostenverhaal is geregeld. Regels kostenverhaal in het TAM-omgevingsplan zijn om deze reden niet noodzakelijk. Een exploitatieplan is om deze reden niet noodzakelijk. Voor de sloop, sanering van de gronden en de planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd.
De gemeente en initiatiefnemer hebben voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten. Daarnaast wordt een separate nadeelcompensatieovereenkomst afgesloten waarin afspraken rondom nadeelcompensatie zijn gemaakt.
Het concept-ontwerp TAM-IMRO omgevingsplan is toegezonden aan de diverse overleginstanties.
De veiligheidsregio heeft aangegeven dat met het planvoornemen ter plaatse sprake is van een aanvaardbare risicosituatie. Voor deze ontwikkeling hoeven geen extra bluswatervoorzieningen gemaakt te worden. Er liggen voldoende brandkranen in de omgeving die zorgen voor een goede bluswaterdekking. Ten behoeve van de bereikbaarheid dient berekend te worden of de tankautospuit rond kan rijden.
Voor de ontwikkeling is een participatieplan opgesteld, zie bijlage 13. Hierin wordt omschreven hoe de ontwikkelaar omgaat met participatie en hoe de omgevingsdialoog wordt uitgevoerd.
Het ontwerpbesluit wijziging omgevingsplan heeft van 22 oktober 2025 gedurende zes weken ter inzage gelegen. In deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Wel zijn er enkele ambtshalve aanpassingen doorgevoerd wat heeft geleid tot aanpassing (en daarmee de gewijzigde vaststelling) van het TAM-IMRO Omgevingsplan. De ‘Nota van ambtshalve aanpassingen’ maakt integraal onderdeel uit van de planstukken (zie bijlage 16.
Na vaststelling van het wijzigingsbesluit wordt het plan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 4 en 5.
Getoetst is aan het geldende beleid op diverse overheidsniveaus. Hieruit is gebleken dat het plan past binnen de relevante beleidskaders en dat wordt voldaan aan instructieregels. Er heeft voor diverse omgevingsaspecten een afweging plaatsgevonden, waarbij steeds de conclusie kan worden getrokken dat het voorgenomen plan niet leidt tot onacceptabele effecten op de fysieke leefomgeving.
Als voorwaarde voor het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen zijn geluidregels opgenomen in dit TAM-omgevingsplan.
Gelet op het voorgaande is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties met de ontwikkeling van 37 woningen (+ omzetting bedrijfswoning Groeskuilen 101 naar reguliere woning).
Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en er is een uitgebreid participatietraject gevoerd.