direct naar inhoud van TOELICHTING
Plan: Westpolder/Bolwerk 2012, basisschool Westpolder 2 en woningen deelplan 5 (bouwstroom 1)
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST

TOELICHTING

Hoofdstuk 1 INLEIDING

1.1 Bedoeling van het plan

In Westpolder/Bolwerk wordt een nieuw woongebied gerealiseerd. De ontwikkeling van het gebied vindt gefaseerd plaats. Eén van de fases heeft betrekking op de bouw van een basisschool en omliggende woningbouw.

Binnen het geldende bestemmingsplan is een uitwerkingsverplichting opgenomen. Deze uitwerkingsbevoegdheid vormt de planologische basis voor de verwezenlijking van de basisschool en de woningen.

Via het onderhavige uitwerkingsplan vindt de planologische uitwerking van de genoemde bevoegdheid plaats.

1.2 Bij het plan behorende stukken

Dit uitwerkingsplan wordt gevormd door een set van digitale bestanden. Deze digitale versie bestaat uit een toelichting, regels, een digitale verbeelding (GML) en bijlagen.

Het uitwerkingsplan kan ook analoog worden geraadpleegd. In de analoge versie is de digitale verbeelding vervangen door een analoge verbeelding. Visueel leidt dit tot enkele wijzigingen. Inhoudelijk heeft dit geen gevolgen.

Via de toelichting worden de voor de beoogde ontwikkeling relevante ruimtelijke factoren inzichtelijk gemaakt. Bovendien geeft het een beschrijving van de in het uitwerkingsplan opgenomen planregels. Via deze beschrijving wordt het doel van de planregels uiteengezet. Dit kan indien nodig helderheid geven bij de uitleg van de planregels (en verbeelding).

1.3 Ligging en begrenzing plangebied

De planlocatie is gelegen aan de westzijde van Berkel en Rodenrijs. De locatie valt binnen deelplan 5 van het gebied Westpolder. Direct ten westen van het plangebied bevindt zich het tracé van de Randstadrail tussen Den Haag Centraal station en Rotterdam Centraal station. Voor de beeldvorming is het plangebied in afbeelding 1 en 2 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0001.jpg"

Afbeelding 1: globale ligging plangebied en omgeving

1.4 Geldende ruimtelijke planregeling

De te ontwikkelen locatie maakt deel uit van het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012". Het ontwerpbestemmingsplan is met ingang van 28 augustus 2012 ter inzage gelegd. Op 28 maart 2013 is het bestemmingsplan vastgesteld, waarna het op 12 juni 2013 in werking is getreden. Op 10 oktober 2013 is het plan onherroepelijk geworden.

Het plangebied van "Westpolder/Bolwerk 2012" bestaat uit 11 deelplannen, waarvan een gedeelte al is gerealiseerd. Voor de deelplannen die nog verwezenlijkt moeten worden, zijn in het bestemmingsplan veelal uit te werken bestemmingen opgenomen. Dit geldt ook voor het plangebied voor de basisschool en de geplande woningen. De school en de woningen behoren tot deelplan 5. Het relevante deel van de verbeelding (plankaart) is in afbeelding 2 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0002.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0003.png"

Afbeelding 2: uitsnede verbeelding "Westpolder/Bolwerk 2012" met globale weergave plangebied

Het plangebied valt binnen de bestemming 'Wonen – Uit te werken'. De uit te werken woonbestemming voorziet niet alleen in de bouw van woningen, maar ook in onder meer bedrijven, kantoren en maatschappelijke voorzieningen, zoals scholen.

De bestemming 'Wonen – Uit te werken' kent de aanduiding 'ontsluiting'. Hier zijn de gronden mede bestemd voor de ontsluiting van de woonwijk voor gemotoriseerd verkeer. Dit is ter plaatse van de kleine driehoek aan de zuidkant van het plangebied.

In het noordelijke deel is tevens sprake van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. De betreffende gronden zijn mede bestemd voor het behoud van (mogelijk) aanwezige archeologische waarden.

Het plangebied valt bovendien binnen een vrijwaringszone ten behoeve van de bescherming van luchtvaartverkeer. Dit houdt verband met het nabijgelegen vliegveld 'Rotterdam The Hague Airport'.

1.5 Planvorm

Bij de opzet van de toelichting is rekening gehouden met de standaardindeling in het gemeentelijk handboek voor ruimtelijke plannen. Van het handboek is afgeweken wanneer dit bijdroeg aan de leesbaarheid en doelmatigheid.

De planregels sluiten aan bij de regels in het onderliggende bestemmingsplan “Westpolder/Bolwerk 2012”.

De verbeelding bevat de bestemmingen voor de beoogde school, woningen en openbare voorzieningen, zoals wegen en parkeerplaatsen.

1.6 Leeswijzer

In het navolgende hoofdstuk van deze toelichting wordt een beschrijving gegeven van de bestaande en de beoogde nieuwe situatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevant geachte Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid beschreven. Hoofdstuk 4 bevat een toets aan van belang zijnde wet- en regelgeving voor omgevingsaspecten zoals bodem, geluidhinder, luchtkwaliteit, externe veiligheid, water, ecologie en cultuurhistorie. Het daaropvolgende hoofdstuk geeft een juridische planbeschrijving ten aanzien van de regels en de verbeelding. In het hoofdstuk 6 zal worden ingegaan op de economische uitvoerbaarheid. De maatschappelijke aanvaardbaarheid van het uitwerkingsplan komt aan de orde in het laatste hoofdstuk.

Hoofdstuk 2 BESTAANDE EN NIEUWE SITUATIE

 

2.1 Historische context

Het landschap tussen Rotterdam, Delft, Den Haag en Zoetermeer is in de loop van de eeuwen diverse keren veranderd van karakter. Het plangebied stond in de vroege jaartelling in contact met de Noordzee. De eb- en vloedbewegingen van de zee reikte via een krekenstelsel tot voorbij Pijnacker en Berkel. Er ontstond een moerasbos. Door het voortdurend afsterven van vegetatie ontwikkelde dit zich tot een veenpakket. Vanaf de tiende eeuw werd het deltalandschap in cultuur gebracht door het graven van ontwateringskanalen en de aanleg van akkers. Door het wegpompen van water verloor het veen veel volume. Dit leidde tot een verzakking van de bodem, waardoor de aanleg van dijken en kades noodzakelijk werd.

In de veertiende en de vijftiende eeuw steeg de vraag naar turf. Daarom werd het landschap aangewend voor het winnen van turf. Hierdoor ontstond een waterrijk plassenlandschap. Deze plassen groeiden aaneen tot grote meren en veenplassen. Na deze vervening brachten de gronden niets meer op. Bovendien vormde het water een bedreiging van de veiligheid van de bewoners. Besloten werd de plassen droog te malen en de drooggevallen gebieden opnieuw te verdelen in strakke, rechthoekige kavels. Dit proces was rond 1850 voltooid en zorgde voor het ontstaan van de kleine poldertjes met een eigen verkavelingspatroon en een relatief hoge grondwaterstand.

De Oude Droogmaking, waarvan de Westpolder deel uitmaakt, werd in de periode van 1767 tot 1777 drooggelegd en was daarmee de eerste in het huidige Berkel en Rodenrijs. Het gebied kreeg een strakke, rechtlijnige verkaveling. De meer westelijk gelegen polder Oudeland is vanwege de slechte bodem nooit afgegraven. Deze ligt daarom een meter of drie hoger dan de Westpolder.

Het overgrote deel van het landbouwareaal in Berkel en Rodenrijs was en is in gebruik bij de veehouderij. Rond 1900 vestigden ook tuinbouwbedrijven zich aan de randen van de polders langs de vaarten, met het oog op de afvoer van producten per schip.

De kern van Berkel en Rodenrijs bleef tot en met 1945 kleinschalig en agrarisch van aard. Na de oorlog verstedelijkte deze echter langzamerhand door de aanleg van bedrijventerreinen en nieuwe woongebieden. Als eerste uitbreiding werd de Oranjebuurt gerealiseerd, gelegen ten noorden van het oude centrum. In de jaren '60 en '70 van de vorige eeuw werden meer grootschalige wijken zoals de Sterrenwijk, de Weidevogelbuurt en de Bomen- en Struikenbuurt (ten noorden en oosten van het plangebied) gerealiseerd.

2.2 Bestaande ruimtelijk-functionele karakteristiek

In de Vierde Nota op de Ruimtelijke Ordening Extra (VINEX) is Berkel en Rodenrijs aangewezen als uitbreidingslocatie. De wijken Rodenrijse Zoom (Plaszoom), Meerpolder en Westpolder/Bolwerk zijn inmiddels deels gerealiseerd en deels in aanbouw.

De planlocatie bevindt zich in Westpolder nabij de noordelijk gelegen, oost-west georiënteerde, Leeweg. Ten westen loopt de Randstadrail. Deze bovengrondse metrolijn vormt een verbinding tussen Den Haag en Rotterdam. Aan de zuidzijde van het plangebied ligt het winkelcentrum 'Het Gouden Hart'. Ten oosten van het plangebied is reeds woningbouw in aanbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0004.jpg"

Afbeelding 3: plangebied en omgeving

2.3 Ontwikkeling basisschool

In het kader van onderwijshuisvesting in Westpolder is de bouw van een permanente tweede Westpolderschool opgenomen in het nieuwbouwprogramma. Het nieuwe schoolgebouw wordt de nieuwe locatie van twee basisscholen en van een buitenschoolse opvang. In afwachting van de voltooiing van de nieuwbouw wordt nog gebruik gemaakt van tijdelijke huisvesting elders in de wijk. Ook wordt via onderhavig uitwerkingsplan ruimte gereserveerd voor tijdelijke huisvesting achter de beoogde gymzaal.

2.4 Bouw woningen

Ten zuiden en (noord)oosten van de basisschool is via dit uitwerkingsplan de bouw van woningen gepland. Hier is gekozen voor zogenaamde bouwstroken. Binnen deze stroken kunnen uiteenlopende type woningen worden gebouwd, zoals geschakelde woningen en vrijstaande woningen. Op specifiek, via de verbeelding, aangegeven plaatsen is er ook ruimte voor de bouw van appartementengebouwen van drie en vier lagen.

Het aantal woningen is niet gemaximeerd. Wel wordt het aantal beperkt door de omvang van de bouwstroken en de gehanteerde parkeernorm. Met deze flexibele benadering kan snel en adequaat worden ingespeeld op de wensen van potentiële kopers. Deze aanpak houdt dan ook rekening met de huidige, onzekere woningmarkt, waarbinnen de vraag naar nieuwbouwwoningen minder voorspelbaar is dan in voorgaande jaren.

Hoofdstuk 3 BELEIDSKADER

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een aanpak welke ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Een actualisatie van het van kracht zijnd ruimtelijk en mobiliteitsbeleid is daarvoor nodig. Door nieuwe politieke accenten en veranderende omstandigheden, zoals de economische crisis, klimaatverandering en de door het tegelijkertijd plaatsvinden van groei, stagnatie en krimp toenemende regionale verschillen, zijn de beleidsnota's op het gebied van zowel ruimte als mobiliteit gedateerd. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een nieuw, integraal kader voor het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid op rijksniveau en is zo de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. De SVIR is vastgesteld op 13 maart 2012.

De SVIR vervangt verschillende bestaande nota's zoals:

  • de Nota Ruimte;
  • de Structuurvisie Randstad 2040;
  • de Nota Mobiliteit;
  • de MobiliteitsAanpak;
  • de structuurvisie voor de Snelwegomgeving;
  • de agenda Landschap;
  • de agenda Vitaal Platteland;
  • Pieken in de Delta.

In SVIR staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten zij de komende jaren wil investeren. En op welke manier de bestaande infrastructuur beter benut kan worden. Provincies en gemeenten krijgen in de plannen meer bewegingsvrijheid op het gebied van ruimtelijke ordening.

Met de Vierde Nota over de Ruimtelijke Ordening Extra (Vinex) uit 1994 werd de basis gelegd voor de bouw van grootschalige woonwijken. Vinex zag formeel op de periode tot 2005.

Voor een goed werkende woningmarkt blijft het Rijk de rijksdoelstellingen voor heel Nederland wel benoemen: de zorg voor voldoende omvang, kwaliteit en differentiatie van de woningvoorraad. De programmering van verstedelijking wordt echter overgelaten aan provincies en (samenwerkende) gemeenten. Gemeenten zorgen voor de (boven)lokale afstemming van woningbouwprogrammering, binnen de provinciale kaders, en uitvoering van de woningbouwprogramma’s. Waar samenwerking tussen gemeenten uitblijft, stimuleren provincies actief dat de samenwerking alsnog tot stand komt.

Provincies voeren, rekening houdend met de rijksdoelstellingen, de regie over de integratie en afweging van ruimtelijke opgaven van (boven)regionaal belang. Alleen in de stedelijke regio’s rond de mainports (Noordvleugel en Zuidvleugel) zal het Rijk afspraken maken met decentrale overheden over de programmering van verstedelijking. Lansingerland is onderdeel van de zuidvleugel. De nog onvoltooide Vinex-locaties zijn onderdeel geworden van deze programmering.

De sturing op verstedelijking, zoals afspraken over percentages voor binnenstedelijk bouwen, Rijksbufferzones en doelstellingen voor herstructurering, laat het Rijk los. Om niettemin wel het zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen, is door het Rijk een ladder voor duurzame verstedelijking op in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Deze ladder is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten. Daardoor wordt de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut. Hiervoor is reeds omschreven dat het plangebied deel uitmaakt van een Vinex-locatie. Daarmee heeft het Rijk zich al uitgesproken voor de ontwikkeling van nieuwbouw buiten bestaand stedelijk gebied. Een nadere beoordeling aan de hand van de genoemde ladder kan daarmee achterwege blijven.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

De hiervoor behandelde structuurvisie is een beleidsstuk zonder bindend karakter voor lagere overheden. Om naleving van deze en andere structuurvisies te kunnen afdwingen, is besloten tot de vaststelling van algemene regels. Deze zijn opgenomen in het 'Besluit algemene regels ruimtelijke ordening' (Barro). Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden.

Een deel van het Barro wordt gevormd door de overname van oude planologische kernbeslissingen en beleidsnota's. Deze waren beiden in principe niet bindend, tenzij het onderdelen betrof die door het Rijk werden aangemerkt als 'concrete beleidsbeslissing'. Bij de continuering van oude planologische kernbeslissingen en beleidsnota's gaat het om:

  • Project Mainportontwikkeling Rotterdam;
  • kustfundament;
  • grote rivieren;
  • Waddenzee en waddengebied;
  • defensie, en
  • erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde.

Op 1 oktober 2012 is het Barro aangevuld met voorschriften voor de volgende thema's:

  • Rijksvaarwegen;
  • Hoofdwegen en landelijke spoorwegen;
  • Elektriciteitsvoorziening;
  • Ecologische hoofdstructuur;
  • Primaire waterkeringen buiten het kustfundament;
  • IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte);
  • Veiligheid rond rijksvaarwegen;
  • Verstedelijking in het IJsselmeer;
  • Toekomstige rivierverruiming van de Maastakken.

3.1.3 Conclusie

Het beleid van het Rijk richt zich op nationale belangen. Wat het Rijk daaronder schaart komt via onder meer de hiervoor behandelde beleidsstukken en algemene regels tot uiting.

De realisatie van een maatschappelijke voorziening in de vorm van een schoolgebouw valt in ruimtelijke zin niet onder de reikwijdte van het actuele Rijksbeleid. Hetzelfde geldt voor woningbouw. Bovendien worden de school en de woningen gerealiseerd in een door het Rijk aangewezen Vinex-locatie. Van enige strijd met Rijksbeleid is dan ook geen sprake.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Visie op Zuid-Holland

De Visie op Zuid-Holland, welke is vastgesteld op 2 juli 2010, bestaat uit de Provinciale Structuurvisie, de Verordening Ruimte en de Uitvoeringsagenda. Hierin beschrijft de provincie haar doelstellingen en provinciale belangen (structuurvisie), stelt zij regels aan ruimtelijke ontwikkelingen (verordening) en geeft zij aan wat nodig is om dit te realiseren (uitvoeringsagenda).

Provinciale Structuurvisie

De Provinciale Structuurvisie geeft een doorkijk naar 2040 en een visie voor 2020 met bijbehorende uitvoeringsstrategie. Er staat in hoe de provincie samen met haar partners wil omgaan met de beschikbare ruimte. Met de structuurvisie werkt de provincie aan een vitaal Zuid-Holland, met meer samenhang en verbinding tussen stad en land. De provincie onderscheidt vijf hoofdopgaven:

  • aantrekkelijk en concurrerend internationaal profiel;
  • duurzame en klimaatbestendige deltaprovincie;
  • divers en samenhangend stedelijk netwerk;
  • vitaal, divers en aantrekkelijk landschap, en
  • stad en land verbonden.

Gemeenten krijgen vrijheid om binnen de gestelde kaders de ruimte voor burgers en bedrijven optimaal in te richten. De provinciale belangen luiden:

  • behouden en aantrekken van bedrijvigheid en werkgelegenheid;
  • verbeteren van de waterveiligheid;
  • robuust en veerkrachtig watersysteem;
  • duurzame energievoorziening;
  • versterken stedelijk netwerk;
  • optimaal benutten van bestaande ruimte voor economische clusters;
  • verbeteren interne en externe bereikbaarheid;
  • voldoende aanbod van verschillende woonmilieus;
  • voorzien in een gezonde leefomgeving;
  • ontwikkelen en behouden van vitale en waardevolle landschappen;
  • behouden van de Cultuurhistorische Hoofdstructuur;
  • verbeteren belevingswaarde en verminderen verrommeling;
  • realiseren van een complete Ecologische Hoofdstructuur;
  • versterken recreatieve functie en groenstructuur.

De Visie op Zuid-Holland is in 2012 geactualiseerd. De hoofdopgaven, de 14 provinciale belangen en de planhorizon zijn bij deze actualisering overeind gebleven.

Verordening Ruimte

De ambitie van de provincie is om het aantal regels en procedures te verminderen. ‘Lokaal wat kan, provinciaal wat moet’ is ook uitgangspunt voor de provinciale Verordening Ruimte. Daarin staan dus alleen die zaken die provinciaal móeten.

De Verordening Ruimte stelt regels voor gemeentelijke ruimtelijke plannen. Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria, weinig gemeentelijke beleidsvrijheid en een zwaarwegend provinciaal belang zich hiervoor. De provincie heeft in de Verordening Ruimte daarom regels opgenomen over bebouwingscontouren, agrarische bedrijven, kantoren, bedrijventerreinen, detailhandel, waterkeringen, milieuzoneringen, lucht- en helihavens, molen - en landgoedbiotopen. Daarnaast zijn regels over bijvoorbeeld de Ecologische Hoofdstructuur en de Nationale Landschappen vastgelegd.

Om het stedelijk netwerk te versterken hanteert de provincie het uitgangspunt om verstedelijking zoveel mogelijk in bestaand bebouwd gebied te concentreren. Hiermee wordt de kwaliteit van het bebouwde gebied behouden en versterkt. Daarnaast kan de open ruimte buiten de stedelijke gebieden worden behouden voor landbouw, natuur en recreatie. Om dit bereiken zijn het stedelijk netwerk en alle daarbuiten gelegen kernen in Zuid-Holland omgeven door op de kaart aangegeven bebouwingscontouren. Deze geven de grens van de bebouwingsmogelijkheden voor wonen en werken weer. De bebouwingscontouren zijn strak getrokken om het bestaand stedelijk gebied en de kernen, rekening houdend met de vastgelegde grenzen en plannen waar de provincie al mee heeft ingestemd.

De kern Bergschenhoek, inclusief het plangebied, valt op grond van de provinciale verordening binnen een bebouwingscontour (zie de volgende afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0005.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0006.png"

Afbeelding 4: bebouwingscontour Bergschenhoek en Berkel en Rodenrijs met daarbinnen plangebied

Uitvoeringsagenda

In de Uitvoeringsagenda staat hoe de provincie en verschillende partners de structuurvisie uitvoeren. De nadruk ligt op samenhang van maatregelen en programma's en de samenwerking met de regio's.

De Uitvoeringsagenda maakt duidelijk wat er moet gebeuren en wat de onderlinge rolverdeling van de provincie en haar partners is. Elke partij werkt vanuit zijn eigen rol en verantwoordelijkheid om de ambities van de structuurvisie te realiseren.

 

3.2.2 Woningbouwprogramma

De provincie Zuid-Holland bekijkt continu de ontwikkeling van woningbouw binnen de provincie. Uit de 'Voortgang kwantitatief woningbouwprogramma 2010-2019' kan worden opgemaakt, dat binnen de meeste regio's de behoefte aan woningbouw is afgenomen.

Voor de provincie Zuid-Holland is per regio een woningbouwprogramma opgesteld. Lansingerland valt binnen de 'Stadsregio Rotterdam'. Voor de periode 2010-2019 werd voor deze regio uitgegaan van een gewenste woningtoename van 35.000 woningen. Dit aantal is door de provincie verlaagd naar 26.700 woningen. Deze verlaging heeft consequenties voor de woningbouw binnen Lansingerland. Een aantal woonwijken wordt vooralsnog niet ontwikkeld. Voor de bouw van woningen in het onderhavige plangebied zijn er geen consequenties. De ontwikkeling van Westpolder/Bolwerk bevindt zich in een vergevorderd stadium. Het is wenselijk dat deze wijk wordt afgerond. De bouw past ook binnen het gecorrigeerde regionale woningbouwprogramma.

3.2.3 Conclusie

Alles overziend wordt met de beoogde realisatie van een school en woningen gehandeld in overeenstemming met het provinciaal beleid.

 

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Lansingerland

Op 18 februari 2010 heeft de gemeenteraad van Lansingerland de gemeentelijke structuurvisie vastgesteld. Via deze structuurvisie verankert de gemeente de beoogde ruimtelijke ontwikkelingen voor de periode tot 2025. Het betreft ontwikkelingen met betrekking tot onder meer woningbouw, bedrijventerreinen en maatschappelijke voorzieningen. Binnen de gemeentelijke structuurvisie maakt de planlocatie deel uit van 'nieuw stedelijk gebied'. Via de volgende afbeelding is dit zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0007.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0008.png"

Afbeelding 5: kaart bij structuurvisie Lansingerland (ter hoogte van de peil bevindt zich het plangebied)

De gronden binnen dit gebied zijn primair bestemd voor woningbouw met daarbij behorende voorzieningen. Tot dergelijke voorzieningen kunnen onder andere scholen en wijkcentra worden gerekend. Een maatschappelijke ontwikkeling zoals de realisatie van een basisschool sluit dan ook goed aan op de gemeentelijke beleidsdoelstellingen.

3.3.2 Masterplan Westpolder/Bolwerk

In 2000 is voor het totale woongebied het "Masterplan Westpolder/Bolwerk" vastgesteld. Dit bestaat uit een stedenbouwkundige visie en een kwaliteitsinstrumentarium.

Het hoofdthema is het dorps bouwen. Dorps bouwen is gebaseerd op een aantal pijlers:

  • zo veel mogelijk een gemengd programma;
  • een zo goed mogelijke integratie met het buitengebied;
  • een directe aansluiting op de landschappelijke karakteristiek van het gebied;
  • individualisering van het bouwen;
  • gebruik van mogelijkheden van duurzaam bouwen;
  • in een stratenpatroon dat aansluit bij de dorpse karakteristiek.

Daarnaast zijn de volgende aspecten belangrijke hoofdthema’s voor de ruimtelijke invulling van het plangebied:

  • een zodanige ontsluitingsstructuur dat niet alleen het geplande woongebied goed ontsloten wordt, maar ook de bestaande verkeersstructuur langs de linten zo goed mogelijk ontlast wordt;
  • een optimale inbedding van de Randstadrailhalte Berkel Westpolder, zodat de gebruiksmogelijkheden ervan optimaal benut worden.

Voor de inrichting is het beleid gericht op het creëren van een woongebied met een karakteristiek welke aansluit bij de dorpse karakteristiek van Berkel en Rodenrijs. Uitgangspunt daarbij is het scheppen van een woongebied met deelgebieden waarin sprake is van een grote mate van herkenbaarheid en gebondenheid aan de eigen woonsituatie.

Het plangebied valt binnen de Westpolder. De Westpolder vormt een onderdeel van de laaggelegen polder aan de rand van het Kleiplateau en wordt verder begrensd door de Bovenvaart, de Klapwijkseweg en het lint van Berkel en Rodenrijs en vormt in die zin een eenheid met de Vogelbuurt, de Weidebuurt en Parc Rodenrijs. De slotenstructuur wordt een structurerend kenmerk voor het te ontwikkelen deel van de Westpolder. De hoger gelegen randen, de boezems, vormen een verrijkend onderdeel voor de polder en spelen in het ontwerp een belangrijke rol.

De ruimtelijke uitwerking van de Westpolder is gebaseerd op het structurerende beginsel van de poldersloten dat er voor zorgt dat het woongebied wordt opgespannen tussen de Leeweg en de Zilvergracht in het noordelijke plandeel en de Stationsstraat en de rand van het Bolwerk in het zuidelijk plandeel. De structurerende werking van de poldersloten en het daaraan gekoppelde principe van het polderweggetje geeft een samenhang binnen het gebied van de Westpolder, een samenhang die vervolgens vraagt om een gedifferentieerde uitwerking. Die differentiatie ontstaat door de combinatie van een viertal mechanismen:

  • de toepassing van verschillende profielen voor het polderweggetje zoals beschreven in het buitenruimteplan;
  • het vergroten van de complexiteit van de stedenbouwkundige plattegrond door het toevoegen van een nevenrichting loodrecht op de richting van de polderweggetjes: de dwarsweggetjes;
  • het variëren in de onderlinge afstand tussen de poldersloten;
  • het aanbrengen van een architectonische variatie binnen het polderweggetje.

Naarmate de stedenbouwkundige plattegrond complexer wordt, dient de architectonische beheersing groter te worden en omgekeerd; bij polderweggetjes in hun meest pure vorm kan de vormvariatie groot zijn zonder dat het beeld rommelig wordt; bij de meer complexe stedenbouwkundige situatie die ontstaat bij dwarsverbindingen is meer terughoudendheid geboden. Binnen Westpolder is het mogelijk om zeer verschillende architectuurbeelden een plaats te geven. Het noordwestelijke deel kan heel anders zijn dan het zuidoostelijke deel. Het is echter belangrijk voor de totale samenhang van Westpolder dat de overgangen tussen de architectuurbeelden altijd geleidelijk verlopen. Kleine verschuivingen in materiaal- en kleurgebruik tussen de individuele polderweggetjes kunnen voor grote verschillen zorgen op de schaal van heel Westpolder.

Het Masterplan gaat uit van drie basisscholen. Eén van deze scholen was beoogd binnen het plangebied van dit uitwerkingsplan.

In paragraaf 4.4 wordt uiteengezet op welke wijze de school en de woningen op een stedenbouwkundige verantwoorde wijze worden ingepast.

3.3.3 Uitwerking bestemmingsplan

De basis voor de beoogde realisatie van woningen en maatschappelijke voorzieningen is gelegd via het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012". Ten eerste voorziet de uitwerkingsverplichting in grootschalige woningbouw. Verder wordt via het bestemmingsplan onder meer ingespeeld op de behoefte aan onderwijs in een woonomgeving. In het genoemde bestemmingsplan is een totaal van maximaal 4 hectare aan maatschappelijke voorzieningen als uitgangspunt genomen. De huisvesting van scholen maakt hier onderdeel van uit. Bij de opzet van het bestemmingsplan is ingezet op spreiding van de maatschappelijke voorzieningen. Dit komt onder andere tot uiting in de nieuwbouwlocatie voor de basisschool in het noordelijke deel van het woongebied. Andere voorzieningen treffen we aan op andere locaties, zoals de commerciële voorzieningen in het centrum van de wijk (Het Gouden Hart).

3.3.4 Conclusie

De beoogde vestiging van een basisschool en de bouw van woningen passen binnen het gemeentelijk beleid voor het woongebied Westpolder/Bolwerk.

Hoofdstuk 4 OMGEVINGSASPECTEN

4.1 Cultuurhistorische waarden

4.1.1 Inleiding

Binnen de ruimtelijke ordening wordt cultuurhistorie over het algemeen geassocieerd met de gebouwde omgeving, zoals monumenten en beschermde stads- en dorpsgezichten, maar ook met archeologische waarden. Naast deze cultuurhistorische elementen is er de laatste jaren steeds meer aandacht gekomen voor landschappelijke structuren, ofwel het historisch cultuurlandschap en de historische geografie. De bescherming van cultuurhistorische elementen is vastgelegd in de Monumentenwet 1988.

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt specifieke eisen aan het opstellen van ruimtelijke plannen. Deze zien zowel op archeologische waarden als op monumentale gebouwen en historisch waardevolle landschapselementen.

4.1.2 Archeologische waarden

Beoordeling

De archeologische waarde van het plangebied is getoetst aan de hand van het gemeentelijke archeologiebeleid. Het archeologisch beleid heeft de gemeente vastgelegd door middel van een archeologische beleidskaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0009.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0010.png"

Afbeelding 6: archeologische beleidskaart, zwart= globaal plangebied, rood=globaal locatie school

Uit het voorafgaande kaartfragment kan worden geconcludeerd dat het plangebied deels binnen een zogenaamde archeologische zone valt. Dit was aan de hand van de verbeelding van het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012" ook al vastgesteld. Het betreft een zeer beperkt deel van de noordzijde van het plangebied. Dit valt in de zone met de kleur groen. Binnen deze zone zijn bouw- en graafwerkzaamheden alleen mogelijk zonder omgevingsvergunning, wanneer:

- de oppervlakte van het gebied niet meer bedraagt dan 100 m2;

- de gronden tot een maximale diepte van 50cm onder peil worden geroerd.

Het plangebied valt slechts voor een beperkt deel binnen de groene zone. Niettemin bedraagt de oppervlakte meer dan 100 m2. Deze gronden zullen naar verwachting worden voorzien van openbaar groen en parkeerplaatsen. De daartoe benodigde werkzaamheden zullen naar verwachting niet dieper dan 50 cm onder het maaiveld reiken. Een omgevingsvergunning lijkt dan ook niet noodzakelijk. Niettemin zal ter bescherming van de mogelijke archeologische waarden wel een archeologische dubbelbestemming worden opgenomen in het uitwerkingsplan. Dit betekent dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voor werkzaamheden welke wel dieper reiken dan 50 cm.

Meldplicht archeologische vondsten

Voor toevalsvondsten bestaat een meldingsplicht. Wanneer tijdens de uitvoering van het project wordt gestuit op een (mogelijk) archeologisch waardevol element, dan moet dit worden gemeld bij de gemeente en de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.

Conclusie

Aan de vaststelling van dit uitwerkingsplan staan geen archeologische belemmeringen in de weg.

4.1.3 Landschappelijke cultuurhistorische waarden

Beoordeling

Westpolder kenmerkt zicht door het structurerende beginsel van de poldersloten. De structurerende werking van de poldersloten en het daaraan gekoppelde principe van het polderweggetje geeft een samenhang binnen het gebied van de Westpolder.

Bij de inrichting van het gebied wordt de hiervoor beschreven structuur gerespecteerd. Daarmee wordt recht gedaan aan de cultuurhistorische elementen van landschappelijke aard binnen het gebied.

Conclusie

Gezien vorenstaande maakt dit ruimtelijke plan geen inbreuk op bestaande waardevolle landschapselementen.

4.2 Milieuaspecten

4.2.1 Akoestiek

Inleiding

De Wet geluidhinder (Wgh) richt zich op de bestrijding van geluidhinder door met name industrie, weg- en railverkeer. Geluidsgevoelige objecten, zoals woningen of scholen, mogen niet gerealiseerd worden zonder dat voorafgaand een toets aan de geluidnormen plaatsvindt. Ook waarborgt de Wgh dat geluidveroorzakende objecten, zoals wegen en bedrijven, niet zonder meer in de buurt van geluidsgevoelige objecten kunnen worden ontwikkeld.

Beoordeling

Ten behoeve van de nieuwbouw van de school en van de woningen is akoestisch onderzoek uitgevoerd. De bevindingen en conclusies zijn vastgelegd in twee afzonderlijke rapportages.

Akoestisch onderzoek basisschool

In het kader van het akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op de toekomstige schoolgebouwen is zowel het wegverkeerslawaai als het railverkeerslawaai beoordeeld (zie voor de rapportage bijlagen 1 en2).

Wegverkeerslawaai

Ten aanzien van het wegverkeerslawaai is geconcludeerd dat de maximale belasting op de geprojecteerde gevels van de schoolgebouwen 34 dB bedraagt. Daartoe zijn respectievelijk de N471 en de Klapwijkseweg in het akoestisch onderzoek betrokken. De wettelijke voorkeursgrenswaarde ten aanzien van geluidsbelasting vanwege wegverkeer is 48 dB. Deze voorkeursgrenswaarde wordt dan ook niet overschreden.

Voor een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de relevante, omliggende 30-km-wegen in het onderzoek betrokken. Het betreft de Oude Molendreef en de Gouden Uillaan. Deze wegen vallen niet onder de reikwijdte van de Wgh, maar zijn niettemin van invloed op het leefklimaat ter plaatse van de beoogde basisschool. De geluidsbelasting van deze wegen is ten hoogste 46 dB. Daarbij is de gemeten geluidsbelasting, conform artikel 110g van de Wgh, met 5 dB gecorrigeerd voor wegen met een maximumsnelheid van minder dan 70 km/uur. Deze aftrek is toegepast omdat deze wegen als 30 km/uur worden ingericht. Ook nu vindt geen overschrijding plaats van de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en is een goede ruimtelijke ordening niet in het geding.

Railverkeerslawaai

Met betrekking tot het railverkeerslawaai is de invloed van de nabijgelegen metrolijn beoordeeld. Het betreft het metrotraject "Den Haag - Rotterdam, traject 543". Ter plaatse van Berkel en Rodenrijs is het een bovengrondse verbinding. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 53 dB. De verwachte maximale geluidsbelasting op de schoolgebouwen is 38 dB. Ook ten aanzien van het railverkeerslawaai vindt dus geen overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaats.

Akoestisch onderzoek geprojecteerde woningen

In het kader van het akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting op de geprojecteerde woningen is zowel het wegverkeerslawaai als het railverkeerslawaai beoordeeld (zie voor de rapportage bijlagen 3, 4 en 5).

Wegverkeerslawaai

Ten aanzien van het wegverkeerslawaai is geconcludeerd dat de maximale belasting op de geprojecteerde gevels van de woningen 46 dB bedraagt. Daartoe zijn respectievelijk de N471 en de Klapwijkseweg in het akoestisch onderzoek betrokken. De wettelijke voorkeursgrenswaarde ten aanzien van geluidsbelasting vanwege wegverkeer is 48 dB. Deze voorkeursgrenswaarde wordt dan ook niet overschreden.

Voor een beoordeling van een goede ruimtelijke ordening zijn tevens de relevante, omliggende 30-km-wegen in het onderzoek betrokken. Het betreft de Oude Molendreef en de Gouden Uillaan. Deze wegen vallen niet onder de reikwijdte van de Wgh, maar zijn niettemin van invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. De geluidsbelasting van deze wegen is ten hoogste 52 dB. Daarbij is de gemeten geluidsbelasting, conform artikel 110g van de Wgh, met 5 dB gecorrigeerd voor wegen met een maximumsnelheid van minder dan 70 km/uur. Deze aftrek is toegepast omdat deze wegen als 30 km/uur worden ingericht. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt hiermee overschreden.

Ten aanzien van de geluidwaarde in een aantal geprojecteerde woningen worden in het rapport aanbevelingen gedaan. Om aan de maximale grenswaarde voor het binnen niveau van 33 dB, opgenomen in het Bouwbesluit, te kunnen voldoen, zijn mogelijk aanvullende maatregelen aan diverse woningen noodzakelijk. Deze, mogelijke, voorzieningen dienen in het kader van de omgevingsvergunning(en) voor de bouw van de woningen te worden meegenomen. Wel wordt ten aanzien van de woningen, waarvan de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, verlangd dat bij de inrichting van het bouwplan rekening wordt gehouden met de te hoge gevelbelasting. Daartoe dienen de geluidgevoelige ruimten zo veel mogelijk aan de geluidluwe zijden van de desbetreffende woningen te worden gerealiseerd. Hierdoor kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat gegarandeerd worden. Dit is een ontwikkelopgave voor de ontwikkelaar van de woonwijk. Daarmee is een goede ruimtelijke ordening niet in het geding.

Railverkeerslawaai

Met betrekking tot het railverkeerslawaai is de invloed van de nabijgelegen metrolijn beoordeeld. Het betreft het metrotraject "Den Haag - Rotterdam, traject 543". Ter plaatse van Berkel en Rodenrijs is het een bovengrondse verbinding. Enkele van de geprojecteerde woningen bevinden zich binnen de zone van de genoemde metrolijn.

De voorkeursgrenswaarde bedraagt 55 dB. De verwachte maximale geluidsbelasting op een aantal woningen is 58 dB. Dit leidt tot een overschrijding van de genoemde voorkeursgrenswaarde. Het betreft het meest westelijk gelegen bouwvlak. Het treffen van maatregelen bleek echter onvoldoende doeltreffend en stuit bovendien op bezwaren van financiële aard. De kosten zijn bovenmatig. In het akoestisch rapport wordt daarom voorgesteld een hogere waarde te laten vaststellen door het college van burgemeester en wethouders. Een hogere waarde mag maximaal 68 dB bedragen. Met een verwachte belasting van 58 dB wordt deze niet overschreden.

Ten aanzien van de geluidwaarde in een aantal geprojecteerde woningen worden in het rapport aanbevelingen gedaan. Om aan de maximale grenswaarde voor het binnen niveau van 33 dB, opgenomen in het Bouwbesluit, te kunnen voldoen, zijn mogelijk aanvullende maatregelen aan diverse woningen noodzakelijk. Deze, mogelijke, voorzieningen dienen in het kader van de omgevingsvergunning(en) voor de bouw van de woningen te worden meegenomen.

Conclusie

Geluidsaspecten staan niet in de weg aan de bouw en het gebruik van de schoolgebouwen en de woningen.

Het is wel noodzakelijk dat met betrekking tot de woningen in het meeste westelijke bouwvlak een hogere waarde wordt vastgesteld. Aangezien de maximale waarde van 68 dB voor railverkeerslawaai niet wordt overschreden, is dit mogelijk. Hiervoor is dan ook een besluit hogere waarden op basis van de Wet geluidhinder genomen (zie bijlage 14).

Bij het ontwerpen van een aantal woningen dient rekening te worden gehouden met de geluidsbelasting vanwege de omliggende 30-km-wegen. Deze ligt boven 48 dB. Voor deze woningen geldt de opdracht om de geluidgevoelige ruimten zo veel mogelijk aan de geluidluwe zijden van de desbetreffende woningen te realiseren.

Bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het bouwen van de woningen dient te worden aangetoond, dat het geluidniveau in de woningen voldoet aan het Bouwbesluit. Voor een aantal woningen gaat dit mogelijk gepaard met aanvullende, geluidwerende maatregelen. Het betreft de woningen waarvan de verwachte gevebelasting meer dan 53 dB bedraagt. Het Bouwbesluit hanteert een maximale norm voor het binnen niveau van 33 dB. En bij een standaardgevelopbouw bedraagt de geluidwering van de gevel 20 dB. Bij een gevelbelasting van meer dan 53 dB volstaat een standaardgevelopbouw derhalve niet.

 

4.2.2 Bodem

Inleiding

Het project vereist dat inzicht verkregen wordt in de milieukundige gesteldheid van de bodem. In verband hiermee is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de planlocatie. De onderzoeksresultaten zijn vastgelegd in een rapportage (zie bijlage 6 tot en met bijlage 10). Dit rapport wordt hierna besproken.

Beoordeling aan de hand van bodemrapport

Door middel van het uitgevoerde bodemonderzoek is inzicht verkregen in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de onderzoekslocatie.

De grond op de onderzoekslocatie is over het algemeen licht verontreinigd met zware metalen, aldrin/dieldrin/endrin, hexachloorbenzeen en DDD en plaatselijk met PCB, PAK en minerale olie. In het grondwater zijn over het algemeen lichte verontreinigingen met barium (en nikkel) en plaatselijk met molybdeen aangetroffen. In het grondwater ter plaatse van het ketenpark is een sterke verontreiniging met nikkel aangetroffen. In de grond, ter hoogte van het filtertraject, is echter geen verontreiniging met nikkel gemeten. Nikkel komt vaker als verhoogde waarde voor in het gebied.

ln sommige gebieden in Zuid-Holland komen in het freatisch grondwater verhoogde concentraties arseen, nikkel, zink of lood voor, zonder dat daarbij in de vaste fase van de bodem ter plaatse van het grondwater de achtergrondwaarden worden overschreden en waarvoor geen duidelijk aanwijsbare bron aanwezig is. Verder kenmerken deze gebieden zich door relatief grote fluctuaties van de concentraties in het grondwater in ruimte en tijd. Daarbij zijn ook overschrijdingen van de interventiewaarden mogelijk. De verhoogde concentraties worden toegeschreven aan natuurlijke oorzaken of aan de gevolgen van menselijke ingrepen in de waterhuishouding van een gebied en zijn mogelijk dus niet een gevolg van handelingen waarbij deze stoffen in de bodem zijn geraakt. ln het Gezamenlijk Bodemsaneringsbeleid (opgesteld door de provincie Zuid-Holland voor de gemeenten Den Haag, Dordrecht, Leiden, Rotterdam en Schiedam in 2003) wordt gesteld dat gezien bovenstaande kenmerken er geen reden is om gebieden met dergelijke verhoogde concentraties te saneren, waarbij ook bij herinrichting saneringsmaatregelen achterwege kunnen blijven.

Middels onderhavig onderzoek zijn de verontreinigingen voldoende in kaart gebracht. Gezien de toekomstige bestemming van de locatie, de relatief lage gehalten en bovenstaand beleid, is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek. Er zijn geen belemmeringen voor het toekomstig terreingebruik (scholen en woningbouw).

Bij uitvoering van grondwerkzaamheden dient rekening te worden gehouden met veiligheidsmaatregelen conform CROW-publicatie 132 “Werken in of met verontreinigde grond”.

Conclusie

De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding tot vervolgonderzoek of saneringsmaatregelen. Daarmee levert de bodemkwaliteit geen belemmeringen op voor de realisatie van de school.

4.2.3 Ecologie

Inleiding

De natuurbescherming kan worden verdeeld in gebiedsbescherming en soortenbescherming.

De gebiedsbescherming is verankerd door middel van het Nederlandse Natura 2000-netwerk. Dit netwerk bestaat uit gebieden die zijn aangewezen onder de Vogelrichtlijn en aangemeld onder de Habitatrichtlijn. Beide Europese richtlijnen zijn belangrijke instrumenten om de Europese biodiversiteit te waarborgen. Alle Vogel- of Habitatrichtlijngebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. Het Natura 2000-netwerk maakt bovendien deel uit van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS).

De bescherming van inheemse (van nature in Nederland voorkomende) en uitheemse planten- en diersoorten die in het wild leven, is in één wet geregeld: de Flora- en faunawet.

Beoordeling

Via een zogenaamde 'quickscan natuurtoets' zijn de ecologische waarden binnen en direct grenzend aan het plangebied geïnventariseerd. De bevindingen zijn vastgelegd in een rapportage (zie bijlage 11). De conclusies en aanbevelingen in het rapport luiden als volgt.

Ten aanzien van gebiedsgerichte natuurbescherming

Op basis van de ligging en de aard van de ruimtelijke ingrepen wordt ingeschat dat de beoogde plannen geen negatieve effecten hebben op de in de omgeving aanwezige Natura 2000-gebieden, EHS (Ecologische Hoofdstructuur)-gebieden of natuurgebieden buiten de EHS.

Ten aanzien van soortenbescherming

Met betrekking tot de bescherming van plant- en diersoorten wordt het volgende geconcludeerd:

  • Beschermde en bedreigde plantensoorten zijn niet aangetroffen in het plangebied en deze worden ook niet verwacht. In het plangebied zijn met name soorten aanwezig die kenmerkend zijn voor braakliggende terreinen;
  • Wegens het ontbreken van bebouwing en bomen ontbreken potentiële vaste verblijfplaatsen voor vleermuizen. Mogelijk wordt de vaart aan de zuidzijde van het plangebied gebruikt als een vlieg- en/of jachtroute. Het onderzoeksgebied fungeert vermoedelijk (beperkt) als foerageergebied voor enkele vleermuissoorten;
  • In het plangebied zijn vaste verblijfplaatsen van enkele algemeen voorkomende, laag beschermde, zoogdiersoorten zoals Veldmuis, Bosmuis, Rosse woelmuis, Huisspitsmuis, Bosspitsmuis (spec.) en Mol te verwachten. Vaste verblijfplaatsen van strikt beschermde grondgebonden zoogdiersoorten (zoals Waterspitsmuis) kunnen worden uitgesloten, omdat voor deze soorten geen geschikt leefgebied dan wel sporen die duiden op de aanwezigheid van de soort zijn aangetroffen;
  • In het plangebied of binnen de invloedsfeer van de plannen zijn geen broedvogels aangetroffen of te verwachten waarvan de nestplaats jaarrond beschermd is. Wegens het ontbreken van opgaande beplanting kan de aanwezigheid van broedvogels van bos en struweel worden uitgesloten. Wel kunnen algemene soorten zoals Wilde eend, Meerkoet en Waterhoen tot broeden komen in de oeverzones van de watergangen. Ook kunnen broedvogels van braakliggende terreinen, zoals Scholekster en Witte kwikstaart, tot broeden komen in het plangebied;
  • In beperkte mate is zowel voortplanting (watergang) als overwintering (watergang en ruige oeverzone) van enkele laag beschermde amfibieën te verwachten in het plangebied. Het betreft soorten als Bruine kikker, Kleine watersalamander, Bastaardkikker en/of Gewone pad. Zwaarder beschermde amfibieën (zoals Rugstreeppad) zijn niet aangetroffen of te verwachten;
  • In de vaart ten zuiden van het plangebied is de middelhoog beschermde Kleine modderkruiper (Flora- en faunawet, tabel 2) aangetroffen (zie bijlage 2 van het rapport). In de watergangen gelegen aan de west- en oostzijde van het plangebied is Kleine modderkruiper niet aangetroffen. Aangezien de vaart in (open) verbinding staat met deze watergangen zijn hier mogelijk wel enkele (zwervende) exemplaren aanwezig. Overige beschermde vissoorten zijn niet aangetroffen in of langs de rand van het plangebied en worden ook niet verwacht;
  • Verblijfplaatsen van reptielen, beschermde libellen, dagvlinders en andere ongewervelden zijn niet aangetroffen en worden op basis van biotoopkenmerken en bekende verspreidingsgegevens ook niet in het plangebied verwacht.

Geadviseerde vervolgstappen en maatregelen

Met betrekking tot ecologie worden de volgende acties en maatregelen voorgesteld:

  • Mogelijk is er sprake van een vlieg- en/of jachtroute van vleermuizen over de vaart gelegen aan de zuidzijde van het plangebied. Om nadelige invloed op het functioneren van deze vlieg- en/of jachtroute te voorkomen dient openbare verlichting in de nabijheid van de vaart spaarzaam te worden toegepast. Een type verlichting dat niet naar de omgeving verstrooit maar lokaal de grond verlicht heeft de voorkeur (zie voor neer informatie het bijgevoegde rapport). Op deze wijze zal de vaart ook na de herinrichting haar functie houden als geschikte vliegroute en foerageergebied;
  • Indien werkzaamheden worden uitgevoerd in watergangen waar de Kleine modderkruiper voorkomt of verwacht wordt, dienen maatregelen te worden genomen om schade aan de soort te minimaliseren. Voor de soorten uit tabel 2 van de Flora- en faunawet kan worden volstaan door het werk uit te voeren conform de Gedragscode voor Waterschappen. Wanneer de juiste mitigerende maatregelen worden genomen zal de gunstige staat van instandhouding van de Kleine modderkruiper gegarandeerd blijven en is het aanvragen van een ontheffing annex artikel 75 van de Flora- en faunawet niet nodig. Wel is het noodzakelijk om de mitigerende maatregelen uit te werken in een ecologisch werkprotocol. Hoewel niet verplicht wordt het nemen van maatregelen ook aanbevolen bij werkzaamheden in de sloten gelegen in het plangebied, zodat exemplaren van vissen (en ook amfibieën) gespaard blijven;
  • Werkzaamheden die broedbiotopen van aanwezige vogels verstoren of beschadigen dienen te allen tijde te worden voorkomen. Dit is voor de meeste soorten mogelijk door gefaseerd te werken en de uitvoering in elk geval te starten in de periode voor half maart of na eind juli. Indien in het voorjaar, de zomer of nazomer gewerkt wordt, is het belangrijk de onderzoekslocatie te controleren op broedende vogels. Uit onderzoek moet dan blijken of broedende vogels aan- of afwezig zijn. Voor het broedseizoen wordt geen standaardperiode gehanteerd, maar is het van belang of een broedgeval wordt verstoord, ongeacht de datum;
  • Bij de beoogde plannen kunnen (in beperkte mate) exemplaren en verblijfplaatsen van enkele algemene en laag beschermde kleine zoogdieren en amfibieën verloren gaan. Voor deze soorten geldt echter in deze situatie automatisch vrijstelling van de verbodsartikelen uit de Flora- en faunawet en zijn zodoende geen verplichte vervolgacties nodig. Uitvoering in de maanden september/oktober levert over het algemeen de minste schade op aan deze soorten, dat is namelijk buiten de kwetsbare voortplantings- en overwinteringsperiode.

Zorgplicht

In de Flora- en faunawet is een zorgplicht opgenomen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor iedereen en voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Bij beschermde planten of dieren geldt de zorgplicht ook als er een ontheffing of vrijstelling is verleend.

Conclusie

Met inachtneming van de geadviseerde mitigerende maatregelen kan dit uitwerkingsplan worden uitgevoerd conform de geldende natuurwet- en regelgeving. Daartoe dient in het kader van de uit te voeren graafwerkzaamheden een werkprotocol te worden overgelegd. Verder dienen de vogelbroedseizoenen en de hiervoor omschreven zorgplicht te worden gerespecteerd.

4.2.4 Luchtkwaliteit

Inleiding

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Hiermee wordt de wijziging van de Wet Milieubeheer ten aanzien van de luchtkwaliteitseisen bedoeld. De wet maakt een onderscheid in projecten die 'in betekenende mate' (IBM) en 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast worden er bestemmingen genoemd die extra gevoelig zijn voor luchtvervuiling (gevoelige bestemmingen).

Uiteraard moet niet alleen bij gevoelige bestemmingen maar bij alle projecten sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. Uit dit oogpunt moet afgewogen worden of het aanvaardbaar is om een bepaald project op een bepaalde plaats te realiseren. Hierbij speelt de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol, ook als het project zelf hier niet of nauwelijks aan bijdraagt. Projecten die 'niet in betekenende mate' leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit hoeven volgens de Wet luchtkwaliteit niet langer afzonderlijk getoetst te worden op de grenswaarde, tenzij een dreigende overschrijding van één of meerdere grenswaarden te verwachten is. De grens van 'niet in betekenende mate' ligt bij 3% van de grenswaarde van een stof. Maatgevend zijn de stoffen 'stikstofdioxide', aangeduid als 'NO2' en fijn stof, aangeduid als 'PM10'.

Luchtkwaliteit plangebied en omgeving

Voor het actuele bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012" is in oktober 2011 een onderzoek uitgevoerd naar de luchtkwaliteit voor het totale woongebied. In dat kader is de luchtkwaliteit berekend langs onder andere de Provinciale weg N471, de Klapwijkseweg/Boterdorpseweg en de Oudelandselaan. Uit het onderzoek volgt dat de wettelijke normen voor de stoffen NO2 en PM10 niet worden overschreden. De realisatie van de school en de woningen draagt dan ook niet in betekenende mate bij aan de luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit en gezondheid schoolkinderen

Het landelijke 'Besluit gevoelige bestemmingen' wil voorkomen dat gevoelige bestemmingen, waaronder naast scholen ook kinderdagverblijven en verzorgingstehuizen voor ouderen vallen, worden gebouwd in gebieden langs snelwegen en provinciale wegen als daar sprake is van een slechte luchtkwaliteit. Het besluit omschrijft die gebieden als een gebied van 300 meter langs een rijksweg en een gebied van 50 meter langs een provinciale weg. Dit zijn de afstanden waarbinnen de luchtkwaliteit het meest beïnvloed wordt door de emissies van het wegverkeer. Het Besluit richt zich op de vestiging van nieuwe school- en andere gebouwen en geeft regels voor het uitbreiden van bestaande gebouwen.

Bij het tot stand komen van het Besluit is uitgebreid gesproken over een bredere reikwijdte en is uitdrukkelijk de conclusie getrokken dat de vraag waar scholen en andere gevoelige functies het best kunnen worden gebouwd een vraag is die op lokaal niveau dient te worden afgewogen binnen het kader van de goede ruimtelijke ordening. Een voor het hele land geldend verbod om – ongeacht de luchtkwaliteit – in een zone van 300 meter langs een snelweg en 50 meter langs een provinciale weg scholen en andere gevoelige bestemmingen te bouwen is niet aan de orde. Een gedetailleerde manier om het gezondheidsaspect in de ruimtelijke planvorming te betrekken wordt beschreven in de landelijke GGD-richtlijn medische milieukunde: luchtkwaliteit en gezondheid (rapport RIVM nr. 609330008/2008).

Omdat het geplande schoolgebouw zich op geruime afstand van de N471 bevindt, levert het gebruik van de school geen strijd op met het Rijksbeleid.

Conclusie

Het plan voldoet aan het onderdeel luchtkwaliteitseisen van de Wet milieubeheer. Ook wordt voldaan aan Het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Hierdoor zijn er geen belemmeringen voor dit plan met betrekking tot de luchtkwaliteit.

4.2.5 Externe veiligheid

Inleiding

Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten die een risico voor de omgeving kunnen opleveren, zoals risico’s die kunnen optreden bij de productie, het vervoer en de opslag van gevaarlijke stoffen in inrichtingen. Bij de (her)inrichting van een gebied bepaalt de externe veiligheidssituatie mede de ruimtelijke (on)mogelijkheden.

In het kader van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gelezen in samenhang met de regels omtrent externe veiligheid moet worden onderzocht of er sprake is van aanwezigheid van risicobronnen in de nabijheid van de locatie waarop een planologisch besluit betrekking heeft en dienen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR), en de eventuele toename hiervan, berekend te worden.

Besluit externe veiligheid inrichtingen 

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) schrijft voor dat het met betrekking tot de externe veiligheid noodzakelijk is inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico.

 

Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten

Onder beperkt kwetsbare objecten wordt onder andere verstaan: verspreid liggende woningen van derden met een dichtheid van maximaal twee woningen per hectare en dienst- en bedrijfswoningen van derden, hotels, restaurants, kantoren en winkels voor zover deze objecten niet tot de kwetsbare objecten behoren en bedrijfsgebouwen en vergelijkbare objecten.

Kwetsbare objecten zijn onder andere woningen (met uitzondering van de beperkt kwetsbare objecten) en andere objecten waar zich gedurende een groot deel van de dag grote groepen mensen bevinden of een deel van de dag kwetsbare groepen mensen bevinden.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans per jaar dat een persoon dodelijk getroffen wordt door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen vierentwintig uur per dag en gedurende het gehele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom de inrichting. De grenswaarde voor het PR is voor nieuwe kwetsbare objecten (op enkele uitzonderingssituaties na) gesteld op een niveau van 10-6 per jaar op het object. Voor beperkt kwetsbare objecten is deze waarde een richtwaarde. Dit wil zeggen dat hiervan alleen om gewichtige redenen kan worden afgeweken. De norm 10-6 per jaar betekent dat de kans op een dodelijke situatie door een ongeval met gevaarlijke stoffen op een te bebouwen plek maximaal één op een miljoen per jaar mag zijn.

 

Groepsrisico

Het groepsrisico (GR) drukt de cumulatieve kans per jaar uit dat ten minste 10, 100 of 1000 overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting, waarbij een gevaarlijke stof of gevaarlijke afvalstof betrokken is. Dit wordt vertaald in een dichtheid van personen binnen het invloedsgebied van de inrichting. De normen voor het GR hebben een oriënterende waarde.

Circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen

Naast de regelgeving omtrent inrichtingen kennen we de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (cRNVGS). Deze heeft betrekking op het transport van gevaarlijke stoffen over de weg.

Beoordeling

De externe veiligheidsaspecten zijn beoordeeld door DCMR milieudienst Rijnmond (zie bijlage 12). In de betreffende rapportage komt DCMR tot de volgende bevindingen en conclusies.

Inleiding

Zowel een basisschool als een woning is een kwetsbaar object. Aan de hand van de landelijke risicokaart is beoordeeld of zich in de omgeving van het plangebied risicovolle objecten (risicobronnen) bevinden. Deze beoordeling heeft uitgewezen dat de N471 de enige risicobron in de omgeving vormt.

De N471 en N472 zijn transportroutes van gevaarlijke stoffen. De N471 bevindt zich aan de westzijde van het plangebied. De weg verbindt de A20 met de N470, die aftakt op de A12. De N472 (Klapwijkseweg) loopt ten noorden van het plangebied.

N471

De N471 is, ter hoogte van het plangebied, niet specifiek aangewezen voor het transport van gevaarlijke stoffen, maar er kan niet worden uitgesloten dat deze transporten wel plaatsvinden. In het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012" is beargumenteerd dat het aantal transporten van de stof GF3 (LPG) maximaal 106 tankwagens per jaar is. Het transport van de stoffen LT3, GT4 of GT5 komt niet voor. De N471 is buiten de bebouwde kom gelegen. Op basis van de vuistregels is een beoordeling gemaakt van het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

Een weg buiten de bebouwde kom heeft volgens de relevante vuistregels geen PR 10-6 contour, als het aantal transporten GF3 lager is dan 500 per jaar. Omdat het aantal transporten maximaal 106 per jaar bedraagt, heeft de N471 geen PR 10-6 contour.

De N471 is na realisatie van dit deelplan, ter hoogte van het plangebied aan een zijde bebouwd. De kleinste afstand tot het deelplan bedraagt ruim 20 meter (vanaf de as van de weg), maar het grootste deel van het deelplan ligt verder van de weg. Volgens de geldende tabel van de vuistregels wordt de waarde van 10% van de oriëntatiewaarde overschreden bij een dichtheid van 100 personen per hectare. Volgens de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico (VROM 2007) moet voor een drukke woonwijk gerekend worden met 70 personen per hectare. Zowel beoordeeld aan de hand van het kental, als aan de hand van het geschatte aantal woningen is het groepsrisico als gevolg van de N471 dus lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Voor de groepsrisicoverantwoording kan derhalve worden volstaan met een beschouwing van maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid en bestrijding van rampen. Hiervoor is het plan voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR).

N472

Ook de N472 is niet specifiek aangewezen voor het transport van gevaarlijke stoffen. De kans dat dergelijke transporten hierover plaatsvinden is bovendien klein. In de kern van Berkel en Rodenrijs bevindt zich één LPG-tankstation dat mogelijk over deze route wordt bevoorraad. De doorzet van dit station is beperkt tot 1000 m3 op jaarbasis. Dit komt neer op ongeveer 70 verladingen op jaarbasis. Aangezien deze weg voor tankwagens met gevaarlijke stoffen uitsluitend via de N471 kan worden bereikt, kan worden aangenomen dat het transport in elk geval niet hoger is dan op deze weg. De weg is binnen de bebouwde kom gelegen.

Een weg binnen de bebouwde kom heeft volgens de vuistregels geen PR 10-6 contour, ongeacht het aantal GF3-transporten.

De N472 is ter hoogte van het plangebied aan beide zijden bebouwd. De afstand van de bebouwing tot de as van de weg bedraagt voor het grootste deel van het traject aan beide zijden meer dan 50 meter. Ter hoogte van de Klapwijkse Zoom is de afstand aan de noordzijde 40 meter en aan de zuidzijde bevinden zich enkele bestaande panden op ongeveer 20 meter. Volgens de geldende tabel van de vuistregels wordt de waarde van 10% van de oriëntatiewaarde overschreden bij een dichtheid van bijna 500 personen per hectare bij 50 meter afstand. Bij 20 meter afstand is dat bij 100 personen per hectare. Hiervan is geen sprake. Het groepsrisico als gevolg van de N472 is dus lager dan 10% van de oriëntatiewaarde. Voor de groepsrisicoverantwoording kan derhalve worden volstaan met een beschouwing van maatregelen op het gebied van zelfredzaamheid en bestrijding van rampen. Hiervoor is het plan voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond.

Advies VRR

De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in staat zijn om zich op eigen kracht in veiligheid te brengen. De Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR) heeft aangegeven dat bij een eventueel incident met LPG/propaan op de N472, het plangebied snel moet kunnen worden ontruimd (binnen 20-30 minuten).

Daarom is het advies om zorg te dragen voor een goede voorlichting en instructie van de aanwezige personen, zodat men weet hoe te handelen tijdens een calamiteit door middel van de campagne 'Goed voorbereid zijn heb je zelf in de hand'. Het advies van de VRR is opgenomen in de nota zienswijzen (bijlage 13).

Aanvaardbaarheid van het groepsrisico

De kans op een incident met gevaarlijke stoffen nabij het plangebied wordt klein geacht. Dit omdat er naar verwachting weinig vervoer van gevaarlijke stoffen langs het plangebied plaatsvindt. Daarnaast ligt het plangebied niet direct aan de N471 en/of de N472. Het groepsrisico zoals dat nu berekend is, bedraagt minder dan de oriënterende (= drempel)waarde voor het groepsrisico.

Desalniettemin wordt met een zeker restrisico rekening gehouden. De infrastructuur in de omgeving, binnen en buiten het plangebied, maakt het mogelijk dat men in tegengestelde richting van een incident kan vluchten. Ook wordt men geïnformeerd over de restrisico's en hoe te handelen wanneer zich een ongeval met gevaarlijke stoffen voordoet op de N471 of N472. Met name de school wordt geïnformeerd over de veiligheidsrisico's en de adviezen om de bedrijfshulpverlening e.d. hierop af te stemmen.

De gemeente is van mening dat er voldoende maatregelen worden genomen ten aanzien van de zelfredzaamheid en voorbereiding en bestrijding van rampen en zware ongevallen. Er is daarom sprake van een aanvaardbaar groepsrisico bij de voorgestelde uitwerking van het plan Westpolder/Bolwerk.

Conclusie

Zowel de N471 als de N472 kan incidenteel worden gebruikt voor het transport van gevaarlijke stoffen. Omdat de transportintensiteit laag is, hebben beide wegen geen PR 10-6 contour. Het groepsrisico van beide wegen ligt onder de 10% van de oriëntatiewaarde. Voor de groepsrisicoverantwoording is het plan voorgelegd aan de VRR.

De normstelling voor externe veiligheid vormt geen belemmering voor de vaststelling van dit uitwerkingsplan

4.2.6 Milieueffecten in relatie tot M.e.r.

Inleiding

In onderdeel D van het besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is bepaald voor welke activiteiten, besluiten en plannen een m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden. Bij elke categorie zijn drempelwaarden opgenomen.

M.e.r-beoordeling voor bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012"

Bij de totstandkoming van het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012" is een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd. Uitkomst van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling was dat er geen belangrijke nadelige milieueffecten zijn die verder onderzoek noodzakelijk maken.

Beoordeling uitwerkingsplan

In 11.2 van onderdeel D wordt een m.e.r.-beoordeling verplicht gesteld bij een stedelijke uitbreiding van tenminste 100 hectare. Het huidige project blijft ruim onder de genoemde drempelwaarde.

Op grond van het Besluit m.e.r. moet echter ook bij projecten onder de drempelwaarden worden nagegaan of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. Aan de hand van de volgende hoofdlijnen kan de noodzaak tot een m.e.r.-beoordeling worden ingeschat:

  • de projectomvang in relatie tot de drempelwaarde,
  • de mogelijke nabijheid van een gevoelig gebied, en/of
  • de eventuele cumulatie met andere projecten.

De beoordelingscriteria zijn:

  • de kenmerken van het project, in het bijzonder de projectomvang, de cumulatie met andere projecten, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder evenals het risico van ongevallen;
  • de plaats van het project, waarbij rekening wordt gehouden met de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de omgeving, door in het bijzonder het bestaande grondgebruik en het opnamevermogen van het natuurlijke milieu mee te wegen;
  • de kenmerken van het potentiële milieueffect, met name met betrekking tot het geografisch gebied en grootte van de bevolking.

Het betreft in dit geval de realisatie van een school en woningen direct grenzend aan een al zeer verstedelijkte omgeving. De drempelwaarde van 100 hectare wordt daarbij in het geheel niet benaderd.

Van de nabijheid van een beschermd natuurgebied is geen sprake. Ook bevindt zich anderszins geen kwetsbare natuur in de omgeving.

De veiligheid binnen het gebied is door de komst van de school en de woningen niet in het geding. Voor meer informatie over externe veiligheid wordt verwezen naar paragraaf 4.2.5.

Een formele m.e.r.-beoordeling is daarmee niet aan de orde.

Conclusie

Gezien vorenstaande hoeft geen m.e.r.-beoordeling plaats te vinden.

4.2.7 Milieuzonering

Inleiding

Binnen de ruimtelijke ordening wordt onderscheid gemaakt tussen gevoelige en belastende functies. Tussen deze twee typen functies dienen bepaalde afstanden in acht te worden genomen. Dit wordt ook wel milieuzonering genoemd. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof.

Gevoelige functies zijn af te leiden uit de geldende milieuwet- en regelgeving. Binnen het milieurecht zijn de definities echter niet eensluidend. Om niet verstrikt te raken in de diverse uiteenlopende definities zijn in relatie tot milieuzonering de gevoelige functies afgebakend. In de eerste plaats betreft dit 'wonen'. En verder worden met wonen (deels) vergelijkbare functies, zoals een school, een kinderdagverblijf en een recreatief nachtverblijf, in het kader van milieuzonering geschaard onder de gevoelige functies.

Belastende functies en type omgeving

Belastende functies zijn die vormen van gebruik welke (kunnen) resulteren in geluidsoverlast, geuroverlast, overlast door stof en/of kunnen leiden tot gevaarlijke situaties. Door de VNG zijn de belastende functies opgesomd in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering'. De handreiking hanteert indicatieve afstanden tussen gevoelige en belastende functies. De handreiking kent de hiernavolgende afstanden welke gekoppeld zijn aan bedrijfscategorieën.

Bedrijfscategorie   Afstand  
categorie 1:
categorie 2:
categorie 3.1:
categorie 3.2:
categorie 4.1:
categorie 4.2:
categorie 5.1:
categorie 5.2:
categorie 5.3:
categorie 6:  
afstand 10 meter;
afstand 30 meter;
afstand 50 meter;
afstand 100 meter;
afstand 200 meter;
afstand 300 meter;
afstand 500 meter;
afstand 700 meter;
afstand 1.000 meter;
afstand 1.500 meter.  

Tabel 1: richtafstanden in rustige woonomgeving

School en woningen als milieugevoelige objecten

De school en de woningen zijn milieugevoelige objecten. Ten zuiden van het plangebied ligt het wijkwinkelcentrum 'Het Gouden Hart'. De algemeen toegelaten bedrijvigheid aldaar valt maximaal in milieucategorie 2. Daarbij geldt een richtafstand van 30 meter tussen het winkelcentrum en de gevoelige objecten.

Door de ligging van de school aan de noordzijde van het plangebied vormt de aanwezigheid van het winkelcentrum geen probleem voor de school.

Tussen de meest zuidelijk geplande woningen en het winkelcentrum is de afstand ongeveer 30 meter. Ook hier wordt de benodigde afstand tussen belastende functies en gevoelige functies in acht genomen.

Ruimtelijke uitstraling school

De school is niet alleen een milieugevoelig object. Het is op haar beurt ook een belastende functie voor de omgeving. Een school valt in milieucategorie 2. Hierbij hoort in een rustige woonwijk een richtafstand van 30 meter. Dit betekent dat tussen de school en omliggende gevoelige objecten een richtafstand van tenminste 30 meter op basis van geluid het uitgangspunt is. Deze afstand wordt niet overal rondom de school gehaald. Over het algemeen kan gezegd worden dat een basisschool als passend in een woonomgeving wordt beschouwd. Daarnaast is de school bouwkundig afgescheiden van de woningen en is er geen sprake van continue geluid. Aangezien deze situatie op meerdere locaties in de gemeente voorkomt en dit niet leidt tot problemen op basis van het geluidsaspect, is het acceptabel om in enige mate van de richtafstand af te wijken. Het woon- en leefklimaat van de geprojecteerde woningen kan in voldoende mate gegarandeerd worden. Toekomstige bewoners nabij de school zullen ook rekening houden met de aanwezigheid van de school bij hun woningkeuze. Het is redelijkerwijs dan ook acceptabel om in enige mate van de richtafstand van 30 meter af te wijken.

Conclusie

Met dit uitwerkingsplan worden de uitgangspunten voor een acceptabele scheiding tussen belastende en gevoelige functies voldoende in acht genomen. De uitgangspunten voor een goede milieuzonering staan daarmee niet in de weg aan de vaststelling van dit uitwerkingsplan.

4.3 Ondergrondse infrastructuur

Inleiding

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) schrijft voor dat mechanische graafwerkzaamheden worden gemeld bij het Kadaster. Dit wordt ook wel de “Klic-melding” genoemd. Het Kadaster geleidt een Klic-melding door naar de beheerders van ondergrondse kabels en leidingen. Daarbij wordt verzocht om aan te geven of op de projectlocatie ondergrondse kabels en leidingen aanwezig zijn.

Reacties op Klic-melding

Dunea Duin&Water

Door Dunea wordt gewezen op de aanwezigheid van leidingen in het plangebied. Voorafgaand aan uivoering van de inrichtings- en bouwwerken dient afstemming plaats te vinden met Dunea.

Tevens wordt door Dunea dringend verzocht om bij de graafwerkzaamheden de thans geldende CROW-Richtlijn te hanteren.

De leidingen staan op voorhand niet in de weg aan de uitvoering van het ruimtelijke plan.

RET NV

Van RET NV zijn geen kabels en/of leidingen aanwezig binnen de het plangebied.

Wel ligt het plangebied binnen de invloedssfeer van een metrobaan. Daarom dient voorafgaand aan de feitelijke werkzaamheden in het gebied een melding bij RET te worden gedaan. Mogelijk zijn extra voorzorgsmaatregelen benodigd. Dit is afhankelijk van de werkzaamheden in combinatie met de daarvoor geldende procedures en richtlijnen.

Ook RET NV ziet op voorhand geen belemmeringen voor de uitvoering van het ruimtelijk plan.

Overig

Uit alle overige reacties op de Klic-melding blijkt dat de betrokken partijen geen belangen hebben binnen het plangebied. Het betreft Stedin BV en de gemeente Lansingerland.

Conclusie

Het plan wordt niet belemmerd door ondergrondse kabels en/of leidingen.

4.4 Ruimtelijke randvoorwaarden

4.4.1 Randvoorwaarden basisschool

Het programma van de school 

Op basis van het door de afdeling Economische & Maatschappelijke Ontwikkeling (E&MO) van de gemeente Lansingerland aangeleverde programma (zie hieronder), is de ruimtebehoefte voor de basisschool als volgt bepaald:

  • 19 permanente lokalen: 2.672 m2 bvo;
  • 7 tijdelijke lokalen: 820 m2 bvo;
  • 1 gymzaal: 511 m2 bvo;
  • Buitenschoolse opvang: 200 m2 bvo;
  • Totaal 4.203 m2 bvo.

Naast bovengenoemde 4.203 m2 bvo (brutovloeroppervlak) dient een schoolplein ter grootte van 1.050 m2 te worden gerealiseerd.

De ligging van de school in het plangebied

De positie van de WP2-school in deelplan 5 van Westpolder/Bolwerk is meegenomen in het stedenbouwkundig ontwerp van het deelplan, met inachtneming van Westpolder/Bolwerk als geheel. Binnen de ontwikkeling van het stedenbouwkundige ontwerp voor deelplan 5 is met de hierboven genoemde ruimtebehoefte rekening gehouden.

Stedenbouwkundige uitgangspunten

Dorps bouwen

Voor heel Westpolder/Bolwerk staat de ambitie voor 'Dorps Bouwen' centraal, zo ook voor deelplan 5. Deze dorpse sfeer is terug te vinden in de beeldkwaliteit, de maat en schaal van de profielen en de individualiteit van de woningen/gebouwen.

Wisselwerking tussen school en omgeving

Een school is in deze dorpse omgeving een relatief grootschalig element. Het vormt hiermee een belangrijke identiteitsdrager voor het gebied. Uitgangspunt is een moderne en eigentijdse school, passend in de wijk. Door de school aan een grote groenvoorziening te situeren, kan er een goede wisselwerking ontstaan tussen de gebruikers van de school en de openbare ruimte, zoals dit ook in deelplan 1 het geval is.

Karakteristieken wijk

Een tweetal andere karakteristieken van de wijk zijn het watersysteem en de 'groene' zichtlijn die vanuit het Anne de Vriespark richting de Klapwijkseweg deelplan 5 doorsnijdt. De school grenst aan de oostzijde aan deze zichtlijn. Het watersysteem is een continuering van het 'radiatorprincipe' uit deelplan 3. Het water zigzagt door het plangebied, waardoor in veel profielen water te vinden is. Zowel aan de oost- als aan de westzijde van de school bevindt zich een watergang van deze 'radiator'.

Stedenbouwkundige randvoorwaarden

Oriëntatie gebouwen op kavel

De kavel moet op een dusdanige manier worden bebouwd dat de school en gymzaal onderdeel zijn van het stedenbouwkundige ontwerp van het deelplan en dus aansluiten op de inrichting van het openbare gebied. Ook het onbebouwde deel van de kavel moet qua structuur en inrichting in overeenstemming zijn met de inrichting van de omgeving.

De hoofdentrees moeten optimaal zichtbaar zijn vanaf de route naar de school. Er moet rekening worden gehouden met het feit dat de school vanuit alle zijden goed zichtbaar is vanaf de openbare ruimte. De gebouwen dienen vanuit dit perspectief alzijdig georiënteerd te zijn. Totaal blinde gevels zijn hierdoor niet toegestaan.

Oriëntatie ten opzichte van de omgeving

De hoofdopzet van de school en de sporthal heeft de volgende redenen: (a) het blok (school) aan de oostzijde begeleidt de lange zichtlijn vanuit het plangebied ten zuiden van deelplan 5 door deelplan 5 richting de Klapwijkseweg. (b) het blok (gymzaal) aan de westzijde maakt een zichtlijn richting het speel-/trapveld mogelijk wanneer men vanuit deelplan 4 Oost via de brug richting de school komt. De gekozen ontwerpoplossing dient rekening te houden met deze twee uitgangspunten.

Bouwmassa's

Het totale programma dient in twee volumes te worden gerealiseerd. Deze twee volumes dienen een heldere ruimtelijke relatie en een sterke architectonische verwantschap met elkaar te hebben.

Ten noorden van de gymzaal is ruimte gereserveerd voor de eventueel toekomstige tijdelijke lokalen.

Bouwhoogte

De locatie voor het bouwvolume van de school kent aan de noord- en zuidzijde de meest representatieve gevel. Aan beide beeldbepalende gevels van de school wordt voor een substantieel deel van de gevel gevraagd te werken met (functionele) hoogteverschillen in de gevel – in lijn met de verspringende rooilijnen. De maximale goothoogte van het gebouw is 9 meter.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0011.png"

Afbeelding 7: impressie met geprojecteerde plattegrond van ontwerp van school uit 'Stedenbouwkundige randvoorwaarden WP2'

Architectuur

In het algemeen geldt als uitgangspunt voor het ontwerp van de school een moderne, eigentijdse school die aansluit op het karakteristieke architectuurbeeld van de woningen in de wijk. Deze sfeer wordt mede bepaald door verwijzingen in de architectuur naar traditionele vooroorlogse architectuur. De architectuur dient zich in materiaal en kleur te voegen naar het traditionele materialen- en kleurenpalet van de wijk. Naast een hoogteaccent in de gevel kunnen luifels, lijsten, teruglegging, etc. hieraan bijdragen. De opbouw van de gevels is consequent, goed van verhoudingen en ritmiek en kent een heldere hiërarchie van hoofd- en sub-onderdelen. De voorgevel is het meest uitgesproken vormgegeven, met een karakteristieke entree.

Bijgebouwen

Bijgebouwen dienen te worden mee-ontworpen in afstemming met de architectuur van het hoofdvolume, inclusief optionele bijgebouwen. Dit vanwege de alzijdigheid van de bebouwing.

Opslag

Opslag van vuilcontainers e.d. vindt ofwel plaats in een ondergrondse container op openbaar gebied ter plaatse van de parkeerplaatsen van de school ofwel de containers worden geplaatst in de inpandige buitenberging van de school.

Erfafscheidingen

Erfafscheidingen dienen te worden vormgegeven conform de beeldkwaliteit in de omliggende woongebieden. In het algemeen geldt voor Westpolder/Bolwerk dat de erfafscheidingen zorgvuldig zijn uitgewerkt. De erfafscheidingen rondom de school dienen maximaal 1 m hoog te zijn.

Speelplekken op het schoolplein

Speelplekken op het schoolplein zijn ter invulling van de scholen zelf. Het verdient aanbeveling de inrichting van het schoolplein af te stemmen met het speel- en trapveld ten noorden van de school.

4.4.2 Randvoorwaarden woningbouw

Inleidend

Het ontwerp van deelplan 5 van Westpolder/Bolwerk is gebaseerd op de uitgangspunten van dorps bouwen. Hierbij spelen vooral de kleinschaligheid en de herkenbaarheid van de eigen plek een rol. Gezocht is naar een evenwicht tussen een zo groot mogelijke vorm van individualiteit en een herkenbaar geheel.

Historisch gezien is in een dorp de woning bijna altijd een individueel huis geweest. Een individueel huis, geheel vrijstaand of geschakeld huis, beantwoordt het meeste aan het in het Masterplan voor Westpolder/Bolwerk (van september 2000) genoemde streven naar herkenbaarheid in en variatie van de woonomgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0012.png"

Afbeelding 8: weergave deelplan 5 binnen Masterplan voor Westpolder/Bolwerk uit 2000

In verband met de bouwkosten en de behoeften op de woningmarkt is het niettemin niet haalbaar om alleen vrijstaande en halfvrijstaande woningen te bouwen. Ook rijwoningen en appartementen zijn derhalve niet uitgesloten.

Typologie en aantal woningen

  • De woningtypologie wordt niet gespecificeerd.
  • Het woningaantal wordt begrensd via het opnemen van een parkeernorm.

Uitgangspunten voor de bebouwing

  • De bouwstrook wordt maximaal 13 meter diep.
  • Voor-, zij- en achtergevelbouwgrens worden 'vastgeklikt' nadat de eerste woning in de bouwstrook is vergund, zodat particulieren niet over de gehele hoogte het hoofdgebouw later kunnen uitbreiden.
  • De woningtypologie van de grondgebonden woningen wordt niet gespecificeerd.
  • Ter plaatse van de voorziene hogere appartementenblokken langs de Zilvergracht is bouwen tot 4 lagen hoog mogelijk. Dit kunnen uiteindelijk ook grondgebonden woningen met een verbijzondering worden.
  • Langs de Randstadrail kan een appartementengebouw van maximaal 3 lagen hoog worden opgericht.
  • Op andere plekken kan alleen na binnenplanse afwijking hoger worden gebouwd, mits het stedenbouwkundig logisch ingepast is en het parkeren opgelost wordt.
  • Grondgebonden woningen kennen twee bouwlagen met kap.
  • De kaphelling bedraagt tussen 30 en 60 graden.
  • Drie bouwlagen met een plat dak bij grondgebonden woningen is alleen mogelijk met een binnenplanse afwijking (toets op stedenbouwkundige structuur).
  • Afstanden van het hoofdgebouw tot de zijdelings perceelsgrens bedragen:
    • 1. Bij vrijstaande woningen 3 meter aan beide zijden;
    • 2. Bij halfvrijstaande 3 meter aan de niet-gekoppelde zijde;
    • 3. Bij hoekwoningen 3 meter tot aan de perceelsgrens bij openbaar gebied.

Uitgangspunten voor de voortuinen

Binnen private gronden aan de voorzijde wordt een tuinbestemming gelegd, waarachter een bouwstrook (woonbestemming) begint. Aan de Zilvergracht is de tuinbestemming 2 meter. Langs de Gouden Uillaan 2,5 en elders minimaal 3 meter. In de tuin(bestemming) kan ook geparkeerd worden en ook binnen de woonbestemming kan (voor)tuin worden gerealiseerd.

Parkeerkoffers

Parkeerkoffers kunnen worden aangelegd in de woon- en tuinbestemming, zodat ze kunnen schuiven binnen de woongebieden. Hierbij geldt dat parkeerkoffers alleen tussen woningen aangelegd mogen worden, dus niet op de hoeken.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0013.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0014.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0015.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0016.jpg"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0017.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0018.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0019.jpg"   afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0020.jpg"  

Afbeelding 9: referentiebeelden voor woningen rondom school (ter illustratie)

4.5 Verkeersaspecten

Inleiding

De gemeente Lansingerland ontwikkelt op dit moment nieuw parkeerbeleid. Zo lang dit nog niet is afgerond en vastgesteld, geldt het parkeerbeleid uit het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012" als uitgangspunt.

Bereikbaarheid en ontsluiting

Het plangebied wordt in noordelijke richting ontsloten via de Oude Molendreef en in oostelijke richting via de Gouden Uillaan. In de toekomst kan men aan de zuidzijde via het nieuwe wijkcentrum 'Het Gouden Hart' en de Stationssingel het plangebied verlaten. De Oude Molendreef sluit in het noorden aan op de rotonde met de Klapwijkseweg (N472). De Gouden Uillaan heeft in oostelijke richting een aansluiting op de Oudelandselaan, welke in zuidwestelijke richting weer aansluit op de N471.

Verkeer

De school is gelegen in de zuidoosthoek van deelplan 5 aan de noordzijde van de Gouden Uillaan. De Gouden Uillaan is onderdeel van een 30 km-zone en als zodanig ook ingericht. Dit betekent dat zowel fietsers als auto's gebruik maken van de rijbaan. Met drempels wordt ervoor gezorgd dat de rijsnelheid van auto's wordt getemperd en door de relatief lage intensiteiten is dit een acceptabele verkeerssituatie. De Gouden Uillaan heeft in oostelijke richting een aansluiting op de Oudelandselaan en in de toekomt in zuidelijke richting via het nieuwe wijkcentrum 'Het Gouden Hart' naar de Stationssingel en in noordelijke richting via de Oude Molendreef (huidige werkweg) naar de rotonde op de Klapwijkseweg.

Parkeren

Ter hoogte van de school is een ruime hoeveelheid parkeerplaatsen voorzien. Dit zijn openbare parkeerplaatsen ten behoeve van het personeel van de school en het halen en brengen van schoolkinderen. Buiten gebruikstijden van de school kunnen de omwonenden gebruik maken van de parkeerplaatsen.

Voor de woningen zijn in de planregels parkeernormen en -kencijfers opgenomen. Deze zijn afgestemd op het type en omvang van de woningen. Deze zijn afgeleid van het ASVV 2004 van het CROW. Hierbij wordt niet ieder type parkeerplaats gelijk gewaardeerd. Voor parkeerplaatsen op eigen terrein geldt een reductie ten opzichte van openbare parkeerplaatsen. Zo geldt bijvoorbeeld voor een carport of oprit zonder garage het parkeerkencijfer 0,8 en voor een garage zonder oprit het parkeerkencijfer 0,4.

Fiets- en voetgangerstoegankelijkheid

Voor een goede fiets- en voetgangerstoegankelijkheid is het wenselijk dat het schoolplein goed bereikbaar is vanuit de verschillende richtingen (directe paden vanuit de achterliggende wijk). Hierdoor wordt ook bevorderd dat de kinderen niet per auto naar school worden gebracht. Op het voorplein ter hoogte van de school aan de Gouden Uillaan wordt een ruime overzichtelijke oversteek voor langzaam verkeer ontworpen.

Fietsenstalling

Op het schoolplein dienen goede en voldoende stallingen voor de fietsen en het personeel te worden voorzien.

Conclusie

Redelijkerwijs staan aan de vaststelling van dit uitwerkingsplan geen parkeeraspecten in de weg. Ook zijn er voor het overige geen verkeersfactoren welke de vaststelling van dit uitwerkingsplan belemmeren.

4.6 Waterhuishoudkundige aspecten

Waterbeheer en watertoets

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Delfland. Dit Hoogheemraadschap is ter plaatse verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met het Hoogheemraadschap over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Bij het tot stand komen van de ruimtelijke onderbouwing wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over de waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens in de waterparagraaf verwerkt.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied in meer of mindere mate relevante nota's.

Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is sinds 2000 van kracht en schrijft voor dat in 2015 alle waterlichamen een 'goede ecologische toestand' (GET), en voor sterk veranderde/kunstmatige wateren een 'goed ecologisch potentieel' (GEP) moeten hebben bereikt. De chemische toestand moet voor alle waterlichamen (natuurlijk en kunstmatig) in 2015 goed zijn.

Nationaal beleid

De kern van het nieuwe waterbeleid voor de 21e eeuw is "water de ruimte geven". Het water de ruimte geven betekent dat waterschappen in het landschap en in de stad ruimte maken om water op te slaan. Het betekent ook dat beken en rivieren in noodgevallen gecontroleerd buiten hun oevers mogen treden.

Op 22 december 2009 is de Waterwet van kracht geworden. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. In de Waterwet zijn eisen opgenomen met betrekking tot het Nationaal Waterplan, zoals ten aanzien van de voorbereiding, vormgeving en inrichting van het Nationaal Waterplan. Het Nationaal Waterplan (NWP) is het rijksplan voor het waterbeleid voor de periode 2009-2015. Het NWP beschrijft de maatregelen die genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

Het Rijk, de provincies, de gemeenten en de Unie van Waterschappen hebben op 25 juni 2008 een geactualiseerde versie van het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW-Actueel) ondertekend. Hierin zijn afspraken vastgelegd voor een duurzame en klimaatbestendige waterhuishouding in Nederland. In de afgelopen vijf jaar is een groot deel van de gemaakte afspraken in het oorspronkelijke NBW uitgevoerd. De NBW-partijen gaan nu gezamenlijk verder met de uitvoering van de nieuwe afspraken in het akkoord, onder meer over klimaatveranderingen, de stedelijke wateropgave en de ontwikkelingen in woningbouw en infrastructuur. Ook is er meer aandacht voor de implementatie van de Kaderrichtlijn Water. Het NBW heeft tot doel om in de periode tot 2015 de waterhuishouding in Nederland op orde te brengen en te houden en te anticiperen op klimaatverandering.

Provinciaal beleid

De provincie heeft de taak om bij meerdere sectorale belangen een integrale afweging te maken bij functietoekenning. De integrale afweging hiervan vindt plaats in de provinciale structuurvisie. De lagenbenadering zorgt ervoor dat bij ruimteconcurrentie de functies zodanig op elkaar worden afgestemd, dat de mogelijkheden van het bodem- en (grond)watersysteem optimaal worden benut. Het principe van de lagenbenadering is uitgewerkt in de Nota Ruimte en de provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2020. De eerste laag is die van bodem, water, landschap en natuur. De tweede laag is infrastructuur en netwerken, de derde laag occupatiepatronen (steden en dorpen).

Het grondwaterbeleid van de Provincie voor de komende jaren staat in het Grondwaterplan Zuid-Holland 2007 - 2013. Hierin zijn ook de kaders beschreven die de provincie gebruikt bij het verlenen van vergunningen voor grondwateronttrekkingen. In de Verordening Waterbeheer zijn aanvullende regels opgenomen waar de provincie rekening mee houdt bij het verlenen, wijzigen of intrekken van een onttrekkingsvergunning.

Het Provinciaal Waterplan Zuid-Holland 2010-2015 bevat de hoofdlijnen van het provinciaal waterbeleid voor die periode. Het vormt de uitwerking van de Ruimtelijke Structuurvisie en beschrijft het strategische grondwaterbeleid voor Zuid-Holland. Verder voldoet het plan aan de eisen van de nieuwe Waterwet. De provincie vertaalt in dit plan het beleid uit het nationaal waterplan en het huidige Europese beleid naar provinciale kaders en doelstellingen voor de periode 2010-2015. Conform de herziene sturingsvisie water gaat het met name om de 'wat' vraag. De waterschappen beantwoorden in hun waterbeheerplannen vervolgens vooral de 'hoe' vraag.

Waterschapsbeleid

De waterbeheerder ter plaatse van het plangebied is het Hoogheemraadschap van Delfland. Het Hoogheemraadschap heeft een Waterbeheerplan opgesteld, waarin ambities voor de komende jaren zijn vastgelegd. Het Waterbeheerplan 2010-2015, ‘Keuzes maken en kansen benutten’, geeft aan dat er gestreefd wordt naar een goede balans tussen een veilig gebied met schoon water voor nu en een financieel gezonde huishouding in de toekomst.

Het vergroten van de veiligheid, het verbeteren van de waterkwaliteit, het tegengaan van wateroverlast en het optimaliseren van het zuiveren van afvalwater staan hoog op de agenda.

Het waterbeheer zal de komende jaren sterk veranderen, onder andere door klimaatveranderingen en de zeespiegelstijging.

Regels van de Keur

Alle handelingen of werkzaamheden op, aan of in de nabijheid van watergangen en waterschapswegen vallen onder de regels van de Keur. In deze verordening van het Hoogheemraadschap zijn gebods- en verbodsbepalingen opgenomen om de waterstaatsbelangen veilig te stellen. In de meeste gevallen zal een vergunning moeten worden verleend door het Hoogheemraadschap. De Legger Wateren is een register waarin functie, afmetingen en onderhoudsplichtigen van wateren (zoals sloten en vaarten), waterbergingen en natuurvriendelijke oevers vastgelegd zijn. Ook geeft de legger de ligging van wateren, waterbergingen en natuurvriendelijke oevers aan, zodat duidelijk is waarop de Keur van toepassing is.

Gemeentelijk beleid

Op 29 april 2010 is het visiedeel van het Waterplan Lansingerland vastgesteld. Het doel van het plan is het maken van afspraken, waarmee een robuust, veilig en duurzaam watersysteem gerealiseerd kan worden. Dit watersysteem moet voldoen aan landelijke en Europese normen en moet gebaseerd zijn op een gezamenlijke visie van gemeente en hoogheemraadschappen. Onderdelen hiervan zijn:

  • a. een samenhangende beschouwing van de ambities, ruimtelijke ontwikkelingen en (water)problemen;
  • b. een integrale (ruimtelijke) visie op het grondwater, oppervlaktewater en de riolering;
  • c. een concreet maatregelenpakket voor de realisatie van maatregelen.

Het Waterplan heeft geen wettelijke status, maar fungeert als koepelplan en integraal kader voor afspraken over watermaatregelen tussen gemeente en hoogheemraadschappen. Het maatregelenprogramma tot 2015 is vastgesteld in de eindrapportage van het Waterplan van 30 juni 2011.

In het Gemeentelijk Rioleringsplan 2009-2013 (GRP) staat beschreven hoe de gemeente omgaat met afvalwater, hemelwater en grondwater. In het GRP zijn niet alleen maatregelen opgenomen voor het voorkomen van water op straat, maar ook om emissie vanuit de riolering naar het oppervlaktewater te reduceren. Daarnaast heeft de gemeente aanvullende maatregelen opgenomen ter verbetering van de waterkwaliteit (het ‘waterkwaliteitsspoor’). De gemeente is voornemens in de planperiode een afkoppelplan op te stellen. De gemeente stelt in de komende planperiode van het GRP een meetplan op voor de monitoring van de riolering en voert deze monitoring ook uit. De intentie van het GRP is gericht op samenwerking en afstemming binnen de (afval) waterketen tussen gemeente en de twee hoogheemraadschappen. De maatregelen uit het GRP die leiden tot verbetering van waterkwaliteit maken ook integraal onderdeel uit van het maatregelenprogramma uit de eindrapportage van het Waterplan welke op 30 juni 2011 is vastgesteld.

Huidige situatie plangebied en omgeving

Westpolder/Bolwerk maakt deel uit van het watersysteem van de Westpolder, de polder Oudeland en de Nieuwe Rodenrijse Droogmakerij. Voor dit systeem wordt gestreefd naar een 'integraal waterbeheer'. Dat betekent dat het systeem zoveel mogelijk gesloten moet zijn. De inlaat van gebiedsvreemd water en de aflaat van overtollig water op de binnenboezem moet tot het minimum beperkt blijven en gebiedsvreemd water moet zo mogelijk in het gebied zelf gezuiverd worden.

In samenspraak met het hoogheemraadschap is een waterplan opgesteld voor Westpolder, Rodenrijs en Oudeland. In het kader van het eerder genoemde voorgaande bestemmingsplan “Westpolder/Bolwerk 2012” is in het reeds ontwikkelde deel van het plangebied een nieuw watersysteem aangelegd; deels in overeenstemming met het waterplan.

In het kader van dit uitwerkingsplan wordt het resterende deel van de in het waterplan genoemde oppervlakte aan water aangelegd, waarbij de vormgeving van het slotenpatroon mogelijk een andere indeling kent dan het voorgestelde patroon in het waterplan. Met het Hoogheemraadschap van Delfland zijn in het verleden afspraken gemaakt over het waterplan en het resterende deel van de aan te leggen waterberging.

Nieuwe situatie

De basisschool en de woningen maken deel uit van deelplan 5 van het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012". De relevante watercompensatie uit het gemeentelijk waterplan wordt volledig binnen dit deelgebied opgenomen.

Overleg met het Hoogheemraadschap

Voorafgaand aan de terinzagelegging van dit voorontwerpuitwerkingsplan is de beoogde uitwerking voorgelegd aan het Hoogheemraadschap van Delfland. Voor de aanleg van het water wordt een watervergunning gevraagd. Er zijn geen bijzonderheden.

Conclusie

Dit uitwerkingsplan is niet in strijd met de geldende regels en beleidsuitgangspunten ten aanzien van het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer.

4.7 Toetsingsvlakken Luchtverkeersleiding Nederland

Het plangebied ligt binnen de toetsingsvlakken van Luchtverkeersleiding Nederland. Deze vlakken hebben betrekking op Rotterdam The Hague Airport. In verband met de vliegveiligheid gelden er binnen de toetsingsvlakken hoogtebeperkingen voor gebouwen en andere bouwwerken.

Het ILS (instrument landing system) van het vliegveld is van toepassing op de zone rondom de start- en landingsbaan en op het verlengde van de start- en landingsbaan. Het plangebied valt buiten deze zone.

Een ander belangrijk toetsingskader wordt gevormd door het toetsingsvlak 'DVOR/DME'. Aan de hand van de gegevens van de Luchtverkeersleiding is vastgesteld dat het plangebied zich bevindt rond de grens voor '40 meter boven NAP'. Op afbeelding 10 is dit aangegeven door middel van de kleine zwarte cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0104U02-VAST_0021.jpg"

Afbeelding 10: DVOR/DME-zonering vliegveld Rotterdam The Hague Airport

Voor het plangebied geldt derhalve een maximale bouwhoogte van bijna meter 30 meter boven NAP. De toegestane bouwhoogte is ruimschoots minder met 14 meter.

Gezien vorenstaande leidt de realisatie van onderhavig ruimtelijk plan niet tot een ondermijning van de veiligheid op en rondom Rotterdam The Hague Airport.

Conclusie

Het plangebied valt buiten de ILS-zonering. En de maximale bouwhoogte blijft ruimschoots onder de maximale hoogte van ongeveer 40 meter, zoals deze is aangegeven in het toetsingsvlak 'DVOR/DME'. De toetsingsvlakken van de Luchtverkeersleiding Nederland staan niet in de weg aan de vaststelling van dit uitwerkingsplan.

Hoofdstuk 5 TOELICHTING OP DE PLANREGELS

5.1 Indeling en opzet van het uitwerkingsplan

Met betrekking tot de indeling en opzet is zo veel mogelijk aangesloten bij de regels in het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012". Verder is bij het opstellen van de regels ingespeeld op de specifieke kenmerken van de beoogde ontwikkeling van de school en op de gebruikmaking van bouwstroken voor woningbouw.

5.2 Verbeelding

Basisschool, inclusief buitenschoolse opvang

De basisschool wordt gerealiseerd binnen de bestemming 'Maatschappelijk'. De bouwmogelijkheden worden opgenomen in drie te onderscheiden bouwvlakken. Het grootste bouwvlak is bestemd voor het schoolgebouw. Het kleinere bouwvlak is bestemd voor een gymzaal met daarachter het kleinste bouwvlak. Laatstgenoemd vlak is bestemd voor eventueel tijdelijke schoollokalen.

De gymzaal is niet geluidgevoelig in het kader van de Wet geluidhinder. Hiertoe wordt op het betreffende bouwvlak ook de aanduiding 'Sporthal' geplaatst. Via de planregels wordt gewaarborgd dat hier geen geluidgevoelige functies worden verwezenlijkt.

De scholen en de buitenschoolse opvang krijgen allen een buitenruimte. Deze ruimten maken deel van de maatschappelijke bestemming. Het achterliggende speelveld krijgt de bestemming 'Groen'.

Woningbouw

Gekozen is voor bouwstroken. Hierbinnen zijn diverse woningtypen mogelijk. Zowel aan de voorzijde als op de hoeken is een afstand van 2 tot 3 meter tussen het openbaar gebied en de bouwstroken gehanteerd. Binnen deze strook is in principe de bestemming 'Tuin' opgenomen. De bouwstroken zijn 13 meter diep. Voor de grondgebonden woningen geldt een standaard goothoogte van maximaal 7 meter en een bouwhoogte van maximaal 12 meter (2 bouwlagen met kap). Via een binnenplanse afwijking kan de goothoogte worden verhoogd naar 12 meter, waardoor ook in drie lagen met een plat dak gebouwd kan worden. De woningen aan de kant van de RandstadRail mogen daarentegen niet hoger worden dan 11 meter (3 lagen).

Op de aangeduide plaatsen is een appartementengebouw geoorloofd. Hier geldt een bouwhoogte van maximaal 14 meter (4 lagen). Ten behoeve van een kap kan deze worden verhoogd tot 15 meter met gebruikmaking van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid.

Aan ieder woningtype is een parkeernorm verbonden. Deze geldt als voorwaarde voor het realiseren van woningen. De benodigde parkeervoorzieningen kunnen worden aangelegd in de aangrenzende verkeersbestemming, maar ook binnen de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen'. Dit houdt onder meer in dat de mogelijkheid bestaat dat een bouwstrook onderbroken wordt door een gebied(je) met parkeerplaatsen, een zogenaamde parkeerkoffer. Deze morgen uitsluitend tussen woningen worden gerealiseerd, dus niet op de hoeken.

Openbare ruimte

Binnen de openbare ruimte worden de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer' en 'Water' vastgelegd. Ten behoeve van het scholencomplex in de bestemming 'Maatschappelijk' worden parkeerplaatsen gerealiseerd binnen de bestemming 'Verkeer'.

Dubbelbestemming Archeologie

In de noordelijke hoek kent het plangebied een dubbelbestemming ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden. Deze is overgenomen uit het bestemmingsplan "Westpolder/Bolwerk 2012".

Vrijwaringszone voor luchtverkeer

Het plangebied bevindt zich binnen een toetsingsvlak van Luchtverkeersleiding Nederland. Ten behoeve van de belangen van het luchtvaartverkeer is een vrijwaringszone opgenomen.

5.3 Planregels

De regels zijn onderverdeeld in inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels.

De inleidende regels bevatten de begrippen en de wijze van meten. In de bestemmingsregels zijn de in het plan voorkomende bestemmingen opgenomen. Onder algemene regels zijn regels geformuleerd die niet beperkt zijn tot een specifieke bestemming, maar gelden voor het gehele plangebied, zoals de anti-dubbeltelregel en algemene afwijkingsregels. In de overgangs- en slotregels zijn de standaard overgangsbepalingen uit de Wro en de slotregel opgenomen.

5.3.1 Hoofdstuk 1 Inleidende regels

In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt, zie Artikel 1. Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels, zie Artikel 2.

5.3.2 Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

In het tweede hoofdstuk van de planregels zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en andere relevante bepalingen opgenomen.

In paragraaf 5.2 is reeds de verbeelding beschreven. Daarbij is ook een korte toelichting op de gebruikte bestemmingen gegeven.

5.3.3 Hoofdstuk 3 Algemene regels

In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene afwijkingsregels en algemene wijzigingsregels.

5.3.4 Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen. Deze benadering is overeenkomstig de landelijke ruimtelijke standaarden.

Hoofdstuk 6 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID

Voor de ontwikkeling van het totale woongebied heeft de gemeente een samenwerkingsovereenkomst gesloten met de Ontwikkelcombinatie Westpolder (OCW). OCW is een samenwerking tussen de ontwikkelaars Kavel Vastgoed en Amvest.

De realisatie van het schoolgebouw is opgenomen in het 'Integraal huisvestingsplan primair onderwijs Lansingerland'. Via dit huisvestingsplan is inzichtelijk gemaakt welke kosten met de nieuwbouw zijn gemoeid. De gemeente heeft de financiële consequenties betrokken bij de opstelling van de Kadernota 2012, het Zomerakkoord gemeente Lansingerland 2012 en de Programmabegroting 2013-2016.

De economische uitvoerbaarheid van het plan staat in alle redelijkheid vast.

Hoofdstuk 7 MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID

7.1 Vooroverleg

Op grond van artikel 3.1.1 lid 1, in combinatie met artikel 1.1.1 lid 3, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is in beginsel vooroverleg vereist met het Hoogheemraadschap en met de diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Omdat het plangebied binnen de invloedssfeer valt van Rotterdam The Hague Airport, is het plan ook voorgelegd aan de Luchtverkeersleiding Nederland.

In verband met de veiligheidsaspecten is het voorontwerp tevens voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam - Rijnmond.

Vooroverleg met het Rijk

In paragraaf 3.1 is toegelicht dat de realisatie van de school niet wordt aangemerkt als een ontwikkeling van nationaal belang. In een dergelijke situatie hoeft geen vooroverleg met het Rijk plaats te vinden.

 

Vooroverleg met de provincie

De provincie heeft aangegeven dat de gemeente beoordeelt of er provinciale belangen in het geding zijn. Wanneer dit in de ogen van de gemeente niet het geval is, dan hoeft geen vooroverleg te worden gepleegd. Uit paragraaf 3.2 volgt dat het plan past binnen het provinciaal beleid. Daarom is geen vooroverleg met de provincie noodzakelijk.

Vooroverleg met het Hoogheemraadschap

Dit plan is met het Hoogheemraadschap van Delfland afgestemd. Er zijn geen bijzonderheden, regels of beperkingen. Hieruit blijkt dat kan worden ingestemd met dit plan. Daarmee heeft het vooroverleg plaatsgevonden.

Afstemming met Luchtverkeersleiding Nederland

De Luchtverkeersleiding Nederland beheert technische installaties en systemen ten behoeve van de luchtverkeersbeveiliging. Een bouwwerk mag de maximale hoogte van het toetsingsvlak niet doorsnijden zonder voorafgaande afstemming met de Luchtverkeersleiding over de consequenties van deze doorsnijding.

Uit paragraaf 4.7 volgt dat de bouw van de school en de woningen de belangen van een veilige luchtvaart niet doorkruist. Vooroverleg met de Luchtverkeersleiding Nederland is derhalve niet aan de orde.

Afstemming met de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond

Door de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond worden de veiligheidsaspecten van dit plan beoordeeld. De reactie van de Veiligheidsregio is opgenomen in de nota zienswijzen (zie bijlage 13).

7.2 Inspraak

Er wordt geen gelegenheid geboden tot inspraak op grond van de gemeentelijke inspraakverordening 2011. Hieraan ligt ten grondslag dat zowel het plangebied als de beoogde ontwikkeling van relatief beperkte omvang zijn. Bovendien maakt de ontwikkeling deel uit van een groot woongebied, namelijk "Westpolder/Bolwerk". Voor dit gebied is al een bestemmingsplan in procedure geweest en vastgesteld (Westpolder/Bolwerk 2012). De ontwikkeling van een woongebied als zodanig is daarmee al verankerd in het gemeentelijk planologisch beleid en dus reeds aan belanghebbenden voorgelegd.

7.3 Zienswijzen

Het uitwerkingsplan heeft van 3 oktober 2013 tot en met 13 november 2013 als ontwerp ter inzage gelegen. In deze periode van zes weken kon een ieder zijn of haar zienswijzen op dit plan kenbaar maken. Voor een samenvatting van de ingediende zienswijzen, de gemeentelijke reactie hierop en de wijzigingen die zijn doorgevoerd ten opzichte van het ontwerp wordt verwezen naar de Nota zienswijzen en staat van wijzigingen. Deze is als bijlage 13 bij deze plantoelichting opgenomen.

BIJLAGEN