direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Rottezoom, 2e part. herz. Kruisweg tussen 30 en 44
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST

Toelichting

Hoofdstuk 1 Het plan

1.1 Aanleiding

Initiatiefnemer is voornemens 4 woningen te ontwikkelen op de weide aan de Kruisweg, tussen nummer 44 en 30. Woningbouw is volgens het vigerende bestemmingsplan 'Rottezoom' niet mogelijk. Het plangebied heeft de bestemming 'Agrarisch - Weide', zie figuur 1.1. Verder liggen binnen het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Waterkering' en 'Waarde - Archeologie - 1'.

Met het onderhavige bestemmingsplan wordt de bouw van 4 nieuwe woningen juridisch-planologisch mogelijk gemaakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST_0001.png"

Figuur 1.1: Plangebied binnen het vigerende bestemmingsplan 'Rottezoom'.

1.2 Huidige situatie en omgeving

Het plangebied is gelegen binnen Bleiswijk en het buurtschap Kruisweg.

De Kruisweg is een oude ontginningsas door het karakteristieke polderlandschap van Zuid-Holland. Het oorspronkelijke veenlandschap is vanuit deze as ontgonnen en geschikt gemaakt voor agrarische activiteiten. Doordat deze ontginningsassen de basis vormden voor menselijke activiteiten zijn er langs deze assen diverse dorpen en ontstaan, waaronder Bleiswijk en Bergschenhoek.

In het noordwesten ligt Zoetermeer. In het oosten is Moerkapelle gelegen.

Het plangebied ligt tussen de Kruisweg en de N209 (Nieuwe Hoefweg), met aan de noordzijde van het plangebied.

In de huidige situatie is de locatie in gebruik als weide en is dus volledig onverhard. De locatie heeft een grondoppervlakte van circa 7.260 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST_0002.png"

Figuur 1.2: Bovenaanzicht plangebied in de huidige situatie.

1.3 Toekomstige situatie

Het planvoornemen is de realisatie van 4 nieuwbouw woningen. Elke woning wordt voorzien van twee parkeerplaatsen, zodat op eigen terrein geparkeerd kan worden. Achter het plangebied loopt een erftoegangsweg die de achterzijden van de woningen ontsluit. De parkeerplaatsen worden via de Kruisweg en de achterliggende erftoegangsweg ontsloten.

De ontwikkeling past hiermee in het gebiedsprofiel van het lint de Kruisweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST_0003.png"

Figuur 1.3: Verkaveling gezien vanaf de Kruisweg.

1.4 Vigerend bestemmingplan

Ter plaatse van het voorliggende plangebied vigeert, totdat het voorgaande bestemmingsplan in

werking treedt, het bestemmingsplan 'Rottezoom', dat op 27 september 2012 door

de gemeenteraad van Lansingerland is vastgesteld.

Op de locatie ligt de bestemming 'Agrarisch - Weide' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie - 1' en 'Waterstaat - Waterkering'.

Gronden met de bestemming 'Agrarisch - Weide' zijn bestemd voor kleine weides voor onder andere schapen, boomgaarden, volkstuinen en speelvoorzieningen. Op deze gronden mag enkel een schuurtje ten behoeve van schapen worden gerealiseerd.

In het bestemmingsplan was een wijzigingsbevoegdheid (Wro-zone-wijzigingsgebied-7) op deze locatie opgenomen voor de realisatie van 4 woningen. Door de eventuele ontwikkeling van de aanleg van de parallelstructur van de A12 (aansluiting Lange Rottelaan op de N209) heeft de provincie Zuid-Holland via een reactieve aanwijzing deze wijzigingsbevoegdheid verwijderd uit het bestemmingsplan 'Rottezoom'. Deze parallelstructuur is niet meer aan de orde, hierdoor is de beoogde ontwikkeling weer mogelijk.

De dubbelbestemming voor archeologie beschermt de archeologische waarden die mogelijk in de grond aanwezig zijn. Hier geldt dat uitsluitend bebouwing is toegestaan die niet dieper reiken dan 0,5 meter beneden maaiveld en die een grondoppervlakte bestrijken die niet groter dan 100 m2 is. Indien deze maten worden overschreden dient er eerst archeologisch onderzoek te worden verricht.

De dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' zorgt voor de bescherming van de functie van de waterkering (Kruisweg).

Voor het gehele plangebied is de Parapluherziening parkeernormering Lansingerland van toepassing, die onherroepelijk is vastgesteld op 30 maart 2017. Via dit bestemmingsplan zijn voor

nieuwe ontwikkelingen op het gebied van bouwen en/of gebruiken de geldende parkeernormen

in heel Lansingerland van toepassing verklaard.

Strijdigheden

De functie wonen is op dit moment niet toegestaan op de locatie. Hiervoor wordt het onderhavige bestemmingsplan opgesteld.

1.5 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 van dit wijzigingsplan bevat het relevante beleidskader. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van relevant onderzoek naar onder andere milieuaspecten. Een toelichting op de juridische regeling van het plan is opgenomen in hoofdstuk 4. De uitvoerbaarheid komt aan de orde in hoofdstuk 5.

Hoofdstuk 2 Ruimtelijk beleidskader

2.1 Inleiding

Het plan dient getoetst te worden aan het vigerend rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Hieronder is dit beleid nader beschreven. Gezien de kleinschalige aard van het plan, is dit onderdeel beperkt gehouden. Er geldt geen specifiek rijks- of regionaal beleid voor het plan.

2.2 Provinciaal beleid

2.2.1 Omgevingsvisie Zuid-Holland (geconsolideerde versie april 2019)

Verstedelijking en wonen

De provincie voorziet op regionaal niveau, samen met gemeenten, marktpartijen en woningbouwcorporaties, in voldoende en passende woningen voor de verschillende doelgroepen, waaronder de doelgroepen van het huurbeleid. Hierbij gaat de voorkeur uit naar nieuwe woningbouw binnen bestaand stads- en dorpsgebied en georiënteerd op hoogwaardig openbaar vervoer. De provincie is terughoudend over het toevoegen van nieuwe woningbouwlocaties buiten bestaand stads- en dorpsgebied en vraagt om de bodemdalingsgevoeligheid van een gebied expliciet mee te wegen.


De provincie heeft de ambitie om alle woningen in Zuid-Holland in 2035 CO2-neutraal en vóór 2050 klimaatrobuust ingericht en ingepast te laten zijn. Nieuwe woningen dragen bij aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving in Zuid-Holland. Nieuwe woningen zijn energieneutraal of leveren energie en zijn toegerust op de gevolgen van klimaatverandering (heftige regenbuien, perioden van droogte en hittestress) en bodemdaling. Gemeenten maken in samenspraak met de provincie regionale woonvisies en regionale woningbouwprogramma's waarin de bovengenoemde doelstellingen zijn uitgewerkt.


Toetsing

Het lint is in de Omgevingsvisie niet aangemerkt als stads- en dorpsgebied. Het gebied is echter wel onderdeel van het bestaand stedelijk gebied als bedoeld in artikel 1.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Het gaat immers om een perceel met een stedelijke functie die aan drie zijden wordt omsloten door andere stedelijke functies.

Het toevoegen van woningen binnen het bestaand stedelijk gebied van Bleiswijk past binnen het provinciale beleid.

2.2.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland (geconsolideerde versie april 2019)

Het provinciaal beleid wordt planologisch geborgd door de Omgevingsverordening. Hierin is onder andere de Ladder voor duurzame verstedelijking juridisch geborgd. Verder zijn regels gesteld ten aanzien van (nieuwe) functies. Afdeling 6.2 van de Omgevingsverordening heeft betrekking op bestemmingsplannen.

Eén van de speerpunten van het provinciaal ruimtelijk beleid is om de bebouwde ruimte beter te benutten, door herstructurering, intensivering en/of transformatie van het stedelijk gebied. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit van die bebouwde ruimte te verbeteren.

Toetsing

Het gebied is op de kwaliteitskaart (behorend bij de Omgevingsvisie Zuid-Holland) aangemerkt als dorpsrand. Ontwikkelingen aan de stads- of dorpsrand dragen bij aan het realiseren van een rand met passende overgangskwaliteit (front, contact of overlap).

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST_0004.png"

Figuur 2.1: Uitsnede kwaliteitskaart (behorend bij Omgevingsvisie Zuid-Holland).

Er is sprake van inpassing. Het lint Kruisweg is gelegen in het gebiedsprofiel Bentwoud, Rottemeren en Zuidplas van de provincie Zuid-Holland. Het gebiedsprofiel is de regionale vertaling van de kwaliteitskaart en vormt het vertrekpunt voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit.

De ontwikkeling past in het gebiedsprofiel, waarin het gebied is aangemerkt als lint. Transformaties in het lint moeten aansluiten bij de bestaande korrel, het profiel en de transparantie van het lint. De bestaande kavelopbouw moet daarbij zoveel mogelijk als uitgangspunt worden genomen.

Ladder voor duurzame verstedelijking

Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), bevat het handelingskader. De provincie heeft de ladder voor duurzame verstedelijking ook opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.

De ladder zoals opgenomen in het Bro is een motiveringseis voor de toelichting van het bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt. Om een vrijblijvend karakter te vermijden, heeft de ladder zoals opgenomen in de verordening daarom niet alleen betekenis voor de toelichting van het bestemmingsplan maar ook voor de inhoud.

Toetsing

De ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van 4 woningen en is al in het gemeentelijke woningbouwprogramma meegenomen dat regionaal is afgestemd.

De beoogde ontwikkeling wordt niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en hoeft daarom niet getoetst te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

2.2.3 Conclusie

De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met het provinciaal beleid.

2.3 Gemeentelijk beleid

2.3.1 Structuurvisie Lansingerland

De gemeente Lansingerland heeft op 18 februari 2010 een structuurvisie vastgesteld voor het gemeentelijk grondgebied. Aanleiding voor deze structuurvisie is de fusie van de drie gemeenten Berkel en Rodenrijs, Bergschenhoek en Bleiswijk. Lansingerland geeft in deze structuurvisie een toekomstbeeld en de ontwikkelingsrichting voor de gemeente tot 2025. Uit deze structuurvisie volgt dat onderhavig plangebied is aangewezen voor het ‘behoud cultuurhistorisch waardevolle karakter linten’. De linten zijn belangrijke dragers van de identiteit van Lansingerland. Behoud en versterking van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de linten is uitgangspunt. Dit houdt onder andere in dat de diversiteit aan functies, bebouwingsvormen en de openheid/doorzichten behouden moeten blijven. Daar waar functies zijn gevestigd die qua aard of schaal als niet meer passend moeten worden beschouwd, is ontwikkeling en of transformatie mogelijk. Ontwikkelingen moeten passen bij de schaal en de maat van het lint. Transformatie is geen doel op zich maar een middel om bij te dragen aan verbetering van de stedenbouwkundige kwaliteit van het lint.

In de structuurvisie Lansingerland is ten aanzien van de linten het volgende bepaald:

De linten zijn belangrijke dragers van de identiteit van Lansingerland. Behoud en versterking van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de linten is uitgangspunt. Dit houdt onder andere in dat de diversiteit aan functies, bebouwingsvormen en de openheid behouden moeten blijven. Daar waar functies zijn gevestigd die qua aard of schaal als niet meer passend moeten worden beschouwd, is ontwikkeling of transformatie mogelijk. Ontwikkelingen moeten passen bij de schaal en maat van het lint. Transformatie is geen doel op zich maar een middel om bij te dragen aan verbetering van de ruimtelijke kwaliteit van het lint.

De Kruisweg is aangemerkt als landelijk lint. Het is daarom van belang dat nieuwe ontwikkelingen in samenhang met de lintstructuur en landschappelijke structuur plaatsvinden. Een belangrijke kwaliteit is de transparantie van het lint; de doorzichten op het open landschap. Ontwikkeling van locaties in het lint moeten bijdragen aan de instandhouding en waar mogelijk de versterking van die kwaliteit. Dit zal zich manifesteren door de situering en maatvoering van bebouwing, de landschappelijke structuur en eenheid en relatie van het hele perceel met de lintstructuur.

Milieurandvoorwaarden

In de structuurvisie Lansingerland zijn verschillende relatief grootschalige ontwikkelingen opgenomen zoals de realisatie van nieuwe woonwijken, bedrijventerreinen en infrastructurele ingrepen. In veel gevallen zijn deze ontwikkelingen reeds vastgelegd in bestemmingsplannen, waar nodig in combinatie met een m.e.r.(-beoordeling). Wanneer projecten zijn vastgelegd in een bestemmingsplan, worden deze in het kader van dit planMER niet als nieuwe ontwikkelingen beschouwd, maar zijn deze onderdeel van de referentiesituatie. De belangrijkste milieurandvoorwaarden betreffen bodem en water, ecologie, landschap, cultuurhistorie en archeologie, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en de hoogspanningsverbinding.


Binnen het aspect geluid wordt ingegaan op Rotterdam Airport. Ten aanzien van Rotterdam Airport gelden een 35- en 20 Ke-contour. Binnen de 35 Ke-contour is geen geluidsgevoelige bebouwing toegestaan. Binnen de 20 Ke-contour mag slechts herstructurering en intensivering van bestaand bebouwd gebied plaatsvinden. Daarnaast zijn slechts uitbreidingen toegestaan voor zover deze zijn aangewezen binnen het provinciaal beleid.

Toetsing

De inpassing van 4 woningen past bij de maat en schaal van het lint. Daarnaast zijn de woningen niet binnen een Ke-contour gelegen, waardoor dit ook geen belemmering vormt voor de ontwikkeling.

2.3.2 Gebiedsvisie Kruisweg

De locatie valt onder het deelgebied dorpsbebouwing. In dit gebied wordt uitgegaan van grondgebonden woningen. Hierbij kan worden gedacht aan rijwoningen (maximaal vier aaneengesloten), twee-onder-één-kap, en vrijstaande woningen. Bij de uitwerking is het wenselijk te streven naar een mix van deze types om zodoende aan te sluiten bij het gevarieerde beeld ter plaatse. Het parkeren dient opgelost te worden op eigen terrein.

Toetsing

De nieuw te bouwen woningen zullen bestaan uit vrijstaande woningen. Iedere woning wordt voorzien van twee parkeerplaatsen, zodat op eigen terrein kan worden geparkeerd. Hierbij wordt dus aangesloten op de Gebiedsvisie Kruisweg.

2.3.3 Woonvisie Lansingerland 2015-2020

De gemeente Lansingerland wil met de voorliggende Woonvisie Lansingerland 2015-2020 voor in elk geval zes jaren haar visie en beleid uitdragen op het vlak van woningen, woonomgeving, woningbouw en doelgroepen van woonbeleid. Daarbij vindt aansluiting plaats met de overkoepelende missie van de gemeente om zorg te willen dragen voor een gevoel van welbevinden bij iedere inwoner op het terrein van wonen, werken en recreëren in Lansingerland.

Uit deze woonmissie volgen drie beleidsdoelen:

  • 1. behouden/vergroten van keuzevrijheid en een gevarieerd woningaanbod (‘voor alle inwoners, met een gevarieerd woningaanbod, passend bij de sociale en demografische opbouw van de samenleving’);
  • 2. bieden van gevarieerde en veilige woonmilieus waarbij we het dorpse en landelijke karakter bekrachtigen (‘veilig en prettig kunnen wonen’);
  • 3. versterken van een duurzame woon- en leefomgeving (‘bouwen aan een groene en duurzame leefomgeving, met behoud van historische en culturele waarden’).

Toetsing

Het realiseren van 4 nieuwe woningen aan het lint de Kruisweg draagt bij aan een gevarieerder woningaanbod binnen de gemeente. Daarnaast kent het gebied een dorps woonmilieu. De woningen worden 0 op de meter, gasloos en duurzaam in materiaalgebruik. Hiermee sluiten ze aan op de Woonvisie Lansingerland.

2.3.4 Nota Cultuurhistorie Plus (2012)

Deze nota geeft de basis voor ruimtelijke kwaliteitsbeleid binnen de gemeente. De Kruisweg is aangemerkt als historisch polderlint. De polderlinten bestaan altijd uit een weg met boezemvaart erlangs en met bebouwing aan een of twee kanten. Van een duidelijke rooilijn is geen sprake. De bebouwing is heel divers. Het gaat om boerderijen, tuinderswoningen, allerlei soorten woonhuizen en bedrijfsgebouwen. Volume, kaprichting, materiaalgebruik en kleur van de bebouwing variëren.

Toetsing

Het realiseren van 4 nieuwe woningen aan het lint de Kruisweg is niet in strijd met de Nota Cultuurhistorie Plus.

2.3.5 Parapluherziening parkeernormering Lansingerland

Op 30 maart 2017 is de Parapluherziening Parkeernormering Lansingerland vastgesteld. Via deze parapluherziening worden voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van bouwen en/of gebruiken de geldende parkeernormen in heel Lansingerland van toepassing verklaard. De regeling is overgenomen in het voorliggende bestemmingsplan.

Toetsing

Voor de locatie wordt rekening gehouden met de parkeernormen zoals opgenomen in de Parapluherziening parkeernormering Lansingerland.

Hoofdstuk 3 Sectorale aspecten

3.1 Inleiding

In dit hoofdstuk worden de voor dit wijzigingsplan relevante milieuaspecten beschreven. Het plan maakt een bestemmingswijziging mogelijk. Dit hoofdstuk bevat de uitkomsten van de benodigde onderzoeken met de daarbij behorende conclusies.

3.2 Vormvrije mer-beoordeling

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan-m.e.r.-plichtig, project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Indien een activiteit onder de drempelwaarden blijft, dient alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling uitgevoerd te worden, waarbij onderzocht dient te worden of de activiteit belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten.

Onderzoek

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, of een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat (Besluit milieueffectrapportage, bijlage onderdeel D11.2). De beoogde ontwikkeling bestaat uit de realisatie van 4 grondgebonden woningen. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde. Gelet op de kenmerken van het plan, zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r, de locatie van het plan en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Dit blijkt ook uit de (vormvrije) mer-beoordeling die in bijlage 1 is opgenomen. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsplicht noodzakelijk conform het Besluit m.e.r (zie ook collegebesluit d.d. 1 juli 2021 in bijlage 2).

Conclusie

Er zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden als gevolg van de ontwikkeling. Voor dit bestemmingsplan is dan ook geen mer-procedure of mer-beoordelingsplicht noodzakelijk conform het Besluit m.e.r.

3.3 Water

Waterbeheer en watertoets

De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijke planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Schieland en de Krimpenerwaard, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van het plan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. De opmerkingen van de waterbeheerder worden vervolgens verwerkt in deze waterparagraaf.

Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer

Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid nader wordt behandeld.

Europees:

  • Kaderrichtlijn Water (KRW)

Nationaal:

  • Nationaal Waterplan (NW)
  • Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)
  • Waterwet

Provinciaal:

  • Provinciaal Waterplan
  • Provinciale Structuurvisie
  • Provinciale Omgevingsverordening

Hoogheemraadschapsbeleid

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers.

De beschikbaarheid van voldoende, schoon water is bovendien onmisbaar voor de glastuinbouw, melkveehouderij en industrie en van groot belang voor recreatie en natuur. Veilig en aangenaam wonen, werken en recreëren, vereist een voortdurende zorg voor het waterbeheer. Dit valt allemaal onder het beheer van HHSK.

In het waterbeheerplan van HHSK 2016-2021 staan de vier waterschapstaken of -programma’s centraal:

  • I. veilig en bewoonbaar (waterveiligheid),
  • II. voldoende, schoon en aantrekkelijk water (watersysteem),
  • III. gezuiverd water (afvalwaterketen en emissies), en
  • IV. veilige wegen (wegen).

Huidige situatie

Algemeen

Het plangebied betreft een weide. Het plangebied is onverhard.

Bodem en grondwater

Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit lichte klei met een homogeen profiel. Er is sprake van grondwater trap Vb. Dat wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterstand varieert van 0,25 tot 0,40 meter onder maaiveld en de gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 1,2 meter onder maaiveld is gelegen.

Waterkwantiteit

Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig.

In het westen, tussen de Hoefweg en het plangebied, is een watergang gelegen. In het oosten, langs de Kruisweg, is ook een watergang gelegen.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Het oppervlaktewater langs de Kruisweg is aangewezen als KRW-waterlichaam. Dit water staat aangemerkt als de Vaart Bleiswijk. Dit is een kunstmatig water.

In 2015 is een peiling gehouden voor de waterkwaliteit en ecologische toestand. De chemische toestand voldeed, terwijl de totale biologische toestand ontoereikend was. De ecologische toestand of het potentieel was ontoereikend.

Veiligheid en waterkeringen

Het plangebied is deels gelegen binnen de kernzone (en beschermingszone) van een regionale waterkering, zie figuur 3.1.

Het planvoornemen is het bouwen van 4 nieuwe woningen, waarbij 3 woningen binnen deze kernzone wordt gebouwd. Voor de bouw van de woningen in de kering wordt een watervergunning aangevraagd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST_0005.png"

Figuur 3.1: Plangebied en nabijgelegen waterkering.

Afvalwaterketen en riolering

Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioleringssysteem.

Toekomstige situatie

Algemeen

Ten opzichte van de huidige situatie zal het verhard oppervlak toenemen.

Tabel 3.1: Overzicht toename verhard oppervlak

Verhard oppervlak   Toename  
Woningen   600 m2  
Overig verhard oppervlak (weg)   660 m2  
Tuinverharding (50%)   1.390 m2  
Totaal   2.650 m2  

Het aanbrengen van meer dan 500 m² verharding is vergunningplichtig op grond van de Keur van Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Bij een toename van verhard oppervlak wordt neerslag versneld afgevoerd. Om te voorkomen dat de versnelde afvoer in de toekomst tot overlast leidt, dient de toename van verhard oppervlak te worden gecompenseerd door middel van waterberging.

Het Hoogheemraadschap houdt rekening met deze onzekerheden door een minimale en een maximale norm toe te passen op de waterbergingseis ter compensatie van de verhardingstoename. Voor alle ruimtelijke ontwikkelingen geldt dat de compensatie-eis ligt tussen 5% en 20% van de netto verhardingstoename in het plangebied.

Aan de noordkant van het plangebied is recent een waterpartij met 470 m2 uitgebreid ten behoeve van de watercompensatie. Naar verwachting is hiermee in voldoende watercompensatie voorzien.

Watersysteemkwaliteit en ecologie

Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK's-houdende bouwmaterialen.

Afvalwaterketen en riolering

Conform de Kennisbank Stedelijk water en vigerend Hoogheemraadschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:

  • hemelwater vasthouden voor benutting,
  • (in-) filtratie van afstromend hemelwater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,
  • afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI.

Waterbeheer

Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het Hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd.

Conclusie

Het plangebied is deels gelegen binnen de kernzone van een regionale waterkering. Voor de bouw van de woningen binnen deze zone is vergunning van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard vereist. Omdat het verhard oppervlak met meer dan 500 m2 toeneemt, is watercompensatie verplicht. Hierin is reeds voorzien. Het aspect water belemmert het planvoornemen dan ook niet.

3.4 Mobiliteit

Ontsluiting woningen

De woningen ontsluiten op de Kruisweg. De achterzijdes van de percelen zijn te bereiken via een private weg, zie figuur 1.3.

De Kruisweg is gecategoriseerd als erftoegangsweg binnen de bebouwde kom en kent een maximum snelheid van 30 km/h. De weg heeft geen doorgaande functie en loopt in zuidelijke richting dood. In noordelijke richting sluit de Kruisweg aan op de Dwarslaan. Vanaf hier wordt verder ontsloten richting Moerkapelle of de N209 (Nieuwe Hoefweg).

De fietser deelt op de Kruisweg de weg met het overige verkeer. In noordelijke richting kan de fietser, via de Achterlaan, aansluiten op een vrijliggend fietspad parallel aan de Prismalaan Oost.

Voor de fietser is de Kruisweg in zuidelijke richting niet doodlopend en kan aangesloten worden op een fietsnetwerk in verschillende richtingen.

De meest nabijgelegen openbaarvervoerhalte is de bushalte Bleiswijk, Prismalaan Oost. Hier zijn busverbindingen naar Den Haag Centraal en Zoetermeer. Vanaf NS-station Bleiswijk-Zoetermeer zijn er treinverbindingen richting Den Haag Centraal en Utrecht.

Parkeren

Het parkeren voldoet aan de 'Parupluherziening parkeernormering Lansingerland uit 2017' van de gemeente Lansingerland. Het parkeren bij de nieuwe woningen wordt opgelost op eigen terrein. Hiervoor is, ten behoeve van de bewoners zelf, op eigen terrein is per woning ruimte gereserveerd voor twee parkeerplaatsen aan de Kruisweg en twee parkeerplaatsen aan de achterzijde. De parkeerplaatsen worden ingericht naar behoefte van de toekomstige bewoners. De weg aan de achterzijde wordt verbreed, zodat hier voldoende parkeergelegenheid voor bezoekers is. Parkeren rechtstreeks op de Kruisweg is onwenselijk en wordt om die reden niet gestimuleerd. Het bouwverkeer parkeert tijdelijk op de gronden van de ontwikkeling aan de Kruisweg 44.

Verkeersgeneratie

Op basis van een ligging in rest bebouwde kom en een matig stedelijke gemeente bedraagt de verkeersgeneratie 8,2 mvt/etmaal per woning (Toekomstbestendig parkeren, CROW publicatie 381). De toename aan verkeer bedraagt 32,8 mvt/etmaal. De ontsluitende verkeersstructuur heeft voldoende capaciteit om het verkeer ten gevolge van de nieuwe woningen op een goede en veilige manier af te wikkelen.

Conclusie

Het aspect mobiliteit staat de realisatie van het plan niet in de weg.

3.5 Weg- en railverkeerslawaai

Toetsingskader

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/h-wegen en woonerven - en spoorlijnen bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden:

  • De breedte van de geluidszones langs wegen is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen of buiten stedelijke ligging.
  • De zonebreedte van spoorwegen is afhankelijk van de hoogte van het vastgestelde Geluidproductieplafond (GPP) en wordt gemeten uit de kant van de buitenste spoorstaaf.

Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de zones van een weg of spoorweg dient te worden getoetst aan de normen van de Wgh. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een (spoor)weg gelden bepaalde voorkeursgrenswaarden en uiterste grenswaarden. De geluidshinder wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. De waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Hogere grenswaarden kunnen alleen worden verleend, nadat is onderbouwd dat maatregelen om de geluidsbelasting aan de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen terug te dringen onvoldoende doeltreffend zijn, dan wel overwegende bezwaren ontmoeten van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard. Deze hogere grenswaarde mag de uiterste grenswaarde niet te boven gaan. De gemeente Lansingerland heeft hogere waardenbeleid vastgesteld waarin voorwaarden zijn vastgelegd.

Tabel 3.2: Relevante grenswaarden woningen

  Voorkeursgrenswaarde   Uiterste grenswaarde  
Wegverkeerslawaai   48 dB   53 dB buitenstedelijk
63 dB binnenstedelijk  
Railverkeerslawaai   55 dB   68 dB  

De geluidswaarde binnen de woningen (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB voor wegverkeer en van 35 dB voor railverkeer.

Onderzoek

Vanwege de ligging in de geluidzone van verschillende wegen is een akoestisch onderzoek naar weg- en spoorweglawaai uitgevoerd, zie bijlage 3.

Uit het onderzoek blijkt dat :

  • Geluidreducerende maatregelen aan de bron of in de overdracht zijn redelijkerwijs niet mogelijk en stuiten op overwegende bezwaren van onder andere technische en financiële aard. Hogere waarden nodig zijn voor de volgende bronnen:
  • a. Rijksweg A12: 53 dB;
  • b. Nieuwe Hoefweg N209: 53 dB;
  • c. Spoorweg HSL en traject Zoetermeer-Gouda: 58 dB.
  • De gecumuleerde geluidbelasting ten gevolge van deze wegen en spoorwegen bedraagt ten hoogste 60 dB.
  • Uitgaande van nieuwbouweisen uit het Bouwbesluit 2012 resulteert dit in een ten hoogste benodigde karakteristieke gevelgeluidwering van minimaal 27 dB. Dit is 7 dB beter dan de minimaal vereiste geluidwering en is goed te realiseren met de juiste geluidwerende maatregelen. Deze maatregelen worden in latere fases bij het ontwerp van de woningen ten behoeve van de aanvraag omgevingsvergunning bepaald.
  • Volgens de omgevingsdienst en gemeente is een volledige geluidluwe zijde vereist op elke verdieping met verblijfsruimten. Er kan een gelijkwaardige kwaliteit worden gerealiseerd met behulp van plaatselijke gebouwgebonden schermen aan de buitenzijde van te openen ramen. De oriëntatie van de geluidluwe gevel mag per woonlaag verschillen, mits die gevel over de volledige breedte van de woning aanmerkbaar is en/of ingericht wordt als geluidluwe gevel. Ter borging kan dit als volgt opgenomen worden in de planregels van het bestemmingsplan en/of als voorschrift aan het besluit hogere waarden:

‘’Elke woonlaag met een verblijfsruimte moet beschikken over een volledige geluidluwe zijde. De geluidluwe zijde mag per woonlaag anders georiënteerd zijn (vrije keuze bewoner /ontwikkelaar). Als de gekozen geluidluwe zijde niet van nature volledig geluidluw is over de volle breedte van die woonlaag dienen alle te openen ramen in niet-geluidluwe-delen van die gevel te worden voorzien van een plaatselijk geluidreducerend scherm aan de buitenzijde van het te openen raam. Dit geldt alleen voor verblijfsruimten zoals woonkamers, eetkeukens en slaapkamers en dus niet voor badkamers, bergingen, verkeersruimten en onbenoemde zolders.’’

  • Hiermee wordt voldaan aan de aanvullende voorwaarden uit het geluidbeleid van de gemeente met betrekking tot de aanwezigheid van geluidluwe gevels en buitenruimte.

Conclusie

Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor het onderhavige voornemen. Het laten vaststellen van hogere waarden is voor de woningen wel noodzakelijk. Het ontwerpbesluit hogere waarden is tegelijkertijd met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd. In de regels van dit bestemmingsplan is bepaald dat het gebruik voor wonen uitsluitend is toegestaan als is aangetoond dat wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarden uit de Wet geluidhinder, dan wel de hogere waarden (en bijbehorende voorwaarden) uit het besluit hogere waarden (zie ook besluit hogere waarden in bijlage 4). Omdat volgens het gemeentelijk beleid verblijfsruimten aan een geluidluwe gevel moeten worden gesitueerd, worden in verband hiermee voorschriften aan het besluit hogere waarden verbonden.

3.6 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om in de belangenafweging tussen bedrijvigheid en gevoelige functies de milieuaspecten in voldoende mate mee te nemen, wordt in de milieuonderbouwing van de beoogde ontwikkeling gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009). In deze uitgave is een lijst van bedrijfstypen opgenomen, waarin voor een groot aantal bedrijfstypen en -activiteiten richtafstanden ten opzichte van een 'rustige woonwijk/rustig buitengebied' worden vermeld. Zoals ook in de VNG-publicatie is aangegeven en in vaste jurisprudentie is bevestigd, kan voor het omgevingstype 'gemengd gebied' worden afgeweken van deze richtafstanden.

Onderzoek

In de omgeving van het plangebied zijn diverse bedrijven gevestigd.

Kruisweg 17-19

Aan de overzijde van de Kruisweg (17-19) is het bedrijf ELM gevestigd. Het bedrijf richt zich op de verkoop en reparatie van grondverzetmachines en landbouwmachines. Een groothandel in machines en apparaten valt volgens de genoemde VNG-publicatie in categorie 3.2. Geluid is het maatgevende aspect. Uitgaande van het gebiedstype 'rustige woonwijk' bedraagt de richtafstand 100 meter, in 'gemengd gebied' bedraagt de richtafstand 50 meter. De afstand wordt gemeten van de grens van de bedrijfsbestemming tot de meest nabij gelegen gevels van de woningen. In dit geval kan gezien de functiemenging langs de Kruisweg en de ligging op korte afstand van de hoofdinfrastructuur in principe worden uitgegaan van de richtafstand van 50 meter. De dichtstbijzijnde woning ligt op een afstand van circa 58 meter en ligt hiermee buiten de richtafstand.

Kruisweg 54

Aan de Kruisweg 54 is een bedrijfspand aanwezig dat momenteel slechts gedeeltelijk wordt gebruikt. Ter plaatse is volgens het vigerende bestemmingsplan de vestiging van bedrijven uit maximaal milieucategorie 2 toegestaan. Ter plaatse is echter als specifieke vorm van bedrijf tevens de activiteit 'Timmerwerkfabrieken, vervaardiging overige artikelen van hout' toegestaan uit maximaal milieucategorie 3.1. Voor dergelijke kleinschalige timmerwerkfabrieken dient rekening te worden gehouden met een richtafstand van 50 meter voor geluid en 30 meter voor stof, uitgaande van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. In 'gemengd gebied' bedraagt de richtafstand voor geluid 30 meter en voor stof 10 meter. In dit geval kan gezien de functiemenging langs de Kruisweg en de ligging op korte afstand van de hoofdinfrastructuur in principe worden uitgegaan van de richtafstand van 30 meter. Het plangebied ligt op een afstand van circa 70 meter van dit bedrijf en ligt hiermee buiten de richtafstand.

Greenpoint

Aan de overzijde van de N209, op een afstand van circa 65 meter, ligt het multi-fuel tankstation Greenpoint. In de VNG-richtlijn is een multi-fuel tankstation (Greenpoint) niet opgenomen. Voor de meeste aspecten van een Greenpoint is de milieubelasting vergelijkbaar met een regulier tankstation.

Het plangebied ligt buiten de richtafstanden (30 meter). Het aspect veiligheid kan vanwege de aanwezigheid van andere brandstoffen afwijken van een regulier tankstation, dit aspect is nader toegelicht in paragraaf 3.7.

Bedrijvenpark Prisma en overige bedrijven

Aan de overzijde van de N209 is het bedrijvenpark Prisma in ontwikkeling. In de milieuzonering en de daaraan gekoppelde toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten is rekening gehouden met de woningen aan de Kruisweg. Hoewel gezien de functiemening in het gebied langs de Kruisweg en de ligging op korte afstand van de hoofdinfrastructuur (en het daarmee samenhangende verhoogde achtergrondniveau) uit zou mogen worden gegaan van de richtafstanden die gelden binnen het omgevingstype 'gemengd gebied', zijn in het bestemmingsplan Hoefweg-Noord de volledige richtafstanden (gebiedstype 'rustige woonwijk') gehanteerd. Ook de nieuwe woningen binnen het plangebied voldoen aan deze afstanden.

Ook binnen het horecacluster bij de entree van het bedrijvenpark worden geen activiteiten toegestaan die kunnen leiden tot milieuhinder ter plaatse van de woningen aan de Kruisweg. Snackbars, cafetaria's en restaurants vallen volgens de genoemde VNG-publicatie in categorie 1, waarbij sprake is van een richtafstand van 10 meter. De afstand tot de beoogde woningen bedraagt meer dan 50 meter.

Gezien de verschillende aanwezige horecagelegenheden en de mogelijkheden voor de vestiging van zwaardere bedrijven op het bedrijventerrein Hoefweg-Noord in combinatie met de overheersende windrichting, zou binnen het plangebied cumulatief sprake kunnen zijn van een zekere geurbelasting. Gezien de afstand van de woningen tot de omliggende bedrijven zal echter geen sprake zijn van een onaanvaardbare situatie.

Kruisweg 30

In het zuiden grenst het plangebied aan het perceel Kruisweg 30. Volgens het vigerende bestemmingsplan Rottezoom heeft dit perceel een woonbestemming met specifieke bouwaanduiding voor een paardenstal en een paardenbak. Tevens staat op dit perceel een mestopslag.

De paarden op dit perceel worden hobbymatig gehouden en niet “in een omvang alsof zij bedrijfsmatig is”. De omvang van zowel het perceel als de dierstapel is beperkt. De stal biedt ruimte aan 3 paarden, maar dit aantal is niet te allen tijde aanwezig. De paarden, stal en paardenbak worden gebruikt door de bewoner en niet gebruikt voor commerciële doeleinden (geen verhuur). Er wordt af en toe een paard gefokt. Ook dit duidt niet direct op een winstoogmerk, de paarden worden namelijk niet altijd verkocht. De paardenbak is onverlicht en wordt maximaal enkele uren van de dag gebruikt door de bewoner, waardoor er geen sprake is van continuïteit of langdurige hinder. Ten opzichte van (verblijven voor) paarden die hobbymatig worden gehouden gelden geen vaste afstanden.

De mestopslag is circa 10 m3. Zolang er 10 m3 of minder dierlijke of andere organische vaste meststoffen worden opgeslagen, wordt dit niet gezien als inrichting en gelden er geen afstandseisen.

Conclusie

Omliggende bedrijven worden door de realisatie van de woningen niet in de bedrijfsvoering beperkt. Ter plaatse van de woningen is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

3.7 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het groepsrisico (GR). Wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute.

Onderzoek

Risicorelevante bedrijven

Volgens de informatie op de provinciale risicokaart is in de omgeving van het plangebied een risicorelevante inrichting aanwezig. Het betreft het distributiecentrum van Hoogvliet ten zuidwesten van het plangebied. Uit de QRA voor het distributiecentrum blijkt dat het plangebied buiten de PR 10-6-contour en de PR 10-8-contour is gelegen. Het invloedsgebied bedraagt 1.189 meter. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied. Het groepsrisico ligt ruimschoots onder de oriëntatiewaarde. De beoogde ontwikkeling is met 4 woningen beperkt te noemen. Hierdoor zal het groepsrisico niet significant toenemen. Deze inrichting leidt niet tot ruimtelijke beperkingen ter plaatse van de woningbouwlocatie.

Ten zuidwesten van het plangebied bevindt zich risicovolle inrichting Greenpoint waar sprake is van een LNG-installatie met daarbij een CNG-installatie. In het kader van de aanvraag omgevingsvergunning is een risicoanalyse uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het plangebied zich niet in de PR 10-6-contour bevindt. Wel bevindt het plangebied zich in het invloedsgebied. Uit het onderzoek blijkt tevens dat het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde ligt. De beoogde ontwikkeling is relatief gering en betreft 4 woningen. Hierdoor zal het groepsrisico niet significant toenemen.

Vanwege de ligging in het invloedsgebied van een tweetal inrichtingen dient een beknopte verantwoording te worden opgesteld, waarin nader wordt ingegaan op de bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. Deze verantwoording is verderop in deze paragraaf opgenomen.

Andere inrichtingen liggen op dermate grote afstand van het plangebied dat deze niet relevant zijn.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

In de omgeving van het plangebied vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de A12 (afstand tot plangebied circa 500 m). Uit de gegevens uit het Basisnet weg blijkt dat de A12 ter hoogte van het plangebied een PR 10-6-contour heeft van 0 meter en geen plasbrandaandachtszone kent. Het groepsrisico ligt in de huidige situatie meer dan een factor 10 onder de oriëntatiewaarde. Omdat het plangebied op meer dan 200 meter van de A12 is gelegen, hoeven volgens het Basisnet geen beperkingen worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording. Omdat voor de A12 de PR 10-6-contour niet buiten de weg is gelegen, vormt het plaatsgebonden risico geen knelpunt voor de beoogde woningbouwontwikkeling. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling zal daarnaast geen sprake zijn van relevante gevolgen voor de hoogte van het groepsrisico.

Ook over de N209, direct ten westen van het plangebied, vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied wordt bepaald door stofcategore LT2 en bedraagt 880 meter. Het plangebied bevindt zich op circa 30 meter van de weg en bevindt zich in het invloedsgebied. In de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) zijn vuistregels opgenomen waarmee inzicht kan worden gegeven in de risicosituatie langs transportroutes zoals de N209. De beoogde realisatie betreft 4 woningen. In de Handleiding populatieservice wordt voor een woonfunctie groter dan 60 m2 het kental van 2,4 personen per woning gehanteerd. Dit geeft een populatie van 10 personen.

Uit onderzoeken die in het verleden zijn uitgevoerd in het kader van de verbreding van de weg (meer zuidelijk gelegen deel van de N209) en de groepsverantwoording voor bestemmingsplan Hoefweg-Korenmolenweg blijkt dat over de N209 per jaar 106 transporten van GF3 plaatsvindt. Verder blijkt dat er geen sprake is van een PR 10-6-contour en dat ook geen sprake is van een overschrijding van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. Er hoeft daarom slechts getoetst te worden of er sprake is van een toename van meer dan 10% van de oriëntatiewaarde door de beoogde ontwikkeling.

In de HART worden de onderstaande vuistregels gehanteerd voor de toetsing van 10% van de oriëntatiewaarde voor een weg buiten de bebouwde kom (80 km/uur).

  • Wanneer de vervoersstroom gevaarlijke stoffen in tankwagens (bulkvervoer) stoffen bevat uit de categorieën LT3, GT4 of GT5 (ongeacht de aantallen) pas dan RBM II toe.
  • Wanneer GF3 minder is dan de drempelwaarde in Tabel 1-6 (eenzijdige bebouwing) of in Tabel 1-7 (tweezijdige bebouwing) wordt 10% van de oriëntatiewaarde niet overschreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST_0006.png"

Figuur 3.2 Drempelwaarden GF3-vervoer voor overschrijding 10% van de oriëntatiewaarde, weg buiten bebouwde kom, tweezijdige bebouwing.

Over het betreffende wegvak wordt geen LT3, GT4 of GT5 vervoerd. Hierdoor kunnen de vuistregels worden toegepast. De afstand tot de N209 bedraagt circa 30 meter en het GF3-vervoer bedraagt 106 per jaar. Uit de tabel in figuur 3.2 blijkt dat bij deze afstand en hoeveelheid vervoer de 10% wordt overschreden bij een dichtheid van 100 personen per hectare. In de Handleiding Risicoberekeningen Bevt - Bijlage, versie 1.2, 11 januari 2017 wordt geconcludeerd dat voor de uitkomst van de groepsrisicoberekening het voldoende is om de bevolkingsdichtheid te inventariseren tot 300 meter van de as van de weg. Op een afstand van 300 meter bevinden zich woonwijken en industriegebieden. Volgens de Publicatiereeks gevaarlijke stoffen 1 (december 2003) is de bevolkingsdichtheid voor (rustige) woonwijken 25 personen per hectare en voor industriegebieden (personeeldichtheid midden) 40 personen per hectare. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het groepsrisico niet met meer dan 10% zal toenemen. De afstand is voldoende en het aantal personen laag.

De beoogde ontwikkeling leidt niet tot een groepsrisico dat de oriëntatiewaarde overschrijdt en het groepsrisico neemt niet met meer dan 10% van de oriëntatiewaarde toe. Ook heeft de weg geen PR 10-6-contour. Wel dient het groepsrisico in een beknopte verantwoording inzichtelijk te worden gemaakt.

Beknopte verantwoording groepsrisico

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied wordt ontsloten via de Kruisweg. Deze weg sluit aan op het verdere wegennetwerk van Bleiswijk. Het wegennetwerk biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie zullen 4 woningen worden gerealiseerd. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen over de weg en bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

In het kader van het vooroverleg is het plan voor advies voorgelegd aan de Veiligheidsregio Rotterdam-Rijnmond (VRR). Het advies van de VRR is opgenomen in bijlage 5. Dit advies wordt opgevolgd.

Conclusie

Vanuit het oogpunt van externe veiligheid zijn er geen belemmeringen voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

3.8 Ecologie

Toetsingskader

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:

  • Natura-2000 gebieden;
  • Natuurnetwerk Nederland (NNN).

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden.

Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Zuid-Holland

In de provincie Zuid-Holland wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het op of in de bodem brengen van meststoffen. In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage 6 bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ree, rosse woelmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op circa 8 kilometer van het Natura-2000 gebied De Wilck, zie figuur 3.2. Dit is het dichtstbijzijnde Natura-2000 gebied.

De ontwikkeling leidt, gezien de ligging en de kleinschaligheid, niet tot negatieve effecten op de waterhuishouding, verstoring, areaalverlies of versnippering van dit gebied. Voor de ontwikkelingen in de gemeente is een stikstofberekening uitgevoerd, zie bijlage 8. Uitgaande van een 'worst-case' scenario voor de bouw van woningen, kunnen binnen de gemeentegrenzen van Lansingerland te allen tijde 45 woningen worden gerealiseerd zonder dat dit een depositie groter dan 0,00 mol/ha/jaar op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden veroorzaakt. De ontwikkeling valt hieronder.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST_0007.png"

Figuur 3.2: Natura-2000 gebieden in de omgeving van plangebied (rode cirkel).

Binnen en rondom het plangebied is geen Natuur Netwerk Nederland gebied (NNN-gebied) gelegen. Ook zijn er geen ecologische verbindingszones in de omgeving aanwezig.

Soortenbescherming

Op 26 maart 2018 heeft Bureau Stadsnatuur een quickscan ecologie uitgevoerd op de percelen direct naast het plangebied, zie bijlage 6. Hieruit blijkt dat de locatie mogelijk geschikt is voor broedvogels. Vanwege de nabije ligging is deze conclusie dan ook over te nemen voor het onderhavige plangebied.

Naar aanleiding van de quickscan is een broedvogelcontrole uitgevoerd op de naastgelegen percelen, het onderhavige plangebied is in dit onderzoek ook meegenomen (bijlage 7). Voor het plangebied geldt dat wordt aanbevolen het veld half mei te maaien en de struiken buiten het broedseizoen te verwijderen. Deze maatregelen worden opgevolgd. Het aspect soortenbescherming staat de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

Conclusie

Het aspect ecologie levert geen beperkingen op voor de beoogde ontwikkeling.

3.9 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 3.3 weergegeven.

Tabel 3.3: Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer per jaar meer dan 50 µg/m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In het Besluit 'niet in betekenende mate' is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • Een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 4 grondgebonden woningen. Dit aantal woningen valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden. De beoogde ontwikkeling draagt dan ook 'niet in betekenende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Er wordt dus voldaan aan de luchtkwaliteitswetgeving en nader onderzoek is niet noodzakelijk.

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang om een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied te geven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2020 (www.nsl-monitoring.nl) die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. Hieruit blijkt dat in 2020 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof direct langs zowel de N209 als de A12 ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Ook ter plaatse van de beoogde woningen zal worden voldaan aan de geldende grenswaarden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST_0008.png"

Figuur 3.3: Jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 in 2020 (bron: NSL monitoringstool).

Conclusie

Het plan draagt 'niet in betekende mate' bij aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Daarnaast wordt ter plaatse van de woningen ruimschoots voldaan aan de wettelijke grenswaarden. Het aspect luchtkwaliteit staat de ontwikkeling niet in de weg.

3.10 Bodem

Toetsingskader

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening te worden gehouden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Voor een nieuw geval van bodemverontreiniging geldt, in tegenstelling tot oude gevallen (voor 1987), dat niet functiegericht maar in beginsel volledig moet worden gesaneerd.

Onderzoek

Hoste Milieutechniek heeft in juni 2020 een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 9.

Tijdens het verrichten van de boringen is gebleken dat de bodem in het algemeen bestaat uit klei tot de

maximale boordiepte van 2,30 m-mv. Op een aantal boorlocaties is onder de verharding (klinker) een laag zand aangetroffen van maximaal 0,90 m. Plaatselijk, bij boring 14, is een veenlaag aanwezig van 0,50 – 1,3 m-mv. De boringen ter hoogte van het pad aan de noordzijde van de locatie zijn allen gestaakt op puin en meerdere keren opnieuw gezet. Bij boring 23 is tussen de zandlaag en kleilaag op 0,7 tot 1,00 m-mv een puinlaag aangetroffen. Er zijn zintuiglijk geen afwijkingen waargenomen in de bodemopbouw. Op het maaiveld en/of in de bodem is geen asbestverdacht materiaal aangetroffen.

Uit het chemisch-analytisch onderzoek blijkt dat de bodem niet tot maximaal licht verontreinigd is met

de onderzochte stoffen.

Op basis van de onderzoeksresultaten zijn er milieuhygiënisch gezien geen belemmeringen voor het

beoogde gebruik.

Naar aanleiding van de aangetroffen bijmengingen met puin in de grond ter hoogte van de oprit is een verkennend asbestonderzoek in de bodem ter plaatse van deze bijmenging uitgevoerd, zie bijlage 10.

Uit het verkennend asbestonderzoek blijkt dat de bovengrond tot circa 0,5 m-mv meter bestaat over het algemeen uit zwak tot sterk puinhoudend lichtbruin zand. Onder de weg is op deze diepte een oud puinpad aanwezig met een laagdikte van 0,2 à 0,3 meter. Dit betreft betonpuin. Onder deze laag is een dunne laag zeer fijn zand aangetroffen. In de berm bestaat de ondergrond vanaf 0,5 à 0,7 m-mv tot ten minste 0,9 m-mv uit kleiig veen. In de onderzochte mengmonsters van de grond en in het funderingsmateriaal onder de weg is geen asbest aangetoond.

De locatie is voldoende onderzocht. Op basis van het onderzoek is de locatie niet langer verdacht op

een verontreiniging met asbest in de bodem of funderingsmateriaal onder de weg.

Conclusie

Uit het verkennend bodemonderzoek en het aanvullend asbestonderzoek blijkt dat voor de functiewijziging milieuhygiënisch geen belemmeringen zijn. Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

3.11 Archeologie en cultuurhistorie

3.11.1 Archeologie

Toetsingskader

Erfgoedwet

De archeologische monumentenzorg is geregeld in de Erfgoedwet. De uitgangspunten uit het 'Verdrag van Malta' zijn in de Erfgoedwet nog steeds de basis van de Nederlandse omgang met archeologie. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van opgravingen. Voor gebieden waar archeologische waarden voorkomen of waar reële verwachtingen bestaan dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn, dient door de initiatiefnemer voorafgaand aan bodemingrepen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De uitkomsten van het archeologisch onderzoek dienen vervolgens volwaardig in de belangenafweging te worden betrokken. Het belangrijkste doel is de bescherming van het archeologische in de bodem (in situ) omdat de bodem doorgaans de beste garantie biedt voor een goede conservering. Er wordt uitgegaan van het basisprincipe de 'verstoorder' betaalt voor het opgraven en het documenteren van de aangetroffen waarden als behoud in de bodem niet tot de mogelijkheden behoort.

Besluit ruimtelijke ordening

Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient in de toelichting van elk bestemmingsplan een beschrijving te worden gegeven van de aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden van het plangebied.

Gemeentelijk beleid

Voor een goed beheer van dit bodemarchief gebruikt de gemeente Lansingerland een archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft een gemeentebreed overzicht van bekende en te verwachten archeologische waarden. De kaart maakt inzichtelijk waar en bij welke ruimtelijke ingrepen een archeologisch onderzoek verplicht is en wordt als toetsingskader gebruikt voor ruimtelijke procedures.

Volgens de gemeentelijke archeologische beleidsadvieskaart ligt het plangebied in een zone

waar een hoge archeologische verwachting geldt en een onderzoeksplicht voor ingrepen

groter dan 100 m² en dieper dan 0,5 m -MV. Aangezien het hier om een bestemmingplanwijziging

gaat, zijn deze voorschriften maatgevend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1621.BP0094H02-VAST_0009.png"

Figuur 3.4: Archeologische beleidskaart Lansingerland en globale ligging plangebied (rode cirkel).

Onderzoek

Op 14 september 2020 is door RAAP Archeologisch Adviesbureau B.V. een archeologisch onderzoek uitgevoerd in de vorm van een bureau- en een inventariserend veldonderzoek, zie bijlage 11. Op basis van de resultaten van het onderzoek blijkt dat in het plangebied (mogelijk) archeologische

resten worden bedreigd door de voorgenomen bodemingrepen. Om de gespecificeerde verwachting te toetsen is vervolgonderzoek in de vorm van een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 12. Tijdens het onderzoek zijn geen relevante archeologische resten aangetroffen.

Conclusie

Het aspect archeologie staat de bestemmingswijziging niet in de weg.

3.11.2 Cultuurhistorie

Het oude dorpslint de Kruisweg is cultuurhistorisch waardevol. Het behouden en versterken van de herkenbaarheid van het lint vergroot de aantrekkelijkheid van Lansingerland. Nieuwe ontwikkelingen mogen hieraan geen afbreuk doen. De bebouwing langs de Kruisweg heeft een divers karakter. Er is een duidelijk verschil tussen de bebouwing aan de westzijde en de oostzijde van de Kruisweg. De bebouwing aan de westzijde van de Kruisweg bestaat uit een variatie van woningen en bedrijvigheid en diverse ondergeschikte bijgebouwen. Tussen de erven door zijn diverse doorzichten richting het open polder landschap.

In de structuurvisie Lansingerland is specifiek aandacht besteed aan linten. De linten zijn

belangrijke dragers van de identiteit van Lansingerland. Behoud en versterking van het cultuurhistorisch waardevolle karakter van de linten is uitgangspunt. Dit houdt onder andere in dat de diversiteit aan functies, bebouwingsvormen en de openheid behouden moeten blijven. De gemeente vindt het daarom ook van belang dat nieuwe ontwikkelingen in samenhang met de lintstructuur en landschappelijke structuur plaatsvinden.

De voorgenomen ontwikkeling versterkt de herkenbaarheid van het lint. Het plan sluit hiermee goed aan op de identiteit van het gebied.

3.12 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Het Ministerie van VROM (inmiddels Ministerie van Infrastructuur en Milieu geheten) heeft in 2005 advies uitgebracht aan gemeenten en provincies over het omgaan met ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van bovengrondse hoogspanningsleidingen. Zij adviseert om geen nieuwe gevoelige functies (functies waar kinderen van 0 tot 15 jaar langdurig kunnen verblijven, zoals wonen, scholen en kinderopvangvoorzieningen) te realiseren binnen de 0,4 microtesla zone rond een hoogspanningslijn. Aanleiding voor dit rijksbeleid voor hoogspanningsleidingen vormen mogelijke gezondheidsrisico's bij langdurige blootstelling van kinderen aan elektromagnetische velden. Bij ondergrondse hoogspanningleidingen dient slechts rekening te worden gehouden met een beschermstrook.

Onderzoek en conclusie

Ten oosten van het plangebied is op meer dan 500 m afstand van de nieuwe woningen het tracé van de 380 kV-hoogspanningsverbinding Zoetermeer-Beverwijk gerealiseerd. De woningen liggen ruimschoots buiten de relevante magneetveldzones. Ook voor het overige zijn er geen relevante leidingen in de omgeving van het plangebied aanwezig. Het aspect kabels en leidingen vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

3.13 Eindconclusie

Op basis van de onderzochte aspecten zijn geen bijzondere belemmeringen aanwezig voor de vaststelling van het bestemmingsplan ten aanzien van de milieu- en overige aspecten.

Hoofdstuk 4 Juridische planbeschrijving

4.1 Bestemmingsplansystematiek

Het bestemmingsplan is conform SVBP2012 opgesteld, om zodoende digitaal raadpleegbaar en conform de uniforme systematiek raadpleegbaar te zijn. Ook is rekening gehouden met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).

In dit hoofdstuk wordt een koppeling gemaakt tussen de in de voorgaande hoofdstukken beschreven elementen en de verbeelding (plankaart en regels). De verbeelding vormt het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.

Op de plankaart zijn alle functies zodanig bestemd dat het mogelijk is om met behulp van het renvooi direct te zien welke bestemmingen aan de gronden binnen het plangebied zijn gegeven en welke regels daarbij horen. Uitgangspunt daarbij is dat de plankaart zoveel mogelijk informatie geeft over de in acht te nemen maten en volumes.

De bestemmingsplanregels bestaan uit vier hoofdstukken. De regels zijn gestructureerd in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de begrippen en de wijze van meten. In hoofdstuk 2 wordt op de bestemmingen en hun gebruik ingegaan. De algemene regels (waaronder ook de parkeerregeling) zijn opgenomen in hoofdstuk 3. Hoofdstuk 4 bevat de overgangs- en slotregels. In de navolgende paragrafen worden de regels hoofdstuksgewijs toegelicht.

4.2 Inleidende regels

Hoofdstuk 1 van de regels bevat twee artikelen met algemene bepalingen die het gehele plan betreffen. In artikel 1 (Begrippen) worden in het plan voorkomende begrippen gedefinieerd. Met de gegeven begripsomschrijvingen kan bij de latere toepassing van het bestemmingsplan verschil van inzicht in de interpretatie van het bestemmingsplan zoveel mogelijk worden voorkomen. Over het algemeen is gebruik gemaakt van wettelijk voorgeschreven of algemeen gebruikelijke begripsomschrijvingen.

In artikel 2 (Wijze van meten) wordt beschreven hoe in het bestemmingsplan gegeven afmetingen moeten worden bepaald. Ook deze bepalingen zijn bedoeld om een eenduidige toepassing van het bestemmingsplan te bevorderen. Er is sprake van omschrijvingen die algemeen gebruikelijk en geaccepteerd zijn.

4.3 Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 - bestemmingsregels - kent vijf bestemmingen en twee dubbelbestemmingen.

Artikel 3 Agrarisch - Weide

De voor 'Agrarische - weide' aangewezen gronden zijn bestemd voor kleine weides (schapen), boomgaarden, volkstuinen en/of sierteeltvelden, objecten van beeldende kunst, lokale openbare speelvoorzieningen en eventueel een schuurtje ten behoeve van de schapen. De oppervlakte en bouwhoogte van het schuurtje mogen niet meer bedragen dan 25 m2 en 3 m. Op de gronden mogen andere bouwwerken, geen overkappingen zijnde, met een maximale bouwhoogte van 4 m ten dienste van de genoemde functies worden gebouwd.

Artikel 4 Groen

De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, objecten van beeldende kunst, speelplaatsen, speelvoorzieningen en speeltoestellen, bruggen en overige kunstwerken, dijken en taluds e.d. met daarbij behorende verhardingen.

Artikel 5 Tuin

De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor tuinen, erven en ongebouwde parkeervoorzieningen behorende bij de op de aangrenzende gronden gesitueerde bestemmingen met de daarbij behorende andere bouwwerken, werken en werkzaamheden. Op deze gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd (geen gebouwen, carports of andere overkappingen met uitzondering van een erker, entree- of tochtportaal).

Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied

De gronden met de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied' zijn bestemd voor verhardingen voor erfontsluiting, calamiteitenontsluiting, fietspaden en/of -stroken en voetpaden, ongebouwde parkeervoorzieningen, overdekte fietsenstallingen, nutsvoorzieningen en bermen, groenvoorzieningen en water met de daarbij behorende bouwwerken, waaronder straatmeubilair, werken en werkzaamheden.

Artikel 7 Wonen

De gronden met de bestemming 'Wonen' zijn bestemd voor wonen, al dan niet in combinatie met beroep aan huis of een webwinkel. Daarnaast zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven, parkeervoorzieningen, water met de daarbij behorende bouwwerken, werken en werkzaamheden. Binnen het plangebied zijn maximaal 4 woningen met elk een inhoudsmaat van maximaal 750 m3 toegestaan. Hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de aangegeven bouwvlakken. Binnen- en buiten de bouwvlakken kan erfbebouwing worden opgericht, onder de aangegeven voorwaarden.

Bedrijf aan huis is via afwijking toegestaan, mits voldaan wordt aan de genoemde voorwaarden.

Artikel 8 Waterstaat - Waterkering

Deze dubbelbestemming is toegekend aan de gronden binnen de kernzone van de waterkering. Op deze gronden mogen uitsluitend andere bouwwerken ten dienste van de bestemming, zoals borstweringen, hekwerken en daarmee gelijk te stellen constructies, niet zijnde bruggen, dammen met duikers, vlonders, aanlegplaatsen en/of kaden, worden gebouwd met een maximale hoogte van niet meer dan 1 m.

Bouwwerken ten behoeve van samenvallende bestemmingen mogen - op enkele uitzonderingen na - uitsluitend met een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag worden gebouwd. Daarbij dienen de bij de bestemming betrokken bouwregels in acht te worden genomen en het waterkeringsbelang door de bouwactiviteiten niet onevenredig te worden geschaad. Vooraf dient schriftelijk advies te worden ingewonnen bij het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard, tenzij reeds een watervergunning is verleend.

4.4 Algemene regels

In hoofdstuk 3 zijn bepalingen opgenomen die binnen het bestemmingsplan algemeen geldend zijn.

Artikel 9 Antidubbeltelregel

Deze bepaling is in artikel 3.2.4Bro voorgeschreven. Wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde gebouwen niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, mag het opengebleven terrein niet nog eens meetellen bij het toestaan van een ander gebouw waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

Over een gedeelte van het plangebied ligt de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk'. Deze aanduiding is opgenomen ter plaatse van de beschermingszone van de waterkering en dient ter bescherming van deze zone.

Artikel 11 Algemene bouwregels

Voor ondergeschikte bouwdelen van bebouwing mag in beperkte mate worden afgeweken van de afmetingen volgens dit bestemmingsplan.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

In dit artikel is bepaald welke gebruiksvormen niet zijn toegestaan.

Artikel 13 Algemene afwijkingsregels

Deze bepaling maakt kleine afwijkingen van het bepaalde in dit plan onder voorwaarden mogelijk.

Artikel 14 Algemene wijzigingsregels

Deze bepaling maakt aanpassing van de begrenzing van bestemmingen onder voorwaarden mogelijk.

Artikel 15 Algemene procedureregels

In deze bepaling is opgenomen welke procedure dient te worden gevolgd bij het stellen van nadere eisen.

Artikel 16 Overige regels

In deze bepaling is de voorwaardelijke verplichting voor parkeren opgenomen.

4.5 Overgangs- en slotregels

Hoofdstuk 4 bevat bepalingen voor overgangssituaties en een titelbepaling.

Artikel 17 Overgangsrecht

In dit artikel zijn de in artikel 3.2.1 en 3.2.2 van het Bro voorgeschreven bepalingen omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken en het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.

Artikel 18 Slotregel

Dit artikel geeft aan met welke naam het bestemmingsplan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

Met dit bestemmingsplan wordt de bestemmingswijziging mogelijk gemaakt. Voor deze ontwikkeling is een anterieure overeenkomst afgesloten tussen de gemeente en de initiatiefnemer. De gemeente acht het plan economisch uitvoerbaar.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Participatie

De initiatiefnemer heeft de directe buren op de hoogte gesteld van de plannen. Uit de gesprekken bleek dat de omwonenden geen problemen hadden met het voorgenomen initiatief.

Inspraak

Het voorontwerpbestemmingsplan is op grond van de gemeentelijke inspraakverordening ter inzage gelegd.

Een verslag van de reacties en beantwoording hierop is opgenomen in bijlage 13.

Overleg

In het kader van het wettelijk vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan naar diverse instanties gestuurd.

Een verslag van de reacties en beantwoording hierop is opgenomen in bijlage 13.

Terinzagelegging

Het ontwerpbestemmingsplan is gedurende zes weken ter inzage gelegd (artikel 3.8 Wro). Tijdens

deze periode is aan eenieder de mogelijkheid geboden tot het indienen van zienswijzen. In deze periode zijn geen reacties ontvangen.