direct naar inhoud van Ruimtelijke motivering
Plan: TAM-omgevingsplan realiseren bouwtitel Beuldersweg perceel tussen huisnummers 2 en 12
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01

Ruimtelijke motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

De aanleiding voor het wijzigen van het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege (hierna omgevingsplan) van gemeente Nederweert betreft de realisatie van een vrijstaande woning met bijhorende bijgebouwen en verhardingen op een 'open plek' ter plaatse van de locatie gelegen aan Beuldersweg ong. (perceel tussen huisnummers 2 en 12) te Nederweert. De locatie zal hierna als besluitgebied worden aangeduid. Het besluitgebied duidt de locatie waarop deze wijziging van het omgevingsplan betrekking heeft.

Voor deze locatie vigeert het (tijdelijk) omgevingsplan van rechtwege, zijnde het voormalige bestemmingsplan 'Centrum, Nederweert'. De locatie is daarin bestemd tot 'Wonen'. Echter ter plaats is op de verbeelding geen bouwvlak opgenomen. Dit betekent dat op deze gronden geen woning kan worden gebouwd.

Hiervoor is een wijziging van het omgevingsplan benodigd. Aan de hand van onderhavige tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), wordt een wijzigingsbesluit verzocht bij het bevoegd gezag via de IMRO-standaard. Op een later moment kan het TAM-IMRO besluit in het geconsolideerde omgevingsplan worden opgenomen door een nieuw wijzigingsbesluit te nemen conform de Standaard officiële publicaties (STOP) met bijbehorende toepassingsprofielen (TPOD).

Het college van burgemeesters en wethouders van de gemeente Nederweert heeft te kennen gegeven principemedewerking te verlenen aan de realisatie van een vrijstaande woning met bijhorende bijgebouwen en verhardingen op deze locatie. Navolgend hierop is een wijzigingsbesluit opgesteld, onderhavige motivering vormt de motivering van het wijzigingsbesluit om de ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Besluitgebied

Het besluitgebied is gelegen aan de Beuldersweg in de kern van het centrum van Nederweert. Op navolgende figuur is de ligging van het besluitgebied aangeduid.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0001.png"

Besluitgebied in de omliggende omgeving

Het besluitgebied is gelegen in de kern van het centrum van Nederweert, in de omliggende omgeving is bestaande bebouwing aanwezig met voornamelijk de functie 'Wonen'.

Het besluitgebied is kadastraal bekend als gemeente Nederweert, Sectie A, perceelnummer 6928. De totale oppervlakte van het perceel is ongeveer 2.000 m2. Op navolgende afbeelding wordt het besluitgebied weergeven op een kadastrale kaart, aangeduid met een oranje kader. Niet het hele perceel wordt als besluitgebied gezien in deze beoogde ontwikkeling. Het gaat uitsluitend om het oranje afgekaderd oppervlak circa 500 m2.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0002.png"

Ligging besluitgebied

1.3 Omgevingsplan

Ter plaatse van het besluitgebied is het omgevingsplan van de gemeente Nederweert van toepassing. Dit omgevingsplan is per 1 januari 2024 van rechtswege geldend.

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn alle ruimtelijke plannen (bestemmingsplannen. wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, beheersverordeningen) in gemeente Nederweert van rechtswege omgezet naar één omgevingsplan. Deze ruimtelijke plannen maken onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Nederweert.

In het nieuwe deel van het omgevingsplan zijn nog geen regels voor onderhavige locatie opgenomen. Het besluitgebied is, op basis van het voormalige bestemmingsplan 'Centrum, Nederweert'. Hierin bestemd als 'Wonen' met gebiedsaanduiding 'Wro-zone-wijzigingsgebied 1' en dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie middelhoog'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0003.png"

Uitsnede besluitgebied (rood omlijnd) met geldende functies

De tot wonen bestemde gronden zijn weliswaar bestemd voor wonen, qua gebruik, maar door het ontbreken van een bouwvlak zijn er geen bouwmogelijkheden om ter plaatse een hoofdgebouw op te richten in de vorm van een vrijstaande woning. Het planvoornemen is daarmee op basis van het thans geldende ruimtelijke regime niet mogelijk. Om een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen te realiseren binnen het besluitgebied is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.

Op 8 juni 2021 is het paraplubestemmingsplan kernen, gemeente Nederweert vastgesteld. In de praktijk is bij de toetsing van aanvragen voor omgevingsverguningen aan het bestemmingsplannen en beheersverordeningen (als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Nederweert) gebleken dat in de vigerende plannen en beheersverordeningen voor het bebouwd gebied een vijftal onderwerpen niet geregeld zijn zoals deze (oorspronkelijk) bedoeld zijn. Hierdoor heeft de gemeente te weinig grip op deze onderwerpen. Het paraplubestemmingsplan heeft betrekking op de volgende onderwerpen:

  • wonen
  • parkeren
  • bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • bedrijven
  • afkoppeling hemelwater

De eerdergenoemde onderwerpen van de paraplubestemmingsplan zullen geen belemmeringen opleveren voor de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen op een 'open plek' ter plaatse van de locatie gelegen aan de Beuldersweg ong. (gelegen tussen huisnummer 2 en 12) te Nederweert.

1.4 Herziening (tijdelijk) omgevingsplan van rechtswege

Om de realisatie van een woning binnen het besluitgebied ruimtelijk mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. In deze motivering van het TAM-omgevingsplan wordt de wijziging van het omgevingsplan nader onderbouwd c.q. verantwoord en worden de mogelijkheden die het gewijzigde omgevingsplan biedt, afgewogen. De regels voor de nieuwe woonfunctie met bouwvlak en aanduiding bijgebouwen sluit aan bij de geldende regels (gebruik en bouwen) voor wonen binnen de kern Nederweert. De plankaart betreft de visuele weergave hiervan.

Deze wijziging van het omgevingplan is opgezet conform de eisen die de Omgevingswet en de gemeente Nederweert daaraan stellen. De regels zijn opgesteld conform de standaardregels SVBP2012 in combinatie met werkafspraken TAM-omgevingsplan, bijsluiter TAM-omgevingsplan en transpondertabel regels TAM-omgevingsplan . De verbeelding voldoet aan de meest actuele digitaliseringseisen conform IMRO2012.

1.5 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in Hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie op locatie omschreven. In Hoofdstuk 3 vindt de toetsing aan het geldende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid plaats. In Hoofdstuk 4 vindt de toetsing aan alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving plaats. In Hoofdstuk 5 en Hoofdstuk 6 wordt respectievelijk de juridische planbeschrijving en de uitvoerbaarheid van het voornemen gemotiveerd. In Hoofdstuk 7 wordt de te doorlopen procedure toegelicht.

Hoofdstuk 2 Plan

2.1 Huidige situatie

Het besluitgebied is gelegen in de kern van Nederweert aan de Beuldersweg tussen huisnummers 2 en 12. Het besluitgebied is gelegen in bestaand bebouwd gebied en wordt aangemerkt als woonomgeving. De woonomgeving wordt gekenmerkt door meerde woningtypologieën zoals vrijstaand, twee-onder-een kap en rijwoningen van twee bouwlagen met kap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0004.png"

Uitsnede bovenaanzicht besluitgebied

Het besluitgebied betreft een 'open plek' in bebouwd gebied. De Beuldersweg beschikt over een weg met twee rijrichtingen en aan beide zijde een voetpad.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0005.png"

Uitsnede bovenaanzicht besluitgebied

De achterzijde van het besluitgebied grenst aan de parkeerplaats van een winkelfunctie. Deze parkeerplaats wordt via een bestaande inrit aan de Beuldersweg ontsloten.

2.2 Nieuwe situatie

Het planvoornemen voorziet in de realisatie van één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen binnen het besluitgebied. De woning zal bestaan uit maximaal 2 bouwlagen al dan niet met een kap of plat afgedekt (maximale goothoogte 6 meter, maximale bouwhoogte 11 meter). De nieuwe woning zal gesitueerd worden in de bestaande voorgevelrooilijn langs de Beuldersweg. De afstand van de zijgevels van de woning tot de zijdelingsperceelsgrens zal minimaal 3 meter bedragen. Bijgebouwen mogen worden opgericht op 5 meter achter de voorgevel van de voorgevelrooilijn met een maximale woninginhoud van 1000m3.

In de woning (hoofdgebouw) zijn aan huisgebonden beroep of bedrijf, een internetwinkel, consumentverzorgende dienstverlening toegestaan tot maximaal 40 m2.

In het navolgende afbeelding is een stedenbouwkundige inpassing te zien. Hier is het bouwvlak ingetekend op het perceel 6928.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0006.png"

Stedenbouwkundige inpassing van het bouwvlak binnen het besluitgebied

2.2.1 Ontsluiting en parkeren

De vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen wordt ontsloten via de bestaande infrastructuur. Het besluitgebied beschikt over een verharde inrit, waarop kan worden aangesloten. Er kan ook worden gekozen om parkeergelegenheden te maken aan de voorzijde van de beoogde woning, zoals vergelijkbare woningen hebben in de Beuldersweg. Uitgangspunt is dat parkeren op eigen terrein wordt voorzien.

De bestaande inrit richting de achtergelegen parkeerplaats blijft onveranderd behouden. Er wordt met de beoogde ontwikkeling geen aanspraak gemaakt op de bestaande parkeergelegenheid aan de achterzijde van het perceel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0007.png"

Situering in-/opritconstructie bestaande situatie

2.2.2 Bezonning

Bij bezonning bij ruimtelijke plannen gaat het om voldoende zon op de gevel en om schaduwwerking. Nieuwbouw kan schaduw veroorzaken op de openbare ruimte of tuinen van omwonenden. Voorkomen moet worden dat de schaduw te veel toeneemt. Sommige functies hebben juist een goede bezonning nodig, zoals tuinen, terassen of speelplekken.

Beleid, wet- en regelgeving Er is geen wet- en regelgeving voor bezonning. De meeste gemeenten hanteren de TNO-norm. Andere gemeenten hebben eigen beleid. Bezonningsdiagrammen geven inzicht in de bezonning van de gevels en (extra) schaduw op de omgeving.

TNO-normTNO kent een 'lichte' en een 'strenge' norm:

De 'lichte' TNO-norm: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari – 21 oktober (gedurende 8 maanden ) in midden vensterbank binnenkant raam.

De 'strenge' TNO-norm: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari – 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.

Deze normen worden alleen toegepast op gevels die zon kunnen ontvangen. Noordgevels ontvangen immers - hoogbouw of niet - nooit direct zonlicht.

BezonningsdiagrammenBezonningsdiagrammen maken inzichtelijk of de bezonning van nieuwbouw op de gevel, tuin, terras, speelplek, et cetera. voldoende is. Ook geven deze diagrammen inzicht in toename van schaduw op de omgeving door de nieuwbouw.

Met een 3d-model wordt de bestaande situatie vergeleken met de toekomstige situatie. Hiervoor zijn er de volgende dagen van de 4 seizoenen maatgevend:

  • 22 december: de dag dat de zon het laagst staat;
  • 21 juni: de dag dat de zon het hoogst staat;
  • 21 maart: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd);
  • 23 september: de dag dat de zon op 'half' staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (wintertijd).

Hierna wordt per seizoen een bezonningsdiagram weergeven, het tijdstip wat aangenomen is in het diagram is het tijdstip wanneer de zon het meest- en verste schijnt richting de omliggende woningen. Het jaar van de bezonningsdiagrammen is ingesteld op 2025.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0008.png"

Uitsnede bezonningsdiagram met 4 seizoenen

In het bovenstaande figuur zijn 4 bezonningsdiagrammen weergeven. Hiervoor zijn de dagen die erbij staat van de 4 seizoenen maatgevend. In ieder geval is er uitgegaan van ander tijdstip, namelijk het tijdstip wanneer het planvoornemen mogelijk tot zonbelemmering kan zorgen (voor de omliggende woningen).

De zon zal in zeer beperkte maten een belemmering kunnen zijn voor de naastgelegen woningen aan de rechterkant (nummer 2) en linkerkant (nummer 12). In de zomer staat de zon hoog en zal daarom in deze periode het minste voor belemmering zorgen. Er zijn enkele momenten op een dag waar de schaduw de naastgelegen woningen zal raken. In het bovenstaande figuur zijn de 4 uiterste gevallen geconstateerd waar de woning voor zonbelemmering kan zorgen.

De nieuwe vrijstaande woning zal (voornamelijk aan het einde en begin van het jaar) voor de meeste zonbelemmering zorgen. Dit gaat over enkele uren op jaarbasis en hierom kan worden geconcludeerd dat dit planvoornemen aanvaardbaar wordt geacht door de beperkte mate waarin de omliggende woningen worden belemmerd.

Hoofdstuk 3 Beleid

3.1 Inleiding

Bij ieder plan vindt inkadering binnen het beleid van de overheid plaats. Door een toetsing aan Rijks-, provinciaal, en gemeentelijk beleid ontstaat een duidelijk beeld van de marges waarbinnen het omgevingsplan wordt opgezet. De beleidsinkadering dient een compleet beeld te geven van de ruimtelijke overwegingen en het relevante planologisch beleid.

Gemeenten zijn niet geheel vrij in het voeren van hun eigen beleid. Rijk en provincies geven met het door hen gevoerde en vastgelegde beleid de kaders aan waarbinnen gemeenten kunnen opereren. De belangrijkste kaders van Rijk en de provincie Limburg worden in het kort weergegeven, omdat deze zoals gezegd randvoorwaarden geven voor het lokale maatwerk in het omgevingsplan. Tevens komt de Ladder voor duurzame verstedelijking in dit hoofdstuk aan bod.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. Deze visie is door het Rijk opgesteld in het kader van de nieuwe Omgevingswet, die op 1 januari 2024 in werking treedt. Aan de hand van een toekomstperspectief is hierin de lange termijnvisie in beeld gebracht. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Hiervoor worden de volgende vier prioriteiten onderscheiden:

  • 1. Ruimte voor klimaat adaptatie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Om hierin weloverwogen keuzes te maken, Hanteert de NOVI de volgende afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaat voor enkelvoudige functies;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal;
  • Afwentelen wordt voorkomen.

Met de NOVI wordt gebouwd aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden, waarbij wordt gestreefd naar de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De wens is om daar naar toe te groeien en een goed bereikbaar netwerk van steden en regio’s te realiseren. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. Het kabinet heeft voor de korte termijn daarom een pakket aan maatregelen voorgesteld om de woningbouw een nieuwe, stevige impuls te geven. De locaties bevinden zich in het Stedelijk Netwerk Nederland. De ontwikkeling vindt plaats in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Grote open ruimten tussen de steden houden hun groene karakter. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd.

De opgave is daarbij om de veiligheid en gezondheid van onze leefomgeving zodanig te verbeteren dat in 2050 negatieve omgevingseffecten op onze gezondheid naar een verwaarloosbaar laag niveau zijn gebracht. Daarnaast streeft het kabinet ernaar om in 2030 te voldoen aan de huidige WHO-advieswaarden. Ook het tot een verwaarloosbaar niveau terugbrengen van omgevingsrisico's als gevolg van industriële activiteiten en transport (omgevingsveiligheid) is onderdeel van de opgave'.

Het planvoornemen wordt voorzien op een 'open plek tussen de bebouwing langs de Beuldersweg binnen het bebouwde gebied van de kern Nederweert. De realisatie van slechts één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen is dermate kleinschalig dat er vanuit de NOVI geen specifieke uitgangspunten zijn.

3.2.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)

De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur: het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving. In deze AMvB's staan regels voor het praktisch uitvoeren van de wet.

Omgevingsbesluit

Het Omgevingsbesluit richt zich tot alle partijen die in de fysieke leefomgeving actief zijn: burgers, bedrijven en de overheid. Het Omgevingsbesluit regelt in aanvulling op de wet onder meer welk bestuursorgaan het bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen en welke procedures gelden. Ook regelt dit besluit wat de betrokkenheid is van andere bestuursorganen bij de besluitvorming en een aantal op zichzelf staande onderwerpen, zoals de milieueffectrapportage en financiële bepalingen.

Besluit activiteiten leefomgeving

Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat, samen met het Besluit bouwwerken leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers, bedrijven en overheden zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Ook bepaalt het besluit voor welke van deze activiteiten een omgevingsvergunning nodig is. Dit besluit bevat regels om het milieu, waterstaatwerken, wegen en spoorwegen, zwemmers en cultureel erfgoed te beschermen. De regels ter bescherming van het spoor en de zwemmers worden met het Invoeringsbesluit Omgevingswet ingevoegd.

Besluit bouwwerken leefomgeving

Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) bevat, samen met het Besluit activiteiten leefomgeving, de algemene regels waaraan burgers en bedrijven zich moeten houden als ze bepaalde activiteiten uitvoeren in de fysieke leefomgeving. Dit besluit bevat regels over veiligheid, gezondheid, duurzaamheid en bruikbaarheid bij het (ver)bouwen van een bouwwerk, de staat van het bouwwerk, het gebruik van het bouwwerk en het uitvoeren van bouw- en sloopwerkzaamheden.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat regels ter bescherming van de nationale belangen aan de hand van instructieregels, waaronder :

  • 1. waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • 2. beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • 3. beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • 4. beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • 5. het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • 6. het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;

In Hoofdstuk 4 van dit TAM-omgevingsplan worden de aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Voor zover de instructieregels relevant zijn voor de voorliggende ontwikkeling, worden deze regels in Hoofdstuk 4 bij het betreffende aspect behandeld.

3.2.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor plannen die worden aangemerkt als nieuwe stedelijke ontwikkeling. Op grond van Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft de Ladder voor duurzame verstedelijking betrekking op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is. Hierbij wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling en, indien de ontwikkeling buiten het stedelijk gebied is voorzien, de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in die behoefte te kunnen voorzien.

De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. Deze instructieregel geldt ook voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (BOPA). Dit regelt artikel 8.0b Bkl. Deze instructieregel geldt niet voor de omgevingsvisie. Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan voor een stedelijke ontwikkeling. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921). Bij woningbouw is vanaf 12 woningen (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953) sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Het planvoornemen voorziet in het toevoegen van slechts één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen op perceel 6928. Met voorliggend plan vindt er tevens geen functiewijziging op locatie plaats (wonen blijft wonen), maar het betreft enkel het toevoegen van een bouwvlak. Gezien de kleinschaligheid van het planvoornemen is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling omdat dit pas geldt vanaf 12 woningen. Hiermee vormt de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering voor het planvoornemen.

3.2.4 Algehele conclusie rijksbeleid

Op basis van voorgaande paragrafen kan geconcludeerd worden dat er vanuit het rijksbeleid geen belemmeringen zijn met betrekking tot het planvoornemen in de vorm van de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Provinciale Omgevingsvisie Limburg (POVI)

In oktober 2021 hebben de Provinciale Staten de 'Omgevingsvisie Limburg' vastgesteld. Hierin is een lange termijnvisie beschreven, waarin wordt vooruit geblikt richting 2030-2050. De Provincie geeft hierin aan hoe toekomstbestendige ontwikkelingen gaan plaatsvinden en hoe daarbij steeds het balans wordt gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving.

De Omgevingsvisie gaat uit van het zoeken naar de balans tussen het beschermen én benutten van de fysieke leefomgeving waarin wordt geleefd, gewoond, gewerkt, geleerd en waar vrije tijd wordt besteed. Limburg kiest voor maatwerk en houdt rekening moet het karakter en mogelijkheden van een gebied en de afweging van belangen op lokale schaal. Limburg stelt een drietal hoofdopgaven:

  • 1. Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;
  • 2. Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouwtransitie;
  • 3. Klimaatadaptie en energietransitie.

De drie hoofdopgaven worden ten alle tijden ondersteund door de Limburgse principes:

  • Streven naar een inclusieve, gezonde en veilige samenleving;
  • De kenmerken en identiteit van gebieden staan centraal;
  • Meer stad, meer land;
  • Zorgvuldig omgaan met ruimte en voorraden; boven- én ondergronds;
  • Procesmatige uitgangspunten.

De leefbaarheid en vitaliteit van de kernen in het landelijk gebied is dus belangrijk. Een aantal kernen vervult op sommige terreinen een regionale verzorgende functie met onderwijs, zorg, cultuur, winkels en werklocaties. De zorg voor een goede kwaliteit van de leefomgeving en een goede bereikbaarheid zijn hierbij belangrijke uitgangspunten.

Limburgse steden en dorpen moeten ook in de toekomst een aantrekkelijke en leefbare thuisbasis voor de inwoners zijn. De Limburgse steden en dorpen krijgen de komende decennia dan ook te maken met grote gecompliceerde vraagstukken en transities. Bij veel vraagstukken in het bebouwd gebied geldt dat de overheid, maatschappelijke organisaties en het bedrijfsleven samen oplossingen moeten vinden. Een belangrijke rol ligt hiervoor bij de gemeenten. Een toenemend aantal vraagstukken overstijgt echter het lokale niveau en vraagt om gezamenlijk optrekken van gemeenten in regionaal verband.

Compacte steden en dorpen blijven het uitgangspunt. Nieuwe stedelijke ontwikkelingen moeten zoveel mogelijk een plek krijgen binnen het bebouwde gebied. Dit om de diversiteit tussen stad/dorp en land, tussen dynamisch en rustig wonen, werken en recreëren als kwaliteit van de leefomgeving te kunnen behouden. Daarbij is aandacht voor compacte binnensteden/dorpen, het behouden van basisvoorzieningen en leefbaarheid.

Ten aanzien van het thema wonen is aangegeven dat een woningaanbod/ planvoorraad gewenst is waarbij vraag en aanbod in evenwicht zijn, zowel in kwalitatief als kwantitatief opzicht. Derhalve voldoende woningen van de juiste woningen op de juiste plek, waarbij alle woningbouwontwikkelingen worden beschouwd als een provinciaal belang.

3.3.2 Omgevingsverordening Limburg

De omgevingsvisie, zoals beschreven in voorgaande paragraaf, vormt het beleidskader voor het provinciaal ruimtelijk beleid. Het juridische kader voor dit beleid is vastgelegd in de omgevingsverordening Limburg (laatst gewijzigd 03-02-2025). De verordening vormt derhalve een belangrijk uitvoeringsinstrument voor de provincie om haar doelen te realiseren. In de subparagrafen hieronder worden de artikelen die van toepassing zijn op het besluitgebied toegelicht.

3.3.2.1 Wonen (artikel 12.1)

De motivering bij een omgevingsplan dat betrekking heeft op de realisatie van een of meerdere woningen beschrijft dat:

  • a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;
  • b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
  • c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
  • d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5;
  • e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

Het planvoornemen bestaat uit de realisatie van slechts één vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen. Deze woning is nog niet opgenomen in de Plancapaciteitsmonitor Limburg, maar is de woning (particuliere koop) wel opgenomen in de planvoorraadlijst d.d. 1-1-2022 van de gemeente Nederweert. Daarmee maakt de woning (in feiten) reeds onderdeel uit van de beoogde woningbouwprogrammering c.q. beoogde woningvoorraad en wordt de woning met dit TAM-omgevingsplan dan ook ruimtelijk mogelijk gemaakt.

Het voornemen is om een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen binnen 5 jaar te realiseren. Mocht er binnen 5 jaar na het onherroepelijk worden van het TAM-omgevingsplan geen gebruik worden gemaakt van de bouwmogelijkheid dan wordt er middels een herziening van het omgevingsplan het bouwvak middels een omgevingsplanwijziging geschrapt. Hiermee wordt dan tegelijkertijd voldaan aan artikel 12.1 van de provinciale omgevingsverordening (instructieregels).

Artikel 12.12 Instructieregel na-ijlende effecten steenkoolwinning

Deze instructieregel vraagt gemeenten om in de toelichting op een ruimtelijk plan te beschrijven op welke wijze rekening is gehouden met na-ijlende effecten van de voormalige steenkolenwinning. Dit is echter alleen aan de orde in Zuid-Limburg en niet in Midden-Limburg.

Afdeling 16.1 en 16.2 beschermingsgebied Einstein Telescope

In de verordening is voorzien in een beschermingsgebied ten behoeve van de beoogde realisatie van de zogenoemde Einstein Telescope, om zodoende de vestigingsmogelijkheden voor die telescoop waar mogelijk te verbeteren door interferentie activiteiten zoveel mogelijk te voorkomen. Onderhavig besluitgebied ligt echter buiten het aangegeven beschermingsgebied.

Paragraaf 3.2.3 Klimaatadaptatie

Voorts is in de verordening opgenomen dat een plan dat voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling voorziet in een beschrijving van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering en een beschrijving van de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering (wateroverlast, overstroming en droogte) te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

Hierin wordt voorzien door een duurzame woning te realiseren (gasloos, zonnepanelen) en de bebouwing en verhardingen volledig af te koppelen en het hemelwater binnen het besluitgebied te infiltreren.

Artikel Aanwijzing beschermingsgebieden Roerdalslenk

Daarnaast is het besluitgebied nog gelegen binnen de boringsvrije zone Roerdalslenk III. Dit betekent dat initiatieven tot het maken van een boorput, het aanleggen van een bodemenergiesysteem of het roeren van grond in de Roerdalslenk diept dan 80 meter in zone III tot aan de bovenste Brunssumklein niet zonder melding is toegestaan. Dergelijke bodemactiviteiten zijn echter niet aan de orde als gevolg van dit planvoornemen.

Het planvoornemen is dan ook passend binnen het provinciale beleid (visie en verordening).

3.3.3 Algehele conclusie provinciaal beleid

Op basis van voorgaande paragrafen kan geconcludeerd worden dat er vanuit het provinciaal beleid geen belemmeringen zijn met betrekking tot het planvoornemen in de vorm van de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen.

3.4 Regionaal beleid

3.4.1 Structuurvisie Wonen Midden-Limburg 2022-2025

In de Structuurvisie Wonen 2022-2025 wordt ruimte gemaakt om te bouwen voor de juiste woning, op de juiste plek, op het juiste moment. Daarnaast is er aandacht voor transformatie/herstructurering. Op deze wijze willen de gemeenten de leefbaarheid op peil houden en een thuis bieden voor (toekomstige) inwoners. De nadruk ligt in het nieuwe beleid dan ook op het realiseren van woningaanbod die kwalitatief aansluit op de behoeften met daarnaast voldoende ruimte om flexibel in te spelen op actuele ontwikkelingen. Daarnaast bestaat er een nadrukkelijke bestuurlijke wens om ambitieuzer te bouwen dan uitsluitend voor de lokale/regionale behoefte. De ambitie is om een gedeelte van de overloop van Zuid-Oost Brabant op te vangen. De provincie stuurt in de Limburgse Agenda Wonen sinds medio 2020 op een versnelde realisatie van kwalitatieve plannen die voorzien in woningen voor met name senioren, starters, 1- en 2-persoonshuishoudens en bijzondere doelgroepen. Deze doelgroepen sluiten voor Midden-Limburg aan bij de uitkomsten van het regionale woningmarktonderzoek.

In de structuurvisie is aangegeven dat het aantal in kwalitatieve zin, wat ook blijkt uit het onderzoek, vooral ingezet moet worden op de realisatie van seniorenwoningen (huur en koop; grondgebonden en appartementen met lift, nultrede en levensloopbestendig), 1- en 2-persoonswoningen (grondgebonden en appartementen; huur en koop) en reguliere huurwoningen (grondgebonden en appartementen; sociale en middenhuur). Daarnaast geeft de structuurvisie aan dat de leefbaarheid in de kernen en wijken erg belangrijk is. De transformatie van (leegstaand) vastgoed kan hierbij kansen bieden maar is niet overal vanzelfsprekend. Het biedt gemeenten de mogelijkheid om gericht te sturen op huisvesting voor doelgroepen of een andere gewenste invulling. In algemene zin heeft leegstand een negatief effect op de leefbaarheid. Herstructurering geeft gemeenten daarnaast locatie specifieke mogelijkheden voor verdunning in de kernen ter bevordering van de leefomgeving en klimaatadaptatie.

De locatie van het planvoornemen is reeds opgenomen in de planvoorraadlijst van Nederweert per 1 januari 2022 (Beuldersweg tussen nummer 2 en 12). Daarmee maakt de woning (in feiten) reeds onderdeel uit van de beoogde woningbouwprogrammering c.q. beoogde woningvoorraad en wordt de woning met dit TAM-omgevingsplan dan ook planologisch- en juridisch mogelijk gemaakt.

3.5 Gemeentelijk beleid

3.5.1 Omgevingsvisie Kernen en Bedrijven

De Omgevingsvisie Kernen en Bedrijventerreinen is d.d. 12 december 2023 vastgesteld Het doel van de omgevingsvisie is zorgen dat het in de kernen, op de bedrijventerreinen én in het buitengebied van gemeente Nederweert goed wonen, werken en recreëren blijft.

Voor wonen geldt op basis van de Omgevingsvisie Kernen en Bedrijventerreinen o.a. het volgende standpunt:

  • In lijn met het Provinciaal beleid en de Structuurvisie wonen, worden nieuwe woningen bij voorkeur gebouwd in bestaande leegstaande of vrijkomende panden (transformatie) of op plekken binnen de kernen die door sloop beschikbaar komen of nu onbebouwd zijn (zogenoemde inbreidingslocaties).
  • Zelfbouw wordt gefaciliteerd. De gemeente wil meer ruimte geven aan particulieren om zelf extra woningen te creëren. Hier wordt rekening mee gehouden in de programmering. Hierdoor ontstaat ruimte voor zelfbouw op eigen percelen (via kavelsplitsing).

Voor de kern Nederweert geldt tevens dat nieuwe bebouwing tussen de bestaande bebouwing aan de Beuldersweg moet aansluiten op de huidige bebouwing om verrommeling te voorkomen. Zoals in paragraaf 2.2 is toegelicht zal de nieuwe woning gesitueerd worden in de bestaande voorgevelrooilijn naast Beuldersweg 2 en 12. Hiermee wordt invulling gegeven aan de eis dat nieuwe bebouwing in het lint van het bestaande straatbeeld aansluit.

Met voorliggend plan wordt een nieuwe woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen gerealiseerd op een inbreidingslocatie in de kern van Nederweert. Dit sluit tevens aan bij de visie voor woningbouw welke gehanteerd wordt in het beleidsdocument. Het planvoornemen sluit aan bij de uitgangspunten van de omgevingsvisie

Hoofdstuk 4 Aspecten van de fysieke leefomgeving

4.1 Inleiding

Aspecten ten aanzien van de fysieke leefomgeving wordt steeds meer geïncorporeerd in andere beleidsvelden. Verbreding van deze aspecten naar andere beleidsterreinen is dan ook een belangrijk uitgangspunt. Ook in de ruimtelijke planvorming is structureel aandacht voor de fysieke leefomgeving en een goed c.q. gezond woon- en leefklimaat nodig. De aspecten ten aanzien van de fysieke leefomgeving worden daartoe integraal en vanaf een zo vroeg mogelijk stadium in het planvormingsproces meegewogen. Een duurzame ontwikkeling van de gemeente is een belangrijk beleidsuitgangspunt dat zijn doorwerking heeft in meerdere beleidsterreinen. Deze zullen hieronder worden behandeld.

4.2 Bedrijven- en milieuzonering

Zowel in het kader van een goede ruimtelijke ordening als vanuit milieuwet- en regelgeving wordt gestreefd naar het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten, met als doel het handhaven en waar mogelijk bevorderen van een goede kwaliteit van het leefmilieu. Dit gebeurt onder andere door het fysiek scheiden van milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) door het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding daartussen. Deze ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand, hetgeen ook wel wordt aangeduid als milieuzonering in de vorm van een richtafstand. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast.

Milieuzonering heeft twee doelen:

  • 1. Het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies;
  • 2. Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt in de praktijk gebruik gemaakt van VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' (verder: VNG-uitgave). De VNG-uitgave geeft op systematische wijze informatie over de ruimtelijk relevante milieuaspecten van een scala aan bedrijfsactiviteiten. Deze uitgave bevat een lijst waarin voor veelvoorkomende milieubelastende activiteiten indicatieve richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies, uitgaande van een gemiddeld modern bedrijf. De handreiking is oorspronkelijk bedoeld als hulpmiddel bij de ruimtelijke planvorming. Uit de rechtspraak van de Afdeling vloeit voort dat de handreiking als hulpmiddel is erkend. Afwijken van de richtafstanden is mogelijk, mits wordt onderbouwd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

De indicatieve richtafstanden uit de VNG-brochure gaan uit van de afstand die dient te worden gehouden van het gebiedstype 'rustige woonwijk'. Indien sprake is van een 'gemengd gebied' mogen de richtafstanden met één afstandsstap worden verkleind (uitzondering is de richtafstand voor gevaar). Een gemengd gebied is een gebied met matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied.

In onderhavige afweging is gebruik gemaakt van de handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' in combinatie met de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'.

4.2.1 Toetsing

Het besluitgebied is in de huidige situatie conform het bestemmingsplan 'Centrum, Nederweert', als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan gemeente Nederweert, voorzien van een woonfunctie. Met voorliggend TAM-Omgevingsplan wordt invulling gegeven aan deze woonfunctie door een bouwvlak toe te voegen.

In de directe omgeving van het besluitgebied zijn overwegend woonfuncties aanwezig. Aan de achterzijde van het besluitgebied is een gemengde functie aanwezig, waarbinnen bedrijfsactiviteiten van maximaal milieucategorie 2 zijn toegestaan. Door de aanwezigheid van een gemengde functie én de ligging aan gebiedsontsluitingsweg Beuldersweg, is er sprake van een gemengd woongebied. Aangezien er sprake is van een gemengd woongebied, transponeert de bijbehorende maximale richtafstand van 10 meter met de zonering 'FM'(functiemenging). De oude systematiek ging uit van richtafstanden, de nieuwe systematiek gaat uit van gebruiksruimte voor activiteiten. Voor het aspect geluid geldt de basiswaarde 50 dB(A) over de eerste 50 meter tot de grens van het woongebied. Voor geur geldt de basiswaarde (0,5 ouE 98-p en 2 ouE als 9,99-p) over de eerste 50 meter tot de grens van het woongebied. Onder de oude systematiek wordt op een afstand van 10 meter rekening gehouden met een geluidsbelasting van 50 dB(A) en op 30 meter een geluidsbelasting van 45 dB(A). Onder de nieuwe systematiek wordt afgewogen of de gebruiksruimte passend is voor bedrijven die naar aard en omvang voldoende hebben. Voor onderhavige ontwikkeling wordt de afweging gemaakt dat, aangezien voldaan wordt aan de richtafstand van 10 meter ten opzichte van omliggende bedrijfsactiviteiten, geconcludeerd kan worden dat op 50 dB(A) op 10 meter van bedrijfsactiviteiten voldaan kan worden. Omliggende bedrijfsactiviteiten vormen geen belemmering voor de realisatie van de woning.

De beoogde vrijstaande woning betreft geen hinder veroorzakende functie. Omgekeerd vormt de toevoeging van de woning geen belemmering voor omliggende bedrijfsactiviteiten.

4.2.2 Conclusie bedrijven- en milieuzonering

Gelet op de bovenstaande toetsing vormt het aspect bedrijven- en milieuzonering geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.3 Geluid

4.3.1 Wettelijk kader

Als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels over geluid uit het Activiteitenbesluit milieubeheer komen te vervallen. Deze regels zijn tijdelijk verhuisd naar het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente ('de bruidsschat'). De bruidsschat en voorliggende wijziging van het omgevingsplan vormen (na vaststelling) samen de regels van het omgevingsplan.

Gemeenten zijn aan zet om gedurende de transitieperiode (tot 1 januari 2032) eigen regels over geluid op te nemen in het omgevingsplan, mits daarbij wordt voldaan aan de bepalingen uit het Bkl. Zolang een gemeente nog geen eigen regels heeft, zijn regels voor geluid opgenomen in afdeling 22.3 en 22.4 van het omgevingsplan. Voor niet-lokale infrastructuur stelt het Rijk of de provincie regels in een projectbesluit.

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelige gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. De instructieregels hierover in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) heeft het Rijk gesteld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Beoordeeld dient te worden of sprake is van het realiseren van een geluidgevoelig gebouw (3.21 Bkl) of geluidgevoelige ruimte (3.22 Bkl). Indien hiervan sprake is, dient tevens te worden beoordeeld of sprake is van de ligging in een geluidaandachtsgebied (3.20 Bkl). Wanneer nieuwe activiteiten worden toegelaten in het omgevingsplan, zijn instructieregels voor bedrijfsmatige activiteiten van toepassing (5.59 Bkl).

In Artikel 17.5 van de Omgevingsregeling is een overgangsrecht geregeld voor het bepalen van de geluidaandachtsgebieden van gemeentewegen, lokale spoorwegen en waterschapswegen.

Gezien de ligging aan de Beuldersweg, (snelheid 30 km/uur), ligt het besluitgebied in het aandachtsgebied en is een akoestisch onderzoek onder de nieuwe omgevingswet noodzakelijk. In de volgende paragraaf worden de resultaten van het akoestisch onderzoek beschreven. Het akoestisch onderzoek is toegevoegd als Bijlage 1.

4.3.2 Toetsing

Met het planvoornemen wordt een geluidsgevoelig object gerealiseerd. De geluidsbelasting ten gevolge van het wegverkeer op de gemeentelijke wegen overschrijdt de standaardwaarde van 53 dB op geen enkele gevel van het gebouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0009.png" Resultaten op gevels t.g.v. gemeente wegen

Uit het bovenstaande tabel blijkt dat de standaardwaarde niet wordt overschreden bij het geluidgevoelige object. Om deze reden hoeft de gecumuleerde geluidbelasting en de gezamenlijke geluidbelasting niet bepaald te worden. Het gezamenlijke geluid is in onderhavige situatie gelijk aan de geluidbelasting zoals weergegeven in het bovenstaande tabel.

De maximaal benodigde geluidwering van de gevel (GA;k), volgens het Besluit bouwwerken leefomgeving het gezamenlijk geluid minus 33 dB met een minimum van 20 dB, bedraagt in de onderzochte situatie 20 dB. Daarom is ter waarborging van een binnenniveau van 33 dB een aanvullend onderzoek ter bepaling van de geluidwering van de gevels niet nodig.

4.3.3 Conclusie geluid

Gelet op de bovenstaande toetsing vormt het aspect geluid geen belemmering voor het planvoornemen en is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.4 Geur

4.4.1 Wettelijk kader

Geur kan hinder veroorzaken en de gezondheid schaden, echter ook geur veroorzakende activiteiten (bedrijven) hebben een plek in de leefomgeving nodig. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van de Omgevingswet is een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving (artikel 1.3 Ow: 'zorg voor de fysieke leefomgeving').

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn in hoofdstuk 3 regels gesteld over milieubelastende activiteiten, waarbij deze activiteiten per bedrijfstak zijn gegroepeerd. Deze regels zijn gesteld ter voorkoming of beperking van onder andere geurhinder. Vervolgens zijn in hoofdstuk 4 van het Bal inhoudelijke regels gesteld aan milieubelastende activiteiten.

In paragraaf 5.1.4.6 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen ten aanzien van het aspect geur. In artikel 5.92, tweede lid Bkl, is voorgeschreven dat de geur door een activiteit op een geurgevoelig gebouw 'aanvaardbaar' moet zijn. Daarbij dient tevens rekening te worden gehouden met cumulatie. Gemeenten hebben de mogelijkheid om in hun omgevingsplan eigen geurregels te formuleren. Weliswaar dienen de instructieregels uit het Bkl (artikel 5.90 tot en met 5.127 Bkl) wel te worden gevolgd.

In het omgevingsplan wordt onderscheid gemaakt tussen de waarden voor geur die van toepassing zijn binnen en buiten de bebouwingscontour. Deze contour wordt op termijn geometrisch begrensd in het omgevingsplan.

4.4.2 Verordening geurhinder en veehouderij Nederweert 2017

Een gemeente kan in het omgevingsplan (voorheen de geurverordening) binnen bepaalde bandbreedtes afwijken van de wettelijke geurnormen en vaste afstanden. In de gemeente Nederweert is de "Verordening geurhinder en veehouderij 2017" van kracht. In de geurverordening wordt afgeweken van de geurnormen en vaste afstanden zoals vastgesteld in de Wet geurhinder en veehouderij. Deze geurverordening is met de inwerkintreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 onderdeel geworden van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

Er zijn zeven invloedsgebieden met afwijkende geurnormen vastgesteld:

  • 1. Kernen Nederweert, Ospel en Nederweert-Eind: 1,5 OU
  • 2. Plangebieden voor woningbouw Lieverse Velden en Tiskeswej en bedrijventerrein Pannenweg: 3,0 OU
  • 3. Plangebied voor woningbouw Ospel: 6,0 OU
  • 4. Plangebieden voor woningbouw Merenveld, Hoebenakker, Hoebenakker fase 4 en 5, Nooitgedacht en Anselberg: 8,0 OU
  • 5. Bedrijfsterreinen Ketelaarsweg en Aan Veertien: 10,0 OU
  • 6. Zone 1.500 meter om Nederweert en Ospel: 9,0 OU
  • 7. Overige buitengebied: 10,0 OU

Het besluitgebied ligt in invloedsgebied A (kern Nederweert) met geurnorm 1,5 OU.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0010.png"

 Uitsnede verordening geurhinder en veehouderij Nederweert 2017

4.4.3 Toetsing

Het besluitgebied is gelegen in de kern van Nederweert. In de directe omgeving zijn geen bedrijven aanwezig die voor geurhinder kunnen zorgen. Hiermee kan worden uitgesloten dat de directe omgeving het planvoornemen kan belemmeren.

4.4.4 Conclusie geur

Gelet op de bovenstaande toetsing vormt het aspect geur geen belemmering voor het planvoornemen en is er geen sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.5 Gezondheid

4.5.1 Endotoxinen
4.5.1.1 Wettelijk kader

Intensieve veehouderijen dragen bij aan de emissies van fijnstof (PM10) in Nederland. Dit geëmitteerde fijnstof bestaat uit een aantal stoffen, waarvan endotoxinen onderdeel uit (kunnen) maken. Er zijn onderzoeksrapporten gepubliceerd waarin wordt aangetoond dat omwonenden rond veehouderijen gezondheidsrisico's lopen door de blootstelling aan emissies uit veehouderijen. De ontwikkeling van een landelijk toetsingskader voor endotoxine door het Rijk, op advies van de Gezondheidsraad, is nog niet afgerond. Vooruitlopend daarop is door het Ondersteuningsteam Veehouderij en Volksgezondheid van het Bestuurlijk Platform Omgevingsrecht de 'Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingskader 1.0' opgesteld. In april 2018 is tevens de 'Handreiking veehouderij en volksgezondheid 2.0 uitgebracht. Hierbij wordt een advieswaarde van 30 EU/m³ aangehouden als advieswaarde voor de maximale blootstelling aan endotoxine. Bij deze advieswaarde kan ervan uitgegaan worden dat de gezondheid van omwonenden van veehouderijen wordt beschermd tegen een overmaat aan endotoxine. Het uitgangspunt in de ruimtelijke ordening is dat sprake moet zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en derhalve de advieswaarde van 30 EU/m³ niet wordt overschreden.

4.5.1.2 Toetsing

Het besluitgebied ligt op ruime afstand van de vergunde individuele en (indicatieve) cumulatieve endotoxine-risicocontouren van omliggende veehouderijen. Ter plaatse van het besluitgebied is geen sprake van gezondheidsrisico's ten gevolge van endotoxinen. Het omgevingsplan heeft geen omgekeerde werking en er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect endotoxine vormt geen belemmering voor de beoogde woningbouwontwikkeling.

4.5.1.3 Conclusie

Ten aanzien van endotoxine geldt dat deze geen belemmering vormen voor de beoogde ontwikkeling.

4.5.2 Hoogspanningsverbindingen
4.5.2.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de afweging in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet in een omgevingsplan ook rekening worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Omgevingswet). Het belang van gezondheidsbescherming speelt dus een belangrijke rol bij een wijzigingsbesluit en moet zorgvuldig worden afgewogen tegen andere onderdelen en aspecten van de fysieke leefomgeving en de rechtstreeks daarbij betrokken belangen.

Hoogspanningsverbindingen kunnen van negatieve invloed zijn op de gezondheid van de omgeving, maar dragen tegelijkertijd ook bij aan de Nederlandse infrastructuur en zijn van essentieel belang voor het functioneren van het energienetwerk. Hoogspanningsverbindingen leveren dus zowel een positieve als negatieve bijdrage aan de fysieke leefomgeving.

Een negatieve invloed op de gezondheid van de omgeving, kan worden veroorzaakt door magneetvelden en geluid van de hoogspanningsverbindingen. Voor het eerste gezondheidsaspect 'magneetvelden' geldt op basis van advies van het Rijk dat zoveel als redelijkerwijs mogelijk is vermeden dient te worden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen (tot 15 jaar) langdurig verblijven in een gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen, waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla. Ten aanzien van het gezondheidsaspect 'geluid' geldt dat rekening moet worden gehouden met geluid in de vorm van windfluiten en knetterend geluid door elektrische ontladingen (coronageluid) veroorzaakt door hoogspanningsverbindingen.

Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan is in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties rekening gehouden met de gezondheidsaspecten (magneetveld en geluid) die hoogspanningsverbindingen kunnen veroorzaken. De toepassing van deze gezondheidsaspecten op onderhavige wijziging van het omgevingsplan is hierna beschreven.

4.5.2.2 Toepassing

Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt voorzien in een functie ten behoeve van een bouwvlak. De meest dichtbijgelegen hoogspanningsverbinding bevindt zich op een afstand van circa 4,4 km tot spanning 150kV (blauw) en circa 1,9 km tot spanning 380kV (rood) tot aan het besluitgebied. Op navolgende kaart wordt de meest dichtbijgelegen hoogspanningsverbinding tot het besluitgebied afgebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0011.png"

Uitsnede kaart hoogspanningslijnen t.o.v. het besluitgebied (atlas leefomgeving)

Magneetvelden  Onderzoek in de nabijheid van hoogspanningsverbindingen wijst erop dat magnetische velden in de buurt van bovengrondse hoogspanningslijnen en ondergrondse hoogspanningskabels mogelijk kunnen leiden tot een verhoogd risico op leukemie bij kinderen.

Om uit te sluiten dat de hoogspanningslijnen het planvoornemen kunnen belemmeren is bekeken of de hoogspanningslijnen in het bovenstaande figuur op genoeg afstand liggen van het besluitgebied. De notatie '2x80 meter' is de rekenafstand waarbinnen wordt geadviseerd om te rekenen, dit betekent dat deze afstand zich aan weerzijden van de hoogspanningslijn tot 80 meter uitstrekt, gerekend over de grond vanuit het hart van de hoogspanningslijn. De dichtbijzijnde hoogspanningslijnen t.o.v. liggen op 1,9 en 4,4 km.

GeluidDe bovengrondse delen van de verbinden kunnen geluidseffecten veroorzaken. Er kan sprake zijn van windfluiten en met name bij vochtige weersomstandigheden kan een knetterend geluid optreden door elektrische ontladingen, ook wel coronageluid genoemd.

Het planvoornemen ligt op 1,9 km tot de minimale afstand van de hoogspanningslijnen, veel woningen liggen dichterbij dan het planvoornemen en de minimale afstand om een nieuwbouwwoning te realiseren t.o.v. een hoogspanningslijn is 80 meter volgens de richtlijnen van het RIVM. Doordat het planvoornemen op een aanzienlijk grotere afstand ligt dan de richtlijnen die het RIVM stelt, wordt niet geacht dat geluidseffecten hoorbaar zijn op de locatie van het planvoornemen.

4.5.2.3 Conclusie

Gelet op de bovenstaande toetsing vormen hoogspanningslijnen geen belemmering voor het planvoornemen.

4.5.3 Geitenhouderijen
4.5.3.1 Wettelijk kader

Uit onderzoek blijkt dat mensen die wonen in de nabijheid van een geitenhouderij, meer kans hebben op een longontsteking. Totdat er meer duidelijkheid is over de oorzaak van de longontsteking en een integrale aanpak voor handen is, adviseert de GGD het voorzorgsbeginsel toe te passen en terughoudend te zijn met uitbreiding of nieuwvestiging van geitenhouderijen in de buurt van gevoelige functies. Andersom geldt ook dat geadviseerd wordt om terughoudend te zijn met het plaatsen van gevoelige bestemmingen in de buurt van bestaande geitenhouderijen. Dat betekent dat gemeenten wordt geadviseerd om in hun besluitvorming de risico's op longontsteking mee te wegen. Op basis van onderzoeksresultaten is het risico op longontsteking groter naarmate de afstand tot een geitenbedrijf kleiner is. De GGD-richtlijn hanteert daarom een richtafstand van 2 kilometer tussen geitenhouderijen en gevoelige functies.

4.5.3.2 Toetsing

In het buitengebied van de gemeente Nederweert bevindt zich een drietal geitenhouderijen. Het gaat om de bedrijven gevestigd op de percelen Houtsberg 11 te Nederweert-Eind (circa 5 km tot besluitgebied, Roeven 21 te Nederweert (circa 2,2 km tot besluitgebied en Bergenweg 3c te Leveroy (circa 8 km tot besluitgebied).

De dichtbijzijnde geitenhouderij bevindt zich op een afstand van circa 2,2 km tot het besluitgebied. Hiermee kan worden uitgesloten dat er een geitenhouderij binnen 2 km ligt, het voornemen voldoet hiermee aan de GGD-richtlijnen.

4.5.3.3 Conclusie

Gelet op bovenstaande vormen geitenhouderijen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5.4 Gewasbeschermingsmiddelen
4.5.4.1 Wettelijk kader

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bij het mogelijk maken van een nieuwe gevoelige functie in de nabijheid van agrarische functies aandacht gevraagd voor spuitzones in verband met het risico's voor de volksgezondheid vanwege eventuele blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen via drift. Met de term drift wordt de hoeveelheid gewasbeschermingsmiddel bedoeld die bij het spuiten buiten het agrarisch perceel op de grond terecht kan komen en/of op hoogte door de lucht passeert. Vooral bij middelen met een hoge toxiciteit en/of voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen, kan drift risico's voor de gezondheid inhouden.

4.5.4.2 Toetsing

Het besluitgebied ligt in de kern van Nederweert. In een straal van 500 meter zijn geen agrarische percelen en/of bedrijven aanwezig. Hiermee kan worden uitgesloten dat er een gevoelige functie (vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen) wordt toegevoegd in de nabijheid van agrarische functies. Het risico op drift risico's voor kwetsbare groepen, zoals jonge kinderen of ouderen kan worden uitgesloten.

4.5.4.3 Conclusie

Gelet op bovenstaande vormen gewasbeschermingsmiddelen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5.5 Positieve gezondheid
4.5.5.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met het belang van het bevorderen van de gezondheid. Gezondheidsbevordering wordt veelal geassocieerd met het verminderen van de druk van de leefomgeving op de gezondheid, bijvoorbeeld door geluid en luchtverontreiniging te beperken.

Bij positieve gezondheid staat een brede kijk op gezondheid centraal: een fysieke leefomgeving die uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten, wordt als een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten beschouwd.

Een concreet wettelijk kader waarin wordt geduid waaraan een leefomgeving met positieve gezondheidseffecten minimaal aan dient te voldoen ontbreekt. Wel wordt gestimuleerd om de leefomgeving zo in te richten dat positieve gezondheidseffecten worden bevorderd.

De GGD GHOR Nederland heeft in samenwerking met het RIVM-kernwaarden opgesteld die de basis vormen voor de uitwerking en borging van het thema positieve gezondheid in het omgevingsplan. De kernwaarden zijn onderverdeeld in drie categorieën, namelijk: woonomgeving, mobiliteit en gebouwen. Deze zijn nader uitgewerkt in de regels van het omgevingsplan.

Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante bijdragen aan positieve gezondheid geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld.

4.5.5.2 Toetsing

Met het voornemen wordt er een bouwvlak gecreëerd waarna een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen gerealiseerd kan worden. Door de geldende eisen die gelden voor nieuwbouw, zoals gasloos en bijna energieneutraal gebouw (BENG) wordt er een duurzaam en toekomstbestendige woning gecreëerd, welke bijdraagt aan een goed woon- en leefklimaat.

4.5.5.3 Conclusie

Het aspect positieve gezondheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5.6 Luchtkwaliteit
4.5.6.1 Inleiding

Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook rekening gehouden te worden met de het belang van de bescherming van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Ow). Omdat luchtverontreiniging kan zorgen voor negatieve gezondheidseffecten bij de mens, is het belang om het thema luchtkwaliteit hierin mee te nemen.

De voorliggende wijziging van het omgevingsplan kan invloed hebben op de luchtkwaliteit en op de gezondheid van de mens. Daarom dienen deze gevolgen in kaart te worden gebracht. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante wijzigingen ten aanzien van luchtkwaliteit geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld.

4.5.6.2 Toepassing

In het besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is aangegeven in welke gevallen een beoordeling van de luchtkwaliteit noodzakelijk is (paragraaf 5.1.4). Of een beoordeling nodig is hangt af van de activiteit, de locatie en het effect van de activiteit en de mate van het effect. Voor de toetsing van het omgevingsplan moet daarom inzichtelijk worden gemaakt welke ontwikkelingen en activiteiten het omgevingsplan faciliteert. Daarna kan worden bepaald of een beoordeling vereist is.

AandachtsgebiedenIn het Bkl staan aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof vermeld (paragraaf 5.1.4, artikel 5.51 in het Bkl). Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Wanneer de activiteiten binnen deze gebieden voor een verhoging van de concentratie veroorzaken, geldt een beoordelingsplicht. Het kan ook voorkomen dat de activiteit zich niet in het aandachtsgebied bevindt, maar daar wel voor een verhoogde concentratie zorgt. De beoordelingsplicht is alleen van toepassing als het gaat om milieubelastende activiteiten waarover in het Besluit activiteiten leefomgeving regels zijn gesteld met het oog op het beperken van verontreiniging van de lucht of wanneer het de aanleg of wijzigingen van wegen, spoorwegen of vaarwegen betreft.

Beoordeling

De wijziging van omgevingsplan maakt geen van deze activiteiten mogelijk.

De aandachtsgebieden PM2,5en PM10 staan in artikel 5.51, lid 2 & 3van het Bkl. De gemeenten die onder deze agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 van de Omgevingsregeling.

De aandachtsgebieden PM10 worden elke drie jaar geëvalueerd en zo nodig aangepast naar de actuele inzichten over de luchtkwaliteit. Het besluitgebied is gelegen in de gemeente Nederweert, Nederweert is aangekaart als aandachtsgebied voor PM2,5 en Pm10.

Voor enkele activiteiten moet de overheid de luchtkwaliteit altijd beoordelen (artikel 5.50 Bkl). Dus binnen én buiten de aandachtsgebieden. Het gaat om de volgende situaties:

  • bij een aanvraag voor de omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij het toelaten in omgevingsplan
  • de aanleg van een wegtunnel langer dan 100 meter
  • een wijziging van een wegtunnel daarbij de lengte met minimaal 100 meter toeneemt
  • de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Het planvoornemen betreft een gevoelige functie. Er wordt afgeweken van het omgevingsplan en is het voornemen om er een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen te realiseren. Hierom moet de luchtkwaliteit (PM2,5 en PM10) getoetst worden. Dit wordt gedaan in bij de toetsing in de volgende subparagraaf.

4.5.6.3 Toetsing

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is eveneens gekeken naar de concentratie fijnstof (zowel PM2,5 als PM10) ter plaatse van de voorgenomen ontwikkeling. Om een goed beeld te krijgen van deze concentraties is gebruik gemaakt van de resultaten uit kaarten van de Atlas Leefomgeving, een initiatief van de Rijksoverheid. De Atlas Leefomgeving biedt informatie over de kwaliteit van de Nederlandse leefomgeving. Om de huidige en fijnstof concentraties in beeld te brengen zijn luchtkwaliteitskaarten beschikbaar die in de navolgende figuren weergeven zijn.

Voor fijnstof PM2,5 geldt dat de concentratie met (8-9) boven de WHO advieswaarde ligt, maar dat deze nog steeds ruim aan de gestelde Europese-norm van maximaal 25 µg/m³ PM2,5 voldoet en hierom geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0012.png"

Uitsnede kaart actuele fijnstof PM2,5 concentratie (atlas leefomgeving)

Voor fijnstof PM10 geldt dat de concentratie met (15-16) boven de WHO advieswaarde ligt, maar dat deze nog steeds ruim aan de gestelde Europese-norm van maximaal 40 µg/m³ PM10 voldoet en hierom geen belemmering vormt voor het planvoornemen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0013.png" Uitsnede kaart actuele fijnstof PM10 concentratie (atlas leefomgeving)

4.5.6.4 Luchtkwaliteit

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.5.7 Conclusie gezondheid

De aspecten endotoxinen, hoogspanningsverbindingen, geitenhouderijen, gewasbeschermingsmiddelen, positieve gezondheid en luchtkwaliteit vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het plan voorziet hiermee in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.6 Bodemkwaliteit

4.6.1 Algemeen

Het aspect bodem(kwaliteit) maakt integraal onderdeel uit van de fysieke leefomgeving. Steeds dient te worden gezocht naar de juiste balans tussen enerzijds het beschermen van de gezondheid en het milieu en anderzijds het benutten van de bodem ten behoeve van maatschappelijke activiteiten. Bij het wijzigen van het omgevingsplan dient te worden aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2, eerste lid, Omgevingswet) en uitvoering is gegeven aan de instructieregels vanuit het Rijk (paragraaf 5.1.4.5 Bkl) en de provincie.

Als uitgangspunt geldt dat onaanvaardbare risico's voor de gezondheid van de mens vanwege het gebruik van de bodem dienen te worden voorkomen (artikel 2.28, lid 1 Omgevingswet). In dit kader is het van belang om na te gaan wat de kwaliteit van de bodem binnen het besluitgebied is en of dit nog aanvaardbaar c.q. toelaatbaar wordt geacht voor de beoogde functietoedeling. Bij het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie moet de kwaliteit van de bodem ten minste voldoen aan daarvoor gestelde interventiewaarden (bijlage IIA Bal). De gemeente kan echter in haar omgevingsplan ook afwijkende lokale waarden vastleggen, voor zover de maximale grenswaarden als bedoeld in artikel 5.89j, tweede lid, van het Bkl niet worden overschreden.

4.6.2 Toetsing

Met onderhavige wijziging van het omgevingsplan wordt voorzien in het realiseren van een bodemgevoelig gebouw (artikel 5.89g Bkl), namelijk: de realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen. Het besluitgebied heeft als bestemming 'Wonen'. Er vindt met de beoogde ontwikkeling geen functiewijziging plaats. Er dient wel aangetoond te worden dat met de beoogde ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hiervoor dient er een onderzoek gedaan te worden naar de kwaliteit van de bodem binnen het besluitgebied. De resultaten die uit het historisch bodemonderzoek zijn gekomen zijn toegevoegd als Bijlage 2. Hierna wordt een korte samenvatting gegeven.

De locatie is zover bekend nooit bebouwd geweest en is momenteel in gebruik als braakliggend terrein. Aan de zuidzijde is een toegangspad gelegen, wat verhard is met gebroken puin. Aangezien vooralsnog onduidelijk is wanneer het pad is aangelegd, geeft de aanwezigheid van de puinverharding aanleiding tot een verkennend onderzoek naar asbest. Op basis van zintuigelijk waarnemingen kan het onderzoek worden uitgevoerd conform de strategie onverdacht uit de NEN 5897.

Op basis van bovenstaande gegevens zijn er voor het overige geen aanwijzingen gevonden welke zouden kunnen duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging en wordt het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek ter plaatse van het resterend terrein voor de beoogde wijziging van het omgevingplan niet noodzakelijk geacht. Voor de aanvraag van een omgevingsvergunning bouwen zal wel een bodemonderzoek gewenst zijn.

4.6.3 Conclusie bodemkwaliteit

Gelet op het bovenstaande vormt het aspect bodem geen belemmeringen voor de vaststelling van de beoogde wijziging van het omgevingsplan. Ten behoeve van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning dient wel een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd te worden.

4.7 Water

4.7.1 Wettelijk kader

In artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is bepaald dat in een Omgevingsplan rekening moet worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Daarbij worden, voor een duiding van die gevolgen, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Voor een aantal specifieke rijksbelangen geldt aanvullende instructieregels:

  • Bescherming van primaire waterkeringen (5.38 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid kust (5.39 – 5.40 Bkl);
  • Behoud waterveiligheid grote rivieren (5.41 – 5.47 Bkl);
  • IJsselmeergebied (5.48 – 5.49 Bkl).

Met inwerkingtreding van de Omgevingswet is de Waterwet vervallen. Daarnaast is de keur vervangen voor de waterschapsverordening. Onderstaande documenten zijn de geldende relevante beleidsstukken op het gebied van water.

4.7.2 Nationaal Water Programma 2022-2027

In Nederland liggen grote opgaven voor het waterdomein: Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, we moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelt de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027.

Het programma geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. De Rijksoverheid werkt aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren. Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren.

4.7.3 Provinciaal waterprogramma

Het waterbeleid van de provincie Limburg voor de jaren 2022-2027 staat in het Provinciaal Waterprogramma 2022-2027 dat op 17 december 2021 door Provinciale Staten is vastgesteld. Het is de opvolger van het Provinciaal waterprogramma 2016-2021.

Het Provinciaal Waterprogramma is een uitwerking van de Omgevingsvisie Limburg en bevat de doelstellingen die de Provincie de komende planperiode samen met haar partners probeert te bereiken op het gebied van Water. Centraal staat hierbij het realiseren van een duurzaam, robuust en ecologisch gezond watersysteem dat kan omgaan met wateroverlast en droogte en dat voorziet in voldoende water van goede kwaliteit.

Het Provinciaal Waterprogramma werkt door in de Provinciale Omgevingsverordening en in omgevingsvisie en plannen van gemeenten en het waterbeheerprogramma van het Waterschap Limburg.

4.7.4 Waterbeheerprogramma Waterschap Limburg 2022-2027

Op 8 december 2021 heeft het Waterschap Limburg het Waterbeheerprogramma 2022-2027 vastgesteld. Hierin is de Limburgse wateropgave voor de toekomst bepaald. Het programma geeft invulling aan het bestuursprogramma uit 2019 en de meerjarenbegroting waarin de koers voor de periode 2012-2025 is uitgezet.

De speerpunten in dit programma voor de periode 2022-2027 zijn:

  • Hoogwaterbescherming Maasvallei: bescherming tegen overstromingen vanuit de Maas.
  • Klimaatadaptatie: balans tussen water afvoeren én water vasthouden.
  • Waterkwaliteit en ecologie: het water is schoon en wateren zijn natuurlijk ingericht.
  • Zuiveren en waterketen: zuiveren rioolwater en grondstoffen terugwinnen en gebruiken.

In droge perioden treedt watertekort en verdroging op. Doordat het klimaat verandert, zullen situaties met extreme wateroverlast en droogte naar verwachting vaker op gaan treden. De klimaatwijziging leidt niet alleen steeds vaker tot meer wateroverlast en watertekort, maar heeft ook negatieve gevolgen voor de ecologische kwaliteit. In plaats van het water zo snel mogelijk af te voeren is het nodig om dit zoveel mogelijk vast te houden en in de bodem te infiltreren. Om dit wateroverlast en watertekort in het regionale watersysteem te verminderen is het nodig om meer ruimte voor water beschikbaar te stellen.

Advies is om infiltratie- en bergingsvoorzieningen in een plan te dimensioneren op 100 mm per etmaal voor Noord-Limburg (ten noorden van Sittard) met een beschikbaarheid van de gehele bergingscapaciteit binnen 24 uur. In het geval er een waterberging gerealiseerd wordt met een overstort richting het oppervlaktewater dan is de lozing watervergunningsplichtig en is 100 mm in 24 uur per m2 toename bebouwd/verhard oppervlak een vereiste.

4.7.5 Waterschapsverordening Waterschap Limburg

In de Waterschapsverordening staan regels over wat wel en niet mag in en nabij water, dijken en stuwen. De werkingsgebieden bij de Waterschapsverordening laten de zones zien waarop de regels uit Waterschapsverordening van toepassing zijn.

4.7.6 Legger Waterschap Limburg

De legger maakt duidelijk wat u waar van het waterschap mag verwachten. Voor het waterschap is de legger, samen met de waterschapsverordening, hèt instrument om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten, voldoende en schoon water. De legger bestaat uit een (digitale) kaart. Daarop staat welke rivieren, beken, vennen en regenwaterbuffers, lijnvormige elementen, waterkeringen en kunstwerken (stuwen, sluisdeuren en kademuren) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. De legger vormt de basis voor de gebieden waarbinnen regels uit de waterschapsverordening gelden. Deze gebieden – de werkingsgebieden – zijn opgenomen in de waterschapsverordening.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0014.png"

Uitsnede Legger Waterschap Limburg met indicatieve ligging besluitgebied rood omlijnd

Op basis van bovenstaande uitsnede van de Legger van Waterschap Limburg is te zien dat er binnen het besluitgebied en de directe omgeving van het besluitgebied geen A- of B-watergangen aanwezig zijn. Tevens is er geen sprake van andere oppervlaktewateren of kunstwerken in de omgeving van het besluitgebied.

4.7.7 Gemeentelijk rioleringsplan Nederweert

Goede riolering is nodig voor de bescherming van de volksgezondheid, het milieu en het tegengaan van wateroverlast. Gemeente Nederweert heeft de taak om voor die riolering te zorgen: zij heeft de zorgplicht voor stedelijk afvalwater, voor afvloeiend hemelwater en voor grondwatermaatregelen. Dit GRP 2017-2021 geeft aan hoe de gemeente deze drie zorgplichten omgaat.

Het maken van goede beleidsafwegingen op het terrein van beheer openbare ruimte, bescherming van bodem en waterkwaliteit, en de zorg voor het totale watersysteem worden steeds belangrijker. Dit GRP helpt daarbij en speelt in op ontwikkelingen zoals het veranderende klimaat. Ook het financiële beleid, de inzet van middelen en toenemende lastendruk zijn belangrijke aandachtspunten.

In Nederweert zijn regels voor het afkoppelen/infiltreren van hemelwater bij bouwplannen en planontwikkeling van kracht. Bij plannen binnen de bebouwde kom met een verhardingstoename van kleiner dan 500 m2 geldt een infiltratievoorziening van minimaal 30 mm met overloop op tuin of openbaar gebied.

4.7.8 Toetsing
4.7.8.1 Bodemopbouw en grondwaterstanden

Het besluitgebied is gelegen binnen bestaand stedelijk gebied. Voor de locatie zijn geen gegevens over de bodemopbouw en grondwaterstanden bekend. Hierom wordt aangesloten bij gegevens van gronden in de omgeving van het besluitgebied. Zodoende kan een representatief beeld van de eigenschappen van de gronden binnen het besluitgebied geschetst worden.

De omgeving van het besluitgebied bestaat uit hoge zwarte enkeerdgronden ofwel lemig fijn zand (Bron: DINOloket). De grondwaterstand op locatie fluctueert conform de meest recente gegevens van gemeente Nederweert tussen de 3,67 en 4,35 m onder het maaiveld ofwel 29,25 tot 28,57 m t.o.v. NAP. Gronden in de omgeving van het besluitgebied hebben grondwatertrap VI/VII.

Op basis van de AHN-viewer is de voorzijde van het besluitgebied gelegen op een hoogte van 32,40 m + NAP en de achterzijde van het besluitgebied op circa 32,7 m + NAP.

4.7.8.2 Oppervlaktewateren

Zoals gemotiveerd in paragraaf 4.7.6 is er binnen het besluitgebied geen A- of B-watergang of oppervlaktewater aanwezig. Met het planvoornemen zijn er tevens geen ingrepen aan watergangen of oppervlaktewateren voorzien.

4.7.8.3 Natuurwaarden

Het besluitgebied is niet gelegen binnen Natura 2000-gebied of Natuur Netwerk Nederland.

4.7.8.4 Waterschapsbelangen

Binnen de planlocatie gelden geen beschermingszones.

4.7.8.5 Toekomstige situatie besluitgebied

Het streven is om bij nieuwbouw 100% van het verhard oppervlak af te koppelen. Op basis van het Waterbeheerplan van waterschap Limburg dienen aan te leggen hemelwatervoorzieningen gedimensioneerd te worden op een bui van 100 mm met een leegloop/beschikbaarheid binnen 24 uur. Op basis van het gemeentelijk beleid kan voor kleine bouwplannen volstaan worden met een minimale bergingseis voor nieuwe verhardingen van 30 mm. Het planvoornemen betreft een dergelijk klein bouwplan, waardoor de gemeentelijke bergingseis van 30 mm leidend is. Naar aanleiding van de beoordeling van de concept ruimtelijke motivering heeft de gemeente aangegeven dat, gezien de extremere neerslag tegenwoordig, geadviseerd wordt om een berging van 50 mm te maken. Dit advies zal worden meegenomen bij de uitwerking van de omgevingsvergunning voor de bouw van de woning.

Met het planvoornemen wordt de bouw van een vrijstaande woning mogelijk gemaakt binnen bestaand stedelijk gebied. Met de ontwikkeling neemt het verhard oppervlak op locatie in lichte mate toe. De bestaande woonfunctie heeft een oppervlak van circa 347 m2. Ter plekke van de woonfunctie wordt een bouwvlak met een grootte van 90 m2 toegevoegd. Naar verwachting wordt er binnen de woonfunctie (buiten het bouwvlak) nog circa 260 m2 als verharding opgericht. De ingeschatte verhardingstoename komt hiermee op 350 m2. Dit is vergelijkbaar met het woonperceel ten noorden van het besluitgebied.

Op basis van het gemeentelijk beleid dienen de toekomstige hemelwatervoorzieningen gedimensioneerd te worden op (350 * 0,03) 10,5 m3. Concrete uitwerking hiervan zal plaatsvinden bij de aanvraag omgevingsvergunning voor de bouw van de woning die met voorliggend plan mogelijk gemaakt wordt. Binnen het besluitgebied is voldoende ruimte aanwezig om te voldoen aan de bergingsopgave. Hemelwater afkomstig van daken en verhardingen kan zodoende afgekoppeld en verwerkt worden op eigen terrein. Bijvoorbeeld door de aanleg van een krattensysteem in de grond dan wel door de aanleg van een infiltratiepoel (wadi) aan de woning.

In de hemelwatervoorziening dient uitsluitend schoon hemelwater te worden opgevangen, waaraan geen verontreinigende stoffen worden toegevoegd. Uitloging bij infiltratie wordt voorkomen door alleen schoon hemelwater te infiltreren. Een infiltratievoorziening kan in dat opzicht tevens dienst doen als bodempassage, waarmee wordt gezorgd dat het hemelwater wordt ontdaan van (diffuse) verontreinigingen voordat het infiltreert.

Door bij het bepalen van het bouwpeil en afschot hiermee rekening te houden, wordt voorkomen dat water in het te realiseren gebouw kan vloeien. Daarnaast kan ten aanzien van wateroverlast voor derden worden gesteld dat hiervan geen sprake zal zijn.

Het afvalwater als gevolg van de planontwikkeling wordt geloosd op de gemeentelijke riolering van gemeente Nederweert. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het afvoeren van afvalwater via de gemeentelijke riolering vereist en daarmee tevens de beste optie.

4.7.9 Conclusie water

Gelet op bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor het planvoornemen en is er een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.8 Omgevingsveiligheid

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met risico's van branden, rampen en crises (paragraaf 5.1.2 Bkl). We willen in Nederland gezond en veilig leven, maar ook ruimte voor economische groei behouden. Net als geluid, bodemkwaliteit, geur en tal van andere aspecten speelt daarbij ook omgevingsveiligheid een rol. Bij omgevingsveiligheid gaat het om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen over weg, spoor, water of via buisleidingen, de veiligheid van bedrijven en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Daarbij gaat het om de “feitelijke” risico's (met soms grote onzekerheden), maar ook om hoe risico's worden ervaren.

Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn de relevante risico's geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het voorkomen en bestrijden van branden, rampen en crisis, het beperken en vertragen van de gevolgen van incidenten, de mogelijkheden van personen om zich in veiligheid te brengen in geval van een incident en de gevolgen voor de (continuïteit) van de geneeskundige hulpverlening.

4.8.1 Toetsing

Na raadpleging van de Kaart Veilige Omgeving (Bron: Atlasleefomgeving.nl) zijn de volgende risicobronnen van invloed op onderhavige wijziging van het omgevingsplan. Visueel zijn deze risicobronnen weergeven in het onderstaande figuur.

PR-10-8 Op 200 meter afstand van het besluitgebied loopt aan de oostzijde een basisnet vervoer gevaarlijke stoffen. Voor dit plaatsgebonden risico is een brandaandachtsgebied opgenomen. Het besluitgebied ligt op 160 meter afstand van dit gebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0015.png" Uitsnede omgevingsveiligheid (atlas leefomgeving)

4.8.2 Conclusie omgevingsveiligheid

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmeringen oplevert voor onderhavige wijziging van het omgevingsplan en dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.9 Project m.e.r.-beoordeling

4.9.1 Wettelijk kader

Overeenkomstig paragraaf 16.4.2 van de Omgevingswet en afdeling 11.2 van het Omgevingsbesluit dient te worden bepaald of een ontwikkeling mer-beoordelingsplichtig is. Dit kan worden afgeleid uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit.

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is een procedure die de milieueffecten van een plan of project in beeld brengt. Het doel van de m.e.r.-procedure is om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvoering over plannen, programma's en projecten die mogelijk duidelijke milieueffecten hebben. De verwachtte effecten op het milieu en alternatieve oplossingen worden beschreven in een milieueffectrapport (MER). Daarnaast is participatie en kennisgeving een belangrijk onderdeel binnen de m.e.r. Op deze manier vormt de m.e.r. een hulpmiddel voor de besluitvorming.

Een omgevingsplan valt onder een plan of programma waarvoor een milieueffectrapportage van toepassing is (Omgevingswet, Paragraaf 16.4.1, artikel 16.34).

De motivering van de beslissing (art. 11.11 lid 3 Omgevingsbesluit) bestaat uit:

  • a. de relevante criteria van bijlage III bij de mer-richtlijn; en
  • b. als is beslist dat geen milieueffectrapport moet worden gemaakt
    • 1. de kenmerken en maatregelen, bedoeld in artikel 11.10, derde lid, als degene die voornemens is het project uit te voeren deze heeft voorgesteld; en
    • 2. het moment waarop die maatregelen moeten zijn gerealiseerd.
4.9.2 Toetsing

De ontwikkeling is dan ook niet aan te merken als project waarvoor een besluit van een mer-(beoordelings)plicht geldt. Dit plan is wegens aard en omvang van het plan geen stedelijk ontwikkelingsproject in het kader van de m.e.r.-beoordeling. In het kader van de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling dan ook niet aan de orde.

4.9.3 Conclusie

De project m.e.r. vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.10 Cultureel erfgoed

4.10.1 Wettelijk kader

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met cultureel erfgoed.

In de Omgevingswet wordt cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving als volgt afgebakend: 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet'. Onder 'ander cultureel erfgoed' gaat het zowel om roerend erfgoed ('cultuurgoederen') als om immaterieel cultureel erfgoed voor zover dat aan een specifieke plek gebonden is.

De gemeente moet voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime opnemen in het omgevingsplan. In het Besluit kwaliteit leefomgeving staan hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze regels gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten
  • verplaatsing van beschermde monumenten
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand
  • aantasting van de omgeving van een beschermd monument
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten
4.10.2 Toetsing

Het besluitgebied kent een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch waardevol 3' en 'Waarde - Archeologisch Middelhoog'. Het plan voorziet in de bouw van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen. Het te verstoren oppervlak is daarmee veelal groter dan 250m2 en dieper dan 0,4 m. De resultaten van het Archeologisch onderzoek worden hieronder weergeven.

Ten behoeve van voorliggende planontwikkeling is het cultureel erfgoed geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan beoordeeld. De resultaten daarvan worden hierna beschreven. Daarbij wordt ook aangegeven op welke wijze rekening is gehouden met het beschermen en het voorkomen van aantasting van cultureel erfgoed. Hiervoor is er een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, deze is als Bijlage 3 opgenomen. Hierna wordt een korte samenvatting weergeven van het onderzoek.

Op 2 mei 20214 is er door ArcheoPro een inventariserend veldonderzoek uitgevoerd aan de Beuldersweg ong. tussen 2 en 12 te Nederweert. Volgens het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel geldt voor het besluitgebied in verband met de ligging buiten een gedurende de steentijd voor bewoning aantrekkelijke gradiëntzone, een lage verwachting voor resten uit het laat-paleolithicum en het mesolithicum. Het besluitgebied ligt op de rand van een hoger gelegen deel van het dekzandeiland naar een lager gelegen gedeelte. Hierdoor is de archeologische verwachting voor nederzettingsresten vanaf het neolithicum, middelhoog. Vanwege de aangetoonde aanwezigheid van laat-prehistorische tot middeleeuwse nederzettingen kunnen daarbij behorende off site fenomenen die samen hangen met landgebruik eveneens worden verwacht. Door de ligging van het besluitgebied op de achterste delen van ten oosten van de langs de Kerkstraat gelegen bebouwing, is de verwachting voor resten van (bij)gebouwen, uit de late middeleeuwen en de nieuwe tijd, middelhoog. Resten van begraving uit deze perioden hoeven niet te worden verwacht omdat deze rond de kerken lagen.

Op basis van de resultaten van het inventariserend veldonderzoek, is er geen directe aanleiding om archeologisch vervolgonderzoek uit te voeren. Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan echter niet worden uitgesloten dat resten van eventuele diepe grondsporen (nog) binnen het besluitgebied aanwezig zijn. Om hier zekerheid over te verkrijgen is een proefsleuvenonderzoek een doeltreffende methode. Het is aan het bevoegd gezag, in dit geval de gemeente Nederweert of zij dit, ondanks de resultaten van het uitgevoerde onderzoek, nodig acht.

Welstand

Met betrekking tot de welstand geldt dat het besluitgebied niet is gelegen binnen een aangewezen welstandsgebied.

4.10.3 Conclusie cultureel erfgoed

Geconcludeerd wordt dat in verband met de functiewijziging en de nieuwbouwplannen er geen belemmeringen gelden uit oogpunt van cultureel erfgoed ter plaatse van het besluitgebied. Met het planvoornemen is er een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.11 Natuur

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden.

Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

4.11.1 Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

De Omgevingswet definieert wat een flora- en fauna-activiteit is. In de bijlage van de Omgevingswet staat de volgende definitie van een flora- en fauna-activiteit: 'activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren:

  • Óf er soorten aanwezig zijn;
  • En indien aanwezig, welke soorten dat zijn.

Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27, Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten.

Echter het besluitgebied is tot op heden altijd in gebruik geweest als tuin, welke regelmatig onderhouden is. Gezien de ligging binnen de bouwde kom van de kern Nederweert, is het dan ook zeer aannemelijk dat er ter plaatse van het besluitgebied geen beschermde dier- en plantensoorten te verwachten zijn. Wel dient er voor de realisatie van de vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen op het voorste deel van het perceel beplanting te worden gerooid. Deze beplanting is enkel geschikt voor eventuele broedvogels. Indien het rooien van deze beplanting buiten het broedseizoen (half maart - half augustus) plaatsvindt zal er geen sprake zijn van overtredingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Daarnaast zal het bestaande tuinhuisje verwijdert worden. Dit tuinhuis is slechts enkelwandig en bevat geen spouwmuren of zolderverdieping waar zich eventueel vleermuizen kunnen vestigen. Er dient hierbij altijd rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht.

Voor eventuele beschermde diersoorten zijn overtredingen wegens het ontbreken van geschikte habitat en/of vanwege vrijstelling bij ruimtelijke ontwikkelingen niet aan de orde. Wel dient te allen tijde rekening gehouden te worden met de algemene zorgplicht (artikel 11.27 Bal).

Gemeente Nederweert heeft echter aangegeven dat zij graag een quickscan flora en fauna uitgevoerd ziet worden. Voor de vaststelling van voorliggende wijziging van het omgevingsplan is het uitvoeren van dit onderzoek nog niet noodzakelijk. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van de vrijstaande woning is het uitvoeren van een quickscan flora en fauna noodzakelijk.

4.11.2 Gebiedsbescherming

Als onderdeel van de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten dient ook rekening te worden gehouden met de ligging van beschermde natuurgebieden. (paragraaf 5.1.2 Bkl). Nederland kent een groot aantal beschermde natuurgebieden. Deze natuurgebieden kunnen beschermd zijn door Europese aanwijzingen of deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland. De provincies zijn in eerste instantie verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland op het land.

4.11.2.1 Natura 2000

Natura 2000 is een Europees netwerk van beschermde natuurgebieden. In deze gebieden worden flora, fauna en hun natuurlijke leefomgeving beschermd om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden worden aangewezen onder twee Europese richtlijnen: de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Nederland kent een netwerk van 162 Natura 2000-gebieden.

Negatieve effecten op Natura 2000-gebieden kunnen zowel direct als indirect van aard zijn. Directe effecten zijn bijvoorbeeld verstoringen door licht, geluid of trillingen. Een belangrijk negatief indirect effect op Natura 2000-gebieden is een verhoogde stikstofdepositie. Een activiteit die niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied maar wel significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, wordt een 'Natura 2000-activiteit' genoemd binnen de definitie van de Omgevingswet. Een Natura 2000-activiteit dient te voldoen aan rijksregels zoals de specifieke zorgplicht (artikel 11.6, Besluit activiteiten leefomgeving). Daarnaast dient het bevoegd gezag geïnformeerd te worden bij een eventueel ongewoon voorval (artikel 11.13, Besluit activiteiten leefomgeving).

Het besluitgebied is niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied, waardoor uitsluitend sprake is van een externe werking. Gezien de kleinschalige aard van het planvoornemen (realisatie van een vrijstaande woning met bijbehorende bijgebouwen en verhardingen binnen bestaand stedelijk gebied) en de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden (3,0 km tot Sarsven en De banen) en (3,8 km tot Weerter- en Budelerbergen & Ringselven) is verstoring ten gevolge van licht, trillingen, optische verstoring of verstoring door mechanische effecten op voorhand uit te sluiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0016.png"

Ligging besluitgebied t.o.v. omliggende Natura 2000-gebieden

4.11.2.2 Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk heeft als doel om natuurgebieden beter te verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. Het NNN bestaat over het algemeen uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones.

In beginsel zijn de provincies verantwoordelijk voor de instandhouding en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Nederland. Instructieregels met betrekking tot de bescherming van Natuurnetwerk Nederland zijn dan ook opgenomen in de omgevingsverordening van de provincie.

Het besluitgebied is niet gelegen binnen het NNN, waardoor er uitsluitend sprake is van externe werking. Rondom het besluitgebied, zoals weergeven in navolgende figuur is het besluitgebied gelegen nabij het gebied: Natuur in goudgroene natuurzone, op een minimale afstand van 2,4 km. Gezien de afstand tot het NNN en de afschermende werking van tussenliggende bebouwing zijn hierop ook geen effecten te verwachten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0017.png"

Ligging besluitgebied t.o.v. omliggende NNN

4.11.2.3 Stikstof

Maximale emissieruimte

Alvorens een inschatting van de stikstofdepositie gedurende de realisatie- en gebruiksfase te maken, is de maximale emissieruimte binnen het besluitgebied in beeld gebracht. De maximale emissieruimte betreft de maximale jaarlijkse stikstofdepositie die op een locatie kan worden uitgestoten, zonder dat er sprake is van een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jaar en hiermee een Natura 2000-activiteit. Voor onderhavig besluitgebied geldt een maximale emissieruimte van 163 kg NOx/jaar. De AERIUS-berekening van de maximale emissieruimte is bijgevoegd als Bijlage 4.

Realisatiefase

De realisatiefase bestaat uit de sloop- en bouwfase. Het besluitgebied is volledig onbebouwd en hiermee zijn er geen sloopwerkzaamheen aan de orde. De bouwfase bestaat uit het mogelijk maken van de realisatie van één vrijstaande woning. Er is nog geen concreet bouwplan om invulling te geven aan de bouw van de woning. Dit bouwplan zal in een later stadium worden opgesteld. Op dit moment is er door het ontbreken van een concreet bouwplan nog geen informatie over de in te zetten mobiele werktuigen, de duur van de inzet en de bouwjaren/stageklassen van de mobiele werktuigen die tijdens de bouwfase ingezet worden.

Om toch en beoordeling te maken ten aanzien van de emissies in de bouwfase is een worst-case scenario uitgewerkt. Er is in dit kader aansluiting gezocht bij de 'Handreiking woningbouw en AERIUS' opgesteld door het Rijk (Bijlage 5). Hierin wordt voor de realisatie van vrijstaande woningen een gemiddelde emissie in de realisatiefase verondersteld van 3,0 kg NOx/jr. Verkeersbewegingen op de bouwplaats zijn inbegrepen in dit kengetal. Door de toevoeging van het bouwvlak wordt de bouw van maximaal 1 vrijstaande woning mogelijk gemaakt. Dit leidt tot een emissie van maximaal 3,0 kg NOx/jr tijdens de realisatiefase. De inzet van het werkverkeer wordt hierbij ingeschat op 400 lichte, 100 middelzware en 200 zware verkeersbewegingen. Ten aanzien van het modelleren van verkeersbewegingen in de AERIUS-Calculator is de vraag aan de orde wanneer de verkeersbewegingen opgaan in het heersende verkeersbeeld. Er wordt uitgegaan van één aannemer waardoor de route die het bouwverkeer aflegt één standaard route betreft. Het bouwverkeer afkomstig van de locatie Beuldersweg ong. wordt naar verwachting via de Beuldersweg en de Schoolstraat afgewikkeld op de provinciale gebiedsontsluitingsweg Aan Vijftien (N266), waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. Er wordt op dit een stagnatie van 10% aangenomen.

Bovenstaande inschattingen van de emissies tijdens de realisatiefase zijn ingevoerd in de AERIUS-Calculator. Uit de berekening van de emissies tijdens de bouwfase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jr. De berekening is bijgevoegd als Bijlage 6. De realisatie van de vrijliggende woning die met voorliggend plan mogelijk gemaakt wordt heeft een emissie van 3,6 kg NOx. Dit betreft slechts 2,2% van de maximale emissieruimte op locatie. De ingeschatte werkzaamheden op locatie zouden theoretisch gezien 45 keer uitgevoerd kunnen worden, zonder te leiden tot een toename van stikstofdepositie op omliggende Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jr. Hiermee is aangetoond dat negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de realisatiefase op voorhand uit te sluiten zijn.

Gebruiksfase

Aangezien de woning gasloos gerealiseerd wordt, zal er alleen sprake zijn van emissies uit verkeersgeneratie. Volgens de CROW-normen geldt een maximale verkeersgeneratie van 8,4 verkeersbewegingen per woning per etmaal voor een vrijstaande woning in matig stedelijk gebied in de schil van het centrum. Dit leidt tot 9 lichte verkeersbewegingen per etmaal ten gevolge van het planvoornemen.

Ten aanzien van het modelleren van de verkeersstromen in de AERIUS-Calculator is de vraag aan de orde wanneer het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld. De verwachting is dat 5 verkeersbewegingen in noordelijke richting via de Beuldersweg en de Schoolstraat opgaan in het heersende verkeersbeeld. De verwachting is dat 4 verkeersbewegingen in zuidelijke richting via de Beuldersweg en het Sint Antoniusplein opgaan in het heersende verkeersbeeld. Op beide trajecten wordt een stagnatie van 10% verondersteld. De AERIUS-berekening van de Gebruiksfase is bijgevoegd als Bijlage 7.

Uit de berekening van de gebruiksfase volgen geen rekenresultaten die leiden tot een toename van stikstofdepositie op nabijgelegen Natura 2000-gebieden groter dan 0,00 mol/ha/jr. Hiermee is aangetoond dat negatieve effecten op omliggende Natura 2000-gebieden ten gevolge van de gebruiksfase op voorhand uit te sluiten zijn.

Conclusie

Uit de beoordelingen en berekeningen van de realisatie- en gebruiksfase volgt dat significant negatieve effecten ten aanzien van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden op voorhand kunnen worden uitgesloten. Hiermee is aangetoond dat er geen sprake is van een Natura 2000-activiteit. Er hoeft hierom geen omgevingsvergunning conform artikel 5.1 van de Omgevingswet aangevraagd te worden.

4.11.2.4 Houtopstanden

Houtopstanden worden op basis van nationaal beleid beschermd door in het Bal opgenomen rijksregels. In het omgevingsplan wordt door de gemeenteraad een bebouwingscontour houtkap vastgesteld. Hierbinnen gelden de regels voor het vellen van houtopstanden niet die in het Bal staan. Deze regels worden gesteld met het oog op natuurbescherming, de instandhouding van het bosareaal in Nederland, of het beschermen van landschappelijke waarden. Voorheen waren deze regels gesteld in hoofdstuk 4 van de Wet natuurbescherming. De kern van het beschermingsregime uit het Bal wordt gevormd door een meldingsplicht voor degene die voornemens is om buiten de bebouwingscontour een houtopstand te vellen, en een verplichting om binnen 3 jaar na het vellen of tenietgaan op dezelfde grond te herbeplanten. Daarbij geldt als kwaliteitseis dat de herbeplanting geschiedt op 'bosbouwkundig verantwoorde wijze'. De provincie kan daar bij omgevingsverordening maatwerkregels of maatwerkvoorschriften over vaststellen (zie Stb. 2021, nr. 22, p. 157 en 158).

Een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die een oppervlakte grond beslaat van 10 ha of meer, of een rijbeplanting die meer dan 20 bomen omvat zijn niet aanwezig in het besluitgebied. Hierom kan worden uitgesloten dat er houtopstanden aanwezig zijn in het besluitgebied. Daarnaast maakt het besluitgebied onderdeel uit van de bebouwde kom van de kern Nederweert en is van houtopstanden in het kader van het beschermingsregime uit het Bal geen sprake.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0018.png"

Uitsnede kaart Monumentale en waardevolle bomen APV Nederweert

Binnen het plangebied zijn geen monumentale bomen aanwezig. Er is geen afbreuk voorzien aan monumentale bomen.

Aan de Beuldersweg is aan de voorzijde van het perceel Beuldersweg 2 een monumentale boom aanwezig. Met de beoogde ontwikkeling van de woning is hier geen afbreuk aan voorzien. Ter plaatse van de monumentale boom mag er geen inrit/verharding aangelegd worden binnen de kwetsbare zone van de boom. Indien er werkzaamheden (graafwerkzaamheden, rijden en verplaatsen van en mét zwaar materieel, etc.) uitgevoerd gaan worden binnen de kwetsbare zones (kroonprojectie +1,5 meter, zie bijgevoegde bomenposter) van deze bomen zal er een Boom Effect Analyse (BEA) uitgevoerd moeten worden, waarbij de uitkomst en adviezen leidend zijn voor de uitvoering. Met het uiteindelijke bouwplan zal hier rekening mee gehouden moeten worden.

4.11.3 Conclusie

Gelet op bovenstaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.12 Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen dienen verkeer- en parkeeraspecten in kaart te worden gebracht. Daarbij is de parkeerbehoefte, verkeersgeneratie en de ontsluiting van belang. Hierdoor kan de realisatie van voldoende parkeerplaatsen worden gewaarborgd en worden ongewenste of onveilige verkeerssituaties tegengegaan. De genoemde verkeersaspecten worden hierna achtereenvolgens behandeld.

4.12.1 Verkeer
4.12.1.1 Huidige situatie

Voor de Beuldersweg geldt een snelheidslimitiet van 30 km/h. Voor de aangrenzende wegen (binnen de bebouwde kom) geldt ook een snelheidslimiet van 30 km/h. Er mag uit worden gegaan van een 'normale' verdeling van het verkeer.

4.12.1.2 Toekomstige situatie

In het akoestisch onderzoek (Bijlage 1) is een prognose gesteld voor het toekomstige verkeer ter hoogte van het besluitgebied. Er is uitgegaan van het jaar 2034, navolgende figuur geeft de verwachting weer van de verkeersintesiteit die zal plaatsvinden met 240 per etmaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0946.TAMHfd22kBlderswg-VA01_0019.png"

Uitsnede verkeersgegevens voor het jaar 2034

4.12.2 Parkeren

Het parkeren wordt voorzien op eigen terrein. Hiervoor worden twee parkeerplaatsen aangelegd om te voldoen aan de parkeernorm voor een vrijstaande woning. Gezien de omvang c.q. oppervlakte van het besluit is hiervoor voldoende ruimte aanwezig. De aanleg van voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen , en de instandhouding hiervan, is geborgd in artikel 11.2 van de regels van voorliggend plan.

4.12.3 Conclusie verkeer en parkeren

Gelet op het bovenstaande vormen de aspecten verkeer en parkeren geen belemmering voor het planvoornemen en is er een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

4.13 Duurzaamheid en klimaat

4.13.1 Duurzaamheid
4.13.1.1 Wettelijk kader

Uit de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet vloeit voort dat deze onder meer is gericht op een duurzame ontwikkeling van de fysieke leefomgeving. Dit houdt in, dat de wet voorziet in een ontwikkeling van de fysieke leefomgeving die tegemoet komt aan de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Duurzame ontwikkeling is een breed begrip waar een veelheid aan onderwerpen onder kan vallen, zoals energietransitie en klimaatadaptatie. In de NOVI is daarom 'ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' als prioriteit opgenomen. Daarnaast vallen onder het begrip duurzaamheid ook onderwerpen als mobiliteit, duurzaam bouwen en biodiversiteit.

Het beleid ten aanzien van energietransitie en klimaatadaptatie vloeit voort uit nationale programma's die vervolgens regionaal zijn uitgewerkt (Regionale Energiestrategie, Nationale Klimaatadaptatiestrategie). De doelstellingen die hieruit voortvloeien zijn vervolgens integraal opgenomen in het gemeentelijk beleid, met name de Omgevingsvisie. Deze is weer uitgewerkt in programma's.

In het omgevingsplan zijn de beleidsdoelstellingen voorzover noodzakelijk vanuit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties uitgewerkt in juridisch bindende regels.

4.13.1.2 Toepassing

11 april 2023 is de nota energietransitie van de gemeente Nederweert gepubliceerd. Hierin beschrijft de gemeente Nederweert waar ze de komende jaren op focussen én waarom dit nodig is. Het betreffen concrete activiteiten en projecten die nodig zijn als eerste stappen om de uiteindelijke doelen te halen. Het doel voor 2030 is om gebouwen en huizen te voorzien met 25% Co2 en in 2050 het duurzaam opwekken en verwarmen, zonder dat er Co2 vrijkomt.

De gemeente heeft leidende principes opgesteld die in elk geval gehanteerd worden bij het realiseren van de doelen en het bepalen van de concrete gemeentelijke aanpak. Hierbij onderscheiden ze de volgende principes:

  • 1. focussen op bewustwording en informatieverstrekking;
  • 2. ondersteunen van initiatieven uit de samenleving;
  • 3. zorgen dat iedereen mee kan doen (haalbaar en betaalbaar voor iedereen);
  • 4. nauw samenwerken met maatschappelijke partners en andere overheden;
  • 5. de energietransitie verankeren in al het gemeentelijk handelen;
  • 6. monitoren van voortgang.

Het voornemen van een te realiseren bouwvlak en woning draagt bij aan de doelen die de gemeente stelt op het gebied van duurzaamheid. Er zal een nieuwbouwwoning gerealiseerd worden, waarvoor al eisen gelden op het gebied van duurzaamheid zoals; gasloos en bijna energie neutraal gebouw (BENG). Met de geldende eisen die voor nieuwbouw gelden wordt direct aangesloten op de doelstelling van 2030 voor gebouwen en huizen.

4.13.2 Klimaat
4.13.2.1 Wettelijk kader

Om invulling te geven aan de in de NOVI beschreven prioriteit 'Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie' dient bij de overwegingen rondom een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en het stellen van regels voor c.q. aan activiteiten rekening te worden gehouden met maatregelen ten aanzien van klimaatadaptatie. Onder klimaatadaptatie wordt verstaan: het tijdig en effectief aanpassen aan het actuele of verwachte klimaat. Daardoor kan schade door klimaatverandering beperkt worden.

In de Omgevingsverordening Limburg is in artikel 3.5, lid 1 voorgeschreven (instructieregel) dat de motivering bij een omgevingsplan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt een beschrijving van bevat van (a) de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's en gevolgen van klimaatverandering, en (b) de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om de risico's en gevolgen van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Bij die beschrijving dient in ieder geval te worden ingegaan op wateroverlast, overstroming, en droogte. 

Voor klimaatadaptatie is het belangrijk om integraal te werken en meekoppelkansen met andere ruimtelijke ontwikkelingen te benutten. Er zijn veel mogelijkheden om de aanpak en maatregelen uit de verschillende transities te combineren. Hierbij kan gedacht worden aan waterberging in natuurgebieden, groen in de stad en vermindering van hitte in de bebouwde omgeving. Ten behoeve van deze wijziging van het omgevingsplan zijn mogelijke meekoppelkansen geïnventariseerd en is de aanvaardbaarheid van deze wijziging van het omgevingsplan ten aanzien van het aspect 'klimaatadaptatie' beoordeeld.

4.13.2.2 Toepassing

Er zijn verschillende manieren om de omgeving aan te passen aan de klimaatverandering. Door het extreme klimaat zoals: extreme regenbuien, hitte en droogte is het belangrijk om te zorgen dat de leefomgeving bestemd is tegen deze klimaatveranderingen. Doordat het niet exact duidelijk is wat er gerealiseerd gaat worden met het planvoornemen worden hierna verschillende manieren geschets op de volgende klimaataspecten:

  • 1. wateroverlast;
  • 2. droogte;
  • 3. hittestress.

Er zijn verschillende manieren om invulling te geven aan de bevordering van klimaatadaptie, voor elk van deze aspecten gelden andere mogelijke maatregelen die hieronder worden toegelicht.

Wateroverlast

Door klimaatverandering valt er steeds meer neerslag en neemt de intensiteit van de buien toe. Dit vergroot het risico op wateroverlast. Wateroverlast ontstaat als er zoveel regen valt, dat het oppervlaktewater de afvoer van het regenwater niet meer kunnen verwerken. Het is daarom belangrijk dat wanneer er verharding wordt toegevoegd, er gecompenseerd moet worden met waterbergingen. In de gemeente Nederweert geldt een compensatie van 0,03m wanneer de verharding minder dan 500m2 betreft. In dit planvoornemen moet er 10,5m3 worden gecompenseerd, zoals al besproken in paragraaf 4.7.8. Hiervoor zijn er verschillende opties mogelijk, zoals al eerder toegelicht in 4.7.8:

  • groen mosdak;
  • een verlaging in het maaiveld (wadi)
  • een natuurlijke vijver;
  • grindkoffers;
  • combinaties hiervan zijn uiteraard ook mogelijk.

Droogte

Door klimaatverandering komen langere droogteperiodes voor. Hierdoor, en ook door bijvoorbeeld ontwatering en waterwinning neemt verdroging van de bodem toe. Droogte en verdroging zijn nadelig voor de biodiversiteit, natuur, drinkwaterproductie, industrie en landbouw.

Het probleem van wateroverlast, kan tegelijkertijd de oplossing voor droogte. Zoals eerder toegelicht in 4.7.8 geeft het Waterschap Limburg een voorkeursvolgorde aan, hoe om te gaan met hemelwater. De meest wenselijke mogelijkheid: water bergen en vasthouden voor hergebruik. Hiermee kan in tijden van veel neerslag het water worden opgevangen en in droge periodes het opgeslagen water worden gebruikt om droogte te bestrijden.

Hemelwater kan simpelweg worden opgevangen door een regenton, die onder een regenpijp staat. Hiermee komt het water direct in de regenton terecht en kan het water worden opgeslagen tot dat het nodig is om te gebruiken in droge periodes.

Hittestress

Klimaatverandering leidt tot meer zomerse en tropische dagen. Extreme hitte heeft een groot aantal gevolgen, bijvoorbeeld voor de gezondheid van mensen, voor de buitenruimte en de leefbaarheid in de stad. Hitte heeft ook gevolgen voor andere aspecten van de leefomgeving, waaronder infrastructuur, drinkwater en oppervlaktewater.

Om een woning zo klimaatbestendig te maken zijn er verschillende manieren om in de zomer de hitte zo veel mogelijk te beperken. Zoals eerder toegelicht in 4.7.8 zijn er meerdere manieren mogelijk om warmte en wateroverlast tegen te gaan:

  • groen mosdak;
  • een verlaging in het maaiveld (wadi)
  • combinaties hiervan zijn uiteraard ook mogelijk.

Een groen dak heeft vele voordelen zoals biodiversiteit en het opnemen van fijnstof en co2, het neemt tot maar liefst 5 graden minder warmte op. Bovendien houdt het groene dak water langer vast en geeft dat door verdamping geleidelijk af.

Wadi's worden steeds meer toegepast om water om te nemen in tijden van veel regenbuien. Het draagt niet alleen bij tegen wateroverlast maar verbetert de biodiversiteit en draagt bij aan het reduceren van de hittestress.

4.13.3 Conclusie

Gelet op bovenstaande vormen de aspecten duurzaamheid en klimaat geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Een omgevingsplan

Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024 beschikt iedere gemeente over één tijdelijk omgevingsplan. Dat tijdelijke omgevingsplan bestond op die datum uit alle op dat moment geldende ruimtelijke plannen, zoals bestemmingsplannen, wijzigings- en uitwerkingsplannen en beheersverordeningen, samen met een set regels die met de invoering van de Omgevingswet door het Rijk zijn overgedragen aan de gemeente. Deze set overgedragen regels wordt de 'bruidsschat' genoemd, die is opgenomen in hoofdstuk 22 van het omgevingsplan.

Vanaf 1 januari 2024 worden geen nieuwe ruimtelijke plannen zoals bestemmingsplannen meer in procedure gebracht, maar wordt waar nodig het omgevingsplan gewijzigd. Via het Omgevingsloket (regels op de kaart) is op termijn daarom nog maar één, geconsolideerd omgevingsplan te vinden, waarin alle wijzigingen integraal zijn verwerkt. Uiterlijk 2032 moet het gebiedsdekken omgevingsplan 'nieuwe stijl' gereed zijn.

Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM)

Publicatie van een wijziging van het omgevingsplan moet plaatsvinden volgens de standaard STOP en de wijziging dient, om raadpleegbaar te zijn via het Omgevingsloket, te voldoen aan het Toepassingsprofiel Omgevingsplan (TPOD-omgevingsplan). Indien een gemeente technisch nog niet in staat is het omgevingsplan te wijzigen volgens STOP/TPOD kan gebruik worden gemaakt van een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) die kort gezegd inhoudt dat bij de wijziging van het omgevingsplan gebruik mag worden gemaakt van de IMRO-standaard, die voorheen werd gebruikt voor het opstellen en publiceren van bestemmingsplannen. Deze TAM wordt in de praktijk kortweg aangeduid als TAM-IMRO. Een gemeente mag er overigens ook om andere redenen dan technische redenen voor kiezen om TAM-IMRO toe te passen, bijvoorbeeld in verband met een urgente gebiedsontwikkeling. Deze wijziging van het Omgevingsplan van de gemeente Nederweert is opgesteld op basis van TAM-IMRO.

5.2 Opzet planwijziging

Ook al lijkt het juridisch deel van deze wijziging van het omgevingsplan op een bestemmingsplan, het karakter is anders. Inhoudelijk dient deze wijziging namelijk te voldoen aan de eisen die de Omgevingswet aan een wijziging van het omgevingsplan stelt, met uitzondering van de wijze van digitale vormgeving en publicatie. Anders dan een bestemmingsplan maakt deze wijziging van het omgevingsplan géén onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan, maar maakt deze onderdeel uit van het nieuwe deel. In juridisch opzicht worden de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen regels en locaties dus fictief toegevoegd aan het initieel omgevingsplan zoals dat per 1 januari 2024 is te raadplegen via het Omgevingsloket. Daarmee vormt het ook één geheel met de bruidsschat die al is opgenomen in hoofdstuk 22 van dat plan, de begripsbepalingen die zijn opgenomen in hoofdstuk 1 van dat plan en de slotbepaling die is opgenomen in hoofdstuk 23 van dat plan.

Dit TAM-omgevingsplan is gebaseerd op de Werkafspraak TAM-Omgevingsplan van Geonovum, de bijbehorende technische handreiking en de Bijsluiter TAM-IMRO omgevingsplan van de VNG. Dat houdt in het kort het volgende in:

  • Met dit TAM-omgevingsplan wordt één hoofdstuk toegevoegd aan het Omgevingsplan, tussen hoofdstuk 22 en hoofdstuk 23, in dit geval hoofdstuk 22k.
  • Aangezien het omgevingsplan zoals dat raadpleegbaar is via het Omgevingsloket technisch alleen inhoudelijk kan worden gewijzigd volgens STOP/TPOD, vindt die toevoeging fictief plaats door een TAM-omgevingsplan op te stellen volgens de IMRO-standaard (plantype bestemmingsplan) en dat als zodanig te publiceren via ruimtelijkeplannen.nl, waarna het plan via de zogenoemde overbruggingsfunctie alsnog in het Omgevingsloket zichtbaar wordt. De plannaam maakt duidelijk dat sprake is van een TAM-omgevingsplan, waarbij ook het beoogde hoofdstuknummer in de plannaam terugkomt. In dit geval is dat 22k.
  • De regels binnen een hoofdstuk van een omgevingsplan kunnen worden ondergebracht in paragrafen en subparagrafen. IMRO kent geen paragrafen en subparagrafen binnen een hoofdstuk en de nummering van hoofdstukken begint binnen IMRO altijd bij 1. Gelet op het voorgaande is daarom een zogenoemde preambule nodig die onder meer toelicht dat het gehele IMRO-plan moet worden gezien als hoofdstuk 22k van het omgevingsplan en dat de daarin opgenomen hoofdstukken daarom moeten worden gelezen als paragrafen. Dit wordt in paragraaf 5.3 nader toegelicht.
  • Voor de aanduiding van locaties in de regels c.q. het koppelen van regels aan een locatie wordt gebruik gemaakt van de mogelijkheden die IMRO biedt en de beperkingen die daaruit voortvloeien. Denk aan het gebruik van hoofdgroepen van bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduidingen, functieaanduidingen en maatvoeringsaanduidingen,
  • Een TAM-omgevingsplan kan niet worden voorzien van annotaties.
  • Voor deze motivering wordt conform de eerder genoemde werkafspraak gebruik gemaakt van het objecttype 'toelichting' en is daarom onder dat kopje terug te vinden in het omgevingsloket.
  • De zogenoemde 'pons' die er kortgezegd voor zorgt dat (delen van) bestemmingsplannen die inmiddels zijn 'overschreven' door een nieuw deel van het omgevingsplan niet meer worden getoond in het omgevingsloket werkt niet voor TAM-omgevingsplanen. Daarom is het noodzakelijk door middel van voorrangsregels duidelijk vast te leggen of, en zo ja welke delen van een bestemmingsplan (als onderdeel van het tijdelijke deel van het omgevingsplan) komen te vervallen bij de inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan.

5.3 Artikelsgewijze toelichting

Toepassingsbereikbepaling (Artikel 1).

In artikel 1 is het toepassingsbereik van dit TAM-omgevingsplan aangegeven, waarbij de koppeling is gelegd tussen de regels en de locatie c.q. plangebied met de geometrische bepaalde planobjecten.

Begrippen (Artikel 2) en (Artikel 3)

In artikel 2 zijn de begrippen uit bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling van toepassing verklaard. In aanvulling daarop zijn in artikel 3 aanvullende begrippen opgenomen. Hierin worden omschrijvingen gegeven van de in het TAM-omgevingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze zijn overgenomen.

Meet- en rekenbepalingen (Artikel 4)

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de meet- en rekenbepalingen in artikel 4) uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de manier waarop gemeten moet worden op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden.

Aanvraagvereisten (Artikel 5)

In dit artikel is de koppeling gelegd met de aanvraagvereisten, als bedoeld in paragraaf 22.5.2 (van de bruidschat). Deze zijn van overeenkomstige toepassing verklaard op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van de regels.

Algemeen gebruiksverbod (Artikel 6)

Dit artikel bevat een algemeen gebruiksverbod dat bepaald dat het in algemene zin verboden is om gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

Wonen (Artikel 7)

Ter plaatse van de functie 'Wonen' is het oprichten van een woning uitsluiten binnen het bouwvlak toegestaan, waarbij het maximum aantal wooneenheden niet meer mag bedragen dan is aangeduid op de verbeelding door middel van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'. In dit bestemmingsplan betreft dit één vrijstaande woning. Eventuele bijgebouwen mogen worden opgericht binnen de aanduiding 'overige zone - bouwvlak' of binnen de aanduiding 'overige zone - bijgebouwen'. Ter plaatse van deze aanduiding mag maximaal 75 m2 bebouwd worden, en 100 m² bij een levensloopbestendige woning, tot een maximum van 40%. Overige bouwwerken, geen gebouw zijnde mogen binnen het gehele bestemmingsvlak worden opgericht.

Als ondergeschikte activiteit bij de woonfunctie zijn een beroep aan huis, een bedrijf aan huis en mantelzorg onder voorwaarden rechtstreeks toegestaan in het hoofdgebouw. Er is een vergunningplicht voor afwijken opgenomen om deze functies ook in een bijgebouw te mogen uitvoeren.

Waarde - Archeologie middelhoog ( Artikel 8)

De als zodanig aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Afhankelijk van de mate van archeologische verwachtingswaarde is bij een bepaalde verstoringsdiepte en verstoringsoppervlakte een onderzoeksverplichting van kracht. In de betreffende regels ten aanzien van archeologie zijn de onderzoeksgrenzen opgenomen. Wanneer deze onderzoeksgrenzen worden overschreden, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden alvorens de geplande bodemverstoring kan plaatsvinden. Deze onderzoeksgrens verschilt per archeologische verwachting. Bij de in dit TAM-omgevingsplan voorkomende regels ten aanzien van archeologie is de onderzoeksplicht van kracht bij een verstoringsdiepte van 0,40 meter en met een verstoringsoppervlakte van 2.500 m2.

Waarde - Archeologie waardevol 3(Artikel 9)

De als zodanig aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Afhankelijk van de mate van archeologische verwachtingswaarde is bij een bepaalde verstoringsdiepte en verstoringsoppervlakte een onderzoeksverplichting van kracht. In de betreffende regels ten aanzien van archeologie zijn de onderzoeksgrenzen opgenomen. Wanneer deze onderzoeksgrenzen worden overschreden, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden alvorens de geplande bodemverstoring kan plaatsvinden. Deze onderzoeksgrens verschilt per archeologische verwachting. Bij de in dit TAM-omgevingsplan voorkomende regels ten aanzien van archeologie is de onderzoeksplicht van kracht bij een verstoringsdiepte van 0,40 meter en met een verstoringsoppervlakte van 250 m2.

Anti-dubbeltelbepaling (Artikel 10)

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het overgebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.

Algemene beoordelingsregels (Artikel 11)

Voor het hele plangebied, en dus alle functies, gelden eveneens een aantal algemene beoordelingsregels. Deze zijn dus niet opgenomen in de afzonderlijke functies. Dit betreft met name het borgen van de bergingseis voor het afkoppelen van het hemelwater.

Overige regels (Artikel 12)

In de overige regels is een voorrangsregel opgenomen.

Overgangsrecht (Artikel 13)

In deze regels is het overgangsrecht opgenomen ten aanzien van bouwen en gebruik.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Participatie en omgevingsdialoog

6.1.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet heeft participatie een prominente rol. De wetgever heeft het belang van participatie erkend en participatie vormt één van de belangrijkste pijlers van de Omgevingswet. De Omgevingswet zorgt ervoor dat het bevoegd gezag of initiatiefnemers, burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium worden betrokken bij een planvoornemen/project.

Door burgers, belanghebbenden of omwonenden in een vroeg stadium te betrekken bij een planvoornemen wordt verwacht dat tijdwinst ontstaat, omdat minder juridische procedures worden gestart. Daarnaast speelt participatie een belangrijke rol in de relatie tussen de burger en de overheid en het vertrouwen dat de burger in de overheid heeft. Het is daarbij van belang dat burgers het gevoel hebben ook daadwerkelijk gehoord te worden.

Als men het over participatie heeft, dan wordt in het algemeen gedoeld op 'actieve deelname'. Het is een begrip dat ook gebruikt wordt in een sociale context. Onder de Omgevingswet wordt onder participatie verstaan:

Het in een vroegtijdig stadium betrekken van belanghebbenden (burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden) bij het proces van de besluitvorming over een project of activiteit.

Participatie kent veel verschijningsvormen. Niet al deze vormen zijn voor ieder project of voor iedereen weggelegd. In de Omgevingswet, het omgevingsbesluit en de omgevingsregeling staan regels over participatie. Als overheden instrumenten van de Omgevingswet vaststellen, moeten ze aangeven hoe de hierboven genoemde belanghebbenden betrokken zijn bij de totstandkoming van deze instrumenten. En welke resultaten dat heeft opgeleverd. Gemeenten, provincies en waterschappen moeten ook aangeven hoe ze hun eigen participatiebeleid hebben ingevuld. Er is een uitzondering: bij het aanvragen van een omgevingsvergunning moet juist de aanvrager het initiatief nemen. Hij moet aangeven of, en zo ja hoe, hij de omgeving betrokken heeft bij zijn plan en wat de resultaten hiervan zijn.

Het participatieproces bij het opstellen of wijzigen van een Omgevingsplan kent onder de Omgevingswet een kennisgeving(plicht) en een motiveringsplicht. Bij een motiveringsplicht moet het bevoegd gezag aangeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden betrokken zijn en wat er met de resultaten is gedaan. Bij een Omgevingsplan is naast de motiveringsplicht ook geregeld dat aan de voorkant bij de kennisgeving aangegeven wordt hoe een initiatiefnemer burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere overheden gaat betrekken.

6.1.2 Omgevingsdialoog

Bij voorliggende planontwikkeling is sprake van een wijziging van het Omgevingsplan. Gezien de aard en omvang van het project en het effect op de omgeving kan worden volstaan met een beknopte omgevingsdialoog. In het kader van de omgevingsdialoog is een formulier opgesteld, zoals bijgevoegd in Bijlage 8. Met het formulier wordt het initiatief toegelicht én wordt de omgeving in de gelegenheid gesteld om vragen en of opmerkingen te maken op de beoogde ontwikkeling. Het formulier is gebruikt bij het uitvoeren van de omgevingsdialoog. Er is gekozen voor de volgende aanpak:

Fysiek (informeel) gesprek omtrent het voorgenomen initiatief aan de hand van formulier:

  • Beuldersweg 1, 2, 3 en 12

Formulier afgeven bij de naaste buren of achterlaten in de brievenbus:

  • Beuldersweg 5, 7, 9, 11 en 16
  • Kerkstraat 32, 34 en 36
  • Schoolstraat 2

De geanonimiseerde reactie op de omgevingsdialoog is bijgevoegd als Bijlage 9. De meeste omwonenden hebben getekend voor gezien. Er zijn verder geen opmerkingen gemaakt die hebben geleid tot verdere planaanpassingen.

6.2 Financiële uitvoerbaarheid

6.2.1 Algemeen

In tegenstelling tot de Wet (en het Besluit) ruimtelijke ordening geldt onder de Omgevingswet dat een gemeenteraad bij het toekennen van functies aan locaties niet meer aannemelijk hoeft te maken dat die ontwikkeling (financieel) uitvoerbaar is. In haar Omgevingsplan wordt door de gemeente aangegeven dat een functie op een bepaalde locatie kan komen, dat minder verstrekkend is. Enkel behoeft te worden gemotiveerd dat een ontwikkeling in beginsel mogelijk is ('niet evident onuitvoerbaar'). Pas als zich een concreet initiatief aandient dat past binnen de in het Omgevingsplan toebedeelde functie, moet worden onderzocht hoe dat op een aanvaardbare wijze kan worden gerealiseerd.

6.2.2 Kostenverhaal

Op grond van Omgevingswet (afdeling 13.6 Ow) zijn overheden verplicht om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen. Indien sprake is van een ontwikkeling op eigendomsgronden van de overheid zelf, is het kostenverhaal verzekerd en zijn daartoe geen overeenkomst of kostenverhaalsregeling aan de orde.

Anterieure overeenkomst

Als sprake van een ontwikkeling die niet op eigendomsgronden van de overheid is gelegen, dan is het uitgangspunt van de overheid om middels het sluiten van een anterieure overeenkomst het kostenverhaal te verzekeren. Dit is mogelijk op grond van artikel 13.13 Ow. Indien de onderhandelingen over deze overeenkomst succesvol zijn, kan overgegaan worden tot het wijzigen van het Omgevingsplan en vinden betalingen plaats op grond van de gemaakte afspraken.

Publiekrechtelijk kostenverhaal

Naast het privaatrechtelijke spoor van het sluiten van een anterieure overeenkomst, kan het kostenverhaal ook via het publiekrechtelijke spoor worden verzekerd in het Omgevingsplan, in een omgevingsvergunning voor een buitenplanse Omgevingsplanactiviteit) of een projectbesluit (paragraaf 13.6.3 Ow). Dit spoor is aan de orde indien geen overeenkomst wordt bereikt bij de onderhandelingen over de anterieure overeenkomst. In het publiekrechtelijke spoor mag de overheid de kosten alleen verhalen als ze voldoen aan de criteria profijt, proportionaliteit en toerekenbaarheid. Daarnaast mogen er niet meer kosten worden verhaald dan dat er opbrengsten zijn.

Er worden twee systemen in het publiekrechtelijk kostenverhaalsstelsel onderscheiden waarvoor de Omgevingswet in regelingen voorziet voor het kostenverhaal:

  • Integrale gebiedsontwikkeling, mét tijdvak (artikel 13.14 Ow)
  • Organische gebiedsontwikkeling, zonder tijdvak (artikel 13.15 Ow)

Het kostenverhaal van voorliggende planontwikkeling is verzekerd in het privaatrechtelijke spoor middels een anterieure overeenkomst. Het betreft namelijk een private ontwikkeling waarbij het risico geheel gedragen wordt door de initiatiefnemer. Er is, op ambtelijke kosten middels leges na, geen sprake van op de initiatiefnemer te verhalen kosten. Wel zal met de initiatiefnemer een anterieure c.q. nadeelcompensatie-overeenkomst worden gesloten. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventuele kosten niet voor rekening van de gemeente komen, maar voor rekening van de initiatiefnemer op het moment van realisatie van de woning. Op grond van het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de economische en financiele uitvoerbaarheid van het project voldoende is gegarandeerd en anderzijds verzekerd is.

6.2.3 Nadeelcompensatie

Nadeelcompensatie is de vergoeding van schade die de overheid veroorzaakt in de uitoefening van haar taak of bevoegdheid. In afdeling 15.1 van de Omgevingswet wordt een aantal besluiten of maatregelen aangewezen die als oorzaak van de schade kunnen optreden. Aangewezen zijn besluiten of maatregelen:

  • Die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten, of
  • Die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De belangrijkste schadeveroorzakende besluiten zijn:

  • Het (gemeentelijk) Omgevingsplan (opvolger van onder meer het bestemmingsplan),
  • Een omgevingsvergunning,
  • Een projectbesluit voor realisatie van een project van het Rijk, provincie of waterschap, en
  • Rechtsreeks werkende regels in een verordening van provincie of waterschap.

Alleen schade veroorzaakt door die besluiten of maatregelen komt voor vergoeding in aanmerking. De schade moet redelijkerwijs toe te rekenen zijn aan de schadeoorzaak. De schade moet:

  • Het rechtstreekse gevolg zijn van het besluit of de maatregel. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of aanleg van een weg, of
  • Het gevolg zijn van de feitelijke uitvoering van de activiteit. Bijvoorbeeld een tijdelijke wegafsluiting.
  • De schade kan ook het gevolg zijn van een activiteit, die pas later zichtbaar wordt. Bijvoorbeeld schade door grondwateronttrekking kan zich jaren later openbaren.

Bij de vraag of de schade moet worden vergoed, en zo ja hoeveel, speelt een aantal factoren een rol. Het moet gaan om schade die boven het normaal maatschappelijk risico (4%) uitsteekt. Bovendien moet de schade de aanvrager onevenredig treffen ten opzichte van anderen.

In dit kader zal door de gemeente met de initiatiefnemer dan ook een anterieure c.q. nadeelcompensatie-overeenkomst worden gesloten.

Hoofdstuk 7 Procedure

Op de voorbereiding van een besluit tot wijziging van (een tijdelijk deel van) een omgevingsplan is ingevolge artikel 16.30 Omgevingswet de uniforme openbare voorbereidingsprocedure als bedoeld in afdeling 3.4 Awb van toepassing. De te doorlopen procedure ziet er grofweg als volgt uit

  • 1. Voorbereiding: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van het voornemen om het Omgevingsplan te wijzigen en geeft aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.
  • 2. Ontwerp: de gemeente geeft op de daartoe voorgeschreven wijze kennis van de terinzagelegging van het ontwerp-Omgevingsplan, zodat iedereen gedurende een termijn van 6 weken dat het ontwerp-Omgevingsplan ter inzage ligt een zienswijze (schriftelijk of mondeling) kan indienen.
  • 3. Vaststelling: de gemeente stelt het (gewijzigde) Omgevingsplan vast en geeft daarbij aan hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken, wat de resultaten daarvan zijn en hoe invulling is gegeven aan het geldende participatiebeleid. Het besluit tot vaststelling van het gewijzigde Omgevingsplan wordt op de daartoe voorschreven wijze bekendgemaakt, en tegelijkertijd wordt kennisgegeven van de terinzagelegging dit besluit.
  • 4. Inwerkingtreding: het gewijzigde Omgevingsplan treedt in werking op de dag waarop 4 weken zijn verstreken sinds de dag waarop de gemeente het besluit op de daartoe voorgeschreven wijze bekend heeft gemaakt.
  • 5. Beroep: tegen het besluit tot wijzigen van het Omgevingsplan staat beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Er zijn tijdens de terinzage legging van het ontwerp-TAM-Omgevingsplan geen zienswijzen ingediend. Het plan is hierom op 18 november 2025 ongewijzigd vastgesteld door de gemeenteraad.