direct naar inhoud van Onderbouwing
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Zwarteweg 59, Milsbeek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01

Onderbouwing

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de Zwarteweg 59 in Milsbeek 10 nieuwe woningen te realiseren. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning op deze locatie omgezet naar een reguliere burgerwoning. Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Gennep, maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Zwarteweg 59 in Milsbeek, aan de oostkant van deze kern. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het projectgebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk is in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale, regionale en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 is het project inhoudelijk getoetst in het kader van een veilige en gezonde leefomgeving, waarna in hoofdstuk 5 de omgevingskwaliteit aan bod komt. In hoofdstuk 6 volgt de integrale weging van alle aspecten in het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarna wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de juridische planbeschrijving. Hoofdstuk 8 behandelt de aspecten participatie en kostenverhaal.

Hoofdstuk 2 Voorgenomen ontwikkeling

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Zwarteweg aan de oostkant van Milsbeek. De locatie bevindt zich op de rand van de kern met het buitengebied. De Zwarteweg zelf betreft een belangrijke verkeersader in Milsbeek en herbergt aan de westzijde ervan voornamelijk woningen. Aan de oostkant bevinden zich eveneens woningen, als ook bedrijfslocaties en agrarische grond.

In de huidige situatie bevindt zich ter plaatse van het plangebied een bedrijfslocatie (houthandel). Ten behoeve zijn op de locatie een loods (met overkapping aan de achterzijde) en bedrijfswoning aanwezig. De gronden rondom de bebouwing zijn nagenoeg geheel verhard en worden onder meer gebruikt voor opslag en parkeren. De bedrijfslocatie wordt middels een inrit ontsloten door de Zwarteweg. Behalve de bedrijfslocatie maakt ook een gedeelte van het Ringeloorbosje aan de westkant van de locatie onderdeel uit van het plangebied. Een gedeelte van het bosje wordt aangekocht van de gemeente Gennep.

Navolgende afbeelding geeft de huidige situatie weer middels een luchtfoto.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

2.2 Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van het plangebied de huidige bedrijfsactiviteiten stop te zetten en de bedrijfsbebouwing te slopen ten behoeve van de ontwikkeling van 10 nieuwe woningen. Daarnaast wordt de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een reguliere burgerwoning.

Met het plan worden in totaal 4 sociale huurwoningen, 3 levensloopbestendige seniorenwoningen, 2 2-onder-1-kapwoningen en 1 vrijstaande woning mogelijk gemaakt. De nieuwe vrijstaande woning wordt georiënteerd op de Zwarteweg. Alle overige woningen zijn georiënteerd op een aan te leggen straatje in het plangebied. Ten behoeve van parkeren worden parkeerplaatsen op eigen terrein en parkeerkoffers mogelijk gemaakt. Het plangebied blijft ontsloten door de Zwarteweg.

Een gedeelte van het bestaande Ringeloorbosje wordt betrokken bij het plangebied ten behoeve van het wonen. Ter compensatie krijgt het bosje een kwaliteitsverbetering door nieuwe aanplant in het resterende bosgebied. Afspraken hierover worden vastgelegd in de met initiatiefnemer te sluiten anterieure overeenkomst.

Navolgende afbeeldingen geven een impressie van de toekomstige situatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01_0004.png"

Impressie toekosmtige situatie (ontwerp: Van Kuppevelt)

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01_0005.png"

Impressie toekomstige situatie (ontwerp: Van Kuppevelt)

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01_0006.png"

Impressie toekomstige situatie (ontwerp: Van Kuppevelt)

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Beleidsregels Grote Rivieren 2025

Het plangebied maakt onderdeel uit van een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk dat geen kanaal is. Echter gelden er in het gebied geen beperkingen vanuit het waterstaatswerk (in dit geval het rivierbed). Als gevolg van de ligging in het rivierbed kan er wel hoogwater optreden. Bij schade als gevolg hiervan kan geen schadevergoeding verhaald worden op het Rijk. De initiatiefnemer bouwt op eigen risico en voor eigen verantwoordelijkheid.

Op 18 juni 2020 is door de minister het voornemen uitgesproken om de status als rivierbed voor gebieden achter de te versterken primaire keringen te laten vervallen. Op moment dat de primaire kering op hoogte is zal de status van rivierbed ter plekke komen te vervallen evenals de uitzondering op tegemoetkoming schade bij overstroming. Dit geldt ook voor de gebieden tussen Mook en Gennep (Lob van Gennep).

3.1.4 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Voor de Laddertoets wordt verwezen naar paragraaf 5.1 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Limburg

Op 1 oktober 2021 is de Provinciale Omgevingsvisie Limburg vastgesteld. In de omgevingsvisie Limburg is de lange termijn visie van de provincie Limburg beschreven. In de visie staat beschreven hoe de provincie richting wil geven aan toekomstbestendige ontwikkeling en hoe daarbij steeds de balans wordt gezocht tussen het beschermen en benutten van de fysieke leefomgeving. De provincie geeft met deze visie een doorkijk voor de periode 2021 tot 2030 - 2050.

De omgevingsvisie Limburg vervangt het in 2014 vastgestelde Provinciaal Omgevingsplan Limburg (POL2014) en is in een interactief proces met overheden, semi - overheden, belangenvertegenwoordigers, andere partnerorganisaties en inwoners opgesteld. De visie bouwt deels voort op eerder gemaakte beleidskeuzes. Op andere onderdelen zijn nieuwe keuzes gemaakt.

In de omgevingsvisie staan drie hoofdopgaven centraal:

  • Een aantrekkelijke, sociale, gezonde en veilige leefomgeving;
    • 1. in stedelijk c.q. bebouwd gebied
    • 2. in landelijk gebied
  • Een toekomstbestendige, innovatieve en duurzame economie; inclusief landbouw transitie;
  • Klimaatadaptatie en energie transitie.

Deze opgaven spelen Limburg-breed, maar de accenten verschillen per gebied en per sector. Per sector is in de omgevingsvisie aangegeven wat de opgave is voor de sector, welke ambitie de provincie heeft met deze sector en welke keuzes worden gemaakt per sector.

3.2.2 Woondeal Limburg

De Woondeal Limburg (2023) tussen Rijk, provincie, gemeenten, corporaties en marktpartijen voorziet tot 2030 in minimaal 26.550 nieuwe woningen, met een ambitie tot 20.000 extra, waarvan twee derde betaalbaar (sociale huur, middenhuur, betaalbare koop) en met groei naar 30% sociale huur waar nodig. De Limburgse Woonagenda geeft hiervoor de kaders en afspraken per regio, met aandacht voor ouderenhuisvesting, aandachtsgroepen en regionale programmering. De afspraken sluiten direct aan op de Omgevingsvisie Limburg door te sturen op een aantrekkelijke, sociale en toekomstbestendige leefomgeving, waarbij woningbouw in kwaliteit, betaalbaarheid en spreiding bijdraagt aan de brede ruimtelijke opgaven van de provincie.

3.2.3 Limburgse Agenda Wonen

De Limburgse Agenda Wonen (2022) vormt samen met de Woondeal Limburg het provinciale kader voor de woningbouwopgave. De agenda bevat afspraken tussen provincie, gemeenten, corporaties en marktpartijen over het versnellen van de bouwproductie, het realiseren van voldoende betaalbare woningen, het inspelen op vergrijzing en de huisvesting van aandachtsgroepen. In combinatie met de Woondeal – die tot 2030 inzet op minimaal 26.550 nieuwe woningen, waarvan twee derde betaalbaar – geeft de agenda richting aan regionale programmering en kwaliteitseisen. Beide instrumenten sluiten aan bij de Omgevingsvisie Limburg door woningbouw te koppelen aan een sociale, toekomstbestendige en goed gespreide leefomgeving.

3.2.4 Omgevingsverordening Limburg

De Omgevingsverordening Limburg 2021 is in werking getreden bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt daarmee de Omgevingsverordening Limburg 2014. De Omgevingsverordening Limburg 2021 voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

3.2.5 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Omgevingsvisie en woonbeleid

Met de realisatie van sociale huur wordt direct bijgedragen aan het doel uit de Woondeal Limburg en de Limburgse Agenda Wonen om het aandeel betaalbare woningen te vergroten en, waar nodig, te groeien naar 30% sociale huur in de nieuwbouw. De toevoeging van levensloopbestendige seniorenwoningen sluit aan bij de beleidsopgave om in te spelen op vergrijzing en langer zelfstandig wonen. Het gevarieerde woningaanbod (sociale huur, senioren, twee-onder-een-kap en vrijstaand) ondersteunt de ambitie om gemengde en inclusieve woonmilieus te realiseren. Bovendien draagt de herontwikkeling van een voormalig bedrijfsperceel, inclusief kwaliteitsverbetering van het Ringeloorbosje, bij aan de transformatie van verouderde locaties, het versterken van de leefomgeving en het zorgvuldig omgaan met de bestaande ruimte, geheel in lijn met de Omgevingsvisie Limburg.

Omgevingsverordening

Navolgend worden de relevante thema's uit het provinciale beleid toegelicht:

Landelijke kernen

Het plangebied is op grond van de verordening gelegen in een landelijke kern (Milsbeek). Op grond van artikel 12.1 dient het plan aan het volgende te voldoen voor het toevoegen van nieuwe woningen op deze locatie:

  • a. rekening is gehouden met de hoofdstukken 3 (Limburgse principes en algemene zonering) en 5 (wonen en leefomgeving) van de provinciale omgevingsvisie;
  • b. sprake is van behoefte in kwaliteit en kwantiteit op basis van actueel onafhankelijk regionaal behoefteonderzoek;
  • c. over de behoefte aan realisatie van deze woningen overeenstemming bestaat binnen de regio Noord-Limburg of Midden-Limburg of Zuid-Limburg. De regio's bepalen eigenstandig de regionale overeenstemming, organiseren hun eigen regionale overleggen en dragen zorg voor actuele regionale woonvisies en regionale onderzoeken;
  • d. het omgevingsplan is opgenomen in de Limburgse systematiek van monitoring, bedoeld in afdeling 14.5;
  • e. realisatie van de woningen beoogd is binnen 5 jaar na vaststelling van het omgevingsplan en dat, als deze termijn niet wordt gehaald, hoe en wanneer de mogelijkheid tot realisatie van deze woningen komt te vervallen.

Ad.

In paragraaf 3.3 is het initiatief getoetst aan het regionale beleid. Geconcludeerd is dat het initiatief hierbinnen passend is. Tevens is rekening gehouden met de hoofdstukken 3 en 5 uit de Omgevingsvisie. In onderhavige wijziging Omgevingsplan is geen ruimtelijke borging opgenomen die de ontwikkeling van de woningen aan een termijn koppelt. Afspraken hierover worden, indien gewenst, gemaakt tussen initiatiefnemer en gemeente.

Verder zijn voor het plangebied geen locatiespecifieke regels opgenomen die relevant zijn voor het plan. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief passend is binnen de Omgevingsverordening.

Conclusie

De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Limburg.

3.3 Regionaal beleid

3.3.1 Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024

Opgenomen in de verordening is dat onderhavig plangebied gelegen is in de regio Noord-Limburg. Voor deze regio geldt dat een ruimtelijke plan niet voorziet in de toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad woningen, alsmede aan de bestaande planvoorraad woningen anders dan op de wijze zoals beschreven in de door de gemeenteraden vastgestelde Regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg.

De Regionale Woonvisie Noord-Limburg 2020-2024 geeft richting aan het woonbeleid van de regio voor de komende vier jaar. Uitgangspunt daarbij is dat de huidige samenwerking en afstemming tussen verschillende partijen, waaronder corporaties, ontwikkelaars, zorginstellingen etc., wordt voortgezet. Op basis van een analyse over de huishoudensontwikkeling, de link tussen de (toekomstige) bevolkingssamenstelling en de bestaande woningvoorraad en enkele trends en ontwikkelingen zijn er in de visie enkele opgaven geformuleerd die als volgt zijn samen te vatten:

  • Mismatch woningbehoefte en woningvoorraad - Zowel met betrekking tot de bestaande- en nieuwe woningvoorraad. De nieuwbouw die wordt toegevoegd dient toegespitst te worden op de toekomstige woningbehoefte. Hierbij wordt er nog meer dan voorheen gekeken naar de kwalitatieve vraag en het bevorderen van de doorstroming op de regionale woningmarkt.
  • Zoektocht om alle doelgroepen een plek te geven binnen onze woningmarkt - De druk op de sociale huursector neemt toe. Niet alleen in aantallen, ook door een concentratie van mensen die door allerlei oorzaken hun weg maar moeilijk kunnen vinden in onze maatschappij. Dit brengt de druk op de leefbaarheid met zich mee.
3.3.2 Toetsing van het initiatief aan het regionale beleid

Met voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van 10 nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Op 7 april 2025 is het project regionaal afgestemd en akkoord bevonden. Door het mogelijk maken van verschillende type woningen, waaronder sociale huurwoningen, wordt een bijdrage geleverd aan het creëren van een geschikt woonaanbod voor diverse doelgroepen. Daarnaast wordt met het plan de bestaande bedrijfswoning omgezet naar een burgerwoning. Hiermee komt deze beschikbaar voor een grotere doelgroep. Hieruit kan geconcludeerd worden dat het initiatief passend is binnen de regionale woonvisie.

Het initiatief is passend binnen het regionale beleid.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsvisie Gennep

Op 23 september 2019 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Gemeente Gennep "Samen maken we Gennep" vastgesteld. De visie laat zien hoe Gennep sterker, mooier, gezonder en nog krachtiger gemaakt kan worden. De omgevingsvisie is in samenwerking met inwoners, ondernemers en maatschappelijke partners opgesteld. Hieruit zijn vier speerpunten naar voren gekomen:

  • 1. Cultuurrijk Gennep
  • 2. Krachtige kernen, sterke werkgebieden
  • 3. Hoog, droog en veilig Gennep
  • 4. Sterke samenleving en (digitale) verbindingen

Belangrijke opgave voor de gemeente Gennep is het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Voor het definiëren van het begrip 'ruimtelijke kwaliteit' hanteert de gemeente de volgende vier waarden:

  • herkomstwaarde (ontstaansgeschiedenis);
  • belevingswaarde (diversiteit + identiteit + schoonheid);
  • gebruikswaarde (doelmatigheid + functionele samenhang);
  • toekomstwaarde (duurzaamheid + aanpasbaarheid + beheerbaarheid).

Planspecifiek

De Omgevingsvisie van de gemeente Gennep benadrukt voor Milsbeek het belang van het afstemmen van vraag en aanbod op het gebied van woningbouw, zowel kwantitatief als kwalitatief. Dit houdt in dat er aandacht is voor het realiseren van woningen die aansluiten bij de specifieke behoeften van de gemeenschap, zoals woningen voor ouderen en sociale huurwoningen. Onderhavig initiatief draagt hier met het toevoegen van deze typen woningen aan bij. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief passend is binnen de Omgevingsvisie.

3.4.2 Toekomstvisie 'Geliefd Gennep 2040'

De toekomstvisie Gennep 2040 dient als een kompas voor de gemeente. In 2040 is de gemeente Gennep groen, gezellig, gastvrij, goed bereikbaar en geliefd. Het toekomstbeeld voor de gemeente Gennep in 2040 kan als volgt worden beschreven:

Bij aankomst in de gemeente word je begroet door een groen, divers landschap, waar aandacht is voor klimaat en biodiversiteit. Daarnaast word je verwelkomd door een gastvrije gemeenschap, waarbij een grote gemeenschapszin heerst. Hierdoor floreert in Gennep het verenigingsleven, dankzij betrokken vrijwilligers en ondernemers die ieder hun steentje bijdragen. Als gevolg hiervan zijn de kernen van de gemeente Gennep levendig, met gezellige restaurants en winkels en een rijke cultuurhistorie. Hierdoor trekt Gennep veel dagjesmensen en toeristen, die zorgen voor een goed ondernemersklimaat. Daarnaast zijn er voldoende betaalbare en energie-neutrale woningen voor jonge gezinnen, maar ook woonhofjes en mantelzorgwoningen voor ouderen.

Planspecifiek

De gemeente Gennep heeft de ambitie voldoende woningen te bieden voor elke doelgroep, wat neerkomt op mogelijkheden voor het bouwen van meer betaalbare koop- en huurwoningen. Met het toevoegen van woningen in het sociale segment draagt dit plan daaraan bij. Ook voorziet het initiatief in levensloopbestendige woningen, wat aansluit bij de demografische trends als beschreven in de Toekomstvisie. Het wijzigen van de functie van bestaande bebouwde grond in de kern Milsbeek past eveneens bij de ambitie. Het initiatief is daarmee passend binnen de Toekomstvisie.

3.4.3 Woonvisie 'Samen bouwen we een thuis voor iedereen'

De nieuwe Lokale Woonvisie 'Samen bouwen we een thuis voor iedereen' is op 7 november 2022 door de gemeenteraad vastgesteld. De gemeente Gennep wil een woningmarkt die voldoende woningen van de juiste kwaliteit op de juiste plek biedt en zet in op de realisatie van toekomstbestendige woonsegmenten die aansluiten bij de huishoudensontwikkeling. De prognoses van de huishoudensontwikkeling laten zien dat de huidige en toekomstige woningvraag leidt tot een groeiopgave van het aantal woningen. De gemeente ziet een grote druk op de woningmarkt en een overloop uit omliggende regio's. Daar wil de gemeente ruimte voor bieden. Daarbij worden de ontwikkelingen in de woningmarkt en de bestaande voorraad tussentijds goed in de gaten gehouden, zodat bijsturing indien nodig mogelijk is.

Voor een gezonde woningmarkt werkt de gemeente aan een woningaanbod dat kwalitatief én kwantitatief aansluit op de toekomstige woonbehoefte. Daarbij wordt ingezet op een divers woningaanbod, om zowel voor ouderen als jongeren voldoende toegankelijke woningen te hebben. De uitdaging ligt voor een groot deel in het bestaande vastgoed, waarbij (stimulering van het) verduurzamen en mogelijkheden voor woon-zorgcombinaties belangrijke opgaven zijn. De aanpak van de bestaande voorraad blijft dan ook prominent op de agenda staan. Woningbouwinitiatieven dienen zorgvuldig afgewogen te worden, zeker in het licht van de bestaande overcapaciteit ten aanzien van enkele woonsegmenten in een aantal kernen.

Planspecifiek

Het initiatief biedt de gewenste mix aan woningen voor diverse doelgroepen. Hiermee sluit het initiatief aan op de ambities uit de Woonvisie. Omdat met het plan een bedrijfslocatie verdwijnt in een woonwijk, leidt het plan daarnaast tot een verbetering van het woon- en leefklimaat van bestaande woningen.

Het initiatief is passend binnen de Woonvisie.

3.4.4 Duurzaamheidsvisie Gennep 2040

In 2023 heeft de gemeente de Duurzaamheidsvisie Gennep 2040 opgesteld. In deze visie wordt een inkijkje gegeven hoe een 'duurzaam Gennep' er in 2040 uitziet, welke stappen genomen moeten worden om daar te komen, en wie welke rol heeft. Technologieën en inzichten op het gebied van duurzaamheid zijn voortdurend in ontwikkeling. Daarom is de visie geen statisch document, hij wordt met enige regelmaat herzien. De doelstellingen voor 2040:

  • 1. Gennep is bijna energieneutraal;
  • 2. Al het vervoer is fossielvrij;
  • 3. Overal is schone lucht;
  • 4. Er is bijna geen afval meer;
  • 5. De gemeente is klimaatbestendig;
  • 6. Er is mooi groen.

Planspecifiek

De toe te voegen woningen voldoen aan de actuele normen op het gebied van energie en isolatie, waarmee een bijdrage geleverd wordt aan het verduurzamen van het woningaanbod in de gemeente Gennep. Het initiatief past daarmee binnen de Duurzaamheidsvisie van de gemeente Gennep.

3.4.5 Groenbeleidsplan 2021-2031

Het Groenbeleidsplan 2021-2031 is op 8 maart 2021 vastgesteld door de gemeenteraad. De doelstelling voor het groenbeheer is een groene, gezonde en leefbare buitenruimte voor mens en natuur.

Daarbij gebruikt de gemeente Gennep de volgende uitgangspunten:

  • het huidige openbaar-groennetwerk binnen de gemeente in stand houden;
  • op een natuur-inclusieve manier, met aandacht voor het herstel van ecosystemen en het herstel van de biodiversiteit werken;
  • rekening met de effecten van klimaatverandering houden;
  • meer uitleg over het hoe en waarom van onderhoudswerkzaamheden geven en investeren in een effectief partnerschap tussen betrokken partijen (participatie).

Planspecifiek

Als gevolg van het initiatief wordt nieuwe aanplant in het Ringeloorbosje mogelijk gemaakt. Het initiatief draagt daardoor bij aan het versterken van de belevingswaarde van het openbaar groen, bevordert biodiversiteit en biedt kansen voor natuurlijke processen en herstel van ecosystemen.

Het initiatief is hiermee passend binnen het Groenbeleidsplan.

3.4.6 Omgevingsplan

Huidige bouw- en gebruiksmogelijkheden

Het tijdelijk deel van het omgevingsplan bestaat uit de geldende bestemmingsplannen, de verordeningen tijdelijk deel omgevingsplan (archeologieverordening (artikel 38, Monumentenwet 1988), geurverordening (artikel 6, Wet geurhinder en veehouderij), verordening afvoer regen- en grondwater (artikel 10.32a, Wet milieubeheer), hogere waarde besluiten (artikel 110a, Wet geluidhinder), vastgestelde veiligheidscontouren (artikel 14, Besluit externe veiligheid inrichtingen) en de bruidsschat. Hierna wordt per aspect de ontwikkeling getoetst op strijdigheden. Om te bepalen of het initiatief past binnen het omgevingsplan, wordt getoetst aan het voorheen geldende bestemmingsplan dat één op één is overgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Op grond van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan kent het plangebied de bestemmingen 'Bedrijf', 'Wonen' en 'Groen'. Ter plaatse van de bedrijfsbestemming is een bouwvlak gelegen, waarbinnen maatvoeringen ten aanzien van de maximale bouw- (10 m) en goothoogte (6 m) zijn opgenomen. Het meest oostelijke deel van het bouwvlak heeft daarnaast een functieaanduiding 'bedrijfswoning'.

Ter plaatse van de groenbestemming is een aanduiding opgenomen waarmee het oprichten van bouwwerken wordt uitgesloten (specifieke bouwaanduiding – bouwwerken uitgesloten). Voor de woonbestemming zijn geen verdere locatiespecifieke regels van kracht. Wel geldt ter plaatse van het gehele plangebied nog de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 4'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01_0007.png"

Uitsnede vigerende planologische situatie (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Overige plannen
Behalve het bestemmingsplan 'Kern Milsbeek 2012' zijn ook de volgende plannen onderdeel van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan:

  • 'Paraplubestemmingsplan Parkeren Gemeente Gennep – digitaal', vastgesteld op 4 augustus 2018;
  • 'Thematische herziening verbod kamerbewoning', vastgesteld op 18 december 2023.

Met de relevante regels die deze plannen met zich meebrengen voor onderhavig initiatief is rekening gehouden.

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Ter plaatse van het plangebied zijn geen bouw- en gebruiksmogelijkheden opgenomen voor het toevoegen van 10 nieuwe woningen. Wel is binnen de bedrijfsbestemming nog wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om deze te wijzigen naar 'Wonen -1'. Met de komst van de omgevingswet kan van deze bevoegdheid geen gebruik meer worden gemaakt. Daarmee is onderhavig initiatief in strijd met het Omgevingsplan. Onderhavige omgevingsplanwijziging maakt het bouw- en gebruiksrecht voor de gewenste ontwikkeling mogelijk.

3.4.7 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De activiteit past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente. De ontwikkeling is echter in strijd met de regels van het omgevingsplan. Daarom wordt het omgevingsplan gewijzigd waarvoor onderhavige onderbouwing is opgesteld.

Hoofdstuk 4 Veilige en gezonde fysieke leefomgeving

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Weging van het waterbelang

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Waterschap Limburg

Het Waterschap Limburg voert beleid gericht op waterveiligheid, waterkwaliteit en waterkwantiteit, vastgelegd in onder meer het Waterbeheerprogramma 2022–2027 en de Beleidsregels Keur Waterschap Limburg. Belangrijke thema’s zijn klimaatadaptatie, het vasthouden en infiltreren van regenwater, het voorkomen van wateroverlast, het beschermen tegen overstromingen vanuit Maas en beken, en het verbeteren van de ecologische waterkwaliteit. Voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt gestuurd op het beperken van verhard oppervlak, het afkoppelen van hemelwaterafvoer en het realiseren van groen-blauwe voorzieningen.

Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP)

Het Gemeentelijk Rioleringsplan 2025-2026 gaat uit van een klimaatbestendig en duurzaam ingericht watersysteem, waarbij drie wettelijke zorgplichten centraal staan: afvalwater, hemelwater en grondwater. Belangrijke uitgangspunten zijn het gescheiden inzamelen en verwerken van afval- en hemelwater, infiltratie van regenwater op eigen terrein, het beperken van verhard oppervlak en het voorkomen van wateroverlast, ook bij extreme neerslag. Daarnaast streeft de gemeente naar integraal ruimtegebruik, waarbij wateroplossingen bijdragen aan leefbaarheid, biodiversiteit en hittestressreductie. Nieuwe ontwikkelingen, zoals woningbouw, moeten hydrologisch neutraal worden ingepast en voldoen aan de eisen uit de Keur van Waterschap Limburg, waarbij infiltratie en berging van regenwater op perceelniveau prioriteit hebben

Planspecifiek

Algemeen

Onderhavig plangebied maakt onderdeel uit van het beheergebied van het waterschap Limburg. Voor dit beheergebied is het niet mogelijk wateradvies op te vragen middels hetwateradvies.nl. Om die reden is via het wettelijk vooroverleg het waterschap op de hoogte gebracht van het plan. Het waterschap adviseert 100 mm in 24 uur aan hemelwaterberging te realiseren.

Watersysteem

In het plangebied zijn geen (beschermingszones van) beschermde watergangen/waterkeringen gelegen. Het initiatief heeft op deze onderdelen van het watersysteem op voorhand geen invloed.

Hemelwater/afvalwater

In de huidige situatie bestaat het plangebied grotendeels uit verhard bedrijfsterrein; alleen het Ringeloorbosje is onverhard. Dit betreft circa 3500 m2 aan verharding.

In de toekomstige situatie bedraagt het verhard oppervlak:

  • Dakoppervlak woningen: ca. 570 m2;
  • Parkeerkoffers: ca. 340 m2;
  • Rijbaan: ca. 560 m2
  • Opritten en parkeerplaatsen: ca. 350 m2;
  • Totaal: ca. 1820 m2

In de toekomstige situatie neemt het verhard oppervlak aanzienlijk af (circa 1680 m² ), wat leidt tot een betere infiltratie van hemelwater. Op basis van de systematiek uit het GRP 2025-2026 en het waterschapsbeleid zal is de verwachting dat voor het plan ca. 180 m3 aan berging gerealiseerd moet worden. De exacte hoeveelheid is echter pas bekend op het moment van de omgevingsvergunning voor het bouwen. Het plangebied beschikt over voldoende ruimte om in een dergelijke hoeveelheid waterberging te voorzien. Het plan zal voldoen aan de bergingseis van 100 mm in 24 uur.

Hemelwater wordt gescheiden van afvalwater afgevoerd en, conform de voorkeursvolgorde uit het gemeentelijk en waterschapsbeleid, zoveel mogelijk geïnfiltreerd op eigen terrein. Voor de afvoer van afvalwater wordt aangesloten op het bestaande gemeentelijke vuilwaterriool, waarbij het stelsel voldoende capaciteit heeft voor de voorgenomen toevoeging.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.2 Activiteiten en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

De toe te voegen woningen betreffen nieuwe milieugevoelige objecten. In de onderstaande tabel zijn de omliggende milieubelastende activiteiten en de bijbehorende richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' weergegeven. Geurhinder van veehouderijen blijft in deze paragraaf buiten beschouwing. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.5.

Functie (adres)   Milieucategorie   Grootste richtafstand (maatgevend aspect)   Feitelijke afstand tot plangebied  
Kunstnijverheid, Zwarteweg 32   Max. 2   30 m   ca. 95 m  
Land- en tuinbouwbedrijf, Zwarteweg 40   2   30 m (geluid)   ca. 45 m  

Uit voorgaande tabel is op te maken dat alle functies in de omgeving zich op voldoende afstand bevinden tot de milieugevoelige objecten in het plangebied. Geconcludeerd wordt dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast worden met de ontwikkeling geen bedrijven of functies belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.3 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Ten aanzien van de ontwikkeling is een bodemonderzoek uitgevoerd (zie bijlage 1). Uit het onderzoek zijn geen verhoogde gehalten aangetoond. De laag menggranulaat bevat geen asbest. De bodemkwaliteit levert daarmee geen belemmeringen voor de herontwikkeling en het toekomstig gebruik.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 (aanwijzing agglomeraties richtlijn luchtkwaliteit en richtlijn gevaarlijke stoffen in de lucht) Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:

  • bij een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit
  • bij de aanleg van een tunnel langer dan 100 meter, of als een tunnel wijzigt en daarbij minimaal 100 meter toeneemt;
  • bij de aanleg van een autoweg of een autosnelweg.

Op plekken waar mensen relatief kort verblijven, als het gaat om arbeidsplaatsen (bedrijventerreinen en bedrijfswoningen) en op locaties waar mensen niet kunnen komen is toetsing aan de omgevingswaarden voor luchtkwaliteit niet nodig.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het projectgebied is de receptor wegverkeer 50052969_15988902. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergegeven.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde (µg/m3)   12.1 µg/m3   14.8 µg/m3   8.3 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%. Vergelijkbaar met 1500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven. Tevens ligt het projectgebied /niet binnen de genoemde aandachtsgebieden (artikel 5.51 luchtkwaliteit in aandachtsgebieden) voor stikstofdioxide en/of fijnstof.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.5 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief worden nieuwe geurgevoelige objecten (woningen) mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn enkele intensieve veehouderijen aanwezig, waarvan de dichtstbijzijnde zich op circa 500 meter ten zuiden van het plangebied aan de Zwarteweg 10 bevindt. Op deze locatie worden kippen gehouden. Gezien de afstand tot het plangebied en de aanwezigheid van diverse woningen op kortere afstand tot deze veehouderij – waar rekening mee wordt gehouden bij de (toekomstige) bedrijfsvoering – kan gesteld worden dat er sprake is van een aanvaardbare situatie op de beoogde woningen. Daarnaast kan op voorhand worden gesteld dat er geen veehouderijen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden door voorliggend initiatief.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.6 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
  • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

Het bevoegd gezag kan alleen geluid tot en met de grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toestaan als ze:

  • 1. geen geluidbeperkende maatregelen kan treffen om aan de standaardwaarde te voldoen (artikel 5.78n, lid 1, onder a Bkl);
  • 2. de overschrijding van de standaardwaarde zoveel mogelijk heeft beperkt door het treffen van geluidbeperkende maatregelen (artikel 5.78n, lid 1b Bkl);
  • 3. bij voorwaarde 1 en 2 geluidbeperkende maatregelen overweegt die financieel doelmatig zijn en tegen het treffen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan (artikel 5.78n, lid 2 Bkl);
  • 4. besluit tot geluidwerende maatregelen als het geluid in een geluidgevoelige ruimte hoger is dan de grenswaarde in geluidgevoelig ruimte (binnenwaarde) (artikel 3.52 Bkl). De karakteristieke geluidwering van deze ruimte is minstens 3 dB groter dan het verschil tussen het gezamenlijk geluid en de grenswaarde. Deze grenswaarde in geluidgevoelig ruimte is meestal 36 dB. In een beperkt aantal bestaande situaties is de grenswaarde 41 dB (artikel 3.52, lid 1, onder a sub 1 Bkl);
  • 5. het gecumuleerd geluid beoordeelt (artikel 5.78p Bkl);
  • 6. het gezamenlijk geluid bepaalt (artikel 5.78q Bkl).

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Wegen met een verkeersintensiteit van in elk geval minder dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal als kalenderjaargemiddelde hebben geen aandachtsgebied.

Planspecifiek

Met onderhavig initiatief worden nieuwe geluidgevoelige objecten (woningen) mogelijk gemaakt. Om de geluidsituatie met betrekking tot wegverkeerslawaai te beoordelen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie bijlage 2). Uit het onderzoek blijkt dat voor onderhavig initiatief de standaardwaarde op 1 woning wordt overschreden, maar dat het plan voldoet aan de wettelijke eisen van de Omgevingswet onder de voorwaarde dat het binnenniveau van 33 dB gehaald wordt. Middels gevelwering is dit mogelijk. Dat wordt getoetst bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen. Het treffen van andere maatregelen is om financiële of ruimtelijke overwegingen niet mogelijk. Er wordt voldaan aan het gemeentelijke beleid.

In de omgeving van het plangebied zijn geen spoorwegen of industrieterreinen gelegen. Op voorhand kan uitgesloten worden dat ter plaatse van het plangebied hinder als een gevolg van spoorweg- of industrielawaai optreedt.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.7 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met de blauwe cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01_0008.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op voorgaande afbeelding is te zien dat het plangebied in de omgeving van enkele risicobronnen gelegen is. Deze bevnden zich allemaal op ruime afstand van het plangebied. De planlocatie bevindt zich niet in een PR-contour of relevant aandachtsgebied van deze risicobronnen. Een nadere verantwoording in het kader van het groepsrisico is daarmee niet nodig. Het aspect omgevingsveiligheid levert geen belemmeringen op voor het plan.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.8 Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl.

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat.

Planspecifiek

In de ruime omgeving van het projectgebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.9 Gezondheid

De Omgevingswet stelt de gezondheid van mens en milieu nadrukkelijk centraal in de afwegingen rondom de fysieke leefomgeving. Gezondheid wordt daarbij breed geïnterpreteerd en omvat zowel het beschermen tegen negatieve invloeden, zoals luchtverontreiniging, geluid of geur, als het bevorderen van positieve gezondheidseffecten, bijvoorbeeld door ruimte te bieden aan groen, beweging en sociale interactie. Overheden hebben daarbij de expliciete taak om bij het opstellen van plannen en het nemen van besluiten aandacht te besteden aan een veilige, gezonde en duurzame leefomgeving.

Planspecifiek

Het plan voorziet in het versterking van het bestaande Ringeloorbosje en vergroening van de planlocatie. De aanwezigheid van groen in de directe omgeving levert een bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en heeft een positief effect op gezondheid en welzijn. Hiermee wordt invulling gegeven aan het streven naar een gezonde fysieke leefomgeving.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

4.10 M.e.r.-beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.
    • a. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.
    • b. Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de mer-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek

Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van minder dan 12 woningen. Het initiatief valt daarmee niet aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Het opstellen van een mer-beoordelingsnotitie is daarom niet nodig. Er is ook geen sprake van een mer-plicht.

Hoofdstuk 5 Goede omgevingskwaliteit

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze een goede omgevingskwaliteit wordt gewaarborgd en verder ontwikkeld door de voorgenomen ontwikkeling.

5.1 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Planspecifiek

Het aantal te realiseren woningen bedraagt minder dan 12, waardoor er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en een verdere toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.2 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is veelal opgenomen op de archeologische beleidskaart en/of de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal vertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk deel van het) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap

Binnen (de omgeving van) het plangebied zijn geen objecten van cultuurhistorische waarde, zoals rijks- of gemeentelijke monumenten, gelegen. Van aantasting van deze waarden is daarmee bij voorbaat geen sprake. De ontwikkeling vindt plaats binnen de bebouwde kom van Milsbeek en heeft daarmee ook vanuit landschappelijk oogpunt een beperkte invloed.

Archeologie

Ter plaatse van het plangebied geldt de archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 4'. Voor gronden met deze dubbelbestemming geldt dat bodemonderzoek pas nodig is voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 2.500 m2 en dieper dan 50 centimeter. Deze drempelwaarden worden met het plan niet overschreden. Het uitvoeren van archeologisch onderzoek is daarom in het kader van de wijziging omgevingsplan niet nodig. De bestaande regels ten aanzien van archeologie blijven met het plan intact, waarmee eventueel aanwezige archeologische resten in de toekomst nog altijd voldoende beschermd zijn.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.3 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een Quickscan flora en fauna (bijlage 3) uitgevoerd. Uit de Quickscan blijkt dat enkele vervolgstappen nodig zijn voordat werkzaamheden uitgevoerd kunnen worden, waaronder hazelwormonderzoek, huismusonderzoek en stikstofonderzoek. De onderzoeken naar de hazelworm en huismus worden uitgevoerd voorafgaand aan het uitvoeren van werkzaamheden. Gelet op de resultaten van het onderzoek kan worden gesteld dat, met inachtneming van de genoemde maatregelen en vervolgstappen in de Quickscan, geen belemmeringen ten aanzien van het plan bestaan.

Een voortoets stikstofdepositie is reeds uitgevoerd en toegevoegd als bijlage 4. Hieruit volgt dat er geen negatieve effecten zijn voor Natura 2000-gebied.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.4 Verkeer en parkeren

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

Verkeersgeneratie en ontsluiting

Als gevolg van de ontwikkeling verandert de hoeveelheid verkeer van en naar het plangebied. In de huidige situatie bevindt zich op de planlocatie reeds een bedrijf dat enige mate van verkeer aantrekt. De betreffende houthandel kan beschouwd worden als een arbeidsintensief/bezoekersextensief bedrijf. Voor dit type bedrijvigheid, gelegen in een zone aan te merken als 'rest bebouwde kom', kan op basis van CROW-gegevens een verkeersgeneratie van circa 10 vervoersbewegingen per 100 m2 bvo gehanteerd worden. Gelet op de omvang van het bedrijf (ca. 800 m2), betekent dit een generatie van circa 80 vervoersbewegingen. Voor nieuwe woningen bedraagt dit circa 8 vervoersbewegingen per woning. Het toevoegen van de woningen levert daarmee ook circa 80 verkeersbewegingen op. Per saldo zal de ontwikkeling met betrekking niet leiden tot een (merkbare) toename van verkeer. De woningen worden , behalve de vrijstaande woningen, ontsloten via een aan de Zwarteweg aan te takken straatje. Deze komt op de locatie van de bestaande inrit aan de Zwarteweg. De vrijstaande woningen krijgen een eigen inrit vanaf de Zwarteweg. De Zwarteweg heeft voldoende capaciteit om het verkeer van de nieuwe woningen te verwerken.

Parkeren

Uitgangspunt van het initiatief is dat geparkeerd wordt op eigen terrein. Hiervoor is rekening gehouden met de Nota Parkeernormen Gennep 2024. Navolgende tabel geeft de parkeerbehoefte weer:

Type woning   Aantal   Parkeernorm   Behoefte  
Sociale huur   4   1,5   6  
Twee-onder-één-kap (50-75 m2)   2   1,8   3,6  
Seniorenwoning   3   1,4   4,2  
Vrijstaand (>100 m2)   2   2,3   4,6  
Totaal   10     18,3  

In totaal worden 14 parkeerplaatsen in openbaar gebied toegevoegd. De seniorenwoningen, vrijstaande woningen en twee-onder-een-kapwoningen worden daarnaast voorzien van een eigen lange oprit, welke volgens de Parkeernota meetellen als 2 parkeerplaatsen. Daarmee is bij de nieuwe woningen sprake van 12 extra parkeerplaatsen op eigen terrein. Ook bij de bestaande woning bevindt zich in de toekomstige situatie een lange inrit. Geconcludeerd wordt dat met het plan ruimschoots in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

5.5 Duurzaamheid en klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Als een gevolg van klimaatverandering kan ter plaatse van het plangebied een toename van het aantal zeer natte dagen verwacht worden. Gemiddeld neemt de jaarlijkse neerslag toe, maar neemt de hoeveelheid neerslag in de zomer naar verwachting af ten opzichte van de huidige situatie. Als gevolg van de ontwikkeling neemt de hoeveelheid verharding ter plaatse van het plangebied af. Hiermee kan hemelwater beter in de bodem infiltreren en wateroverlast worden voorkomen.

Hittestress

Klimaatverandering kan leiden tot een toename van de hoeveelheid tropische dagen en langere hitte. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Ook vergroening van het plangebied leidt tot het voorkomen van hittestress.

Droogte

Door klimaatverandering kan een hoger neerslagtekort verwacht worden. Door het vergroenen van het plangebied kan hemelwater beter infiltreren en blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. Hiermee worden negatieve effecten als gevolg van droogte beperkt.


Overstroming

Het plangebied is in de omgeving van de Maas gelegen. Mede hierdoor bestaat er ter plaatse van het plangebied enig risico op overstroming. Uit de klimaateffectatlas blijkt dat in het geval van een zware overstroming de overstromingsdiepte beperkt blijft. Daarnaast wordt het plangebied ontsloten door de Zwarteweg, waarmee de locatie in het geval van een noodsituatie goed bereikbaar is voor hulpdiensten. Ter plaatse van het plangebied bestaan voldoende mogelijkheden tot schuilen.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in hoofdstuk 6.

Hoofdstuk 6 Conclusie

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

Planspecifiek

Uit voorgaande hoofdstukken blijkt dat er geen aspecten zijn die beperkend werken op de gewenste ontwikkeling. Er wordt voldaan aan de eisen voor gezondheid en veiligheid: ook als optelsom -en de weging daarbij- geldt dat gezien hetgeen in hoofdstuk 4 en 5 is te lezen ("veilige en gezonde fysieke leefomgeving" en "een goede omgevingskwaliteit") dit plan voldoet aan evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving

7.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

7.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding bij het plan. Dit plan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 3: Overgangsregels.

7.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22t] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22t] van het omgevingsplan Gennep. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan.

7.4 Beschrijving per functie

Onderhavig initiatief kent de volgende functies:

  • Verkeer: ten behoeve van de aan te leggen weg en parkeervoorzieningen in het plangebied;
  • Wonen - 1: ten behoeve van de woningen en bijbehorende erven en tuinen. Ter plaatse van de woonfunctie zijn bouwvlakken opgenomen waarbinnen de bouw van de woningen is toegestaan. Hierbinnen gelden de volgende aanduidingen:
    • 1. 'Vrijstaand';
    • 2. 'Twee-aaneen';
    • 3. 'Aaneengebouwd';
    • 4. 'Maximum aantal wooneenheden'.

Hoofdstuk 8 Overige aspecten

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

8.1 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. De gemeenteraad kan aangeven in welke gevallen participatie verplicht is en hoe dat vorm gegeven kan worden

Planspecifiek

Voor het initiatief heeft de initiatiefnemer de direct belanghebbenden in de omgeving op de hoogte gebracht. (zie bijlage 5) Daarnaast heeft de gemeente op 8 december 2025 een gesprek gevoerd met diverse omwonenden van het 'Ringeloorbosje' over het beoogde wandel- en fietspad. Het verslag van dat gesprek is opgetekend als een mondelinge zienswijze.

Op 26 februari heeft daarnaast een participatiegesprek plaatsgevonden waarin het volgende is afgesproken met de initiatiefnemer:

  • 1. De boomhoogte van een eventuele boom staande in de noordwestelijke hoek van de tuin van de levensbestendige woning is maximaal 4 meter;
  • 2. Tussen deze levensloopbestendige woning en de tuin van Heiveld 7 zal een haag worden aangebracht van uiteindelijk minimaal 3 meter en maximaal 3,5 meter hoog. Beide aanwonende eigenaren kiezen gezamenlijk de soort haag. De haag zal op de erfgrens worden gezet. Dit betekent dat het onderhoud van deze haag door beide eigenaren (Heiveld 7 en perceel levensloopbestendige woning) zal worden uitgevoerd.

Deze twee afspraken zijn meegenomen in het inrichtingsplan in bijlage 1 bij de regels.

8.2 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. De kosten voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden via de anterieure overeenkomst geregeld. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de procedure met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de procedure worden verrekend via de anterieure overeenkomst. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de anterieure overeenkomst.

Ook afspraken betreffende nadeelcompensatie maken onderdeel uit van de anterieure overeenkomst. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

8.3 Vooroverleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de belanghebbende instanties. De reacties van vooroverlegpartners zijn opgenomen in de Nota van Zienswijzen (bijlage 6).

8.4 Procedure

Het ontwerpplan heeft vanaf donderdag 27 november 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn er 9 zienswijzen op het plan binnengekomen. Deze zijn opgenomen en beantwoord in de Nota van Zienswijzen (bijlage 6). De zienswijzen hebben niet geleid tot een wijziging van het juridisch bindende deel van het TAM-omgevingsplan.