direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Zwarteweg 59, Milsbeek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01

Regels

Relatie met Omgevingsplan gemeente Gennep

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Zwarteweg 59, Milsbeeken is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22t]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Gennep. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

Leeswijzer regels

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) moet als volgt worden gelezen:

  • 1. Regels: Hoofdstuk 22t Zwarteweg 59, Milsbeek van het Omgevingsplan Gemeente Gennep;
  • 2. Hoofdstukken: Paragrafen van Hoofdstuk 22t Zwarteweg 59, Milsbeek van het Omgevingsplan Gemeente Gennep;
  • 3. Artikelen: Artikel 22t.[X] van Omgevingsplan Gemeente Gennep.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels (Paragraaf 22t.1)

Artikel 1 Begripsbepalingen

  • a. Artikel 1.1 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing voor dit hoofdstuk 22t.
  • b. In aanvulling op sub a, dan wel in afwijking daarvan gelden voor de toepassing van dit hoofdstuk 22t de volgende begripsbepalingen:
    • 1. Plan: Omgevingsplan van de gemeente Gennep.
    • 2. Aan huis verbonden bedrijf: een bedrijf dat in een (gedeelte van) of bij een woonruimte wordt uitgeoefend en dat is gericht op het vervaardigen van producten en/of het leveren van diensten, door maximaal twee personen waaronder de gebruik(st)er van de woonruimte; hieronder worden tevens internet(web)winkels begrepen.
    • 3. Aan huis verbonden beroep: een dienstverlenend beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, ontwerptechnisch of kunstzinnig gebied, dat in of bij een woonruimte wordt uitgeoefend door maximaal twee personen waaronder de gebruik(st)er, waarbij de woonruimte in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is, met dien verstande dat er geen detailhandel is toegestaan met uitzondering van detailhandel als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis verbonden beroep;
    • 4. Ander bouwwerk met een dak: een bouwwerk dat is voorzien van een dak en dat niet is aan te merken als hoofdgebouw of als bijgebouw.
    • 5. Bed & breakfast: een activiteit ondergeschikt aan een woning die in hoofdzaak bestaat uit het verstrekken van nachtverblijf voor korte tijd en waarbij het verstrekken van maaltijden en/of dranken aan de logerende gasten (daaraan) ondergeschikt is.
    • 6. Beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken: beleidsregels als bedoeld in artikel 4.19 Omgevingswet en tot het moment dat die beleidsregels zijn vastgesteld wordt daaronder mede verstaan de gemeentelijke welstandsnota als bedoeld in artikel 4.114, lid 1 Invoeringswet Omgevingswet.
    • 7. Betaalbaar lage koopwoning: Een betaalbaar lage koopwoning zoals bedoeld in de Woon(zorg)visie 'Samen bouwen aan het nieuwe wonen' of de rechtsopvolger daarvan.
    • 8. Betaalbaar midden koopwoning: Een betaalbaar midden koopwoning zoals bedoeld in de Woon(zorg)visie 'Samen bouwen aan het nieuwe wonen' of de rechtsopvolger daarvan.
    • 9. Bijgebouw: een op zichzelf staand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het oorspronkelijk hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het oorspronkelijk hoofdgebouw.
    • 10. Bouwgrens: de grens van een bouwvlak.
    • 11. Bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels in dit Hoofdstuk 22t een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.
    • 12. Bouwvlak: een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.
    • 13. Hoofdgebouw: gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de functie die aan een perceel is toegekend in dit Hoofdstuk 22t en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
    • 14. Huishouden: één of meer personen die een gezamenlijke huishouding voeren, waarbij sprake is van continuïteit in samenstelling en onderlinge verbondenheid.
    • 15. Hoofdgebouw: een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is.
    • 16. Midden huurwoning: Een midden huurwoning zoals bedoeld in de Woon(zorg)visie 'Samen bouwen aan het nieuwe wonen' of de rechtsopvolger daarvan.
    • 17. Oorspronkelijk hoofdgebouw: het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd.
    • 18. Onzelfstandige woonruimte: woonruimte in een gebouw die niet zelfstandig door een huishouden kan worden bewoond, omdat men afhankelijk is van een of meer wezenlijke voorzieningen buiten die woonruimte. Tot de wezenlijke voorzieningen behoren de natte cel, toiletruimte en opstelplaats voor een keuken.
    • 19. Sociale huurwoning: Een zelfstandige woning waarvan de kale huurprijs niet meer bedraagt dan de maximale huurprijs voor sociale huurwoningen zoals jaarlijks vastgesteld door het ministering van Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening, of de rechtsopvolger daarvan.
    • 20. Voorgevel: de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig dient te worden aangemerkt.
    • 21. Voorgevelrooilijn: de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan.
    • 22. Woonsegment: Specifieke categorieën of types van woningen, zoals sociale huurwoningen, betaalbare lage- en midden koopwoningen, enzovoort.
    • 23. Zelfstandige woonruimte: Een zelfstandig (gedeelte van een) gebouw, dat dient voor en gelet op de aanwezigheid van alle wezenlijke voorzieningen geschikt is voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • 1. De regels in dit hoofdstuk 22t zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Zwarteweg 59, Milsbeek, waarvan de geometrische planobjecten zijn vervat in het gml-bestand NL.IMRO.0907.TI22TZwartew59MIL-VA01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in het tijdelijk deel van het omgevingsplan, te weten bestemmingsplan 'Kern Milsbeek', artikel 5 Bedrijf, artikel 10 Groen en artikel17 Wonen -1, met de daarbij horende begrippen, en wijze van meten, gelden voor de locatie als bedoeld in het eerste lid de regels zoals opgenomen in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Zwarteweg 59, Milsbeek niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22t van dit plan.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.23 van dit omgevingsplan wordt bij het bouwen van bouwwerken op de volgende wijze gemeten:

  • a. bouwhoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van het gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen;
  • b. goothoogte: de afstand vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  • c. dakhelling: de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak;
  • d. oppervlakte van een bouwwerk: de oppervlakte, gemeten tussen de buitenwerkse gevelvlakken of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; en
  • e. straatpeil:
    • 1. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; en
    • 2. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.

Artikel 4 Anti-dubbeltelbepaling

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 5 Normadressaat

Aan de regels in dit Hoofdstuk 22t wordt voldaan door degene die de activiteit verricht, tenzij anders is bepaald. Diegene draagt zorg voor de naleving van de regels over de activiteit.

Hoofdstuk 2 Inhoudelijke regels - Functies en gebruiksactiviteiten (Paragraaf 22t.2)

Artikel 6 Algemeen

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies.

Artikel 7 Verkeer

7.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van Verkeer op de op de verbeelding voor Verkeer aangewezen locaties.

7.2 Doelen

De regels die in dit Hoofdstuk 22t zijn gesteld voor de voor Verkeer aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  • c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  • d. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  • e. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  • f. het beheren van watersystemen;
  • g. het gebruiken van bouwwerken;
  • h. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden;
  • i. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;
  • j. het bieden van voldoende woonruimte;
  • k. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing;
  • l. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied.
7.3 Toegestane functies

Op de voor Verkeer aangewezen locaties is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor:

  • a. verharde en onverharde wegen en straten met maximaal 2x1 rijstroken, wandel- en (brom)fietspaden met een functie voornamelijk gericht op verblijf, en de afwikkeling van het doorgaande verkeer;
  • b. parkeer-, groen- en speelvoorzieningen;
  • c. kunstwerken;
  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. waterhuishoudkundige doeleinden, waterberging en waterlopen;
  • f. incidentele of kortstondige evenementen;
  • g. reclame-voorzieningen van overheidsinstanties in het kader van het algemeen belang;

met bijbehorende gebouwen en overige bouwwerken.

Artikel 8 Wonen

8.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf is van toepassing op het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van wonen op de op de verbeelding voor Wonen aangewezen locaties.

8.2 Doelen

De regels die in dit Hoofdstuk 22t zijn gesteld voor de voor Wonen aangewezen locaties zijn, met het oog op de doelen van artikel 1.3 van de Omgevingswet, gericht op:

  • a. een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • b. het beschermen van een goed woon- en leefklimaat;
  • c. het beschermen van landschappelijke en stedenbouwkundige waarden;
  • d. het aanpassen van de fysieke ruimte aan de gevolgen van klimaatverandering, waaronder wateroverlast en hittestress;
  • e. het waarborgen van een goede kwaliteit van bouwwerken;
  • f. het beheren van watersystemen;
  • g. het gebruiken van bouwwerken;
  • h. het bevorderen van een duurzame ruimtelijke en economische ontwikkeling van gebieden;
  • i. het bevorderen van een duurzame ontwikkeling;
  • j. het bieden van voldoende woonruimte;
  • k. het tegengaan van verrommeling van erven en terreinen en behoud van beeldkwaliteit van bebouwing;
  • l. het realiseren van een klimaatbestendig woongebied.
8.3 Toegestane functies

Op de voor Wonen aangewezen locaties is het uitsluitend toegestaan gronden en bouwwerken te gebruiken voor wonen in een woonruimte en de daarbij behorende tuinen en erven en uitsluitend overeenkomstig dit artikel 8.

8.4 Algemene regels toegestaan gebruik - wonen in een woonruimte

Het gebruik van gronden en gebouwen voor wonen op een voor Wonen aangewezen locatie als bedoeld in artikel 8.3 is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. in een woonruimte woont niet meer dan één huishouden;
  • b. gebruik ten behoeve van onzelfstandige woonruimte is niet toegestaan;
  • c. het aantal zelfstandige woonruimten op de voor Wonen aangewezen locatie mag niet meer bedragen dan door middel van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
  • d. per bouwperceel is maximaal één woonruimte toegestaan.
8.5 Algemene regels toegestaan gebruik - aan huis verbonden beroep

Het gebruik van gronden en gebouwen op een voor Wonen aangewezen locatie als bedoeld in artikel 8.3 voor een aan huis verbonden beroep is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. het onbebouwde gedeelte van het perceel mag niet ten behoeve van aan huis verbonden beroepen worden gebruikt met uitzondering van parkeren;
  • b. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning, met inbegrip van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen, mag worden gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden beroep.
8.6 Algemene regels toegestaan gebruik - erven en tuinen
  • 4. De functie van het bij een woonruimte behorend erf volgt het gebruik van de woonruimte, waarbij geldt dat het erf mag worden ingericht en gebruikt op een wijze die als een normale inrichting en gebruik van het eigen erf wordt beschouwd;
  • 5. Onder het toegestaan gebruik als bedoeld in lid 1 wordt ieder geval begrepen: parkeervoorzieningen, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en verhardingen tenzij elders in dit omgevingsplan anders is bepaald.
  • 6. Onder het toegestaan gebruik als bedoeld in lid 1 wordt ieder geval niet begrepen het gebruik als stand- of ligplaats voor kampeermiddelen.
8.7 Algemene regels strijdig gebruik

De volgende activiteiten zijn in ieder geval verboden:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken als stand- of ligplaats voor kampeermiddelen;
  • b. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning.
8.8 Algemene regels woonsegmentering
  • 1. Het aantal woningen bedraagt minimaal het aantal per woonsegment zoals aangegeven in onderstaande tabel:
Woonsegment   Minimum aantal  
Sociale huurwoningen   aantal aangegeven op de locatie 'minimum sociale huurwoningen'  

  • 2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing voor zover het aantal woningen zoals aangegeven in het eerste lid niet in gebruik is genomen.
8.9 Omgevingsvergunningplicht wijzigen woonruimte

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor Wonen aangewezen locatie als bedoeld in artikel 8.3:

  • 1. een gebouw in gebruik te nemen als woonruimte, anders dan toegelaten op basis van artikel 8.4;
  • 2. een woonruimte te splitsen in en te gebruiken als twee of meer (on)zelfstandige woonruimten;
  • 3. een zelfstandige woonruimte geheel of gedeeltelijk om te zetten in en te gebruiken als onzelfstandig woonruimte(n);
  • 4. onzelfstandige woonruimte(n) samen te voegen tot en te gebruiken als zelfstandige woonruimte(n);
  • 5. een onzelfstandige woonruimte te splitsen in en te gebruiken als twee of meer onzelfstandige woonruimten;
  • 6. een zelfstandige woonruimte aan de woonruimtevoorraad te onttrekken.
8.10 Omgevingsvergunningplicht aan huis verbonden bedrijf

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor Wonen aangewezen locatie als bedoeld in artikel 8.3 gronden en bouwwerken te gebruiken voor een aan huis verbonden bedrijf.

8.11 Omgevingsvergunningplicht bed and breakfast

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor Wonen aangewezen locatie als bedoeld in artikel 8.3 gronden en bouwwerken te gebruiken voor recreatieve nevenactiviteiten in de vorm van een bed and breakfast.

8.12 Omgevingsvergunningplicht wijziging woonsegment

Het is verboden zonder omgevingsvergunning op een voor Wonen aangewezen locatie om het woonsegment van een woning zodanig te wijzigen dat niet langer wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 8.8, eerste lid.

8.13 Beoordelingsregels wijzigen woonruimte
  • 1. Het bevoegd gezag verleent een vergunning als bedoeld in artikel 8.9 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. de beoogde toename dan wel afname voorziet zowel kwantitatief als kwantitatief in de behoefte, rekeninghoudend met de bestaande woningvoorraad en de bestaande plancapaciteit;
    • b. de ontwikkeling doet geen onevenredige afbreuk aan de voor het betreffende gebied geldende doelen en speerpunten uit de Omgevingsvisie;
    • c. er ontstaan geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat in de omgeving, waarbij in ieder geval ook andere vormen van wonen en verblijf in de omgeving worden betrokken;
    • d. er ontstaan geen onevenredig nadelige gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van omliggende percelen;
    • e. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan;
8.14 Beoordelingsregels aan huis verbonden bedrijf

Het bevoegd gezag verleent de vergunning als bedoeld in artikel 8.10 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. het onbebouwde gedeelte van het perceel niet ten behoeve van aan huis verbonden bedrijven wordt gebruikt met uitzondering van parkeren;
  • b. maximaal 50 m² van het vloeroppervlak van de woning, met inbegrip van de aan- en uitbouwen en bijgebouwen, wordt gebruikt voor de uitoefening van een aan huis verbonden bedrijf;
  • c. er geen sprake is van een duurzame ontwrichting van de bestaande distributieve voorzieningen of een ernstige verstoring van de verzorgingsstructuur;
  • d. er geen sprake is van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • e. er geen detailhandel plaatsvindt behalve als ondergeschikte nevenactiviteit bij de uitoefening van een aan huis gebonden bedrijf;
  • f. uitsluitend bedrijfsactiviteiten plaatsvinden, die zijn opgenomen in categorie 1 of 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten, zoals opgenomen als bijlage 1 bij de regels in dit hoofdstuk;
  • g. de woonfunctie gehandhaafd blijft;
  • h. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
8.15 Beoordelingsregels bed and breakfast

Het bevoegd gezag verleent de vergunning als bedoeld in artikel 8.15 indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de activiteit vindt plaats binnen de op het moment van het verlenen van de omgevingsvergunning bestaande bebouwing;
  • b. het bruto vloeroppervlak ten behoeve van bed and breakfast maximaal 120 m² bedraagt, waarbij de maximale oppervlakte per slaapverblijf 30 m² mag bedragen;
  • c. er wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan;
  • d. het aantal slaapplaatsen maximaal 7 bedraagt.
8.16 Beoordelingsregels wijzigen woonsegment

Het college verleent de omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 8.12, uitsluitend voor zover verlening niet in strijd is met de Woon(zorg)visie van de gemeente Gennep, of met de opvolger hiervan.

8.17 Aanvraagvereisten omgevingsvergunningen
  • 1. De aanvraagvereisten als opgenomen in paragraaf 22.5.3 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van dit artikel 7.
  • 2. In aanvulling op het bepaalde in het eerste lid wordt een motivering verstrekt waaruit blijkt dat aan de aan de van toepassing zijnde beoordelingsregels wordt voldaan.
8.18 Geluid

In afwijking op het bepaalde in artikel 22.65, eerste lid van dit plan, geldt voor een geluidgevoelig gebouw op gronden die zijn aangewezen als 'specifieke vorm van wonen - afwijkende geluidbelasting' dat de maximale geluidbelasting als gevolg van wegverkeer niet meer dan 56 Lden mag bedragen.

Hoofdstuk 3 Bouwactiviteiten (Paragraaf 22t.3)

Artikel 9 Algemeen

9.1 Toepassingsbereik

Deze paragraaf gaat over het bouwen van bouwwerken op een voor Wonen aangewezen locatie.

9.2 Bouwen ten behoeve van gebruik

Een bouwwerk mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van het op grond van Paragraaf 22A.2 ter plaatse toegelaten gebruik voor Wonen .

9.3 Voorwaardelijke verplichting onderzoek huismus en hazelworm

In het plangebied zijn (ver)bouwwerkzaamheden pas toegestaan als met nader ecologisch onderzoek is aangetoond dat er ((indien van toepassing) na het nemen van maatregelen c.q. na het verlenen van een ontheffing) geen significant negatieve effecten optreden voor de huismus en /of de hazelworm.

9.4 Toegelaten bouwactiviteiten

Uitsluitend de volgende bouwwerken mogen worden gebouwd op een voor Wonen aangewezen locatie:

  • a. bouwwerken als bedoeld in deze paragraaf 22t.3;
  • b. bouwwerken als bedoeld in artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving, voor zover wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden;
  • c. bouwwerken als bedoeld paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan, voor zover wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden.
9.5 Bestaande bouwwerken

In aanvulling op artikel 22.39 van dit omgevingsplan is voor het in stand houden van een bestaand bouwwerk geen omgevingsvergunning vereist, mits het een feitelijk bestaand bouwwerk betreft dat is gebouwd:

  • a. overeenkomstig een daarvoor verleende omgevingsvergunning;
  • b. overeenkomstig algemene regels als opgenomen in dit plan;
  • c. overeenkomstig algemene regels, zoals die golden ten tijde van het bouwen van het bouwwerk en, hetgeen ook kan worden aangetoond;
  • d. vóór 1945, hetgeen ook kan worden aangetoond.
9.6 Algemene regels – ondergronds bouwen

Voor zover op een locatie op grond van deze paragraaf (paragraaf 22t.3) gebouwen mogen worden gebouwd, mogen gebouwen tevens ondergronds worden gebouwd tot een verticale bouwdiepte van maximaal 4 meter.

9.7 Algemene regels – parkeervoorzieningen
  • 3. Bij het bouwen van een bouwwerk dient voorzien te worden in voldoende parkeergelegenheid overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
  • 4. Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sub 1, mits voldaan wordt aan de voorwaarden voor afwijking zoals genoemd in de 'Nota Parkeernormen Gennep 2024' of de rechtsopvolger daarvan.
9.8 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten als opgenomen in artikel 22.34 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning op basis van deze paragraaf 22t.3.

Artikel 10 Hoofdgebouwen ten behoeve van woonruimte

10.1 Toepassingsbereik
  • 1. Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van gebouwen op een voor Wonen aangewezen locatie.
  • 2. Voor zover het een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak betreft zoals bedoeld in artikel 11 is daarop niet dit artikel, maar artikel 11 van toepassing.
10.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In afwijking van artikel 22.25 van dit omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een hoofdgebouw voor een woonruimte te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor Wonen aangewezen locatie.

10.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  • a. De vergunningplicht als bedoeld in artikel 10.2 is niet van toepassing indien de voorgenomen bouwactiviteit is genoemd in:
    • 1. artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving en wordt voldaan aan de in dat artikel opgenomen voorwaarden;
    • 2. paragraaf 22.2.7.2 van dit omgevingsplan en wordt voldaan aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden; of
    • 3. paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan en wordt voldaan aan de in die paragraaf genoemde voorwaarden.
  • b. Bij de toepassing van sub a dient waar in de genoemde paragrafen wordt verwezen naar artikel 22.25, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 10.2 van dit Hoofdstuk 22t.
  • c. Artikel 22.22 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
10.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 10.2 wordt alleen verleend indien

  • 1. het gebouw wordt gebouwd op gronden die zijn aangewezen als bouwvlak;
  • 2. de bebouwingstypologie van het gebouw betreft:
    • a. vrijstaand, ter plaatse van de aanduiding vrijstaand;
    • b. twee-aaneen, ter plaatse van de aanduiding twee-aaneen;
    • c. aaneengesloten, ter plaatse van de aanduiding aaneengebouwd;
  • 3. de voorgevel van het gebouw in een naar de weg gekeerde grens van het bouwvlak wordt gebouwd, dan wel op maximaal 4 meter achter die grens;
  • 4. de diepte van het gebouw:
    • a. maximaal 12 meter bedraagt, indien de afstand van de voorste bouwgrens tot de achter bouwperceelsgrens niet meer dan 22 meter bedraagt;
    • b. maximaal 12 meter + de afstand boven de 22 meter bedraagt, indien de afstand de voorste bouwgrens tot de achterste bouwperceelgrens wel meer dan 22 meter bedraagt, maar in totaal niet meer dan 15 meter. Indien deze bepaling onder b strijdig is met het bepaalde onder lid 1, is het bepaalde onder b leidend waarbij alsdan de grens van het bouwvlak aan de achterzijde van de woning mag worden overschreden;
  • 5. De diepte van het gebouw niet minder bedraagt dan:
    • a. 6 meter, ter plaatse van de aanduiding vrijstaand;
    • b. 6 meter, ter plaatse van de aanduiding twee-aaneen;
    • c. 5 meter, ter plaatse van de aanduiding aaneengebouwd.
  • 6. de goothoogte van het gebouw voldoet aan de ter plaatse van de aanduiding maximum goothoogte (m) opgegeven goothoogte;
  • 7. de bouwhoogte van het gebouw voldoet aan de ter plaatse van de aanduiding maximum bouwhoogte (m) opgegeven bouwhoogte;
  • 8. het uiterlijk of de plaatsing van het gebouw, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  • 9. In afwijking van het bepaalde onder 9 verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.
10.5 Aanvullende beoordelingsregel bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie

Artikel 22.28 sub c, 22.29 en 22.30 van dit omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 11 Bijgebouwen

11.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bijgebouw of een ander bouwwerk met een dak op een voor Wonen aangewezen locatie.

11.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

In afwijking van artikel 22.25 van dit omgevingsplan is het verboden zonder omgevingsvergunning een bijgebouw of een ander bouwwerk met een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor Wonen aangewezen locatie.

11.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht bijgebouwen
  • 1. In aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 11.2 niet van toepassing indien een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak voldoet aan lid 4 van dit artikel.
  • 2. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.25, in plaats van dit artikel te worden gelezen, artikel 11.2 van dit Hoofdstuk 22t.3.
  • 3. Artikel 22.22 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
  • 4. De uitzondering op de vergunningplicht als bedoeld in lid 1 geldt indien wordt voldaan aan de volgende voorwaarden:
    • a. het bijgebouw of ander bouwwerk met een dak staat op de grond;
    • b. de goothoogte van een vrijstaand bijgebouw of een vrijstaand ander bouwwerk met een dak bedraagt maximaal 3 meter, de goothoogte van een aangebouwd bijgebouw of ander aangebouwd bouwwerk met een dak bedraagt maximaal 3,3 meter;
    • c. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 meter, met dien verstande dat de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en vrijstaande andere bouwwerken met een dak in ieder geval wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3;
    • d. de dakhelling bedraagt maximaal 55°;
    • e. de gezamenlijke oppervlakte van bijbouwen en andere bouwwerken met een dak op een bouwperceel bedraagt niet meer dan is weergegeven in onderstaande tabel:
Oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevelrooilijn van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw   Maximale gezamenlijke oppervlakte bijgebouwen en andere bouwwerken met een dak op een bouwperceel  
Kleiner dan of gelijk aan 100 m2   50% van de oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw  
Groter dan 100 m2 en kleiner dan 300 m2   50 m2 vermeerderd met 20% van de oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw  
Groter dan of gelijk aan 300 m2   90 m2 vermeerderd met 10% van de oppervlakte van gronden gelegen op 1 meter achter de voorgevel van het oorspronkelijk hoofdgebouw en die niet behoren tot het oorspronkelijk hoofdgebouw, tot een maximum van 150 m2  

    • a. Een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt gebouwd op een afstand van minimaal 1 meter achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.
    • b. Een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt niet gebouwd aan de naar het openbaar gebied gekeerde zijkant van het hoofdgebouw.
    • c. Een bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt niet gebouwd binnen 1 meter van het openbaar toegankelijk gebied.
    • d. Voor zover het bijgebouw of ander bouwwerk met een dak wordt voorzien van een buitenruimte, is deze op de grond gelegen.
    • e. Het bijgebouw of ander bouwwerk met een dak ligt aan of bij een hoofdgebouw, niet zijnde:
      • een woonwagen;
      • een tijdelijk bouwwerk;
      • een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf.
11.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 11.2 wordt alleen verleend indien:
    • a. de bouwhoogte maximaal 5,5 meter bedraagt;
    • b. de gezamenlijke oppervlakte aan bijgebouwen en andere bouwwerken met een dak op het bouwperceel niet meer bedraagt dan 150 m2;
    • c. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    • d. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    • e. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    • f. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  • 2. in afwijking van het bepaalde in lid 1 onder f verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.

Artikel 12 Bouwwerken zonder dak ten behoeve van wonen

12.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bouwwerk zonder dak op een voor Wonen aangewezen locatie.

12.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk zonder een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor Wonen aangewezen locatie.

12.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  • a. In aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 12.2 niet van toepassing indien een bouwwerk zonder een dak te bouwen voldoet aan het bepaalde in artikel 12.4 dan wel 12.6.
  • b. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.25, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 12.2 van dit Hoofdstuk 22t.
  • c. Artikel 22.22 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
12.4 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht erf- en perceelsafscheidingen

De vergunningplicht als bedoeld in artikel 12.2 is niet van toepassing voor een erf- of perceelsafscheiding die voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • a. de erf- of perceelsafscheiding is hoger dan 1 meter, maar niet hoger dan 2 meter;
  • b. de erf- of perceelafscheiding staat op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat;
  • c. de erf- of perceelsafscheiding wordt gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van het hoofdgebouw.
12.5 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht overige bouwwerken zonder dak
  • 1. De vergunningplicht als bedoeld in artikel 12.2 is niet van toepassing voor een ander bouwwerk zonder dak, niet zijnde een erf- of perceelafscheiding, dan bedoeld in artikel 12.3, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 3 meter.
  • 2. In afwijking van lid 1 is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 12.2 ook niet van toepassing voor een ander bouwwerk zonder een dak, niet zijnde een erf- of perceelafscheiding, dan bedoeld in artikel 12.3, indien de bouwhoogte niet meer bedraagt dan:
    • a. 6 meter, indien het een lichtmast op een erf of perceel betreft;
    • b. 5 meter, indien het een speelvoorziening of kunstwerk betreft.
12.6 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • 1. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 12.2 wordt alleen verleend indien:
    • a. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 10 meter;
    • b. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    • c. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    • d. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    • e. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  • 2. In afwijking van het bepaalde in lid a onder 5 verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.

Artikel 13 Bouwwerken zonder dak ten behoeve van verkeer

13.1 Toepassingsbereik

Dit artikel gaat over het bouwen, uitbreiden of veranderen van een bouwwerk zonder dak op een voor Verkeer aangewezen locatie.

13.2 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een bouwwerk zonder een dak te bouwen, uit te breiden of te veranderen op een voor Verkeer aangewezen locatie.

13.3 Algemene regels, uitzonderingen vergunningplicht
  • a. In aanvulling op de bouwwerken als genoemd in paragraaf 22.2.7.3 van dit omgevingsplan is de vergunningplicht als bedoeld in artikel 13.2 niet van toepassing indien een bouwwerk zonder een dak te bouwen voldoet aan het bepaalde in artikel 13.4;
  • b. Bij de toepassing van lid 1 dient waar in paragraaf 22.2.7.3 wordt verwezen naar artikel 22.25, in plaats van dat artikel te worden gelezen: artikel 13.2 van dit Hoofdstuk 22t.
  • c. Artikel 22.22 van dit omgevingsplan is van overeenkomstige toepassing.
13.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • a. De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 13.2 wordt alleen verleend indien:
    • 1. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan:
      • voor speelvoorzieningen en kunstwerken: 5m;
      • voor lichtmasten, vlaggenmasten, bewegwijzeringen en verkeersinstallaties: 10m;
      • voor andere bouwwerken zonder dak: 3,5m
    • 2. de ruimtelijke kwaliteit niet onaanvaardbaar wordt aangetast;
    • 3. de verkeersveiligheid niet onevenredig wordt aangetast;
    • 4. de belangen van omwonenden niet onevenredig worden geschaad;
    • 5. het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, bijdraagt aan het verbeteren van de omgevingskwaliteit, beoordeeld volgens de beleidsregels voor het uiterlijk van bouwwerken, zoals die van toepassing is ten tijde van het indienen van de aanvraag.
  • b. In afwijking van het bepaalde in lid a onder 5 verleent het bevoegd gezag de vergunning alsnog, indien het gelet op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, van oordeel is dat de omgevingsvergunning in afwijking daarvan toch moet worden verleend.

Hoofdstuk 4 Overige regels (Paragraaf 22t.4)

Artikel 14 Gebodsbepaling in stand houden parkeervoorzieningen

Indien in het kader van een vergunningplicht als opgenomen in dit Hoofdstuk 22t dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid, dient de betreffende parkeervoorziening als aangegeven in de aanvraag en vervolgens is vergund na de aanleg duurzaam in stand te worden gehouden.

Artikel 15 Realisatie landschappelijke inpassing

Op de locatie 'overige zone - landschappelijke inpassing 1' wordt een gebouw voor een woonfunctie niet eerder in gebruik genomen dan nadat de landschappelijke inpassing is gerealiseerd overeenkomstig de wijze zoals aangegeven in bijlage 1 bij de regels.

Artikel 16 Instandhouding landschappelijke inpassing

Op de locatie 'overige zone - landschappelijke inpassing 1' wordt de landschappelijke inpassing in stand gehouden overeenkomstig de wijze zoals aangegeven in bijlage 1 bij de regels.

Hoofdstuk 5 Overgangsregels (Paragraaf 22t.5)

Artikel 17 Overgangsrecht bouwwerken

  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit hoofdstuk aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van dit Hoofdstuk 22t, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan;
  • b. het bepaalde in sub a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.

Artikel 18 Overgangsrecht gebruik

  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit Hoofdstuk 22t en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met dit hoofdstuk 22t strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit Hoofdstuk 22t voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.