direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind), herz 28 (Steenovensebaan 26a-28)
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel

Op het adres Steenovensebaan 26A-28 te Dorst was tot voor kort een varkenshouderij gevestigd, als onderdeel van het bebouwingslint Steenovensebaan en op korte afstand van het natuurgebied Boswachterij Dorst. Het bedrijf is inmiddels beëindigd en de agrarische opstallen zijn gesloopt. Beide bedrijfswoningen zijn behouden.

De Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte heeft een groot deel van het plangebied verworven met als doel:

  • de voormalige bedrijfswoning Steenovensebaan 28 om te zetten naar burgerwoning;
  • het realiseren van vijf ruimte-voor-ruimtewoningen in de vorm van een boerenensemble.

Daarnaast behoort ook de tweede bedrijfswoning Steenovensebaan 26a tot het plangebied. Deze woning is in particulier eigendom. Ook deze bedrijfswoning, die reeds de aanduiding plattelandswoning heeft, krijgt de functie van burgerwoning.

Het initiatief kan niet worden gerealiseerd op basis van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)" (vastgesteld op 8 juli 2014), omdat ter plaatse de bestemming Agrarisch met bouwvlak is voorzien. Een herziening van het bestemmingsplan voor onderhavige locatie is daarom noodzakelijk.

1.2 Ligging van het plangebied

Onderstaande afbeelding geeft de ligging van het plangebied op de topografische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0001.jpg"

TOPOGRAFISCHE SITUATIE

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied gelden de bestemmingsplannen:

  • "Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)", vastgesteld op 8 juli 2014;
  • "Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Reparatie-herziening 2016", vastgesteld op 19 april 2016;
  • "Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018", vastgesteld op 3 juli 2018.
1.3.1 Bestemmingsplannen "Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)" en "Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Reparatie-herziening 2016"

De 'reparatieherziening' bevat voor onderhavig plangebied uitsluitend een gedeeltelijke aanpassing van de regels, die niet relevant zijn voor voorliggend bestemmingsplan. De verbeelding van het bestemmingsplan "Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind)" is van toepassing gebleven. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de verbeelding van dat bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0002.jpg"

UITSNEDE VERBEELDING GELDEND BESTEMMINGSPLAN

Ter plaatse van het plangebied geldt de bestemming 'Agrarisch', onder meer bedoeld voor agrarisch gebruik en behoud, herstel en ontwikkeling van landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Binnen het bouwvlak - dat een groot deel van het plangebied bestrijkt - zijn agrarische bedrijfsgebouwen toegestaan, ter plaatse specifiek voor een intensieve veehouderij. Daarnaast biedt het bestemmingsplan de ruimte aan twee bedrijfswoningen, waarvan één de aanduiding 'plattelandswoning' heeft.

Ter bescherming van mogelijk voorkomende archeologische waarden is op het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing. Deze bestemming verplicht het uitvoeren van een archeologisch onderzoek voorafgaand aan bodemingrepen met een diepte van 0,5 meter over een oppervlakte van 100 m². Het aspect archeologie is in paragraaf 5.2.1 nader uitgewerkt.

Tot slot is het meest zuidwestelijke deel van het plangebied als 'wetgevingzone - beperking veehouderij' aangeduid, volgend uit de provinciale verordening. Deze aanduiding legt beperkingen op aan de ontwikkeling van veehouderijen.

1.3.2 Bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018"

In het bestemmingsplan "Parapluherziening Parkeren Oosterhout 2018" is het gemeentelijke parkeerbeleid vastgelegd als toetsingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen. Toepassing van het parkeerbeleid op onderhavig plan is opgenomen in paragraaf 3.2.7.

1.4 Leeswijzer

In voorliggend bestemmingsplan worden verschillende schrijfwijzen toegepast voor de term ruimte-voor-ruimte:

  • "ruimte-voor-ruimte..." (gevolgd door een zelfstandig naamwoord, zoals woning of regeling): de woning(en) die middels toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling uit de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant worden gerealiseerd. De schrijfwijze zonder en met koppeltekens is overgenomen uit genoemde verordening.
  • "Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte": dit betreft de ontwikkelende partij van het project. Voor de schrijfwijze is de bedrijfsnaam gevolgd, met hoofdletters R en met spaties tussen de woorden.
  • "rvr": waar wenselijk voor de leesbaarheid (bijvoorbeeld in tabellen) wordt de afkorting rvr gebruikt als het gaat om ruimte-voor-ruimtewoning(en).

Hoofdstuk 2 Gebiedsanalyse

Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied.

2.1 Geschiedenis

Onderstaande afbeelding geeft de topografische ontwikkeling van het gebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0003.jpg"

TOPOGRAFISCHE ONTWIKKELING

De geschiedenis van het bebouwingslint Steenovensebaan (ook wel buurtschap Steenoven) gaat terug naar het midden van de negentiende eeuw. In die tijd was de natuurlijke gesteldheid van de omgeving nog overwegend bepalend voor het grondgebruik en het bouwen. De situatie komt overeen met het basismodel van het agrarische grondgebruik in grote delen van Brabant.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0004.jpg"

BASISMODEL AGRARISCH GRONDGEBRUIK

De weg met de aanliggende bebouwing is aangelegd op de overgang tussen de hogere en lagere gronden. Op de hogere gronden lagen de akkers, overgaand in heide en bos. En aan de andere zijde lagen de lagere gronden (de beemden) die overgingen in het beekdal.
Het bebouwingslint van de Dongenseweg/Rijenseweg (gelegen ten oosten van het plangebied) vormt in dit gebied het 'kantelpunt' tussen de hoge gronden met de Boswachterij Dorst en de lagere gronden naar het beekdal van de Donge. De Steenovensebaan (voorheen Steenhovensche Straat geheten) is een zijweg van de Dongenseweg naar het westen, gelegen op de hogere gronden. De Steenovensebaan met de aanliggende akkers prikt als het ware het bos- en heidegebied in.

Langs zowel de Dongenseweg/Rijenseweg als de Steenovensebaan stond in het midden van de negentiende eeuw al relatief veel bebouwing. Kenmerkend is dat er geen sprake is van individuele boerderijen op gelijke afstanden, zoals bij een strokenverkaveling, maar veelal groepen van gebouwen op (voormalige) agrarische bedrijfspercelen (zie afbeelding in paragraaf 2.2).

Hoewel er een eerste schaalvergroting van de landbouw plaatsvindt, ontwikkelt het bebouwingslint aan de Steenovensebaan zich in de eerste helft van de twintigste eeuw nauwelijks. In de jaren '60 van de vorige eeuw vindt er wel een schaalsprong plaats, die ook zichtbaar is in de bebouwing. De agrarische bedrijfspercelen breiden zich uit met flinke stallen of kassen - vaak als tweedelijns bebouwing achter de bestaande bebouwing aan de straat. De bedrijfspercelen liggen op verschillende afstanden van elkaar, waardoor er brede en smallere doorzichten naar het achterliggende landschap behouden blijven.

Ook ter plaatse van het plangebied heeft een schaalvergroting plaatsgevonden. De varkensstallen van de voormalige veehouderij zijn in de jaren '80 gebouwd. Ook hier is de bebouwing achter de bedrijfswoningen als cluster gerealiseerd, zij het op een wat grotere afstand dan elders aan de Steenovensebaan. De aanvankelijke planning en vergunde situatie was dat ook het vrije deel tussen de bedrijfswoningen en de huidige stallen zou worden volgebouwd. De sterke landschappelijk inpassing rondom het hele perceel en de unieke en historische (oprij)laan maakt het geheel echter alsnog tot een samenhangend bedrijfsperceel met geclusterde bebouwing aan het bebouwingslint Steenovensebaan.

2.2 Wijdere omgeving

Het plangebied ligt in 'Landschapspark De Open Linie'. De Open Linie is het landschapspark gelegen tussen Oosterhout, Breda, Rijen en Dorst. Het is een waardevol gebied met een afwisselend landschap en rijke cultuurhistorie binnen handbereik. Een gebied met drassige polders, glooiende bossen, fraai gekleurde heidevelden, warme zandvlaktes, rustieke vennen en akkerlandjes. In de omgevingsvisie van de gemeente Oosterhout staat een deel van dit gebied beschreven als deelgebied ''Dorst, Steenoven en omringend buitengebied''. De omgeving van Dorst en Steenoven bestaat grotendeels uit bosgebied, afgewisseld met akkerlanden rondom de kernen. Belangrijk natuurgebied is de Boswachterij Dorst, een voormalig productiebos op heidegrond waar leemputten en verschillende recreatieparken te vinden zijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0005.jpg"

De omgevingsvisie richt zich op een balans tussen ecologie, landschap, vrijetijdsbesteding en agrarisch gebruik met behoud van en zo mogelijk het versterken van de kwaliteit van het landschap. Daarnaast staat het behouden en waar mogelijk het versterken van waardevolle (beschermde) natuur en cultuurhistorisch bijzondere elementen voorop. Dat geldt ook voor het karakter en de identiteit van het bebouwingslint Steenoven. Van belang is het behoud van de karakteristieke elementen, evenals de waardevolle doorzichten en het daarop aansluiten bij nieuwe ontwikkelingen.

Steenoven

Steenoven is een buurtschap, hier wonen ongeveer 110 mensen. Steenoven is van oudsher een agrarisch lint. Momenteel is er sprake van functiemenging in combinatie met de woonfunctie. In het lint zijn meerdere niet agrarische functies gevestigd, met name bedrijven in de vrijetijdseconomie (o.a. camping, horeca, manege). De bebouwing op die verschillende bedrijfspercelen is zeer divers, zowel qua vorm en massa als qua situering. Er staan enkele oude langgevelboerderijen. Deze staan veelal evenwijdig aan en op korte afstand van de straat. Bij een aantal boerderijgebouwen zijn bijgebouwen in de vorm van Vlaamse schuren gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0006.jpg"

WIJDERE OMGEVING

Langs de Steenovensebaan staat een verscheidenheid van agrarische bedrijven van na de Tweede Wereldoorlog. Zo staan er enkele boerderijen uit de wederopbouwperiode, waarbij de woning en het staldeel aan elkaar verbonden zijn en als architectonisch geheel zijn ontworpen. De latere agrarische bedrijven hebben een of meerdere grote veestallen die op sommige plekken tot relatief dicht bij de straat zijn gebouwd, maar in het algemeen tot ver in het veld reiken. Tot slot is er een verscheidenheid aan burgerwoningen. Sommige refererend aan de langgevelboerderijen. Andere met een ingetogen of juist uitgesproken karakter.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0007.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0008.jpg"

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0009.png"

Ontwikkelingsperspectief Steenovensebaan

Ten opzichte van de schaalsprong die in de jaren '60 middels de bouw van kassen en stallen plaatsvond, is er de afgelopen jaren in lijn van de omgevingsvisie sprake van een terugtrekkende beweging van deze kassen en stallen. De agrarische activiteiten worden beëindigd, stallen en kassen worden gesaneerd. Daar tegenover staat dat situationeel, op ruimtelijke aanvaardbare plekken, de agrarische activiteiten omgezet worden naar activiteiten gericht op de vrijetijdseconomie. Daarnaast worden agrarische bedrijfswoningen en/of bijbehorende stallen omgezet naar woningen.

Het perspectief van de Steenovensebaan en haar omgeving is gericht op een verdere transitie van de hiervoor beschreven tendens. Ook de komende jaren zet de beëindiging van agrarische activiteiten zich verder voort. Daar waar mogelijk, en waar het ruimtelijk en planologisch aanvaardbaar is, blijft ruimte voor een enkele woning en/of recreatieve activiteiten. Deze transitie past ook goed in de omgevingsvisie ''Dorst, Steenoven en omringend buitengebied'' en 'Landschapspark De Open Linie' waar de Steenovensebaan onderdeel van is.

Plangebied
Binnen de stedenbouwkundige opzet van de Steenovensebaan presenteert onderhavig plangebied zich als één van de voormalige agrarische bedrijfspercelen, bestaande uit twee traditionele naoorlogse bedrijfswoningen met daarachter gelegen diverse grote vroegmoderne geclusterde stallen. Heel het agrarische bedrijfsperceel is omsloten met houtsingels en is te bereiken via een historische (oprij)laan, waardoor het geheel een landschappelijk ingepaste eenheid is aan de Steenovensebaan. Met de beëindiging en sanering van Lavi wordt er een invulling gegeven aan de reeds ingezette transitie van de Steenovensebaan. Met behoud en versterking van de sterke landschappelijke inpassing en de cultuurhistorisch en landschappelijk waardevolle laan, blijft het karakter en de identiteit van het bebouwingslint Steenoven behouden. Tegelijkertijd vindt er een kwaliteitsverbetering van het landschap plaats door de sanering en de versterking van de landschappelijke inpassing aan de zijde van het Hertenpad.

2.3 Directe omgeving en plangebied

Onderstaande afbeelding en de foto's verderop in de paragraaf geven de bestaande toestand van de directe omgeving en het plangebied weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0010.jpg"

DIRECTE OMGEVING

2.3.1 Ontsluiting

De stallen binnen de groene kamer werden ontsloten middels een eigen (oprij)laan vanaf de Steenovensebaan. Deze (oprij)laan ligt tussen de percelen Steenovensebaan 28 en 28A en is al als laan en route te zien op de kaart van circa 1900. Het is een toerit die in de omgeving elders niet als zodanig voor komt, dit maakt deze ontwikkeling uniek. De verbinding met de Steenovensebaan is waardevol, de bomenrijen aan weerszijde van de laan benadrukken dit beeld, echter zijn de bomen op zich zelf niet bijzonder. De (oprij)laan is een waardevol cultuurhistorisch en landschappelijk element dat als route ruimtelijk behouden dient te blijven en zo na de sanering van de stallen ingezet kan worden als entree naar woningen in plaats van stallen. Daarmee blijft het karakter, het beeld en de ruimtelijke structuur aan de Steenovensebaan behouden. De twee bedrijfswoningen hebben ieder een eigen oprit aan de Steenovensebaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0011.jpg"

HISTORISCHE ONTWIKKELING

Ten oosten van het perceel 28A ligt het Hertenpad, eveneens haaks op de Steenovensebaan. Dit onverharde pad loopt door tot aan Boswachterij Dorst dat onderdeel is van Natuurnetwerk Brabant en gaat over in het onverharde pad Klein Oosterhout. In de hoek van deze twee onverharde paden ligt de ontwikkeling Landgoed Klein Oosterhout. De paden zijn onderdeel van diverse wandelroutes nabij de planlocatie. Dit levert een unieke en daarmee extra woonkwaliteit op. Tevens geeft het reden om met het plan direct op het Hertenpad aan te sluiten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0012.png"

WANDELROUTES

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0013.jpg"

ONTSLUITING | LINKS OPRIJLAAN [1], RECHTS HERTENPAD [2]

2.3.2 Bebouwing en functies

Het voormalige agrarische bedrijf bestond uit twee bedrijfswoningen en diverse varkensstallen. De twee bedrijfswoningen (nummers 26A, tevens plattelandswoning, en 28) liggen direct aan de Steenovensebaan en blijven behouden. Het bijgebouw bij woning 28 wordt gesloopt. De uitbreiding van het agrarische bedrijf in de jaren '80 betrof het bouwen van de varkensstallen en de tweede bedrijfswoning (26A). De stallen zijn destijds op enige afstand van deze bedrijfswoningen en de naastgelegen woning op nummer 28A als cluster gebouwd. De aanvankelijke plannen waren om het bedrijf uit te breiden door ook op deze tussenliggende gronden stallen te bouwen. In 2011 is hiervoor een vergunning verleend, echter passen de uitbreidingsplannen niet meer in het huidige veehouderijbeleid. De uitbreiding van het agrarische bedrijf past bovendien niet meer in het toekomstbeeld van het buitengebied. De gemeente Oosterhout, de Ontwikkelingsmaatschappij Ruimte voor Ruimte en de eigenaar van het agrarisch bedrijf zijn daarom tot andere afspraken gekomen.

De tussenliggende gronden worden momenteel gebruikt als hobbyweide. Sinds de realisatie van de huidige stallen is de daarmee gepaard gaande landschappelijke inpassing rondom de stallen en het erf volgroeid en zijn de stallen visueel losgeraakt van de bedrijfswoningen. Deze 'groene kamer' met stallen ligt echter nog wel samen met de bedrijfswoningen als een geclusterd geheel in het landschap en als agrarisch bedrijfsperceel aan de Steenovensebaan. De stallen zijn inmiddels verwijderd om ruimte te maken voor een nieuwe invulling binnen de sterke landschappelijke inpassing.

2.3.3 Groen en water

Het plangebied kent een sterke landschappelijke structuur bestaande uit een doorlopende houtsingel en de (oprij)laan. De (oprij)laan is circa 125 meter lang en bestaat uit een pad van halfverharding met aan weerszijde lindebomen. De houtsingel bestaat voornamelijk uit eiken met onderbegroeiing. Deze structuur omzoomt het plangebied aan de west- en zuidzijde. Ter hoogte van het einde van de (oprij)laan, aan de westzijde, loopt de houtsingel het plangebied in en vormt daarmee de groene kamer waarbinnen de stallen staan. De houtsingel wordt aan de oostzijde onderbroken door de voormalige mestbak en wildgroei van diverse struiken. Het geheel heeft daardoor aan de zijde van het Hertenpad een verwilderde uitstraling. Naast het gehele Hertenpad loopt parallel een B-watergang. Ter hoogte van het plangebied loopt een C-watergang het plangebied in die in directe verbinding met de B-watergang staat. In paragraaf 5.3.3 staat het watersysteem nader beschreven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0014.jpg"

GROENSTRUCTUUR | LINKS HOUTSINGEL [3], RECHTS B-WATERGANG MET VERTAKKING NAAR PLANGEBIED [4]

2.4 Conclusie

Voorgaande gebiedsanalyse toont de ruimtelijke context en kansen van het plan en de omgeving. De belangrijkste uitgangspunten staan hieronder samengevat:

  • Het plan ligt in buurtschap Steenoven.
  • De Steenovensebaan is een bebouwingslint.
  • De planlocatie betreft een van de historisch gegroeide agrarische clusters aan dit bebouwingslint.
  • Er heeft in de tweede helft 20e eeuw aan de gehele Steenovensebaan een schaalvergroting in de agrarische sector plaatsgevonden. In lijn met de omgevingsvisie voor dit gebied verdwijnen de agrarische functies voor recreatieve functies en woningbouw. Deze transitie speelt ook op onderhavige locatie.
  • De planlocatie is vanaf de Steenovensebaan toegankelijk via een historisch aanwezige (oprij)laan. Deze (oprij)laan is een cultuurhistorisch waardevol en uniek landschapselement voor deze omgeving en dient als element behouden te blijven.
  • De planlocatie heeft rondom een sterke waardevolle landschappelijke inpassing die behouden dient te blijven en waar nodig en mogelijk versterkt zal worden.
  • Met de beëindiging van het agrarisch bedrijf kan er aan de zijde van het Hertenpad een kwaliteitsslag worden gemaakt zodat de groene kamer geheel afgerond en bestendigd kan worden.
  • Met de nabijheid van Boswachterij Dorst en de directe verbinding hiermee via het Hertenpad, ligt er een recreatieve meerwaarde voor onderhavige locatie.

De gewenste ontwikkelingsrichting van het gehele gebied, de voorheen geclusterde agrarische bebouwing, de landschappelijke inpassing en de cultuurhistorisch waardevolle (oprij)laan maken dat de realisatie van vijf ruimte-voor-ruimtewoningen ruimtelijk passend is op deze locatie aan de Steenovensebaan.

Hoofdstuk 3 Plan

In dit hoofdstuk is de beschrijving van het plan opgenomen. Het plan bestaat uit het behouden van de twee bedrijfswoningen en het saneren van de varkensstallen en het realiseren van vijf ruimte-voor-ruimtewoningen.

3.1 Bestaande bedrijfswoningen

De twee bedrijfswoningen Steenovensebaan 26A en 28 (waarvan 26A reeds als plattelandswoning is aangemerkt) worden beide herbestemd als burgerwoning met bestemming 'Wonen'. Steenovensebaan 26A behoudt het woonperceel met een oppervlakte van circa 1820 m², waarop naast de woning circa 275 m² aan bijgebouwen staat, waarvan 140 m² in gebruik is voor een aan huis verbonden bedrijf (loonbedrijf). De inrichting van het perceel zal gelijk blijven. De oppervlakte van het woonperceel van Steenovensebaan 28 blijft 1.630 m², maar de oppervlakte aan bijgebouwen zal worden teruggebracht tot maximaal 100 m². Het huidige bijgebouw wordt daarvoor gesloopt en het terrein/tuin zal opnieuw worden ingericht. Beide woningen kunnen ruim voorzien in parkeren op eigen terrein.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0015.jpg"

NIEUWE SITUATIE VOORMALIGE BEDRIJFSWONINGEN STEENOVENSEBAAN 26A EN 28

De landschappelijke inpassing van de voormalige bedrijfswoningen wordt gevormd door de bestaande houtsingels en de (oprij)laan die een kamer vormen waarin de woonpercelen zijn opgenomen. Om te borgen dat deze landschappelijke inpassing wordt aangelegd en in stand gehouden is een beplantings- en beheerplan opgesteld, dat een bijlage vormt bij de planregels.

3.2 Ruimte-voor-ruimtewoningen

Het is van belang dat er sprake is van onderlinge samenhang tussen de vijf ruimte-voor-ruimtewoningen en de openbare ruimte. Daarnaast moeten de kavels ruimte kunnen geven aan de individuele wensen van de toekomstige bewoners. Door het ontbreken van een welstandsregime is het van belang dat het bestemmingsplan de ruimtelijke kwaliteit waarborgt. In deze paragraaf wordt de beoogde ruimtelijke kwaliteit toegelicht.

3.2.1 Ligging

Het behoud van de door groen omzoomde kamer in het landschap, die bereikbaar is middels een cultuurhistorisch waardevolle (oprij)laan, is het uitgangspunt voor de ontwikkeling. Deze bijzondere kwaliteiten bieden de kans om een origineel boerenensemble te creëren. De bestaande groenstructuur is hiervoor leidend, dat betekent dat er geen sprake mag zijn van uitbreiding van bebouwing buiten het bestaande groene raamwerk en de reeds gesloopte agrarische bebouwing, maar ook dat de (oprij)laan als element behouden blijft. De ontwikkeling van de vijf ruimte-voor-ruimtewoningen vindt dan ook plaats binnen deze 'groene kamer'. Zo blijft de besloten ligging van het cluster in het agrarische landschap behouden en geeft deze onderscheidende eigenheid van de plek de ontwikkeling een bijzondere ruimtelijke kwaliteit.

De ruimte-voor-ruimtewoningen worden individueel ontwikkeld. Het is derhalve van belang dat er binnen het plan sprake is van ruimtelijke kwaliteit onderling zowel tussen de gebouwen en de openbare ruimte. Hiervoor dient het ontwerpprincipe van het 'boerenerf' (met de (oprij)laan als entree) als uitgangspunt voor de gehele ontwikkeling.

3.2.2 Boerenerf

Het boerenerf kent vele verschijningsvormen en is vaak in de loop der jaren (uitbreidingen van het agrarische bedrijf) ontstaan. Dit resulteert in een bebouwingsensemble dat bestaat uit bebouwingsmassa's van diverse afmetingen, veelal wisselende kaprichtingen en materialisering. De onderlinge samenhang ligt doorgaans in de ligging van de gebouwen ten opzichte van elkaar en aan het gemeenschappelijke erf en de opbouw van de gebouwen bestaande uit één laag met een (ruime) kap. Het principe van het boerenerf is het grootste verbindende ruimtelijk element. Waar doorgaans het erf verhard is met daarbinnen een groen element, is er in dit plan gekozen voor een meer groen karakter dat goed past bij de landschappelijke ligging en uitstraling van het gehele bebouwingscluster. Voor de opzet van het erf betekent dit een groene openbare ruimte waar een centraal gelegen ontsluiting doorheen loopt. Daarnaast blijft in het kader van klimaatadaptatie de verharding zoveel als mogelijk beperkt. Het stedenbouwkundig plan is hieronder als afbeelding opgenomen en is als kaartbijlage 1 toegevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0016.jpg"

STEDENBOUWKUNDIG PLAN

Situering aan het erf
De kwaliteit en samenhang van het plan wordt voor een groot deel bepaald door het gezamenlijke groene erf. De beschikbare bebouwingsruimte (bouwvlak) wordt voorts bepaald door de indeling van de percelen en de afstanden tot de voorste en zijdelingse perceelgrenzen. Dit maakt het mogelijk om binnen de samenhangende ruimtelijke kwaliteit op perceelniveau wat ruimere kaders te scheppen zodat er onderlinge variatie ontstaat. Deze variatie zit onder andere in de situering van de woningen. Deze dienen gebouwd te worden binnen een afstand van 0 tot 3 meter gemeten vanaf de voorste perceelgrens, zodat de woningen contact blijven houden met de collectieve ruimte. De voorste perceelgrens wordt rondom aangezet met een uniforme 1-meter-hoge groene haag. De collectieve groene openbare ruimte loopt zo over in de eigen 'voortuin' die op ieder perceel anders wordt ingevuld.
De onbebouwde ruimten tussen de woningen onderling vormen doorzichten naar achter, waardoor er geen sprake is van geheel gesloten wanden.

Om de kwaliteit van het erf te waarborgen, is het van belang om regie te houden op de inrichting waarbij de groene elementen voldoende maat dienen te krijgen en niet versnipperd raken. Er is op dit moment geen uitwerking van het erf beschikbaar. Middels de bestemming 'Groen' op de verbeelding - die de aanleg van inritten uitsluit - is al wel richting gegeven aan waar de inritten tot de woonpercelen wel aangelegd kunnen worden.

De meest noordelijke woning (woning 1) heeft een bijzondere ligging; aan het eind van de (oprij)laan en aan het begin van het erf. Deze kavel heeft daardoor een dubbele oriëntatie. Om hier wat meer maat voor de ontsluiting te creëren, geldt voor deze woning een grotere afstand tot de oostelijke perceelgrens. De voorgevel van deze woning dient hier binnen de 3 en 6 meter van de perceelgrens gerealiseerd te worden. Aan de zijde van het erf gelden dezelfde regels als voor de overige woningen (0 tot 3 meter).

De zuidoostelijke woning (woning 4) heeft ook een bijzonder ligging. De woning ligt aan het einde van de zichtlijn vanaf de (oprij)laan en sluit daarmee het erf herkenbaar af. Om deze positionering vast te leggen wordt er een gevellijn opgenomen voor de westelijke zijgevel.

3.2.3 Bebouwing

Volume
Voor het volume van de woningen wordt aangesloten bij het standaard volume van 750 m³ conform het vigerende bestemmingsplan. De randen van het erf worden gedefinieerd door de gevels van de nieuwe woningen. In dit bestemmingsplan zijn daarom diverse bouwregels opgenomen die sturen op een kwalitatief bebouwingsbeeld, zoals de bouwhoogte, situering van de gevelrooilijn, dakrichting en een verhouding van het grondvlak van het volume.

Bouwhoogte
Ten behoeve van de onderlinge samenhang tussen de woningen dient elk gebouw uitgevoerd te worden als één bouwlaag met kap met een maximale bouwhoogte van 9 meter. Hierbij geldt voor het merendeel van de voorgevel een maximale goothoogte van 3,5 meter. Voor het toepassen van architectonische of bouwkundige accenten kan een hogere goothoogte worden toegepast over een lengte van niet meer dan 25% van een van de lange gevels waarbij aangrenzende kopgevels qua hoogte hierop mogen aansluiten.

Oriëntatie
Het is van belang dat er voldoende 'wand' aan het gezamenlijke erf wordt gerealiseerd. De oriëntatie van de woningen (de dakrichting en lengterichting) zijn daarom mede bepalend voor het bebouwingsbeeld en worden planologisch vastgelegd. De dakrichtingen voor kavel 3 en 4 komen evenwijdig aan de Steenovensebaan te liggen. Voor kavels 1, 2 en 5 geldt een haakse oriëntatie. Om binnen de stedenbouwkundige opzet te refereren aan een moderne interpretatie van het boerenerf dient de breedte-lengte-verhouding van het hoofdgebouw niet minder dan 1:1,5 te bedragen.

Verschijningsvorm
Naast de hierboven beschreven onderlinge uniformiteit, wordt ruimte geboden aan een individuele uitwerking van de gebouwen. De schuren op het boerenerf zijn immers ook verschillend. Qua materialisatie mag er, in lijn met het agrarische erf, een diversiteit optreden tussen de gebouwen onderling, bij voorkeur binnen een palet dat refereert aan het landschappelijke karakter van de plek. Door modern landelijk te bouwen ontstaat er een eigentijdse en hedendaagse architectuur die het stijlkenmerk van de huidige tijd zal dragen.

3.2.4 Centraal erf

De bestaande (oprij)laan blijft behouden en vormt daarmee de entree naar het centrale erf. Dit erf bestaat uit een gazon met daarop enkele solitaire bomen passend bij het landelijke karakter van het boerenerf. Het erf is het verbindend element van het plan, zowel ruimtelijk, functioneel als sociaal. De invulling van het erf moet ruimte bieden voor ontmoeting en gemeenschappelijke initiatieven. De kern van het erf bestaat dan ook uit een groene ruimte waar bijvoorbeeld plek is voor zitgelegenheden en een speelplek. Het heeft de voorkeur om de toekomstige bewoners te betrekken bij de uitwerking van deze plek binnen het centrale erf. Door het erf heen loopt een verharde ontsluiting zodat elk perceel goed bereikbaar is.

De materialisatie van de (oprij)laan moet passen in het landschappelijke karakter, waarbij gedacht kan worden aan gebakken klinkers of zandkleurig asfalt. Deze verharding kan vanaf de laan naar het erf worden doorgetrokken. Bij het opstellen van het inrichtingsplan zal dit nader worden uitgewerkt.

3.2.5 Groen en water

In de huidige situatie is er sprake van een groene omzoming die de gehele locatie een besloten ligging in het agrarische landschap geeft. Via de (oprij)laan is het nieuwe erf te bereiken. Het concept van de laan blijft behouden, nader onderzoek en uitwerking dient aan te tonen of alle lindebomen gehandhaafd kunnen blijven of dat er een deel opnieuw geplant dient te worden. De hoofdopzet van de nieuwe ontwikkeling is de bestaande omzoming rondom het plan en richting de Steenovensebaan te handhaven en te versterken om zo de beslotenheid en het landschappelijke karakter van het cluster te behouden. De aanleg en instandhouding van deze landschappelijke inpassing is wederom geborgd in het beplantings- en beheerplan, dat een bijlage vormt bij de planregels.

De bestaande houtsingel bestaat voornamelijk uit eikenbomen van circa 30 jaar oud. Het beplantings- en beheerplan richt zich op behoud van deze structuur. Er zal hiervoor een beheersslag moeten plaatsvinden om snelgroeiende ongewenste soorten uitheemse soorten weg te halen.

Aan oostzijde wordt de 6 meter brede landschappelijk inpassing van het plan doorgezet door de bestaande structuur door te trekken. Hierdoor ontstaat er tevens een natuurlijke grens tussen het openbare Hertenpad en de privé-tuinen van kavels 4 en 5. Tussen het Hertenpad en het plangebied ligt een watergang die doorloopt richting Boswachterij Dorst. Aan de andere zijde van het pad ligt een houtsingel die tot aan de boswachterij doorloopt. Het plangebied is hierdoor ecologisch verbonden met het grote natuurgebied. Om ruimte te geven aan de bestaande structuren wordt de nieuwe houtsingel op enige afstand van de watergang geplaatst, zodat er ook ruimte ontstaat voor een groene berm als overgang tussen de watergang en de houtsingel. Deze berm loopt door langs het nieuwe pad en de watergang richting het erf. Door deze berm met een bloemenmengsel voor bloemrijk grasland in te zaaien ontstaat er ecologisch waardevolle plek langs de waterlopen en de zandpaden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0017.jpg"

SCHEMATISCHE WEERGAVE GROENSTRUCTUUR

De groene omzoming krijgt ten noorden van kavel 5 en ten oosten van kavel 1 een lagere dichtheid door de aanplant van bijvoorbeeld een aantal hoogstamfruitbomen. Hierdoor ontstaat er tussen de begroeiing een directe zichtrelatie vanaf het Hertenpad tot het erf. Deze onderbreking (van de verder dichtbegroeide omzoming) zorgt er voor dat het nieuwe agrarische erf ook zichtbaar in het landschap komt te liggen. De bestaande watergang aan deze zijde van het plan blijft behouden en biedt ruimte aan de benodigde waterberging. Vanwege de bestaande verbinding met de watergang aan het Hertenpad wordt de landschappelijke inpassing en de ecologische waarde het plangebied ingetrokken.

De erfafscheidingen die niet aan de houtsingels grenzen, dienen te bestaan uit natuurlijke groene beukenhagen. De maximale hoogte van de hagen tot de achtergevel bedraagt maximaal 1 meter, daarachter geldt een hoogte van maximaal 2 meter. Ten westen van kavels 1 t/m 3 liggen gronden die als hobbyweide gebruikt kunnen worden.

3.2.6 Verkeer

Een van de hoofduitgangspunten is het behoud van de (oprij)laan. De (oprij)laan vormt daarmee de hoofdontsluiting van het erf en legt een directe relatie met de Steenovensebaan. Nader onderzoek en uitwerking dient aan te tonen of alle lindebomen gehandhaafd kunnen blijven of dat er een deel opnieuw geplant dient te worden. In de huidige situatie ontbreken enkele bomen in de laanstructuur, waardoor open plekken zijn ontstaan. De open plek halverwege kan worden ingevuld met een passeerstrook, zodat het smalle profiel van de laan niet in zijn geheel hoeft te worden verbreed. De open ruimten aan het einde van de laan kunnen ingezet voor parkeren.

Een nieuwe langzaamverkeersverbinding vanaf het erf met het Hertenpad geeft het erf een tweede ontsluiting. Hierdoor wordt het mogelijk om 'even een rondje te lopen' en wordt er een bewuste koppeling met Boswachterij Dorst gelegd. Dit nieuwe pad wordt onverhard aangelegd en wordt begeleid door de eerder genoemde watergang en bomen. De sfeer van het Hertenpad wordt zo het plangebied ingetrokken. De maatvoering en technische uitwerking van het nieuwe pad wordt dusdanig vormgegeven dat deze, ingeval van calamiteiten of onderhoud aan de (oprij)laan, kan fungeren als alternatieve auto ontsluiting.

De realisatie van vijf vrijstaande grondgebonden woningen heeft invloed op de verkeersgeneratie. De digitale publicatie "ASVV 2012'' (CROW) bevat kencijfers voor de verkeersgeneratie van diverse functies. De gemeente Oosterhout wordt aangeduid als matig stedelijk gebied, waarin de locatie van het plangebied binnen de gemeente Oosterhout tot het buitengebied behoort. De verkeersgeneratie voor vrijstaande koopwoningen bedraagt gemiddeld 8,2 verkeersbewegingen per woning per etmaal. De verkeersgeneratie van de vijf nieuwe woningen bedraagt daarmee 41 verkeersbewegingen per etmaal.
De capaciteit van de Steenovensebaan en het onderliggende wegennet is toereikend om dit aantal te kunnen verwerken.

3.2.7 Parkeren

De parkeerbehoefte betreft enerzijds het parkeren van de toekomstige eigenaren en anderzijds het bezoekersparkeren. Hierbij is het uitgangspunt dat het centrale erf vrij blijft van parkeerplaatsen. Het gemeentelijke parkeerbeleid is vastgelegd in de 'Nota Parkeernormen 2019' en bevat de hoofdlijnen van het beleid van de gemeente Oosterhout. Voor vrijstaande koopwoningen in het duurdere segment buiten het centrum geldt een parkeernorm van 2,1 parkeerplaats per woning waarvan 0,3 aandeel bezoek. Met een vijftal woningen komt de parkeerbehoefte daarmee op 10,5 parkeerplaatsen in totaal waarvan 1,5 voor bezoek. Binnen het plan dient elke woning te voorzien in twee parkeerplaatsen op eigen terrein. Deze parkeerplaatsen zijn te bereiken via de vastgelegde inritten. Doordat de parkeerplaatsen naast elkaar gesitueerd zijn, kan hier optimaal gebruik van worden gemaakt. Voor bezoekersparkeren is aan het eind van de (oprij)laan parkeerruimte voor circa 7 auto's 'onder de bomen' voorzien. Hierdoor wordt het erf niet extra belast door het bezoekersparkeren. Het plan voldoet daarmee ruim aan de 'Nota Parkeernormen 2019'.

3.3 Duurzame en gezonde leefomgeving

Een duurzame en gezonde leefomgeving is belangrijk voor het goed functioneren van mens en natuur. Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het van belang te werken aan instandhouding of verbetering van de kwaliteit van de leefomgeving en moet schade en overlast voorkomen worden. Daarbij moet rekening worden gehouden met toekomstige veranderingen, verwachtingen en onzekerheden; denk daarbij aan klimaatverandering, technologische doorbraken en politieke onzekerheid. Goede stedenbouwkundige plannen en bouwplannen geven hieraan een passende invulling. Daarbij wordt onderscheid gemaakt in circulair bouwen, energietransitie en klimaatbestendigheid.

3.3.1 Circulair bouwen

Circulair bouwen is een vorm van duurzaam bouwen waarbij de principes van circulariteit in de bouw worden toegepast. Een gebouw is circulair als bij de bouw en het beheer voorraden in een gesloten kringloop worden gehouden, zonder schadelijke emissies naar lucht, water en bodem.

Circulariteit gaat ervan uit dat producten van nu de grondstoffen zijn voor later: na gebruik kunnen producten gedemonteerd worden en de materialen opnieuw worden gebruikt. Circulariteit gaat dus uit van een wereld zonder afval. Het staat tegenover de huidige benadering waarbij we steeds nieuwe producten aanschaffen, gebruiken en weggooien. Deze wegwerp- en vervangcultuur heeft een enorme negatieve impact op de aarde.

Circulair bouwen komt in de praktijk neer op de volgende uitgangspunten:

  • beperk de vraag naar grondstoffen door herbruikbare gebouwen te bouwen;
  • kies zo veel mogelijk voor natuurlijke en/of hernieuwbare bronnen;
  • zorg ervoor dat eindige bronnen zo effectief en efficiënt mogelijk worden toegepast.
3.3.2 Energietransitie

Nederland heeft de ambitie om in 2050 energieneutraal te zijn en om de uitstoot van CO2 drastisch te verminderen. Om dit te kunnen realiseren zijn grote en kleine veranderingen nodig: de energietransitie. De omschakeling van het gebruik van fossiele brandstoffen naar meer duurzame vormen van energie is de grootste omslag, maar we zullen er ook bewust van moeten zijn dat we anders moeten gaan kijken naar ons energieverbruik. De energietransitie heeft ook een ruimtelijke inslag: het bestaand stedelijk gebied en buitengebied moeten (steden)bouwkundig worden aangepast en nieuwe ontwikkelingen worden toekomstbestendig ontwikkeld.

Voor onderhavig plan zijn de bouwplannen nog niet uitgewerkt. Daarom zijn hier een aantal aandachtspunten opgenomen, die kunnen worden meegenomen in het ontwerp en de bouw van de woningen:

  • conform bestaande wet- en regelgeving moeten de woningen 'aardgasvrij' gebouwd worden;
  • het is wenselijk dat de woningen kunnen voorzien in de eigen energie voor elektriciteit en warmte, door middel van individuele of collectieve voorzieningen, zoals zonnepanelen op de daken en een kleinschalig warmtenet dat wordt gevoed door aardwarmte, warmte/koude-opslag of andere duurzame wijze;
  • door compact te bouwen kan het energieverbruik van de woning beperkt worden - wat je niet verbruikt of je niet op te wekken.
3.3.3 Klimaatbestendigheid

Klimaatverandering is merkbaar en heeft steeds meer een effect op ons dagelijks leven. De zomers worden langer, heter en droger, en áls er regen valt dan komt die vaak in grote hoeveelheden. De winters worden warmer en natter. Dit heeft effect op het woon- en leefklimaat door hittestress, periodes van droogte en een verandering van de biodiversiteit. Door met het stedenbouwkundig plan en bouwplan rekening te houden met het veranderende klimaat, kan overlast worden voorkomen en is er sprake van een klimaatbestendige ontwikkeling.

Het stedenbouwkundig plan voorziet hier al op de volgende wijze in:

  • de verharding in de huidige situatie wordt fors teruggebracht, waardoor er ruimte ontstaat voor waterinfiltratie en er minder sprake is van hittestress;
  • er is gekozen voor een groene openbare ruimte ten opzichte van de reguliere erfstructuren;
  • behoud van de watergang als water in openbare ruimte (waterbergende, ecologische, landschappelijke, recreatieve functie);
  • er wordt een aantrekkelijk verblijfsklimaat voor de gebruikers, gebiedseigen planten en dieren gecreëerd door enerzijds behoud van bestaande groenstructuren en anderzijds door nieuwe inheemse beplanting aan te brengen;
  • er wordt gestuurd op een diversiteit aan beplanting om de biodiversiteit te bevorderen;
  • de opnamecapaciteit van stikstof en CO2 wordt vergroot door de aanplant van nieuwe bomen.

Daarnaast gelden er voor de woningen en tuinen nog de volgende aandachtspunten:

  • creëer waterberging op eigen terrein;
  • 'groene' of 'bruine' daken bieden niet alleen de mogelijkheid van het vasthouden van hemelwater, maar geven ook een betere isolatie waardoor het energieverbruik daalt en in de warme perioden minder opwarming van de woning plaatsvindt;
  • pas zo min mogelijk verharding toe op het eigen terrein, of gebruik halfverharding - een groene/natuurlijke tuin geeft verkoeling;
  • zorg voor natuurlijke ventilatie van de woning en voor voldoende schaduwwerking in woning en tuin.

Hoofdstuk 4 Beleid

In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:

  • nationaal niveau;
  • provinciaal niveau;
  • gemeentelijk niveau.

4.1 Nationaal niveau

4.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.

De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.

De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en het Natuurnetwerk Nederland. Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde.

4.1.2 Besluit ruimtelijke ordening: Ladder voor Duurzame Verstedelijking

Met het doel de ruimte zorgvuldig en duurzaam te gebruiken, is de Ladder voor Duurzame Verstedelijking opgesteld. Deze is verankerd in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (versie 1 juli 2017). Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen moet worden aangetoond dat deze voorzien in een behoefte, en moet - in geval van de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied plaatsvindt - een motivering worden opgenomen waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Conform de toelichting bij de Ladder voor Duurzame Verstedelijking worden ruimte-voor-ruimtewoningen niet als stedelijke ontwikkeling gezien, omdat er sprake is van reducering van gebouwen. Bovendien is er sprake van een ontwikkeling met minder dan twaalf woningen, die daarom ook niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. Er hoeft geen nadere beoordeling plaats te vinden.

Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening voor wat betreft het aspect Ladder voor Duurzame Verstedelijking.

4.2 Provinciaal niveau

Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:

  • Omgevingsvisie Noord-Brabant;
  • Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

Het plan wordt aan deze nota's getoetst.

4.2.1 Omgevingsvisie Noord-Brabant

In voorbereiding op de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld (14 december 2018). Deze omgevingsvisie bevat de visie van het provinciale bestuur op de Brabantse leefomgeving van de toekomst (2050). Naar de uitgangspunten van de Omgevingswet zijn daarbij geen routes naar de gestelde doelen vastgelegd, omdat daarmee een beter samenspel en draagvlak kunnen ontstaan. De Omgevingsvisie zal onder meer de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening gaan vervangen.

De Omgevingsvisie kent één basisopgave: "werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit". Elke ruimtelijke ontwikkeling moet - ongeacht de omvang - hieraan bijdragen. In vier hoofdopgaven worden nadere accenten gelegd:

  • 1. werken aan de Brabantse energietransitie;
  • 2. werken aan een klimaatproof Brabant;
  • 3. werken aan een slimme netwerkstad;
  • 4. werken aan een concurrerende, duurzame economie.

Analyse
Onderhavig plan betreft de bouw van vijf ruimte-voor-ruimtewoningen. Deze relatief kleinschalige ontwikkeling draagt op de volgende wijze bij aan de 'grote' hoofdopgaven.

ad 1.   De energietransitie houdt enerzijds in het verminderen van het energieverbruik en anderzijds de verduurzaming van de energie. De nieuwe woningen binnen het plangebied zullen minstens aan de in het Bouwbesluit en het gemeentelijke duurzaamheidsbeleid opgenomen energieprestatie-eisen moeten voldoen. Nadere uitwerking hiervan zal plaatsvinden in het kader van het bouwplan voor de woningen. Daar komt dan ook de verduurzaming van de energie aan bod, bijvoorbeeld door het aanleggen van een eigen energievoorziening.  
ad 2.   Eén van de onderdelen van een klimaatproof Brabant is het zorgen voor een klimaatbestendige en waterrobuuste inrichting. Onderhavig plan wordt gerealiseerd op een plek die hoog en droog genoeg is. Door infiltratie van het hemelwater ter plaatse wordt voorkomen dat er een versnelde afvoer plaatsvindt. Het ontwerp van de woningen en de inrichting van de woonpercelen kunnen voorts een bijdrage leveren aan de klimaatadaptatie. Dit wordt in het bouwplan nader uitgewerkt.  
ad 3.   Een duurzame verstedelijking draagt bij aan het komen tot een slimme netwerkstad. Uitbreiding van het bestaand stedelijk gebied is alleen wenselijk vanuit kwalitatieve overwegingen en bij een concrete marktvraag. De vijf woningen worden gerealiseerd op basis van het ruimte-voor-ruimteprincipe, waarbij de woningen kunnen worden gerealiseerd als gevolg van de beëindiging van de veehouderij en de sloop van de stallen. Per saldo is daarmee sprake van (een flinke) 'ontstening' van het buitengebied.  
ad 4.   Het plan betreft woningbouw die niet direct bijdraagt aan een concurrerende en duurzame economie. Een nadere beoordeling van het plan aan deze hoofdopgave is niet nodig.  

Conclusie
Het plan geeft invulling aan bij de opgaven van de Omgevingsvisie Noord-Brabant.

4.2.2 Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant

De Interim Omgevingsverordening (IOv) bevat de provinciale regels en randvoorwaarden met een bindende werking over de fysieke leefomgeving. Deze vloeien voort uit de in de Omgevingsvisie genoemde doelen. De Interim Omgevingsverordening is opgesteld naar de gedachtegang van de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting op 1 januari 2022 in werking zal treden.

De IOv heeft een opbouw naar de verschillende doelgroepen. Voor onderhavig plan zijn in beginsel uitsluitend de in hoofdstuk 3 opgenomen "Instructieregels aan gemeenten" aan de orde. De afdelingen in dat hoofdstuk zijn als volgt te onderscheiden (waarbij de volgorde is omgekeerd ten behoeve van vergroting van de toepasbaarheid):

  • afdelingen 3.5 tot en met 3.7: de toedeling van functies;
  • afdelingen 3.2 tot en met 3.4: de bescherming van gebiedskenmerken;
  • afdeling 3.1: de basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies.
4.2.2.1 De toedeling van functies

Bij de toedeling van functies wordt aan de hand van de regels uit het IOv beoordeeld of het plan planologisch past binnen het plangebied.

Het plan ligt in het landelijke gebied van de gemeente Oosterhout en grofweg te verdelen in:

  • 1. de sanering van de varkenshouderij met behoud van beide bedrijfswoningen;
  • 2. de bouw van vijf ruimte-voor-ruimtewoningen.

Sanering varkenshouderij en behoud bedrijfswoningen
De Interim Omgevingsverordening bevat geen regels omtrent de beëindiging van veehouderijen. De sanering van de varkenshouderij en de stallen is daarom zonder meer toegestaan. Volgens artikel 3.69, onder c IOv mogen voormalige bedrijfswoningen als burgerwoningen worden gebruikt, mits er geen splitsing in meerdere woonfuncties plaatsvindt en overtollige bebouwing wordt gesloopt. Omdat er sprake is van twee legale bedrijfswoningen, komen beide in aanmerking voor een woonbestemming. Overtollige bebouwing, in de vorm van de stallen, zal worden verwijderd.

Ruimte-voor-ruimtewoningen
In beginsel stelt de IOv dat er geen nieuwe woningen aan het landelijk gebied mogen worden toegevoegd. Artikel 3.80 IOv maakt hierop echter een uitzondering voor ruimte-voor-ruimtewoningen, indien:

  • a. er sprake is van een aanzienlijke winst van de omgevingskwaliteit;
  • b. de ruimte-voor-ruimtekavel op een planologisch aanvaardbare locatie in een bebouwingsconcentratie ligt;
  • c. een goede landschappelijke inpassing van de te bouwen woning is verzekerd;
  • d. er geen sprake is van (een aanzet voor) een stedelijke ontwikkeling behoudens in geval de locatie ligt binnen Verstedelijking afweegbaar.

ad a.   Er wordt op twee wijzen voorzien in kwaliteitswinst. De eerste winst bestaat uit de inzet van ruimte-voor-ruimtetitels is verzekerd dat ontstening heeft plaatsgevonden door de sloop van agrarische bedrijfsgebouwen. De tweede winst bestaat uit het feit dat een aanzienlijke hoeveelheid fosfaatrechten is weggenomen. De dossiers behorende bij genoemde kwaliteitswinst zijn opgenomen in bijlage 2 bij deze toelichting.
De kwaliteitswinst bestaat lokaal uit het wegnemen van de varkensstallen en het toevoegen van een nieuw cluster van woningen in de vorm van een boerenerf in een groene setting. Het cluster zal openbaar toegankelijk worden en door het toevoegen van een verbindend pad zal een wandelrondje worden gerealiseerd.  
ad b.   Een bebouwingsconcentratie wordt gevormd door een kernrandzone, een bebouwingscluster of bebouwingslint. Zoals in hoofdstuk 2 beschreven is de Steenovensebaan duidelijk herkenbaar als bebouwingslint, waaraan diverse boerenerven liggen. Het plangebied betreft een van die boerenerven.  
ad c.   De landschappelijk inpassing wordt verzorgd door de bestaande, robuuste groenstructuur rondom het veehouderijbedrijf te behouden en waar nodig aan te vullen. Dit is geborgd middels een beplantings- en beheerplan die een bijlage vormt bij de planregels.  
ad d.   De ontwikkeling zal beperkt blijven tot de voorgenomen vijf woningen met daaromheen een agrarische bestemming. De groene omzoming zorgt voor een ruimtelijke afbakening. Er is daarmee geen sprake van een aanzet voor stedelijke ontwikkeling.  
4.2.2.2 De bescherming van gebiedskenmerken

In de IOv is ter plaatse van het plangebied de aanduiding Beperkingen veehouderij opgenomen. Onderhavig plan omvat geen veehouderij. Er hoeft daarom geen nadere beoordeling aan dit gebiedskenmerk plaats te vinden.

4.2.2.3 De basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies

De voor het plan relevante basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van

functies zijn:

  • zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit;
  • kwaliteitsverbetering van het landschap.

Zorgplicht voor een goede omgevingskwaliteit
Om te komen tot een goede omgevingskwaliteit moet rekening gehouden worden met zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in het gebied (toepassing lagenbenadering) en meerwaardecreatie.
Er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, omdat er sprake is van ligging in een bebouwingslint. Er wordt bovendien een flink agrarisch bouwvlak weggenomen.
Er heeft een zorgvuldige situering van de nieuwe woningen plaatsgevonden, die rekening houdt met en uitgaat van de bestaande stedenbouwkundige, landschappelijke en natuurlijke waarden in het gebied.
De meerwaarde wordt gecreëerd door:

  • de afname van het verhard oppervlak;
  • het wegnemen van het agrarisch bouwvlak;
  • het voorzien in vrijstaande woningen in het buitengebied (zowel de nieuwe woningen als de voormalige bedrijfswoningen);
  • de ontwikkeling van de ruimte-voor-ruimtewoningen gaat gepaard met ontstening van het buitengebied van Brabant;
  • het creëren van een wandelrondje over/langs het nieuwe boerenerf.

Kwaliteitsverbetering landschap
Conform artikel 3.9 IOv moeten ruimtelijke ontwikkelingen in landelijk gebied gepaard gaan met een kwaliteitsverbetering van het landschap. Voor het bepalen van de benodigde investering is de volgende categorie-indeling van toepassing:

  • categorie 1: geen ruimtelijke impact; geen tegenprestatie nodig;
  • categorie 2: beperkte impact; landschappelijke inpassing volstaat;
  • categorie 3: grote impact; landschappelijke inpassing én berekende kwaliteitsverbetering van het landschap.

De regio West-Brabant heeft een indeling van categorieën vastgesteld voor de meest voorkomende ruimtelijke ontwikkelingen, vastgelegd in het "Afsprakenkader Kwaliteitsverbetering van het landschap in de regio West-Brabant". Hierna worden de verschillende onderdelen hieraan getoetst.

Benodigde investering

  • 1. Het wegnemen van het agrarisch bouwvlak en het toekennen van de woonbestemming aan beide (voormalige) bedrijfswoningen
    De voormalige bedrijfswoning Steenovensebaan 26A krijgt een woonperceel met een oppervlakte van circa 1.820 m², waarop naast de woning circa 275 m² aan bijgebouwen staat. De oppervlakte van het woonperceel van de voormalige bedrijfswoning Steenovensebaan 28 bedraagt circa 1.630 m².
    Conform het genoemde Afsprakenkader is een kwaliteitsverbetering nodig, die in verhouding moet zijn met de impact van de ontwikkeling. In dit kader volstaat een landschappelijke inpassing.
  • 2. Het realiseren van ruimte-voor-ruimtewoningen
    Het realiseren van ruimte-voor-ruimtewoningen is niet opgenomen in de categorie-indeling. Conform artikel 3.80 IOv is een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk.

Wijze van investering
De benodigde investering bestaat uit het voorzien in een landschappelijke inpassing, die bestaat uit het behoud en de versterking van de reeds bestaande groenstructuur rondom de voormalige stallen en richting de Steenovensebaan. Een en ander is opgenomen in het beplantings- en beheerplan dat als bijlage 2 bij de planregels is opgenomen.

Zekerstelling investering
Gelet op de Interim Omgevingsverordening moet bij het nemen van een ruimtelijk besluit (i.c. het vaststellen van het bestemmingsplan) aangetoond zijn, dat wordt voldaan aan het principe van kwaliteitsverbetering van het landschap. Hiervoor is in de planregels en op de verbeelding het volgende opgenomen:

  • 1. De delen binnen de bestemming 'Groen' die zorgdragen voor de landschappelijke inpassing hebben de aanduiding 'overige zone - landschappelijke inpassing', waarbinnen uitsluitend landschappelijke inpassing is toegestaan.
  • 2. Voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden is een omgevingsvergunning nodig, waaraan de voorwaarde is gekoppeld dat de landschappelijke inpassing in stand moet blijven.
  • 3. Er geldt een uitzondering voor voornoemde vergunningplicht voor werken en werkzaamheden die opgenomen zijn in het beplantings- en beheerplan dat als bijlage bij de regels is gevoegd.
4.2.2.4 Conclusie

Het plan voldoet aan de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant.

4.3 Gemeentelijk niveau

4.3.1 Structuurvisie Oosterhout

De Structuurvisie Oosterhout geeft richting aan de ruimtelijke ontwikkeling van het grondgebied van de gemeente Oosterhout en vormt onder meer toetsingskader bij de beoordeling van ruimtelijke initiatieven.

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de structuurvisiekaart. De ligging van het plangebied is aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0018.jpg"

UITSNEDE STRUCTUURVISIEKAART

Het plangebied is onderdeel van een agrarisch gebied dat deels wordt omgeven voor de Boswachterij Dorst, die onderdeel is van het Landschapspark De Open Linie.

Analyse
Eén van de kerndoelen van de structuurvisie is het voorzien in een kwaliteitsslag voor het buitengebied, dat moet leiden tot een gevarieerde en aantrekkelijke omgeving. Voor de ontwikkeling van de landbouw zijn enkele gebieden aangewezen. In de gebieden in het noorden van de gemeente (bekend als Willems- en Oranjepolder) is ruimte voor grootschalige landbouw. De gebieden nabij de kernen (waaronder het gebied rondom het plangebied) zijn meer geschikt voor kleinschalige, grondgebonden landbouw. De structuurvisie gaat niet in op het wonen in het buitengebied.

De beëindiging van de intensieve veehouderij sluit aan bij de in de structuurvisie opgenomen ontwikkelingsrichting. De sloop van de stallen leidt tot een landschappelijke kwaliteitsslag. Om de beëindiging financieel mogelijk te maken, is een kleinschalige woningbouwontwikkeling noodzakelijk.

Conclusie
Het plan past binnen het beleid van de Structuurvisie Oosterhout.

4.3.2 Ontwerp omgevingsvisie Oosterhout

In het kader van de nieuwe Omgevingswet, waarvan de inwerkingtreding op 1 januari 2022 verwacht wordt, en voor het herijken van het ruimtelijke beleid heeft de gemeente Oosterhout een Omgevingsvisie in voorbereiding. Het ontwerp van de Omgevingsvisie is op 7 januari 2021 gepubliceerd. Hoewel de visie pas later dit jaar zal worden vastgesteld wordt het plan in deze paragraaf al getoetst aan het ontwerp van de Omgevingsvisie Oosterhout.

Analyse
De Omgevingsvisie Oosterhout geeft onder meer de kaders om ruimtelijke ontwikkelingen op een Oosterhoutse wijze te laten plaatsvinden. De visie wordt daarom gebruikt om te toetsen of ontwikkelingen bijdragen aan de Oosterhoutse ambities.

Het grondgebied van de gemeente is onderverdeeld in een aantal deelgebieden met eigen kenmerken en ambities. Onderhavig plangebied behoort tot het deelgebied "Dorst, Steenoven en omringend buitengebied". De ambities op dit deelgebied is ondergebracht in vijf thema's. Hierna zijn de voor onderhavig plan relevante ambities genoemd.

  • Leefbaar, gezond en aantrekkelijk wonen
    De ambities binnen dit thema hebben met name betrekking op de kern Dorst en zijn daarmee niet relevant voor het plan. Daarnaast wordt genoemd dat gedacht kan worden aan het "inzetten van de mogelijkheden van de ruimte-voor-ruimteregeling".

    Onderhavig plan betreft het gebruik maken van de ruimte-voor-ruimteregeling en sluit daarmee aan bij de ambities.
  • Economische vitaliteit
    De ambities met betrekking tot de economische vitaliteit in dit deelgebied zijn gericht op de sector toerisme en recreatie. Met betrekking tot de beëindiging van agrarische bedrijven luidt de visie van de gemeente dat er zorgvuldig moet worden omgegaan met de vrijkomende agrarische bebouwing: negatieve effecten door leegstand moet voorkomen worden, evenals gebruik dat niet passend is in het buitengebied.

    Het plan bevat geen onderdelen behorende tot de sector toerisme en recreatie. Het wegnemen van een intensieve veehouderij en bijbehorende bebouwing en geurhinder zou als een positieve bijdrage aan het recreatief gebruik van het gebied gezien kunnen worden. Doordat de vrijgekomen stallen zijn gesloopt wordt leegstand voorkomen. De invulling met ruimte-voor-ruimtewoningen wordt als passend gezien.
  • Identiteit & ruimtelijke kwaliteit
    De omgevingsvisie zet in op het behoud en de versterking van waardevolle (beschermde) natuur en cultuurhistorisch bijzondere elementen. Zo is het plangebied onderdeel van Landschapspark De Open Linie: een robuuste groen-buffer tussen Breda en Oosterhout met voldoende ruimte voor landbouw en recreatie. In dit gebied zijn alleen ontwikkelingen afweegbaar die voorzien in een verbetering en versterking van de landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten.

    Het plan omvat het beëindigen van een varkenshouderij, dat inmiddels heeft geleid tot het slopen van een flinke oppervlakte aan agrarische bedrijfsgebouwen, maar ook geurbelasting en stikstofemissie wegneemt. Dit komt ten goede aan het landschap en de nabijgelegen natuur.
  • Duurzaam, energieneutraal en klimaatbestendig
    De gemeente Oosterhout is voornemens een programma Klimaatadaptatie op te stellen, waarin de strategie is opgenomen om te komen tot een klimaatadaptief gebied. Daarnaast werkt de gemeente aan de Transitievisie Warmte, met daarin de werkwijze om te komen tot het gebruik van duurzame energiebronnen.

    In paragraaf 3.3 van deze toelichting is aangegeven op welke wijze onderhavig plan bijdraagt aan deze thema's.
  • Bereikbaarheid, mobiliteit en toegankelijkheid 
    Voor Dorst en het omliggende buitengebied liggen de opgaven met name op het stimuleren van het fietsgebruik en het verbeteren van de verkeersveiligheid.

    Onderhavig plan draagt gezien zijn aard en omvang op zichzelf niet bij aan de genoemde opgaven, maar vormen ook geen belemmering voor de uitvoering daarvan.

Conclusie
Het plan past binnen het beleid van de Ontwerp Omgevingsvisie Oosterhout.

Hoofdstuk 5 Uitvoeringsaspecten

In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:

  • 1. milieu;
  • 2. waarden;
  • 3. waterhuishouding.

5.1 Milieu

Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.

5.1.1 Bodemkwaliteit
5.1.1.1 Inleiding

Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.

5.1.1.2 Analyse

Verkennend bodemonderzoek conform NEN 5740
Om de bodemkwaliteit te bepalen heeft Tritium Advies een bodemonderzoek uitgevoerd: "Verkennend en aanvullend bodemonderzoek Steenovensebaan 28 te Dorst" (16 november 2020, 2006/132/KB-01, versie 0). Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd.

Het bodemonderzoek is uitgevoerd nadat de voormalige agrarische opstallen waren gesloopt. Op basis van het historische gebruik is het onderzoeksgebied - dat overeenkomt met het plangebied van voorliggend bestemmingsplan met uitzondering van het perceel Steenovensebaan 26A - in deellocaties opgedeeld, met elk een eigen onderzoekshypothese:

  • A. voormalige varkenshouderij (hypothese: verdacht);
  • B. agrarisch woonerf Steenovensebaan 28 (hypothese: verdacht);
  • C. geasfalteerde toegangsweg (hypothese: verdacht);
  • D. voormalige openbare weg deels gelegen ter plaatse van het huidige perceel Steenovensebaan 28 (hypothese: verdacht);
  • E. overig terrein (hypothese: onverdacht).

Tritium concludeert dat er geen vervolgonderzoek nodig is en dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik voor de functie wonen. Ook het aspect PFAS levert geen beperkingen op aan het gebruik van de bodem.

Asbestonderzoek
In voornoemd rapport Tritium heeft ook onderzoek verricht naar de eventuele aanwezigheid van asbest in de bodem binnen de deellocaties A, B en C. Bovendien heeft beoordeling plaatsgevonden van mogelijke asbest in de geasfalteerde toegangsweg.
Uit het onderzoek volgt dat er geen asbest is aangetroffen binnen de deellocaties A en C. Ter plaatse van deellocatie B is nader onderzoek nodig. Ook in de geasfalteerde toegangsweg is geen asbest aangetroffen.

In aanvulling op het vermelde asbestonderzoek heeft Tritium een nader asbestonderzoek uitgevoerd ter plaatse van locatie B: "Nader asbestonderzoek Steenovensebaan 28 te Dorst" (12 november 2020, 2010/100/KB-01, versie 0). Het onderzoeksrapport is als bijlage 4 bijgevoegd.
Tritium concludeert dat de onderzoeksresultaten leveren geen beperkingen opleveren ten aanzien van het huidige en voorgenomen gebruik van de locatie.

5.1.1.3 Conclusie

Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.2 Bedrijven en milieuzonering
5.1.2.1 Inleiding

Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:

  • de voorgenomen ontwikkeling van invloed is op omliggende milieugevoelige objecten (woningen etc.) en of de voorgenomen ontwikkeling een belemmering vormt voor de bedrijfsvoering van omliggende inrichtingen;
  • bestaande milieubelastende inrichtingen (bedrijven) van invloed zijn op de voorgenomen ontwikkeling.

Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.

5.1.2.2 Analyse

Gebiedstypering
De genoemde VNG-handreiking onderscheidt twee gebiedstypen: 'rustige woonwijk en rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. Ter plaatse is sprake van rustig buitengebied, omdat afgezonderd van buitengebied gebonden functies (zoals wonen en agrarische bedrijfsvoering) vrijwel geen andere functies (zoals niet-agrarische bedrijvigheid) voorkomen en er weinig verstoring is als gevolg van verkeer. De in de handreiking opgenomen richtafstanden zijn daardoor rechtstreeks bruikbaar.

Invloed plan op de omgeving
Het plan betreft woningbouw. Er is derhalve geen sprake van milieutechnische uitstraling op de omgeving.

Invloed omliggende inrichtingen op plan
Hieronder staat een overzicht van de bedrijven in de directe omgeving, de SBI-code, de milieucategorie en de bijbehorende richtafstand, alsmede de werkelijke afstand tot het dichtstbijzijnde nieuwe milieugevoelige object binnen het plangebied.

bedrijf   SBI-code   categorie   richt-
afstand  
werkelijke afstand  
Steenovensebaan 26A:
loonbedrijf <500 m² (aan huis verbonden)  
016.2   2   30 m   70 m  
Steenovensebaan 28A:
kwekerij (kas zonder verwarming)  
011.2/012.2/013.2   2   30 m   16 m  
Steenovensebaan 37-37A:
kwekerij (kas zonder verwarming)  
011.2/012.2/013.2   2   30 m   ±135 m  
Steenovensebaan 39-41:
paardenpension  
0143.1   3.1   50 m   ±135 m  

De nieuwe milieugevoelige objecten van het plan liggen buiten de richtafstanden van de omliggende inrichtingen, behoudens die van de kwekerij op adres Steenovensebaan 28A. Een nadere beoordeling van de kwekerij is daarom nodig.

Ter plaatse van Steenovensebaan 28A is een agrarisch bouwvlak met een oppervlakte van circa 7.500 m² opgenomen in het geldende bestemmingsplan. Binnen dit bouwvlak was voorheen een kleine kwekerij gevestigd. Binnen het bouwvlak staan een bedrijfswoning en circa 1.250 m² vervallen kassen zonder verwarming. De overige delen van het bouwvlak zijn in gebruik als weide/grasland. De agrarische activiteiten op dit perceel zijn geheel verdwenen. Op dit moment is er geen milieu-uitstraling op de omgeving.

Het geldende bestemmingsplan staat de nieuwvestiging van een grondgebonden agrarisch bedrijf toe, maar er zijn geen concrete plannen bekend die duiden op het starten van nieuwe agrarische activiteiten op korte termijn, waarvoor de nieuwe woningen een belemmering zouden kunnen vormen.

Hoewel er op dit moment geen milieu-uitstraling op de omgeving is en er geen concrete plannen zijn, is het in het kader van de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan noodzakelijk inzicht te geven in de mogelijkheden die het agrarisch bouwvlak biedt en welke milieutechnische uitstraling die mogelijkheden hebben.

Gebruiksmogelijkheden op basis van geldend bestemmingsplan

  • Het geldende bestemmingsplan sluit de vestiging van intensieve veehouderij en glastuinbouw uit. Er wordt daarom niet verder ingegaan op de beoordeling van die categorieën van bedrijven.
  • De nieuwvestiging van een grondgebonden veehouderij is toegestaan. Gezien de beperkte omvang van het bouwvlak (7.500 m²) en het ontbreken van een huiskavel voor de beweiding van dieren, wordt de vestiging van een moderne, volwaardige veehouderij echter niet reëel geacht.
    Indien sprake zou zijn van een grondgebouwen veehouderij, moet rekening gehouden worden met een geurafstand van 50 meter op basis van artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). De geurafstand wordt in beginsel gemeten vanaf de stal c.q. het geuremissiepunt van de stal. Omdat de stal in theorie op iedere plek in het bouwvlak kan worden gebouwd, wordt de geurafstand daarom vanuit het bouwvlak gemeten.
  • Een andere vorm van het houden van dieren is een paardenhouderij. Van een paardenhouderij is al sprake van in het geval vijf of meer paarden worden gehouden. Het houden van minder paarden wordt als hobbymatig gezien en vraagt niet om een nadere beoordeling. Voor het houden van paarden gelden dezelfde geurafstand en meetwijze als van een grondgebonden veehouderij.
  • De nieuwvestiging van een vollegronds tuinbouwbedrijf is eveneens voorstelbaar. De richtafstand van 30 meter wordt dan gemeten vanaf het bedrijfsgebouw, volgend uit de genoemde VNG-handreiking. De genoemde 30 meter volgt uit het aspect geluid. Voor de aspecten geur, gevaar en stof betreft de afstand 10 meter. Het bedrijfsgebouw kan wederom in principe ter plaatse van het gehele bouwvlak gerealiseerd worden, hoewel het reëel is om aan te nemen dat een bedrijfsgebouw aan de zijde van de Steenovensebaan (nabij de bedrijfswoning) wordt gerealiseerd en niet achterop het perceel (in de buurt van de nieuwe woningen).

Geconcludeerd kan worden dat het agrarisch bouwvlak Steenovensebaan 28A niet tot een belemmering zal leiden voor het plan.

5.1.2.3 Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.3 Externe veiligheid
5.1.3.1 Inleiding

Bij het mogelijk maken van nieuwe gevoelige functies is het aspect externe veiligheid van belang. Dit heeft betrekking op inrichtingen, buisleidingen en transportroutes waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit.

De bedrijfswoning en plattelandswoning binnen het plangebied betreffen bestaande kwetsbare objecten, die niet nader beoordeeld hoeven te worden. De ruimte-voor-ruimtewoningen binnen het plangebied zijn nieuwe kwetsbare objecten. Een beoordeling van het aspect externe veiligheid is noodzakelijk.

5.1.3.2 Beoordelingskader

Het kader voor het beoordelen van externe veiligheid bestaat met name uit:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb);
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt).

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt daarnaast getoetst aan de van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit onder meer het Activiteitenbesluit en het Besluiten algemene regels ruimtelijke ordening. Voorts is een beoordeling gedaan van overige aspecten die de veiligheid van personen binnen het plangebied negatief kunnen beïnvloeden.

Kernbegrippen
In het beoordelingskader staan twee kernbegrippen centraal:

  • Plaatsgebonden risico:
    Het plaatsgebonden risico geeft de kans, op een bepaalde plaats, van overlijden ten gevolge van een ongeval bij een risicovolle activiteit. Het plaatsgebonden risico kan op een kaart worden weergegeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten met eenzelfde plaatsgebonden risico verbinden. Voor ruimtelijke ontwikkelingen is de risicocontour van 10-6/jaar het meest relevant. Binnen deze contour mogen geen nieuwe kwetsbare objecten gerealiseerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze contour niet als grenswaarde, maar als richtwaarde.
  • Grenswaarde:
    Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het groepsrisico wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit en kent geen vaste norm, maar een oriëntatiewaarde (= '1'). Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico
Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre eventuele externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente), waardoor het externe veiligheidsaspect wordt meegewogen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. In onderstaand overzicht (volgend uit de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico) zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht.

Bron   Wanneer en opzet verantwoording groepsrisico  
Inrichtingen (Bevi)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen.  
Buisleidingen (Bevb)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of
2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of
3) personen zich buiten de 100% letaliteitgrens bevinden.
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.  
Transportroutes (Bevt)   Altijd wanneer er binnen een invloedsgebied een ruimtelijk besluit wordt genomen. Er kan echter worden volstaan met een beperkte verantwoording wanneer:
1) het groepsrisico lager is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde, of
2) de toename minder is dan 10% en de oriënterende waarde niet wordt overschreden, of
3) personen zich buiten de 200 meter-zone bevinden.
Bij een beperkte verantwoording hoeven alleen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid beschouwd te worden.  

Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

5.1.3.3 Analyse

De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten ten opzichte van het plangebied. Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0019.jpg"

UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND

Inrichtingen
De voormalige varkenshouderij binnen het plangebied is aangegeven als inrichting die valt onder het Bevi, vanwege de aanwezige propaantank. Met het beëindigen van het bedrijf zal ook de invloed op de omgeving verdwijnen.

Op ruim 400 meter ten westen van het plangebied ligt Camping 't Haasje. Op het terrein liggen twee propaantanks van elk 13 m³. Voor deze tanks is volgens de gevarenkaart geen plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) beschikbaar. Daarom wordt de veiligheidsafstand van 15 meter op basis van het Activiteitenbesluit gehanteerd. Het invloedsgebied groepsrisico reikt tot 150 meter van de tank. Het plangebied ligt buiten de veiligheidsafstand en tevens buiten het invloedsgebied. Er is geen nadere afweging nodig.

Buisleidingen
Er liggen geen buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen in de omgeving van het plangebied, die vallen onder het Besluit externe veiligheid buisleidingen. Er is geen nadere beoordeling nodig.

Transportroutes
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontouren en plasbrandaandachtsgebieden van transportroutes voor gevaarlijke stoffen.

Voor het transport van gevaarlijke stoffen is in de omgeving van het plangebied uitsluitend de spoorlijn Breda-Tilburg (niet afgebeeld) van belang. Onderstaande tabel bevat de invloedsgebieden per stofcategorie die over het spoor vervoerd worden.

stofcategorie   afstand   stofcategorie   afstand  
A   460 m   C3   35 m  
B2   995 m   D3   375 m  
B3   > 4.000 m   D4   > 4.000 m  

Het plangebied ligt op circa 2 kilometer van deze transportroute. Het plangebied ligt daardoor binnen het invloedsgebied behorende bij de categorieën van toxische stoffen (B3 en D4) dat tot meer dan 4 kilometer van de spoorlijn reikt. Omdat de afstand meer dan 200 meter bedraagt, kan worden volstaan met een algemene beoordeling waarbij op grond van artikel 7 van het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevt) moet worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

  • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute(s) en
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Overeenkomstig het gestelde in artikel 9 Bevt wordt de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld om hierover een advies uit te brengen. Hieronder is ingegaan op de genoemde aspecten.

Het plan omvat geen "bijzonder kwetsbare objecten", specifiek bestemd voor verminderd zelfredzame personen, binnen het invloedsgebied van de transportroute(s). Het plangebied ligt voorts geheel buiten de invloedsgebieden (1%-letaliteitsgebieden) vanwege een calamiteit met brandbare gassen, gemeten 355 meter vanaf de spoorlijn. Er is daarmee sprake van een 'standaard situatie', waarvoor een eenvoudige verantwoording volstaat:

  • Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval
    Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.
  • Mogelijkheden tot zelfredzaamheid
    Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) en/of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw, waarvan ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Middels het Bouwbesluit is geborgd dat de nieuwe woningen voldoen aan deze voorwaarden. In geval overgegaan moet worden op evacuatie, dan is het normale verkeersnet hiervoor toereikend.

De Regionale Brandweer heeft overeenkomstig het gestelde in artikel 9 van het Bevt eerder een standaard advies uitgebracht voor situatie die aan bepaalde kenmerken voldoen. Dit advies is opgenomen als bijlage 5.

De transportroute heeft beperkt invloed op de externe veiligheid in het plangebied. Deze invloed neemt echter beperkt toe als gevolg van onderhavig plan.

Overige aspecten
Het plangebied ligt op circa 230 meter en daarmee op relatief korte afstand van het bosgebied Boswachterij Dorst, dat als zeer brandbaar is aangemerkt. Bestrijding van een bosbrand vindt plaats bij de brandhaard(en). In het geval evacuatie van personen binnen onderhavig plangebied noodzakelijk is, kan dit plaatsvinden via de openbare wegenstructuur, die van het bosgebied afleiden.

5.1.3.4 Conclusie

De veiligheidssituatie is gelet op het voorgaande aanvaardbaar. Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.4 Geurhinder veehouderijen
5.1.4.1 Inleiding

Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.

5.1.4.2 Beoordelingskader

Het kader voor het beoordelen van geurhinder van veehouderijen bestaat met name uit:

  • Wet geurhinder en veehouderij (Wgv);
  • Activiteitenbesluit;
  • Geurhinderverordening.
5.1.4.3 Analyse

Bestaande woningen
De bestaande bedrijfswoning en plattelandswoning hoeven niet in de beoordeling te worden meegenomen, onder meer omdat de planregels voorschrijven dat eventuele herbouw van de woningen moet plaatsvinden op de fundamenten van de bestaande woningen. De statusverandering van bedrijfswoning/plattelandswoning naar burgerwoning leidt niet tot een belemmering van veehouderijen.

Nieuwe woningen
De nieuwe woningen binnen onderhavig plangebied zijn nieuwe geurgevoelige objecten. In de wijdere omgeving van het plangebied ligt een aantal veehouderijen. De Wgv maakt onderscheid in intensieve veehouderijen met geurnormen en overige veehouderijen met vaste afstanden. Vanwege de grote afstand zijn er geen intensieve veehouderijen van invloed op het plan.

De veehouderijen in de omgeving betreffen voornamelijk melkvee- en paardenhouderijen. Voor deze bedrijven geldt conform artikel 4 van de Wet geurhinder en veehouderij een vaste geurafstand van 50 meter tot ruimte-voor-ruimtewoningen. De afstand van de nieuwe woningen is tot deze veehouderijen is (ruim) groter dan 50 meter. De nieuwe woningen vormen geen belemmering voor bestaande veehouderijen.

Woon- en leefklimaat
Het plan voldoet ruimschoots aan de geldende geurafstanden. Het plan heeft bovendien een flinke, positieve invloed op het woon- en leefklimaat ter plaatse van alle objecten in de omgeving, als gevolg van het saneren van een varkenshouderij. De geurbelasting bij de bestaande woningen bedroeg 8 ou/m³ en die wordt teruggebracht naar 1 ou/m³. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.4.4 Conclusie

Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.5 Geluid
5.1.5.1 Inleiding

Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
In paragraaf 5.1.2 is reeds ingegaan op de milieubelasting van omliggende bedrijven.

5.1.5.2 Analyse

Ter plaatse van het plangebied is het onderdeel industrielawaai niet aan de orde. Er wordt daarom uitsluitend ingegaan op verkeerslawaai.

Bestaande woningen
Voor bestaande woningen waarvan de projectie niet verandert is geen toetsing aan de Wgh nodig. De planregels van voorliggend bestemmingsplan schrijven voor dat eventuele herbouw van de woningen op de bestaande fundamenten moet plaatsvinden.

Nieuwe woningen
De nieuwe woningen betreffen nieuwe geluidgevoelige objecten. Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Steenovensebaan. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft Cauberg Huygen uit Son een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Vijf nieuwbouwwoningen Steenovensebaan 28 in Dorst; akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai" (5 maart 2020, nummer 05487-51317-01). Het onderzoeksrapport is als bijlage 6 bijgevoegd. [Aanpassing uitgezet bij Antwan Timmers van Cauberg Huygen.]

Cauberg Huygen concludeert dat, ten gevolge van wegverkeer op de Steenovensebaan, overal wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Er zijn voor het nieuwbouwplan geen hogere waarden nodig. Doordat het project voldoet aan de voorkeursgrenswaarde, is tevens sprake van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.5.3 Conclusie

Het aspect geluidhinder vormt geen planologische belemmering voor het plan, hetgeen betekent dat:

  • er wordt voldaan aan de Wet geluidhinder;
  • het college geen hogere waarde hoeft vast te stellen;
  • er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
5.1.6 Luchtkwaliteit
5.1.6.1 Inleiding

Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

5.1.6.2 Analyse

Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen.
Onderhavig plan omvat vijf nieuwe woningen in combinatie met de beëindiging van een varkenshouderij en betreft daarmee een project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.

Goed woon- en leefklimaat
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke wegen. Er kan zonder nadere beoordeling geconcludeerd worden dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plangebied.

5.1.6.3 Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.7 Volksgezondheid
5.1.7.1 Inleiding

Het aspect volksgezondheid heeft de laatste jaren meer aandacht gekregen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Aangetoond moet worden dat een ruimtelijke ontwikkeling geen negatief effect heeft op de volksgezondheid.

Een beoordeling van de effecten op de volksgezondheid doet zich met name voor de ontwikkeling van of in de buurt van veehouderijen, boom- en fruitteelt en hoogspanningsverbindingen. In deze paragraaf wordt het plan aan deze aspecten getoetst.

5.1.7.2 Veehouderijen

Bij het beoordelen van de effecten van veehouderijen op de volksgezondheid wordt onderscheid gemaakt in endotoxinen en geitenhouderijen.

Endotoxinen
Endotoxinen zijn bouwstenen van bepaalde bacteriën die een toxisch effect op de mens kunnen hebben en tot gezondheidsklachten kunnen leiden. Endotoxinen komen vaak voor in fijnstof van intensieve veehouderijen. De Gezondheidsraad hanteert een advieswaarde van 30 endotoxine-eenheden per kubieke meter (EU/m³) voor de maximale blootstelling aan endotoxinen in de buitenlucht over een langere periode.
Omdat thans nog een toetsingskader wordt voorbereid, wordt voor de beoordeling de "Notitie Handelingsperspectieven Veehouderij en Volksgezondheid: Endotoxine toetsingkader 1.0" gehanteerd. Daarin zijn afstandsgrafieken opgenomen voor de relevante diersoorten vleeskuikens, legkippen en vleesvarkens gerelateerd aan de fijnstofemissie. In algemene zin kan worden gesteld dat het effect van endotoxinen tot maximaal 600 meter van veehouderijen plaatsvindt.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 600 meter rondom het plangebied zijn geen veehouderijen met pluimvee of varkens actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect endotoxinen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van endotoxinen.

Geitenhouderijen
Uit onderzoek is gebleken dat omwonenden in een straal van 2 km rondom geitenhouderijen een verhoogde kans hebben op longontsteking. Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van geitenhouderijen moet beoordeeld worden of er een effect is op de volksgezondheid.

Analyse
Het plan omvat nieuwe, milieugevoelige objecten. In een straal van 2 km rondom het plangebied zijn echter geen geitenhouderijen met meer dan 100 geiten actief. Er hoeft geen nadere beoordeling van het aspect geitenhouderijen plaats te vinden. Er is sprake van een goed woon- en leefklimaat ten aanzien van geitenhouderijen.

5.1.7.3 Boom- en fruitteelt

Bij boom- en fruitteelt worden vaak gewasbeschermingsmiddelen gebruikt. Deze middelen kunnen een gevaar opleveren voor de volksgezondheid. Als gevolg van de wind kunnen gewasbeschermingsmiddelen verwaaien. Dit wordt drift genoemd. Om te voorkomen dat derden als gevolg van drift in aanraking komen met gewasbeschermingsmiddelen wordt een spuitzone van 50 meter gehanteerd.

Analyse
De gronden rondom het plangebied zijn niet in gebruik voor boom- en fruitteelt en ook niet zijn aangewezen als boomteeltontwikkelingsgebied. Geconcludeerd wordt dat er geen rekening gehouden hoeft te worden met spuitzones als gevolg van boom- en fruitteelt.

5.1.7.4 Hoogspanningsverbindingen

De magnetische velden in de buurt van hoogspanningsverbindingen kunnen invloed hebben op de gezondheid. Het beleid van de Rijksoverheid is erop gericht om zoveel als redelijkerwijs mogelijk is, te vermijden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied rondom bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is dan 0,4 microtesla.

Analyse
Het plan leidt tot het toevoegen van woningen waar kinderen gedurende langere tijd kunnen verblijven. Er is echter sprake van een zeer grote afstand tot hoogspanningsverbindingen, namelijk ruim 4,5 kilometer. Het schadelijke magneetveld strekt zich tot maximaal enkele honderden meters van de hoogspanningsverbinding uit. Er is geen nader onderzoek nodig.

5.1.7.5 Conclusie

Het aspect volksgezondheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.1.8 Milieueffectrapportage
5.1.8.1 Inleiding

In de wetgeving is bepaald dat voor activiteiten die in samenhang met de bestaande activiteiten in de omgeving mogelijk grote nadelige gevolgen hebben voor de leefomgeving nader onderzoek is vereist. Het wettelijk kader voor die onderdeel is de:

  • Wet natuurbescherming;
  • Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant;
  • Wet milieubeheer in samenhang met Besluit milieueffectrapportage.
5.1.8.2 Analyse

De Wet natuurbescherming bepaalt dat een m.e.r is vereist indien er een passende beoordeling moet worden opgesteld. Dat is hier niet het geval.

In de Interim Omgevingsverordening Noord-Brabant is voor dit plan geen verplichting tot een m.e.r. opgenomen.

De Wet milieubeheer in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage bepaalt dat er een m.e.r.-plicht geldt voor de daarin genoemde activiteiten en gevallen in onderdeel C van de bijlage van het Besluit milieueffectrapportage of onderdeel D van die bijlage voor zover het een kaderstellend plan betreft. Er is geen activiteit uit onderdeel C en D van toepassing op dit plan
Er kan in beginsel weliswaar een activiteit uit onderdeel D van toepassing zijn: stedelijk ontwikkelingsproject. Maar uit jurisprudentie kan worden afgeleid dat een ontwikkeling van 5 woningen in het buitengebied niet als zodanig zal worden aangemerkt. Daarmee is ook een milieueffectbeoordeling op basis van art. 2, vijfde lid niet meer aan de orde.

5.1.8.3 Conclusie

Er hoeft geen milieueffectrapport te worden opgesteld of een milieueffectbeoordeling te worden uitgevoerd.

5.2 Waarden

5.2.1 Archeologie
5.2.1.1 Inleiding

Het omgaan met archeologisch erfgoed is in Europees verband vastgelegd in het Verdrag van Malta. Hierin is het uitgangspunt dat dit erfgoed zoveel mogelijk ter plaatse (in situ) te conserveren. Het Europees beleid is overgenomen in de Erfgoedwet. Daarin is mede bepaald dat gemeenten belast zijn met de zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. De gemeente Oosterhout heeft een Erfgoedkaart opgesteld, waarop de archeologische verwachtingen per gebied inzichtelijk zijn gemaakt.

5.2.1.2 Analyse

Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de Erfgoedkaart Oosterhout.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0020.jpg"

UITSNEDE ARCHEOLOGISCHE BELEIDSKAART

Het plangebied ligt in een zone met een middelhoge archeologische verwachtingswaarde. Er geldt een vrijstelling voor onderzoek bij bodemingrepen tot 50 cm onder maaiveld over een oppervlakte van minder dan 100 m². Het initiatief overschrijdt deze grenzen. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is derhalve noodzakelijk.

Vestigia uit Amersfoort heeft een archeologisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Archeologisch vooronderzoek in het kader van de voorgenomen woningbouw aan de Steenovensebaan 28 te Dorst, gemeente Oosterhout (NB)" (1 april 2020, nr. V1915). Het onderzoeksrapport is als bijlage 7 bijgevoegd. Vestigia heeft onderzoek verricht op die delen van het plangebied waar ingrepen in de bodem als gevolg van onderhavig plan aan de orde zijn.
Vestigia concludeert het volgende:

  • Op basis van de resultaten van het onderzoek kan worden gesteld dat de kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats ter plaatse van nagenoeg het gehele plangebied klein is en de archeologische verwachting kan worden bijgesteld naar 'laag'.
  • Ter plaatse van de bestaande woning Steenovensebaan 28 wordt vervolgonderzoek geadviseerd indien deze worden wordt gesloopt of tot nieuwbouw wordt overgegaan.

De resultaten van het onderzoek zijn als volgt verwerkt in voorliggende bestemmingsplan:

  • Ter plaatse van het woonperceel Steenovensebaan 28 en de niet onderzochte delen van het plangebied wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' gelegd, overeenkomstig de dubbelbestemming uit het thans geldende bestemmingsplan.
  • Op de overige delen van het plangebied wordt geen archeologische dubbelbestemming gelegd.

Ondanks een zorgvuldig onderzoek kan nooit volledig worden uitgesloten dat er tijdens werkzaamheden archeologische sporen of resten worden aangetroffen. Conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet dient hiervan melding te worden gemaakt bij de Minister.

5.2.1.3 Conclusie

Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.2 Cultuurhistorie
5.2.2.1 Inleiding

Met het doel het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken, is een verantwoorde verankering van dit belang in onder meer het bestemmingsplan van belang. Een en ander is vastgelegd in de Erfgoedwet en artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening.

Cultuurhistorische waarden zijn zowel op provinciaal niveau (Cultuurhistorische Waardenkaart) als gemeentelijk niveau (Erfgoedkaart) vastgelegd.

5.2.2.2 Analyse

Cultuurhistorische Waardenkaart
Op de provinciale Cultuurhistorische Waardenkaart zijn ter plaatse van het plangebied en de directe omgeving geen waarden van provinciaal belang opgenomen. Een toetsing van het plan aan de Cultuurhistorische Waardenkaart is daarom niet nodig.

Erfgoedkaart
Op de gemeentelijke Erfgoedkaart wordt onderscheid gemaakt in de categorieën:

  • historisch-geografische elementen en structuren;
  • historische groenstructuren en zichtlijnen;
  • historische stedenbouwkunde.

Historisch-geografische elementen en structuren
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Waardenkaart historische geografie.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0021.jpg"

UITSNEDE WAARDENKAART HISTORISCHE GEOGRAFIE

Het bebouwingslint Steenovensebaan (6) is hierop met een redelijk hoge stedenbouwkundige waarde aangeduid. Het bebouwingslint, ook bekend als de nederzetting Steenoven, is ontstaan op een dekzandrandrug als onderdeel van de ontginning van de woeste gronden.
De Akker Steenoven (17) strekt zich uit aan weerszijden van de nederzetting. Kenmerkend aan deze akker is de grootschalige verkaveling en de duidelijke randen gevormd door bos.

De bestaande woningen binnen het plangebied zijn onderdeel van het historisch bebouwingslint, zoals begrensd op de waardenkaart. Onderhavig plan voorziet niet in een aanpassing van de structuur en heeft daarmee geen invloed op de historisch-geografische waarde van het lint.
Het plandeel met de nieuwe woning ligt op de Akker Steenoven. Doordat de nieuwe woningen worden gerealiseerd ter plaatse van de bebouwing van een voormalige veehouderij is er geen sprake van negatieve impact op het karakter van de akker. Door de flinke afname van de bebouwingsmassa's kan mogelijk zelfs gesproken worden van een positieve invloed.

Historische groenstructuren en zichtlijnen
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Waardenkaart historisch groen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0022.jpg"

UITSNEDE WAARDENKAART HISTORISCH GROEN

Ter plaatse van het plangebied en zijn directe omgeving zijn geen historische groenstructuren aanwezig, die als waardevol zijn aangemerkt. Het plan heeft daarom geen invloed op historische groenstructuren.

Historische stedenbouwkunde
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de Waardenkaart monumenten en stedenbouwkundige functies.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0023.jpg"

UITSNEDE WAARDENKAART MONUMENTEN EN STEDENBOUWKUNDIGE FUNCTIES

Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van historisch-stedenbouwkundige objecten en structuren. Er staan geen monumenten binnen het plangebied. Het plan heeft geen invloed op de historische stedenbouwkunde.

5.2.2.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.

5.2.3 Natuurwaarden
5.2.3.1 Inleiding

Ten behoeve van de bescherming van natuurwaarden geldt de Wet natuurbescherming. De daarin opgenomen bescherming omvat de onderdelen:

  • gebiedsbescherming;
  • soortenbescherming;
  • bescherming van houtopstanden.
5.2.3.2 Analyse

Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen een beschermd gebied, zoals opgenomen in Natura 2000 en het Natuurnetwerk Nederland. Ook bij ontwikkelingen buiten natuurgebieden moet het effect worden beoordeeld, de zogenaamde 'externe werking'. Het gaat dan enerzijds om verstorende effecten zoals geluid, licht en trillingen op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland en anderzijds om stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

Verstorende effecten
Staro Natuur en Buitengebied uit Gemert heeft een onderzoek uitgevoerd naar de in voorliggend plan opgenomen ontwikkelingen in relatie tot de Wet natuurbescherming: rapport "Quickscan flora en fauna Steenovensebaan 26A en 28 te Dorst" (januari 2020, nr. P19-0445). Het onderzoeksrapport is als bijlage 8 bijgevoegd.
Staro concludeert Staro dat, gezien de afstand tot beschermde natuurgebieden, er redelijkerwijs is uit te sluiten dat er als gevolg van het plan negatieve effecten ontstaan op Natura 2000-gebieden. Als gevolg van de beëindiging van de varkenshouderij is er zelfs sprake van een positief effect op natuurgebieden behorende tot het Natuurnetwerk Nederland.

Stikstofdepositie
Bijlage 9 bevat het stikstofdepositie-onderzoek waarin zowel de bouwfase als de gebruiksfase zijn beoordeeld. Daaruit volgt dat het plan geen significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden heeft.

Soortenbescherming
In het hiervoor genoemde onderzoek heeft Staro tevens een het plan beoordeeld aan de regels behorende bij de soortenbescherming. De beoordeling heeft plaatsgevonden voorafgaand aan de sloop van de agrarische opstallen. Staro concludeert in zijn onderzoek dat het plan niet leidt tot overtreding van de Wet natuurbescherming, mits:

  • 1. nader onderzoek naar verblijfplaatsen en nestplaatsen van vleermuizen, kerkuil, steenuil, huismus en marters wordt uitgevoerd voorafgaand aan de sloopwerkzaamheden;
  • 2. het kappen en snoeien van bomen en struiken wordt uitgevoerd buiten het broedseizoen en wanneer geen broedgeval aanwezig is;
  • 3. bij graafwerkzaamheden en slopen op locaties waar Alpenwatersalamander verborgen kan zitten wordt gewerkt buiten de overwinteringsperiode. De werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd tussen 15 april en 15 oktober.

ad 1.   De voormalige eigenaar heeft de sloop van de agrarische opstallen inmiddels uitgevoerd op basis van een verleende sloopvergunning. Het aanbevolen nadere onderzoek vond plaats ter voorbereiding van de aanvraag om sloopvergunning.  
ad 2. en 3.   Deze aanbevelingen zullen gedeeld worden met de uitvoerders van de betreffende werkzaamheden.  

In acht nemende dat de sloopwerkzaamheden inmiddels hebben plaatsgevonden, is er naar aanleiding van de uitvoerde quickscan geen nader onderzoek nodig voor dit plan.

Tot slot wordt opgemerkt dat de zorgplicht als genoemd in artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming te allen tijde van toepassing is.

Bescherming van houtopstanden
Het plan omvat niet het kappen van bomen buiten de bebouwde kom of in een houtopstand van meer dan 10 are, of het kappen van een bomenrij van meer dan 20 bomen. Voor het plan geldt derhalve geen herplantplicht conform artikel 4.3 van de Wet natuurbescherming. Mocht het kappen van bomen alsnog aan de orde komen, dan wordt te zijner tijd getoetst aan dat artikel.

5.2.3.3 Conclusie

Het aspect natuurwaarden vormt geen planologische belemmering voor het plan:

  • Het plan heeft geen significante effecten op natuurgebieden.
  • Met inachtname van de gedane aanbevelingen zijn er geen effecten op beschermde soorten te verwachten.
  • De herplantplicht is niet aan de orde.

5.3 Waterparagraaf

5.3.1 Inleiding

Het plangebied ligt binnen het beheergebied van Waterschap Brabantse Delta.

De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.

De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie (oppervlaktewater, grondwater, hemelwater en afvalwater).

5.3.2 Beleid

In deze paragraaf is het relevante vigerende beleid opgenomen.

5.3.2.1 Nationaal niveau
  • Het Nationaal Waterplan
    Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie.
5.3.2.2 Provinciaal niveau
  • Het Provinciaal Waterplan Noord-Brabant 2016-2021
    Dit plan bevat het strategische waterbeleid van de provincie Noord-Brabant voor de periode 2016-2021. Naast beleidskader is het Provinciaal Waterplan ook toetsingskader voor de taakuitoefening van lagere overheden op het gebied van water. Bovendien dient het plan als structuurvisie voor het aspect water op grond van de Wet ruimtelijke ordening.
5.3.2.3 Waterschap Brabantse Delta

Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Brabantse Delta. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:

  • Het Waterbeheerplan 2016-2021
    Het waterbeheerplan 'Grenzeloos verbindend' is een strategisch document. Hierin wordt aangegeven wat de doelen zijn voor de periode 2016-2021 en hoe het waterschap dit wil bereiken.
  • Brabant Keur
    Voor de beheergebieden van de waterschappen Aa en Maas, Brabantse Delta en De Dommel geldt dezelfde keur: Brabant Keur. De keur bevat regels ter bescherming van de waterwerken die nodig zijn voor een goed waterbeheer (kwantiteit) en voor de bescherming van het gebied tegen hoog water.
    Bij veel projecten is sprake van een toename van het verharde oppervlak. Hieromtrent is in de Algemene regels bij de keur het volgende opgenomen:
    • 1. Bij een toename van het verharde oppervlak van minder dan 2000 m² stelt het waterschap geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Hiervoor geldt het gemeentelijke beleid.
    • 2. Bij een toename van het verharde oppervlak van meer dan 2000 m² maar minder dan 10.000 m² moeten compenserende maatregelen ten aanzien van de verwerking van het hemelwater worden getroffen conform de rekenregel:
      benodigde compensatie (in m³) =
      toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m)  
    • 3. Bij een toename van het verhard oppervlak van meer dan 10.000 m² is een watervergunning nodig.
  • Beleidsregel hydraulische randvoorwaarden 2009.
    In de Beleidsregel 'hydraulische randvoorwaarden 2009' worden de kaders en normen voor de watertoets gegeven. De uitgangspunten ten aanzien van het hemelwaterbeleid worden beschreven. Met behulp van de afvoernormen kan de benodigde waterberging en/of retentievoorziening worden berekend. De voorkeursvolgorde voor de te treffen compenserende maatregel betreft:
  • 1. infiltreren;
  • 2. retentie aanleggen binnen plangebied;
  • 3. retentie aanleggen buiten plangebied;
  • 4. berging zoeken in bestaand plangebied.
5.3.2.4 Gemeentelijk niveau

Binnen de gemeente Oosterhout geldt het 'Water- en Rioleringsplan 2017 - 2021' uit 2016. Omtrent omgang met hemelwater sluit gemeente Oosterhout aan bij de landelijk voorkeursvolgorde: infiltreren waar het kan, bufferen waar mogelijk en als het niet anders kan afvoeren. Hierbij dient voor de te kiezen oplossingen het aspect duurzaamheid leidend te zijn. Voor de hemelwaterafvoer gelden de onderstaande (voor onderhavig plan relevant zijnde) uitgangspunten:

  • Bij nieuwbouw geldt: gescheiden afvoer van regenwater van alle verhard oppervlakken waar dit mogelijk is.
  • Voorkeursvolgorde aanhouden: infiltratie - berging - afvoer.
  • Infiltratie mogelijk als K-waarde (doorlatendheid bodem) 0,5 m per dag of groter is.
  • Zoveel als mogelijk bovengrondse afvoer (ook daken), water blijft zichtbaar. Voordeel: minder vervuilingsrisico en waterbeleving van burger.
  • Bij bui 10 (circa 40 mm in één uur) geen water op straat berekend vanuit een leidingstelsel.
  • Bij bui 100 (circa 70 mm in één uur) geen inundatie vanuit open waterberging (o.a. wadi) of watergang.
  • Voor infiltratie van het regenwater in de bodem of lozing op oppervlaktewater gelden onderstaande normen:
  • Bij nieuwbouw moet het af te voeren verhard oppervlak¹, mits meer dan 1000 m², in de bodem infiltreren of lozen op oppervlaktewater² binnen een afstand van 300 meter.

¹ Onder verhard oppervlak wordt verstaan alle vlakken waarop schoon regenwater opgevangen en afgevoerd wordt.

² Onder oppervlaktewater wordt verstaan alle voorzieningen in het watersysteem, dus ook bijvoorbeeld duikers en wadi’s.

5.3.3 Watersysteem
5.3.3.1 Bodem

Ter plaatse is sprake van een zandbodem (leemarm en zwak lemig fijn zand). De waterdoorlatendheid is onbekend.

5.3.3.2 Oppervlaktewater

Binnen het plangebied en in de directe omgeving is beperkt oppervlaktewater aanwezig. Langs het Hertenpad ligt een B-watergang. Haaks op die watergang ligt een C-watergang die het plangebied in reikt. Deze C-watergang werd voorheen gebruikt voor de afvoer van het hemelwater vanaf de agrarische bedrijfsgebouwen. Hieronder is een uitsnede van de legger van waterschap Brabantse Delta.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0024.png"

UITSNEDE LEGGER BRABANTSE DELTA

5.3.3.3 Grondwater

De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) binnen het plangebied bedraagt 0,8 tot 1,2 m -mv (bron: bodematlas).

5.3.3.4 Waterschapsbelangen

Het plangebied ligt niet in of nabij een gebied waarin waterschapsbelangen een rol spelen, zoals waterkering, waterberging of waterwinning.

5.3.4 Hemelwater

Vertrekpunt voor de berging van het hemelwater is dat de situatie van de voormalige bedrijfswoningen onveranderd blijft. De waterparagraaf richt zich daarom alleen op de ontwikkeling van de vijf ruimte-voor-ruimtewoningen.

5.3.4.1 Verhard oppervlak

In de huidige situatie is nagenoeg het hele terrein verhard. In de nieuwe situatie zal dit fors afnemen. Vanuit het waterschap (de Keur) gelden derhalve geen nadere eisen aan de verwerking van het hemelwater. Er dient daarom te worden aangesloten bij het gemeentelijke beleid. Om te berekenen welke bergingscapaciteit er benodigd is, wordt eerst het verhard oppervlak in de nieuwe situatie bekeken. Onderstaande tabel geeft een overzicht van het verhard oppervlak (bebouwing en bestrating) in de nieuwe situatie.

omschrijving   bestaand   nieuw   afname  
(oprij)laan   600 m²   600 m²   0 m²  
erfverharding   6.000 m²   750 m²   5.250 m²  
bebouwing
(circa 300 m² per rvr-woning)  
7.100 m²   1.500 m²   5.600 m²  
eigen terrein rvr-woningen
(circa 150 m² per woning)  
-   750 m²   -750 m²  
totaal   13.700 m²   3.600 m²   10.100 m²  

De totale afname van de verharding bedraagt 10.100 m². De verharding in de nieuwe situatie betreft 3.600 m2.

5.3.4.2 Berekening bergingscapaciteit

Voor de berekening van de bergingscapaciteit wordt uit gegaan van de Keur en het 'Water- en Rioleringsplan 2017 - 2021'.

Conform artikel 15.4.2 van de Algemene regels van de Keur moet de rekenregel worden toegepast: benodigde compensatie (in m³) = toename verhard oppervlak (in m²) x gevoeligheidsfactor x 0,06 (in m).

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0025.jpg"

GEVOELIGHEIDSFACTOR CONFORM KEURKAART WATERSCHAP BRABANTSE DELTA

Voor het plangebied geldt een gevoeligheidsfactor van 1/4. In gebieden waar deze factoren gelden is sprake van infiltratiegebieden en is de afvoercapaciteit van waterlopen relatief groot in verhouding tot de specifieke afvoer voor landelijk gebied. Voor de berekening van de bergingscapaciteit betekent dat: 3.600 x 1/4 x 0,06 = 54 m³.

De gemeente Oosterhout hanteert voor de berekening van de bergingscapaciteit echter een bui waarbij 70 mm neerslag valt. De bergingscapaciteit moet dan ten minste 3.600 x 0,07 = 252 m³ bedragen.

Als voldaan wordt aan de gemeentelijke bergingsopgave, wordt ook aan de opgave van het waterschap voldaan.

5.3.4.3 Ontwerp bergingsvoorziening

Bij het ontwerp van de retentievoorziening worden conform het 'Water- en Rioleringsplan 2017 - 2021' uit 2016 de voorkeursvolgorde aanhouden: infiltratie – berging – afvoer. Voor het te bergen hemelwater wordt een onderscheid per onderdeel gemaakt om zodoende zo veel mogelijk water op locatie te infiltreren.

Laan

De oppervlakte van de (oprij)laan is circa 600 m² en behoeft daarom (600 x 0,07 =) 42 m³ berging. De (oprij)laan ligt echter verhoogd en tussen twee weides. Het hemelwater dat op de laan valt zal derhalve direct afwateren op, en infiltreren in deze weides.

Erf

De oppervlakte van het erf en de bezoekersparkeerplaatsen is circa 750 m² en behoeft daarom (750 x 0,07 =) 53 m³ berging. De parkeerplaatsen liggen net als de (oprij)laan aan een groene weide en het hemelwater kan daarom goed direct infiltreren. Daarnaast kunnen deze parkeerplaatsen ook als grasbeton worden uitgevoerd omdat deze geen hoge bezettingsgraad hebben.

Voor het hemelwater dat op het erf valt kan een groot deel direct het gazon inlopen en infiltreren. Daarnaast is de C-watergang aan de noordzijde ook beschikbaar om naar af te voeren. Verdere uitwerking moet aantonen hoeveel capaciteit er nodig is. Uit de inmeting is gebleken dat de inhoud van de watergang circa 110 m³ bedraagt. De watergang is circa 3 meter breed en heeft een diepte van circa 1 meter. Met een GHG van circa 1 meter onder maaiveld kan de volledige inhoud als bergingsvoorziening worden gebruikt. Middels een overstortvoorziening kan er worden aangesloten op de bestaande B-watergang.

Ruimte-voor-ruimtewoningen

De ruime percelen bieden voldoende gelegenheid om op perceelsniveau infiltratie- en bergingsvoorzieningen te treffen. Per perceel betreft het circa 450 m² verharding en derhalve (450 x 0,07 =) 32 m³ berging. Eventueel kan ook nog gebruik worden gemaakt van een noodoverstort richting de C-watergang.

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0026.jpg"

BETREFFENDE C-WATERGANG TEN BEHOEVE VAN DE BERGINGSVOORZIENING

5.3.5 Afvalwater

Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden. Het schone hemelwater mag daarom niet op de riolering worden aangesloten.

Het vuile afvalwater zal op de bestaande drukriolering in de Steenovensebaan geloosd worden. Indien noodzakelijk worden hiervoor aanvullende voorzieningen aangebracht.

5.3.6 Waterkwaliteit

Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden geen uitlogende materialen toegepast.

Hoofdstuk 6 Juridische uitvoerbaarheid

6.1 Het juridische plan

Voorliggend bestemmingsplan heeft tot doel een juridisch-planologische regeling te scheppen voor de bebouwing en het gebruik van de gronden en gebouwen binnen het bestaand stedelijk gebied.

Bij het opstellen van voorliggend bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Daarnaast is aangesloten bij het gemeentelijke 'Handboek (digitale) bestemmingsplannen'. Voor voorliggend bestemmingsplan is de versie van mei 2020 gehanteerd. Het handboek bevat een set regels die voor alle nieuwe bestemmingsplannen binnen de gemeente Oosterhout wordt gehanteerd, waardoor sprake is van uniforme regelingen in de diverse plannen. In het Handboek is gestreefd naar standaardisering van bestemmingen en regels zoals aangegeven in de Standaard Vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012).
Voorliggend bestemmingsplan wijkt echter op de volgende punten af van het handboek:

  • afwijking 1 - de planregels van de bestemmingen 'Wonen' en 'Wonen - RVR' zijn gevolgd uit de bestemming 'Wonen' van het vigerende bestemmingsplan "Buitengebied 2013 (incl. Lint Oosteind) Reparatie-herziening 2016".

De Wet ruimtelijke ordening biedt mogelijkheden voor het opstellen van verschillende bestemmingsplanvormen, van zeer globaal tot gedetailleerd. Voorliggend bestemmingsplan beschrijft meer dan alleen de hoofdlijnen van het beleid, doch treedt niet al te zeer in details. Uitgangspunt van het bestemmingsplan is het bieden van een flexibele, juridische regeling, zonder dat hierdoor de rechtszekerheid van de burger wordt geschaad.
De planopzet is gericht op beheer en instandhouding van de bestaande situatie. Behoud van de bestaande functies is het primaire doel van het bestemmingsplan. Eén en ander komt tot uitdrukking in de regels en blijkt ook uit de verbeelding. In de volgende paragraaf wordt inhoudelijk ingegaan op de afzonderlijke bestemmingen binnen voorliggend bestemmingsplan.

De terminologie van voorliggend bestemmingsplan is voorts afgestemd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

6.2 Bestemmingen

6.2.1 Opzet regels

De opbouw van de regels is gelijk aan Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012. De opbouw is als volgt:

  • betekenisafspraken (Hoofdstuk 1 Inleidende regels);
  • de gebruiks- en bouwregels per bestemming (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels);
  • algemene regels (Hoofdstuk 3 Algemene regels);
  • overige regels (Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels).

Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels) wordt uit de volgende leden in deze volgorde opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels;
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de gebruiksregels;
  • omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • wijzigingsbevoegdheid.

De specifieke nadere eisenregelingen, afwijkingsbevoegdheden en wijzigingsbevoegdheden en mogelijk een omgevingsvergunningstelsel voor werken en werkzaamheden zijn zoveel mogelijk per bestemming opgenomen. Hierdoor wordt direct per bestemming inzicht geboden in de eventuele afwijkingsmogelijkheden en onnodig verwijzen naar andere artikelen voorkomen. Deze werkwijze bevordert de toegankelijkheid van het bestemmingsplan.

6.2.2 Flexibiliteitsregels

Aan het bestemmingsplan kan flexibiliteit worden toegevoegd door regels op te nemen over de bevoegdheid tot het verlenen van een (binnenplanse) omgevingsvergunning ter afwijking van het bestemmingsplan, het stellen van nadere eisen of een wijzigingsbevoegdheid.

Voor het opnemen van flexibiliteitsregels geldt als uitgangspunt dat flexibiliteitregels alleen worden gebruikt als van een wezenlijke belangenafweging sprake kan zijn. Ontwikkelingen die niet in de regels mogelijk zijn gemaakt, zijn uitsluitend mogelijk via een buitenplanse procedure.

6.2.3 Bepalen goothoogte

Er is wel eens sprake van misverstanden over de wijze waarop de goothoogte of bouw- c.q. nokhoogte van een gebouw moet worden geïnterpreteerd. De goothoogte wordt bepaald vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, lichtkoepels, dakkapellen, lucht- en liftkokers, zonnepanelen, andere technische ruimten en/of technische constructies, hekwerken en antennes. Voor de meest voorkomende gevallen is hieronder aangegeven hoe de goothoogte wordt bepaald:

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0027.png"

DAKVORMEN MET BIJBEHORENDE MAATGEVENDE HOOGTE

afbeelding "i_NL.IMRO.0826.BSPhz28BG2013-VA02_0028.png"

TOELAATBARE UITBREIDINGEN VAN HET DAKVLAK

6.2.4 Toelichting bestemmingen

Hier worden de opgenomen bestemmingen kort toegelicht

Agrarisch
De tot 'Agrarisch' bestemd gronden zijn bedoeld voor agrarisch grondgebruik (bedrijfs- en hobbymatig), groenvoorzieningen, erfbeplanting, extensief recreatief medegebruik, en voor water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Via een omgevingsvergunning voor het afwijken van de gebruiksregels kan het bevoegd gezag het gebruik van de gronden voor een paardenbak toestaan.
Het betreft hier een uitgeklede versie van deze bestemming omdat het hier enkel gaat om het gebruik van de gronden ten behoeve van een agrarische bedrijf of hobbymatige activiteiten.

Groen
De tot 'Groen' bestemde gronden zijn bedoeld voor groenvoorzieningen, bermen en beplantingen, voorzieningen voor langzaam verkeer, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, straatmeubilair. Het plaatsen van lichtmasten is uitgesloten. Ter plaatse van de aanduiding 'langzaam verkeer' zijn de gronden mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van een langzaam verkeersverbinding. Voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden zijn voorwaarden opgenomen, waarbij het beplantings- en beheerplan dat als bijlage bij de regels is gevoegd toetsingskader vormt.

Verkeer
De tot 'Verkeer' bestemde gronden zijn bedoeld voor voorzieningen voor verkeer en verblijf, parkeervoorzieningen, groen-, nuts- en speelvoorzieningen, kunstwerken en -objecten, straatmeubilair, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Er zijn nadere regels opgenomen voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkapping zijnde.

Wonen
De tot 'Wonen' bestemde gronden zijn bedoeld voor wonen, aan huis verbonden beroepen of aan huis verbonden bedrijven en gastouderschap, tuinen, erven en verhardingen, behoud, herstel en ontwikkeling van landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden, water en huishoudkundige doeleinden, extensief recreatief medegebruik en erfbeplanting
Per bouwperceel is ter plaatse slechts één woning toegestaan. Verder zijn er nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van een aantal bouw- en gebruiksregels. Er zijn gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf. Er is een bijzondere regeling opgenomen voor het in gebruik zijnde maximum oppervlakte bebouwd voor het nu aanwezige aan huis verbonden bedrijf (grondverzet).

Wonen - RvR
De tot 'Wonen - RvR' bestemde gronden zijn bedoeld voor wonen, aan huis verbonden beroepen of aan huis verbonden bedrijven en gastouderschap, tuinen, erven en verhardingen, behoud, herstel en ontwikkeling van landschaps-, natuur- en cultuurhistorische waarden, water en huishoudkundige doeleinden, extensief recreatief medegebruik en erfbeplanting
Per bestemmingsvlak is ter plaatse slechts één woning toegestaan. Op de verbeelding zijn onder andere bouwvlakken opgenomen en is de richting van de kap van het hoofdgebouw aangegeven. Verder zijn er nadere regels opgenomen voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken van een aantal bouw- en gebruiksregels. Er zijn gebruiksregels opgenomen voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep of bedrijf.

Waarde - Archeologie
De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Voor werkzaamheden waarbij de grond wordt geroerd tot meer dan 0,50 cm onder maaiveld en dit over een oppervlakte is van meer dan 100 m², dan moet hiervoor een vergunning voor zijn afgegeven. Deze wordt afgegeven indien uit een door de bevoegde overheid goedgekeurd rapport blijkt dat het archeologisch bodemarchief niet wordt verstoord. Al dan niet na het treffen van maatregelen.

Hoofdstuk 7 Handhaafbaarheid

Handhaving vormt een belangrijk onderdeel van een beleidscyclus. Regels worden gesteld met als doel het beschermen van een bepaald belang. Zonder toezicht op naleving van deze regels bestaat het risico dat dit doel onvoldoende bereikt wordt. Tevens komt de gemeente ongeloofwaardig over als gestelde regels niet worden gehandhaafd.

Handhaafbaarheid, draagvlak en naleefgedrag
Een eerste voorwaarde voor handhaving is een duidelijk en handhaafbaar beleid en regelgeving. Om die reden worden nieuwe versies van digitale handboeken en die onderdelen van bestemmingsplannen die afwijken van het digitale handboek, door de afdeling die belast is met vergunningverlening en handhaving, gecontroleerd op uitvoerbaarheid. Ook voor dit bestemmingsplan heeft deze toets plaats gevonden.

Naast handhaafbare regels dient er ook het nodige draagvlak voor het nieuwe beleid en de daaruit voortvloeiende regels te zijn. Immers zal een plan met weinig draagvlak op weinig naleefgedrag kunnen rekenen. Het creëren van draagvlak is onder andere bewerkstelligd door in de verschillende fasen van het planproces burgers, belangenorganisaties en andere belanghebbenden te betrekken, al dan niet via wettelijk bepaalde inspraakmomenten.

Preventieve en repressieve handhaving
Naast repressie (handhavend optreden op het moment dat er sprake is van een overtreding) heeft preventie een belangrijke functie in de gemeentelijke handhavingsstrategie (de gemeente hanteert de landelijke handhavingsstrategie). Bij preventief handhaven spelen vooral dialoog, voorlichting en advisering een belangrijke rol. Zo voorziet het handhavingsbeleid van de gemeente Oosterhout in meer aandacht voor voorlichting en communicatie, onder andere door het uitgeven van voorlichtingsbrochures.

Qua repressie voorziet het gemeentelijk handhavingsbeleid en het daarop gebaseerde integrale uitvoeringsprogramma in het continu opsporen van overtredingen van het bestemmingsplan. Ook worden er gezamenlijk met andere overheden (brandweer, politie, belastingdienst) multidisciplinaire handhavingsacties georganiseerd. Binnen dergelijke acties is er ook aandacht voor overtredingen van het bestemmingsplan. Indien een overtreding wordt geconstateerd, zal als eerste stap in het handhavingstraject telkens worden bezien of het illegale gebruik of bouwwerk op grond van het bestemmingsplan of afwijking daarvan, alsnog gelegaliseerd kan worden. Is dat niet het geval dan wordt het handhavingstraject doorgezet. Al deze aspecten zijn vastgelegd in het beleidsplan Fysieke Leefomgeving en de daarin opgenomen handhavingsstrategie en dienen als leidraad voor de alledaagse handhavingspraktijk binnen de gemeente Oosterhout.

IJkmoment, overgangsrecht en monitoring beleid
De totstandkoming van dit bestemmingsplan is een ijkmoment voor de handhaving. Indien bebouwing of gebruik afwijkt van het bestemmingsplan, zal hier tegen handhavend worden opgetreden. Voor zowel bouwen als gebruik is het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan de peildatum. Tegen bebouwing en gebruik dat onder het overgangsrecht valt, kan niet handhavend worden opgetreden.

Hoofdstuk 8 Uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de haalbaarheid van dit bestemmingsplan aangetoond. Een bestemmingsplan moet zowel in economisch als in maatschappelijk opzicht haalbaar zijn. Er wordt daarom een korte financiële toelichting gegeven. Daarnaast worden de doorlopen procedures weergegeven.

8.1 Economische uitvoerbaarheid

Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).

In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.

8.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Het bestemmingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:

  • 1. Inspraak
  • 2. Overleg ex artikel 3.1.1 Bro
  • 3. Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan
  • 4. Vaststelling door gemeenteraad
  • 5. Terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan
8.2.1 Inspraak

Op grond van de Algemene Inspraakverordening Oosterhout 2006 heeft het voorontwerpbestemmingsplan met ingang van 7 mei tot en met 8 juli ter inzage gelegen.
Op 6 juli heeft een informatieavond plaatsgevonden. De commentaarnota van de inspraakprocedure is als bijlage 10 opgenomen.

8.2.2 Overleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro (ook wel: vooroverleg) is het voorontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de provincie Noord-Brabant, het Waterschap Brabantse Delta, de VROMinspectie regio Zuid. Het verslag van dit overleg is eveneens opgenomen in de commentaarnota die als bijlage 10 bij deze toelichting is gevoegd.

8.2.3 Terinzagelegging ontwerpbestemmingsplan

Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 10 juni 2021 tot en met 21 juli daaropvolgend ter inzage gelegen. Er zijn 2 zienswijzen ingediend, zie bijlage 11. Deze vormen geen aanleiding om te komen tot een juridische aanpassing van het ontwerpbestemmingsplan. Er is een ambtshalve wijziging doorgevoerd: in paragraaf 5.1.2.2 is het adres Steenovensebaan 26 aangepast in Steenovensebaan 26A.

8.2.4 Vaststelling door gemeenteraad

Het ontwerpbestemmingsplan is op 28 september 2021 ongewijzigd vastgesteld.

8.2.5 Beroep

Na de vaststelling van het bestemmingsplan is beroep ingesteld tegen het plan met betrekking tot onduidelijkheid en onvoldoende borging inzake de landschappelijke inpassing.

In de uitspraak van 7 december 2022 (nr. 202107458/1/R2) heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld (zie de uitspraak onder 13.2, 16.3 en 21.2) dat de landschappelijke inpassing niet voldoende is geborgd in de planvoorschriften.

In voorliggend bestemmingsplan is deze onduidelijkheid hersteld. De Verbeelding en de artikelen 4 (Groen) en 5 (Verkeer) van de Regels zijn aangepast/aangevuld zodat de landschappelijke inpassing voldoende geborgd is. Daartoe wordt in artikel 5 ook de paragraaf 4.3. uit artikel 4 toegevoegd.

8.2.6 Vaststelling door gemeenteraad

De gemeenteraad heeft op 28 februari 2023 een herstelbesluit genomen ten aanzien van deze aanpassing van het bestemmingsplan.