direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Noord, Klokkenlaan 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0796.0002433-1401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Ter plaatse van Klokkenlaan 2 in de wijk Hambaken te 's-Hertogenbosch is een voormalig onderwijscomplex bestaande uit een basisschool en kinderopvang gelegen. De kinderopvang en het schoolgebouw zijn niet meer als zodanig in gebruik en staan al langere tijd leeg. Inmiddels bestaat het voornemen de locatie te herontwikkelen. Gemeente 's-Hertogenbosch is in dit kader bereid de locatie te verkopen aan woningcorporatie Zayaz.

Zayaz is eigenaar van veel (sociale huur)woningen in de wijk Hambaken. De wijk Hambaken is vrij eenzijdig samengesteld: er wonen veel mensen met een laag inkomen en de sociale problematiek is relatief groot. Zayaz is voornemens bij te dragen aan differentiätie van de wijk en tevens invulling te geven aan de volkshuisvestelijke opgave voor de stad. Dit wil zij doen door o.a. te differentiëren binnen die sociale huurwoningen en meer doorstroming in de wijk te creëeren. In dit kader heeft Zayaz de ambitie om ter plaatse van het leegstaande onderwijscomplex aan de Klokkenlaan nieuwe woningen te ontwikkelen. Het voornemen bestaat de huidige bebouwing te slopen en vier appartementengebouwen op te richten. Drie van de vier appartementengebouwen zullen in totaal in 63 sociale huurwoningen voorzien. Het vierde appartementengebouw voorziet in 32 wooneenheden voor begeleid wonen ten behoeve van de zorgorganisatie Philadelphia.

Op basis van het geldende bestemmingsplan is de gewenste ontwikkeling van vier appartementengebouwen op onderhavige locatie niet toegestaan. Het doorlopen van een bestemmingsplanprocedure is daarom noodzakelijk om de gewenste ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken. Hiertoe is onderhavig bestemmingsplan opgesteld. Onderhavig document voorziet in de toelichting op dit bestemmingsplan dat de ontwikkeling van vier appartementengebouwen aan de Klokkenlaan 2 te 's-Hertogenbosch planologisch-juridisch mogelijk maakt.

1.2 Begrenzing plangebied

Het plangebied betreft het volledige perceel aan de Klokkenlaan 2 te 's-Hertogenbosch met kadastrale aanduiding gemeente 's-Hertogenbosch, sectie O en nummer 3269. Het plangebied grenst aan de noordzijde aan het appartementengebouw “de Klokhoek”, aan de oostzijde aan de Klokkenlaan, aan de zuidzijde aan de Hambakendreef en aan de westzijde aan de achtertuinen van de eengezinswoningen aan de Eerste Hambaken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0001.png"  
Luchtfoto met aanduiding plangebied  

1.3 Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 eerst een beschrijving van de huidige situatie gegeven en in hoofdstuk 3 het beoogde planvoornemen beschreven. Daarna wordt in hoofdstuk 4 ingegaan op de huidige de beleidskaders van het Rijk, de provincie, en de gemeente 's-Hertogenbosch. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 aandacht besteed aan de verschillende omgevingsaspecten die van invloed (kunnen) zijn op de opzet en inhoud van het nieuwe bestemmingsplan, zoals milieuaspecten, water, flora en fauna, archeologie en cultuurhistorie, etc. In hoofdstuk 6 wordt de juridische opzet van het bestemmingsplan met betrekking tot de regels en de verbeelding beschreven. Hoofdstuk 7 beschrijft de uitvoerbaarheid van het plan en tot slot worden in hoofdstuk 8 de doorlopen procedure en de resultaten van inspraak en vooroverleg beschreven.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Beschrijving locatie en ligging in de stad

Het plangebied betreft een voormalig onderwijscomplex gelegen in de wijk 'Hambaken' te 's-Hertogenbosch. De wijk 'Hambaken' is gelegen in stadsdeel Noord, ten zuiden van de A59.

Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 10.020 m². Binnen het plangebied is nog bebouwing aanwezig van de toenmalige basisschool en kinderopvang. Ca 3.300 m² binnen het plangebied is dan ook nog bebouwd. Het onbebouwde terrein is gedeeltelijk verhard met klinkers en tegels en gedeeltelijk voorzien van grasvelden en –stroken.

Inmiddels zijn de kinderopvang en basisschool verhuisd naar een andere locatie in de wijk. De bebouwing binnen het plangebied staat dan ook al enige tijd leeg en vormt een solitair object in de wijk. Het plangebied wordt hoofdzakelijk omgeven door woningen. Ten zuiden van het plangebied vindt meer een clustering van maatschappelijke voorzieningen en enkele kantoren plaats. Ten noordoosten van het plangebied situeert zich het stadpark "Rompert Park" en ten zuidoosten het winkelcentrum 'De Rompert".

2.2 Ruimtelijke structuur

Het plangebied is gelegen in de oksel van de Hambakendreef en de Klokkenlaan. De Klokkenlaan betreft een 50 km/h-weg en vormt een belangrijke ontsluitingsweg voor de wijk. De weg loopt in noordzuidelijke richting, waarbij de weg in zuidelijke richting aansluit op de verbindingsweg Sint Teunislaan en in noordelijke richting op De Bokkelaren. De Hambakendreef betreft een westelijke zijtak van de Klokkenlaan. De weg betreft een 30 km/h-weg en verbindt de wegen Klokkenlaan en Het Wielsem. Het vormt daarmee een ontsluitingsweg voor de woningen die tussen deze wegen in zijn gelegen.

Parallel aan de wegen zijn bomenrijen gelegen. De groenstuctuur van de wijk volgt dan ook hoofdzakelijk de wegenstructuur, welke bijdragen aan de groenstructuur van de wijk. Daarnaast zijn in de openbare ruimten tussen woningblokken een aantal groenstroken gelegen. De groenstroken worden doorkruist door fiets- en wandelpaden, waardoor groene, auto-luwe ruimten ontstaan. Het meest opvallend aan de groenstructuur binnen de wijk is het stadspark "Rompert Park", gelegen ten noordoosten van het plangebied.

Tot slot geldt dat binnen de wijk een aantal kleine watergangen aanwezig zijn ten behoeve van de waterberging en esthetiek binnen het gebied. Ook de watergangen volgen hoofdzakelijk de wegenstructuur in de wijk. Ten zuidoosten van het plangebied is een watergang gelegen parallel aan de Klokkenlaan.

2.3 Functionele structuur

De omgeving van het plangebied wordt hoofdzakelijk gekenmerkt door een woonfunctie. Kijkend naar de omgeving van het plangebied is er een mix te zien van eengezinswoningen van 2 lagen met een kap, eengezinswoningen met een volwaardige derde laag (Hambakendreef en Eerste Hambaken) en hogere accenten zoals de Klokhoek (3, 4 en 5 lagen hoog) en de Hoge Clock (12 lagen hoog). Uitzondering op de woonfunctie in de omgeving zijn de ten zuiden van de Hambakendreef gelegen basisschool De Springplank en het zuidoostelijk gelegen winkelcentrum 'De Rompert'.

In de omgeving verder ten zuiden van het plangebied, ten zuiden van de Sint Teunislaan, is een clustering van maatschappelijke voorzieningen en kantoren zichtbaar.

2.4 Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan voor het plangebied is bestemmingsplan 'Noord', dat op 19 februari 2013 is vastgesteld en inmiddels onherroepelijk is. Tevens is het bestemmingsplan 'Noord, 1e herziening (bestemming Maatschappelijk)', vastgesteld op 7 oktober 2014, geldend voor het plangebied. Het bestemmingsplan 'Noord, 1e herziening (bestemming Maatschappelijk)' herstelt een omissie in het bestemmingsplan 'Noord' en voegt aan de bestemming Maatschappelijk in dat bestemmingsplan de functie 'onderwijs en onderwijsvoorzieningen' toe.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0002.png"  
Uitsnede geldend bestemmingsplan met plangebied bij rode contour  

Op basis van de geldende bestemmingsplannen is het plangebied bestemd als 'Maatschappelijk' in combinatie met een bouwvlak met maatvoeringseis 'maximum bebouwingspercentage terrein: 70%' en 'maximum bouwhoogte: 10 meter'. De bestemming 'Maatschappelijk' is bedoeld voor onder andere naschoolseopvang, onderwijs, religie, en uitvaartcentra. Ter plaatse van de aanduiding 'wonen' zijn tevens gestapelde of aaneengebouwde woningen toegestaan. Binnen het plangebied is deze aanduiding echter niet opgenomen. Het voorgenomen gebruik van het plangebied als wonen is daarmee in strijd met de geldende bestemming.

Verder geldt dat gebouwen enkel gebouwd mogen worden binnen het bouwvlak dat op de verbeelding is aangegeven. In onderhavig geval geldt voor het bouwlak een maximum bebouwingspercentage van 70% en een maximale bouwhoogte van 10 meter. Het bouwplan ten behoeve van de vier appartementengebouwen overschrijdt deze maatvoeringseisen.

Tot slot geldt voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan van meer dan 50 cm beneden maaiveld met een grondoppervlakte groter dan 100 m².

De voorgenomen ontwikkeling is qua gebruik en bouwmogelijkheden in strijd met het geldende bestemmingsplan. Het doorlopen van een bestemmingsplanprocedure is daarom noodzakelijk om de gewenste ontwikkeling planologisch-juridisch mogelijk te maken.

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

3.1 Bebouwing

Onderhavig planvoornemen ziet toe op de realisatie van 4 appartementengebouwen c.q. blokken. Dit betreffen 3 blokken van 4 lagen hoog en 1 blok van 6 lagen hoog. Het noordelijkste blok wordt in gebruik genomen door zorginstelling Philadelphia. Het zuidelijkste blok op de hoek Hambakendreef-Klokkenlaan krijgt een accent (6 lagen hoog), als tegenhanger van het noordelijke accent van de Klokhoek en als accent op het kruispunt Klokkenlaan-Hambakendreef.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0003.png"  
Toekomstige gevelwand Klokkenlaan  

Er is gekozen voor een zo helder en transparant mogelijke opzet: 4 losse alzijdige blokken in een groene setting, met zo veel mogelijk doorzicht over het terrein. Openheid is het uitgangspunt, om zo de sociale controle te optimaliseren. Geen afgesloten wooncomplexen, maar een open goed dooraderde wijkstructuur.

Een dooraderde wijkstructuur wordt zo veel als kan hersteld, door (langzaam verkeer) verbindingen te maken met de Eerste Hambaken en de groenstrook ten noorden van het plan.

De blokken worden zoveel mogelijk richting de Klokkenlaan geplaatst, om de openbare ruimte die resteert zo veel als mogelijk te clusteren (en daarmee kwaliteit te kunnen maken) en de afstand tot de eengezinswoningen aan de Eerste Hambaken zo groot mogelijk te maken. Bij het bepalen van de ligging van de balkons is bovendien rekening gehouden met de privacy van omwonenden. 

De door-adering van het groen in de Hambaken kan zo goed als mogelijk hersteld worden door het groen zo veel als mogelijk te clusteren.

De achtertuinen van de Eerste Hambaken krijgen – voor zover nog niet aanwezig – een achterpad en worden van het plangebied gescheiden door breed opgezette lage blokhagen. Hierdoor ontstaat een groene afscheiding, met zicht en daarmee sociale controle tussen de achterpaden en het plangebied.

Door deze planopzet ontstaat er een ensemble van vier woongebouwen in het groen. Hiermee wordt zowel de wijk verbeterd wat betreft verbindingen, groen, sociale controle en beeldkwaliteit. Ook wordt er tegemoet gekomen aan de grote woningbehoefte in de stad. Het voorliggend bestemmingsplan laat met de 4 volumes tezamen een bouwvolume toe van 33.883 m³ (een verlaging in totaal volume ten opzichte van de bebouwingsmogelijkheden in het huidige bestemmingsplan).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0004.png"  
Ontwerp appartementengebouwen Klokkenlaan 2 (bron: MTD Landschapsarchitectuur)  

Voor de nieuwe bebouwing is een bezonningsstudie uitgevoerd. De resultaten van deze studie zijn terug te vinden in Bijlage 1 van de toelichting. Daaruit blijkt dat door de voorgenomen bebouwing geen onaanvraadbare schaduwwerking op omliggende percelen zal ontstaan.

3.2 Gebruik

Het toekomstig gebruik van de locatie is wonen. Deze woonfunctie zal worden vormgegeven middels 4 appartementengebouwen waarvan er één in gebruik zal worden genomen door zorginstelling Philadelphia. Het betreffende appartementengebouw biedt 32 wooneenheden voor begeleid wonen. De overige drie appartementengebouwen bieden in totaal 63 sociale huurwoningen.

Het overige voor het plangebied relevante gebruik, tuinen, parkeren op eigen terrein, bomen/groen, is binnen de woonbestemming eveneens mogelijk. De blokken worden ontsloten door middel van een nieuwe weg tussen de appartementenblokken en de woningen aan de Eerste Hambaken in. Aan deze weg wordt gestoken geparkeerd. De overige openbare ruimte wordt ingevuld met groen en langzaam verkeerspaden. Het hele terrein kan door bewoners en andere buurtbewoners gebruikt worden om doorheen te wandelen.

Op de westelijke hoek van het blok van Philadelphia ontstaat een “pleintje”, een (sociale) plek waar cliënten, verzorgers, bezoekers en omwonenden elkaar kunnen ontmoeten en kunnen verblijven.

3.3 Verkeer en parkeren

Verkeer

Ten gevolge van onderhavig planvoornemen neemt het aantal verkeersbewegingen binnen en rondom het plangebied toe. Op basis van kentallen van het CROW wordt de verkeersgeneratie als gevolg van 95 appartementen gelegen in sterk stedelijk gebied ingeschat op 424 motorvoertuigbewegingen per etmaal

De blokken worden ontsloten door middel van een nieuwe weg die binnen het plangebied wordt aangelegd. De weg vormt een verbinding tussen de Klokkenlaan en de Hambakendreef. Ter plaatse van de aansluiting op de Hambakendreef wordt de weg gerealiseerd tussen de appartementenblokken en de woningen aan de Eerste Hambaken in. Ter plaatse van de aansluiting op de Klokkenlaan wordt de weg gerealiseerd tussen de appartementenblokken en het appartementengebouw 'De Klokhoek'.

De Hambakendreef en de Klokkenlaan hebben voldoende capaciteit om de toegenomen verkeersintensiteiten op te vangen. Tevens worden ter hoogte van de aansluitingen van het plangebied op de Hambakendreef en Klokkenlaan snelheidsremmende maatregelen getroffen in de vorm van een verkeersdrempel. Hierdoor zal ook zal de verkeersveiligheid niet nadelig worden beïnvloed.

Parkeren

Voor ontwikkelingen op het gebied van de ruimtelijke ordening heeft de gemeente 's-Hertogenbosch een eigen parkeernormenbeleid vastgesteld. Dit beleid is vastgelegd in de Nota Parkeernormering 2016 Auto en Fiets dat is vastgesteld op 21 september 2016. De nota geeft normen en richtlijnen voor functies, gebaseerd op kentallen van het CROW, voor de zes verschillende zones binnen de gemeente. De nota geeft alleen voor de meest voorkomende functies, te weten wonen, werken en winkels, parkeernormen. Voor de ontwikkeling van andere functies gelden richtlijnen hoe met parkeren omgegaan moet worden.

Bij het toelaten van initiatieven moet inzichtelijk zijn dat in de parkeerbehoefte van auto's en fietsen voorzien kan worden. Dat moet in principe op eigen terrein. Wanneer dat niet mogelijk is en er binnen loopafstand geen parkeerruimte is kan dat leiden tot ruimtebeslag voor (meer) parkeren in de openbare ruimte. Dit ruimtebeslag mag de verkeersveiligheid en een goed woon- en leefklimaat niet aantasten.

Het perceel ligt volgens de gebiedsindeling parkeernormering 's-Hertogenbosch binnen de aanduiding Zone 3: Overige bebouwde kom 's-Hertogenbosch. De voorgenomen gebouwen tellen 63 sociale huurwoningen, met een bruto vloeroppervlak van 40-80, en 32 wooneenheden voor begeleid wonen (verzorgingstehuis). Volgens de nota Parkeernormering 2016 genereert het voornemen hierdoor een behoefte van 79 parkeerplaatsen. Aan de Hambakendreef komen 6 parkeerplaatsen te vervallen. In totaal zijn voor het project 85 parkeerplaatsen nodig.

Er is op het terrein voldoende ruimte aanwezig om aan deze parkeerbehoefte te voldoen. Op de inrichtingsschets zijn 85 parkeerplaatsen ingetekend. Daarmee voldoet het voornemen aan de gemeentelijke nota parkeernormering 2016.

In de ontsluiting van de parkeerplaatsen worden snelheidsbeperkende maatregelen aangelegd zoals versmallingen en verkeersdrempels. Daarmee wordt het hard rijden zo veel mogelijk tegengegaan. Bovendien wordt inrichting zo uitgevoerd dat het niet uitnodigt om het te gebruiken als doorgaande weg.

3.4 Openbare ruimte

Met het planvoornemen zal binnen het plangebied een nieuwe weg worden aangelegd. Deze weg sluit aan op de Klokkenlaan en de Hambrakendreef. De stoep ter plaatse van de aansluitingen op de Klokkenlaan en de Hambakendreef zal verhoogd middels een verkeerdrempel intact blijven. Voor fietsers en voetgangers zullen er verschillende aansluitingen komen op de omgeving. De bestaande loop en fietsroutes zullen worden uitgebreid waardoor de woonblokken geïntegreerd worden in het netwerk van langzaamverkeerspaden. Het parkeren vindt eveneens plaats in het openbare gebied. Aan de binnenzijde van de woonblokken grenzend aan de westelijke perceelsgrens zijn parkeerhoven geprojecteerd waar het benodigde aantal parkeerplaatsen gerealiseerd wordt.

De invulling van de openbare ruimte is van grote invloed op de uiteindelijke sfeer in de wijk. Een robuuste openbare ruimte kan de drager zijn van een stedenbouwkundig plan. Er wordt gestreefd naar een openbare ruimte waarin de beplantingen een natuurlijk karakter hebben en verhardingen geminimaliseerd zijn. Waar mogelijk worden halfverhardingen of open verhardingen toegepast zodat regenwater ongehinderd de grond in kan spoelen. De opvang en afvoer van het regenwater vindt plaats tussen de woonblokken in en wordt zoveel als mogelijk zichtbaar gemaakt, door toepassing van wadi's.

Het beeld van het landschap waarin de appartementen worden ingepast wordt zoveel mogelijk natuurlijk vormgegeven. Een heftig glooiend landschap met goed zichtbare hoogteverschillen willen we voorkomen. De laagtes die nodig zijn op de waterbuffering op te vangen dienen zo subtiel mogelijk uitgevoerd te worden.

Het planvoornemen leidt verder niet tot aantasting van de openbare ruimte en zal geen nadelige implicaties hebben voor de openbare ruimte rondom het plangebied.

3.5 Bomen

Inventarisatie

Binnen het plangebied komen (beeldbepalende) bomen voor. In de zuidwestzijde van het plangebied staat een cluster van bomen en struikvormers. Het betreft beplanting die gebruikt wordt door o.a. vogels. Daarnaast vormt de beplanting een buffer tussen woningen en de huidige bebouwing.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0005.png"  
Beplanting zuidwestzijde  

Aan de zuidzijde van het plangebied zijn esdoorns gelegen. Esdoorns behoren tot de boomstructuur van de Hambakendreef. In het verleden stonden deze bomen in de openbare ruimte. Esdoorns zijn slecht in te passen in een ontwerp. Wanneer de groeiplaats wordt verstoord, kleiner gemaakt wordt en er wortels moeten worden verwijderd overleven esdoorns dit niet. Binnen 5 jaar sterven de meeste af. Bij een nieuw ontwerp moet er dan ook duidelijke afstemming komen over herstel van de bomenstructuur. Verder zijn er nog een aantal solitaire bomen aan de zuidzijde van het plangebied gelegen. Het betreffen acacia. De acacia heeft een hoge waarde qua biodiversiteit en is duurzaam. De populier heeft ook een hoge waarde in biodiversiteit, maar is minder gewenst nabij gebouwen. De acacia in onderhavig plangebied betreffen relatief jonge bomen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0006.png"  
Beplanting zuidzijde (esdoorns)  

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0007.png"  
Beplanting zuidzijde (acacia)  

De beplanting aan de westzijde is oud doorgeschoten bosplantsoen. De beplanting heeft weinig waarde als buffer. De bomen die zijn ontstaan door het minimale onderhoud hebben weinig waarde als bomen. De kronen van deze bomen zijn klein en de bomen staan tevens bijna op de erfgrens. De bomen moeten daarom klein gehouden worden. De acacia is van grote waarde vanwege zijn grootte, biodiversiteit en de huidige staat. De cypres staat dicht tegen de acacia. Voor vogels is dit een ideale boom. De boom is een goede staat, maar de boom staat in de verdrukking tussen acacia en het gebouw. Tot slot staan er aan de noordzijde van het plangebied twee platanen. Platanen behoren bij groep bomen die noordelijk doorlopen richting het hoogspanningtracé. Platanen kunnen relatief makkelijk worden ingepast.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0008.png"  
Noordzijde solitaire bomen en beplanting westzijde  

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0009.png"  
Noordzijde (platanen)  

Conclusie

Er staan in het gebied enkele bomen die als waardevol worden beschouwd. In het ontwerp moet daar rekening mee worden gehouden. In onderstaande kaart zijn de waardevolle bomen aangeduid. Voor de te verwijderen bomen dient een compensatie te komen. Voor het gehele plangebied dient een flora en faunaonderzoek uitgevoerd te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0010.png"  
Aanduiding waardevolle bomen  

Hoofdstuk 4 Beleidskader

4.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte in werking getreden. Met de Structuurvisie brengt het Rijk de ruimtelijke ordening zo dicht mogelijk bij burgers en bedrijven, laat het meer over aan gemeenten en provincies en komen de burgers en bedrijven centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectieve inzet van rijksbeleid op 13 nationale belangen. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid:

  • 1. een excellent en internationaal bereikbaar vestigingsklimaat in de stedelijke regio's met een concentratie van topsectoren;
  • 2. ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en de energietransitie;
  • 3. ruimte voor het hoofdnetwerk voor vervoer van (gevaarlijke) stoffen via buisleidingen;
  • 4. efficiënt gebruik van de ondergrond;
  • 5. een robuust hoofdnetwerk van weg, spoor en vaarwegen rondom en tussen de belangrijkste stedelijke regio's inclusief de achterlandverbindingen;
  • 6. betere benutting van de capaciteit van het bestaande mobiliteitssysteem van weg, spoor en vaarwegen;
  • 7. het instandhouden van de hoofdnetwerken van weg, spoor en vaarwegen om het functioneren van de netwerken te waarborgen;
  • 8. verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico's;
  • 9. ruimte voor waterveiligheid, een duurzame zoetwatervoorziening en klimaatbestendige stedelijke (her)ontwikkeling;
  • 10. ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten;
  • 11. ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten;
  • 12. ruimte voor militaire terreinen en activiteiten;
  • 13. zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen.


Eén van de dertien nationale belangen heeft betrekking op 'zorgvuldige afwegingen en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen'. Het rijk behartigt dit belang met de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Deze 'ladder voor duurzame verstedelijking' is als proces vereiste vastgelegd in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro):

'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende voorwaarden:

  • 1. Er wordt beschreven dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel a, blijkt dat sprake is van een actuele regionale behoefte, wordt beschreven in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. Indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.'

Omdat het plan betrekking heeft op een woning(bouw)locatie waar meer dan 11 woningen worden gerealiseerd, wordt het onderhavige plan gezien als een stedelijke ontwikkeling (artikel 1.1.1 Bro) . Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling dat de bouw van 95 nieuwe woningen mogelijk maakt. Deze stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. De regionale woningbouw afspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda's Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO).

De gemeente 's-Hertogenbosch moet voorzien in de groeiende woningbehoefte en veranderende woonwensen. Met de Woonvisie 's-Hertogenbosch heeft de raad een ambitieus woningbouwprogramma vastgesteld: doel is om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 - 2030 (zie paragraaf 4.3.2).

Om deze ambitie te realiseren is voldoende woningbouwcapaciteit nodig en daarbinnen met name harde plannen. Dit zijn plannen waarvoor de benodigde ruimtelijke ordeningsprocedures doorlopen zijn. In lijn met de Woonvisie 's-Hertogenbosch gaat het daarbij om plannen in diverse woonmilieus om aan de verscheidenheid van woonwensen tegemoet te kunnen komen. Dit in lijn met de principes van de compacte, complete en contrastrijke stad, zoals vastgelegd in de Ruimtelijke Structuurvisie. Dit bestemmingsplan draagt bij aan het behalen van deze ambitie.

De potentiële woningbouwcapaciteit voor de periode 2020 tot en met 2024 bedraagt 6.800 woningen, waarvan 3.000 woningen zijn opgenomen in harde plannen en 3.800 woningen in zachte plannen. Om de woningproductie de komende jaren op het hoge niveau van 1000 woningen per jaar te kunnen continueren, moet de harde plancapaciteit vergroot worden. Voorliggend plan met ruimte voor 63 appartementen en 32 appartementen met begeleid wonen draagt daaraan bij.

Het plan maakt overigens al jaren onderdeel uit van de potentiële plancapaciteit en kan, na het doorlopen van de benodigde RO-procedures, bijdragen aan het realiseren van de gemeentelijke woningbouwopgave en meerwaarde voor de buurt.

Het voorgenomen initiatief voorziet, gelet op de harde plancapaciteit in verhouding tot de woningbouw opgave tot 2024 en daarna, in een actuele lokale en regionale behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 onder a. Bro. De woningen worden gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied (b.). Het bepaalde onder c. is vervolgens dan ook niet relevant. Het project voldoet aan de vereisten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

Verder geldt dat het plangebied niet in een gebied is gelegen waarhet Rijk een specifiek nationaal belang heeft aangewezen. De SVIR, het Barro en het Rarro vormen geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

4.2 Provinciaal beleid

Structuurvisie Ruimtelijke Ordening

Op 1 januari 2011 is de Structuurvisie Ruimtelijke Ordening in werking getreden. Hierin geeft de provincie Noord-Brabant de hoofdlijnen aan van het provinciaal ruimtelijk beleid tot 2025 (met een doorkijk naar 2040). De visie is bindend voor het ruimtelijk handelen van de provincie. Het is de basis voor de wijze waarop de provincie de instrumenten inzet die de Wet ruimtelijke ordening haar biedt. De visie ondersteunt daarnaast het beleid op andere provinciale beleidsterreinen, zoals het economisch, mobiliteits-, sociaal, cultureel, milieu- en natuurbeleid. Met deze structuurvisie geeft de provincie ook (mede) gestalte aan nationale ruimtelijke belangen en doelen.

Deel A bevat de hoofdlijnen van het beleid. Op basis van trends en ontwikkelingen heeft de provincie haar ruimtelijke belangen gedefinieerd en ruimtelijke keuzes gemaakt. De ruimtelijke visie is uitgewerkt in dertien provinciale ruimtelijke belangen, zoals de concentratie van verstedelijking. De wijze waarop de provincie deze ruimtelijke belangen behartigt is uitgewerkt in vier manieren van sturen: regionaal samenwerken; ontwikkelen, zowel gebiedsgericht als thematisch zoals de Ecologische Hoofdstructuur en de herstructurering van bedrijventerreinen; beschermen van provinciale belangen zoals zorgvuldig ruimtegebruik en ruimtelijke kwaliteit, door middel van de Verordening ruimte; stimuleren, door middel van subsidies en door het beschikbaar stellen van kennis en informatie. In deel B staan de ambities, het beleid en de uitvoering voor de vier ruimtelijke structuren: de groenblauwe structuur, het landelijk gebied, de stedelijke structuur en de infrastructuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0011.png"  
Uitsnede Structurenkaart met aanduiding plangebied bij rode contour  

Op de Structurenkaart is het plangebied aangeduid als Stedelijk concentratiegebied. Het stedelijk concentratiegebied heeft een bovenlokale opvangtaak voor verstedelijking. De gemeenten maken in regionaal verband en met de provincie afspraken over de verdeling van het verstedelijkingsprogramma in de regionale ruimtelijke overleggen (RRO's). Zorgvuldig ruimtegebruik en toepassing van de Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro) zijn voorwaarden bij het maken van regionale afspraken. Het beleid is verder geconcretiseerd in de omgevingsverordening.

Omgevingsvisie De Kwaliteit van Brabant

Op 14 december 2018 hebben de Provinciale Staten de omgevingsvisie Noord Brabant vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt na het inwerking treden van de Omgevingswet de provinciale structuurvisie. Met de omgevingsvisie formuleert de provincie haar ambitie over hoe zij de Brabantse leefomgeving er in 2050 uit wil zien. Daarbij stelt zij tussendoelen voor 2030, maar legt nu nog niet vast hoe zij die doelen wil bereiken. De provincie wilt daarmee ruimte bieden voor inbreng vanuit partijen en disciplines. Om hiermee aan de slag te gaan is volgens de provincie een verdere uitwerking van de ambities nodig in de vorm van programma's. 

Met de visie geeft de provincie aan wat zij belangrijk vindt voor de verbetering en duurzame ontwikkeling van Brabant. Daarbij legt zij de focus op vier hoofdopgaven voor de middellange en lange termijn: werken aan energietransitie, een klimaat proof Brabant, de slimme netwerkstad en een concurrerende duurzame economie. Deze vier hoofdopgave staan ten dienste van de basis opgaven: werken aan veiligheid, gezondheid en omgevingskwaliteit.

Om te komen tot de slimme netwerkstad richt de provincie zich op duurzame verstedelijking. Zij wil daarin richting geven door middel van het bevorderen van regionale afspraken, het sturen op zorgvuldig ruimtegebruik en het periodiek opstellen van prognoses. Verder wil zij een actieve rol spelen om beweging te stimuleren (o.a. door samen te werken bij gebiedsopgaven en bij het opstellen van uitvoeringsprogramma's) en gewenste ontwikkelingen mogelijk te maken.

Het planvoornemen voorziet in de bouw van vier appartementengebouwen ter plaatse van de voormalige locatie van een onderwijscompplex. Het plangebied is gelegen binnen stedelijk gebied. Door het planvoornemen wordt het ruimtegebruik binnen het stedelijk gebied geoptimaliseerd en wordt er binnen stedelijk gebied voorzien in de kwalitatieve en kwantitatieve woonbehoefte. Het planvoornemen is daarmee in lijn met de omgevingsvisie.

Interim omgevingsverordening

Provinciale Staten hebben op 29 oktober 2019 de Interim omgevingsverordening vastgesteld. De Interim omgevingsverordening betreft een samenvoeging van verschillende regelingen op provinciaal niveau met betrekking tot de fysieke leefomgeving. Dit betekent dat de regels betrekking hebben op milieu, natuur, ruimtelijke ordening, water, bodem en wegen. De Interim omgevingsverordening is daarbij een eerste stap op weg naar een definitieve omgevingsverordening, die op grond van de Omgevingswet wordt vastgesteld en die verplicht is voor provincies.

De Interim omgevingsverordening is beleidsneutraal van karakter. Dat betekent dat er geen nieuwe beleidswijzigingen zijn doorgevoerd, behalve als deze voortvloeien uit vastgesteld beleid zoals de Omgevingsvisie. De beleidsneutrale omzetting betekent overigens niet dat er in het geheel geen wijzigingen ten opzichte van de huidige verordeningen zijn verwerkt.

Belangrijke uitgangspunten vanuit de Omgevingsvisie zijn verwerkt. De nieuwe manier van werken met diep, rond en breed kijken is opgenomen en er wordt vaker een koppeling gelegd met omgevingskwaliteit door bijvoorbeeld sanering van leegstaand vastgoed elders. De nadruk op omgevingskwaliteit komt ook tot uitdrukking bij de kwalitatieve benadering voor hergebruik van leegstaand vastgoed in het landelijk gebied en duurzame verstedelijking.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0012.png"  
Uitsnede kaart Stedelijke ontwikkeling met plangebied aangeduid bij rode contour  

Het plangebied is gelegen binnen het concentratiegebied verstedelijking, stedelijk gebied. Ten aanzien van het toevoegen van woningen in het Stedelijk gebied, is in de Interim omgevingsverordening het volgende opgenomen (artikel 34.1): een bestemmingsplan van toepassing op Stedelijk gebied dat voorziet in het realiseren van woningen bevat een onderbouwing:

  • a. dat de ontwikkeling past binnen de regionale afspraken, bedoeld in artikel 62;
  • b. hoe invulling wordt gegeven aan de doelen op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie en een veilige, gezonde leefomgeving

Gezien het feit dat onderhavige ontwikkeling voorziet in de toevoeging van 95 woningen cq. wooneenheden, is de verantwoordingsplicht uit de Interim omgevingsverordening van toepassing. De regionale woningbouw afspraken zijn vastgelegd in de Regionale Agenda Wonen, onderdeel van het Regionaal Ruimtelijk Overleg (RRO). In paragraaf 4.1 is reeds besproken dat onderhavig planvoornemen binnen de woningbouwafspraken conform het Regionaal Ruimtelijk Overleg past.

Daarnaast geldt dat het streven erop is gericht dat de appartementengebouwen kunnen worden aangemerkt als 'nul-op-de-meter' bouwwerk. Niet per definitie bij oplevering, maar zeker wel in de toekomst. Dit is een bewuste keuze waarbij is afgewogen wat er naar inzichten en technieken van dit moment en financieel maximaal haalbaar is. Hiermee wordt invulling gegeven aan het aspect energietransitie. Ten aanzien van het aspect klimaatadaptatie is rekening gehouden met de benodigde waterbergingseis op eigen terrein (zie paragraaf 6). In de paragrafen 5.3.2 tot en met 5.5 is toegelicht dat sprake is van een veilige, gezonde leefomgeving en dat deze omgeving door de toevoeging van de woningen niet wordt geschaad. Het woon- en leefklimaat van de te realiseren woningen en de directe omgeving wordt gewaarborgd. De ontwikkeling draagt hiermee bij aan de doelen als gesteld in de Omgevingsvisie en de Interim omgevingsverordening.

Tot slot is het zo dat ten alle tijden de zorgplicht voor zorgvuldig ruimtegebruik van kracht is. Het belang hiervan wordt in de Interim omgevingsverordening aangemerkt als een provinciaal belang. Stedelijke ontwikkelingen dienen te worden gemotiveerd met in achtneming van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.1. In deze paragraaf is ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarnaast wordt door de herontwikkeling van een leegstaand onderwijscomplex in het bestaande straatbeeld aan de Klokkenlaan ter plaatse de ruimtelijke structuur versterkt en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

Tot slot is het zo dat ten alle tijden de zorgplicht voor zorgvuldig ruimtegebruik van kracht is. Het belang hiervan wordt in de Interim omgevingsverordening aangemerkt als een provinciaal belang. Stedelijke ontwikkelingen dienen te worden gemotiveerd met in achtneming van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De gemeente 's-Hertogenbosch maakt deel uit van het RRO Noordoost-Brabant. In de Regionale Agenda Wonen voor Noordoost-Brabant d.d. 17 december 2014 is de woningbouw opgave in de gemeente 's-Hertogenbosch begroot op 6.805 woningen in de periode 2014-2024. In de hele regio Noordoost-Brabant gaat het in deze periode om een opgave van 18.900 woningen. Voor de lange termijn - tot 2030 - bedraagt de opgave een kleine 30.000 woningen. Hiertegenover staat een potentiële (netto) woningbouw capaciteit in de gemeente 's-Hertogenbosch van in totaal circa 8.400 woningen. Hiervan zijn circa 4.000 woningen harde plancapaciteit. Het voorgenomen initiatief voorziet, gelet op de harde plancapaciteit in verhouding tot de woningbouw opgave tot 2024 en daarna, in een actuele lokale en regionale behoefte, als bedoeld in artikel 3.1.6 lid 2 Bro (a).

Verder voldoet het project aan de vereisten van de 'ladder voor duurzame verstedelijking' (paragraaf 4.1). Daarnaast wordt door de herontwikkeling van een leegstaand onderwijscomplex in het bestaande straatbeeld aan de Klokkenlaan ter plaatse de ruimtelijke structuur versterkt en er is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Structuurvisie

In juni 2003 heeft de gemeenteraad van 's-Hertogenbosch de Ruimtelijke StructuurVisie vastgesteld, met de ondertitel 'Stad tussen stromen'. De Ruimtelijke StructuurVisie geeft richting aan de ruimtelijke ambities van de stad. Op 28 januari 2014 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de structuurvisie uit 2003 vastgesteld. In deze geactualiseerde structuurvisie integreert gemeente het provinciaal beleid. De geactualiseerde structuurvisie bevat een integrale visievorming voor lange termijn, 10 jaar met een doorkijk naar 15 à 20 jaar. De structuurvisie bestaat uit het Ruimtelijk Casco, een visie geformuleerd op het plangebied. Een ruimtelijke analyse van de stad en het gemeentelijk beleid vormen de input voor deze visie. De visie formuleert de ontwikkelingskoers, beschrijft een wensbeeld van de stad voor de lange termijn en biedt het casco voor concrete projecten en plannen. Het is een toetsingskader, en tegelijkertijd ook een inspiratiekader voor ruimtelijke ontwikkeling. Zo wordt bepaald waar strakke contouren ter bescherming van kwetsbare waarden liggen en kansen voor ontwikkeling. En worden locaties aangeduid waar deze ontwikkeling tegen randvoorwaarden mogelijk zijn en afweegbare gebieden voor uitbreidingen en intensiveringen aangewezen. Het 'ruimtelijk motto' van compacte, complete en contrastrijke stad als het uitgangspunt voor de ruimtelijke ontwikkeling voor de stad blijft gehanteerd, in de overtuiging dat dit de juiste basis biedt voor een duurzame ruimtelijk hoofdstructuur.

De RSV vermeldt over het plangebied dat dit is gelegen binnen het bestaand bebouwd gebied.

Aandacht voor de bestaande woningvoorraad wordt de komende jaren als de belangrijkste opgave gezien. Aanvulling van de bestaande voorraad blijft echter noodzakelijk als gevolg van bevolkingsgroei, gezinsverdunning en veranderende behoeften. Het tekort aan woningbouwlocatie(s) voor de lange termijn kan deels opgevangen worden door inbreidingslocaties in de stad. De mogelijkheden voor herinvulling van deze vrijkomende binnenstedelijke ruimte hangt mede samen met de kwalitatieve woningbehoefte. In de meeste gevallen betekent herstructurering momenteel het intensiveren van het woningbouwprogramma. Vanuit ruimtelijke kwaliteitsaspecten en woningbehoefte kan het juist ook wenselijk zijn soms te verdunnen in het bestaand stedelijk gebied. Daarom is er nu en in de toekomst altijd een zekere mate van uitwisseling tussen de herstructurering van bestaand stedelijk gebied en het realiseren van uitbreidingslocaties nodig; beide zijn kwalitatief én ook financieel met elkaar verweven.

Voor de stad is de ontwikkeling van appartementen op bepaalde locaties van essentieel belang. In stedelijke gebieden worden appartementen veelal gepland ter wille van de versterking van de schaarse centrumstedelijke woonmilieus (nabij het stadscentrum, wijkcentra en de stedelijke verbindingsassen), waar door intensief en meervoudig ruimtegebruik gestapelde bouw wordt nagestreefd. Maar het blijft een segment binnen de woningmarkt waarvan de aantrekkelijkheid bepaald wordt door zaken als locatie, uitstraling en kwaliteit. Voorkomen moet worden dat het aantal waarmee (te groot), het tempo waarin (te hoog) en de termijn waarop (te kort), de bouw van appartementen in de woningbouwplanning niet goed aansluit bij de vraagontwikkeling van de woonconsument en het opnamevermogen van de woningmarkt. Het is dus van belang om de bouw van deze appartementen te prioriteren en faseren en in overeenstemming te brengen met de ontwikkeling van de vraag. Dit is temeer van belang omdat de prognoses veel schommelingen vertonen en de planvoorbereiding de nodige bandbreedte behoeft.

Onderhavig planvoornemen heeft betrekking op de realisatie van vier appartementengebouwen ter plaatse van de voormalige locatie van een onderwijscomplex. Het onderwijscomplex staat al geruimere tijd leeg en betreft als het ware een los object in een woonwijk. Door het schoolgebouw en de kinderdagopvang te slopen en hier vier appartementengebouwen op te richten, wordt invulling gegeven aan het principe van duurzaam ruimtegebruik. Verder geldt dat de binnen de appartementengebouwen te ontwikkelen 62 sociale huurwoningen en 32 woonzorgeenheden aansluiten op de kwalitatieve en kwantitatieve woonbehoefte binnen de gemeente 's-Hertogenbosch. Tot slot wordt met het stedenbouwkundig ontwerp van de appartementengebouwen een kwalitatief hoge uitstraling nagestreefd dat aansluit op de kwaliteiten van de omgeving. Het planvoornemen wordt daarmee passend binnen de RSV geacht.

4.3.2 Woonagenda 2020

Het woonbeleid van de gemeente 's-Hertogenbosch is vastgelegd in de Woonvisie 's-Hertogenbosch. Deze is door de gemeenteraad op 9 juni 2020 vastgesteld. Ontspannen en soms ook spannend wonen, in een sterke stad met leefbare buurten en dorpen. Waar inwoners trots zijn op hun woonplaats en iedereen zoveel als mogelijk kan wonen in een woning die aansluit bij hun woonwensen en mogelijkheden. Dat is het doel. Om dit te bereiken zijn er vier opgaven geformuleerd:

  • Passend en betaalbaar wonen voor iedereen;
  • Leefbare en inclusieve buurten;
  • Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad;
  • Strategisch innovatief woonprogramma.


Passend en betaalbaar wonen

Binnen deze opgave gaat extra aandacht uit naar starters en (lage) middeninkomens. We zetten in op het realiseren van divers en passend woningaanbod, met nadruk op de toenemende groep 1 en 2 persoonshuishoudens. Om de voorraad passend te blijven houden, wordt er een flexibele schil gerealiseerd, voor o.a. spoedzoekers. Daarnaast is er aandacht voor het huisvesten van specifieke doelgroepen, waaronder ouderen, mensen met een handicap of psychische kwetsbaarheid, maar ook jongeren, starters en studenten.

Leefbare en inclusieve buurten

De Woonvisie streeft naar eenheid in verscheidenheid. Interventies in nieuwbouw en de bestaande woningvoorraad versterken de buurt en, zorgen voor een divers aanbod. Daarbij is bijzondere aandacht voor de huisvesting van kwetsbare doelgroepen en het stimuleren van nieuwe woonconcepten en bewonersinitiatieven die bijdragen aan ontmoeting, leefbaarheid en veiligheid.

Toekomstbestendige en duurzame woningvoorraad

De woonvisie heeft een gezonde, duurzame én flexibel inzetbare woningvoorraad als doel. Een woningvoorraad die ook de toekomstige uitdagingen en veranderende woonwensen aan kan. De opgave ligt hierbij zowel in de nieuwbouw als in de bestaande woningvoorraad.

Strategisch innovatief woonprogramma


De gemeenteraad heeft als ambitie uitgesproken om 10.500 woningen te realiseren in de periode 2020 - 2030. Daarbij is de ambitie een stedelijke differentiatie over de volgende categorieën:

  • minimaal 30% sociale huur;
  • minimaal 20% middenhuur en goedkope koop;
  • maximaal 50% dure huur en (middel)dure koop.


Op projectniveau wordt gestreefd wordt naar differentiatie binnen de categorieën. Daarbij is maatwerk in de percentages mogelijk, indien dat bijdraagt aan een leefbare en inclusieve buurt.

Onderhavige ontwikkeling ziet toe op de realisatie van vier appartementengebouwen, bestaande uit 63 sociale huurwoningen en 32 zorgwooneenheden, ter plaatse van een voormalig schoolgebouw en kinderdagopvang. Met onderhavige ontwikkeling wordt invulling gegeven aan de kwantitatieve en kwalitatieve woonbehoefte ter plaatse van een inbreidingslocatie. Ook wordt met onderhavige ontwikkeling ingezet op differentiatie van het woonmilieu. Ten eerste worden de 63 sociale huurwoningen niet alleen toegewezen aan de laagste inkomens (primaire doelgroep, inkomen tot €31.550), maar ook aan huishoudens met een inkomen tot €39.055. Ten tweede worden door de inzet van de 10% regeling sociale huurwoningen toegewezen aan middeninkomens. Ten derde wordt de positie van de secundaire doelgroep (inkomen tot €39.055) en (lage) middeninkomens duurzaam geborgd door het optrekken van de huurprijs bij mutatie. Tot slot geldt dat voorrang wordt gegeven aan mensen van 65 jaar uit de wijk om door te stromen naar een meer passende woning. De huurwoningen die hierdoor vrijkomen kunnen worden toegewezen aan de doelgroep middeninkomens.

Het streven is erop gericht dat de appartementengebouwen kunnen worden aangemerkt als 'nul-op-de-meter' bouwwerk. Niet per definitie bij oplevering, maar zeker wel in de toekomst. Dit is een bewuste keuze waarbij is afgewogen wat er naar inzichten en technieken van dit moment en financieel maximaal haalbaar is.

Tot slot geldt dat het planvoornemen voorziet in de realisatie van 32 woonzorgeenheden ten behoeve van zorginstantie Philadelphia. Hiermee wordt bijgedragen aan de ontwikkeling van een passend woonzorgaanbod binnen de gemeente en een inclusieve samenleving

4.3.3 Welstand

Op 17 mei 2011 heeft de gemeenteraad de 'Actualisering Welstandsnota 2011' vastgesteld. In de Welstandsnota zijn per bebouwingstype architectonische en bouwtechnische welstandscriteria opgenomen. Daarnaast gelden de algemene welstandscriteria als beoordelingskader. Het plangebied ligt in het welstandsgebied 'Noord'. Het perceel is aangemerkt als "T4 - op zich zelf staande bebouwing". Omdat de functie op een deel van het perceel wijzigt van maatschappelijk naar wonen zal op dit gedeelte het welstandsregime worden gewijzigd. Deze wijziging van het weldstandsregime van 'op zich zelf staande bebouwing' naar 'gestapelde woonbebouwing' vormt onderdeel van de ontwerp procedure.

Het bouwplan voor de nieuwbouw aan de Klokkenlaan 2 is voorgelegd aan de welstandcommissie. De welstandcommissie heeft op 11 november 2020 positief over het bouwplan geadviseerd.

4.3.4 Bomen

Beleid

Het Bomenbeleidsplan 's-Hertogenbosch is door de gemeenteraad vastgesteld op 29 september 2017. Bij de ruimtelijke procedure vindt een afweging plaats ten aanzien van verschillende functies waaronder groen. De gemeente stelt daarbij voorwaarden ten aanzien van groen. Hierbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij beleidsuitgangspunten uit het Bomenbeleidsplan, zoals het zoveel mogelijk behouden van bomen, het verplanten van bomen en herplant en compensatie van groen. Afspraken over velling, herplant en compensatie wordt bij het plan vastgelegd zodat hierbij aangesloten kan worden bij de uiteindelijke vergunningprocedure. Het kan zowel om behoud als om ontwikkeling van nieuw groen gaan.

Bij de ontwikkeling moeten bomen direct in beeld zijn. Hiervoor wordt een bomeninventarisatie uitgevoerd. Hierbij worden alle bomen in beeld gebracht en op waarde beoordeeld. De inventarisatie wordt gebruikt bij het ontwerpproces. De gemeente toetst hierbij de wijze waarop rekening wordt gehouden met de bomen.

Inventarisatie

Voor het plangebied is een boominventarisatie door de gemeente uitgevoerd (d.d. 19 december 2018, zie ook 3.5) en een Boomeffectanalyse (BEA) d.d. 2 juni 2020 door Pius Floris, welke is bijgevoegd als Bijlage 2. In deze toelichting worden de belangrijkste conclusies vermeld, voor de gehele onderzoeken wordt verwezen naar de bijlagen.

Uit de inventarisatie is gebleken dat er 8 waardevolle bomen zijn waarbij met de inrichting rekening is gehouden. Deze zijn later in de BEA verder onderzocht. He betreffen 2 platanen, 1 acacia, 4 esdoorns. Eén acacia is door de positie van de nieuwbouw niet in te passen Voor bomen nr. 1,4,7,8,9,10,22,23,24 geldt dat de conditie is verminderd tot goed en de toekomstverwachting meer dan 10 jaar bedraagt. Vier andere kapvergunningplichtige bomen kunnen niet worden ingepast. Verplanten is geen optie voor de waardevolle acacia gezien de soort en wortelgestel. De bomen zullen daarom worden vervangen.

Conclusie

Voor 5 bomen (waarvan 1 waardevolle) dient een kapvergunning te worden aangevraagd. Voor 2 bomen een herplant met maatvoering 35-40, voor 3 bomen 20-25. Compensatie in het huidige ontwerp is verspreid goed mogelijk. Er worden ten aanzien van het aspect bomen geen belemmeringen verwacht.

Hoofdstuk 5 Milieu, duurzaamheid en waarden

5.1 Inleiding

Dit hoofdstuk geeft weer hoe milieuaspecten een rol hebben gespeeld bij het opstellen van het voorliggende bestemmingsplan. Tussen milieuaspecten en ruimtelijke ordening bestaat een duidelijke relatie. De milieukwaliteit vormt namelijk een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling, dient onderzocht te worden welke milieuaspecten daarbij een rol kunnen spelen. Het is daarnaast van belang om milieubelastende functies (zoals bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden van milieugevoelige functies (zoals woningen). Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende of hinderlijke situaties moeten voorkomen worden.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

Milieuzonering zorgt voor voldoende ruimtelijke scheiding tussen enerzijds bedrijven of overige milieubelastende functies en anderzijds milieugevoelige functies zoals woningen. Bij de planontwikkeling dient rekening te worden gehouden met milieuzonering om de kwaliteit van het woon- en leefmilieu te garanderen naast de zorg dat er voor bedrijven voldoende ruimte voorhanden is om de bedrijfsactiviteiten duurzaam en binnen aanvaardbare voorwaarden (normen) uit te kunnen voeren.

Richtlijn

Bij het beoordelen van (binnen het plangebied of elders gelegen) de bedrijven welke invloed hebben op het plangebied, is gebruik gemaakt de VNG-brochure “Bedrijven en Milieuzonering”. De VNG brochure is een richtlijn, vormt geen wettelijk kader maar heeft als gevolg van jurisprudentie de status van pseudo-wetgeving gekregen. Deze richtlijn biedt kaders om milieuzonering goed in ruimtelijke plannen af te wegen. In de VNG-uitgave staan minimale richtafstanden voor geur, stof, geluid en gevaar die gebaseerd zijn op een “gemiddeld” modern bedrijf. Deze richtafstanden gelden vanaf de perceelgrens van het bedrijf waar de bedrijfsactiviteiten plaats kunnen vinden (of de opslagvoorziening of installatie) tot aan de gevel van woningen in een 'rustige woonwijk'. Indien het bedrijf afwijkt door grootte, technische voorzieningen, afschermingen et cetera is het mogelijk om gemotiveerd af te wijken van de (indicatieve) afstanden. De grootste van de vier VNG-richtafstanden (voor geur, stof, geluid of gevaar) is bepalend voor de indeling van een activiteit in een milieu-categorie. De milieucategorie van een bedrijf kan variëren van 1 (een licht bedrijf, met een hinderafstand van 10 meter) tot 6 (een zeer zwaar bedrijf, met een hinderafstand van 1500 meter).

Direct ten noorden van het plangebied bevindt zich een perceel met de bestemming 'maatschappelijk'. Op deze bestemming is lichte bedrijvigheid als sociale voorzieningen en dienstverlening toegestaan. Deze bedrijvigheid past bij het gebied functiemenging, zolang, zoals rondom het plangebied, woningen en andere gevoelige functies zijn afgescheiden van deze bedrijvigheid. Hinder als gevolg van deze bestemde bedrijvigheid wordt niet verwacht. Op de eerste plaats omdat dit soort lichte bedrijfsactiviteiten prima nabij woningen kunnen worden uitgevoerd. Daarnaast vallen bedrijven onder de algemene milieuregels uit het “Besluit algemene regels voor inrichtingen milieubeheer” (Activiteitenbesluit). Bedrijven zijn in beginsel verplicht zich te houden aan de hindernormen uit dit Activiteitenbesluit om eventuele hinder in de nabije omgeving te voorkomen. Deze normen gelden reeds op dichterbij aanwezige woningen, zodat de reeds bestaande woningen al bepalend en beperkend zijn voor de eventuele hinderuitstraling van deze gemengde activiteiten. Van een hinderlijke situatie hier is geen sprake.

Nabij gelegen bedrijfspercelen vormen geen knelpunt voor realisatie van de nieuwe woningen op de beoogde locatie. Verder zullen de geplande woningen de belangen van de reeds bestemde bedrijvigheid niet schaden. De geplande functie die (woonzorg-)appartementen toelaat past in onderhavig gebied.

5.3 Geluid

Bij een ruimtelijk plan dient rekening te worden gehouden met geluidsbronnen en de mogelijke hinder of overlast daarvan voor mensen. De beoordeling van het aspect geluid in ruimtelijke plannen vindt zijn grondslag in vooral de Wet geluidhinder en Wet milieubeheer. Daarnaast vindt de beoordeling zijn grondslag in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), op grond van een “goed woon- en leefklimaat”. Het aspect geluid kent voor geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) afhankelijk van typen geluidsbronnen een wettelijk kader die van belang zijn bij het opstellen van ruimtelijke plannen. Zo zijn in de Wet geluidhinder voor geluidsgevoelige bestemmingen (als woningen) grenswaarden opgenomen voor industrielawaai, wegverkeerlawaai en spoorweglawaai. Het stelsel is gericht op het voorkomen van nieuwe geluidgehinderden.

5.3.1 Wegverkeerslawaai

Wettelijk kader

Langs alle wegen bevinden zich conform de Wet geluidhinder (Wgh) geluidszones, met uitzondering van wegen op woonerven en 30 km/uur-wegen. Binnen de geluidszone van een weg dient de geluidsbelasting op de gevel van geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) aan wettelijke normen te voldoen. De breedte van een geluidonderzoeks-zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en de ligging van de weg (binnen- of buitenstedelijk). De beoogde ontwikkeling ligt binnen de zone van de Klokkenlaan. Voor de geluidsbelasting op de gevels van nieuwe geluidsgevoelige functies binnen de wettelijke geluidszone van deze weg geldt een ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB. Onder voorwaarden is een hogere waarde mogelijk tot 63 dB. Indien uit akoestisch onderzoek blijkt dat de ten hoogst toelaatbare geluidbelasting van 48 dB wordt overschreden, moet worden onderzocht of maatregelen kunnen worden getroffen, gericht op het verminderen van de geluidsbelasting aan de gevel. Voor zulke maatregelen wordt onderstaande volgorde aangehouden:

  • Bronmaatregelen (bijvoorbeeld aanpassing intensiteiten of soort wegdekverharding)
  • Overdrachtsmaatregelen (bijvoorbeeld geluidsafscherming)
  • Maatregelen bij de ontvanger (bijvoorbeeld aanbrengen extra geluidsisolatie aan de gevel of woningindeling)

Zijn deze maatregelen niet mogelijk, niet gewenst of niet doeltreffend, dan kan de gemeente onder voorwaarden voor nieuwe geluidsgevoelige objecten een hogere (geluid)waarde verlenen. Eventuele voorwaarden die worden gesteld aan een te verlenen hogere waarde zijn ten gunste van de geluidsituatie en dus het woon- en leefklimaat bij de gevoelige objecten. Hiervoor heeft gemeente 's-Hertogenbosch een 'hogere waarde beleid' vastgesteld. De voorwaarden waaronder een eventuele hogere waarde wordt verleend zijn afhankelijk van de hoogte van de geluidsbelasting en het type gebied waarin het plan zich bevindt. Per gebiedstype geldt een ambitie voor wat betreft de geluidsbelastingen. Zo wordt bijvoorbeeld in een (normaliter rustig) buitengebied een lager geluidsniveau nagestreefd dan in een rumoerig gebied langs een drukke snelweg met verhoogde geluidsbelastingen. Een hogere waarde mag – zoals gezegd - de maximale geluidsbelasting van 63 dB niet overschrijden. Voorwaarden voor een vast te stellen hogere waarde zijn bijvoorbeeld de aanwezigheid van een geluidsluwe (rustige) zijde en een geluidsniveau in de buitenruimte (zoals achtertuin/balkon) dat voldoet aan de ambitie voor het betreffende gebied. Voor geluidsbelastingen op gevels meer dan 63 dB kan geen ontheffing worden verleend.

Naast het toetsingskader en wettelijke eisen van de Wgh dienen er altijd zodanige gevelmaatregelen te worden genomen dat wordt voldaan aan de maximale geluidsbinnenwaarde op grond van het Bouwbesluit. Deze maximale geluidsbinnenwaarde is ten gunste van het woon-, leef- en verblijfsklimaat in betreffend object. Met de aanvraag om omgevingsvergunning zal moeten worden aangetoond dat deze binnenwaarde wordt voldaan.

Plan

Binnen het plangebied worden geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt binnen de zones van wegen, zoals bedoeld in hoofdstuk VI van de wet ("zones langs wegen"). Het betreft 94 woningen c.q. wooneenheden langs de Klokkenlaan. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is door K+ Adviesgroep b.v. een akoestisch onderzoek uitgevoerd (rapportnr. QR/QR/M19 492.401.3, d.d. 11 mei 2020, zie Bijlage 3) en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt ten aanzien van wegverkeerslawaai door wegverkeer op de Klokkenlaan het volgende:

  • Ter plaatse van waarneempunt 1-3, 11-14, 20-23, 29-32, 38, 39, 43 en ter plaatse van de balkons bij waarneempunt 46, 49 en 52 zijn op één of meerdere bouwlagen de optredende gevelbelastingen hoger dan de voorkeurs-grenswaarde van 48 dB.
  • Bij blok A (Philadelphia) wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden bij het zorgappartement op de begane grond ter hoogte van waarneempunt 1, 2 en 11. Bij de appartementen gelegen op de eerste, tweede en derde verdieping wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden in waarneempunt 1 t/m 3, 11, 12 en 43. Het gaat om 4 zorgappartementen op de begane grond en 6 appartementen op de verdieping.
    Bij blok B (Urban Villa) wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden bij het hoekappartement op de begane grond ter hoogte van waarneempunt 13 en 14 en per bouwlaag bij het hoekappartement ter hoogte van waarneempunt 13-14 en 20-21. Het gaat om 7 van de 17 appartementen.
    Bij blok C (Urban Villa) wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden bij het hoekappartement op de begane grond ter hoogte van waarneempunt 22-23 en per bouwlaag bij het hoekappartement ter hoogte van waarneempunt 22-23 en 29-30. Het gaat om 7 van de 17 appartementen.
    Bij blok D (Kopgebouw) wordt de voorkeursgrenswaarde overschreden bij het hoekappartement op de begane grond ter hoogte van waarneempunt 31-32 en per bouwlaag bij het hoekappartement ter hoogte van waarneempunt 31-32 en 38-39. Het gaat om 11 van de 26 appartementen.
  • De gevelbelasting bedraagt maximaal 56 dB. Daarmee wordt voldaan aan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB.
  • Bij de gemeente ’s-Hertogenbosch kan een verzoek voor vaststelling van een hogere toelaatbare waarde worden ingediend.
  • Als ontheffingscriterium kan worden aangedragen dat het woongebouw komt ter vervanging van bestaande bebouwing.
  • Het treffen van maatregelen aan de bron in de vorm van een andere wegverharding zou kunnen worden overwogen. Hiermee kan een geluidreductie van maximaal 5 dB worden bereikt. De gevelbelasting kan daarmee niet worden teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager.
  • Het treffen van maatregelen in het overdrachtsgebied stuit op overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. In de bebouwde kom is het niet wenselijk om langs een weg een geluidscherm te plaatsen.
  • Volgens het geluidbeleid moet elk appartement beschikken over een geluidluwe gevel en moet de gevelbelasting ter plaatse van de buitenruimte voldoen aan de ambitiewaarde van 53 dB.
  • Om aan het geluidbeleid te kunnen voldoen en om, in het kader van de goede ruimtelijke ordening, een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te verkrijgen, worden er geluidmaatregelen getroffen. Deze zijn onder andere het sluiten van de zijkant van balkons (parallel aan de Klokkenlaan), realiseren van gesloten balkons (wintertuinen) op de balkons gelegen aan de Klokkenlaan, en het realiseren van een (glazen) afscherming op het terras (begane grond) bij de hoekwoning blok D Kopgebouw parallel aan de Klokkenlaan en aansluitend, onder het balkon, doorgezet evenwijdig aan de Hambakendreef.
  • Aangezien een hogere waarde wordt vastgesteld, dient er, ondanks het treffen van de geluidmaatregelen, rekening te worden gehouden dat er zwaardere eisen worden gesteld aan de karakteristieke geluidwering van de uitwendige scheidingsconstructie. In een separaat onderzoek zijn de geluidwerende maatregelen bepaald waarmee aan de gestelde eisen van afdeling 3.1 van het bouwbesluit wordt voldaan. K+ Adviesgroep (rapportnr. M19 492.402, d.d. 11 mei 2020) heeft een dergelijk onderzoek uitgevoerd, het onderzoek is als Bijlage 4 bij onderhavige toelichting toegevoegd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0013.png"  
Ligging waarneempunten (bron: K+ Adviesgroep)  

Ten aanzien van de niet gezoneerde weg Hambakendreef geldt dat dit een 30 km/h weg betreft. In het kader van de Wet geluidhinder worden geen restricties opgelegd aan het bouwplan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet wel een afweging worden gedaan. Bij deze afweging is gekeken naar de grenswaarden van de Wet geluidhinder. In waarneempunt 32, 33 en 34 zijn optredende geluidbelastingen bepaald hoger dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. De maximale gevelbelasting bedraagt 50 dB. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt niet overschreden.

Conclusie

Ten gevolge van wegverkeer op de Klokkenlaan wordt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB plaatselijk overschreden bij 33 van de 95 appartementen. Daar waar de gevelbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB, doch lager dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB, wordt verzoek gedaan voor het vaststellen van een hogere grenswaarde en dient invulling gegeven te worden aan de eisen als gesteld in het geluidbeleid. Bij ieder appartement wordt door het afsluiten van de zijgevel van het balkon en/of door het realiseren van een wintertuin de gevelbelasting teruggebracht tot de voorkeursgrenswaarde of lager. Tevens moet op de begane grond bij de hoekwoning Blok D Kopgebouw een geluidscherm worden gerealiseerd parallel aan de Klokkenlaan en dit scherm dient, onder het balkon, doorgezet te worden evenwijdig aan de Hambrakendreef. De voorwaarde voor het verlenen van een hogere toelaatbare waarde is dat de betreffende appartementen dienen te beschikken over een geluidsluwe zijde. Daaronder wordt verstaan dat de gevelbelasting niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde. Hier wordt met toepassing van diverse maatregelen als beschreven in Bijlage 3 en Bijlage 4 aan voldaan.

5.3.2 Railverkeerslawaai

Het plangebied ligt binnen de zone van het spoortraject 's-Hertogenbosch-Utrecht. Voor deze geluidgevoelige bestemmingen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 1) en heeft een toetsing plaatsgevonden aan de normen uit hoofdstuk VII ("zones langs spoorwegen") van de Wet geluidhinder. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat ten aanzien van railverkeerslawaai de gevelbelasting zal voldoen aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. In het kader van de Wet geluidhinder worden ten aanzien van railverkeerslawaai geen restricties aan het voorliggende bouwplan opgelegd.

5.3.3 Industrielawaai

Geluidszonering

Het plangebied ligt niet in een zone voor industrielawaai zoals bedoeld in hoofdstuk V van de Wet geluidhinder. Toetsing aan dit wettelijk kader is dan ook niet aan de orde.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Beleid

Externe veiligheid beschrijft de risico's die kunnen ontstaan als gevolg van opslag of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit heeft betrekking op inrichtingen (bedrijven), transportroutes en buisleidingen. Omdat de gevolgen bij een calamiteit groot kunnen zijn, is in wetgeving bepaald wanneer risico's – met het voldoen aan normen – aanvaardbaar zijn en wanneer ze verantwoord moeten worden. Deze zogenoemde verantwoordingsplicht betekent dat in ruimtelijke procedure de keuzes moeten worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag. Hierbij geeft het bevoegd gezag aan in te stemmen met de risico's en de betreffende situatie aanvaardbaar te vinden.

De aanvaardbare risico's zijn vast gelegd in diverse besluiten. De belangrijkste in de ruimtelijke ordening zijn:

  • Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi)
  • Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt)
  • Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb)

Binnen de beleidskaders voor deze drie typen risicobronnen staan altijd twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Hoewel beide begrippen onderlinge samenhang vertonen zijn er belangrijke verschillen.

Plaatsgebonden risico (PR)

Het plaatsgebonden risico wordt gedefinieerd als "de kans per jaar dat een persoon, die zich continu en onbeschermd op een bepaalde plaats bevindt, overlijdt als direct gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen bij een risicovolle activiteit". In Nederland heeft de overheid bepaald dat in principe nergens in Nederland iemand een groter plaatsgebonden risico mag lopen dan 1 op de 1 miljoen per jaar (10-6/jaar). Het PR kan op de kaart van het gebied worden weergeven met zogeheten risicocontouren: lijnen die punten verbinden met eenzelfde PR. Binnen de 10-6 contour (welke als wettelijk harde norm fungeert) mogen geen kwetsbare objecten (zoals woningen, ziekenhuizen, scholen) geprojecteerd worden. Voor beperkt kwetsbare objecten (zoals kleine kantoren, winkels en bedrijfsgebouwen) geldt de 10-6 contour niet als grenswaarde, maar als een richtwaarde.

Groepsrisico (GR)

Het groepsrisico is een maat voor de kans dat bij een ongeval een groep slachtoffers valt met een bepaalde omvang (10 personen of meer). Het GR is daarmee een maat voor de maatschappelijke ontwrichting. Het GR wordt bepaald binnen het invloedsgebied van een risicovolle activiteit. Voor het groepsrisico geldt een verantwoordingsplicht. Dit houdt in dat iedere wijziging met betrekking tot planologische keuzes moet worden onderbouwd én verantwoord door het bevoegd gezag.

Verantwoordingsplicht groepsrisico

Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag (veelal de gemeente). Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten gedwongen het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat er een adviesplicht voor de regionale brandweer. In de Handreiking verantwoordingsplicht groepsrisico zijn de onderdelen van de verantwoording nader uitgewerkt en toegelicht. Door het uitwerken van de verantwoordingsplicht neemt het bevoegd gezag de verantwoordelijkheid voor het 'restrisico' dat overblijft nadat benodigde de veiligheidsverhogende maatregelen genomen zijn.

Activiteitenbesluit (eventueel vuurwerkbesluit)

Tot slot wordt in het kader van een 'goede ruimtelijke ordening ' (art. 3.1 Wro) getoetst aan eventueel van toepassing zijnde veiligheidsafstanden uit het Activiteitenbesluit (of vuurwerkbesluit)

Beleidsvisie externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch

De gemeente 's-Hertogenbosch beschikt over een beleidsvisie externe veiligheid (Uitvoeringskader externe veiligheid gemeente 's-Hertogenbosch, deel A t/m C, 2010). Hierin zijn aanvullende kaders gegeven voor de integrale aanpak van externe veiligheid. Voor ontwikkelingen bevat deze beleidsvisie ook een kleurenkaart van het gemeentelijk gebied, waarin met een kleur (groen, oranje of rood) is aangegeven welke objecten (kwetsbaar, beperkt kwetsbaar of extra kwetsbaar) juist wel (groen), niet (rood) of onder voorwaarden (oranje) toelaatbaar zijn op een bepaalde locatie.

De beoogde ontwikkeling voorziet in woningbouw in de vorm van vier appartementengebouwen op de voormalige locatie van een basisschool en kinderdagopvang. Drie appartementengebouwen voorzien gezamenlijk in 63 sociale huurwoningen. Eén appartementengebouw voorziet in 32 wooneenheden voor begeleid wonen (woonzorg). De bewoners van het woonzorgcomplex worden als verminderd zelfredzaam beschouwd. De appartementengebouwen worden beschouwd als kwetsbaar object (naar analogie van het Bevi). Hiervoor zijn in het Uitvoeringskader EV, deel C de eisen geformuleerd. Deze eisen zijn vertaald in kleurenkaarten. De beoogde ontwikkeling vindt plaats in een groen gebied. Beperkt kwetsbare objecten zijn hierin toegestaan.

5.4.2 Beschouwing risicobronnen

De onderstaande risicobronnen zijn aanwezig in de nabijheid van de ontwikkeling:

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0014.png"  
Uitsnede risicokaart december 2018 met relevante risicobronnen t.o.v. het plangebied (rood omlijnd)  

Inrichtingen

Op 750 meter ten zuidoosten van het plan bevindt zich een tankstation met LPG (Hambakenweg 3). Het plangebied ligt ver buiten de risicocontouren en invloedsgebieden van dit LPG-tankstation. Het LPG tankstation levert derhalve geen belemmering op en het groepsrisico hoeft ook niet verantwoord te worden. Dit LPG-tankstation wordt derhalve verder buiten beschouwing gelaten. Eventuele belangen van het LPG-tankstation zullen vanwege deze ontwikkelingen – gezien de grote afstand en ligging buiten het invloedsgebied - tevens niet worden geschaad.

Transportroutes

De dichtst bijzijnde transportroute (met transport van gevaarlijke stoffen) betreft de A59 op circa 600 meter ten zuiden en oosten van het plangebied. Deze weg is onderdeel van het Basisnet voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Daarnaast ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van basisnetroutes A2 en de spoorlijn Eindhoven-'s-Hertogenbosch. De risicobron is op ongeveer 2000 meter van het plangebied gelegen. Voor deze risicobronnen geldt dat ze geen PR 10-6 contour en plasbrandaandachtsgebied hebben. Deze bronnen leggen dan ook geen harde beperkingen op aan de voorgenomen ontwikkeling

Omdat het plangebied op meer dan 200 m van de hiervoor genoemde transportroutes is gelegen kan in deze situatie worden volstaan met het beschouwen van de aspecten zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid:

  • Toxisch scenario
    Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de A2, de A59 en de spoorlijn Eindhoven-'s-Hertogenbosch. Ten gevolge van een incident op de weg of het spoor kan een toxisch scenario optreden. Een toxisch scenario ontstaat wanneer een tankwagen of -wagon lek raakt en toxische stoffen ontsnappen. Toxische vloeistoffen kunnen verdampen waardoor een gaswolk ontstaat die over de omgeving kan waaien. Bij een bepaald percentage aanwezige personen zal letaal letsel optreden door blootstelling aan de gaswolk. Bij de toxische scenario's zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel.
    De omvang, verplaatsingsrichting en verstrooiing van de gaswolk is mede afhankelijk van de weersgesteldheid op dat moment.
  • Zelfredzaamheid
    Bij een calamiteit waarbij toxische gassen vrijkomen is zo snel mogelijk schuilen in een gebouw de voorkeurshandeling. Bij een calamiteit met toxische gassen zit er enige tijd tussen het ontstaan van het ongeval en het optreden van letsel bij aanwezigen. Daarbij is ook de duur van de blootstelling van invloed op de ernst van het letsel. Snel reageren, naar binnen vluchten en ramen en deuren sluiten is bij dit scenario dus van belang. De zelfredzaamheid kan bevorderd worden door een goed alarmeringssysteem.
  • Bestrijdbaarheid
    Bij een ongeval met toxische vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water.

Veiligheidsregio

In overleg met de regionale brandweer is besloten dat voor ruimtelijke ontwikkelingen in het gebied buiten 325 meter van relevante transportroutes (wegen of spoorwegen) geen aanvullende eisen vanuit externe veiligheid meer worden gesteld. Tevens is in het kader van de verantwoording van het GR niet meer nodig is om voor dergelijke ontwikkelingen advies in te winnen bij de regionale brandweer (Veiligheidsregio). Een advies van de Veiligheidsregio is derhalve niet gevraagd en betrokken.

5.4.3 Conclusie

Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de A2, de A59 en de spoorlijn Eindhoven-'s-Hertogenbosch Personen in het plangebied worden aan externe veiligheidsrisico's blootgesteld, ook na maatregelen. Vanwege de ligging van het bestemmingsplan binnen het invloedsgebied van deze risicobronnen is de verantwoordingsplicht ingevuld. Uit het vorenstaande worden de volgende relevante conclusies getrokken:

Het bestemmingsplan voldoet aan de belangrijke grenswaarde voor het PR en aan de aanvullende kaders die zijn vastgelegd in het Uitvoeringskader externe veiligheid van de gemeente 's-Hertogenbosch. Uit het voorgaande blijkt dat het (lage) GR van de nabije A2 als gevolg van dit plan niet zal wijzigen en derhalve geen belemmering hoeft te zijn voor het plan. Aanvullende veiligheidseisen zijn conform de afspraken met de Veiligheidsregio niet nodig en niet gesteld gezien de grote afstanden tot de (op ruime afstand gelegen) risicobronnen (Rijksweg A2 en het LPG-tankstation).

Het bevoegd gezag accepteert de externe veiligheidsrisico's en neemt de verantwoording voor het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid vormt geen harde belemmeringen voor onderhavig plan.

5.5 Lucht

Het doel van de Wet luchtkwaliteit (opgenomen in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer) is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes (PM10; PM2,5 fijn stof), lood, koolmonoxide en benzeen geven het kwaliteitsniveau van de buitenlucht aan dat op een gegeven tijdstip moet zijn bereikt en daar waar het juiste kwaliteitsniveau al aanwezig is, zoveel mogelijk in stand moet worden gehouden. De grenswaarden voor luchtkwaliteit kunnen beperkend zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen en plannen. Uitgangspunt is dat een ruimtelijke plan (een project) niet leidt tot overschrijding van luchtkwaliteitsnormen. Als er wel sprake is van een overschrijding, dan mag een project de luchtkwaliteit niet in betekenende mate verslechteren.

Kleine projecten en ruimtelijke plannen, waarvan duidelijk is dat deze niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtkwaliteit, hoeven niet getoetst te worden aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. Dit is geregeld in het “Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM)”. De grens NIBM voor de stoffen PM10 (fijnstof) en NO2 ligt vanaf 1 augustus 2009 op 1,2 ìg/m3. De grens waarbij een plan als gevolg van extra verkeer niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit ligt op meer dan 1500 vervoersbewegingen (van auto's) per etmaal. In paragraaf 3.3 is reeds toegelicht dat de verkeersgeneratie ten gevolge van 32 woonzorgeenheden en 63 sociale huurwoning wordt ingeschat op 424 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De verkeersgeneratie blijft hiermee beneden de 1.500 vervoersbewegingen en draagt derhalve niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarom hoeft onderhavig plan niet wettelijk te worden getoetst aan de luchtkwaliteitsnormen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0015.png"  
Uitsnede NIBM-tool  

Verder blijkt uit de landelijke Monitoringstool dat de jaargemiddelde concentraties van de relevante stoffen NO2 (stikstofdioxide) en PM10 (fijn stof) in dit gebied voor beide stoffen onder de 35 µg/m3 liggen. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de wettelijke maximale grenswaarden (van 40 µg/m3 voor beide stoffen). Naar verwachting nemen deze concentraties in de toekomst verder af door nationale en lokale maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.

Gelet op de achtergrondconcentraties luchtkwaliteit ter plaatse, is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat m.b.t. luchtkwaliteit. Geconcludeerd wordt dat de luchtkwaliteit geen knelpunt vormt voor de realisatie van het bestemmingsplan.

5.6 Bodem

Algemeen

Bij plannen en ontwikkelingen, het daarvoor opstellen van bestemmingsplannen of het wijzigen daarvan is altijd de hoofdvraag of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het huidige of toekomstige gebruik van die bodem en hoe deze optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit als gevolg van aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bovendien mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet (bijvoorbeeld graafwerkzaamheden). Derhalve dient de bodemkwaliteit binnen het plangebied bekend te zijn. Hiermee kan worden beoordeeld of de aanwezige bodemkwaliteit wel of niet geschikt is voor de toekomstige bestemming.

Bodemsituatie

In 2019 heeft ter plaatse van de locatie een verkennend bodemonderzoek plaatsgevonden. Het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd door Anteagroup (projectnr. 0419076.114, d.d. 9 april 2019). Het onderzoeksrapport is als Bijlage 5 bij onderhavige toelichting toegevoegd. In onderstaande zijn de bevindingen en conclusies uit het rapport overgenomen.

In het opgeboorde materiaal zijn lokaal de bodemvreemde bijmengingen baksteen en plastic waargenomen.

  • Toetsing Wet bodembescherming
    Geconcludeerd kan worden dat in de bovengrond, ter plaatse van boring 20 met sporen baksteen, licht verhoogde gehalten aan cadmium, zink en PCB's zijn aangetoond. In de overige bovengrond en de ondergrond zijn geen verhoogde gehalten van de onderzochte parameters aangetroffen.
  • Toetsing Besluit bodemkwaliteit
    De analyseresultaten van de onderzochte grond(meng)monsters zijn indicatief getoetst aan de normen uit het Besluit bodemkwaliteit. Hieruit blijkt dat de bovengrond met bodemvreemde bijmengingen lokaal indicatief voldoet aan de kwaliteitsklasse 'Industrie. Het overgrote deel van de bovengrond en de ondergrond voldoen indicatief aan de kwaliteitsklasse 'Achtergrondwaarde (AW)'.

Op basis van de analyseresultaten kan geconcludeerd worden dat lokaal in het grondwater een licht verhoogde concentratie aan naftaleen is gemeten.

De vooraf opgestelde hypothese 'onverdachte locatie' dient formeel gezien verworpen te worden, vanwege de verhoogde gehalten in grond en grondwater.

De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, omdat de gemeten concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De resultaten vormen naar mening van het onderzoeksbureau geen milieuhygiënische belemmering voor de geplande herontwikkeling van woningbouw op het terrein.

Conclusie

Tijdens het veldwerk is plaatselijk een lichte bijmenging met baksteen- en plasticresten geconstateerd in de bovengrond. Daarentegen is op het maaiveld en in het uitgegraven en opgeboorde bodemmateriaal visueel geen asbestverdachte materiaal aangetroffen.

De bovengrond is plaatselijk (op de locatie met bijmenging) licht verontreinigd met zink, cadmium en PCB. Verder zijn in de grond geen verhoogde gehalten van de onderzochte parameters waargenomen en is in het grondwater slechts sprake van een zeer lichte verhoging aan naftaleen.

Uit de totale beoordeling blijkt dat de licht verhoogde gehalten zijn te relateren aan de plaatselijk geconstateerde bijmengingen in de grond. De bodem is geschikt voor het beoogde gebruik.

De onderzoeksresultaten geven geen aanleiding om maatregelen te nemen en vormen daarnaast geen belemmering m.b.t. de voorgenomen ontwikkeling. Evenwel zal na sloop van de aanwezige opstallen ter plaatse een actualiserend onderzoek moeten plaatsvinden. Het bodemonderzoek kan zich beperken tot de bovenste halve meter van de locatie waar de sloopwerkzaamheden hebben plaatsgevonden.

5.7 Hoogspanningslijnen

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van bovengrondse hoogspanningslijnen. Uit wetenschappelijk onderzoek blijken namelijk aanwijzingen dat langdurig verblijf in de buurt van hoogspanningslijnen mogelijk invloed heeft op de gezondheid van kinderen, namelijk een verhoogde kans op het krijgen van leukemie. Gedacht wordt dat de magneetvelden van de bovengrondse hoogspanningslijnen hiervan de oorzaak zouden kunnen zijn. Het is overigens niet aangetoond dat de magneetvelden van hoogspanningslijnen hiervan écht de oorzaak zijn. Wél is er een advies van het Rijk uit 2005 over bovengrondse hoogspanningslijnen. Hierin staat dat het niet wenselijk is dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van hoogspanningslijnen. Via dit voorzorgsbeleid dient zo veel als mogelijk te worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven binnen de magneetveldzones van bovengrondse hoogspanningslijnen. Dit voorzorgbeleid heeft betrekking op nieuwe objecten waarin kinderen langdurig verblijven, zoals nieuwe woningen, scholen, kinderdagverblijven en crèches. De magneetveldzone is het gebied waar het (jaargemiddeld) magneetveld hoger is dan 0,4 microTesla.

De gemeente 's-Hertogenbosch hanteert het Rijksadvies uit 2005, en houdt daarmee rekening met het genoemde voorzorgbeginsel bij nieuwe ontwikkelingen in de buurt van hoogspanningslijnen. Ten noorden van het plangebied, op ca. 125 meter afstand, is een hoogspanningsleiding gelegen. Op basis van de Netkaart wordt geconcludeerd dat de hoogspanningsleiding een 150 kV-lijn betreft (zie onderstaande afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0016.png"  
Uitsnede Netkaart met plangebied bij oranje contour  

Voor de hoogspanningsleiding geldt een beschermingszone van 25 meter aan weerszijden van de leiding. Het plangebied is niet binnen deze beschermingszone gelegen. De zogenoemde indicatieve zone voor de 150 kV-lijn bedraagt 60 meter aan weerszijden van de leiding. Het beleidsadvies van VROM luidt dat bij ruimtelijke plannen in de nabijheid van bovengrondse hoogspanningslijnen, binnen de indicatieve zone, zoveel als redelijkerwijs mogelijk moet worden vermeden dat er nieuwe situaties ontstaan waarbij kinderen langdurig verblijven in het gebied onder bovengrondse hoogspanningsverbindingen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger is, dan wel in de toekomst hoger kan worden dan 0,4 microtesla (de magneetveldzone).

Onderhavig plangebied ligt op een afstand van ca. 125 meter en is daarmee buiten de indicatieve zone gelegen. De ligging van het plangebied nabij de hoogspanningsleiding vormt derhalve geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

5.8 Water

Ruimte maken voor water: dat is de kern van het waterbeleid voor de 21e eeuw. Met de ondertekening van de 'Startovereenkomst Waterbeheer' door verschillende overheden, is de watertoets van toepassing op ruimtelijke plannen. Vanaf 1 november 2003 is deze juridisch vastgelegd in het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

De watertoets moet ingevuld worden als een procedure. Het omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Het doel van de watertoets is het evenwichtig meewegen van de waterbelangen in het planvormingsproces. Hierbij wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. Zowel waterkwantiteits- als waterkwaliteitsaspecten zijn daarbij belangrijk. Kansen worden benut en functies zoveel mogelijk gecombineerd.

De beleidsdoelen voor integraal waterbeheer zijn door de gemeente vastgesteld in het Waterplan (2017). Hierin staat dat we in 's-Hertogenbosch een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem willen creëren ook is hierin het hemelwaterbeleid vastgelegd. Het hemelwaterbeleid is verankerd in de gemeentelijke Verordening Hemelwater en Grondwater 2017.

De doelen en ambities van het waterschap Aa en Maas zijn beschreven in het waterbeheerplan 2016-2021. In de Keur (2018) staan de regels (met name geboden en verboden) die een waterschap hanteert bij de bescherming van onder andere waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken.

Uitgangspunten voor integraal waterbeheer
De uitgangspunten bij het toetsen van ruimtelijke plannen zijn:

  • Gescheiden houden van vuil (afval)water en schoon hemelwater;
  • Voorkomen van vervuiling van water;
  • Schoon hemelwater kan volgens de voorkeursvolgorde worden verwerkt:
    • 1. Hergebruik
    • 2. infiltratie/bergen
    • 3. afvoer;
  • Hydrologisch neutraal ontwikkelen, zodat een ontwikkeling niet leidt tot een hydrologische achteruitgang zowel in als buiten het plangebied. Ook mogen er geen hydrologische knelpunten ontstaan voor huidige en vastgelegde toekomstige landgebruiksfuncties. Dit betekent dat:
    • 1. De afvoer uit het gebied niet groter wordt dan in de referentiesituatie;
    • 2. De grondwateraanvulling in het plangebied gelijk blijft of toeneemt;
    • 3. Grond- en oppervlaktewaterstanden in de omgeving gelijk blijven, of verbeteren voor de huidige en toekomstige landgebruiksfuncties;
    • 4. (grond)waterstanden in het plangebied aansluiten op de (nieuwe) functie(s) van het plangebied;
    • 5. Het plangebied zo wordt ingericht dat de hydrologische gevolgen van vastgestelde toekomstige ontwikkelingen in de omgeving niet leiden tot knelpunten in het plangebied.

Daarnaast kan water als kans worden gezien voor meervoudig ruimtegebruik en vergroting van de beleving van water. Deze uitgangspunten dragen bij aan een mooi, robuust en klimaatbestendig watersysteem.

Waterparagraaf

De afspraken uit de watertoets worden in een waterparagraaf vastgelegd. In deze waterparagraaf is toegelicht hoe het waterbeleid is vertaald naar waterhuishoudkundige inrichting in dit bestemmingsplan. Eventueel benodigde vergunningen worden niet met deze waterparagraaf geregeld en zullen via daarvoor bedoelde procedures verkregen moeten worden.

Onderzoek waterberging

Uitgangspunt van het hemelwaterbeleid is een bergingseis van 60 mm water (60 liter) per m2 afvoerend verhard oppervlak dat binnen het perceel geborgen of geïnfiltreerd moet worden. In onderhavige situatie zijn vier typen verhard oppervlak aan de orde:

  • 1. Daken
    Totaal oppervlakte daken (afgerond): 2.117 m² x 60 mm = 127 m³ te bergen.
  • 2. Gesloten elementverharding
    Totaal oppervlakte gesloten verharding (afgerond): 2.045 m² x 60 mm = 123 m³ te bergen.
  • 3. Gesloten asfaltverharding
    Totaal oppervlakte gesloten verharding (afgerond): 515 m² x 60 mm = 31 m³ te bergen.
  • 4. Half open verharding
    Totaal oppervlakte half open verharding (afgerond): 1.135 m² (50%) x 60 mm = 34 m³ te bergen.

De totale bergingseis bedraagt daarmee 315 m3. Door Rienks Architects en MTD Landschapsarchitecten zijn diverse oplossingsrichtingen onderzocht om het hemelwater zo snel mogelijk bij de bron op te vangen middels een sedumdak (d.d. 28 april 2020, zie Bijlage 6 voor details). Door toepassing van een sedumdak op de vier appartementsgebouwen kan naar schatting 114,9 m3 water binnen het plangebied opgevangen worden. De daken van de appartementen zullen naar waarschijnlijkheid ook benut gaan worden om PV panelen te plaatsen. Bij de combinatie van PV panelen en een sedumdak kan de dakbedekking worden uitgevoerd als een geballast systeem, waarbij geen bevestiging aan dakconstructie nodig is. Het sedumpakket loopt ononderbroken door onder de PV panelen. Er dienen wel hogere standaards onder de PV panelen te worden toegepast zodat de begroeiing geen schaduw werpt op zonnepanelen.

Om in de resterende bergingseis, zijnde (315-114,9=) ca. 200 m3, te voorzien worden in totaal drie wadi's tussen de appartementsgebouwen in gerealiseerd. Uitgangspunt is laagte creëren met een maximale diepte van circa 500mm in een zo natuurlijk mogelijk beeld. De laagte krijgt een natuurlijke, organische vorm met een asymmetrisch profiel. In elke wadi wordt op het laagste punt een putdeksel aangebracht (open rooster deksel). Op deze putten wordt de regenwaterleiding van de flats aangesloten. De putten in de wadi’s staan in verbinding met het IT riool onder de parkeerplaatsen. De wadi’s komen pas vol water te staan op het moment dat het IT riool volledig gevuld is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0017.png"  
Inrichting waterberging (zie Bijlage 6 voor vergrote weergave)  

Afvalwater

Op onderhavige locatie is overigens sprake van een gemengd rioolstelsel. De stromen vuilwater en hemelwater dienen in de nieuwe situatie gescheiden te worden aangeboden tot aan de perceelgrens. Deze gescheiden stromen kunnen later, na aanleg van een gescheiden rioolstelsel, hierop worden aangesloten. Dit houdt in dat het hemelwater gescheiden van het afvalwater wordt aangeboden aan de gemeentelijke riolering ter hoogte van de perceelgrens. Door het aanbrengen van een gescheiden stelsel zullen de woningen al zijn voorbereid op de toekomst.

Grondwater en oppervlaktewater

Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand ligt rond 2,0m +NAP. Het planvoornemen voorziet niet in een wijziging van de grondwaterstand. Tevens is het planvoornemen niet gelegen nabij oppervlaktewater. Ten aanzien van grond- en oppervlaktewater zijn er door het planvoornemen dan ook geen veranderingen te verwachten. De planlocatie is eveneens niet gelegen binnen het grondwaterbeschermingsgebied.

Uit zorg voor een goede kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater wordt bij de bouw afgezien van het gebruik van uitlogende bouwmaterialen (zoals zink en koper) in daken, gevels, verhardingen en regenwatervoorzieningen zoals goten en leidingen.

Conclusie

In deze waterparagraaf is de waterbergingsopgave van het plangebied bepaald en ingevuld met een passend ontwerp voor hemelwater, grondwater en afvalwater.

5.9 Duurzaamheid

We staan in Nederland voor ingewikkelde opgaven. Niet alleen moeten we steeds meer mensen huisvesten, ook hebben we rekening te houden met klimaatverandering en een toenemende schaarste aan energie en grondstoffen. Ook ontwrichten hoosbuien steeds vaker de openbare ruimte.

Op dit moment wordt binnen de gemeente intensief gewerkt aan het verduurzamen van de gemeente ’s-Hertogenbosch, waarbij beoogd wordt een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente te zijn. Hiermee wordt ervoor gezorgd dat het een gemeente blijft die door zijn inwoners als prettig en gezond wordt ervaren. Om dit te bereiken heeft de gemeente het visiedocument “Samenwerken aan een duurzaam ’s-Hertogenbosch” opgesteld. Het doel is te komen tot een gezond woon- en leefomgeving waarin schone energie centraal staat, je jezelf duurzaam verplaatst en waar verspilling van grondstoffen wordt tegengegaan. In het visiedocument Duurzaam 's-Hertogenbosch zijn de ambities verwoord in 4 pijlers.

Ambitie 1: Een gezonde, groene en klimaatbestendige gemeente

Inwoners van ’s-Hertogenbosch wonen in een aantrekkelijke, leefbare en groene gemeente met schone lucht. De gemeente biedt een veilige plek voor haar inwoners, ongeacht veranderingen in het klimaat met extreme regenbuien en hete zomers. Door het veilige watersysteem houdt de gemeente droge voeten en is zij bestand tegen droogte. Natuur is overal aanwezig en draagt bij aan een gezonde leefomgeving met een hoge mate van biodiversiteit.

Ambitie 2: CO2 – neutrale gemeente

’s-Hertogenbosch gebruikt in 2050 alleen nog maar duurzaam opgewekte energie. De daken in de gemeente zijn grotendeels gevuld met zonnepanelen. Huizen en bedrijfspanden zijn goed geïsoleerd en er wordt nog beter gebruik gemaakt van restwarmte. De inwoners van ‘s-Hertogenbosch verplaatsen zich op een schone wijze: met de fiets, het openbaar vervoer of met duurzame auto’s.

Ambitie 3: Waardebehoud van grondstoffen

In 2050 gaan de inwoners van de gemeente bewust om met hun spullen. Bedrijven ontwikkelen producten en gebruiken grondstoffen die hernieuwbaar, biologisch afbreekbaar of herbruikbaar zijn.

Ambitie 4: Duurzame mobiliteit

’s-Hertogenbosch ontwikkelt zich tot een gemeente vol met slimme, schone en duurzame mobiliteit. Met een autoluwe binnenstad en een toename van elektrisch verkeer is de lucht schoner geworden.

Visie

Om invulling te geven aan de ambities om tot een duurzame, klimaatadaptieve gemeente 's-Hertogenbosch te komen is ten behoeve van het planvoornemen door Zayaz een duurzaamheidsvisie opgesteld (Duurzaamheidvisie voor de ontwikkeling locatie Klokkenlaan, d.d. 22 september 2020). Deze duurzaamheidsvisie is bijgevoegd als Bijlage 7 bij deze toelichting. Ten aanzien van het project is per pijler beschreven hoe aan de ambities invulling wordt gegeven.

Om een inzicht te geven wat er op het gebied van duurzaamheid in voorliggend project wordt beoogd worden hieronder een aantal van de maatregelen en voorzieningen die getroffen worden en bijdragen aan het aspect duurzaamheid kort benoemd:

  • Stedenbouwkundige maatregelen, die ervoor zorgen dat de dagelijkse hoeveelheid gratis energie door de zon optimaal benut wordt;
  • Bouwkundige maatregelen, zoals goed isoleren, hoge luchtdichtheid en opslag van energie in de gebouwmassa;
  • Gebruik van energie uit reststromen zoals warmteterugwinning en gebruik van restwarmte;
  • Gebruik van duurzame maatregelen, zoals zonne-energie en energie uit de bodem;
  • Efficient gebruik van fossiele brandstoffen, zoals toepassing van hoog rendementinstallaties- en apparatuur, energie-efficientie verlichting, lage warmteproductie en juiste ventilatie.

Deze duurzaamheidsvisie gaat in op de duurzame ambities van gemeente 's-Hertogenbosch en omschrijft de mate waarin de vier appartementengebouwen een duurzame bijdrage aan de stad zullen leveren. Het streven hierbij is het ontwikkelen van nul-op-de-meter woningen. De strategie die Zayaz hiervoor gebruikt, is gebaseerd op de Trias Energetica. De Trias Energetica is een drie-stappenstrategie om een energiezuinig ontwerp te maken. Door toevoeging van een vierde stap is bouwen naar nul-op-de-meter bouwen mogelijk. De vier stappen van het energieconcept zijn:

  • 1. Beperk de energiebehoefte
  • 2. Gebruik energie uit reststromen
  • 3. Maximaal gebruik maken van duurzame bronnen
  • 4. Efficiënt gebruik maken van fossiele brandstoffen


Verder zijn de omschreven maatregelen en installaties afgestemd op het behalen van het BENG niveau die vanaf 1 januari 2021 verplicht is voor nieuwbouw ontwikkelingen. Tot slot is ingegaan op de aspecten klimaatadaptatie en biodiversiteit.

5.10 Milieueffectrapportage

Nagegaan is of voor dit bestemmingsplan een Milieueffectenrapport of een M.e.r. beoordeling opgesteld moet worden. Voor ruimtelijke plannen dient een m.e.r.(beoordeling) te worden opgesteld indien:

  • a. er sprake is van een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit op grond van de bijlagen bij het Besluit m.e.r.;
  • b. voor het plan een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is vereist.

 ad a.

In de bijlage bij het Besluit mer is opgenomen welke activiteiten mer-plichtig zijn (de C-lijst) en welke activiteiten mer-beoordelingsplichtig zijn (de D-lijst). De activiteiten die dit bestemmingsplan mogelijk maakt zijn op grond van de bijlagen bij het Besluit niet m.e.r. (beoordelings) plichtig. Dit project kan aangeduid worden als een stedelijk ontwikkelingsproject (bijlage D 11.2).

Een stedelijk ontwikkelingsproject is m.e.r. beoordelingsplichtig indien het betreft een gebied met een oppervlakte van meer dan 100 hectare, of meer dan 2000 woningen of meer dan 200.000 bruto vloeroppervlakte bevat. Aan al deze criteria voldoet het plangebied niet. Er is derhalve geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Op het plangebied ligt momenteel de bestemming maatschappelijk met een maximale bouwhoogte van 10 meter en er is in de huidige situatie sprake van een bebouwde omgeving (basisschool). Ondanks dat er in de nieuwe situatie sprake zal zijn van hogere bebouwing en qua gebruik er sprake is van een groter oppervlak, is, mede gelet op de bedoeling van de wetgever met het Besluit m.e.r. en op basis van jurisprudentie hieromtrent, er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling en dus is er geen vormvrije mer-beoordeling noodzakelijk.

 ad b.

Het plangebied ligt in stedelijk gebied en op ca. 3,3 km van Natura 2000-gebied Vlijmens Ven, Moerputten & Bossche Broek.

Gelet op de kenmerken van dit project, de plaats van dit project en de kenmerken van de potentiele effecten van dit project, zijn er geen belangrijke nadelige milieugevolgen aan de orde. Dit blijkt tevens uit de milieuparagrafen van dit bestemmingsplan en de uitgevoerde milieuonderzoeken.

5.11 Ecologie

5.11.1 Toetsingskader

De bescherming van de natuur is vastgelegd in de Wet natuurbescherming (Wnb). De Wet natuurbescherming (Wnb) geeft het wettelijke kader voor de bescherming van natuurgebieden en voor soortenbescherming. Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wnb ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en gebieden de uitvoering van het plan niet in de weg staan. De provincie is bevoegd gezag voor de toetsing van handelingen met mogelijke gevolgen voor beschermde dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen) én voor Natura 2000-gebieden (de gebiedenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.

Daarnaast vindt beleidsmatige gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de voormalige Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Ook in dit kader zijn de provincies het bevoegd gezag.

Gebiedsbescherming vanuit de Wet natuurbescherming

De Wet natuurbescherming, heeft voor wat betreft gebiedsbescherming, betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een bestemmingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld.

Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. de noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

Projecten, plannen en activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op de beschermde natuur in een Natura 2000-gebied zijn vergunningsplichtig.

Gebiedsbescherming vanuit provinciaal beleid

Het Natuurnetwerk Nederland (voorheen: Ecologische Hoofdstructuur (EHS)) is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuurgebieden. Het netwerk wordt gevormd door kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en ecologische verbindingszones met als doel natuurgebieden beter met elkaar en met het omringende agrarisch gebied te verbinden.

Conform artikel 1.12 van de Wet natuurbescherming dragen gedeputeerde staten in hun provincie zorg voor de totstandkoming en instandhouding van een samenhangend landelijk ecologisch netwerk, genaamd 'Natuurnetwerk Nederland'. Zij wijzen daartoe in hun provincie gebieden aan die tot dit netwerk behoren. De planologische begrenzing en beschermingsregimes van het Natuurnetwerk Nederland loopt via het traject van de provinciale ruimtelijke structuurvisies en verordeningen.

Voor deze gebieden geldt een planologisch beschermingsregime. Activiteiten in deze gebieden zijn alleen toegestaan als ze geen negatieve effecten hebben op de wezenlijke kenmerken of waarden of als deze kunnen worden tegengegaan met mitigerende maatregelen.

Soortenbescherming

De Wet natuurbescherming onderscheidt beschermingsregimes voor soorten op grond van internationale verdragen, aangevuld met soorten die vanuit een nationaal oogpunt beschermd worden. Hierdoor zijn er in de Wet natuurbescherming drie verschillende verbodsartikelen per categorie soorten;

  • soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1);
  • soorten van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (artikel 3.5);
  • andere soorten (artikel 3.10).


Per beschermingsregime is aangegeven welke verboden er gelden en onder welke voorwaarden ontheffing of vrijstelling kan worden verleend door het bevoegd gezag. Volgens artikel 3.31 zijn de verboden, bedoeld in de artikelen 3.1, 3.5 en 3.10 niet van toepassing op handelingen die zijn beschreven in en aantoonbaar worden uitgevoerd overeenkomstig een door het Ministerie van Economische Zaken goedgekeurde gedragscode en die plaatsvinden in het kader van bestendig beheer, bestendig gebruik, of ruimtelijke ontwikkeling of inrichting.

5.11.2 Quickscan flora en fauna en vleermuisonderzoek

Regelink Ecologie en Landschap heeft middels een quickscan en vleermuisonderzoek een eerste inschatting van het effect van onderhavig planvoornemen op beschermde gebieden gemaakt en onderzocht welke beschermde flora en fauna mogelijk voorkomen in het plangebied en wat de effecten van de ingreep hierop zijn. Het rapport (RA19151-02, d.d. 15 december 2019) is als Bijlage 8 bij onderhavige toelichting toegevoegd. De bevindingen en conclusies van de quickscan zijn tevens in onderstaande overgenomen.

Gebiedsbescherming

Natura 2000

Het Natura 2000-gebied dat het dichtste bij het plangebied ligt is Vlijmens Ven, Moerputten en Bossche Broek. Dit gebied ligt op een afstand van 3,3 km van het plangebied (zie onderstaand figuur). Door menselijke invloeden in het tussenliggende gebied als gevolg van de aanwezigheid van stedelijk gebied en grote wegen zijn negatieve effecten door geluidsverstoring of visuele verstoring als gevolg van de ingreep op Natura 2000-gebieden uitgesloten. De ingreep draagt niet bij aan verdroging, maar mogelijk wel aan stikstofdepositie. Dit is een overtreding van de Wet natuurbescherming, artikel 2.4, lid 1. Voor de ingreep moet daarom een Aerius-berekening worden uitgevoerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0018.png"  
Ligging plangebied (rode stip) t.o.v. Natura 2000-gebieden  

Nipa Milieutechniek b.v. heeft een inschatting gemaakt van de stikstofdepositie als gevolg van het planvoornemen in de realisatiefase en de gebruiksfase (rapportnr. 18079-5, d.d. 23 september 2020, zie Bijlage 9). De stikstofdepositie ten gevolge van het planvoornemen op Natura 2000-gebieden is berekend met de Aeriuscalculator (zie Bijlage 10). De uitkomst is dat er zowel in de realisatie- als de gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jaar optreden. Er is daarom geen noodzaak om een vergunning in het kader van de Natuurbeschermingswet aan te vragen.

NNB

Het plangebied is niet gelegen in het NNB. Het plangebied ligt op een afstand van ongeveer 700 m van het NNB (zie onderstaand figuur). Gelet op de afstand, ongeveer 700 m, en de inrichting van het tussenliggende gebied met gebouwen en de A59, is een negatieve invloed van de ingreep op het NNB uit te sluiten. Hierdoor is het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur niet van toepassing.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0019.png"  
Ligging plangebied (rode contour) t.o.v. NNB  

Conclusie gebiedsbescherming

De ingreep heeft geen significant verstorend effect op de soorten waarvoor Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. De ingreep leidt mogelijk wel tot een verslechtering van de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofdepositie. Om na te gaan of dit het geval is, is voor de ingreep een Aerius berekening uitgevoerd. Hieruit blijkt dat het bouwplan (realisatiefase en gebruiksfase) niet leidt tot een toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden.

De ingreep vindt niet plaats binnen het NNB en heeft hier ook geen negatieve invloed op. Hierdoor is het afwegingskader Ecologische Hoofdstructuur niet van toepassing. Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

Soortenbescherming

Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn

Binnen het plangebied zijn geen jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten met vaste rust- en/of verblijfplaatsen aanwezig of te verwachten. Indien het verwijderen van beplanting uitgevoerd wordt tijdens het broedseizoen kan dit leiden tot het vernielen of verlaten van nesten met eieren of jongen of komt de functionaliteit van de nesten in gevaar. Dit zijn overtredingen van artikel 3.1, lid 1 en 2, van de Wet natuurbescherming. Dit is te voorkomen door deze werkzaamheden uit te voeren buiten de periode dat broedende vogels aanwezig zijn.

Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn

Uit de resultaten blijkt dat binnen het plangebied, in het te slopen gebouw, drie zomerverblijfplaatsen en drie of vier paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Uit voorzorg moet er vanuit gegaan worden dat er vier zomer- en paarverblijfplaatsen in het gebouw aanwezig zijn. In de Klokkenlaan is een laan met bomen aanwezig, welke gebruikt wordt als vliegroute door vleermuizen. Deze laan blijft bij de ingreep ongemoeid. Aantasting van de waargenomen vliegroute tijdens of als gevolg van de ingreep is niet te verwachten. Andere essentiële functies voor vleermuizen zijn niet aanwezig in het plangebied. Door de sloop verdwijnen de waargenomen zomer- en paarverblijfsplaatsen en kunnen vleermuizen worden verstoord of gedood. Dit zijn overtredingen van artikel 3.5, lid 1, 2 en 4.

Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van soorten uit de groep Zoogdieren redelijkerwijs kan worden uitgesloten. De ingreep leidt voor deze soorten dan ook niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming.

Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van onder dit beschermingsregime vallende beschermde soorten uit de overige soortgroepen planten, reptielen, amfibieën, vissen, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden redelijkerwijs kan worden uitgesloten. Daarmee is ook een negatief effect op deze soorten redelijkerwijs uit te sluiten. De ingreep leidt derhalve niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten

Beschermingsregime andere soorten

Uit de resultaten blijkt dat de aanwezigheid van onder dit beschermingsregime vallende beschermde soorten uit de soortgroepen planten, zoogdieren, reptielen, vissen, amfibieën, dagvlinders, libellen en overige ongewervelden redelijkerwijs kan worden uitgesloten of dat zij voor ruimtelijke ingrepen zijn vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. De ingreep leidt derhalve niet tot een overtreding van de Wet natuurbescherming voor deze soorten.

Bescherming van houtopstanden

Omdat de ingreep plaatsvindt binnen de bebouwde kom houtopstanden is de artikel 4.2. van de Wet natuurbescherming niet van toepassing.

Conclusie soortenbescherming

Aangenomen mag worden dat in het plangebied geen vogelsoorten broeden waarvan de nesten jaarrond beschermd zijn. Voor de andere mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden.

Aangenomen moet worden dat in het gebouw vier zomer- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig zijn. Bij de sloop van het gebouw kunnen gewone dwergvleermuizen worden gedood of verstoord en worden vaste verblijfplaatsen van deze soort weggenomen. De ingreep kan daarom leiden tot overtredingen van de Wet natuurbescherming artikel 3.5, lid 1, 2 en 4. Met de volgende maatregelen, ontleend aan het Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis, zijn deze overtredingen te voorkomen:

  • ruim van te voren dienen in de omgeving van het plangebied vervangende verblijfplaatsen gerealiseerd te worden. Dit betreft een uitwendig toe te passen kast en geldt als tijdelijke maatregel. De kasten moeten tegen gevels van gebouwen opgehangen worden, op tenminste drie meter hoogte. Tussen de muur en de kast moet tochtstrip aangebracht worden. Indien gewenst kunnen de kasten geschilderd worden in een kleur die overeenkomt met de muur waartegen ze worden bevestigd. Per weg te nemen verblijfplaats dienen er vier van deze kasten opgehangen te worden.
  • Er kunnen ook direct permanente voorzieningen worden gerealiseerd door het toepassen van inbouwkasten. Ook deze kasten moeten op tenminste drie meter hoogte worden aangebracht.
  • De kasten moeten tenminste een even grote spreiding hebben als de verblijfplaatsen bij de te slopen school. Ze moeten tenminste zes maanden, vallende in de periode eind maart eind oktober, voor de ingreep worden aangebracht.
  • Voorafgaande aan de sloop van het schoolgebouw moeten er vleermuis werende maatregelen getroffen worden. Daarmee is te voorkomen dat bij de sloop vleermuizen worden gedood. Deze maatregel moet worden uitgevoerd in overleg met een vleermuisdeskundige.
  • Indien uitwendige kasten zijn toegepast dienen bij de nieuwbouw binnen het plangebied voorzieningen te worden getroffen die als permanente verblijfplaats door gewone dwergvleermuizen gebruikt kunnen worden, zoals een toegankelijke spouw.
  • De hiervoor genoemde maatregelen moeten verder worden uitgewerkt in een ecologisch werkprotocol (zie Bijlage 13). Degenen die betrokken zijn bij de sloop van de school dienen van de inhoud van dit protocol op de hoogte te zijn en het protocol moet op het werkterrein aanwezig zijn.

Zie het Kennisdocument Gewone Dwergvleermuis voor nadere voorwaarden. Onder genoemde voorwaarden is aannemelijk dat overtredingen van de Wet natuurbescherming worden voorkomen en kan de ingreep zonder ontheffing van deze wet worden uitgevoerd.

Soorten die onder het beschermingsregime 'andere soorten' vallen komen niet voor binnen het plangebied of zijn door de Provincie Noord-Brabant vrijgesteld van de Wet natuurbescherming. Ten aanzien van deze soorten zijn geen vervolgstappen nodig.

Omdat de ingreep plaatsvindt binnen de bebouwde kom is artikel 4.2. van de Wet natuurbescherming niet van toepassing. Mogelijk zijn voor het kappen van de bomen nog wel gemeentelijke en/of provinciale verordeningen van toepassing. De gemeente kan men hier verder over inlichten.

5.12 Archeologie en cultuurhistorie

5.12.1 Archeologie

Toetsingskader

De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor het archeologiebeleid van de gemeente. Dit beleid is op 15 juni 2010 vastgesteld. Ten behoeve van het beleid zijn voor archeologische waarden en archeologische verwachtingsgebieden binnen de gemeentegrenzen specifieke eisen of voorwaarden opgesteld en verwerkt tot een archeologische beleidskaart. De zones met een hoge en middelhoge archeologische verwachting zijn op de beleidskaart vertaald in zones waar verspreide nederzettingen en grafvelden uit de prehistorie, Romeinse tijd en Middeleeuwen aanwezig zijn (al dan niet afgedekt door een recent ophogingspakket). Voor de zones met een lage verwachting zijn op de beleidskaart geen nadere eisen opgenomen. Wel zal bij m.e.r. plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen nader onderzoek worden verlangd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0796.0002433-1401_0020.png"  
Uitsnede archeologische verwachtingskaart  

De archeologische verwachtingswaarde conform de archeologische verwachtingskaart is in het geldende bestemmingsplan vertaald middels de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie'. Voor het plangebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden en te verwachten archeologische waarden van de gronden. Binnen deze dubbelbestemming zijn geen bouwwerkzaamheden toegestaan, die een grondoppervlakte betreffen groter dan 100 m2 en meer dan 50 cm beneden maaiveld. Het plangebied heeft een omvang van circa 1 hectare en hier is woningbouw gepland, waarvan de diepte van de ingrepen afgestemd kan worden op de archeologische waarde. Archeologisch onderzoek waarmee de archeologische waarde van het terrein in voldoende mate wordt vastgesteld is hierom noodzakelijk.

Onderzoek

Raap Archeologisch Adviesbureau B.V. (d.d. 27 november 2018, zie Bijlage 14) heeft een archeologisch vooronderzoek in de vorm van een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd.. Op basis van het veldonderzoek kan vastgesteld worden dat het plangebied behoort tot de overgang van het rivierengebied naar het dekzandgebied. Oorspronkelijk was sprake van een pakket komklei dat het onderliggende dekzand afdekte. Waarschijnlijk tijdens het bouwrijp maken voor de aanleg van de huidige woonwijk is ter plaatse van het plangebied de komklei bijna volledig afgegraven tot in het ongeroerde dekzand en weer aangevuld met ophoogzand. Hier zijn zodoende geen intacte archeologische resten meer te verwachten. Alleen in de zuidwesthoek van het plangebied is de bodem nog wel intact, al heeft ook hier ophoging plaatsgevonden. In de komklei zelf worden geen archeologische verwacht. De komklei was te slap en nat voor menselijk gebruik, laat staan bewoning. In het dekzand is de aanwezigheid van archeologische resten echter niet uit te sluiten, zeker aangezien is vastgesteld dat sprake was v an een door komklei afgedekte intacte veldpodzolgrond. De ouderdom van de hierin te verwachten resten is niet te bepalen, zolang de ouderdom van het afdekkende kleipakket onbekend is. Het betreft echter slechts een kleine zone waar de bodem intact is, waarvan nog niet zeker is of deze door de toekomstige bouwwerken bedreigd wordt.

Advies

Voor het grootste deel van het plangebied waar de bodem verstoord is, worden geen restricties gezien ten aanzien van de verdere planontwikkeling. Voor de zuidwesthoek van het plangebied, waar de bodem intact is en archeologische resten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd bodemingrepen te voorkomen of te beperken tot boven het intacte niveau. De archeologie wordt verwacht in het dekzand op 160 cm –mv / 1,87 m +NAP. Maar voor het verhaal van de plek, waarbij het dekzand door rivierafzettingen wordt afgedekt, en de datering daarvan, is ook de komklei van belang. De intacte top daarvan bevindt zich op 120 cm -Mv / 2,27 m +NAP. Indien behoud niet mogelijk is, dan wordt verder onderzoek nodig geacht. Gezien de beperkte omvang van de intacte zone en het feit dat de toekomstige ingrepen nog niet bekend zijn, kan de vorm van dit onderzoek pas goed bepaald worden als er meer inzicht bestaat over de aard en diepte van de ingrepen. Los daarvan wordt geadviseerd bij eventueel vervolgonderzoek aandacht te schenken aan de profielopbouw en mogelijkheden te bieden tot het doen van dateringsonderzoek naar de komklei.

Selectiebesluit

Het selectiebesluit (d.d. 17 januari 2019, zie Bijlage 15) beschrijft dat de gemeente 's-Hertogenbosch niet kan instemmen met het advies om een archeologisch vervolgonderzoek in het plangebied te laten uitvoeren. Op basis van de resultaten wordt de kans op de aanwezigheid van behoudenswaardige vindplaatsen als laag ingeschat. Wel blijft de wettelijke meldingsplicht voor archeologische vondsten van toepassing. De archeologische verwachting voor het plangebied kan worden bijgesteld naar laag. De dubbelbestemming archeologie komt daarmee te vervallen. In zijn algemeenheid is men wel gebonden aan de wettelijk meldingsplicht. Indien men bij de graafwerkzaamheden archeologische vondsten aantreft, is men wettelijk verplicht deze te melden. Men kan hiervoor contact opnemen met de gemeentelijke archeoloog.

5.12.2 Cultuurhistorie

Vanaf 1 januari 2012 dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met cultuurhistorie. Dit is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening en maakt onderdeel uit van de modernisering van de monumentenzorg.

Op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Noord-Brabant wordt geconcludeerd dat zich binnen het plangebied geen cultuurhistorisch waardevolle bebouwing en/of cultuurhistorisch waardevolle elementen bevinden. Ook zijn er geen gemeentelijke monumenten of beeldbepalende panden binnen het plangebied gelegen. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor onderhavige ontwikkeling.

Hoofdstuk 6 Juridisch-bestuurlijke aspecten

6.1 Algemeen

Dit bestemmingsplan bestaat uit een toelichting, regels en een verbeelding. De regels en de verbeelding tezamen bieden het juridische (bindende) kader. Voor de regels en de verbeelding is naast aansluiting bij de SVBP2012 ook aansluiting gezocht bij de gemeentelijke standaard. Dit betekent onder meer dat de opbouw van de regels (zoveel mogelijk) standaard is.

6.2 Toelichting op verbeelding

Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de gronden in het plangebied aangegeven. In dit bestemmingsplan zijn uitsluitend de bestemmingen 'Groen', 'Maatschappelijk', 'Verkeer' en 'Wonen' opgenomen. Daarnaast zijn er enkele maatvoeringsaanduidingen en vier bouwvlakken op de verbeelding opgenomen. De juridische betekenis van de aanduidingen zijn in de regels van het bestemmingsplan terug te vinden. De bestemmingen worden in de volgende paragraaf nader toegelicht.

6.3 Toelichting op de planregels

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels: hierin worden de begrippen toegelicht en de wijze van meten omschreven. Deze aspecten zijn belangrijk voor het toepassen en interpreteren van de regels in de overige hoofdstukken.
  • Bestemmingsregels: hierin zijn de regels verbonden aan de bestemming en aanduiding opgenomen. Deze regels geven per bestemming een doeleindenomschrijving, bouwregels, mogelijke afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden aan. Ook geven de regels onder bestemmingen bevoegdheden aan tot het stellen van nadere eisen en/of de plicht voor een werk, geen bouwwerk zijnde, een omgevingsvergunning aan te vragen.
  • Algemene regels: in dit hoofdstuk staan de anti-dubbeltelregel en de algemene aanduidings- bouw-, gebruiks- en afwijkingsregels;
  • Overgangs en slotregels: in dit hoofdstuk zijn de gebruikelijke regels voor elk bestemmingsplan te vinden, namelijk de overgangsregels voor bouwwerken en gebruik en de citeertitel.

Inleidende regels 
De artikelen in deze paragraaf hebben betrekking op de toepassing van de bestemmingsplanregels. In artikel 1 wordt een omschrijving van de in de regels gehanteerde begrippen gegeven. De bepalingen, welke verplicht gesteld zijn en opgenomen in de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen 2012 (SVBP 2012), zijn overgenomen in de regels. Daarnaast zijn in artikel 1 de begrippen overgenomen die ook worden gehanteerd in de Wet algemeen bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en het Besluit omgevingsrecht (Bor). In artikel 2 is vastgelegd hoe er bij toepassing van de regels wordt gemeten.

Bestemmingsregels 
De regels behorende bij de bestemmingen hebben een uniforme opbouw. Voor zover aanwezig zijn de regels als volgt opgebouwd:

  • bestemmingsomschrijving
  • bouwregels
  • nadere eisen
  • afwijken van de bouwregels
  • specifieke gebruiksregels
  • afwijken van de gebruiksregels

In de bestemmingsomschrijving wordt beschreven waar de als zodanig aangewezen gronden voor zijn bestemd. De bouwregels en de specifieke en algemene gebruiksregels zijn gerelateerd aan de bestemmingsomschrijving.

Het bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

Groen

Om de beoogde groene uitstraling tussen de woonbebouwing planologisch juridisch vast te leggen krijgen de tussengedeelten in het plangebied de bestemming 'Groen'. Binnen deze bestemming is slechts beperkt bebouwing met geringe afmetingen ten behoeve van de bestemming mogelijk. Ook zijn waterhuishoudkundige voorzieningen voor hemelwaterberging binnen deze bestemming mogelijk. Parkeren binnen de bestemming 'Groen' is in beginsel uitgesloten. Omwille van de flexibiliteit kan het college met een afwijkingsbevoegdheid onder voorwaarde medewerking verlenen aan parkeerplaatsen in het groen. De voorwaarden zijn dat de nieuwe parkeerplaatsen goed in het groen moeten worden ingepast en dat de inpassing van deze nieuwe parkeerplaatsen goed met de direct aanwonenden in een omgevingsdialoog is besproken.

Maatschappelijk

Op de plek waar de zorginstelling met 32 wooneenheden voor begeleid wonen is gepland is het bestemmingsplan de bestemming 'Maatschappelijk' neergelegd. Het betreft hier wonen met 24 uurszorg. Het bouwvlak is strak om de beoogde hoofdbebouwing gelegd. Het bouwvlak mag volledig worden bebouwd. De maximale bouwhoogte en het maximaal aantal wooneenheden zijn op de verbeelding aangegeven.

Verkeer

Deze gronden zijn primair bestemd voor voorzieningen van verkeer en verblijf. Het gaat grotendeels om openbare ruimte die niet voor doorgaand verkeer is aangewezen. Deze straten bestaan uit rijbanen voor het lokale gebiedsgebonden verkeer, ten behoeve van de ontsluiting van de direct aangelegen bestemmingen. Binnen deze bestemming zijn alleen ongebouwde parkeervoorzieningen toegestaan.

Wonen

Een bestemmingsplan kan in de bestemming 'Wonen' onderscheid maken tussen verschillende woningtypologieën. Hiermee kan sturing worden gegeven aan de ruimtelijke impact van verschillende woningtypologieën op de omgeving. Deze ruimtelijke impact komt tot uiting in de bouwmassa (hoogte en situering), maar ook in het aantal woningen. De woningdichtheid is van invloed op de parkeerbehoefte en daarmee op de parkeerdruk en de leefbaarheid in de omgeving. Het maximaal aantal toegestane woningen binnen een bouwvlak staat op de verbeelding aangegeven.

Om te voorkomen dat de woningdichtheid in een wijk te groot wordt, maakt het bestemmingsplan onderscheid tussen grondgebonden en gestapelde woningen. In dit bestemmingsplan worden alleen gestapelde woningen toegestaan. Gestapelde woningen zijn geheel of gedeeltelijk boven/onder een andere woning gelegen.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

In dit hoofdstuk wordt de economische uitvoerbaarheid beschreven. Indien het bestemmingsplan voorziet in de uitvoering van werken door de gemeente moet de financieel-economische uitvoerbaarheid hiervan worden aangetoond.

Bij het opstellen van een ruimtelijk plan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub f van het Besluit ruimtelijke ordening onderzoek plaats te vinden naar de economische uitvoerbaarheid van het plan.

Wanneer voor gronden een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan (zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening) is voorgenomen, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening (Wro) een exploitatieplan te worden opgesteld. Deze eis geldt niet indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

De voorgenomen ontwikkelingen vinden plaats op gronden die in eigendom zijn van de gemeente. De betreffende gronden zullen aan Zayaz worden verkocht. In de koopovereenkomst is de toerekening van alle kosten die verbonden zijn aan de voorgenomen ontwikkelingen binnen het plangebied geregeld. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond. Het kostenverhaal zal anderszins verzekerd zijn. Gelet hierop en op het bepaalde in artikel 6.12 lid 2 van de Wet ruimtelijke ordening kan worden afgezien van het vaststellen van een exploitatieplan.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Wooncorporatie Zayaz heeft, in samenwerking met de gemeente, voor het initiatief een omgevingsdialoog gevoerd. Deze laatste avond ging vooral over de inrichting van het gebied dat aansluit op de achterpercelen van de aanwonenden aan de Eerste Hambaken. Tijdens deze bijeenkomst zijn daarom alleen de aanwonenden aan de Eerste Hambaken uitgenodigd.

Tijdens de eerste informatieavond werd een verkenning uitgevoerd. De omgeving kreeg een tweetal nieuwe invullingen van het perceel gepresenteerd. Op basis van de uitkomst van deze eerste avond heeft Zayaz in samenwerking met de gemeente het bouwplan verder uitgewerkt. Het resultaat was dat de oorspronkelijke bouwplan met (van noord naar zuid) 5-5-5-4 bouwlagen werd vervangen in een plan met 4-4-4-6 bouwlagen in een open structuur. Het hoogte accent werd verplaatst naar de hoek Klokkenlaan / Hambakendreef.

Dit bouwplan en een eerste inrichtingsschets werden op respectievelijk de tweede en derde avond aan de omgeving gepresenteerd. De omgeving gaf aan de bebouwing nog veel te fors en te hoog te vinden op deze locatie. Zij stelden voor het woongebouw Klokkenhoek op het perceel te spiegelen. Afgezien van het feit dat het wooncomplex de Klokkenhoek ook een fors gebouw is met drie bouwlagen en bouwaccenten tot 15 meter hoog, veroorzaakt een dergelijke bebouwing een verdere verstening in de wijk. Minder bouwlagen betekent dat Zayaz op deze locatie niet meer kan voldoen aan de prestatieafspraken. Ook zou het project niet meer financieel haalbaar zijn. Gelet op de omgeving is de voorgestelde hoogte stedenbouwkundig voorstelbaar. De gebouwen grenzen niet direct aan de bestaande woonpercelen en komen op een aanvaardbare afstand. Op grond van de inbreng van de omgeving heeft Zayaz wel de situering van de balkons gewijzigd zodat deze niet meer aanwezig zijn richting de woonpercelen aan de Eerst Hambaken.

Verder werd ingebracht dat er al te veel sociale woningbouw in de Hambaken aanwezig zijn en nieuwe sociale woningen de wijk nog meer zou verzwakken. De voorgenomen woningen kunnen echter niet in de dure - en middeldure huur worden aangeboden. Zayaz wil nu met deze sociale huurwoninen doorstroming te creëren. Ouderen die met sociale huur in de wijk de Hambaken in te groot huis wonen krijgen een appartement aangeboden. De grotere woningen die vrij komen, zullen dan in de middel dure verhuur worden aangeboden. Zo komt er meer differentiatie aan woningen in de wijk.

De vrees werd uitgesproken dat de ontsluitingsweg over het perceel van de Klokkenlaan / Hambakendreef als doorgaande weg zou worden gebruikt. Ook zouden de parkeerplaatsen aan achter de woonpercelen overlast kunnen veroorzaken. De weg wordt zo ingericht dat het niet uitnodigt om deze als doorgaande weg te gebruiken. Ook zullen er verkeersafremmende maatregelen als drempels en wegversmallingen in de weg worden aangelegd. Onnodige parkeerplaatsen direct langs woonpercelen zijn geschrapt ten behoeve van meer groen op het perceel.

Daarnaast kwam tijdens deze avond naar voren dat er goed gekeken moest worden naar de aansluiting van het plangebied op de achterpercelen van de woningen aan de Eerste Hambaken. Met de aanwonenden is nu een afscheiding met een laag hek en een lage brede haag afgesproken, waardoor de achterliggende brandgang niet van die zijde te betreden is, maar er wel uitzicht blijft op het gebied achter de gebouwen.

Het Eindverslag van de omgevingsdialoog is bijgevoegd in Bijlage 16. Op grond van het resultaat van de omgevingsdialoog is besloten de gemeentelijke inspraakprocedure over te slaan en direct het ontwerp bestemmingsplan ter inzage te leggen.

7.3 Vooroverleg

Gelet op de omgeving van het plangebied hebben alleen de Provincie en het Waterschap Aa en Maas mogelijke belangen bij de voorgenomen ontwikkelingen. De ontwikkelingen raken geen belangen van overige instanties. Daarom heeft er alleen vooroverleg plaatsgevonden met de Provincie en het Waterschap.

De provincie heeft aangegeven dat de in het voorontwerp betrokken ruimtelijke aspecten haar geen aanleiding geven tot het maken van opmerkingen. Daarmee is het wettelijk vooroverleg volgens haar afgerond.

Het plan is op 27 oktober 2020 in het kader van het vooroverleg ook voor advies voorgelegd aan het waterschap Aa en Maas. Het Waterschap heeft geen opmerkingen op het plan ingediend.

7.4 Ontwerp fase

Het ontwerp bestemmingsplan wordt vanaf 7 december 2020 zes weken terinzage gelegd. Tijdens deze termijn kon iedereen zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan aan de gemeenteraad kenbaar maken. Tijdens de termijn is op het ontwerp bestemmingsplan één zienswijze ingediend, ondertekend door 63 reclamanten. In de, bij het vaststellingsbesluit behorende, 'Nota van Zienswijzen' is deze zienswijze beantwoord. De zienswijze is ongegrond.

Hoofdstuk 8 Conclusie

In dit bestemmingsplan is nadrukkelijk aandacht besteed aan de ruimtelijke, stedenbouwkundige en milieukundige effecten van het initiatief. Er is gemotiveerd aangetoond dat het initiatief zich verhoudt tot de aanwezige functies en waarden in het plangebied en de directe omgeving ervan. Naast het ruimtelijk planologische beleid en de stedenbouwkundige toets zijn alle ruimtelijke en milieukundige deelaspecten onderzocht. Gebleken is dat de voorgenomen ontwikkeling geen belemmering oplevert voor een goede ruimtelijke ordening. Mede door middel van deze bestemmingsplantoelichting is nu een planologische en juridische basis gelegd om het initiatief te kunnen realiseren.