| Plan: | TAM-omgevingsplan Vredeoord (Ovaal) |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0772.009Vredeoord-0301 |
Het voormalige Philipsterrein Vredeoord is al jaren in ontwikkeling. Oude Philips-gebouwen hebben inmiddels plaatsgemaakt voor een nieuwe woonbuurt en ook het oude Philips-hoofdkantoor (VB-gebouw) krijgt een nieuwe invulling. Eén van de laatste delen van het Vredeoord-terrein die nog geen permanente nieuwe invulling heeft gekregen is bouwveld 'Ovaal'. Dat is het perceel op de hoek van de straat Vredeoord en de Groenewoudseweg. Op dit moment heeft woningcorporatie Trudo hier achttien tijdelijke flexwoningen voor spoedzoekers geplaatst.
Eindhoven kampt met een enorm woningtekort en dat vraagt om een verdichting waar dat mogelijk is. Daarnaast heeft Trudo, net als andere woningcorporaties, de grote opgave om nieuwe huurappartementen te bouwen. Daarom heeft Trudo ervoor gekozen om niet de oorspronkelijke ontwikkeling (zoals toegestaan binnen het omgevingsplan) binnen bouwveld 'Ovaal' te bouwen, maar op deze plaats te gaan verdichten door een appartementengebouw met 84 woningen (ten hoogste twaalf bouwlagen) te realiseren.
Het omgevingsplan staat de ontwikkeling niet toe. Binnen het projectgebied zijn namelijk een specifieke woonbestemming, bouwaanduidingen en maatvoering opgenomen ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling die hier eerder voorzien was. Deze zijn niet toereikend voor dit project. Bovendien is het volgens het omgevingsplan niet toegestaan om een aantal woningen te vermeerderen.
Om de ontwikkeling mogelijk te maken is dan ook een wijziging van het omgevingsplan nodig. Bij een wijziging van het omgevingsplan dient gemotiveerd te worden dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de betreffende locaties. Met voorliggende motivering en bijbehorende bijlagen wordt hierin voorzien.
Luchtfoto met het projectgebied (globaal blauw omlijnd) (Bron: https://app.pdok.nl/viewer)
Het plangebied ligt binnen het complex van Vredeoord dat is gelegen in het noordelijk deel van de gemeente Eindhoven in stadsdeel Woensel. Het plangebied wordt in grote lijnen begrensd door de straat Vredeoord ten noordwesten, de grondgebondenwoningen aan de straat Naaldhout ten (noord)oosten en de zogenaamde 'loper' en het appartementengebouw (voormalige kantoorgebouw VS / Vredeoord 105) aan de straat Grenenhout ten zuid(oost)en.
In het bijzonder heeft dit project betrekking op het perceel dat kadastraal bekend staat als gemeente Woensel, sectie H, nummer 2542.
Luchtfoto met kadastrale kaart van het projectgebied (globaal blauw omlijnd) (Bron:
https://app.pdok.nl/viewer)
In hoofdstuk 2 en navolgend hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de huidige en toekomstige situatie. Hoofdstuk 4 beschrijft op welke onderdelen het omgevingsplan wordt gewijzigd. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 aangegeven op welke wijze participatie heeft plaatsgevonden, hoe hiermee rekening is gehouden bij de wijziging van het omgevingsplan en welke andere overlegpartners bij de voorbereiding van de wijziging van het omgevingsplan zijn betrokken. In het daaropvolgende hoofdstuk 6 is de beoogde ontwikkeling getoetst aan relevant beleidskader van het rijk, provincie en de gemeente. Hoofdstuk 7 bevat een toets van het project aan relevante aspecten van de fysieke leefomgeving. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de financiële haalbaarheid van het plan. In hoofdstuk 9 volgt een algemene slotconclusie of sprake is van evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Historisch perspectief
De naam van de buurt verwijst naar het landgoed Vredeoord. Vredeoord kent een lange geschiedenis van transformaties. Het oorspronkelijke heidegebied werd in de negentiende eeuw bebost en voorzien van een landgoed: Landgoed Vredeoord.
Begin twintigste eeuw werd leem uit de bodem gewonnen. Nadat al het leem ontgonnen was, nam Philips zijn intrek in het gebied. Vredeoord werd een besloten kantorenpark, ontoegankelijk voor het publiek, maar wel met een herkenbaar baken: het Philips-hoofdkantoor.
Nadat Philips het voormalige kantorenpark Vredeoord heeft verlaten is het gebied de afgelopen jaren herontwikkeld tot woonbuurt met ruim 450 woningen.
Ligging projectgebied (blauw omcirkeld) binnen Eindhoven (Bron: https://app.pdok.nl/viewer)
Stedenbouwkundige structuur
Het plangebied ligt in het stadsdeel Woensel-Zuid. Ten noorden ligt Landgoed De Grote Beek wat eigendom is van de GGzE. Ten westen ligt de spoorlijn Eindhoven-Boxtel. Ten zuiden en oosten van het voormalige Vredeoord-complex liggen de woongebieden Woensel-West en De Barrier.
De structuur van het stadsdeel Woensel wordt bepaald door de radiale- en tangentstructuur ("rasterstructuur") van Eindhoven. De radialen verdelen Woensel als het ware in 'taartpunten' en worden gevormd door de toegangswegen naar het centrum van Eindhoven. Het plangebied ligt tussen het spoor/de Achtseweg-Zuid en de radiaal Boschdijk, die door de straat Vredeoord met elkaar zijn verbonden.
De spoorlijn naar Den Bosch met het aanliggende groen fungeert als centrale groene as en is in het groenbeleidsplan aangewezen als structureel stadsgroen. Het uitgangspunt hierbij is dat de groene kwaliteit in deze zone verder wordt versterkt en op die manier kan bijdragen aan de identiteit van de gehele groenstructuur langs het spoor die de binnenstad met de Wielewaal verbindt. Vredeoord is een transformatiegebied waarbij wordt ingezet op het behoud van de groene omlijsting. Daarnaast grenst het plangebied aan Landelijk Strijp, één van de drie stadsparken van Eindhoven.
Het unieke karakter van Vredeoord schuilt in de nabijheid van de stad en het buitengebied. Op Vredeoord kun je 'buiten wonen in de stad'. Het stedenbouwkundig plan (zie navolgende afbeelding) voor het hele complex speelt in op deze kwaliteiten: de stedelijke en stenige kwaliteiten zijn vooral te vinden aan de Loper, terwijl de weelderige groene straatjes, de groene voortuinen, de brede beukenhagen en de ruime, bosrijke zone van de Dreef meer voor de landschappelijke kwaliteiten zorgen.
In de periode dat Vredeoord nog uit kantoren bestond, werd het stedelijke al gecombineerd met groene kwaliteiten. Grote kantoortorens stonden vrij in een ruime groene omgeving. De brede dubbele beukenhagen rondom het terrein en de vele grote bomen zijn belangrijke overblijfselen uit die tijd, die ook nu nog voor een groot deel de groene sfeer en de identiteit van de plek bepalen.
De overgangen tussen openbaar en privéterrein versterken het imago van 'Buiten wonen in de stad'. De Loper met haar meer stedelijke karakter heeft een stenige overgang in de vorm van een verharde margestrook. Bewoners kunnen hier persoonlijke spullen plaatsen, wat uitnodigt tot sociale contacten in de buurt. De overgangen tussen voortuin en openbaar gebied in de luwe woonstraatjes bestaan uit beukenhagen en staan op eigen terrein. In combinatie met de voortuinen hebben de woonstraatjes daardoor een groen en tuinstedelijk karakter. De beukenhagen in de voortuinen en de bestaande dubbele beukenhagen rondom de locatie vormen tezamen een sterke identiteit, een leidmotief voor de nieuwe wijk.
Luchtfoto van het volledige complex Vredeoord ten opzichte van de omgeving en kenmerkende structuren inzichtelijk gemaakt: oranje is de 'loper', groen is de 'dreef', het lichtblauwe vlak rechts bovenin is het gebied rondom het voormalige Philips-hoofdkantoor (VB-gebouw) dat momenteel in ontwikkeling is. Het plangebied is blauw omcirkeld en met rode marker aangeduid.
Foto van het tankstation en spoorviaduct ten noordwesten van het projectgebied. Bron:
Google Streetview, augustus 2023, https://www.google.nl/maps)
Foto van Landgoed De Grote Beek (links) en Vredeoord in oostelijke richting. Bron: Google Streetview, augustus 2023, https://www.google.nl/maps)
Foto van woonbuurt Vredeoord ten oosten van het plangebied. Bron: Google Streetview, augustus 2023, https://www.google.nl/maps)
Foto van de Groenewoudseweg in zuidelijke richting. Bron: Google Streetview, augustus 2023, https://www.google.nl/maps)
Het plangebied (besluitgebied) van dit wijzigingsbesluit is bij de herontwikkeling van het gehele complex Vredeoord bouwrijp gemaakt. Om dit moment ligt het terrein braak en staan er achttien tijdelijke flexwoningen voor spoedzoekers. Het gaat om zogenoemde spaceboxes; een lichtgewicht modulaire en verplaatsbare woning van ongeveer 18 m² met een keuken en badkamer. Kenmerkend zijn verder de groene afscheiding met bomen aan de zijde van de weg Vredeoord, de ligging direct aan de 'loper' en toegang tot de parkeerkelder van naastgelegen appartementencomplex.
Luchtfoto van het plangebied (rood omlijnd) vanuit het noordwesten (opnamedatum 24
juni 2023) Bron: Cyclomedia
Foto van het plangebied in huidige staat (opnamedatum 16 augustus 2023) Bron:
Cyclomedia
Project
Dit project voorziet in de bouw van één appartementengebouw met diverse hoogteaccenten tot maximaal twaalf bouwlagen. In het complex zijn 84 sociale huurappartementen voorzien in de grootte tussen ongeveer 50 en 65 m² gebruiksoppervlak. Het gaat om circa 44 tweekamerappartementen van ongeveer 50 m², circa 24 tweekamerappartementen van ongeveer 55 m² en circa 16 driekamerappartementen van ongeveer 65 m².
Het parkeren wordt op maaiveld opgelost aan de zijde van waar ook de toegang tot de naastgelegen parkeerkelder zich bevindt. Het uitgangspunt is om zoveel mogelijk bestaande bomen te behouden. Het direct aansluitende terrein rondom het gebouw wordt groen ingericht, met beplanting, vogelbosjes en te behouden bomen. De openbare ruimte wordt dusdanig ingericht dat deze uitnodigt om te verblijven, te bewegen en te ontmoeten.
3D-sfeerimpressie van de beoogde ontwikkeling. Bron: Tarra Architectuur en Stedenbouw
Indicatieve plattegrond van de beoogde ontwikkeling met aan de noordoostzijde het beoogde parkeerveld op maaiveld. Bron: Tarra Architectuur en Stedenbouw
Inpassing in de omgeving
Voor de ontwikkeling van Vredeoord is een gebiedsvisie en stedenbouwkundig plan vastgesteld. Het gebied is in deelplannen opgedeeld. Voor de invulling van de hoeklocaties is een bijzondere uitwerking in de vorm van hoekstenen voorzien. Voorliggend project is één van deze hoekstenen en voegt zich in de beoogde uitgangspunten en kaders van het beoogde stedenbouwkundig plan. De aanpassing van hoogte en gestapelde woningbouw en het aantal woningen verbijzonderen de hoeksteen en respecteren de groene waarden van de locatie.
De contouren van locatie 'Ovaal' zijn gevormd door een krans van volwassen bomen en struiken. Daarmee liggen de kansrijke landschappelijke waarden aan de randen van de ontwikkellocatie. Het planconcept voor nieuwbouw gaat uit van een binnenstebuiten gekeerd hof dat centraal op de locatie wordt geplaatst. Door het gebouw compact en alzijdig te maken met een kernontsluiting verhoudt het zich optimaal tot het bestaand lommerrijk perceel. Met behoud van de landschappelijke waarden wordt een ontmoeting en dialoog tussen bos- en gebouwrand gemaakt.
De hoofdmassa in de 'groene krans' bestaat uit een getrapt ondervolume, waardoor een betere en geleidelijke verbinding tussen gebouw en landschap wordt gemaakt. De hoogte van het ondervolume sluit aan op de bomen en het naastliggende VS-gebouw. Het hogere gebouwvolume staat centrisch op de kavel. Het markeert de locatie boven de bomen. Extra bouwhoogte tot circa 40 m is voor het accent voorstelbaar, mede gezien de stedenbouwkundige afstand en ruimte, de gewenste verbijzondering van de hoekstenen-opzet, de positionering van de bebouwing aan het park Groenewoudseweg, en omdat volledige programma geen extra druk op het gebied geeft. Het accent kiest daarmee in hoogte een tussenpositie tussen de VS en VB gebouwen, zodat ook geen concurrentie wordt aangegaan met het VB gebouw (60 m).
Door de lichte verdraaiing van het (hoofd)volume uit het (overwegende) orthogonale raster van de wijk wordt de gewenste verbijzondering van de hoeksteen verzelfstandigd. De onderbouw en toren zijn met elkaar verbonden, waardoor een verrassende sculpturale invulling van de hoeksteen in alle windrichtingen overeind blijft.
Ter plaatse van het projectgebied geldt, vanwege de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, het zogenaamde tijdelijke deel van het omgevingsplan van rechtswege. Dit zijn een aantal voormalige besluiten, plannen en regelgeving die door de gemeente in een gebiedsdekkend omgevingsplan moeten worden verwerkt en vastgesteld. Omdat dit gebiedsdekkende omgevingsplan nog niet is vastgesteld door gemeente Eindhoven, geldt het 'tijdelijk deel van het omgevingsplan' bestaande uit:
In deze paragraaf wordt ingegaan op de strijdigheden van het project ten opzichte van het geldende omgevingsplan. Hieronder wordt kort ingegaan op verschillende onderdelen van het omgevingsplan, te weten de voormalige bestemmingsplannen en lokale verordeningen.
Uitwerking bestemmingsplan Vredeoord
In dit uitwerkingsplan is voor het betreffende gebied een ovaalvorming bestemmingsvlak 'Wonen' opgenomen met daar rondom bestemming 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De functie wonen en het bouwen van woongebouwen is alleen binnen de woonbestemming toegestaan, maar dat bestemmingsvlak is niet toereikend. Ook de binnen het bestemmingsvlak opgenomen maatvoeringen (maximale bouwhoogte 11 meter, maximum oppervlakte 95 m² per bouwvlak) zijn niet toereikend voor dit project. Ontsluiting is alleen toegestaan binnen de verkeersbestemming en de aanduiding 'ontsluiting' binnen de groenbestemming, maar ook dit is niet toereikend voor het project. Ten slotte biedt het totale uitwerkingsplan ruimte voor maximaal 300 woningen, waarvan er ongeveer 250 reeds gebouwd zijn. Het aantal woningen dit met dit project voorzien is, past dus niet meer binnen het maximale aantal op te richten woningen.
Er zijn geen binnenplanse mogelijkheden om het beoogde gebouw mogelijk te maken. Het is dan ook nodig om het omgevingsplan dusdanig te wijzen dat de woongebouwen op deze locatie mogelijk zijn.
Binnen de woonbestemming is een voorwaardelijke verplichting (geluidzone - spoor) opgenomen waarmee is geregeld dat de woonbestemming niet conform deze bestemming mag worden gebruikt als geen geluidsscherm langs het spoor is gebouwd. Het is vermeldenswaardig dat dit scherm reeds is gebouwd.
Uitsnede digitale verbeelding 'Uitwerking bestemmingsplan Vredeoord' met plangebied
rood omlijnd (Bron: Omgevingsloket - Regels op de kaart)
Uitsnede digitale verbeelding bestemmingsplan 'Vredeoord' met plangebied rood
omlijnd (Bron: Omgevingsloket - Regels op de kaart)
Paraplubestemmingsplan waterberging
Dit deel van het omgevingsplan bevat een voorwaardelijke verplichting voor hemelwaterberging.. De voorwaardelijke verplichting schrijft voor dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen moet worden voorzien in een waterberging of andere maatregelen die bijdragen aan de klimaatbestendigheid, conform het geldende beleid van gemeente Eindhoven. Dit is dan ook een voorwaarde voor dit project en in paragraaf 7.11 Water wordt hier nader op ingegaan.
Paraplubestemmingsplan parkeren, kamerbewoning en woningsplitsing 2021
Dit deel van het omgevingsplan herziet onderliggende bestemmingsplannen voor zover het bestemmingen betreft die de functie wonen en/of woondoeleinden en/of woningen, woongebouwen (dan wel andere benamingen die zien op de functie wonen in de betreffende bestemmingsomschrijving) mogelijk maken. Zo ook het uitwerkingsplan 'Uitwerking bestemmingsplan Vredeoord'. Het paraplubestemmingsplan staat het toevoegen van woningen door woningsplitsing niet toe. Bij dit project is echter geen sprake van splitsing, maar van nieuwbouw waarbij woningen worden toegevoegd.
Daarnaast bevat het paraplubestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting voor parkeren bij wijziging van de gebruiksfunctie. Kort gezegd mag een wijziging van de gebruiksfunctie alleen worden doorgevoerd als wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid. Dit is dan ook een voorwaarde voor dit project en in paragraaf 7.8 Verkeer en parkeren wordt hier nader op ingegaan.
Paraplubestemmingsplan archeologie 2023
Dit deel van het omgevingsplan stelt regels met betrekking tot de bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Voor het projectgebied geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 6' met daaraan gekoppeld een beschermingsregime. In paragraaf 7.12 wordt ingegaan op archeologie. Op deze plaats volstaat de vermelding dat archeologisch onderzoek is uitgevoerd om mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden vast te stellen.
Lokale verordeningen
Gemeente Eindhoven beschikt niet over een geurverordening of hemelwaterverordening, maar wel over de Erfgoedverordening gemeente Eindhoven. De bepalingen uit deze verordening die over archeologie gaan (archeologische monumenten en vangnetbepaling archeologie), maken deel uit van het omgevingsplan. Binnen het projectgebied is geen sprake van een archeologisch monument. De vangnetbepaling is alleen van toepassing in gevallen dat een voormalig bestemmingsplan niet in een passende regeling voor archeologie voorziet. Met het Paraplubestemmingsplan archeologie 2023 is hier voor dit projectgebied echter al in voorzien, waardoor de vangnetbepaling in dit geval niet relevant is. Er is dan ook geen strijdigheid met lokale verordeningen.
Bruidsschat
De zogenaamde bruidsschat bevat rijksregels over activiteiten, waaronder bepalingen over vergunningvrij bouwen. De bruidsschat wordt te zijner tijd (samen met de regels uit de bestemmingsplannen en lokale verordeningen) in het gebiedsdekkende omgevingsplan verwerkt. Er is geen strijdigheid met de regels uit de bruidsschat en dus is geen wijziging van dit deel van het omgevingsplan nodig.
Sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet heeft gemeente Eindhoven een omgevingsplan van rechtswege. Aangezien de ontwikkeling niet past in dit omgevingsplan moet het omgevingsplan worden gewijzigd. Dit gebeurt door middel van een wijzigingsbesluit.
Een wijzigingsbesluit omgevingsplan bestaat uit
Daarnaast kan het wijzigingsbesluit bevatten:
In dit geval bestaat het wijzigingsbesluit uit regels en een motivering. Voorliggend document betreft de motivering, waarin is onderbouwd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van de beoogde functies aan de projectlocatie.
Vanwege huidige beperkingen met de digitale ontsluiting van wijzigingen van het Omgevingsplan in het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) heeft de wetgever het mogelijk gemaakt om een Tijdelijke Alternatieve Maatregel (TAM) toe te passen. Op die manier kunnen wijzigingsbesluiten van omgevingsplannen toch gepubliceerd worden. TAM-IMRO-besluiten maken juridisch gezien deel uit van het ('nieuwe') omgevingsplan, maar worden technisch gezien via het 'oude' formaat (IMRO) opgebouwd. Voorliggende motivering maakt deel uit van het TAM-IMRO wijziging omgevingsplan.
Voor dit project is een participatieplan opgesteld aan de hand waarvan omwonenden en relevante belangenorganisatie zijn betrokken. Dit plan is opgesteld met behulp van de Quickscan participatie van gemeente Eindhoven. In het participatieplan zijn de diverse stakeholders gedefinieerd. Vervolgens is de wijze van participatie voor de diverse stakeholders bepaald. In het participatieplan is onderscheid gemaakt in twee groepen belanghebbenden, te weten belangenorganisaties en omwonenden. Beiden worden op twee momenten in het proces betrokken. Hierna wordt op beide groepen ingegaan. Daarnaast wordt ingegaan op de gebruikelijke overlegpartners in de ruimtelijke procedure.
Bij dit project zijn de gebruikelijke gemeentelijke overlegpartners betrokken: Henri van Abbestichting, Stichting Wederopbouw Eindhoven en Trefpunt Groen Eindhoven.
De reacties van de Supervisors en Van Abbestichting en Stichting Bescherming Wederopbouwerfgoed Eindhoven zijn overwegend positief. Dat geldt ook voor Trefpunt Groen Eindhoven (TGE). Allen wijzen op het belang van het behoud van bomen op en rondom het terrein en adviseren een bomeneffectanalyse uit te voeren. Hier is gehoor aan gegeven en de resultaten zijn meegenomen bij de positionering van het gebouw en de parkeerplaatsen.
Stichting Bescherming Wederopbouw Eindhoven adviseert om aan te sluiten op de Loper en daarmee de rest van complex Vredeoord en de bestaande bomen als contramal te gebruiken. De bestaande bomen zullen inderdaad zo veel mogelijk behouden blijven. Hiervoor is een BEA uitgevoerd. De gebouwtoegang is aan de zijde van de Loper geplaatst. Ook zijn hier hagen uit het ontwerp weggenomen om de barrière naar de Loper weg te nemen.
TGE adviseert daarnaast om bij nieuwe aanplant inheemse soorten te gebruiken. De stammen van bomen die in slechte staat verkeren en gekapt worden, zouden kunnen worden hergebruikt. Initiatiefnemer neemt dit advies over en zal gekapte bomen als liggend dood hout in de groenzone binnen het plangebied plaatsen, zodat deze als verblijfplaats of voedingsbron kunnen dienen voor diverse planten, dieren, paddenstoelen en bacteriën.
TGE adviseert verder dat als er groene daken worden aangelegd, aangemoedigd wordt om te kiezen voor kruidendaken of een andere vorm van intensieve groen daken in plaats van een eenvoudige sedumdak. Het plan zal voorzien in ongeveer 570 m² natuurdak bestaande uit sedum, grassen en kruiden.
Vanuit enkele overlegpartners is gevraagd om de orthogonale structuur van plan Vredeoord hier voort te zetten. Daar is echter niet voor gekozen. Op de gekozen wijze kan namelijk een goed programma worden gerealiseerd, rekening houdend met onder andere omgevingsaspecten als geluid en externe veiligheid (vanwege nabijgelegen tankstation en spoorweg), en waarbij tevens zoveel mogelijk groen en bestaande bomen behouden kunnen blijven.
Omwonenden worden op meerdere momenten in het proces meegenomen, waaronder twee informatieavonden. Eén informatieavond heeft in het kader van de procedure voor de wijziging van het omgevingsplan plaatsgevonden op 24 september 2024. Een gespreksverslag hiervan is opgenomen als Bijlage 1 bij deze motivering. De andere informatieavond vindt plaats in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning / voorafgaand aan de start van de bouwfase.
De informatieavond in september 2024 begon met een presentatie waarin de aanwezigen werden bijgepraat over het proces tot nu toe en de beoogde plannen. Na de presentatie was er gelegenheid om één-op-één in gesprek te gaan. De reacties waar over het algemeen positief. Wel werden er waren er kritische vragen en zorgen over parkeren en de hoogte van het gebouw. Ook de onderwerpen privacy en schaduw/zon kwamen aan bod. In voorliggende motivering wordt in hoofdstuk 7 ten aanzien van deze onderwerpen gemotiveerd hoe hiermee wordt omgegaan en dat aan de ter zake geldende wet- en regelgeving wordt voldaan.
Naast de relevante belangenorganisaties en omwonenden worden in het kader van deze wijziging van het omgevingsplan nog enkele reguliere overlegpartners gevraagd om mee te denken over het plan. Het gaat in dit geval om waterschap De Dommel en Brandweer Brabant-Zuidoost (Veiligheidsregio). Er is geen vooroverleg gepleegd met provincie Noord-Brabant, aangezien advies van GS alleen nodig is als instructieregels van toepassing zijn die voorkomen in de door GS vastgestelde lijst. Daarvan is in dit geval geen sprake.
In deze paragraaf wordt het beleid dat relevant is voor de activiteit toegelicht getoetst. Er wordt onderscheid gemaakt tussen het beleid van Rijk, provincie en gemeente.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.
In de NOVI zijn deze maatschappelijke opgaven samengevat in vier prioriteiten:
Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven:
Toets
De vier ambities uit de NOVI zijn verder uitgewerkt in 26 beleidskeuzes, die in de toelichting van de NOVI zijn vertaald naar 21 Nationale belangen. Gezien de aard van dit project zijn vooral de volgende nationale belangen relevant:
(1) Bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
(2) Realiseren van een goede omgevingskwaliteit;
(5) Zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woningbehoeften;
Ten aanzien van nationaal belang 1 en 5 is de onderbouwing terug te vinden in paragraaf 7.1 (Ladder voor duurzame verstedelijking). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Op deze plek volstaat de conclusie dat sprake is van een duurzame ontwikkeling. Er is immers sprake van benutting van een bestaand tijdelijk bebouwd bouwperceel binnen bestaand stedelijk gebied. Er worden 84 appartementen gerealiseerd. Het gaat om kleine sociale huurwoningen die bedoeld zijn voor een doelgroep (1 tot 2-persoonhuishoudens) met een concrete actuele behoefte.
Ten aanzien van nationaal belang 1 en 2 kan worden opgemerkt dat in Hoofdstuk 7 aan de hand van de relevante aspecten in de fysieke leefomgeving is gemotiveerd dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van de beoogde functies aan de betreffende locatie. Op deze plek volstaat de conclusie dat met het project sprake is van een goede omgevingskwaliteit.
Overige nationale belangen zijn minder van relevant voor dit project, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben.
Conclusie
Het project past binnen de beleidskaders van de Nationale Omgevingsvisie.
Luchthavenbesluit
In 2009 is de Wet luchtvaart gewijzigd. Naar aanleiding hiervan is een nieuw luchthavenbesluit voor Eindhoven vastgesteld. Dit is op 26 september 2014 vastgesteld en met ingang van 1 november 2014 in werking getreden. In het luchthavenbesluit is het luchthavengebied, de gebruiksmogelijkheden en het beperkingengebied vastgelegd. Het beperkingengebied bestaat uit:
Op onderstaande afbeelding zijn het luchthavengebied en beperkingengebied weergegeven.
Kaart met beperkingengebied (obstakelbeheergebieden), luchthaventerrein (militair luchtvaartterrein) en de geluidszone vanwege luchtverkeer (Ke) en luchtvaartterrein (db(A), met het projectgebied blauw omcirkeld.
Obstakelbeheergebieden
Met de obstakelbeheergebieden wordt geregeld tot welke hoogte gebouwen en bouwwerken gebouwd mogen worden. Dit is om gevaar voor het vliegverkeer op en rondom de luchthaven te voorkomen. De toegestane hoogten worden bepaald door de vliegfunnel, de IHCS en de ILS:
Het vogelbeheersgebied
Binnen het vogelbeheersgebied gelden regels voor een functie of gebruik dat vogels aantrekt. In beginsel is een grondgebruik of functie binnen de volgende categorieën niet toegestaan:
Bakens luchthaven Eindhoven en radarverstoringsgebied vliegbasis Volkel
Bij het bepalen van de maximaal toegestane bouwhoogte in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met een baken van luchthaven Eindhoven en het radarverstoringsgebied van vliegbasis Volkel en het radarverstoringsgebied Herwijnen.
Baken luchthaven Eindhoven
Op en nabij de luchthaven Eindhoven is een baken aanwezig om de richting van het vliegverkeer (zowel horizontaal als verticaal) te kunnen volgen. Het gaat om een VDF baken: Vertical Directional Finder. Dit is een hulpmiddel voor de luchtverkeersleiding om de richting te kunnen bepalen van het vliegtuig waarmee op dat moment wordt gecommuniceerd.
Radarverstoringsgebied Volkel
Om het ongestoord functioneren van radar- en communicatieapparatuur op de vliegbasis Volkel te waarborgen ligt er rond deze vliegbasis een cirkel met een straal van 15 nautische mijl (=27,8 km), gemeten vanaf de positie van de radar. Binnen dit radarverstoringsgebied moet voor ieder obstakel hoger dan 65 meter worden berekend of er verstoring van de radar optreedt.
Radarverstoringsgebied voor windturbines Herwijnen
Ten slotte blijkt dat het plangebied is gelegen binnen het radarverstoringsgebied voor windturbines van militair radarstation Herwijnen. Volgens het Bkl geldt een maximumbouwhoogte van 90 meter ten opzichte van NAP voor het bouwen van windturbines.
Toets
Het projectgebied is gelegen buiten de vliegfunnel en de geluidszone van zowel het luchtverkeer als het geluidgezoneerde luchtvaartterrein. Wel ligt het projectgebied binnen het vogelbeheersgebied en het obstakelbeheergebied vanwege de IHCS. Zodoende gelden er beperkingen voor hoogbouw. De woongebouwen die met dit plan zijn voorzien worden maximaal 40 meter hoog. Beperkingen vanwege de IHCS zijn dus niet van toepassing op dit project. Daarnaast worden geen activiteiten mogelijk gemaakt die vogels aantrekken. Het project is dan ook niet in strijd met de instructieregels uit het Luchthavenbesluit Eindhoven.
Vanwege het VDF-baken van Luchthaven Eindhoven geldt ter plaatse van het projectgebied een hoogtebelemmering voor hoogbouw (maximaal 110 meter). Ook gelden er instructieregels van het Rijk voor wat betreft de bouwhoogte binnen radarverstoringsgebieden en radarverstoringsgebieden voor windturbines. In dit geval worden echter geen bouwwerken van een dergelijke hoogte mogelijk gemaakt, waardoor het baken en de radarverstoringsgebieden geen consequenties hebben voor dit project of andersom.
Conclusie
Gezien de functies en maximaal toegestane bouwhoogte die met dit project worden mogelijk gemaakt, zijn er vanuit het Bkl en Luchthavenbesluit Eindhoven geen consequenties voor dit project.
DDe Brabantse Omgevingsvisie bevat de belangrijkste ambities voor de fysieke leefomgeving voor de komende jaren. Op 14 december 2018 is de omgevingsvisie vastgesteld.
In de Omgevingswet staan waarden als veiligheid, gezondheid en duurzame omgevingskwaliteit centraal. De Brabantse Omgevingsvisie voegt daar ambities aan toe voor vier hoofdopgaven: de energietransitie, een klimaatproof Brabant, Brabant als slimme netwerkstad en een concurrerende, duurzame economie. Voor ieder van deze opgaven geeft de omgevingsvisie aan wat de ambities op lange termijn zijn: wat is er nodig om Brabant in 2050 een gezonde, veilige en prettige leefomgeving te laten zijn? Maar ook een concreet tussendoel: waar moeten we in 2030 op zijn minst staan om dat langetermijndoel te halen? De omgevingsvisie geeft ook aan op welke nieuwe manieren de provincie met betrokkenen wil samenwerken aan omgevingsvraagstukken en welke waarden daarbij centraal staan.
Artikel 2.6 van de Omgevingswet bepaalt dat Provinciale Staten één omgevingsverordening vaststellen waarin de provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen.
De provincie heeft als eerste stap een Interim omgevingsverordening vastgesteld waarin de bestaande regels zijn samengevoegd. Inmiddels is de definitieve omgevingsverordening vastgesteld. In de omgevingsverordening worden, in tegenstelling tot de interim verordening, ook beleidswijzigingen verwerkt. De huidige regels in de Interim omgevingsverordening zijn gehanteerd als uitgangspunt. De belangrijkste wijzigingen zijn:
In de omgevingsverordening staan regels voor:
Rechtstreeks werkende regels voor burgers en bedrijven
Het gaat hier om regels die naast een eventuele vergunningplicht gelden. Er zijn in de Omgevingsverordening voor de volgende thema's rechtstreekse regels opgenomen: grondwaterbescherming, grondwateronttrekking, bodemsanering, stortplaatsen, ontgrondingen, varend ontgassen, stiltegebied, wegen, natuur en landbouw. De meeste van deze regels waren eerst opgenomen in de Provinciale milieuverordening, de Verordening wegen, de Verordening ontgrondingen en de Verordening natuurbescherming.
Binnen het plangebied zijn voor de volgende werkingsgebieden rechtstreekse regels van toepassing:
Diep grondwaterlichaam
Dit werkingsgebied bevat rechtstreekse regels ten aanzien van milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen. Conform de Omgevingsverordening van de provincie is de onconventionele winning van koolwaterstoffen verboden boven, in of onder een diep grondwaterlichaam. Dit project maakt geen onconventionele winning van koolwaterstoffen mogelijk.
Geen attentiezone waterhuishouding
Dit werkingsgebied bevat rechtstreekse regels ten aanzien van milieubeschermingsgebieden, natuur en wegen. In de Omgevingsverordening van de provincie is geregeld dat onder bepaalde voorwaarden geen vergunning tot het onttrekken van grondwater ten behoeve van een bodemenergiesysteem, bedoeld in artikel 6.4, eerste lid, onder b, Waterwet, is vereist binnen de zone 'Geen Attentiezone waterhuishouding'. De regels dienen dan ook in acht te worden genomen bij het toepassen van bodemenergiesystemen.
Instructieregels
Dit zijn de regels die tot voor kort waren opgenomen in de Verordening ruimte Noord-Brabant. Voor het onderhavige plangebied gaat het om de volgende thema's:
Toets
Stedelijk gebied
Artikel 5.31 (Externe werking Natuur Netwerk Brabant) bepaalt dat een nieuwe ontwikkeling die binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en die aantasting van de ecologische waarden en kenmerken in het Natuur Netwerk Brabant geeft, de negatieve effecten waar mogelijk moet beperken en de overblijvende, negatieve effecten moet compenseren. Deze bepaling is niet van toepassing op aantasting door de verspreiding van stoffen in lucht of water. In paragraaf 7.10 is gemotiveerd dat dit project gelet op de aard en omvang in verhouding tot de ligging ten opzichte van Natuur Netwerk Brabant geen negatieve effecten tot gevolg zal hebben. Compensatie is dan ook niet aan de orde.
Artikel 5.55 (Duurzame stedelijke ontwikkeling) bepaalt dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals wonen, werken of voorzieningen in beginsel binnen 'Stedelijk gebied' plaatsvindt en dat daarbij gemotiveerd moet worden dat de ontwikkeling past binnen regionale afspraken en dat sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. In paragraaf 6.3.2 van deze motivering is gemotiveerd dat er in regionaal verband voldoende ruimte is voor het toevoegen van 84 woningen. In paragraaf 7.1 is geconcludeerd dat met deze ontwikkeling sprake is van een duurzame stedelijke ontwikkeling. Er is immers sprake van:
De overige regels binnen dit werkingsgebied (Toedeling beheer vaarwegen, Veehouderij in stedelijk gebied, Windturbine in stedelijk gebied, Ruimte-voor-Ruimtekavel) zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project.
Beperkingen grootschalige logistiek
Artikel 5.56a (Grootschalige logistiek) stelt beperkingen aan de ontwikkeling van grootschalige logistiek. Deze regels zijn niet aan de orde omdat hiervan geen sprake is bij dit project.
Stalderingsgebied
Binnen het Stalderingsgebied (Artikel 5.66 Aanvullende regels stalderen) gelden regels over de toename van de oppervlakte aan dierenverblijf voor hokdieren op agrarische bedrijven. Dit project heeft geen betrekking op een bestaand of nieuw agrarisch bedrijf. De regels voor stalderingsgebieden zijn in dit geval dan ook niet relevant.
Basisprincipes voor een evenwichtige toedeling van functies
In paragraaf 5.1.2 van de provinciale Omgevingsverordening is bepaald dat bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties invulling moet worden gegeven aan een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit. Daarbij moet rekening worden gehouden met een zorgvuldig ruimtegebruik, de waarden in een gebied met toepassing van de lagenbenadering, en meerwaardecreatie.
Van zorgvuldig ruimtegebruik is in dit geval duidelijk sprake. Er is immers sprake van een verantwoorde verdichting binnen bestaand stedelijk gebied op een bestaand bouwperceel dat nog niet permanent is ingevuld. Daarbij worden 84 appartementen gerealiseerd in de sociale huursector. Daarbij worden woningen toegevoegd door op een verantwoorde wijze de hoogte in te bouwen, zonder onevenredig afbreuk te doen aan de omgeving.
Bij de lagenbenadering komen de volgende lagen en thema's aan de orde:
Al deze aspecten komen terug in deze motivering. In het kort kan voor al deze aspecten geconcludeerd worden dat het project voorziet in een duurzame ontwikkeling, waarbij voldoende rekening is gehouden met de verschillende thema's binnen de lagen (zie Hoofdstuk 7 Fysieke leefomgeving en milieu).
Meerwaardecreatie omvat een evenwichtige benadering van de economische, ecologische en sociale aspecten die in een gebied en bij een ontwikkeling zijn betrokken. Daaronder wordt in ieder geval verstaan de mogelijkheid om opgaven en ontwikkelingen te combineren. Ook de bijdrage van een ontwikkeling aan andere opgaven en belangen dan die rechtstreeks met de ontwikkeling gemoeid zijn wordt als meerwaarde gezien. Ten slotte kan ook de fysieke verbetering van de landschappelijke kwaliteit (Kwaliteitsverbetering landschap) in het buitengebied deel uitmaken van de meerwaardecreatie.
In dit geval zit de meerwaarde met name in het feit dat woningen nodig zijn en hier op een verantwoorde wijze verdichting plaatsvindt. Een groot deel van de nieuwe woningen zijn met name bedoeld voor 1- en 2-persoonshuishoudens. Dit type woning sluit aan bij een actuele behoefte die in heel Nederland te zien is. Door in dit type woningen te voorzien draagt het project dan ook bij een gevarieerder woonmilieu in de buurt en de mogelijkheid om de gehele wooncarrière binnen dezelfde buurt af te leggen. Rondom de woongebouwen blijft het bestaande groen zo veel mogelijk behouden. Dit is belangrijk voor de identiteit van het voormalige kantorenpark en de huidige woonbuurt Vredeoord. Bovendien zijn klimaatbestendige keuzes gemaakt (hemelwaterberging onder halfverharde parkeervakken). Ook dit levert een bijdrage aan de leefbaarheid en is een meerwaarde van dit project.
Overige instructieregels
Overige instructieregels zijn voor dit plan niet relevant.
Conclusie
Gelet op het voorgaande past de ontwikkeling binnen de regels van de Omgevingsverordening Noord-Brabant.
Eindhoven staat voor grote ambities en opgaven. De regio trekt mensen uit binnen- en buitenland die hier graag komen wonen en werken. Tussen 2022 en 2040 komen er in Eindhoven 40.000 woningen en 36.000 arbeidsplaatsen bij. Een stad die groeit, heeft ruimte nodig voor woningen, voorzieningen, groen, verkeer, klimaatmaatregelen en de energietransitie. De ruimte in Eindhoven is beperkt. Daarom moeten we goede keuzes maken en slim met de ruimte omgaan.
Samen met de stad heeft de gemeente Eindhoven de omgevingsvisie Eindhoven opgesteld. De omgevingsvisie Eindhoven helpt te bepalen hoe we de ambities en opgaven een plaats kunnen geven binnen Eindhoven. Het is een integrale visie die de hoofdrichting van de ruimtelijke ontwikkeling van Eindhoven voor de lange termijn bepaalt en die doorwerking krijgt in diverse omgevingsprogramma's en het omgevingsplan. De omgevingsvisie richt zich op het jaar 2040.
De omgevingsvisie beschrijft in de ambitie wat we bereikt willen hebben voor 2040. Daarnaast beschrijft de omgevingsvisie in de opgaven aan welke opgaven we moeten werken om de ambitie te bereiken. Als laatste beschrijft de omgevingsvisie door middel van verstedelijkingsprincipes hoe we de ambitie gaan bereiken.
Op 26 november 2024 is de omgevingsvisie Eindhoven vastgesteld door de gemeenteraad.
Ambitie
In 2040 is Eindhoven, binnen haar stadsgrenzen, gegroeid naar een compacte, gezonde, groene stad met een wereldse uitstraling. Het is plezierig om er te wonen, met veel groen, goede voorzieningen en prettige wijken. De stad is slim ingedeeld, met verdichting rondom (H)OV-knooppunten en omgeven door parken en groene ruimtes voor ontmoeting, beweging en ontspanning. Ondanks de verdichting voelt de stad aangenaam en natuurlijk aan. Eindhoven heeft zich ontwikkeld naar een slimme, gezonde duurzame stad voor iedereen. Stevig verbonden met de Brainportregio en de verdere omgeving.
Dit vertaalt zich in de volgende integrale ambitie.
Eindhoven is de stad waar de toekomst gemaakt wordt, met een goede balans tussen onze unieke economie, ecologie en welzijn.
De integrale ambitie is opgedeeld in vier deelambities, die niet los van elkaar kunnen worden gezien. De vier deelambities zijn in evenwicht en vullen elkaar aan en vormen samen de integrale ambitie. Ze zijn:
Hoe werken we aan de ambitie?
Eindhoven is in trek om in te wonen en te werken. Het is een prettige, compacte, groene, leefbare en innovatieve stad die steeds in verandering is. De Brainporteconomie zorgt voor een prettig werkklimaat, met een goede samenwerking tussen bedrijven, onderwijs en overheid. Bedrijven willen zich hier graag vestigen, huidige bewoners willen hier blijven wonen en nieuwe inwoners willen hier graag komen wonen.
Door de groei van de stad is er meer behoefte aan woningen, ruimte om je door de stad te verplaatsen, groen, water, voorzieningen, energie en ruimte om te werken. Maar de ruimte in de stad is schaars. Dit zorgt ervoor dat we slim om moeten gaan met de ruimte die we hebben. Het combineren van verschillende functies in één gebied, zoals wonen, werken, groen en voorzieningen heeft veel voordelen. We behalen ruimtewinst en verbeteren de kwaliteit en levendigheid van die gebieden.
Dit vraagt om randvoorwaarden voor de verstedelijking. Deze randvoorwaarden zijn uitgewerkt in zes verstedelijkingsprincipes. De verstedelijkingsprincipes zijn integraal en geven inzicht in de wijze waarop de verschillende stedelijke opgaven in samenhang tot elkaar opgepakt worden. Ze zijn noodzakelijk om de ruimtelijke ambities van Eindhoven waar te maken.
De verstedelijkingsprincipes zijn:
Welke opgave hebben we om de ambitie te bereiken?
De kenmerken van de bestaande stad, de ambitie van Eindhoven en trends en ontwikkelingen leiden samen tot een aantal stedelijke opgaven. Deze opgaven ontstaan uit het verschil tussen de stad van nu en de stad die we in 2040 willen zijn. De opgaven zijn stadsbreed, langjarig en dragen bij aan het realiseren van de ambitie. Ze geven richting aan de ontwikkeling van onze stad. De stedelijke opgaven zijn allemaal even belangrijk en moeten in samenhang met elkaar worden opgepakt.
De stedelijke opgaven zijn:
Samen met de stad werken wij aan de stedelijke opgaven. We zoeken de samenwerking op met onze ketenpartners (bijvoorbeeld Waterschap, ODZOB, Veiligheidsregio en GGD), bedrijfsleven, overheden (rijk, provincie, SGE en MRE), inwoners, ondernemers, onderwijsinstellingen, welzijnsorganisaties, woningcorporaties, ontwikkelaars en belangenorganisaties.
Toets
Dit project draagt voornamelijk bij aan de opgaven 'Eindhoven bouwt door aan een vitale stad', 'Eindhoven vergroent en wordt gezonder', 'Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid' en 'Eindhoven wordt klimaatneutraal'.
Eindhoven bouwt door aan een vitale stad / Eindhoven vergroent en wordt gezonder
Gezonde groei begint met een belangrijke keuze op het gebied van verstedelijking: de groei zal hoofdzakelijk landen in het centrum binnen de Ring en daarnaast ook nabij voorzieningen als HOV en winkelcentra. Met de keuze voor een compacte stad behouden we het groenstedelijk karakter in de wijken. In dit geval vindt verdichting plaats (er worden meer woningen gebouwd dan het omgevingsplan nu toestaat) op een transformatielocatie (voormalig Philipsterrein) vlakbij OV-knooppunt station Strijp S. Bij dit project worden zo veel mogelijk bomen en bestaand groen behouden en de woningen komen op korte afstand van openbaar groen om in te recreëren en te ontmoeten (Philips de Jonghpark).
Eindhoven werkt aan duurzame mobiliteit en bereikbaarheid
Met dit project vindt verdichting plaats op een locatie vlakbij OV-knooppunt Strijp-S. De Boschdijk, op ongeveer 500 meter ten oosten van het projectgebied, maakt deel uit van zowel het fietsroutenetwerk (stadsroute), het ov-netwerk (buslijn 8 met tweemaal per uur een bus richting Acht en Eindhoven centraal station) en het autonetwerk (radiaal buiten de ring). De Achtseweg Zuid ten zuidwesten van het projectgebied is eveneens deel van het fietsnetwerk (stadsroute) en ov-netwerk (buslijn 10 met tweemaal per uur een bus richting Eindhoven centraal station en Oirschot Kazerne via bedrijventerrein GDC). Dit maakt het projectgebied goed bereikbaar via diverse modaliteiten. Bovendien zijn supermarkten, gezondheidsvoorzieningen, basisonderwijsvoorzieningen en horeca binnen 1,5 kilometer van het projectgebied bereikbaar.
Eindhoven wordt klimaatneutraal
De woningen worden opgericht volgende de hedendaagse duurzaamheidseisen. Dat betekent in ieder geval het beperken van de energiebehoefte door goed te isoleren en beperken van het fossiele energieverbruik door gasloos te bouwen.
Conclusie
Gelet op het voorgaande wordt met dit project invulling gegeven aan de ambities die zijn geformuleerd in de Omgevingsvisie.
Het initiatief maakt 84 nieuwe woningen mogelijk (sociale huurappartementen). Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft de gemeente Eindhoven. Samen met de acht omringende gemeenten (Best, Geldrop-Mierlo, Helmond, Nuenen, Oirschot, Son en Breugel, Veldhoven en Waalre) vormt Eindhoven het Stedelijk Gebied Eindhoven. In dit verband werken de gemeenten samen aan regionale opgaven op het gebied van wonen. Het SGE is een subregio van de Metropoolregio Eindhoven, die in totaal 21 gemeenten omvat.
Afsprakenkader Wonen SGE 2022
Het afsprakenkader geeft aan hoe de negen SGE gemeenten omgaan met de afstemming van woningbouwplannen. Het biedt kwantitatieve en kwalitatieve kaders voor de komende jaren. Onze gezamenlijke opgave is om veel en snel nieuwe woningen te bouwen en deze groei in goede banen te leiden vanuit een scherp kwaliteitsbesef. We maken dus in het Stedelijk Gebied Eindhoven een schaalsprong in de woningbouwopgave. Met dit afsprakenkader waarborgen we daarbij de kwaliteit, betaalbaarheid, innovatie, diversiteit en duurzaamheid. En behouden we onze specifieke woon- en leefkwaliteit in deze regio, de unieke schakering van woonmilieus variërend van hoogstedelijk tot landelijk, tussen prachtige natuurlijke en recreatieve groen-blauwe landschappen oftewel onze 'City of Villages'
We richten ons bij de woningbouwopgave op inbreiding en transformatie. Dit is in lijn met het Meerjarenprogramma Infrastructuur, Ruimte en Transport (MIRT). Uit de inventarisatie van plancapaciteit en woningbehoefte blijkt dat er, op de eerder afgesproken negen majeure locaties en de twee recent aangewezen locaties De Kemmer (Oirschot) en Castiliëlaan (Eindhoven) na, geen noodzaak is voor en geen behoefte is aan nieuwe grootschalige uitbreidingslocaties.
Voor nieuwe uitbreidingslocaties geldt daarom nog steeds het uitgangspunt: 'Nee, tenzij…'.
Uitbreiden kan alleen onder de volgende voorwaarden:
Daarnaast:
Woondeal 2023
Op 9 maart 2023 is de Woondeal Zuidoost- Brabant getekend. Rijk, Provincie, MRE gemeenten en woningcorporaties starten hiermee een langjarige samenwerking om de woningbouwproductie in onze regio te vergroten. De regio Zuidoost-Brabant staat voor de opgave om minimaal 45.000 woningen toe te voegen in de periode 2022 t/m 2030. Een gigantische opgave waar Rijk, Provincie Noord-Brabant, regiogemeenten en corporaties zich gezamenlijk voor gaan inzetten. In de Woondeal maken we afspraken over ieders rol en bijdrage aan deze opgave. De gemeente Eindhoven staat in de periode van 2022 t/m 2030 voor 19.885 woningen aan de lat.
Om aan te sluiten bij de grote behoefte aan betaalbare woningen streven we ernaar dat twee derde van de nieuwe woningen betaalbaar zijn: op landelijk, provinciaal en regionaal niveau. Regionaal spreken we af dat nieuwe projecten (gemiddeld) uit minimaal 30% sociale huur, minimaal 16% middenhuur en minimaal 20% betaalbare koopwoningen bestaan. Het minimum van 30% sociale huur en twee derde betaalbaar in de nieuwbouwopgave geldt voor elke gemeente, de verdeling tussen middenhuur en betaalbare koop kan per gemeente verschillend zijn. Het lokale woonprogramma van gemeente Eindhoven voldoet aan deze voorwaarde en blijft daarmee leidend.
Met de woondeals nemen we samen de regie op de volkshuisvesting.
Visie op wonen stedelijk gebied Eindhoven 2019
In de Visie op wonen stedelijk gebied Eindhoven uit april 2019 geven de SGE-gemeenten een kwalitatieve invulling aan het Afsprakenkader 2017. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van twee conceptuele handvatten: de kwadrantenbenadering en de uitgewerkte Brainport Principes. De kwadrantenbenadering bevordert de diversiteit bij nieuwe woningbouwprojecten door in te zetten op de eigenheid en kwaliteiten van alle afzonderlijke plekken binnen het SGE. De Brainport Principes zijn algemene kwaliteitscriteria waaraan ieder woningbouwproject wordt getoetst. Zo houden de regiogemeenten zichzelf scherp in het maken van unieke woongebieden die van toegevoegde waarde zijn op het bestaande palet in de regio.
Regionaal woningbehoefteonderzoek 2021
In 2020 hebben de gemeenten in het SGE gezamenlijk opdracht gegeven aan Stec Groep voor de uitvoering van een regionaal woningbehoefteonderzoek voor de periode tot 2040.
Kwantitatieve opgave
In het in mei 2021 gereedgekomen Regionaal woningbehoefteonderzoek voor het stedelijk gebied Eindhoven wordt onderbouwd dat het aantal huishoudens in het SGE tot 2040 naar verwachting met circa 48.700 zal toenemen. Daarnaast is er een opgave om het huidige woningtekort in te lopen. De totale woningbouwopgave voor het SGE komt daarmee uit op 53.900 woningen tot 2040.
In de gemeente Eindhoven zouden volgens dit onderzoek tot 2040 ongeveer 35.280 extra woningen moeten worden gerealiseerd. De behoefte aan extra woningen is vooral fors in de periode 2020-2025. In de eerst komende 5 jaar is er regionaal een uitbreidingsbehoefte van circa 16.400 woningen, circa 30% van de woningbehoefte tot 2040. In de MIRT-afspraken met het Rijk is vastgelegd dat de gemeenten in het SGE tot 2040 de bouw van 62.000 woningen faciliteren.
Kwalitatieve opgave
Het Regionaal woningbehoefteonderzoek voor het stedelijk gebied Eindhoven geeft ook inzicht in de (ontwikkeling van) de kwalitatieve woningbehoefte. De verwachte groei van het aantal huishoudens is volgens dit onderzoek terug te zien in alle leeftijdsgroepen, maar vooral onder 65-plussers. Waar gezinnen nu nog het merendeel van alle huishoudens in het SGE vormen, bestaat in 2040 het grootste gedeelte van de huishoudens uit alleenstaanden en stellen van 65 jaar of ouder.
Specifieke doelgroepen
De toename van het aantal 65-plus huishoudens zorgt ook voor een groeiende behoefte aan woningen die geschikt zijn voor zelfstandig wonen met ondersteuning en zorg aan huis. In de periode tot 2040 wordt een sterke toename verwacht van het aantal inwoners met een indicatie voor langdurige zorg. Door het extramuraliseringbeleid van de rijksoverheid zal het aanbod van intramurale verzorgingsplaatsen naar verwachting niet evenredig meegroeien.
Een specifieke woningvraag is verder te verwachten van studenten. In de gemeente Eindhoven wordt tot het collegejaar 2027-2028 een groei van 120 tot 660 uitwonende studenten verwacht. In de gemeente Helmond blijft het aantal uitwonende studenten tot het collegejaar 2027-2028 naar verwachting stabiel. Voor de andere gemeenten in het SGE is geen informatie beschikbaar over de woningbehoefte van studenten.
De vraag van kennismigranten (expats) maakt onderdeel uit van de totale woningvraag in het SGE. Volgens onderzoek van het PON zijn in het Stedelijk Gebied Eindhoven daarnaast bijna 20.500 arbeidsmigranten werkzaam, die veelal productiewerk verrichten.
Afsprakenkader Huisvesting Arbeidsmigranten Stedelijk Gebied Eindhoven 2020
In november 2020 stelden de SGE-gemeenten het Afsprakenkader Huisvesting Arbeidsmigranten Stedelijk Gebied Eindhoven vast. De regionale ambitie is om in de periode 2021 tot en met 2024 circa 4.000 humane huisvestingsplaatsen voor arbeidsmigranten te realiseren. Er zijn geen afspraken over specifieke aantallen per gemeente, maar iedere gemeente heeft passend bij de aard en omvang een eigen verantwoordelijkheid. In het afsprakenkader wordt onderscheid gemaakt tussen twee typen huisvesting: tijdelijke huisvesting (korter dan 2 tot 3 jaar) en permanente huisvesting (arbeidsmigranten die zich definitief vestigen in Nederland). Hierbij is bekend (op basis van ervaring) dat zo'n 80% van de arbeidsmigranten in de regio er op tijdelijke basis is en zo'n 20% zich definitief vestigt. De woningbehoefte van arbeidsmigranten die zich definitief in het SGE willen vestigen, maakt onderdeel uit van de totale regionale woningbehoefte.
Woonvisie 2015
Op 15 december 2015 heeft de gemeenteraad van Eindhoven de Woonvisie 2015 vastgesteld. De woonvisie geeft inzicht in de gemeentelijke ambities op het gebied van bouwen en wonen en steunt op drie pijlers: Eindhoven als ambitieuze stad, als solidaire stad en als innovatieve stad.
Ambitieuze stad
Eindhoven groeit en wil verder verstedelijken, in het bijzonder in het gebied binnen de Rondweg (Ring). Hierbij wordt gestreefd naar een gemengde en gevarieerde woonomgeving waar mensen wonen, werken en elkaar ontmoeten. En die tegelijkertijd ook groen en gemoedelijk blijft.
Solidaire stad
De gemeente wil dat Eindhoven een inclusieve en solidaire samenleving is. De meeste inwoners kunnen hierin zelf hun plek vinden. Minder zelfredzame inwoners worden hierbij ondersteund. Door de vergrijzing en de decentralisatie van de langdurige zorg, neemt de vraag naar passende huisvesting voor ouderen en bijzondere
doelgroepen toe. Het is belangrijk dat er voor al deze mensen een plek blijft op de woningmarkt. Concentratie van bijzondere doelgroepen in bepaalde wijken is ongewenst.
Innovatieve stad
De gemeente Eindhoven daagt ontwikkelaars van nieuwe woningen uit om klantgeoriënteerd, sneller, goedkoper en duurzamer te produceren. Ook in de aanpak van de bestaande woningvoorraad en in de transformatie van kantoren en zorgvastgoed is er een grote behoefte aan vernieuwing en aan creatieve, betaalbare oplossingen. Voor inwoners die behoefte hebben aan tijdelijke woonruimte, die snel beschikbaar en financieel bereikbaar is, worden in Eindhoven flexwoningen ontwikkeld. Dit biedt tevens kansen voor transformatie van leegstaand vastgoed. Verder wil de gemeente Eindhoven dat inwoners zoveel mogelijk invloed hebben op hun eigen woning en woonomgeving, bijvoorbeeld door (collectief) particulier opdrachtgeverschap. Daarnaast wil de gemeente dat zelf bouwen niet alleen bereikbaar is voor huishoudens met een hoger inkomen.
Woonprogramma Eindhoven 2021-2025
Vanwege de hoge dynamiek op de woningmarkt heeft de gemeenteraad op 15 december 2020 het Woonprogramma 2021-2025 vastgesteld. Het Woonprogramma sluit aan bij eerder vastgesteld beleid voor wonen en de fysieke leefomgeving. De ambities uit de Woonvisie 2015 blijven cruciaal voor de ontwikkeling van de stad, maar komen door de snelle prijsstijgingen in de afgelopen jaren in een ander daglicht te staan. Met het oog daarop kiest de gemeente voor een accentverschuiving richting de volgende ambities:
Eindhoven streeft ernaar om jaarlijks minimaal 3.000 extra woningen aan de voorraad toe te voegen.
Voor de stad als geheel is voor de periode 2025-2026 de onderstaande differentiatie leidend:
| Categorie | Prijzen conform Regionale begrippenlijst wonen 2025 | Aandeel in nieuwbouwprogramma | Doelgroepen die we hiermee bedienen | ||
| Sociale huur | < € 879,66 | 30% | Starters (jongeren), gezinnen met lagere inkomens, doorstromers uit studentenkamers | ||
| Middenhuur | € 879,66 - € 1.184,82 |
15% | Internationals, doorstromers uit sociale huur (scheefwoners), welgestelde ouderen. | ||
| Dure huur | >€ 1.184,82 | 0% | Internationals, welgestelde ouderen. | ||
| Sociale koop | < € 240.000 | 20% | Starters (jongeren) startende gezinnen. | ||
| Middeldure koop laag Middeldure koop hoog |
€ 240.000 - € 285.000 € 285.000 – € 405.000 |
20% | Starters (jongeren), gezinnen (jonge en oudere), doorstromers uit sociale huur/koop, blijvende internationals. | ||
| Dure koop | >€405.000 | 15% | Doorstromers uit de koop, blijvende internationals | ||
| TOTAAL | 100% | ||||
Deze percentages hoeven niet bij elk woningbouwproject gerealiseerd te worden. De exacte invulling op projectniveau is onder meer afhankelijk van het (beoogde) woonmilieu en de bestaande woningvoorraad in het betreffende gebied.
Woon-zorgvisie 2023-2030
De woonzorgvisie richt zich op zelfstandig wonende ouderen en inwoners in een kwetsbare positie. De visie van de gemeente Eindhoven ten aanzien van wonen en zorg is: Inwoners wonen veilig en betaalbaar in Eindhoven. Zij zijn zoveel mogelijk samenredzaam. De woonomgeving stimuleert dit, daagt uit tot een gezonde leefstijl en is toegankelijk en leefbaar voor iedereen.
Ambities / outcome
Doelstellingen / output
Onderstaand de belangrijkste doelstellingen/ output van de woonzorgvisie
Toets
Het initiatief maakt 84 nieuwe woningen mogelijk (50 tot 65 m²) die met name geschikt zijn voor één- en tweepersoonshuishoudens. Het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de beoogde woningbouw op deze locatie betreft de gemeente Eindhoven. Uit de Woondeal 2023, Regionaal woningbehoefteonderzoek 2021 en Woonprogramma Eindhoven 2021-2025 volgt dat er kwantitatief en kwalitatief nog ruimschoots behoefte is aan nieuwe woningen gericht op deze doelgroep.
Conclusie
Het project sluit kwalitatief aan bij de lokale en regionale ambities voor volkshuisvesting. Kwantitatief is er nog ruimschoots behoefte aan de woningen die met dit project aan de woningvoorraad worden toegevoegd.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling, zowel binnen als buiten bestaand stedelijk gebied, wordt rekening gehouden met de behoefte aan stedelijke ontwikkeling. Bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied, moet daarnaast rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen het stedelijk gebied in de behoefte te voorzien.
Het Bkl geeft geen uitsluitsel wanneer een ontwikkeling moet worden gezien als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Geldende jurisprudentie onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening / Besluit ruimtelijke ordening is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo bebouwing, of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Het project voorziet in bouw van 84 woningen. Gezien de omvang is er duidelijk sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van de ladder voor duurzame verstedelijking. Een toets aan deze instructieregel van het Rijk is dan ook nodig.
In paragraaf 6.3.2 is reeds ingegaan op het regionale en lokale volkshuisvestingsbeleid. Daaruit is naar voren gekomen dat er zowel kwantitatief als kwalitatief ruimschoots behoefte bestaat naar de woningen die met dit project worden mogelijk gemaakt en dat de ontwikkeling niet zal zorgen voor een ontwrichting van de woningmarkt elders. Bovendien moet worden opgemerkt dat sprake is van een verantwoorde inbreiding / verdichting op een locatie die voorheen in gebruik was als kantorenpark. De locatie wacht al een tijdje op een permanente invulling, waarmee (na herontwikkeling van het VB-gebouw) ook het laatste stukje Vredeoord is herontwikkeld. In de navolgende paragrafen is ten slotte aangetoond dat het een duurzame ontwikkeling is waarbij een afweging van alle relevante omgevingsaspecten heeft plaatsgevonden
Gelet op het voorgaande is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik en een duurzame verstedelijking.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
De realisatie van 84 woningen kan worden gezien als een activiteit uit kolom 1 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit, te weten categorie J11 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'. Volgens kolom 2 is in dat geval geen mer-plicht van toepassing, maar conform kolom 3 is wel een mer-beoordeling noodzakelijk. Of een dergelijk bouwplan daadwerkelijk moet worden aangemerkt als 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de aard en omvang van het project, de ligging en ontsluiting van het projectgebied, en de resultaten van milieuonderzoeken.
In dit geval worden de 84 gestapelde woningen toegevoegd op een locatie waar planologisch ruimte is voor ongeveer 50 grondgebonden woningen. Ook de (openbare ruimte) rondom de woongebouwen wordt opnieuw ingericht, waarbij aan de randen in ieder geval één parkeerterrein wordt gerealiseerd op maaiveld. Gelet op de aard en omvang kan het project worden aangemerkt als 'stedelijk ontwikkelingsproject' en moet een m.e.r.-beoordeling worden uitgevoerd.
De m.e.r.-beoordeling (aanmeldnotitie) is als Bijlage 2 bij deze motivering opgenomen. Daaruit blijkt dat dit project niet zorgt voor nadelige milieueffecten.
Het aspect mer-beoordeling vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen, en industrieterreinen en activiteiten enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds.
De mate waarin het geluid van (spoor)wegen en industrieterreinen de omliggende geluidgevoelige functies mag belasten is geregeld in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarin zijn instructieregels opgenomen die erop zijn gericht het geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein te beheersen (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt daarbij onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (GPP) en bronnen met een basisgeluidemissie (BGE).
Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Daarom moet bij nieuwe ontwikkelingen gelegen binnen het geluidaandachtsgebied van de voornoemde bronnen, het geluid van deze bronnen op geluidgevoelige gebouwen altijd beoordeeld worden.
De gemeente Eindhoven heeft een beleidsregel "Geluid in geluidaandachtsgebieden". Deze beleidsregel is op 14 november 2023 vastgesteld door het college. Artikel 1 stelt dat het verboden is om zonder een omgevingsvergunning een nieuw geluidgevoelig gebouw op te richten of het gebruik van een gebouw te wijzigen naar een geluidgevoelige functie in een geluidaandachtsgebied of een nieuwe gemeenteweg, waterschapsweg of lokale spoorweg aan te leggen of te wijzigen. In deze beleidsregel zijn standaardwaarden en grenswaarden opgenomen.
| Geluidbronsoorten | Standaardwaarde in Lden (dB) |
Grenswaarde in Lden (dB) |
|||
| Nieuwe geluidgevoelige gebouwen |
Aanleg of aanpassing bron |
||||
| Rijks- en provinciale wegen | 50 | 60 | 65 | ||
| Gemeente- en waterschapswegen |
53 | 70 | 70 | ||
| Gemeente- en Waterschapswegen in uitleggebieden voor stroomwegen, gebiedsontsluitingswegen en wijk-/buurtontsluitingswegen |
53 | 58 | 58 | ||
| Hoofd- en lokale spoorwegen | 55 | 65 | 70 | ||
| Industrieterreinen | 50 | 55 | 60 | ||
| 40 Lnight | 45 Lnight | 50 Lnight | |||
Als de (gezamenlijke) geluidbelasting voldoet aan de standaardwaarde dan is sprake van een evenwichtige toedeling van functies voor dit onderdeel.
De beleidsregel biedt mogelijkheden om een hogere geluidbelasting dan de standaardwaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw toe te staan, mits de geluidbelasting niet hoger is dan de grenswaarde. Dit is zondermeer toegestaan indien het plan om 10 of minder geluidgevoelige woningen of appartementen gaat.
Het bevoegd gezag kan de overschrijding van de standaardwaarde ook toestaan als met geluidbeperkende maatregelen niet aan de standaardwaarde voldaan kan worden. In dat geval moet gemotiveerd worden dat de maatregelen niet getroffen worden vanwege overwegende bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, technische of financiële aard. Bovendien moet de binnenwaarde van 33 dB (artikel 4.30 Bbl) te allen tijde gewaarborgd zijn.
Wel moet minimaal één geluidluwe gevel aanwezig zijn per woning of appartement dan wel compenserende maatregelen worden getroffen.
Het gezamenlijke geluid, geluidluwe gevel en/of (compenserende) maatregelen worden in het omgevingsplan of de voorschriften van de omgevingsvergunning opgenomen.
Voor het veranderen van een functie naar wonen geldt een 5 dB ruimere grenswaarde. Onder dezelfde voorwaarden als hierboven vermeld.
Voor nieuwe geluidgevoelige gebouwen ter vervanging van op het tijdstip van de vaststelling van het (tijdelijke) omgevingsplan al bestaande geluidgevoelige gebouwen geldt een 5 dB hogere grenswaarde en een andere subvoorwaarde dan hiervoor geschreven.
In het geval sprake is van een zwaarwegend belang geldt geen grenswaarde maar wel gelijke en andere subvoorwaarden.
Een geluidgevoelig gebouw kan binnen meer dan één geluidaandachtsgebied liggen. In dat geval moet bij de vaststelling van een hogere waarde, onderzoek worden gedaan naar de effecten van de cumulatie van alle geluidbronnen tezamen. Het gecumuleerde geluid wordt voor een nieuw geluidgevoelig gebouw niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 70 dB overschrijdt. In het geval het om een functiewijziging gaat, vervangende nieuwbouw is of er geldt een zwaarwegend belang dan wordt een nieuw geluidgevoelig gebouw niet aanvaardbaar geacht indien dit de grenswaarde van 75 dB overschrijdt. Dit onder de voorwaarde dat het gezamenlijk geluid voldoet aan artikel 4.103 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient - naast het geluid afkomstig van (spoor)wegen en industrieterreinen - ook het geluid van overige activiteiten in de fysieke leefomgeving beoordeeld te worden. Bij een aanpassing van het omgevingsplan houdt de gemeente rekening met het geluid door activiteiten met gebruiksruimte op geluidgevoelige gebouwen. Het gaat hierbij om het geluid van alle milieubelastende activiteiten met een functionele binding tezamen. In de afweging betrekt de gemeente de specifieke plaatselijke situatie en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten voor de gezondheid van haar burgers en het milieu. Rekening houden met geluid werkt twee kanten op, het gaat om het toelaten van:
Dit wijzigingsbesluit maakt de realisatie van geluidgevoelige gebouwen mogelijk, op korte afstand van een locatie met activiteiten die geluid(hinder) veroorzaken. Hierbij geldt dat getoetst moet worden aan de standaard- en grenswaarden zoals omschreven in het permanente omgevingsplan of - indien dat nog niet aanwezig is zoals hier het geval is - de standaard- en grenswaarden uit het Bkl (artikel 5.65 en 5.66).
Voor de beoordeling van geluidhinder afkomstig van activiteiten moet rekening worden gehouden met verschillende soorten geluidhinder, namelijk:
Het project heeft zelf geen betrekking op een geluidbron zoals een weg, spoorweg of industrieterrein, maar voorziet wel in nieuwe woningen. Omdat woningen geluidgevoelige objecten zijn, dient de geluidbelasting van (spoor)wegen en industrieterrein ten aanzien van die woningen te worden beoordeeld.
Het projectgebied ligt niet binnen de invloedsfeer van een geluidgezoneerd industrieterrein. Wel ligt het projectgebied binnen het geluidsaandachtsgebied van de spoorlijn Eindhoven-Boxtel en ieder geval de gemeentewegen Vredeoord en Groenewoudseweg. Daarom is voor dit project een akoestisch onderzoek uitgevoerd om de geluidbelasting op de gevels van de geprojecteerde woningen te beoordelen.
Het akoestisch onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 bij deze motivering. Uit het onderzoek blijkt dat:
Op de verbeelding van dit wijzigingsbesluit is een aanduiding opgenomen met daaraan gekoppeld een regel waarin het gezamenlijk geleid van 67 dB is vastgelegd. Tevens is de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevels' opgenomen, met daaraan gekoppeld een voorschrift. Omdat uit de toetsing aan de normen is gebleken dat de grenswaarde (hier 65 dB door hoofdspoorwegen) wordt overschreden, zegt de instructieregel uit het Bkl dat deze gevel niet meer als geluidgevoelig aangemerkt kan worden en dient te worden uitgevoerd als een niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen. Dit is in de regels vastgelegd met een verwijzing naar de locatie op de verbeelding vastgelegd. De overige gevels waarvoor de aanduiding 'niet-geluidgevoelige gevel met bouwkundige maatregelen' niet geldt blijven 'geluidgevoelige gevels'. Het geluid op deze gevels is niet hoger dan de grenswaarde. Hier zijn geen bouwkundige maatregelen nodig en is hier zonder meer toegestaan om hier te openen delen in te maken.
Met dit project worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Daarom moet beoordeeld worden in hoeverre de woningen geluidhinder ondervinden van activiteiten in de omgeving. In dat kader zijn voor dit project relevant:
Benzineservicestation met LPG (Vredeoord 2A)
Hier is een benzineservicestation met autowasserette gevestigd. Volgens het omgevingsplan mag hier een verkooppunt voor motorbrandstoffen met LPG (met een doorzet van minder dan 1.000 m³ per jaar) met bijbehorend detailhandelsverkooppunt en overige bijbehorende voorzieningen gevestigd zijn.
Een dergelijk benzineservicestation (SBI2008-code 473.2) heeft volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) een richtafstand van 30 meter vanwege geluid. Een autowasserij (SBI2008-code 45205) heeft een richtafstand van 30 meter vanwege geluid. In het ontwerp van dit plan is rekening gehouden met een afstand van minimaal 30 meter tussen het benzineservicestation met autowasserij en de positionering van het nieuwe woongebouw. Binnen het projectgebied is dan ook geen geluidhinder te verwachten vanwege de activiteiten van het benzineservicestation en het project zorgt ook niet voor een beperking van diens gebruiksmogelijkheden.
Gemengde bestemming
Dit betreft een oud Philips-kantoor (gebouw VS) dat recent is omgebouwd tot modern appartementencomplex met 166 appartementen. De gemengde bestemming biedt planologisch ruimte aan kantoren, bedrijven in de categorie 1 en maatschappelijke voorzieningen. Deze activiteiten zijn echter niet aan de orde en dus niet relevant om te beschouwen. Overigens gaat het om activiteiten die volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) een richtafstand van 10 meter vanwege geluid hebben. Het nieuwe woongebouw binnen dit project komen op meer dan 10 meter van het voormalige kantoorgebouw VS.
Bedrijventerrein Strijp-T
Op basis van de mogelijkheden uit het omgevingsplan (bestemmingsplan Bedrijventerrein Zwaanstraat-Strijp T) zijn hier bedrijven in de milieucategorieën 3 en 4 rechtstreeks toegestaan. Daarnaast zijn bestaande bedrijven in de categorie 5 toegestaan. De hoogste milieucategorie op grond van dat bestemmingsplan is 4.2. Bij milieucategorie 4.2 hoort een richtafstand van 200 meter bij omgevingstype 'gemengd gebied'. Gelet op de verkleuring die Strijp T laatste jaren doormaakt, waarbij zwaardere industrie wegtrekt en plaatsmaakt voor (commerciële) dienstverlening, is hier zeker sprake van een gemengd gebied. De milieuzonering vanaf de bestemmingsgrens is in navolgende afbeelding in beeld gebracht. Zoals te zien is ligt de zone over het westelijke deel van het projectgebied.
Uitsnede kaart milieuzonering gemengd gebied
Feitelijk is op bedrijventerrein Strijp T nog één bedrijf in hogere milieucategorieën aanwezig. Dat is Draka Comteq Fibre (Zwaanstraat 3) met een richtafstand van 200 meter. Het projectgebied ligt op een grotere afstand (ongeveer 450 meter) van dit bedrijf. De overige bedrijven op Strijp-T hebben een richtafstand van 100 meter of minder en zijn gelet op bovenstaande afbeelding dus niet van invloed op dit project.
Het appartementengebouw (VS-gebouw) ten zuiden van het projectgebied ligt al binnen de 200 meter van bedrijventerrein Strijp-T en ligt op gelijke of kortere afstand van dit bedrijventerrein dan de woningen dit met voorliggend project mogelijk worden gemaakt. Dat appartementengebouw is dan ook maatgevend voor de ontwikkelmogelijkheden op Strijp-T. Dit project zorgt niet voor toenemende beperkingen van de gebruiksmogelijkheden.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit. Er kan worden voldaan aan de instructieregels van het Bkl en daarmee wordt het geluid van (spoor)wegen als aanvaardbaar beoordeeld. Wel is het nodig om in de wijziging van het omgevingsplan regels op te nemen voor geluid die zich richten op:
Deze regels zijn in deze wijziging van het omgevingsplan opgenomen.
Het Rijk toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) of fijn stof (PM10) dan verwacht mag worden. Soms worden hier de rijksomgevingswaarden overschreden of is de achtergrondconcentratie zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden. Bij een aanvraag voor één of meerdere activiteiten in een aandachtsgebied, dient het effect van de ontwikkeling op de luchtkwaliteit beoordeeld te worden. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl.
In Afdeling 2.2 van het Bkl zijn omgevingswaarden opgenomen voor stikstofoxiden, stikstof- dioxiden, fijn stof, benzeen, lood, koolmonoxide en ozon. In Nederland worden over het algemeen alleen voor stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) mogelijk overschrijdingen verwacht. Uit paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl volgt vervolgens dat wanneer een (wijziging van het) omgevingsplan activiteiten toestaat die leiden tot een verhoging van die concentratie stikstofdioxide dan wel fijn stof in de buitenlucht, de omgevingswaarden als genoemd in afdeling 2.2. in acht worden genomen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
| norm | ingangsdatum | ||
| Jaargemiddelde grenswaarde NO2 | 40 µg/m3 | 1-1-2015 | |
| Jaargemiddelde grenswaarde PM10 | 40 µg/m3 | 1-6-2011 | |
| Daggemiddelde grenswaarde PM10 | max. 35 dagen/jaar > 50 µg/m3 | 1-6-2011 | |
De gemeente Eindhoven heeft een luchtaandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijn stof. Dit houdt in dat voor iedere ontwikkeling de luchtkwaliteit getoetst dient te worden.
Een wijzigingsbesluit voldoet aan de luchtkwaliteitsnormen indien:
Luchtvervuiling door milieubelastende activiteiten
Het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat algemene Rijksregels voor lucht bij milieubelastende activiteiten. Voor veel milieubelastende activiteiten gelden regels die de emissie naar de lucht moeten beperken, alsmede een zogenaamde zorgplicht. Deze verplicht bedrijven vooraf na te gaan op welke wijze zij verontreiniging van de buitenlucht kunnen voorkomen of beperken. Bedrijven worden geacht preventieve maatregelen te nemen.
De regels voor luchtemissies staan in hoofdstuk 4 en 5 van het Bal. De regels hebben tot doel de luchtkwaliteit te beschermen en te verbeteren. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Dit project voorziet in de realisatie van een nieuw woongebouw met 84 appartementen. Er wordt dus een 'gebouw met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan' mogelijk gemaakt. In artikel 5.54 Bkl is bepaald dat een dergelijke activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als het gaat om:
Gelet op het aantal woningen waarin dit project voorziet, draagt de ontwikkeling zelf 'niet in betekenende mate' bij aan de luchtkwaliteit. Een luchtkwaliteitsonderzoek vanwege de realisatie van de nieuwe woningen is dan ook niet nodig.
Omdat gemeente Eindhoven een luchtaandachtsgebied voor zowel stikstofdioxide als fijn stof heeft, is het in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig om de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied te beoordelen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). In artikel 2.4 en 2.5 van het Bkl staan de ten hoogste toelaatbare omgevingswaarden benoemd. Gemeente Eindhoven heeft geen afwijkende omgevingswaarden vastgesteld, waardoor aan de wettelijke normen moet worden getoetst.
Uitsnede CIMLK viewer, met het projectgebied blauw omlijnd en pijlen naar betrokken toetspunten.
Hierboven is een uitsnede opgenomen van de CIMLK viewer waarop te zien is waar het dichtstbijzijnde toetspunt zich bevindt ten opzichte van het projectgebied. De afbeelding geeft de NO2-concentratie weer in de meest recente monitoringsronde en het meest nabijgelegen monitoringsjaar. Eenzelfde uitsnede kan worden gemaakt van andere monitoringsronden, monitoringsjaren en luchtverontreinigende stoffen (PM10 en PM2,5, per monitoringsjaar en monitoringsronde), maar het is niet zinvol om hiervoor steeds afzonderlijk een afbeelding op te nemen. Wel is het van belang om de relevante concentraties te beoordelen. In onderstaande tabel zijn voor de dichtstbijzijnde toetspunten op twee nabijgelegen wegen voor de meest actuele monitoringsronden de omgevingswaarden in beeld gebracht voor de meest relevante luchtverontreinigende stoffen.
Uit voorgaande tabel blijkt dat de concentraties luchtverontreinigende stoffen de in het Bkl vastgestelde omgevingswaarden niet overschrijden. De Wereldgezondheidsorganisatie (World Health Organization, WHO) heeft op 22 september 2021 haar advieswaarden sterk naar beneden bijgesteld, de huidige advieswaarden bedragen 10 ?g/m³ voor NO2, 15 ?g/m³ voor PM10 en 5 ?g/m³ voor PM2,5. Met name de concentraties fijn stof zijn van belang met het oog op de mogelijke gezondheidseffecten. Deze advieswaarden zijn geen harde grenzen maar doelen waar op langere termijn naar toegewerkt zou moeten worden. De concentraties ter hoogte van het projectgebied zijn hoger dan deze advieswaarden. Dit wordt veroorzaakt door de achtergrondconcentratie (en dit geldt daarmee niet alleen voor het projectgebied, maar voor de hele regio). De bijdrage van de lokale bronnen aan de optredende concentraties is beperkt. Zodoende is het gelet op de luchtkwaliteit aanvaardbaar de functie wonen aan de projectlocatie toe te delen.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Er zijn diverse sectoren waarbij geurhinder een rol kan spelen, zoals onder meer bij veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen en (andere) milieubelastende activiteiten. De gemeente moet bij de vaststelling van (een wijziging van) het omgevingsplan rekening houden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Rekening houden met geur werkt twee kanten op:
Aanvaardbare geurhinder
De geur van een activiteit (met gebruiksruimte) op een geurgevoelig gebouw moet aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Gemeenten bepalen zelf welke mate van geurhinder zij aanvaardbaar vinden. De gemeente legt in het omgevingsplan vast wat de plaats is waar waarden voor geur gelden. Ook kennen sommige activiteiten afstandsregels. Dit zijn minimumafstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit.
De gemeente Eindhoven heeft nog geen normen voor geurhinder opgenomen in het permanente omgevingsplan. Om te bepalen of sprake is van aanvaardbare geurhinder hanteert de gemeente de Beleidsregel industriële geur als toetsingskader. In de beleidsregel zijn normen opgenomen voor gebiedstypen. In onderstaande tabel zijn de normen weergegeven.
| 98-percentiel | 99,9 percentiel | ||||||
| Omgevingscategorie | Richtwaarde ouE(H)/m3 | Grenswaarde ouE(H)/m3 | Richtwaarde ouE(H)/m3 | Grenswaarde ouE(H)/m3 | |||
| Wonen | 1,0 | 2,0 | 4 | 8 | |||
| Gemengd | 2,0 | 4,0 | 8 | 16 | |||
| Overig | 10 | 10 | 40 | 40 | |||
Geurhinder door activiteiten
Activiteiten die op enige wijze geurhinder veroorzaken moeten voldoen aan de regels die in het (tijdelijk) omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit die voorheen onder de werkingssfeer van het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, gelden de regels uit de Bruidsschat. Op termijn worden de regels uit de bruidsschat geïntegreerd in het (permanente) omgevingsplan van de gemeente.
Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). De beoordelingsregels zijn opgenomen in afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.
Met dit project wordt geen nieuwe geurbron mogelijk gemaakt. Wel worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt en dat zijn geurgevoelige objecten. In de omgeving van het projectgebied komen geen veehouderijen of andere agrarische activiteiten voor die van invloed zijn op dit project. Voor dit project zijn (mogelijk) wel relevant:
Benzineservicestation met LPG (Vredeoord 2A)
Hier is planologisch toegestaan en planologisch aanwezig een benzineservicestation met LPG (met een doorzet van minder dan 1.000 m³ per jaar) met bijbehorend detailhandelsverkooppunt en autowasserij. Een dergelijk benzineservicestation (SBI2008-code 473.2) heeft volgens de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) een richtafstand van 30 meter vanwege geur. Een autowasserij (SBI2008-code 45205) heeft een richtafstand van 10 meter vanwege geur. In het ontwerp van dit plan is rekening gehouden met een afstand van minimaal 30 meter tussen het benzineservicestation met autowasserij en de positionering van het nieuwe woongebouw. Binnen het projectgebied is dan ook geen geurhinder te verwachten vanwege de activiteiten van het benzineservicestation en het project zorgt ook niet voor een beperking van diens gebruiksmogelijkheden.
Bedrijventerrein Strijp-T
In paragraaf 7.3.2 is al aangegeven dat op dit bedrijventerrein op basis van de mogelijkheden uit het omgevingsplan (bestemmingsplan Bedrijventerrein Zwaanstraat-Strijp T) bedrijven in de milieucategorieën 3 en 4 rechtstreeks zijn toegestaan en bestaande bedrijven in de categorie 5 toegestaan. Er zijn geen bestaande bedrijven in milieucategorie 5 aanwezig en dus mogen zich deze hier ook niet meer vestigen. De hoogste milieucategorie op grond van het bestemmingsplan is 4.2, waar een richtafstand van 200 meter bij hoort vanwege het omgevingstype 'gemengd gebied'.
Op de afbeelding in subparagraaf 7.3.2 is te zien dat de 200 meter zone over voorliggend plangebied valt. Echter zijn op het bedrijventerrein feitelijk geen bedrijven aanwezig met een geurzone die over het projectgebied reikt en het naastgelegen appartementengebouw (VS-gebouw ten zuiden van het plangebied) is al maatgevend voor de vestiging van nieuwe geurveroorzakende activiteiten op bedrijventerrein Strijp-T vergeleken met voorliggend plan. Dit plan zorgt dan ook niet voor toenemende beperkingen van de gebruiksmogelijkheden van bedrijventerrein Strijp-T gelet op het aspect geur.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Uit de Omgevingswet volgt dat gemeenten primair verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de fysieke leefomgeving, waaronder ook de zorg voor (de kwaliteit van) de bodem wordt verstaan. Het wettelijk instrumentarium onder de Omgevingswet is voor wat betreft de bodem gebaseerd op drie pijlers:
Om een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie toe te staan, dient op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.89i en 5.89j) aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik. Een locatie is bodemgevoelig als hier een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of omgevingsvergunning. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend of toebehorend aan een bodemgevoelig gebouw, zoals een tuin of terrein. Onder een bodemgevoelig gebouw wordt verstaan; een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn.
Om aan te tonen of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik is het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek als bedoeld in artikel 5.7b van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) noodzakelijk. Dit onderzoek moet uitwijzen of de locatie mag worden aangewend voor de beoogde ontwikkeling. Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie zijn (op grond van artikel 5.89i Bkl) opgenomen in het omgevingsplan. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen.
Bodemonderzoek herontwikkeling Vredeoord
In het kader van de herontwikkeling van het volledige complex Vredeoord (bestemmingsplan "Vredeoord", vastgesteld 20 september 2017) is de kwaliteit van de bodem in meerdere fases onderzocht (Aanvullend historisch onderzoek, Grontmij, 11 maart 2013, referentienummer: 326866.ehv.344.R001). Daarbij is geconcludeerd dat in het verleden op een groot gedeelte van de locatie ontgrondingen hebben plaatsgevonden. Aangezien deze ontgrondingen in het verleden mogelijk zijn opgevuld met bodemvreemde materialen, zoals (oorlogs)puin, asbest, veegvuil, afval en verontreinigde grond, worden deze als verdacht beschouwd uit oogpunt van eventuele bodemverontreiniging op de locatie. Daarnaast is de situering van de voormalige bedrijfsactiviteiten op de locatie middels het aanvullend historisch onderzoek nader in beeld gebracht. Daarom is geadviseerd om de bodem ter plaatse van de voormalige ontgrondingen, gebouwen en bedrijfsactiviteiten op het terrein verkennend te onderzoeken en tevens een verkennend asbestonderzoek te verrichten. Dit bodemonderzoek zou moeten plaatsvinden bij de verdere uitwerking van de deelgebieden in uitwerkingsplannen.
Uitwerkingsplan Vredeoord
Op 5 februari 2019 is "Uitwerking bestemmingsplan Vredeoord" vastgesteld. In dat plan is aangegeven dat een 'schone' leeflaag zal worden aangebracht binnen het plangebied met als doel om contact met de verontreinigingen te voorkomen. Daarmee zou het aspect bodem geen belemmering vormen voor onderhavige ontwikkeling.
Verkennend onderzoek
In 2022 heeft specifiek voor deze locatie verkennend bodem- en indicatief en aanvullend asbestonderzoek plaatsgevonden (Lankelma, projectnummer 2201840, d.d. 6 december 2022). De rapportage hiervan is opgenomen als Bijlage 4 bij deze motivering. Hierna volgen de belangrijkste bevindingen:
Milieuhygiënisch vooronderzoek
Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt een groter gebied voor de activiteiten wonen aangewezen dan op basis van het huidige omgevingsplan mogelijk is. Het verkennend onderzoek 2022 is slechts uitgevoerd binnen de geldende woonbestemming en is dus niet gebiedsdekkend voor het plangebied van dit wijzigingsbesluit. Daarom heeft in oktober 2024 een aanvullend milieuhygiënisch vooronderzoek plaatsgevonden. Dit onderzoek is als Bijlage 5 bij deze motivering gevoegd. Hierna volgen de belangrijkste conclusies.
Op basis van de eerdere onderzoeksresultaten en het feit dat er sindsdien geen activiteiten met risico voor de bodemkwaliteit hebben plaatsgevonden, wordt geenszins verwacht dat de toelaatbare kwaliteit van de bodem uit het Omgevingsplan van de gemeente Eindhoven wordt overschreden. Volgens het adviesbureau bestaan er milieuhygiënisch geen belemmeringen voor de voorgenomen wijziging in gebruik, de (graaf)activiteiten en het toelaten van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De onderzoeksresultaten geven verder géén aanleiding voor verder bodemonderzoek dan wel een bodemonderzoek op analytische grondslag.
Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het "Handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie" of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Ook wordt onderscheid gemaakt in het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
In hoofdstuk 4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn alle activiteiten opgenomen waarbij een vaste norm van toepassing is en voor welke activiteiten een berekening van PR-contour en aandachtsgebied vereist is.
Groepsrisico
Het groepsrisico betreft de kans op het overlijden van een groep van tien of meer personen per jaar als gevolg van een ongewoon voorval. Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Onder de Omgevingswet is gekozen voor een nieuwe benadering van het groepsrisico, met aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden laten zien op welke locaties extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen. Aandachtsgebieden laten zien waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen gevaren uit de omgeving. Voorbeelden van die gevaren zijn warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Via de aandachtsgebieden worden deze gevaren zichtbaar op de kaart, zodat direct duidelijk is welke gevaren waar op kunnen treden. Daardoor heeft het bevoegd gezag bij het nemen van besluiten over de fysieke leefomgeving de risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen meteen in beeld. Zo kan het bevoegd gezag ze al aan het begin van het planproces meenemen. Aandachtsgebieden zijn er voor brandgevaar, explosiegevaar en gifwolken.
Afbeelding: aandachtsgebieden (bron: www.aandeslagmetdeomgevingswet.nl).
Kwetsbare functies
Bij de beoordeling van de hiervoor beschreven risico's wordt uitgegaan van een onderscheid in zeer kwetsbare gebouwen, kwetsbare gebouwen, beperk kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties en beperkt kwetsbare locaties. Of een bepaald gebouw of een bepaalde locatie is aan te merken als één van voornoemde gebouwen of locaties volgt uit het Bkl (Bijlage IV). Gebouwen met een woonfunctie zijn kwetsbare gebouwen, net als onder andere gebouwen met een kantoor- of onderwijsfunctie. Basisscholen, kinderdag- verblijven en gebouwen met 24-uurszorg zijn voorbeelden van zeer kwetsbare gebouwen. Deze indeling is gemaakt op basis van de volgende afwegingen:
Het realiseren van zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare gebouwen en locaties is niet mogelijk binnen een plaatsgebonden risicocontour. Voor het overige geldt dat rekening dient te worden gehouden met de relevante plaatsgebonden risicocontouren en aandachtsgebieden. Dat vraagt om een afweging en motivering (verantwoording) bij het wijzigen van het omgevingsplan.
Met dit project wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. Wel worden kwetsbare gebouwen (woonfunctie) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van die nieuwe woningen een voldoende veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de kaartlaag 'Externe Veiligheid' van Atlas Leefomgeving kan in beeld worden gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectgebied bevinden. Daarbij wordt gekeken naar risicovolle inrichtingen, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Uitsnede kaarten Milieubelastende activiteiten met een extern veiligheidsrisico,
Aandachtsgebieden en Plaatsgebonden risico van Atlas Leefomgeving (Bron: Ministerie
IenW - Register externe veiligheid, 2024). Projectgebied met blauwe marker aangeduid.
Van bovenstaande afbeelding kan worden afgelezen dat het projectgebied binnen de invloedssfeer van meerdere risicobronnen is gelegen. Hierna wordt op de verschillende soorten risicobronnen ingegaan.
Buisleidingen
Parallel aan het spoor ten zuidwesten van het projectgebied (Achtseweg Zuid) ligt een buisleiding (Gasunie) waardoor brandbare stoffen worden vervoerd. Het projectgebied ligt niet binnen de PR10-6-contour of het brandaandachtsgebied van deze buisleiding.
Ligging plangebied (blauwe marker) ten opzichte van de buisleiding met risicogebied.
Transport gevaarlijke stoffen over land
In de omgeving komen geen vaarwegen voor waarover vervoer van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het projectgebied is niet gelegen binnen het brandaandachtsgebied of explosieaandachtsgebied van de rijkswegen A2/N2 of lokale wegen. Het projectgebied ligt ook niet binnen de plaatsgebonden risicocontour of brandaandachtsgebied van de spoorlijn Eindhoven-Boxtel, maar wel binnen het explosieaandachtsgebied van deze spoorlijn. Nader onderzoek naar externe veiligheid is dan ook noodzakelijk.
Ligging plangebied (blauwe marker) ten opzichte van de spoorlijn met risicogebied.
Risicovolle inrichtingen
Het benzineservicestation direct ten noordwesten van het projectgebied verkoopt ook LPG. De tankzuil, het vulpunt en het reservoir hebben een plaatsgebonden risicocontour die niet tot over het projectgebied reikt. Het projectgebied ligt wel gedeeltelijk binnen het brandaandachtsgebied en volledig binnen het explosieaandachtsgebied van dit benzineservicestation. Nader onderzoek naar externe veiligheid is dan ook noodzakelijk.
Ligging plangebied (blauwe marker) ten opzichte van het benzineservicestation met LPG.
Nader onderzoek
Vanwege de ligging binnen de veiligheidszone van het benzineservicestation met LPG en de spoorlijn Eindhoven-Boxtel is nader onderzoek naar externe veiligheid nodig om het groepsrisico en de aanvaardbaarheid van het project te motiveren. Dit onderzoek is als Bijlage 6 bij deze motivering gevoegd.
Uit het onderzoek komt naar voren dat het projectgebied ten aanzien van de spoorlijn Eindhoven-Boxtel buiten de 100% letaliteitscontour en daarmee buiten de meest risicovolle zone van het explosieaandachtsgebied ligt.
In het onderzoeksrapport heeft een verantwoording van het groepsrisico plaatsgevonden. De ontwikkeling voldoet aan maatregelenniveau B van het stappenplan en het aanwijzen van een voorschriftengebied is afgewogen en wordt niet nodig geacht. Met betrekking tot zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid is de veiligheidsregio om advies gevraagd.
Het is niet nodig aanvullende maatregelen te treffen tegen de effecten van een gifwolk aangezien het afsluitbaar maken van automatische ventilatie een standaard bouwkundige eis is in het Besluit bouwwerken leefomgeving.
Ten aanzien van het LPG-tankstation is het aanwijzen van een voorschriftengebied niet verplicht aangezien de ontwikkeling een kwetsbaar gebouw betreft. Extra aandacht voor (aanvullende) omgevingsmaatregelen, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid is gewenst.
Te nemen maatregelen
Onderstaande maatregelen én de maatregelen die benoemd zijn in het rapport van AVIV in Bijlgage 6 verkleinen de kans dat personen in deze aandachtsgebieden (direct) komen te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen.
Er zullen bouwkundige maatregelen getroffen worden aan de bouwwerken omdat deze geheel en deels liggen in brand- en explosieaandachtsgebieden. Dergelijke maatregelen zijn o.a.:
Daarnaast worden onderstaande maatregelen geadviseerd. Met het uitvoeren van deze maatregelen wordt het (rest)risico verder verkleind:
Het risico dat overblijft nadat maatregelen zijn genomen om de veiligheid in het projectgebied te verhogen betreft het restrisico. Het restrisico heeft betrekking op bereikbaarheid voor hulpdiensten, bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid in verband met fakkelbrand (BAG) en hittestraling en overdruk door BLEVE
(EAG):
Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Het Masterplan Mobiliteit 2050 'Wij gaan vooruit' is in maart 2024 door de gemeenteraad vastgesteld. Hierin zijn de hoofdlijnen van het mobiliteitsbeleid voor de komende decennia (planhorizon 2050) vastgelegd. Met een concrete uitwerking voor de komende jaren (t/m 2026) en een doorkijk naar 2030. Deze visie vormt het bestuurlijke beleidskader voor alle verkeers- en mobiliteitsopgaven. In de volgende subparagraaf zijn de essentiële elementen voor het projectgebied beschreven.
Masterplan Mobiliteit 2050
Het Masterplan Mobiliteit streeft naar een toekomst waarin wij in verbinding zijn met elkaar, waarin er vrijheid is voor iedereen om te gaan en staan waar ze willen en op welke manier ze dat willen, waarin we ruimte maken voor elkaar en de veelzijdigheid van de stad, waar het veilig is voor jong en oud. Een stad waar de lucht schoon is en waar we gezond oud kunnen worden. Een stad waar het fijn is om te zijn en waar we kunnen ontspannen.
Voetgangersverkeer
De gemeente Eindhoven wil meer aandacht schenken aan de voetganger in de stad. Daarvoor zijn een tweetal routenetwerken voor de voetgangers benoemd in het 'Masterplan Mobiliteit 2050'. Routes om actief te verplaatsen en routes om ontspannen te bewegen.
Fietsverkeer
De gemeente Eindhoven wil het gebruik van de fiets stimuleren. In het 'Masterplan Mobiliteit 2050' is een fietsnetwerk opgenomen dat bestaat twee soorten fietsroutes. In volgorde van belangrijkheid: doorfietsroutes en stadroutes.
Openbaar vervoer
Het vervoer per spoor en het netwerk van hoogwaardige busverbindingen vormt volgens het Masterplan Mobiliteit 2050 het kernnetwerk voor het openbaar vervoer. Voor het busnetwerk wordt vervolgens uitgegaan van twee netwerken: een Hoogwaardig Openbaar Vervoer netwerk (HOV-netwerk) en een netwerk van ontsluitende buslijnen.
Autoverkeer
Het wegennetwerk is in Masterplan Mobiliteit 2050 geactualiseerd. Dit bestaat uit de volgend indeling in hoofdwegen: Randweg A2/N2, Ring en regionale bundelroute, Radialen buiten de ring, Radialen binnen de ring. Daarmee is een robuust wegennetwerk gedefinieerd voor de hoofdontsluiting voor autoverkeer. Dit zijn ook de wegen waar een maximum snelheid van tenminste 50 km/u gehandhaafd zal blijven in de toekomst. Een onderliggend netwerk van gebiedsontsluitingswegen zorgt voor de verder ontsluiting van de diverse stadsdelen en wijken. Op enkele uitzonderingen na zullen deze uit oogpunt van leefbaarheid en veiligheid in de toekomst allemaal een maximum snelheid van 30 km/u kennen.
Hubs
Hubs vormen de verbindende schakels in de verplaatsingen. Het zijn de plekken waar verschillende vervoerwijzen samenkomen en mensen kunnen overstappen. Voor de mobiliteitstransitie zijn verplaatsingen met een of meer overstappen essentieel. Mobiliteitshubs in Eindhoven hebben vooral drie functies; het aanbieden van deelmobiliteit, het faciliteren van de overstap van de ene op de andere vervoerwijze en tot slot het (op afstand) parkeren van de (eigen) auto. Hubs hebben in Eindhoven verschillende verschijningsvormen op allerlei schaalniveaus.
Het STOMP principe
In en om het centrum van Eindhoven spelen diverse (grote) verdichtingsopgaven die ieder hun eigen mobiliteitsbehoefte meebrengen. Om het centrum nu en in de toekomst bereikbaar, leefbaar en veilig te houden moet op een andere manier naar de inrichting en het gebruik van de openbare ruimte gekeken moeten worden. Hierbij wordt uitgegaan van het STOMP principe. STOMP staat voor hoe we verplaatsingen onderscheiden:
Bij het STOMP-ontwerpprincipe wordt eerst naar de voetganger gekeken (Stappen), vervolgens naar de fietser (Trappen), OV en MaaS en pas daarna wordt naar de privéauto gekeken. Deze aanpak sluit ook aan op de doelstellingen/ambities uit het Masterplan Mobiliteit 2050 dat specifiek inzet op lopen, fietsen en openbaar vervoer, vooral binnen de Ring, terwijl de automobiliteit meer wordt gebundeld en naar de Ring.
Verkeersgeneratie
Aan de hand van CROW-kencijfers is de verkeersgeneratie in de huidige en toekomstige situatie bepaald. De verkeersgeneratie betreft de optelsom van de aankomende en vertrekkende ritten. Binnen de kencijfers wordt onderscheid gemaakt naar stedelijkheid en ligging van de ontwikkeling.
Verkeersafwikkeling
Aan de hand van de cijfers die volgen uit de berekening van de verkeersgeneratie moet worden bekeken welke consequenties dit heeft op de verkeersafwikkeling op het huidige en eventueel aangepaste wegennet. Hieruit blijkt of het plan past binnen de bestaande infrastructuur.
Autoparkeren
De ruimte in de stad is beperkt en kostbaar. De gemeente moet dan ook de schaarse ruimte efficiënt gebruiken. Daarom wordt er ingezet op ruimte-efficiënt en omgevingsvriendelijk vervoer. Meer lopen, fietsen, openbaar vervoer en gebruik van deelmobiliteit en minder gebruik van de auto. Deze mobiliteitstransitie is in het belang van een bereikbare en leefbare stad.
De Nota Parkeernormen 2024 is opgesteld om de door de gemeente Eindhoven gewenste mobiliteitstransitie te kunnen sturen. We hebben te maken met een grote verdichtingsopgave in Eindhoven en tegelijk moet het centrum van Eindhoven goed bereikbaar blijven. De parkeernormen die aan bouwplannen gesteld worden, dragen bij aan de doelstellingen voor een autoluw centrum en aan de verdichtingsopgave in de hele stad en maken het daarom ook mogelijk om plannen te realiseren met minder of zelfs (in het centrum) zonder de aanleg van parkeerplaatsen (nulnorm).
De parkeernormering heeft betrekking op het parkeren van auto's en fietsen. In de systematiek wordt echter ook ingezet op duurzame alternatieve vervoerswijzen. Dit is onder meer uitgewerkt in de vorm van verplichte reductie bij HOV en het stimuleren van deelmobiliteit en mobiliteitshubs (minder parkeerplaatsen bij stations en HOV-haltes en bij gebruik van deelvervoer voor bewoners. Daarnaast willen we bestaande parkeercapaciteit beter gaan benutten in plaats van het aanleggen van nieuwe parkeerplaatsen. Voor het gedeelte van de parkeeropgave waar een plan niet in voorziet, bestaat het mobiliteitsfonds waarin de afkoopbedragen terecht komen ten behoeve van stadsbrede duurzame mobiliteitsvoorzieningen.
Elk nieuw of bestaand adres waar na 2016 een omgevingsvergunning voor is afgegeven, komt op het AUP-overzicht (Adressenlijst Uitsluiting Parkeervergunningen). Adressen op deze lijst komen niet in aanmerking voor een parkeervergunning en hebben geen recht op een bezoekersregeling binnen betaald parkeergebieden.
Fietsparkeren
In de Nota Parkeernormen 2024 zijn eveneens de fietsparkeernormen opgenomen. Naast voldoende in omvang hangt het succes van een fietsenstalling sterk af van de kwaliteit, de bruikbaarheid, sociale veiligheid en het comfort ervan. De belangrijkste kwaliteitseisen voor toegankelijkheid, inrichting en bruikbaarheid zijn om die reden ook vastgelegd: het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.171) regelt dat een woonfunctie over een afsluitbare bergruimte moet beschikken voor het stallen van fietsen en bij collectieve fietsenstallingen gelden de kwaliteitseisen inpandige fietsenstallingen die Eindhoven als gelijkwaardig beschouwt mits de benodigde aantallen fietsparkeerplekken conform de normen worden ingepast.
Voetgangersverkeer
Aan de zuidzijde van de projectlocatie is een voetgangersgebied ingericht dat door het complex Vredeoord in noordoostelijke richting doorloopt tot aan de Boschdijk en ten zuidwesten van de projectlocatie uitkomt op de Groenewoudseweg. De Boschdijk maakt onderdeel uit van het voetgangersnetwerk van Eindhoven, met vrijliggende voetpaden aan weerszijden van de rijbaan. Voetgangers kunnen geregeld oversteken ten hoogte van het kruispunt Boschdijk - 2e Lieven de Keylaan - Vredeoord. Daarom wordt de kwaliteit van het omliggende voetgangersnetwerk als goed beoordeeld. Echter is ook de afstand tot de dichtstbijzijnde dagelijkse voorzieningen van belang. Zo is de projectlocatie gelegen aan de overzijde van het stadspark Vredeoord en zijn er twee basisscholen gelegen binnen 1 kilometer afstand van de ontwikkeling. Daarnaast is de projectlocatie ook gelegen op circa 800 meter loopafstand van het gezondheidscentrum Boschdijk. Op ongeveer 500 meter ten zuiden van het projectgebied ligt het Celsiusplein en de Edisonstraat (Woensel-West) met diverse voorzieningen zoals een supermarkt, detailhandel, horeca en commerciële- en sociaal-medische dienstverlening.
Fietsverkeer
In onderstaande afbeelding zijn de doorfietsroutes en stadroutes rondom het projectgebied aangegeven. Ten noorden van de projectlocatie loopt de doorfietsroute op de Vredeoord. Deze route leidt in oostelijke richting naar Nuenen en in zuidwestelijke richting naar Veldhoven. Voor fietsers zijn op de Vredeoord aan weerszijden van de rijbaan vrijliggende fietspaden aanwezig, met oversteekplaatsen ten hoogte de kruising met de Dokter Poletlaan. Conform het 'Masterplan Mobiliteit 2050' van de gemeente Eindhoven maakt de Vredeoord onderdeel uit van het fietsnetwerk van Eindhoven als een doorfietsroute, welke in oostelijke richting leidt naar Nuenen en in zuidwestelijke richting naar Veldhoven. Deze route doorkruist in ten westen van de projectlocatie de Groenewoudseweg en in oostelijke richting de Boschdijk. Beide wegen zijn binnen het gemeentelijke fietsnetwerk gedefinieerd als stadsroutes en leiden dan ook in zuidelijke richting naar het centrumgebied van Eindhoven. Tevens leidt het fietspad langs de Groenewoudseweg naar het treinstation Eindhoven Strijp-S.
Overzicht fietsroutes rondom plangebied (zwart omlijnd), doorfietsroutes (rood),
stadsroutes (blauw)
Openbaar vervoer
De dichtstbijzijnde OV-halte vanaf de projectlocatie is gelegen op circa 750 meter loopafstand aan de Boschdijk. Vanaf deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 8, tussen Eindhoven Station en Kapelbeemd via Acht, met een frequentie van 30 minuten. De projectlocatie is tevens gelegen op circa 1,2 kilometer loop- of fietsafstand vanaf het treinstation Eindhoven Strijp-S, vanaf waar gebruik kan worden gemaakt van treinen richting Boxtel, Deurne 's-Hertogenbosch, Weert en Eindhoven Station.
Autoverkeer
De projectlocatie wordt ontsloten op de Naaldhout, een erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. De Naaldhout komt in noordelijke richting uit op de Vredeoord, een gebiedsontsluitingsweg met een maximumsnelheid van 50 km/u. In oostelijke richting leidt de Vredeoord naar het kruispunt Boschdijk - 2e Lieven de Keylaan - Vredeoord. De 2e Lieven de Keylaan en de Boschdijk zijn beide ingericht als gebiedsontsluitingswegen. De 2e Lieven de Keylaan heeft een maximumsnelheid van 50 km/u en leidt in oostelijke richting naar het winkelcentrum Woensel. Ten zuiden van de aansluiting van de Vredeoord heeft de Boschdijk een maximumsnelheid van 50 km/u en leidt in zuidoostelijke richting naar de Ring van Eindhoven en vervolgens verder naar het centrumgebied. De Ring van Eindhoven leidt vervolgens naar aansluitingen op de A2, A50, A67 en A270. Ten noorden van de Vredeoord heeft de Boschdijk een maximumsnelheid van 70 km/u en leidt in noordelijke richting naar Best en vervolgens via de A2 richting 's-Hertogenbosch.
Verkeersgeneratie
De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling wordt bepaald met behulp van de verkeerskencijfers uit CROW-publicatie 744 'Parkeerkencijfers 2024'. De ligging van de projectlocatie is in de Nota Parkeernormen 2024 van gemeente Eindhoven gedefinieerd als 'rest bebouwde kom'.
De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van 84 sociale huurappartementen tussen de 50 m² en 65 m². Voor het bepalen van de verkeersgeneratie wordt daarom aangesloten bij de functie 'huur, appartement, sociale huur, <75 m² bvo'. Voor deze functie geldt conform CROW-publicatie 744 (schil centrum, matig stedelijke buurt) een kencijfer van maximaal 3,2 voertuigbewegingen per appartement, wat leidt tot een verkeersgeneratie van (3,2 x 84 = 268,8 =) 269 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling is echter de verkeerstoename gedurende een gemiddelde werkdag maatgevend. Voor het omrekenen van weekdag naar werkdag wordt conform CROW-744 voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 toegepast. Voor de beoogde ontwikkeling leidt dit tot een verkeerstoename van (268,8 x 1,11 = 298,4 =) 298 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag.
Verkeerstoedeling
Voor het bepalen van de toedeling van het gegenereerde verkeer is gebruik gemaakt van de navigatietool van Google Maps. De beoogde ontwikkeling wordt via de Naaldhout ontsloten op de Vredeoord. Vanaf de aansluiting op de Vredeoord wordt 60% (179 mvt/etmaal) van het gegenereerde verkeer in noordoostelijke richting ontsloten naar het kruispunt Boschdijk - 2e Lieven de Keylaan - Vredeoord. Op dit kruispunt wordt 15% (45 mvt/etmaal) in noordwestelijke richting over de Boschdijk ontsloten en 10% (30 mvt/etmaal) in noordoostelijke richting via de 2e Lieven de Keylaan. De resterende 35% (104 mvt/etmaal) wordt via de Boschdijk in zuidelijke richting ontsloten naar de Ring van Eindhoven. De overige 40% (119 mvt/etmaal) wordt vanaf de Vredeoord in zuidwestelijke richting naar het kruispunt Vredeoord- Groenewoudseweg - Bezuidenhoutseweg. Vanaf dit kruispunt wordt 20% (60 mvt/etmaal) via de Bezuidenhoutseweg en de Achtseweg Zuid in noordelijke richting ontsloten en wordt 20% (60 mvt/etmaal) via de Groenewoudseweg in zuidelijke richting ontsloten naar de Ring van Eindhoven. In de onderstaande figuur is de beoogde verkeerstoedeling weergegeven.
Beoogde verkeerstoedeling
Verkeersafwikkeling
Voor het bepalen van de verkeersintensiteiten in de autonome situatie wordt in eerste instantie aansluiting gezocht bij verkeersgegevens afkomstig uit het BBMA verkeersmodel 2022 van de provincie Noord Brabant. Hieruit zijn verkeersgegevens verzameld voor de prognosejaren 2030 en 2040. Voor het beoordelen van de impact van de planbijdrage is de verkeerssituatie 10 jaar na realisatie maatgevend. Voor de beoogde ontwikkeling wordt als uitgangspunt rekening gehouden met het realisatiejaar 2025 en het toekomstjaar 2035. Voor het bepalen van de verkeersintensiteiten in het toekomstjaar is per wegvak de 'jaarlijkse autonome groei' bepaald aan de hand van het verschil in de intensiteiten tussen de prognosejaren 2030 en 2040. In de onderstaande tabel zijn de verkeersintensiteiten met en zonder planbijdrage weergegeven tot en met de Boschdijk, vanaf waar het verkeer opgaat in het heersende verkeersbeeld.
| Wegvak | Intensiteit 2030 autonoom (mvt/etmaal) |
Intensiteit 2040 autonoom (mvt/etmaal) |
Intensiteit 2035 autonoom (mvt/etmaal) |
Planbijdrage (mvt/etmaal) | Intensiteit 2035 incl. plan (mvt/etmaal) | Procentuele toename planbijdrage | |||||
| Vredeoord, ten westen van Naaldhout | 7.900 | 8.700 | 8.290 | +179 | 8.469 | 2,2% | |||||
| Vredeoord, ten oosten van Naaldhout | 7.900 | 8.700 | 8.290 | +119 | 8.409 | 1,4% | |||||
| Groenewoudseweg | 1.300 | 1.400 | 1.349 | +60 | 1.409 | 4,4% | |||||
| Boschdijk, ten noorden van Vredeoord | 21.800 | 23.600 | 22.682 | +45 | 22.727 | 0,2% | |||||
| Boschdijk, ten zuiden van Vredeoord | 12.900 | 14.200 | 13.534 | +104 | 13.638 | 0,8% | |||||
Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt als standaard vuistregel gehanteerd dat een verkeerstoename opgaat in het heersende verkeersbeeld wanneer de procentuele toename lager is dan 5%. Uit de bovenstaande tabel blijkt dat op de relevante wegen de verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling lager is dan 5%, waaruit wordt geconcludeerd dat het effect op de verkeersdoorstroming van deze wegen verwaarloosbaar is.
Alhoewel al het verkeer vanuit de beoogde ontwikkeling wordt ontsloten via de Naaldhout, is deze weg niet meegenomen in de bovenstaande tabel omdat er geen verkeersgegevens voor de weg beschikbaar zijn vanuit het BBMA verkeersmodel. Op dit wegvak zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 298 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De Naaldhout is ingericht als een erftoegangsweg-type 2, met een rijbaanbreedte van circa 6,4 meter. Vooropgesteld dat de verkeersafwikkeling afhankelijk is van de inrichting van wegvakken en kruispunten, kan worden gesteld dat uit de verkeerskundige praktijk blijkt dat het verkeer op 30 km/u-wegen tot een omvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal veelal vlot en veilig kan worden afgewikkeld. De Naaldhout is geen doorgaande weg. Via deze weg worden dan ook enkel de aangelegen woningen en de ondergrondse parkeergarage van het pand ten zuiden van de projectlocatie ontsloten. Op basis van de aangelegen functies wordt geschat dat de huidige intensiteit op de Naaldhout laag genoeg is om de beoogde verkeerstoename vanuit de beoogde ontwikkeling probleemloos op te vangen.
Verkeersveiligheid
De beoogde ontwikkeling heeft geen nadelige gevolgen voor de verkeersveiligheid van het langzaam verkeer. Een apart voetgangersgebied is ingericht direct ten zuiden van de projectlocatie en vormt een autovrije verbinding richting de Boschdijk en de Groenewoudseweg. Op beide wegen zijn aan weerzijden van de rijbaan vrijliggende voetpaden aanwezig, met overzichtelijke oversteekplaatsen voor het langzaam verkeer. Tevens geldt voor beide wegen dat de beoogde verkeerstoename opgaat in het heersende verkeersbeeld, waaruit volgt dat het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid van de weg gering is.
Ook voor het fietsverkeer geldt dat de invloed van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid verwaarloosbaar is. Fietsers delen enkel de rijbaan met het gemotoriseerd verkeer op de Naaldhout tot aan de Vredeoord, vanaf waar het fietsverkeer wordt afgewikkeld over vrijliggende fietspaden. Gezien de korte rechtstand van de Naaldhout en de lage maximumsnelheid is het risico op snelheidsverschillen tussen weggebruikers beperkt. Daarbij geldt zoals eerder benoemd dat de Naaldhout de beoogde verkeerstoename probleemloos kan verwerken. De beoogde ontwikkeling leidt dan ook niet tot knelpunten op het gebied van verkeersveiligheid.
Autoparkeren
De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling is bepaald op basis van de 'Nota parkeernormen 2024' van de gemeente Eindhoven met behulp van de parkeertool van de gemeente (zie Bijlage 7 bij deze motivering). Binnen het gemeentelijke parkeerbeleid is de ligging van de projectlocatie gedefinieerd als 'rest gebied' en valt de beoogde ontwikkeling onder de functie 'sociale huur appartement 50-75 m²'. In de onderstaande tabel is de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bepaald.
| Functie | Type | Aantal | Norm | Parkeerbehoefte (pp) | |||
| Wonen | Sociale huur appartement 50-75 m² | 84 woningen | 0,5 per woning | 42 | |||
| Wonen | Bezoekers Woningen | 84 woningen | 0,2 per woning | 16,8 | |||
| Totaal | 58,8 | ||||||
Tabel 1. De normatieve autoparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling
De normatieve parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 58,8 parkeerplaatsen. De parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bestaat echter uit verschillende doelgroepen, namelijk bewoners en bezoekers, waarvan de parkeerbehoefte verschilt per weekmoment. Om deze reden kan dubbelgebruik worden toegepast bij het bepalen van de parkeerbehoefte gedurende het maatgevende weekmoment. Voor het bepalen van de maatgevende parkeerbehoefte is gebruik gemaakt van de aanwezigheidspercentages van de gemeente Eindhoven.
| Doelgroep | Werkdag ochtend | Werkdag middag | Werkdag avond | Koopavond | Werkdag Nacht | Zaterdag middag | Zaterdag avond | Zondag middag | |||||||||
| Woningen bewoners | % | 50% | 50% | 90% | 80% | 100% | 60% | 80% | 70% | ||||||||
| pp | 21 | 21 | 37,8 | 33,6 | 42 | 25,2 | 33,6 | 29,4 | |||||||||
| Woningen bezoekers | % | 10% | 20% | 80% | 70% | 0% | 60% | 100% | 70% | ||||||||
| pp | 1,68 | 3,36 | 13,44 | 11,76 | 0 | 10,08 | 16,8 | 11,76 | |||||||||
| Totaal | 22,68 | 24,36 | 51,24 | 45,36 | 42 | 35,28 | 50,4 | 41,16 | |||||||||
Tabel 2. Parkeerbehoefte per weekmoment
Het maatgevende moment voor de beoogde ontwikkeling is de 'werkdag avond'. Gedurende deze periode bedraagt de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling 52 parkeerplaatsen.
Parkeeroplossing
Conform het gemeentelijke parkeernormenbeleid kan de parkeerbehoefte van de bewoners worden gereduceerd doormiddel van het inzetten van deelauto's en deeltweewieler. Hierbij wordt aangehouden dat één deelauto maximaal 4 reguliere parkeerplaatsen vervangt. Voor de beoogde ontwikkeling wordt rekening gehouden met de inzet van 2 deelauto's, waarmee de parkeerbehoefte wordt gereduceerd met 8 parkeerplaatsen. Daarnaast worden 6 deeltweewielers aangeboden, die 4 reguliere parkeerplaatsen vervangen. Na toepassing van de mobiliteitscorrectie voor inzet van deelmobiliteit bedraagt de parkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling (52 + 2 - 8 - 4 =) 42 parkeerplaatsen.
Voor het opvangen van de parkeerbehoefte wordt als onderdeel van de beoogde ontwikkeling rekening gehouden met de realisatie van 27 reguliere parkeerplaatsen en 2 parkeerplaatsen voor deelauto's op eigen terrein. Voor het opvangen van de resterende parkeervraag van (42 - 29 =) 13 parkeerplaatsen is met behulp van een parkeerdrukonderzoek de beschikbare parkeercapaciteit in de omliggende openbare ruimte bepaald. Deze parkeerdrukmeting is als Bijlage 8 bij deze motivering gevoegd.
Uit de resultaten van het parkeerdrukonderzoek blijkt dat in de omliggende openbare ruimte er een restcapaciteit beschikbaar is van 10 parkeerplaatsen gedurende het maatgevende moment, rekening houdende met de maximaal toegestane bezettingsgraad van openbare parkeerplaatsen van 90%. Rekening houdende met het gebruik van de beschikbare openbare parkeercapaciteit rondom de projectlocatie, is er sprake van een resterende parkeereis van (13 - 10 =) 3 parkeerplaatsen. Voor het oplossen van de resterende parkeereis is in het ontwerp ruimte gereserveerd voor drie extra parkeerplaatsen die pas zullen worden aangelegd als de situatie daar om vraagt.
Fietsparkeren
Naast de autoparkeerbehoefte dient conform het gemeentelijke parkeerbeleid ook te worden voorzien in voldoende stallingsplaatsen voor het opvangen van de fietsparkeerbehoefte. In de onderstaande tabel is de fietsparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling berekend.
| Functie | Type | Aantal | Norm | Parkeerbehoefte (stallingen) | |||
| Wonen | Sociale huur appartement 50-75 m² | 84 woningen | 2,5 per woning | 210 | |||
| Wonen | Bezoekers Woningen | 84 woningen | 0,2 per woning | 16,8 | |||
| Totaal | 226,8 | ||||||
Tabel 3 De fietsparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling
De reguliere fietsparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 227 stallingsplaatsen. De fietsparkeerplaatsen voor bewoners worden volledig inpandig voorzien in de vorm van bergingen. Voor bezoekers worden aan de entree fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Ook zullen vier fietsparkeerplaatsen voor deeltweewielers worden gerealiseerd.
De beoogde ontwikkeling leidt tot een verkeerstoename van 298 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Op basis van de autonome verkeersintensiteiten op de omliggende wegen wordt geconcludeerd dat de beoogde verkeerstoename al op de Vredeoord zal opgaan in het heersende verkeersbeeld. Het effect van de beoogde ontwikkeling op de verkeersveiligheid en verkeersafwikkeling van het omliggende wegennet is dan ook verwaarloosbaar.
De maatgevende autoparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 52 parkeerplaatsen. Met behulp van de inzet van deelauto's en deeltweewielers, de realisatie van 29 parkeerplaatsen op eigen terrein (waarvan 2 voor deelauto's) en het gebruik maken van de beschikbare parkeercapaciteit in de omliggende openbare ruimte is er sprake van een resterende parkeereis van 3 parkeerplaatsen. De resterende parkeerdruk wordt gecompenseerd met behulp van een donatie aan het gemeentelijke mobiliteitsfonds.
De reguliere fietsparkeerbehoefte van de beoogde ontwikkeling bedraagt 227 stallingsplaatsen en wordt volledig op eigen terrein opgelost door middel van inpandige fietsbergingen (bewoners) en fietsparkeerplaatsen aan de entree voor bezoekers. Ook zullen vier fietsparkeerplaatsen voor deeltweewielers worden gerealiseerd.
Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Begin 2017 is een actualisatie van Groenbeleidsplan door de gemeenteraad vastgesteld. Dit Groenbeleidsplan 2017 voorziet in vier sporen: het verhaal van de stad, de waarde van groen, de ambitie van Eindhoven en het daadwerkelijke groenbeleid. Het groenbeleidsplan heeft als doel het duurzaam veiligstellen en ontwikkelen van een kwalitatief hoogwaardige groenstructuur met daarin passende functies. Hiermee levert de toepassing van het groenbeleid een wezenlijke bijdrage aan een gezonde woon- en werkomgeving door bij te dragen aan de thema's biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie.
Het groenbeleid sluit aan op de geomorfologische structuur van de stad: de structuur van dekzandruggen en beken (Dommel en Gender) die Eindhoven hebben gevormd. Op basis van de tuinstad gedachte is bij de verdere ontwikkeling van Eindhoven sterk ingezet op het behoud van de groene ruimten tussen de voormalige dorpen. Genneper Parken (tussen Stratum en Gestel), Brainport Park (tussen Strijp en Woensel) en De Karpen (tussen Woensel en Tongelre) vormen nog altijd imposante, groene wiggen, die tot diep in de stad reiken. Het behoud van de robuuste groenstructuur, die vanuit het buitengebied, via de wiggen tot aan de bomen bij de voordeur reikt, is een belangrijk uitgangspunt van het Groenbeleidsplan.
Het Groenbeleidsplan heeft in principe betrekking op al het groen van Eindhoven, dus niet alleen het groen in eigendom van de gemeente. Omdat niet al het groen bescherming krijgt door een specifieke groenbestemming en de gemeente enkel directe invloed heeft op haar eigen eigendommen, is niet al het groen automatisch beschermd.
In het Groenbeleidsplan 2017 zijn onder andere procesafspraken genoemd die een relatie hebben met een ruimtelijke procedure. Het betreft een procesafspraak over groenplannen bij ontwikkeling van gebouwen of gebieden en de procesafspraak over de groenregelingen voor bomen (Verordening Bomen 2024 en Nadere regels bomen) en beleidsregel groencompensatie, die is vervangen door de beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven. De genoemde groenplannen dienen een toelichting van de groene inrichting van een ontwikkeling te geven. Behoud van het bestaande groen is het uitgangspunt, evenals het (door)ontwikkelen van de groene kwaliteiten waar nodig. Het Groenbeleidsplan 2017 geeft in een kaart met zes ruimtelijke strategieën de kaders voor de ruimtelijke ontwikkeling in relatie tot groen.
Ruimtelijke Strategieënkaart (plangebied blauw omcirkeld)
Het projectgebied zelf is in het Groenbeleidsplan 2017 aangeduid als 'Stad, rood bepalend', maar het gebied ligt ook tegen 'Structureel stadsgroen' (spoortracé) en 'Natuur en landschap' (Landgoed De Grote Beek en Philips de Jonghpark). In deze gebieden wordt als ordeningsprincipe de volgende strategie aangehouden:
Strategie 1: Stad, rood beeldbepalend
In deze gebieden heeft groen een ondersteunende functie aan de stedelijke identiteit ('aankledingsgroen') of een recreatieve functie voor de woonomgeving (parken). Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van deze groene elementen of functies. Het uitgangspunt is dat de kwaliteit en het oppervlak van het groen niet verder mogen afnemen. De ondersteunende functie van het groen is van groot belang, vooral vanwege de betekenis voor biodiversiteit, gezondheid, identiteit en klimaatadaptatie. Binnen de aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal.
Strategie 4: Structureel stadsgroen
In deze gebieden gaat het om het netwerk van de binnenstedelijke groenstructuur. Het groen is bedoeld voor groene dooradering van de stad, voor intensieve recreatie en ontspanning (parken), natuur en waterberging. Als uitgangspunt wordt ingezet op een robuust groen netwerk. Het beleid is gericht op het versterken van de functionaliteit van deze gebieden en het verbinden tot robuuste structuren. Toevoeging van niet-groene voorzieningen is slechts mogelijk als sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang, als er geen alternatieven voorhanden zijn, als door een 'groen-inclusief ontwerp' de groene kwaliteit tenminste wordt gehandhaafd en als compensatie plaatsvindt van de per saldo verloren deel van de groenstructuur.
Strategie 6: Natuur en landschap
In deze gebieden staat ongestoorde verloop van ecologische processen en de natuurontwikkeling voorop. Het beleid is gericht op het contrast tussen stad en landschap te benutten door scheiding van functies na te streven. Behoud en ontwikkeling van natuur en landschap zijn de primaire functies, gecombineerd met extensief recreatief medegebruik.
De gebieden omvatten het door het rijk en de provincie ontwikkelde Natuur Netwerk Nederland en een nadere detaillering van de door het provincie aangegeven Natuur Netwerk Brabant, ecologische verbindingszones en delen van de regionale natuurontwikkelingsgebieden.
Bestaande voorzieningen of gebouwen worden gedoogd, maar zullen voor zover ze niet ten dienste staan van het behoud of de ontwikkeling van natuur en landschap worden verwijderd na functiebeëindiging. Verstedelijking of andere ingrepen (infrastructuur) zijn in deze categorie niet aan de orde tenzij in zwaarwegende maatschappelijke belangen waarvoor alternatieven ontbreken en met toepassing van compensatie.
Op 17 juli 2024 is de Beleidsregel 'Groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen gemeente Eindhoven' in werking getreden. Deze beleidsregel heeft als doel een afwegingskader te bieden waarmee wordt bepaald of een ruimtelijke ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten van het gemeentelijk beleid over het nemen van klimaatrobuuste maatregelen. Daarnaast is een afwegingskader opgenomen voor compensatie van bestaand groen en voor verzoeken tot beheer en verkoop van gemeentelijk groen.
Met deze beleidsregel is vastgelegd dat initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen een bijdrage dienen te leveren aan het vergroenen van de stad op een manier die bijdraagt aan de doelstellingen klimaatadaptatie, biodiversiteit, gezondheid en identiteit.
Groennorm
In de beleidsregel is opgenomen dat er per nieuwe woning ter waarde van 8 m2 nieuw groen toegevoegd moet worden. In het geval van het niet-woonprogramma geldt dat er ter waarde van 10% van het bruto vloer oppervlak (BVO) moet worden vergroend. Er wordt gestuurd op kwaliteit. Groen van een hoge kwaliteit kan de groennorm verlagen, groen van lagere kwaliteit kan de groennorm verhogen.
Voor de toepassing van de groennorm/groenopgave wordt de rekentool Klimaatopgave gebruikt. De uitdraai hiervan wordt bij de vergunningaanvraag gevoegd. De gekozen maatregelen worden voor groen uitgewerkt in een groenplan. Deze rekentool wordt ook gebruikt voor de waterbergingsopgave
Groencompensatie
In de beleidsregel 'groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen' zijn regels opgenomen voor (financiële) compensatie van bestaand groen. Voor bomen geldt deze regeling niet, hiervoor geldt de Verordening Bomen.
In de Verordening Bomen 2024 is de bescherming van bomen geregeld, doordat voor het kappen van bomen een omgevingsvergunning nodig is. Daarbij wordt ook gezorgd voor de compensatie van te kappen bomen. De verordening bevat regels over hoe wordt omgegaan met overlast door bomen, de compensatieplicht bij kap, de indieningvereisten bij een vergunningaanvraag, de beoordeling (weigeringsgronden) van een kapaanvraag en het aanbrengen van verlichting in bomen.
Conform de verordening is een vergunning voor kappen van bomen nodig voor:
De Verordening en (uitwerking daarvan in) nadere regels voor compensatie is van toepassing op bomen die niet vallen onder de regelgeving van de Aanvullingswet Natuur. De Aanvullingswet Natuur is van toepassing buiten de Bebouwingscontour houtkap (voorheen bebouwde komgrens Wet Natuurbescherming) op:
Voor bomen geldt dus of de Aanvullingswet Natuur of de Verordening Bomen 2024. Voor het vellen van bomen die onder bovenstaande criteria vallen, dient een melding te worden gedaan bij de Provincie Noord Brabant. Er is een herplantplicht van toepassing.
Verdere details zijn te vinden in de Verordening bomen 2024 en de nadere uitwerking daarvan in de nadere regels.
Nadere regels compensatieplicht Verordening Bomen 2024
Het uitgangspunt is dat er bij kap fysiek gecompenseerd wordt in de zin van herplant van een gelijkwaardige boom of houtopstand.
Fysieke compensatie vindt plaats op dezelfde locatie als waar de te vellen boom of houtopstand aanwezig is of was. Indien herplant op die locatie niet mogelijk is, is een alternatieve locatie op het perceel of in het plangebied mogelijk.
Indien fysieke compensatie slechts deels mogelijk is kan de herplant worden aangevuld met financiële compensatie. Dat fysieke compensatie niet mogelijk is moet onderbouwd worden door de initiatiefnemer en vervolgens worden beoordeeld en goedgekeurd door het college.
Er is een Groene kaart waarop ter informatie het volgende is aangegeven:
De informatie op de groene kaart is nodig om:
Om de kaart actueel te houden wordt de informatie over de bomen op de kaart en de kadastrale situatie op de kaart, zeer frequent bijgewerkt. Zo blijft de kaart up-to-date en betrouwbaar voor zowel interne als externe gebruikers.
Groenstrategie
De strategie 'Stad, rood beeldbepalend' is aan de orde. Het beleid is gericht op behoud en ontwikkelen van groene elementen of functies, waarbij het uitgangspunt is dat de kwaliteit en het oppervlak van het groen niet verder mogen afnemen. Binnen als zodanig aangeduide groenarme buurten wordt gestreefd naar uitbreiding van het groenareaal. Het projectgebied ligt volgens de Groene Kaart 2024 binnen een groenarme buurt waar naar uitbreiding van het groenareaal wordt gestreefd. Bij de herontwikkeling van het volledige complex is hieraan al veel aandacht besteed, getuige de stedenbouwkundige opzet van het complex zoals op navolgende afbeelding te zien is.
Het ruimtelijk kader van Vredeoord
Een belangrijk element is de groene Dreef die Vredeoord en Woensel-West verbinden met het buitengebied (het Groene Woud / landgoed De Grote Beek). De beukenhaag rondom het gebied geeft het terrein samenhang en markeert de bijzondere plek. De bestaande bomenstructuur wordt grotendeels gehandhaafd. Nieuwe lineaire groenstructuren worden toegevoegd waardoor kamers ontstaan, die onafhankelijk van elkaar geprogrammeerd worden. De auto-ontsluiting en parkeervoorzieningen zijn gekoppeld aan de lineaire groenstructuren. De ontsluiting vindt plaats vanuit de randen en prikt halverwege het gebied in. De beplanting van de inprikkers bestaat uit gebiedseigen soorten, die refereren aan het oorspronkelijke heidegebied.
Met dit project wordt volume in de hoogte aangebracht zodat bestaande bomen zo veel mogelijk behouden kunnen blijven en op maaiveld ruimte blijft voor toevoeging van groen. Daarbij wordt geprobeerd de aansluiting te zoeken met het structurele stadsgroen (groene hoofdstructuur) ten zuidwesten van het projectgebied en het groene natuurlandschap ten noord(west)en van het projectgebied.
Het behoud en versterken van groen rondom het nieuwe woongebouw draagt bij aan klimaatambities (minder verharding ten behoeve van hemelwaterinfiltratie en tegengaan hittestress door schaduw en onverhard oppervlak), biodiversiteit, en het welzijn (en daarmee de gezondheid) van bewoners.
Groenopgave
Om te beoordelen of het ontwerp van een project aan de groennorm voldoet is de online rekentool gebruikt. Daarin is ook de norm voor hemelwaterberging (zie paragraaf 7.11) verwerkt. Het resultaat is opgenomen als Bijlage 10 bij deze motivering (Rekentool klimaatopgave).
Bij stap 1 van de Rekentool Klimaatopgave worden de kerngegevens van het project ingevuld, zoals ligging, oppervlakte en programma. Daaruit volgt de behoefte aan groen en waterberging die gerealiseerd dienen te worden. Bij stap 2 wordt nader gespecificeerd welk oppervlak van het maaiveld, dak en gevel groen wordt uitgevoerd. Ook kan worden aangegeven welke maatregelen in het project worden genomen om groen toe te voegen en/of water vast te houden, zoals een groen dak, wadi of ondergrondse waterbergingen. De ontwikkeling is klimaatneutraal of -positief als aan de vereiste groen- en waterbergingsopgave wordt voldaan.
Zoals uit bijgevoegde uitvoer van de rekentool blijkt worden rondom de nieuwbouw diverse groenmaatregelen getroffen, zoals aanplant van bomen, toepassing halfverharding (en grasbetonelementen) en gezamenlijk groen en dood hout op maaiveld. Initiatiefnemer is voornemens 570 m² extensief groen dak, diverse natuurvoorzieningen in de gevel (diverse nestplaatsen) en 200 m² groene gevel te realiseren. Daarmee wordt voldaan aan de groennorm.
Bij de aanvraag om omgevingsvergunning voor realisatie van het bouwplan zal dit nader worden uitgewerkt. In de regels van dit wijzigingsbesluit omgevingsplan wordt een voorwaarde opgenomen waarmee deze verplichting juridisch-planologisch wordt geborgd.
Bomen
De nieuwbouw binnen het projectgebied kan gevolgen hebben voor bestaande bomen binnen en rondom het projectgebied. Daarom is een bomeneffectanalyse (BEA) uitgevoerd. De rapportage hiervan is als Bijlage 11 bij deze motivering opgenomen.
Samenvattende afbeelding BEA (Bron: Van Helvoirt Groenprojecten)
Uit de BEA volgt dat ter plaatse van het parkeerveld en ontsluiting vijf bomen (8, 9, 10, 11 en 13) niet duurzaam behouden kunnen blijven. Eén daarvan (8) kan bovendien niet behouden blijven vanwege de slechte kwaliteit in de huidige situatie, wat ook voor drie andere bomen (7, 27, 33) geldt. Het advies is om deze bomen te rooien. Voor drie andere bomen (9, 10, 11) ter plaatse van het parkeerveld wordt geadviseerd deze (onder voorwaarden) te verplaatsen. Voor de boom ter plaatse van de ontsluiting (13) en twee andere bomen in de omgeving (41 en 46) wordt geadviseerd het ontwerp dusdanig aan te passen dat de boom een volwaardige groeiruimte krijgt. Voor boom 41 geldt echter dat deze ten onrechte op deze manier is beoordeeld, omdat de boom feitelijk al voldoende ruimte heeft en deze inkeping in het straatwerk behouden blijft (op de tekening is dit dus verkeerd weergegeven). In het ontwerp van de openbare ruimte zal rekening worden gehouden met de geadviseerde aanpassingen en het herplanten van enkele bomen.
Voor het kappen van bomen is (mogelijk) een omgevingsvergunning voor kappen nodig. In de rekentool Klimaatopgave (zie bijlage bij deze motivering) is alleen de aanplant van nieuwe bomen opgenomen die nodig zijn om te voldoen aan de groenopgave van de nieuwbouw vanwege de 'Beleidsregel groen en water bij ruimtelijke ontwikkelingen'. De compensatie voor de te kappen bomen wordt meegenomen bij opzet van het compensatieplan ten tijden van de kapvergunning.
Op basis van de gemaakte afspraken wordt voldaan aan de groennorm. Bij het ontwerp is zo veel mogelijk rekening gehouden met bestaande bomen. Het aspect groen (waaronder bomen) vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur en de gevolgen voor de natuur door stikstofdepositie
Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten, diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of er soorten aanwezig zijn en welke soorten dat zijn. In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Het projectgebied ligt niet binnen een natuurgebied dat is aangewezen als Natura2000-gebied. De dichtstbijzijnde natuur die onderdeel uitmaakt van het Natura2000-netwerk is het gebied "Leenderbos, Groote Heide en De Plateaux" dat op ongeveer 6,7 km ten zuidwesten en -oosten van het projectgebied is gelegen. Twee andere dichtbijgelegen Natura2000-gebieden het gebied "Kempenland-West" op ongeveer 9,1 kilometer ten westen en het gebied "Strabrechtse heide en Beuven" op ongeveer 9,8 km ten zuidoosten van het projectgebied. Groen op Landgoed De Grote Beek op ongeveer 50 meter ten noordwesten van het projectgebied is het dichtstbijzijnde stukje Natuur Netwerk Nederland (in de Omgevingsverordening Noord-Brabant begrensd als zijnde Natuurnetwerk Brabant). Verder is het projectgebied niet gelegen binnen of in de nabijheid van een belangrijk weidevogelgebied.
Uitsnede digitale kaart 'Natuurnetwerk Nederland (EHS)' en 'Natura 2000-gebieden' (Bron: Atlas Leefomgeving). Projectgebied met blauwe marker aangeduid.
Directe negatieve effecten van dit project op bovengenoemde beschermde natuurgebieden zijn vooral gelet op aard en omvang van het plan in combinatie met de afstand van het projectgebied tot aan deze natuurgebieden niet te verwachten. Indirecte negatieve effecten zoals stikstofdepositie zijn echter niet op voorhand uit te sluiten, omdat verstoring van natuurgebieden door stikstof nog op een grote afstand van een bepaalde ontwikkeling kan plaatsvinden. Om die reden is voor dit project een stikstofberekening uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn gerapporteerd en als Bijlage 12 bij deze motivering gevoegd.
Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie nergens hoger is dan afgerond 0,00 mol/ha/jaar en er derhalve geen relevant effect is. Negatieve effecten in de vorm van vermesting en verzuring zijn om die reden niet aan de orde. Voor de uitvoering van dit project geldt geen vergunningplicht voor een Natura2000-activiteit.
Als beschermde soorten in het projectgebied voorkomen dan kan het project gevolgen hebben voor deze soorten. Om vast te stellen of er mogelijk beschermde soorten in het projectgebied voorkomen, is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. De rapportage is als Bijlage 13 bij deze motivering gevoegd. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste bevindingen:
In het plangebied komen echter mogelijk ook een wezel voor en die is in de provincie Noord-Brabant niet vrijgesteld voor ruimtelijke ontwikkeling. Conform de Provincie Noord-Brabant hoeven plangebieden kleiner dan één hectare niet nader te worden onderzocht op het voorkomen van kleine marterachtigen als de wezel (Bouwens, 2017). Omdat het plangebied circa 0,65 ha groot is, dient er dus geen nader onderzoek naar de aanwezigheid van kleine marterachtigen plaats te vinden. Wel dient de vegetatie buiten de kwetsbare periode (voortplantingsperiode) van de wezel te worden verwijderd (dus buiten maart t/m oktober).
Bij de uitvoering van dit project wordt conform de hiervoor beschreven gedragsregels gehandeld. Zodoende kan worden geconcludeerd dat er vanuit het oogpunt van gebieds- en soortenbescherming geen belemmeringen zijn voor dit project.
Algemeen (wettelijk kader /gemeentelijk beleid)
Rijk
Nederland leeft met water. Dat betekent dat bij bouwen rekening gehouden moet worden met water. Bij de vaststelling van het omgevingsplan moet de gemeente voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder betrekken. Dit volgt uit een instructieregel (artikel 5.37) die is opgenomen in paragraaf 5.1.3 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Op basis van artikel 5.37 vervalt de term 'watertoets'. Met ingang van de Omgevingswet vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' deze term. Er gelden geen regels voor hoe de gemeente de waterbeheerder hierbij betrekt. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven.
In de kamerbrief 'water en bodem sturend' van 25 november 2022 formuleert het Rijk een aantal uitgangspunten om water en bodem sturend te laten zijn in de ruimtelijke ordening. Dat zorgt ervoor dat de inwoners ook in een Nederland met een veranderend klimaat kunnen blijven leven, wonen en werken. Naast de keuze 'waar' te bouwen is er ook invulling gegeven aan de vraag 'hoe' een gebied klimaatbestendig kan worden ingericht of bebouwd. Daartoe hebben de samenwerkende overheden en externe partijen een landelijke maatlat voor een groene klimaatadaptieve gebouwde omgeving opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de thema's wateroverlast, droogte, hitte, gevolgbeperking overstromingen, biodiversiteit en bodemdaling bij nieuwbouw. Voor juridische borging van de groene maatlat denkt het Rijk aan een instructieregel in het Bkl of meer specifieke regelgeving in het Bbl.
Provincie
De Omgevingsverordening van de provincie Noord-Brabant bevat instructieregels voor waterschappen en gemeenten. In hoofdstuk 5 van de Omgevingsverordening staan de instructieregels voor gemeenten. Voor het thema 'water' zijn de volgende artikelen van belang:
In artikel 5.7 wordt voor het realiseren van een veilige, gezonde leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit toepassing gegeven aan de lagenbenadering. Daarmee wordt tegemoet gekomen aan het principe 'water een bodem sturend'. Het is een keuze van het kabinet om bij de inrichting van Nederland meer rekening houden met water en bodem. Dit principe is vertaald in diverse randvoorwaarden waarmee provincies samen met alle betrokken partijen een gebiedsgerichte aanpak kunnen opstellen.
In artikel 5.16 tot en met artikel 5.18 worden de grondwatervoorraden beschermd. Daardoor blijft waterwinning voor menselijke consumptie mogelijk.
Artikel 5.41 en 5.42 gaan in op de bescherming van de waterhuishouding en behoud en herstel van watersystemen. Doel van de attentiezone waterhuishouding is om ontwikkelingen die een negatieve invloed hebben op de binnen de attentiezone gelegen natte natuurparels tegen te gaan. Het werkingsgebied 'Behoud en herstel watersystemen' is gebaseerd op het Regionaal waterprogramma en gebaseerd op waterlopen met de functie waternatuur, (natte) ecologische verbindingszones en gebieden die in de reconstructie- en gebiedsplannen zijn aangeduid als 'ruimte voor beek- en kreekherstel'. Uitgangspunt voor de begrenzing door de gemeente in het omgevingsplan is een breedte van ten minste 25 meter aan weerszijden van de waterloop.
Om de ruimte voor oppervlaktewater te behouden zijn artikel 5.49 en 5.50 opgesteld. Een waterloop heeft ruimte nodig om bij langdurige neerslag water te kunnen afvoeren. Daarbij treedt het water uit zijn 'bakje' en overstroomt de omgeving. Hier dient rekening mee te worden gehouden bij bouwactiviteiten. Binnen regionale waterberging (artikel 5.49) gelden meer beperkingen dan in de reserveringsgebieden waterberging, omdat deze gebieden concreet nodig zijn om wateroverlast tegen te gaan. Binnen reservering waterberging (artikel 5.50) is een afweging mogelijk. De onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan bevat hiervan de verantwoording. In beide gevallen geldt bij het opnemen van een regeling in het omgevingsplan dat betrokkenheid van de waterschappen, als primair verantwoordelijk bestuursorgaan voor de inrichting van de waterbergingsgebieden, nodig is.
Bij regionale waterkeringen rondom de Klotputten geldt een beperkingengebied. Een beperkingengebied is een breed verzamelbegrip en wordt in de Omgevingswet gedefinieerd als een gebied dat bij of op grond van de wet (door Rijk of provincie) is aangewezen, waar vanwege de aanwezigheid van een werk of object, regels gelden over activiteiten die gevolgen hebben of kunnen hebben voor dat werk of object.
Waterschap
Het waterschap gaat niet over ruimtelijke ordening. Uit artikel 5.37 van het Bkl volgt dat de gemeente de opvattingen van de waterbeheerder moet betrekken bij het vaststellen van het omgevingsplan. Op basis van het uitgangspunt 'water en bodem sturend' kan de rol van het waterschap in de ruimtelijke ordening wellicht wijzigen. In de Keur van Waterschap De Dommel bevat artikel 3.6 een verbod op afvoer door verhard oppervlak zonder vergunning. Op basis van de algemene regel 15 (Afvoer hemelwater door toename en afkoppelen van verhard oppervlak) geldt een vrijstelling als het waterschap na 1 januari 2019 heeft ingestemd met de waterparagraaf in het bestemmingsplan. Voor de gemeente Eindhoven is dit geval. Dat betekent dat de rekentool klimaatadaptie opgave leidend is bij elke nieuwe ontwikkeling.
Gemeente Eindhoven
De gemeente Eindhoven heeft drie wettelijke zorgplichten (inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater). Daarnaast zijn in het Water- en Klimaatadaptatie Aanpak (WKA) taken beschreven voor het oppervlaktewater en de water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven.
De water gerelateerde klimaatadaptatie opgaven zijn verder uitgewerkt in waterregels. Deze regels binden derden aan de doelen van dit beleid. De regels voor waterberging zijn zo opgesteld dat vergroening op privaat terrein bij nieuwbouw wordt gestimuleerd en beloond. Hoe groener een plangebied wordt ingericht hoe lager de waterbergingseis in millimeters wordt. Ook ontwikkelingen in groenarme buurten worden op deze manier gestimuleerd.
De gemeente Eindhoven heeft de rekentool klimaatadaptatie opgave ontwikkeld waarmee initiatiefnemers eenvoudig kunnen nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn, op basis van een aantal gegevens van hun initiatief en de locatie. Ook de vergroeningsopgaven zijn opgenomen in de rekentool.
Rijk en provincie zetten in op water en bodem sturend maken. In Eindhoven zijn Watervisiekaarten opgesteld om hier invulling aan te geven. Deze watervisiekaarten zijn richtinggevend bij elke ruimtelijke transitie binnen de gemeente Eindhoven en vormen een onderlegger voor het Omgevingsplan.
Toelichting rekentool
De gemeente Eindhoven maakt bij de beoordeling van de voor een nieuwe ontwikkeling in een plangebied voorgestelde maatregelen gebruik van een rekentool. Deze rekentool klimaatopgave, beschikbaar op rekentool.eindhovenduurzaam.nl, maakt het voor een ontwikkeling mogelijk interactief het plangebied en de te nemen maatregelen te beschrijven en te controleren of aan de gemeentelijke eisen wat betreft waterberging en vergroening wordt voldaan. Bovendien kan een afschrift van de beschrijving van het plangebied en de keuze van de maatregelen met voorbeelden voor de verdere uitwerking gedownload worden om bijgevoegd te worden bij de eventuele watertoets of aanvraag van de omgevingsvergunning.
De werking van de rekentool kan worden aangepast aan nieuwe inzichten en de uitkomst van de laatste versie van de tool is maatgevend.
Principewerking van de rekentool
De rekentool klimaatopgave vraagt de klimaatrobuuste maatregelen te specificeren die zijn voorzien in het ontwerp binnen het plangebied en, waar nodig, hoe groot de oppervlakken zijn waar deze worden toegepast. Hieruit berekent de tool welk deel van het regenwater van een bui binnen het plangebied geborgen moet worden (de waterbergingsopgave, het grijze deel) en welk deel de klimaatrobuuste maatregelen zelf voor hun rekening nemen (het groene deel). Daarna kunnen nog extra maatregelen toegevoegd worden. Het doel is dat alle maatregelen bij elkaar de totale waterbergingsopgave (berging van al het water van een bui) van het plangebied voor hun rekening nemen.
De specificatie van maatregelen en oppervlakken vindt interactief plaats: de tool laat direct het effect van deze specificaties zien op de daaruit afgeleide totale waterbergingsopgave; daarnaast laat de tool op een aantal manieren visueel zien wat de individuele groene en grijze bijdrage van een maatregel is. Vóór elke maatregel staat in de tool een i-symbool; door daarop te klikken wordt meer informatie over die maatregel gegeven zoals specifieke uitvoeringseisen en links naar achtergrondinformatie.
De tool doorloopt hierbij vier stappen:
Beschrijving watersysteem plangebied
| Checklist Watersysteem | ||
| Hoofdwatergang cq open water | Nee | |
| Zijwatergang | Nee | |
| Keurgebied binnen plangebied? | Nee | |
| Binnen 25-100 jaarszone? | Nee | |
| Binnen boringsvrije zone? | Nee | |
| Ecologische verbindingszone? | Nee | |
| Binnen reserveringsgebied waterberging 2050? | Nee | |
| Attentiegebied EHS | Nee | |
| Rioolwatertransportleiding | Nee | |
| Waterschap gemaal | Nee | |
| Verdachte/verontreinigde locaties? | Nee | |
| Infiltratie praktisch mogelijk? | matig | |
| Uitwerkingsplicht / wijzigingsbevoegdheid | Nee | |
Samenvattend
Bij een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling geeft het Rijk drie aandachtspunten mee: (1) betrekken van de waterbeheerder, (2) water en bodem sturend maken en (3) werken met de groene maatlat. Naast de bestaande instructieregels stuurt de provincie op een goede omgevingskwaliteit met aandacht voor water en bodem sturend middels de lagenbenadering. Hierdoor wordt rekening gehouden met een veranderend klimaat. De gemeente Eindhoven heeft een wettelijke zorgplicht voor de inzameling en transport van afval-, hemel- en grondwater. De rekentool klimaatadaptatie opgave geeft invulling aan klimaatadaptatie en is opgenomen in het paraplu bestemmingsplan. Door het invullen van de rekentool kunnen initiatiefnemers van ruimtelijke ontwikkelingen eenvoudig nagaan wat de omvang van de klimaatadaptatie maatregelen moet zijn.
Door de bouw van 84 woningen zal het aanbod aan huishoudelijk water (afvalwater) toenemen. Dit afvalwater zal op gebruikelijke wijze gescheiden worden van het hemelwater. Beide waterafvalstromen worden aangesloten op het gescheiden riool in de straat Naaldhout.
In het kader van het bestemmingsplan "Vredeoord" is voor de totale ontwikkeling van complex Vredeoord, waartoe ook voorliggend plangebied behoort, een waterhuishoudkundig plan opgesteld (Sweco, Vredeoord te Eindhoven: Kader voor waterhuishouding bij gefaseerde woningbouwrealisatie, 7 april 2016, definitief (revisie 5)) (zie ook Bijlage 9 bij deze motivering). In dat plan is met onderstaande afbeelding de waterhuishoudkundige eindsituatie weergegeven. Daaruit blijkt dat centraal binnen het complex Vredeoord een zone (De Groene Dreef) wordt ingericht voor berging en infiltratie van hemelwater afkomstig uit de verschillende kamers van een groot deel van het voormalige complex. Deze voorzieningen zijn inmiddels gerealiseerd en voorliggend plangebied (bouwveld Ovaal) is één van de kamers waarop de voorzieningen zijn berekend.
Het hemelwater dat op daken binnen het plangebied neerkomt wordt via een hemelwaterriool naar centrale bergingsvoorziening in De Groene Dreef gebracht. Daar wordt het water vastgehouden en kan het infiltreren. Het voorliggende plan brengt, met name vanwege de bouwhoogte (> 30 meter) conform de ingevulde rekentool (zie Bijlage 10) een grotere waterbergingsopgave met zich mee dan waarop de voorziening in de Groene Dreef is berekend. Het gaat om 200 m² dakoppervlak dat hoger dan 30 meter zal zijn. Deze wordt vermenigvuldigd met een factor van 0,25 (= 50m²), welke belast wordt met de wateropgaaf uit de groen-grijs verhouding. Uitgaande van een bergingseis van worstcase 75mm (bij volledige verharding), neemt de benodigde waterbergingsopgave met 3,75 m³ toe ten opzichte van hetgeen voorheen in het plan Vredeoord is berekend.
Deze extra wateropgaaf is in het planvoornemen verwerkt door onderstaande maatregelen:
Er wordt dan ook ruimschoots aan de gemeentelijke beleidsnormen voor waterberging voldaan.
Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Wettelijk en beleidsmatig karakter
Nationaal beleid
Het Verdrag van Valletta (Malta) verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld wanneer andere belangen zwaarder wegen, dan moeten de waarden worden opgegraven en daarmee ex situ worden behouden. Het Verdrag van Valletta is doorvertaald in de Monumentenwet 1988, zoals deze gewijzigd is in september 2007. Sinds deze wijziging van september 2007 is de gemeente het bevoegd gezag op het gebied van archeologie en cultuurhistorie. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit het Verdrag van Valletta (Malta) blijven in de Erfgoedwet de basis van de omgang met archeologie. Gemeenten houden een belangrijke rol in het archeologische stelsel. In het omgevingsplan houden ze rekening met (te verwachten) archeologische waarden door het stellen van regels. Het al dan niet stellen van regels ten aanzien van archeologie dient te rusten op voldoende informatie over de archeologische situatie. Deze informatie kan worden verkregen door gebiedsdekkende kaarten waarop de archeologische (te verwachten) waarden in de ondergrond zichtbaar zijn. Op basis hiervan kan archeologisch beleid worden ontwikkeld.
Gemeentelijk beleid
De gemeente Eindhoven beschikt, als invulling van haar verantwoordelijkheid volgens de Erfgoedwet, over een eigen Archeologische verwachtingen- en waardenkaart. Met deze kaart wil de gemeente het ondergronds cultureel erfgoed van Eindhoven behouden door behoedzame ontwikkeling en beheer. De geactualiseerde Archeologische verwachtingen- en waardenkaart (vastgesteld op 21 juni 2022) wordt beschouwd als een bureauonderzoek op gemeentelijk schaalniveau en geldt vanaf het moment van vaststelling als onderlegger voor het omgevingsplan.
Op de archeologische verwachtingen- en waardenkaart zijn de archeologische waarden en verwachtingen binnen de gemeentegrenzen aangegeven door middel van categorieën (de categorieën 1 tot en met 8). Ter bescherming van de archeologische waarden worden deze (met uitzondering van categorie 8) op de verbeelding opgenomen als Waarde – Archeologie. Hieraan zijn per categorie regels gekoppeld. Deze regels geven aan wanneer archeologisch onderzoek verplicht is. (Bouw)werkzaamheden die binnen de in de regels vermelde oppervlakten én diepte vallen worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Hierdoor kunnen bij ruimtelijke ordeningsprocedures sneller beslissingen worden genomen en kan de archeologie in een vroeg stadium in het proces worden meegenomen.
Archeologisch kader
De van oorsprong hoger gelegen oude bouwlanden met een dik plaggendek, waaruit een groot deel van het gemeentelijk grondgebied bestond, blijken een goed geconserveerd bodemarchief te herbergen. Maar ook andere landschappelijke eenheden - zoals de nattere beekdalen en de flanken daarvan, de vennen of het 'restveen' - blijken vaak een waardevol archeologisch gegevensbestand te bevatten. Het gemeentelijk bodemarchief geeft blijk van een bewoningsgeschiedenis van duizenden jaren en herbergt archeologische resten daterend uit de (late) prehistorie, de Romeinse tijd, de vroege middeleeuwen, de late middeleeuwen en nieuwe tijd. Deze gegevens zijn van groot belang voor de reconstructie van het verleden, temeer omdat geschreven bronnen in Eindhoven nagenoeg ontbreken.
Een bijzondere betekenis heeft de historische kern van Eindhoven, die als stad al in de loop van de late middeleeuwen een belangrijke regionale economische en bestuurlijke rol vervulde. Daarnaast kent de gemeente uit deze periode een aantal (verdwenen) hoeven, kasteeltjes, kerken, (water)molens en dergelijke die zowel archeologisch en cultuurlandschappelijk van hoge waarde zijn. Archeologische waarnemingen binnen en ook buiten de van oorsprong laatmiddeleeuwse historische kernen bieden mogelijkheden om meer te weten te komen over de ontstaansgeschiedenis, ontwikkeling en bewoningsdynamiek tussen de plattelandsdorpen en de stad in wording en kunnen daarmee een verrijking vormen voor de lokale en regionale geschiedenis. Daarnaast zijn in de gemeente resten van ondergronds militair erfgoed te verwachten. In de Tweede Wereldoorlog lag hier bijvoorbeeld een militair vliegveld ('Fliegerhorst Eindhoven') en de gemeente maakte deel uit van het operatieterrein 'Market Garden' van het geallieerde bevrijdingsleger.
Meldingsplicht toevalsvondsten
De wettelijke meldingsplicht voor archeologische toevalsvondsten geldt altijd (art. 5.10 Erfgoedwet 2016). Mochten tijdens grondwerkzaamheden (vermoedelijke) archeologische resten (vondsten, muurwerk, grondsporen et cetera) worden aangetroffen, dan dienen deze direct gemeld te worden aan de Minister van OCW en bij de (afdeling Omgevingskwaliteit) gemeente Eindhoven. Vervolgens zal bepaald worden of, en zo ja welke, aanvullende maatregelen getroffen dienen te worden.
Het Paraplubestemmingsplan archeologie 2023 (onderdeel omgevingsplan) stelt regels met betrekking tot de bescherming van mogelijk in de bodem aanwezige archeologische waarden. Binnen het projectgebied komen verschillende beschermingsregimes voor:
| Archeologische verwachting | Onderzoeksplicht bij bodemingrepen: | ||||
| Dubbelbestemming | Waardering | Groter dan | Dieper dan | ||
| Waarde - Archeologie 6 | Middelhoge archeologische verwachting | 2.500 m² | 30 cm-mv | ||
Uitsnede Archeologische waardenkaart Eindhoven. Projectgebied blauw omlijnd.
Het volledige projectgebied is aangewezen als terrein van middelhoge archeologische verwachting. Vanwege de onderzoeksplicht is archeologisch onderzoek uitgevoerd. De rapportage is opgenomen als Bijlage 14 bij deze motivering.
Op basis van de tijdens het bureauonderzoek verzamelde gegevens is een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld. Er is een middelhoge verwachting voor nederzettingsresten uit de periode neolithicum tot en met late middeleeuwen en een hoge verwachting voor sporen van ontginning uit de nieuwe tijd. Het booronderzoek heeft aangetoond dat het archeologische niveau waarop deze sporen zich kunnen aftekenen (in de top van het pleistocene zand) niet langer intact is. Zodoende kan de archeologische verwachting voor het plangebied bijgesteld worden naar laag.
Op basis van de resultaten van dit onderzoek blijkt dat in het plangebied geen archeologische resten bedreigd worden. Daarom wordt in het kader van de voorgenomen bodemingrepen geen vervolgstap uit het proces van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) noodzakelijk geacht. RAAP adviseert het plangebied vrij te geven van verder archeologisch onderzoek en de bestemming 'Waarde - Archeologie 6' ter plaatse op te heffen.
Het bevoegd gezag heeft besloten dit advies over te nemen, en onderbouwt dit als volgt:
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Op 29 november 2022 is de cultuurhistorische waardenkaart van Eindhoven geactualiseerd. De kaart dient als beleidskader om bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad rekening te kunnen houden met de cultuurhistorie van Eindhoven. De kaart bestaat uit twee deelwaardenkaarten, te weten de waardenkaart historisch cultuurlandschap en de waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed.
Op de waardenkaart historisch cultuurlandschap zijn aangegeven en gewaardeerd de historische landschappelijke gebieden (incl. historische nederzettingslocaties) en elementen (landschapselementen infrastructuur, waterstaat, opgaand groen, religie en funerair erfgoed en reliëf), die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven
Op de waardenkaart historische stedenbouw en erfgoed zijn aangegeven de beschermde rijks- en gemeentelijke monumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten, gemeentelijke archeologische monumenten, cultuurhistorisch waardevolle objecten, historisch waardevolle kunstwerken, historische wegen en waterlopen, historisch-stedenbouwkundige structuren en waardevol aangelegd groen en bomen, die belangrijk zijn voor de herkenbaarheid van de historische ontwikkeling van Eindhoven.
Gemeente Eindhoven beschikt over een cultuurhistorische waardenkaart. Op de cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente is te zien dat er binnen het projectgebied zelf geen monumenten of cultuurhistorisch waardevolle elementen of objecten voorkomen. Het tegenovergelegen Landgoed De Grote Beek (actieve heidebebossing) en met name de zijde aan de straat Vredeoord (bos voor 1843, bomenrij/houtsingel/houtwal, dijk of wal (reliëf)) is wel cultuurhistorisch waardevol. Hier staat ook een rij monumentale bomen en ligt een historisch geografische waardevolle lijn (pad, voor 1850, nu nog herkenbaar). Ook de spoorlijn ten westen van het projectgebied vormt zo een historisch geografisch waardevolle lijn.
Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart Eindhoven. Projectgebied blauw omlijnd.
De voorgenomen ontwikkeling beperkt zich tot het eigen kadastrale perceel en vormt dan ook geen onderbreking van de cultuurhistorische waardevolle structuren in de omgeving. Gelet op de aard van het project in relatie tot de afstand van de diverse cultuurhistorisch waardevolle elementen en waardevolle bomen doet dit project geen afbreuk aan deze bomen en elementen.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
De ambities van de gemeente op het gebied van duurzaamheid zijn vastgelegd in het raadsprogramma Duurzaamheid. Een duurzame stad is een stad die rekening houdt met de behoeften van de huidige generatie zonder die van toekomstige generaties in gevaar te brengen. Onderstaande tekst legt concreet uit wat we als stad willen en waar dat op gebaseerd is.
CO2 reductie
Het klimaat verandert door de toegenomen uitstoot van CO2. Dat gaat sneller dan we gedacht hadden. De temperatuur op aarde neemt toe waardoor de weersomstandigheden extremer worden: meer hitte, meer droogte, hevigere neerslag, meer stormen enz. Om de gevolgen van de klimaatverandering beperkt te houden, moet de CO2 uitstoot drastisch dalen. Wereldwijd zijn eind 2015 afspraken gemaakt om te pogen het probleem van klimaatverandering zoveel mogelijk te beperken: het klimaatakkoord van Parijs. Eindhoven onderschrijft dat akkoord door de in 2016 vastgestelde Klimaatverordening040. Hierin is vastgelegd dat de CO2 emissie van de stad teruggedrongen moet worden met 55% in 2030 en 95% in 2050. Referentiepunt daarbij is de emissie in het jaar 1990. De gemeenteraad heeft in het Klimaatplan 2021-2025 de doelstellingen van de klimaatverordening uitgewerkt.
1A) Aardgasloze verwarming
Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot te realiseren is op termijn een volledig aardgasloze verwarming van de gebouwde omgeving noodzakelijk. We zetten daar als gemeente op in en dit is nadrukkelijk ook het Rijksbeleid. Per 1 juli 2018 is de Wet voortgang energietransitie in werking getreden. Te bouwen bouwwerken (in gewone taal: nieuwbouw) voor kleinverbruikers – woningen, winkels, kantoren – mogen niet langer worden aangesloten op aardgasnetten. Daarnaast streeft de gemeente er nadrukkelijk naar te voorkomen dat ALLE nieuwe ontwikkelingen nog op aardgas worden aangesloten.
In het Klimaatplan 2021-2025 heeft de gemeenteraad vastgelegd dat 'zoveel mogelijk voorkomen moet worden dat nieuwbouw nog wordt aangesloten op aardgas'. Het is voor bouwers en ontwikkelaars verstandig om zich te realiseren dat aardgas uitgefaseerd zal gaan worden en ook daar waar het nog niet wettelijk is bepaald nu al aardgasloos te bouwen of in ieder geval zodanig dat een alternatieve warmtevoorziening in de toekomst zonder grote ingrepen mogelijk is.
1B) Duurzame mobiliteit
Om de vereiste 95% reductie in CO2 uitstoot in 2050 te bereiken, is een volledig CO2-emissievrije mobiliteit noodzakelijk. Dit betekent dat op termijn voertuigen op fossiele brandstoffen (benzine, diesel en LPG) volledig zullen verdwijnen en vervangen zullen worden door emissievrije voertuigen (elektrisch, waterstof of anderszins). Naast emissievrije voertuigen, willen we ook minder voertuigen in het centrum van de stad om daarmee de leefbaarheid in onze groeiende stad overeind te houden. Dat betekent meer ruimte voor fietsen, wandelen smart mobility concepten, met een belangrijke rol voor autodelen, autonoom rijden en slimme openbaar vervoerconcepten.
1C) warmte- en energiebesparing
Om tot een reductie van 95% CO2 uitstoot te komen in 2050 moeten we naast het dichtdraaien van de aardgaskraan, het overgaan op emissievrije mobiliteit en het zoveel mogelijk duurzaam opwekken, ook naar grote besparingen in energie en warmte. Dit kan door isolatie, mogelijkheden voor opslag, innovatieve technieken enz.
1D) duurzame energie opwekking
Naast de reductie in CO2, willen we als stad ook graag in 2045 energieneutraal zijn. Dat betekent dat de hoeveelheid energie die we dan als stad gebruiken, bij voorkeur binnen de grenzen van stad of regio duurzaam opgewekt wordt. Om dit te realiseren is het noodzakelijk dat alle kansen voor duurzame opwekking genomen worden. Met name op gebied van zonne-energie zijn er kansen in Eindhoven.
2 Circulaire Economie
Circulaire economie is een economisch systeem dat bedoeld is om de herbruikbaarheid van producten en grondstoffen te maximaliseren en waardevernietiging te minimaliseren. We willen een afvalloze stad worden waar
producten in gesloten technologische en biologische kringlopen gebruikt worden. (Grond)stoffen, materialen en producten die we gebruiken hebben geen negatieve effecten op mens en milieu, niet bij winning of productie, niet bij transport of gebruik en dus ook niet aan het einde van de levensduur. In ons plan van aanpak CE 2018-2020
hebben we de rijksambitie om in 2050 een circulaire economie te hebben onderschreven net als de ambitie om in 2030 50% minder primaire grondstoffen te gebruiken.
2A) duurzame materialen
Materialen die in gesloten kringlopen steeds weer opnieuw gebruikt kunnen worden zonder schadelijke gevolgen voor mens of natuur, of die biologisch afbreekbaar zijn, zijn duurzame materialen.
2B) geen afval
In de toekomst willen we 0% restafval hebben. In eerste instantie geldt deze ambitie voor het huishoudelijk afval maar uiteindelijk voor alle afval.
2C) flexibel en demontabel bouwen
Om te voorkomen dat gebouwen afgebroken moeten worden, moet bij het ontwerp al rekening gehouden worden met de flexibiliteit en demonteerbaarheid van het gebouw.
2D) deeleconomie/ as a service concepten
De deeleconomie biedt een nieuw model voor consumptie en bezit. In plaats van telkens nieuwe goederen aan te schaffen, kunnen we de spullen die we al bezitten delen en zo beter benutten.
Betalen voor vervoer, verlichting, werkruimte enz. voorkomt dat we zelf voertuigen, lampen, stoelen enz. moeten bezitten. Door diensten als een service aan te bieden en niet als een product, kunnen ze efficiënter gebruikt worden en blijft de verantwoordelijkheid voor het (hergebruik van het) product bij de leverancier.
3) Natuur
Eindhoven de groenste! Groene daken en gevels, biodiversiteit, klimaatadaptatie (het wordt steeds warmer en natter), stadslandbouw en aantrekkelijk groen voor recreatie, ontspanning en bewegen. Hoe dragen nieuwe en herontwikkelingen in Eindhoven hieraan bij? Brengt het schade toe aan bestaande natuur of biedt het kansen voor toevoeging/uitbreiding?
3A) biodiversiteit
Om biodiversiteit te behouden wordt op Europees niveau gewerkt aan een duurzaam ecologisch netwerk van grote natuurgebieden met goede verbindingen. Ook in Eindhoven willen we ecologische versnippering in onze stad tegen gaan.
3B) oppervlakte groen
We willen geen verlies van groen in de openbare ruimte en daar waar mogelijk het groen versterken, ook op of aan onze gebouwen.
4. Sociale basisbehoeften
The Natural Step neemt de 9 menselijke behoefte van Manfred Max Neef als uitgangspunt. Omdat het hier om ruimtelijke projecten en activiteiten gaat, richten wij ons op de ruimtelijke component van deze basisbehoeften. We hebben het dan over klimaatadaptatie; gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid; openbare ruimte om te ontmoeten en bewegen; bereikbaarheid van voorzieningen en het betrekken van bewoners bij projecten. Daarnaast spelen de sociale menselijke basisbehoeften wel een rol bij de aanschaf van materialen en diensten (we willen dat er maatschappelijk verantwoord ingekocht wordt).
4A) Klimaatadaptatie
Extreme regen en onweersbuien, hittegolven en droogte komen steeds vaker voor. Met de beleidsregel 'Klimaatrobuust' beogen we in Eindhoven risico op schade in de nabije toekomst te beperken. Nieuwe (her)inrichtingen en ruimtelijke ontwikkelingen in de openbare en de private ruimte, waarbij de gemeente een rol heeft, worden voortaan aan de hand van deze beleidsregel ontwikkeld. We hanteren als uitgangspunt de voorkeursvolgorde gebruiken, vasthouden (infiltreren), vertragen en afvoeren van hemelwater. Groene maatregelen worden hierbij beloond met een lagere bergingsnorm en dragen tevens bij aan het voorkomen van hittestress.
4B) gezonde verstedelijking
Hieronder verstaan we: gezonde lucht, bodem en water; beperkte geluidsoverlast; externe veiligheid en mogelijkheden om te bewegen en ontmoeten in de openbare ruimte
4C) participatieve stad, betrokkenheid van burgers en bereikbare voorzieningen
We betrekken onze inwoners graag bij de ontwikkelingen en veranderingen die hen aangaan. Dit leidt tot meer draagvlak en betere eindresultaten. Onze ambities op gebied van duurzame mobiliteit mogen niet leiden tot een geringere bereikbaarheid van belangrijke voorzieningen.
Specifiek Eindhovens
Daarnaast is er nog een aantal factoren die we specifiek op dit moment en in deze stad belangrijk vinden en die we extra waarderen. Het gaat dan om de zichtbaarheid van de duurzame successen, de duurzaamheid van de betrokken partijen zelf (hun MVO beleid) en het aansluiten bij het DNA van Eindhoven: TDK (technologie, design en kennis). Wat dat laatste betreft sluit innovatie daar dus goed bij aan.
Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen
MVO is een integrale visie op een duurzame bedrijfsvoering. Een bedrijf dat maatschappelijk verantwoord onderneemt, maakt bij iedere bedrijfsbeslissing een afweging tussen de verschillende maatschappelijke en economische effecten hiervan, en houdt hierbij rekening met stakeholderbelangen. Elke bedrijfsbeslissing heeft immers invloed op de stakeholders (belanghebbenden) van een bedrijf. Dat kunnen medewerkers of klanten zijn, maar bijvoorbeeld ook omwonenden, leveranciers, investeerders en ook 'de maatschappij' in algemene zin.
Trudo heeft de ambitie om een gebouw te ontwikkelen met een kleine ecologische voetafdruk. Door de implementatie van duurzame klimaatinstallaties wordt de energiebehoefte geminimaliseerd. Daarnaast is er het streven om deels gebruik te maken van biobased materialen, zodat CO2 in het gebouw wordt opgeslagen. Door het minimaliseren van de parkeerbehoefte, en het faciliteren van deelmobiliteit, wordt duurzaam gedrag door bewoners gemotiveerd.
In dit project is voldoende oog voor duurzaamheid.
Windhinder is een aspect van de fysieke leefomgeving (artikel 2.1 Omgevingswet). Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (artikel 2.4 en 4.2 Omgevingswet) in het omgevingsplan. De Rijksoverheid heeft voor dit aspect van de fysieke leefomgeving geen instructieregels opgesteld. De gemeente Eindhoven heeft in de beleidsregel gemeentelijke normen windhinder een toetsingskader vastgesteld.
Een beoordeling 'matig' kan eventueel na bestuurlijke afweging worden geaccepteerd, hierbij spelen kosten van windhinderbeperkende maatregelen en het ontbreken van alternatieven een rol.
Een 'slecht' windklimaat is niet toegestaan. In situaties waar, vanwege specifieke locatieomstandigheden, in zeer beperkte mate op niet voor verblijf relevante plekken, het windhinderklimaat in redelijkheid niet kan worden verbeterd, hebben B&W de bevoegdheid van deze eis af te wijken.
Bij windgevaar moet de kwalificatie 'gevaarlijk' te allen tijde worden vermeden.
Volgens de genoemde NEN-norm kan met behulp van een beslismodel worden bepaald of windonderzoek nodig is:
Dit project voorziet een woongebouw met diverse hoogtes en maximaal twaalf bouwlagen. Omdat het gebouw hoger dan 30 meter wordt is een windonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is als Bijlage 15 bij deze motivering gevoegd.
Het onderzoek is uitgevoerd op basis van de Nederlandse norm "NEN 8100:2006: Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving". Hierbij is een geometrisch model van het gebouw en zijn omgeving opgesteld. Een rekenrooster met hoge resolutie is rond deze geometrie opgetrokken als basis voor Computational Fluid Dynamics (CFD)-simulaties van de windstroming. Het windonderzoek laat het volgende zien:
Geconcludeerd kan worden dat na de realisatie van de nieuwbouw er een goed windklimaat zal heersen in het projectgebied dat voldoet aan het lokale beleid.
Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
In juli 2024 zijn nieuwe beleidsregels voor bezonning woningen vastgesteld voor woningen. Deze vervangen het bezonningsbeleid uit 2017. Het bezonningsbeleid geldt voor de hele stad. Dit gaat over de hoeveelheid zonlicht op de gevel en in de tuin. In het vorige bezonningsbeleid gelden de bezonningsregels niet in de binnenstad. Dat komt omdat er in de binnenstad naast woningen, ook andere centrumfuncties zijn. Bijvoorbeeld: winkelen, werken en horeca. Als gevolg hiervan is er minder zonlicht op woningen. Bij het aangepaste bezonningsbeleid geldt deze uitzondering voor het hele centrum: de binnenstad, Knoop XL en het Emmasingelkwadrant. Dit is omdat de omgevingsvisie en het Verstedelijkingsakkoord uitgaan van veel nieuwbouw in dit gebied. In de beleidsregels zijn regels opgenomen over sunspots. Dit zijn plekken waar extra aandacht is voor voldoende zon. Daarnaast staan in de regels over bezonning bij woningen waar aan voldaan moet worden.
Voor dit project is een bezonningstudie uitgevoerd. Deze is als Bijlage 16 bij deze motivering gevoegd. Uit de studie volgt dat zowel voor het nieuwe woongebouw zelf als voor woningen in de omgeving aan de gestelde normen wordt voldaan.
Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Uit jurisprudentie blijkt dat eigendomsverhoudingen uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening in beginsel niet van doorslaggevende betekenis zijn. Hieraan kan slechts betekenis toekomen, indien privaatrechtelijke verhoudingen van een dusdanig evident belemmerende aard zijn dat in verband daarmee de realisering van de ontwikkeling niet aannemelijk is.
Het projectgebied beperkt zich tot het kadastrale perceel dat eigendom is van Trudo. Het gebouw wordt gelet op het burenrecht op voldoende afstand van naburige percelen gebouwd, waardoor er geen inbreuk wordt gemaakt op privacy van omwonenden Er zijn dan ook geen privaatrechtelijke belemmeringen.
Het aspect privaatrechtelijke belemmeringen vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:
De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.
Voorzorgsbeleid (bovengrondse) hoogspanningsverbindingen
Op 21 april 2023 is het herijkte voorzorgbeleid magneetvelden bij elektriciteitsvoorzieningen in werking getreden. Het doel van het voorzorgbeleid magneetvelden is om, zo veel als redelijkerwijs mogelijk is, te voorkomen dat burgers (volwassenen en kinderen) langdurig worden blootgesteld aan magneetvelden die afkomstig zijn van de elektriciteitsinfrastructuur. Niet omdat dit noodzakelijk is om gezondheidsredenen, maar uit voorzorg. Het voorzorgbeleid bestaat uit bronmaatregelen (door netbeheerders te treffen aan de hoogspanningsverbinding) en afstandsmaatregelen. Afstandsmaatregelen gelden alleen bij bovengrondse hoogspanningslijnen. Het advies is om een bepaalde afstand aan te houden tussen nieuwe gevoelige gebouwen en bovengrondse hoogspanningsverbinding. De afstand wordt berekend aan de hand van de magneetzone van de hoogspanningsverbinding (het gebied rond bovengrondse hoogspanningslijnen waarbinnen het jaargemiddelde magneetveld hoger kan zijn dan 0,4 microtesla). Voor ondergrondse
Op ongeveer 500 meter ten noordwesten van het projectgebied ligt hoogspanningstation Eindhoven-Noord. Vanuit dit station lopen twee bovengrondse 150kV-hoogspanningsverbindingen in noordwestelijke en noordoostelijke richting en twee ondergrondse 150kV-verbindingen in zuidwestelijke en zuidoostelijke richting.
Uitsnede HoogspanningsNet Netkaart met het projectgebied rood omcirkeld.
De bovengrondse hoogspanningsverbindingen hebben een rekenafstand van 2x110m (noordwestelijke verbinding) en 2x85m (noordoostelijke verbinding). Het projectgebied ligt dan ook niet binnen de magneetzone en adviesafstand van deze bovengrondse hoogspanningsverbindingen. Een van de ondergrondse nadert het projectgebied ter hoogte van de Groenewoudseweg tot op ongeveer 60 meter. Ondanks het feit dat voor ondergrondse hoogspanningsverbindingen geen adviesafstand geldt, wordt hiermee een behoorlijke afstand tot de ondergrondse hoogspanningsverbinding aangehouden.
Verder zijn er voor dit project geen andere kabels, leidingen of straalpaden van belang.
Het aspect kabels, leidingen en straalpaden vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
De gemeente Eindhoven beschikt over kaarten met de gebieden die verdacht zijn op het voorkomen van nge's (niet gesprongen explosieven). In deze gebieden dient voorafgaand aan grondverzet explosieven onderzoek uitgevoerd te worden, in de vorm van een projectgebonden risicoanalyse (PRA) of een detectie onderzoek. Wanneer op basis van onderzoek nge's worden aangetroffen worden deze geruimd.
Het projectgebied is volgens de kaart 'Veilige bodem' van de Atlas van de ondergrond van gemeente Eindhoven niet gelegen binnen gebied dat verdacht is op niet-gesprongen explosieven. Een risicoanalyse of detectieonderzoek kan dan ook achterwege blijven.
Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
Doel van de Ow is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 benadrukt de wet dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Gezondheidsbescherming
Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. In het kader van gezondheidsbescherming moet daarnaast ook gekeken worden naar gezondheidsrisico's voortkomende uit de agrarische sector (geitenhouderijen, endotoxinen vanwege varkens- of pluimveehouderijen, spuitzones vanwege gewasbeschermingsmiddelen).
Gezondheidsbevordering
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid en toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
Uit de voorgaande paragrafen is gebleken dat er gelet op de gestelde normen voor geen enkel omgevingsaspect (bijv. bodemkwaliteit, luchtkwaliteit, geluidhinder, geurhinder) belemmeringen zijn voor een nieuw woongebouw op de projectlocatie. Gezondheidsrisico's vanwege geitenhouderijen, endotoxinen of spuitzones zijn uitgesloten aangezien deze niet in de omgeving van het projectgebied voorkomen.
Met deze ontwikkeling wordt (samen met het in voorbereiding zijnde plan voor herontwikkeling van het VB-gebouw) de volledige herontwikkeling van het complex Vredeoord afgerond. Nadat het terrein door de jaren heen braak lag, als bouwdepot heeft gediend en er tijdelijke woningen hebben gestaan, krijgt het nu een permanente invulling met een nette afronding van de openbare ruimte. Daarin blijft het groen aan de randen zo veel mogelijk behouden. Dit komt de uitstraling van het gebied ten goede, wat bedraagt aan het welzijn van bewoners.
De locatie is goed bereikbaar met de fiets en OV en voorzieningen bevinden zich bovendien op loop- en fietsafstand. Dit nodigt uit om de auto te laten staan en lopend of fietsend van huis te gaan. Ook het de nabijheid van het Philips de Jonghpark nodigt uit om te bewegen en te ontmoeten.
In het project is dan ook voldoende rekening gehouden met het thema gezondheid.
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit wijzigingsbesluit.
De Omgevingswet verplicht overheden om de kosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen naar evenredigheid te verhalen op de initiatiefnemers die profijt hebben van de aan te leggen openbare voorzieningen.
Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Dat zijn:
Het overzicht van kostenverhaalplichtige activiteiten staat in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. In dit geval is sprake van "a. de bouw van een of meer gebouwen
met een woonfunctie;" en dus van een kostenverhaalplichtige activiteit.
De initiatiefnemer realiseert het project voor eigen rekening en risico. De initiatiefnemer heeft aan de gemeente voldoende aangetoond dat de ruimtelijke ontwikkeling niet evident financieel onuitvoerbaar is. Tussen initiatiefnemer en de gemeente is een overeenkomst gesloten waarmee het kostenverhaal voor de ontwikkeling anderszins is verzekerd. Tevens zijn afspraken gemaakt over nadeelcompensatie. Gelet hierop is de ruimtelijke ontwikkeling niet evident economisch onuitvoerbaar.
In dit hoofdstuk wordt gemotiveerd of er is sprake is ven een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in de voorgaande hoofdstukken.
Getoetst is aan relevante omgevingsaspecten. Voor geluid vanwege (spoor)wegen wordt niet voldaan aan de standaardwaarde. Conform het geluidsbeleid van gemeente Eindhoven is daarom specifiek voor deze locatie en met deze wijziging van het omgevingsplan een hogere waarde bepaald en tevens is de verplichting tot het toepassen van niet-geluidgevoelige gevels voorgeschreven. Voor de overige aspecten is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels en het beleid. Dit betekent dat het project bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving.
Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar. Met dit wijzigingsbesluit is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.