direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Uitbreiding bedrijventerrein Sint Philipsland
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0716.bpUitbrbtStPh-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Doel van dit bestemmingsplan

Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op de uitbreiding van het bedrijventerrein in Sint Philipsland. Het bedrijventerrein in Sint Philipsland wordt aan de oostzijde uitgebreid met circa 2 hectare bruto. De uitbreiding omvat bedrijvigheid uit ten hoogste categorie 3.2. van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein', gelijk aan het naastgelegen bedrijventerrein.

Uitbreiding is gewenst omdat op het aangrenzende bedrijventerrein weinig mogelijkheden zijn voor vestiging of verplaatsing van bedrijven. Met de uitbreiding van bedrijventerrein Sint Philipsland verbetert ook de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse: de uitbreiding en de zorgvuldige landschappelijke inpassing ervan ronden hier de bebouwing af en met een groene randzone sluit de uitbreiding goed aan op het omringende landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpUitbrbtStPh-VG01_0001.png"

Figuur 1.1 Plangebied rood omkaderd

In deze plantoelichting is onderbouwd dat de voorgenomen ontwikkeling planologisch en ruimtelijk aanvaardbaar is en dat er geen milieubelemmeringen voor de beoogde ontwikkeling zijn.

1.2 Leeswijzer

De toelichting op het bestemmingsplan heeft de volgende opzet. In hoofdstuk 2 is de behoefte aan nieuw bedrijventerrein onderbouwd. Vervolgens is de voorgenomen ontwikkeling beschreven. Direct daaropvolgend is aangegeven op welke wijze de nieuwe situatie in voorliggend bestemmingsplan juridisch-planologisch is geregeld.

In de hoofdstukken 3 en 4 is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan vastgesteld en voorgenomen beleid van verschillende overheden en aan ruimtelijke en planologische aspecten. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Uitbreiding bedrijventerrein Sint Philipsland

2.1 Onderbouwing behoefte aan uitbreiding

Prognose Provincie Zeeland en behoefteraming gemeente Tholen

Het aanbod aan bedrijventerrein dat met de uitbreiding mogelijk wordt gemaakt, moet passen binnen provinciaal en gemeentelijk beleid. In de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen uit 2013 en een prognose uit 2015/2016 is voor de gemeente Tholen een behoefte berekend van maximaal 8 hectare tot en met 2025. Deze raming houdt echter geen rekening met incidentele bijzondere (grootschalige) ruimtevragers en de effecten van deze vestigers. Ook houdt de raming geen rekening met externe factoren zoals de nieuwe snelweg A4 of bovenregionale dynamiek (bijvoorbeeld vanuit West-Brabant).

Hierdoor liggen de lokale verhoudingen tussen vraag en aanbod in Tholen nu mogelijk anders dan een aantal jaar geleden. De gerealiseerde uitgifte in de afgelopen jaren geeft daarvoor een sterke indicatie: deze ligt structureel hoger dan de geprognosticeerde vraag. Vanwege deze gewijzigde omstandigheden is in opdracht van de gemeente Tholen een nieuwe lokale en regionale vraagraming voor reguliere bedrijvigheid in Tholen opgesteld en is een analyse van kansrijke doelgroepen opgenomen en in welke segmenten de behoefte zich naar verwachting zal voordoen. De ruimtevraag die specifiek voortkomt vanuit grootschalige logistieke vestigers is hierin buiten beschouwing gelaten.

Deze rapportage (Stec Groep, Bedrijventerreinprogramma Gemeente Tholen 2023-2027, 2 mei 2023) is opgenomen in bijlage 1. Daarin is de vraag naar reguliere bedrijfskavels in Tholen voor de (middel)lange termijn in beeld gebracht. Hierbij is onderscheid gemaakt tussen de reguliere lokale vraag en mogelijke bovenregionale vraag (mogelijk beïnvloed door de nieuwe A4, overloop vanuit West-Brabant en een logistieke spin-off). Vervolgens zijn alle bestaande ramingen op een rij gezet en vergeleken met historische en recent gerealiseerde uitgifte.

Op basis van deze ramingen is (in een bandbreedte) een geactualiseerde raming voor gemeente Tholen opgesteld. Vervolgens zijn de actuele vraag en het actuele aanbod met elkaar geconfronteerd om tot een behoefte te komen voor Tholen.

Confrontatie kwantitatieve vraag met kwantitatief planaanbod

De gemeente Tholen beschikt momenteel over 12 verschillende bedrijventerreinen met een gezamenlijke oppervlakte van circa 155 hectare. In 2022 heeft gemeente Tholen haar bedrijventerreinenprogramma uit 2018 geactualiseerd (zie tabel 2.1):

kern   bestaand   uitbreiding
tot 2027  
totaal aanbod
tot 2027  
uitbreiding na 2027  
Tholen (Welgelegen II)   1,81   0,0   1,8   0,0  
Tholen (Welgelegen IV en V)   5,12   0,0   5,1   5,6  
Sint-Maartensdijk   0,0   0,0   0,0   0,0  
Sint-Annaland   0,9   0,0   0,9   0,6  
Stavenisse   0,3   0,0   0,3   0,0  
Oud-Vossemeer   0,0   0,0   0,0   2,6³  
Sint Philipsland   0,0   1,2   1,4   0,0  
Poortvliet   0,0   0,0   0,0   0,0  
Scherpenisse   0,0   0,0   0,0   0,0  
totaal   8,1   1,2   9,3   8,8  

tabel 2.1 bedrijventerreinenprogramma gemeente Tholen 2022 (bron: gemeente Tholen)

1 4,0 hectare regulier en 1,4 hectare grootschalige detailhandel en kantoren;

2 Tot 2022 11,0 hectare waarvan inmiddels 5,9 hectare uitgegeven;

³ Eventueel eerder als er concrete vraag is.

In 2022 beschikt de gemeente Tholen over 8,1 hectare uitgeefbaar bedrijventerrein. De uitbreiding van bedrijventerrein Sint Philipsland met netto 1,2 hectare komt daarbovenop, tot een totaalaanbod van netto 9,3 hectare. Uit de rapportage 'Bedrijventerreinprogramma Gemeente Tholen 2018-2026' blijkt dat netto 17,5 tot 19,5 hectare benodigd is. Een recente provinciale behoefteraming (2020) gaat uit van 15 tot 21 hectare. Het totaalaanbod in de gemeente Tholen van netto 9,3 hectare komt dan ook slechts gedeeltelijk tegemoet aan de behoefte. Hieruit volgt dat ook de uitbreiding van bedrijventerrein Sint Philipsland voorziet in een duidelijke (kwantitatieve) behoefte.

Ook in kwalitatief opzicht voorziet de uitbreiding in een (lokale) behoefte. Op lokaal niveau kan behoefte bestaan aan kleinschalige kavels (tot 5.000 m2) voor lokale bedrijvigheid. Het bestaande aanbod ligt verspreid over verschillende locaties en is beperkt tot een of enkele kavels per terrein. Lokale bedrijvigheid zal in veel gevallen ook echt lokaal willen landen. Daardoor kan op lokaal niveau ruimtetekort ontstaat. Het creëren van schuifruimte, door bedrijven die groter worden actief te verleiden naar bedrijventerrein Welgelegen te verhuizen of bestaande bedrijven stimuleren de ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten zou mogelijk in een deel van de vraag kunnen voorzien.

De visie van de gemeente Tholen is om lokale terreinen af te ronden en dynamiek aan de schil te verdelen over bedrijventerrein Welgelegen in Tholen en bedrijventerrein Sint Philipsland. Bij Sint Philipsland is uitbreiding gewenst voor met name de uitbreidingsbehoefte van de daar gevestigde bedrijven, die veelal georiënteerd zijn op Schouwen-Duiveland en de Zuid-Hollandse eilanden. Door de komst van de A4 wordt ook de ligging van dit terrein strategisch en zou ook aantrekkingskracht kunnen krijgen op bedrijven uit de regio.

Het laatste kavel op het bedrijventerrein Sint Philipsland is in 2017 uitgegeven Er is echter wel vraag van al gevestigde bedrijven. Door de strategische ligging van dit terrein ten opzichte van 3 provincies en de nabijheid van de dammenroute en de A4 willen deze bedrijven ter plaatse uitbreiden. In de visie is gekozen om Sint Philipsland een plus toe te kennen ten opzichte van de andere lokale bedrijventerreinen.

De beoogde uitbreiding heeft een bruto-oppervlakte van circa 2 hectare, waarvan 1,2 hectare netto. Met de uitbreiding/afronding van dit bedrijventerrein kan een grote bijdrage worden geleverd aan de verbetering van de ontsluiting en de landschappelijke inpassing.

Behoefte aan bedrijfskavels Sint Philipsland

Op dit moment zijn er 12 geïnteresseerden om zich te vestigen op de uitbreiding van dit bedrijventerrein. Op 1 na allemaal vanuit Sint Philipsland. Een zestal bedrijven zit al op het terrein en wil uitbreiden. De vraag varieert van percelen van 1.000 m2 tot 4.000 m2. In totaal is de gevraagde oppervlakte 25.000 m2. Omdat netto 1,2 hectare wordt ontwikkeld, kan niet aan alle behoefte tegemoet worden gekomen.

2.2 Toelichting op de beoogde ontwikkeling

Ontsluiting en verkaveling

Voorliggend plan betreft een uitbreiding van het bedrijventerrein Sint Philipsland met een bruto-oppervlakte van circa 2 hectare, waarvan 1,2 hectare netto. Er worden kavels ontwikkeld van circa 2.500 m2. Bedrijven tot en met categorie 3.2 worden toegelaten op het terrein.

Voor de ontsluiting van het plangebied wordt gebruik gemaakt van de bestaande ontsluitingen op de Provincialeweg en wordt aangesloten op de Handelsweg en Industrieweg. Deze wegen worden doortrokken en met elkaar verbonden zodat er een circuit ontstaat.

Figuur 2.1 toont aan de hand van de verbeelding van dit bestemmingsplan de ontsluiting (grijs), het uitgeefbaar bedrijventerrein (paars) en de ruimte voor landschappelijke inpassing (groen, zie hierna).

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpUitbrbtStPh-VG01_0002.png"

figuur 2.1: verbeelding bestemmingsplan

Landschappelijke inpassing

Het uitgangspunt voor de groenstructuur in het plangebied en voor de landschappelijke inpassing van deze uitbreidingszone is in deze paragraaf beschreven. Er zal een groene randzone gerealiseerd worden die aansluiting vindt met het omringende landschap, met als doel om de bebouwing (en het terreingebruik) van het bedrijventerrein te maskeren en te verzachten. Daarnaast richt het groenbeleid van de gemeente Tholen zich op het klimaatadaptief inrichten van de openbare ruimte en op het vergroten van de biodiversiteit. We streven recreatief medegebruik na en een inrichting met landschappelijk groen en extensief beheer om de ecologische waarde te versterken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpUitbrbtStPh-VG01_0003.png"

figuur 2.2: zicht op bestaand bedrijventerrein Sint Philipsland

Deze elementen zien we duidelijk terug in de planvorming. Aan de noordzijde van het plangebied is, in aansluiting op de naastgelegen bomen- en struikenrand, een robuuste boomstructuur voorzien. Aan de andere zijde van de aan te leggen weg wordt een brede groenstrook gerealiseerd als kabel- en leidingenstrook die wordt ingezaaid met een mengsel voor bloemrijk gazon of mogelijk een mengsel op maat.

In aansluiting op de bestaande noordelijk van het plangebied gelegen groenstructuur wordt een brede groenzone aangebracht die doorloopt tot aan de ten zuiden van het plangebied gelegen weg. De totale breedte hiervan is 25 meter en het geheel krijgt een heel diverse invulling. Aan de meest noordelijk deel zal een brede berm (bloemrijk gras), brede waterloop, struweelrand en bloemrijk gras gerealiseerd worden. Direct ten zuiden daarvan zullen een bermstructuur met hagen, brede sloot, bloemrijk gras met daarlangs knotwilgen en een poel worden aangelegd. Ten zuiden daarvan zullen een berm met bloemrijk gras, waterloop, een onderhoudsstrook met bloemrijk gras, een brede struweelrand gevolgd door een brede strook van bloemrijk gras met daarlangs een onderbroken rij van knotwilgen worden aangelegd.

De inpassing aan de zuidkant van het plangebied bestaat uit een bestaande rij knotwilgen en bestaande waterloop. Daarlangs wordt een onderhoudsstrook aangelegd die wordt voorzien van een bloemrijk mengsel. Daarlangs komt een beplantingsstrook met daarlangs een grasstrook als onderhoudspad. De beplantingsstrook betreft een voortzetting van de bestaande beplantingsstrook die aan het plangebied grenst. Het ritme van de bomenrij die daarin voorkomt wordt voortgezet. Omwille van meer biodiversiteit wordt wel een andere boomsoort gebruikt. Het sortiment is zoveel mogelijk inheems of bestaat uit cultivars van inheemse soorten of ingeburgerde soorten zoals tamme kastanje. Op de tekening is het sortiment uitgewerkt. Het struweel zal gaan bestaan uit soorten zoals eenstijlige meidoorn, sleedoorn, vlier, veldesdoorn, gladde iep en hondsroos.

Hiermee wordt een robuuste groene inpassing gevormd met veel variatie die een broedplaats kan gaan bieden aan veel soorten zangvogels en waarin ook voedsel te vinden is voor veel diersoorten. De beplanting kan zich dan opbouwen met een rand, binnenmantel en kernbegroeiing. Toepassing van bomen als zomereik, lijsterbes, zoete kers, gladde iep, veldesdoorn, schietwilg, kraakwilg krijgen hun plaats in deze kern, samen met grotere struiken als gelderse roos, vlier sleedoorn, die ook deels in de binnenmantel een plaats kunnen krijgen samen met meidoorn, wegedoorn, hazelaar, liguster, en rode kornoelje. Op hun beurt gaan die soorten over in de randzone samen met kardinaalsmuts, hondsroos, aalbes en kruisbes. Met enkele extra elementen als reliëf in de bodem, enkele nestheuvels en steilrandjes voor nestelende bijen en door de afwisseling tussen laagblijvende en rijk bloeiende soorten wordt de natuurwaarde versterkt.

Een poel brengt extra variatie in het terrein aan. Meer variatie betekent altijd meer planten- en diersoorten. De ingetekende poel kan dienen als voortplantingswater voor amfibieën, als groeiplaats voor water- en moerasplanten, als leefgebied voor insecten en andere ongewervelden, als drinkplaats voor vogels en zoogdieren.

Bij de verschillende onderdelen van het ecologisch netwerk hoort een passend beheer. De hoofdassen zijn bredere structuren waarbij een gefaseerd maaibeheer goed mogelijk is. De watergangen in het gebied zijn deels begroeid met riet. Daar waar de rietkragen breed zijn, is er ruimte voor allerlei broedvogels. De groenstructuur biedt verder: Gebieden met veel nectarplanten. Een kruidenlaag die blijft staan voor overwintering (t.b.v. onder andere vlinders). Grasland voor nestelruimte bovengronds, allerlei bloeiende kruiden als klavers, dovenetel en smeerwortel (t.b.v. onder andere grashommels). Randen tussen open gebied en vegetatie (bijv. tussen struiken en grasland), dus een gevarieerd landschap met kleinschalige elementen, bomen, bosranden en heggen (t.b.v. onder andere egels, vleermuizen en vogels zoals de grauwe vliegenvanger).

Dit plan draagt daarmee bij aan de doelen voor vergroting van de biodiversiteit en ten aanzien van klimaatadaptatie (die speerpunten zijn van het groenbeleid) en zo ook wat betreft landschappelijke inpassing. Geconcludeerd wordt dat er is sprake van een zorgvuldige landschappelijke inpassing en een uitwerking die past bij de doelen zoals verwoord in het groenbeleidsplan van de gemeente Tholen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpUitbrbtStPh-VG01_0004.png"

Figuur 2.3 Inrichting uitbreiding bedrijventerrein Sint Philipsland

2.3 Toelichting op de juridische regeling in het bestemmingsplan

2.3.1 Algemeen

De Wet ruimtelijke ordening (artikel 3.8. Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze moeten worden gepresenteerd. Met het oog hierop stellen de wet (artikel 3.37 Wro) en de onderliggende regelgeving eisen (onder andere Besluit ruimtelijke ordening) waaraan bestemmingsplannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012) bindende afspraken waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. De SVBP2012 kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de regels en het renvooi.

Het voorliggende bestemmingsplan voldoet aan de wettelijke vereisten en is dus raadpleegbaar en uitwisselbaar. De gemeente publiceert het bestemmingsplan vanaf het ontwerp op www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor een uitleg van de mogelijkheden die de bestemming op perceelsniveau biedt, wordt verwezen naar paragraaf 2.3.3.

2.3.2 Toelichting op de inleidende regels

Conform de SVBP bevat Hoofdstuk 1 Inleidende regels artikelen met de Begrippen en de Wijze van meten.

2.3.3 Toelichting op de bestemmingsregels

In Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn alle bestemmingen opgenomen met de daarbij behorende bestemmingsomschrijving en bouwregels. De regels zijn uit oogpunt van uniformiteit van bestemmingsplannen zoveel mogelijk afgestemd op de regels van het bestemmingsplan Kommen gemeente Tholen, waaronder het reeds bestaande bedrijventerrein ook is bestemd.

Artikel 3 Bedrijventerrein

Waarvoor is de betreffende bestemming opgenomen?

Voor alle gronden die mogelijk zullen worden uitgegeven. Daarbij is ervan uitgegaan dat:

  • eventuele ontsluitingswegen behoren tot de bedrijfspercelen.

Welke functies zijn toegestaan?

  • Voor de toelaatbaarheid van bedrijven is gebruikt gemaakt van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' (zie ook paragraaf 4.8). Alleen bedrijven tot en met categorie 3.2 van genoemde staat zijn toegestaan. Expliciet uitgesloten zijn de volgende bedrijven:
  • Via een afwijkingsbevoegdheid (artikel3 lid 3.5.1) kunnen bedrijven worden toegestaan uit een hogere categorie of bedrijven die niet in de staten worden vermeld. Voorwaarde is dat deze bedrijven naar aard en invloed vergelijkbaar zijn met algemeen toelaatbare bedrijven.
  • In het kader van de bescherming van omliggende Natura 2000-gebieden is het gebruik van gronden en bouwwerken niet toegestaan wanneer er sprake is van een significant negatief effect op de Natura 2000-gebieden door een toename van stikstofdepositie;
  • In afwijking van het naastgelegen bedrijventerrein worden (kleine) windturbines om landschappelijke redenen niet planologisch mogelijk gemaakt.
  • Uit ruimtelijk-kwalitatief oogpunt en uit oogpunt van veiligheid worden regels gesteld aan de opslag van goederen in de open lucht. De totale stapelhoogte mag niet meer bedragen dan 4 meter.
  • Er zijn geen bedrijfswoningen toegestaan. Hiermee wordt bereikt dat de bedrijfspercelen optimaal worden benut voor bedrijfsgebouwen. Naburige bedrijven hebben ook niet te maken met beperkingen in de bedrijfsvoering en milieuregelgeving in verband met nieuwe woningen.
  • Binnen de bestemming Bedrijventerrein zijn nutsvoorzieningen rechtstreeks toelaatbaar.
  • Interne ontsluitingswegen (perceelsontsluitingen) en waterberging zijn eveneens toegestaan;

Wat mag er worden gebouwd en hoeveel?

  • De bouwmogelijkheden in het plangebied zijn afgestemd op die van het aangrenzende bedrijventerrein. Elk bouwperceel mag voor maximaal 75% worden bebouwd met gebouwen en overkappingen.
  • Binnen een bouwvlak zijn meerdere bouwpercelen mogelijk en op een bouwperceel kan zowel een solitair bedrijf als een bedrijvenverzamelgebouw worden gevestigd.
  • De gebouwen en overkappingen zijn alleen toegestaan binnen een bouwvlak. De maximum goot- en bouwhoogte bedragen 10 meter. Dit is vastgelegd in de regels in combinatie met de verbeelding.

Artikel 4 Groen

Waarvoor is de betreffende bestemming opgenomen?

Voor de groene randzone (landschappelijke inpassing) langs de buitenzijden van het bedrijventerrein.

Welke functies zijn toegestaan?

  • Toegestaan is groen en daarbij behorende voorzieningen waaronder nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Wat mag er worden gebouwd en hoeveel?

  • Gebouwen voor nutsvoorzieningen tot een oppervlakte 15 m² en een bouwhoogte van 3 meter zijn overal rechtstreeks mogelijk gemaakt.
  • Voor het overige mogen binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde (zie artikel 1 lid bouwwerk, geen gebouw zijnde) worden gebouwd.

Artikel 5 Verkeer

Waarvoor is de betreffende bestemming opgenomen?

Voor de ontsluitingsweg van het bedrijventerrein.

Welke functies zijn toegestaan?

  • Toegestaan zijn wegen met ten hoogste 2x1 doorgaande rijstrook met daarbij behorende voorzieningen waaronder parkeervoorzieningen.

Wat mag er worden gebouwd en hoeveel?

  • Gebouwen voor nutsvoorzieningen tot een oppervlakte 15 m² en een bouwhoogte van 3 m zijn overal rechtstreeks mogelijk gemaakt.
  • Voor het overige mogen binnen deze bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde (zie artikel 1 lid bouwwerk, geen gebouw zijnde) worden gebouwd.
2.3.4 Toelichting op de algemene regels

In Hoofdstuk 3 is een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, regels opgenomen.

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel  

Dit artikel is verplicht voorgeschreven in artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel van dit artikel is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Om hiervan een voorbeeld te geven: binnen de bestemming Bedrijventerrein mag een bepaald percentage van het bouwperceel worden bebouwd. Indien het absolute oppervlak (uitgedrukt in m²) niet is bereikt, kan door het bijkopen van een stuk van het aangrenzend perceel extra bebouwing tot dit maximum worden gerealiseerd. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen terrein nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel kan worden betrokken.

Artikel 7 Algemene bouwregels  bevat een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken.

In  Artikel 9 Algemene afwijkingsregels  is voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen een algemene afwijkingsregel opgenomen.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels  bevat één lid, namelijk 10.1 Overschrijding bestemmingsgrenzen. In dit lid is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Het gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad. Deze bepaling gaat verder dan die van artikel 7 lid 7.1 Overschrijding bouwgrenzen. Vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Overigens geldt ook hier dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen.


Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied blijkt dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van tegenwoordig, gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters.

Artikel 11 Overige regels

Dit artikel bevat 3 leden:

Lid 11.1 bevat de bepaling ''werking wettelijke regeling", waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het moment van vaststelling van het plan. Dit is gewenst omdat in een aantal gevallen in de regels wordt verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Door het opnemen van de regeling hoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het Staatsblad.


De andere twee leden, 11.2 en 11.3 in dit artikel bevatten een parkeerregeling en een regeling ten aanzien van laad- en losruimte.

2.3.5 Toelichting op de overgangs- en slotregels

In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan.

In de slotregel is aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangeduid.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid en visies

3.1 Inleiding

Op diverse bestuurlijke niveaus zijn beleidsuitspraken geformuleerd die relevant zijn voor de ontwikkeling. In dit hoofdstuk zijn deze kort beschreven en getoetst.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.

Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.

Opgaven

Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:

  • 1. Ruimte maken voor klimaatverandering en energietransitie
  • 2. De economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden
  • 3. Steden en regio's sterker en leefbaarder maken
  • 4. Een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte;
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

Realiseren opgaven

In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:

  • 1. De Omgevingsagenda.
    Voor landsdeel Zuidwest is een omgevingsagenda opgesteld, waar Zeeland onderdeel van uitmaakt. In de Omgevingsagenda agenderen het Rijk en regio de gezamenlijke vraagstukken en de gewenste aanpak daarvan. De Omgevingsagenda biedt een basis voor uitvoeringsafspraken en inzet van programma's en projectbesluiten van Rijk en regio.
  • 2. De NOVI-gebieden.
    Een NOVI-gebied is een instrument waarbij Rijk en regio meerdere jaren verbonden zijn aan de gezamenlijke uitwerking van de verschillende opgaven in het ruimtelijke domein. Vaak wordt voortgebouwd op bestaande samenwerkingstrajecten. Denk aan een Regio Deal en een verstedelijkingsstrategie.

Toetsing

Door de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt aangesloten bij opgave 2 'de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden'. Met de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt ingespeeld op de vraag van bedrijven in de regio en de economische vitaliteit van het gebied. De Daarnaast past de locatie van het nieuwe bedrijventerrein past bij het verkeers- en vervoersnetwerk van het gebied.

3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening en de ladder voor duurzame verstedelijking

Zorgvuldig ruimtegebruik is het uitgangspunt van de (rijks)overheid. Om dit principe beter te borgen is sinds 2012 de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening. Sinds 1 juli 2017 luidt de formulering van de Ladder in artikel 3.1.6. lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro):
'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.'

Op grond van de ladder moeten de volgende punten worden geadresseerd:

  • 1. Er moet worden nagegaan of het bij de nieuwe ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt door het bestemmingsplan, gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
  • 2. Als het gaat om een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet worden beschreven dat er daadwerkelijk voldoende vraag bestaat naar deze ontwikkeling.

Als er voldoende vraag naar de nieuwe stedelijke ontwikkeling bestaat, moet de vraag worden beantwoord of bestaand stedelijk gebied (of bestaande bebouwing) de ruimte voor deze ontwikkeling niet kan bieden.

Toetsing

In paragraaf 2.1 is de verantwoording aan de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. In deze toelichting van dit bestemmingsplan wordt verder aangetoond dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daaruit blijkt dat er behoefte is aan bedrijventerrein voor reguliere bedrijvigheid.

Het is duidelijk dat de ontwikkeling van het bedrijventerrein niet kan worden gerealiseerd binnen het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Tholen. Bovendien heeft het aansluiten op het naastgelegen bedrijventerrein de voorkeur boven een verspreiding van bedrijfslocaties.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Zeeuwse Omgevingsvisie

Op 12 november 2021 hebben Provinviale Staten de Zeeuwse Omgevingsvisie vastgesteld. Hierin zijn de ambities voor 2050 en de doelen voor 2030 vastgelegd. De provincie heeft 4 ambities gesteld:

  • 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland;
  • 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied;
  • 3. Een duurzame en innovatieve economie;
  • 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

In kader van voorliggend bestemmingsplan is de ambitie voor een duurzame en innovatieve economie van belang. Onderdeel van deze ambitie is dat voor 2050 een concentratie van bedrijventerreinen heeft plaatsgevonden. Dit geeft de bedrijven ruimte om te ondernemen. Hinder wordt hierdoor zoveel mogelijk beperkt.

Goede werk- en bedrijfslocaties zijn nodig om economische ontwikkeling te faciliteren. Er wordt gestreefd naar een concentratie op bedrijventerreinen, met name op grootschalige terreinen. Concentratie op (grootschalige) terreinen zorgt voor schaalvoordelen voor bedrijven, zuinig ruimtegebruik, beperking van de impact op het landschap en beperking van het gebruik van milieuruimte. Concentratie maakt een goede bereikbaarheid en ontsluiting van bedrijventerreinen mogelijk. Naast grootschalige bedrijventerreinen kent Zeeland een groot aantal kleinschalige bedrijventerreinen. Bestaande kleinschalige terreinen hebben onder voorwaarden eenmalig de mogelijkheid voor een beperkte afronding. Een verdere toename van het aantal kleinschalige bedrijventerreinen is ongewenst. In Zeeland worden vraag en aanbod van bedrijventerreinen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Zo wordt een kwantitatieve én kwalitatieve mismatch voorkomen. Hiervoor wordt iedere drie jaar een prognose opgesteld waarin de behoefte voor de volgende 10 jaar wordt ingeschat. Deze prognose is de basis voor de regionale bedrijventerreinenprogrammering. Gemeenten leggen hierin regionale afspraken vast over ontwikkeling, uitbreiding en herstructurering van bedrijventerreinen. De programmering wordt regelmatig geactualiseerd om in te spelen op veranderingen in de markt.

Herstructurering van bedrijventerreinen is noodzakelijk om verouderde bedrijventerreinen aantrekkelijk te maken voor gevestigde en nieuwe bedrijven. Zo wordt verpaupering van bestaande terreinen tegengegaan en vermindert de behoefte aan nieuwe bedrijventerreinen. Kwaliteitsverbetering betekent ook het beter benutten van de ligging en ontsluiting van terreinen én ze klimaatbestendig inrichten.

Toetsing

Door de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt aangesloten bij de ambitie voor een duurzame en innovatie economie. Voorliggend plan betreft een beperkte uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein. In paragraaf 2.1 is de verantwoording in het kader van de prognose van de provincie Zeeland en de behoefteraming van de gemeente Tholen opgenomen. Daaruit blijkt dat er behoefte is aan bedrijventerrein voor reguliere bedrijvigheid.

3.3.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018

De Provinciale Omgevingsverordening 2018 bevat provinciale regels over de fysieke leefomgeving die voor iedereen gelden. Deze verordening is vastgesteld op 21 september 2018. In de afgelopen periode is de Omgevingsverordening negen keer herzien. De onderwerpen in deze verordening die relevant zijn voor het bestemmingsplan, zijn hierna opgenomen.

Artikel 2.3 Bedrijven

In een bestemmingsplan worden (op enkele niet-relevante uitzonderingen na) bedrijven uitsluitend toegelaten op gronden die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening daartoe zijn bestemd alsmede op bedrijventerreinen. In de toelichting bij een bestemmingsplan voor een nieuw bedrijventerrein, alsmede de uitbreiding van een bedrijventerrein, wordt aannemelijk gemaakt dat:

a. het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat 80 procent van de bedrijvigheid regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen

Toetsing

De voorgenomen bedrijventerreinontwikkeling sluit ruimtelijk en functioneel aan op het naastgelegen bedrijventerrein. De visie van de gemeente Tholen is om lokale terreinen af te ronden en dynamiek aan de schil te verdelen over bedrijventerrein Welgelegen in Tholen en bedrijventerrein Sint Philipsland.

Bij Sint Philipsland is uitbreiding gewenst voor met name de uitbreidingsbehoefte van de daar gevestigde bedrijven, die veelal georiënteerd zijn op Schouwen-Duiveland en de Zuid-Hollandse eilanden. Door de komst van de A4 is de ligging van dit terrein strategisch en heeft het aantrekkingskracht op bedrijven uit de regio.

b. duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is.

Over het duurzaam beheer en onderhoud kan het volgende worden gemeld:

Openbare ruimte

De enige openbare ruimte in het plangebied betreft de groenstroken langs de buitenranden van het terrein en de wegen.

Groenstroken

Het beheer en onderhoud van de groenstroken worden uitgevoerd door de gemeente.

Inrichting

Het bedrijventerrein wordt duurzaam ingericht. De planstructuur is rationeel opgezet. Bij de inrichting en kavelverdeling ontstaan geen overhoeken waar rommelzones kunnen ontstaan.

Effectief ruimtegebruik

Er wordt een bebouwingspercentage van 75% van de gronden gehanteerd. Opslag etc. van producten en materialen moeten zoveel mogelijk uit het zicht komen en zeker niet voor de voorgevel.

Particuliere gronden en gebouwen

Naast de verantwoordelijkheid die de gemeente heeft voor een doelmatig beheer van de bij haar in beheer zijnde ruimten (de gemeente heeft een voorbeeldfunctie), geldt er tevens een verantwoordingsplicht voor de (gevestigde) ondernemers. De insteek van de gemeente is om het bedrijventerrein dynamisch en vitaal te laten zijn en te houden. Dat kan door te zorgen dat het terrein wordt aangewend conform de doelstelling en die is 'bedrijfsmatige exploitatie door hier werkende ondernemers of vanuit het terrein werkende ondernemers'. Functies die niet passen in het profiel van het bedrijventerrein worden niet toegestaan.

c. Uitbreiding van bestaande kleinschalige bedrijventerreinen worden niet toegelaten, tenzij er sprake is van een eenmalige beperkte afronding met ten hoogste 20% of 0,5 hectare waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert. In afwijking hiervan kan een verdere uitbreiding van een bestaand kleinschalig en goed ontsloten bedrijventerrein worden toegelaten indien aannemelijk wordt gemaakt dat de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert en de sanering en het voorkomen van heroprichting van bedrijven elders in de provincie Zeeland, met ten minste een gelijke oppervlakte als de uitbreiding, voor zover deze meer bedraagt dan 20% of 0,5 hectare, is gewaarborgd.

Het bestaande bedrijventerrein van Sint Philipsland heeft een oppervlakte van 6,5 hectare netto. Voorliggend bestemmingsplan betreft een uitbreiding van dit bedrijventerrein met een netto-oppervlakte van circa 1,2 hectare. Dit betreft een uitbreiding van 18%. Uitgaande van een bruto-oppervlakte is sprake van een groter percentage dat echter is ingegeven om enerzijds een goede landschappelijke inpassing mogelijk te maken en daarmee een toevoeging van ruimtelijke kwaliteit (zie paragraaf 2.2) en anderzijds goed uitgeefbare kavels met gebruikmaking van de bestaande ontsluiting op het aangrenzend bestaand bedrijventerrein.

Bij Sint Philipsland is uitbreiding gewenst voor met name de uitbreidingsbehoefte van de daar gevestigde bedrijven, die veelal georiënteerd zijn op Schouwen-Duiveland en de Zuid-Hollandse eilanden. Door de komst van de A4 is ook de ligging van dit terrein strategisch en heeft het een aantrekkingskracht op bedrijven uit de regio. Het laatste kavel is in 2017 uitgegeven. Door de strategische ligging van dit terrein ten opzichte van 3 provincies en de nabijheid van de dammenroute en de A4 willen de bedrijven ter plaatse uitbreiden. In de visie is gekozen om Sint Philipsland een plus toe te kennen ten opzichte van de andere lokale bedrijventerreinen.

De uitbreiding van bedrijventerrein Sint Philipsland leidt tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit: de uitbreiding en de zorgvuldige landschappelijke inpassing ervan ronden hier de bebouwing af en met een groene randzone sluit de uitbreiding goed aan op het omringende landschap. Het plan draagt ook bij aan de doelen voor vergroting van de biodiversiteit en ten aanzien van klimaatadaptatie. (zie paragraaf 2.2).

3.4 Gemeentelijk beleid en visie

3.4.1 Toekomstvisie Tholen 2025

In de Toekomstvisie Tholen 2025 is de visie in hoofdlijnen voor het lange termijn beleid van de gemeente vastgelegd. Deze visie vormt het 'casco' waarbinnen ontwikkelingen de komende decennia kunnen plaatsvinden. Hierbij zijn verschillende thema's die betrekking hebben op wonen, werken en leven op Tholen uitgewerkt.

Tholen heeft een vitale en veerkrachtige economie en arbeidsmarkt en de economische kansen voor Tholen zijn niet gering. Door de realisering van de A4 is de strategische ligging sterk verbeterd. Met name de bedrijventerreinen in Tholen en Sint Philipsland gaan daardoor een meer prominentere rol spelen bij het aantrekken van bedrijven. Een van de actiepunten uit de Toekomstvisie Tholen 2025 is dan ook de uitbreiding van bedrijventerreinen te concentreren in Tholen en Sint Philipsland. Deze uitbreiding heeft een expliciete prioriteit. De overige bedrijventerreinen hebben en behouden hun lokale functie. Tegelijkertijd wordt de kwaliteit van de bedrijventerreinen aangepakt. Beeldkwaliteit en inpassing in het landschap behoren tot de positieve vestigingsfactoren en zijn tevens van belang voor de uitstraling en leefbaarheid van de gemeente. Vergroening van bedrijventerreinen wordt samen met het Ondernemers Overleg Tholen (OOT) aangepakt. Bij het aantrekken van nieuwe bedrijvigheid ligt het accent op innovatie en duurzaamheid.

Toetsing

De uitbreiding van het bedrijventerrein Sint Philipsland sluit aan op de actiepunten uit de Toekomstvisie Tholen 2025. Daarbij wordt de uitbreiding goed landschappelijk inpast, zoals in paragraaf 2.2 nader is toegelicht. Het bedrijventerrein krijgt een groene uitstraling.

3.4.2 Bedrijventerreinprogramma Gemeente Tholen 2023-2027

In aanvulling op de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen uit 2013 en een prognose uit 2015/2016 hanteert de gemeente Tholen voor haar raming het Bedrijventerreinprogramma Gemeente Tholen 2023-2027. Daarin is de vraag naar reguliere bedrijfskavels in Tholen voor de (middel)lange termijn in beeld gebracht. Op basis van deze ramingen is (in een bandbreedte) een geactualiseerde raming voor gemeente Tholen opgesteld. Vervolgens zijn de actuele vraag en het actuele aanbod met elkaar geconfronteerd om tot een behoefte te komen voor Tholen. Paragraaf 2.1 gaat hier uitgebreid op in.

Op 28 november 2012 heeft de gemeenteraad gekozen voor het afronden van lokale terreinen en dynamiek aan de schil te verdelen over bedrijventerreinen Welgelegen te Tholen en bedrijventerrein Sint Philipsland. Bij Sint Philipsland is uitbreiding gewenst voor met name de uitbreidingsbehoefte van de daar gevestigde bedrijven, die veelal georiënteerd zijn op Schouwen-Duiveland en de Zuid-Hollandse eilanden. Door de strategische ligging van dit terrein ten opzichte van 3 provincies en de nabijheid van de dammenroute en de A4 willen deze bedrijven ter plaatse uitbreiden. In de visie is gekozen om Sint Philipsland een plus toe te kennen ten opzichte van de andere lokale bedrijventerreinen. In principe is een perceel landbouwgrond van bruto 4 ha. in beeld voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. Uitgaande van 70% uitgeefbaar kan er netto 2,8 ha. bedrijventerrein worden gerealiseerd. Ook kan door de uitbreiding / afronding met dit perceel een grote bijdrage worden geleverd aan de verbetering van de ontsluiting en de landschappelijke inpassing.

Toetsing

Met uitbreiding van het bedrijventerrein Sint Philipsland wordt aangesloten bij de visie van het Bedrijventerreinprogramma Gemeente Tholen 2018-2027: de uitbreiding van slechts 1,2 hectare wordt landschappelijk ingepast.

3.4.3 Groenplan gemeente Tholen 2019-2023

In dit groenplan wordt richting gegeven aan een toekomstbestendige inrichting en beheer van het openbaar groen. De gemeente Tholen zet in op het behouden en ontwikkelen van een robuuste groenstructuur die de waarden van groen versterkt (ruimtelijke waarde, landschap en biodiversiteit, cultuurhistorie, educatie, recreatie en spelen, leefbaarheid en toekomstwaarde).

Het groen langs de ontsluitingsstructuren zorgt voor herkenbaarheid, markering van oude grenzen en versterkt het richtingsgevoel van burgers en bezoekers. Ze vertellen ook de ontstaansgeschiedenis van de kernen. Voor de toekomst moeten deze structuren daarom behouden blijven. Op het grensvlak kern met buitengebied liggen kansen van landschappelijk groen en biodiversiteit. Het is gewenst om die te gaan benutten. In de structuuropzet voor voorliggend bedrijventerrein en de nieuwe ontsluitingsweg wordt hiermee rekening gehouden. Er zijn zowel inrichtings- als beheersmaatregelen nodig om de beoogde situatie te bereiken

Toetsing

Voor bedrijventerreinen is het project randzones van belang. Het streefbeeld is om bedrijventerreinen beter in te passen in het landschap en bedrijventerreinen te worden aangekleed met beplantingsstroken die voor omwonenden als uitloopgebied kunnen fungeren en voor ecologie van waarde kunnen zijn. Ook dit wordt in de structuuropzet meegenomen. De randzone zal bestaan uit opgaande beplanting (struiken), bomen en gras. Recreatief medegebruik is een mogelijkheid en de inrichting met landschappelijk groen en extensief beheer zouden de ecologische waarde moeten versterken.

3.4.4 Welstandsnota

De rust, de ruimte en het water zijn de kenmerken die zo typerend zijn voor de gemeente Tholen. Kwaliteiten waar de Tholenaren trots op zijn en die ook moeten worden gekoesterd. Het welstandsbeleid van de gemeente Tholen is er op gericht om de dagelijkse leefomgeving van de inwoners van Tholen zo aantrekkelijk mogelijk te maken.

Binnen de gemeente Tholen zijn verschillende gebieden te onderscheiden, die een duidelijke karakteristiek hebben op grond van de ontstaansgeschiedenis, ruimtelijke verschijningsvorm en functies. Om deze gebiedskarakteristieken te behouden of zonodig te versterken, zijn gebiedsgerichte welstandscriteria opgesteld. Een van deze gebiedstypen is "Bedrijvengebieden".

In de kleinere kernen komt kleinschalige bedrijvigheid voor waar lokale ondernemers dicht bij huis hun beroep voeren in ambachtelijke sfeer. De bebouwing bestaat veelal uit eenvoudige loodsen met een klein kantoor- en kantinegedeelte. In de grotere kernen en in de buurt van de autosnelwegen hebben zich de laatst decennia de zogenaamd logistieke transportcentra ontwikkeld. Grote opslagloodsen met rijen loadingdocks bepalen het beeld van deze grootschalige bedrijventerreinen. De laatste jaren wordt meer zorg en aandacht besteed aan de ruimtelijke kwaliteit van bedrijventerreinen. Het beleid van de gemeente Tholen ten aanzien van bedrijventerreinen is met name gericht op het behoud of het versterken van de basiskwaliteit van de werkomgeving. De bedrijventerreinen liggen buiten de kernen van de steden en dorpen en zijn eenvoudig van opzet en vormgeving. Functionaliteit speelt een belangrijkere rol dan de uiterlijke verschijningsvorm. Het welstandstoezicht garandeert handhaving en/of versterking van de basiskwaliteit van de bedrijventerreinen.

De grotere bedrijventerreinen worden getoetst op welstandsniveau 3. Dit houdt in dat er sprake is van een lichte toetsing. Gebieden met dit welstandniveau kunnen beperkte afwijkingen van de bestaande ruimtelijke structuur en ingrepen in de architectuur van de gebouwen zonder al te veel problemen verdragen. De gemeente stelt in deze gebieden geen bijzondere eisen aan de ruimtelijke kwaliteit en voert geen expliciet kwaliteitsbeleid. Bij de beoordeling van plannen in dit gebied wordt met name gelet op de relatie met de omgeving en het bouwwerk op zichzelf.

Toetsing

De uitbreiding van bedrijventerrein Sint Philipsland bevindt zich buiten de kern, aansluitend op het reeds aanwezige bedrijventerrein. De ontwikkelingen binnen het plangebied worden getoetst aan welstandsniveau 3. Het terrein wordt goed landschappelijk ingepast rekening houdend met de ruimtelijke kwaliteiten in de omgeving.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1 Inleiding

In dit hoofdstuk wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan diverse sectorale aspecten.

4.2 Verkeer

Ontsluiting

Zoals in beschreven in paragraaf 2.2 wordt voor de ontsluiting van het plangebied gebruik gemaakt van de bestaande ontsluitingen op de Provincialeweg en wordt aangesloten op de Handelsweg en Industrieweg. Deze wegen worden doortrokken en met elkaar verbonden zodat er een circuit ontstaat.

Verkeersgeneratie

In de bestaande situatie heeft het bedrijventerrein een netto oppervlakte van 6,5 hectare. De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein heeft een netto oppervlakte van 1,2 hectare, waardoor de totale netto oppervlakte van het bedrijventerrein in de toekomstige situatie 7,7 hectare zal bedragen. De verkeersgeneratie kan worden bepaald aan de hand van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren; van parkeerkencijfers naar parkeernormen).

De kencijfers voor bedrijventerreinen gelden per m2 netto ha bedrijventerrein. Als wordt gekeken naar het soort bedrijven waarvoor het bedrijventerrein is bedoeld, dan kan worden uitgegaan van een type werkmilieu 'Gemengd'. Hiervoor wordt in de publicatie gerekend met 128 personenauto's en 30 vrachtauto's per hectare terrein per weekdag. Conform CROW-publicatie kunnen voor het bepalen van de verkeersintensiteiten op een werkdag de etmaalintensiteiten worden omgerekend door de kengetallen van een weekdag te vermenigvuldigen met 1,33. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie berekend voor de bestaande en beoogde situatie.

  netto oppervlakte (ha)   norm   totaal verkeersbewegingen (mvt/etmaal)   aandeel personenauto's
(81%)  
aandeel vrachtauto's  
      week   werk   week   werk   week   werk  
bestaand   6,5   158 per hectare   1.027   1.365   832   1.105   195   260  
uitbreiding   1,2   158 per hectare   190   252   154   204   36   48  
totaal beoogd   7,7   158 per hectare   1.217   1.618   985   1.311   231   307  

De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein zal leiden tot een verkeerstoename van 190 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag en 252 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. voor de verdeling van het vrachtverkeer tussen lichte en zware vrachtauto's wordt uitgegaan van tabel A9 uit CROW publicatie 381, waarbij voor een gemengd bedrijventerrein wordt gehanteerd dat 41% van het gegenereerde vrachtverkeer zal bestaan uit licht vrachtverkeer en 59% uit zwaar vrachtverkeer. voor de beoogde uitbreiding betekent dit dat gedurende een gemiddelde weekdag het licht vrachtverkeer toeneemt met 15 mvt/etmaal en het zwaar vrachtverkeer met 21 mvt/etmaal. omgerekend naar werkdagintensiteiten komt dit neer op een toename van 20 mvt/etmaal voor licht vrachtverkeer en 28 mvt/etmaal voor zwaar vrachtverkeer.

Verkeersafwikkeling

Gezien de ligging wordt verwacht dat al het verkeer van en naar de uitbreiding afwikkelt via de centrale ontsluitingsweg (Industrieweg). Er wordt geen verkeerstoename verwacht op de Kwekerijweg. Het verkeer van en naar de uitbreiding wikkelt zich voor 75% (189 mvt/etmaal) af in oostelijke richting en voor 25% (63 mvt/etmaal) in westelijke richting. In onderstaande figuur is de beoogde verkeersafwikkeling van de uitbreiding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpUitbrbtStPh-VG01_0005.jpg"

Figuur 4.1 De verkeersafwikkeling van de beoogde ontwikkeling

De Provincialeweg is ingericht als een gebiedsontsluitingsweg type II buiten de bebouwde kom. Op basis van CROW Handboek Wegontwerp 2013 heeft dit type weg een capaciteit tussen 6.000 en 20.000 mvt/etmaal. Op basis van verkeersgegevens uit de provinciale verkeersstromenkaart 2019 bedraagt de verkeersintensiteit op de Provincialeweg ten hoogte van het plangebied 5.100 mvt/etmaal. De grootste verkeerstoename op de Provincialeweg vindt plaats ten oosten van het plangebied, waar de verkeersintensiteiten zullen stijgen met 189 mvt/etmaal. Deze toename is dermate laag ten opzichte van de capaciteit van de Provincialeweg, dat de invloed op de verkeersdoorstroming gering zal zijn.

Parkeren

Uitgangspunt is dat de ontwikkelingen binnen het plangebied voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. De hierbij te hanteren parkeernormen zijn opgenomen in het GVVP van de gemeente Tholen ('Gemeentelijk Verkeer- en Vervoersplan Tholen 2009-2018', gemeente Tholen 2008). De parkeernormen zijn afhankelijk van de bedrijfsfunctie en de omvang van het bruto vloeroppervlak van de bedrijven.

4.3 Watertoets

4.3.1 Beleid en normstelling

Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt.

4.3.2 Toetsing

Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De watertoets die voor de voorgenomen ontwikkeling is uitgevoerd, is opgenomen in bijlage 3. Bij het tot stand komen daarvan is overleg gevoerd met het waterschap.

4.3.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat met voorliggend bestemmingsplan geen negatieve gevolgen zijn voor het waterhuishoudkundige systeem in het plangebied. 

4.4 Bodem

4.4.1 Beleid en normstelling

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

4.4.2 Toetsing

Voor de uitbreiding van voorliggend bedrijventerrein is een bodemonderzoek uitgevoerd. De rapportage daarvan is opgenomen in bijlage 4. Uit dit onderzoek blijkt dat behoudens een plaatselijk licht verhoogd gehalte voor koper in de bovengrond, in de grond verder geen verontreinigingen zijn aangetoond. Het grondwater is maximaal licht verontreinigd met barium, xylenen en/of naftaleen. Deze resultaten komen grotendeels overeen met de verwachte bodemkwaliteitsgegevens uit de bodemkwaliteitskaart en de historische informatie. Uit een indicatieve toetsing van de aangetoonde gehalten in de grond is er sprake van grond met een hergebruiksklasse ‘Achtergrondwaarde’. Op basis van PFAS kan de bovengrond van het noordelijke deel van de onderzoekslocatie worden toegepast binnen de toepassingszones Wonen en Industrie. De onderzoeksresultaten vormen geen aanleiding voor nader bodemonderzoek.

Daarnaast is een aanvullend verkennend bodemonderzoek uitgevoerd in verband met de uitbreiding van het projectgebied met een groenstrook liggend tussen het al onderzochte terrein en het huidige industrieterrein. Het aanvullend onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van deze groenstrook. De rapportage daarvan is opgenomen in bijlage 5. Uit dit onderzoek blijkt dat de onderzoekslocatie op basis van het gebruik als onverdacht kan worden geschouwd. Er bestaat vooralsnog geen aanleiding te veronderstellen dat de bodem op de locatie verdacht is voor het voorkomen van asbest in de bodem. In de grond en de waterbodem zijn geen verontreinigingen met de geanalyseerde parameters (zware metalen, PAK, PCB's en/of minerale olie) of PFAS aangetoond.

Op basis van de resultaten van het onderhavige bodemonderzoek (en tevens het eerder uitgevoerde onderzoek op het naastgelegen terrein) zijn er geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.4.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect bodemkwaliteit de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

4.5 Archeologie

4.5.1 Beleid en normstelling

Het cultureel erfgoed van Nederland wordt beschermt met de Erfgoedwet. Om te voorkomen dat de archeologische informatie ongezien verloren gaat, is het noodzakelijk dat gemeenten in het ruimtelijk beleid waarborgen voor de omgang met dit bodemarchief. Dit is een uitvloeisel van het Verdrag van Malta dan in 1992 door Nederland werd ondertekend.

De gemeente Tholen heeft eigen archeologiebeleid vastgelegd in de Nota Archeologiebeleid (vastgesteld 28 juni 2012). In het archeologiebeleid zijn verwachtingskaarten gemaakt voor het gehele grondgebied van de gemeente. Hierin worden 4 verschillende archeologische niveaus (4 lagen: laag 1 Walcheren, laag 2 Hollandveen, laag 3 Wormer en laag 4 Pleistoceen) onderscheiden. Er zijn diepte- en oppervlaktematen bepaald voor de verplichting van archeologisch onderzoek bij bodemverstorende activiteiten.

4.5.2 Toetsing

Voor het plangebied geldt op basis van het gemeentelijke archeologiebeleid een lage verwachting op het voorkomen van archeologische resten vanaf de Middeleeuwen. Voor de overige perioden ontbreekt een archeologische verwachting. Afgaand op het archeologiebeleid zou in het bestemmingsplan daarom een dubbelbestemming Waarde-Archeologie opgenomen dienen te worden met een vrijstellingsdiepte van 40 cm en een vrijstellingsoppervlakte van 2.500 m2.

In het kader van de realisatie van de uitbreiding van het bedrijventerrein is archeologisch advies opgevraagd. Hierbij zijn externe bronnen geraadpleegd zoals historische kaartmateriaal, het Actueel Hoogtebestand Nederland, Het DINO-loket, Archis 3 en het Zeeuws Archeologisch Depot. Hieruit is gebleken dat binnen het plangebied geen indicatoren aanwezig zijn die wijzen op de aanwezigheid van archeologische resten. Dit is zeer waarschijnlijk te relateren aan de geologische/landschappelijke ligging van het plangebied. Het plangebied is gelegen in een deel van de gemeente Tholen waar ‘Het Slaak’ heeft gelegen. Deze voormalige waterloop is tot het midden van de 20e eeuw actief geweest en pas in de tweede helft van de 20e eeuw drooggelegd. Een analyse van het bodemprofiel maakt duidelijk dat Het Slaak zich in zijn actieve periode diep heeft ingesneden in de ondergrond en alle andere geologische lagen tot grote diepte ca. 30 meter) heeft geërodeerd. Afgaand op bovenstaande kan de archeologische verwachting voor alle geologische lagen en archeologische perioden naar laag worden bijgesteld.

Ondanks dat geen archeologisch onderzoek dient te worden uitgevoerd bestaat de kans dat er tijdens graafwerkzaamheden archeologische resten worden aangetroffen. Hiervoor geldt op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet een meldingsplicht.

4.5.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het aspect archeologie de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg staat.

4.6 Cultuurhistorie

4.6.1 Beleid en normstelling

De Wet modernisering monumentenzorg heeft onder andere tot doel dat cultuurhistorische waarden in een vroegtijdig stadium in een ruimtelijk plan worden betrokken. In de toelichting van een ruimtelijk plan dient een beschrijving opgenomen te worden van de in het plangebied voorkomende cultuurhistorische waarden. Indien het gemeentebestuur dat wenselijk acht, kan ervoor gekozen worden om de aanwezige cultuurhistorische waarden te beschermen in een eventuele regeling (indien er een bestemmingsplan opgesteld wordt). In het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk is tevens opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

4.6.2 Toetsing

Het plangebied bestaat uit een agrarisch perceel en is onbebouwd. In het plangebied zijn geen elementen aanwezig die cultuurhistorisch van betekenis zijn.

4.6.3 Conclusie

Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein.

4.7 Ecologie

4.7.1 Beleid en normstelling

Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient onderzocht te worden of de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) en het beleid van de provincie ten aanzien van de bescherming van dier- en plantensoorten en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland de uitvoering van het plan niet in de weg staan. In elk geval moet aannemelijk zijn dat vergunning of ontheffing van de bij of krachtens deze wet geldende verbodsbepalingen kan worden verkregen voor de activiteiten die met dit bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt.

4.7.2 Toetsing

Huidige situatie

Het gehele plangebied is in de huidige situatie in gebruik als agrarische grond en wordt gebruikt als akker.

Beoogde ontwikkelingen

Het bestemmingsplan voorziet in de ontwikkeling van nieuw bedrijventerrein. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken worden de volgende werkzaamheden uitgevoerd:

  • het uit productie nemen van agrarische grond;
  • bouwrijp maken;
  • bouwwerkzaamheden.

Gebiedsbescherming

Het plangebied ligt op circa 50 meter afstand van stikstofgevoelig Natura 2000-gebied 'Oosterschelde' en circa 900 meter van het Natura 2000-gebied 'Krammer-Volkerak'. Effecten op Natura 2000-gebieden zijn door de korte afstand niet uit te sluiten. De aanleg en het gebruik van het bedrijventerrein hebben mogelijk effecten op deze Natura 2000-gebieden. Vanwege deze potentiële negatieve effecten is een voortoets opgesteld om te bepalen of nader onderzoek en/of een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming (Wnb) vereist is. De voortoets is opgenomen in bijlage 6.

Op grond van de ecologische beoordeling wordt geconcludeerd dat significante effecten als gevolg van de berekende extra stikstofdepositie in de aanleg- en gebruiksfase geheel kunnen worden uitgesloten. De AERIUS-berekeningen zijn opgenomen in bijlagen 7 en 8. Voorwaarde daarvoor is dat elk toekomstig bedrijf kan aantonen dat de stikstofdepositie op Natura 2000 niet significant toeneemt. Op grond van de Spoedwet aanpak stikstof is vanwege het ontbreken van significante effecten geen vergunning in het kader van de Wet Natuurbescherming benodigd voor de beoogde ontwikkeling.

Soortenbescherming: huidige ecologische waarden

Voor voorliggende ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Dit onderzoek is als bijlage 9 toegevoegd. Uit het onderzoek blijkt dat het plangebied fungeert als rust- en verblijfplaats van de haas. De groenstroken rondom het plangebied kunnen mogelijk gebruikt worden door broedvogels in het broedseizoen.

De werkzaamheden kunnen in potentie leiden tot verstoring en/of vernieling van nesten van algemene broedvogels. Om rekening te houden met de aanwezigheid van broedvogels dient gewerkt te worden buiten het broedseizoen (15 maart - 15 juli). Wanneer dit niet mogelijk is dient aanvullend uitgevoerd te worden.

Ten aanzien van de haas is een nader onderzoek verricht. Dit onderzoek is als bijlage 10 toegevoegd. In het onderzoek zijn in het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de haas vastgesteld. In het aangrenzende akkerland zijn gedurende het onderzoek wel zes individuen van de haas waargenomen. Het is aannemelijk dat individuen van de haas het plangebied gebruiken als onderdeel van het foerageergebied (niet essentieel). Voor de geplande werkzaamheden is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig, indien geschikte mitigerende maatregelen worden getroffen om het doden van individuen van de haas te voorkomen. Het doden van individuen van de haas kan worden voorkomen door (een combinatie van) de volgende maatregelen:

  • het maaien en verwijderen van groen uitvoeren buiten de kwetsbare periode van de haas (februari t/m september);
  • hij het maaien en verwijderen van groen van binnen naar buiten werken;
  • bij het maaien en verwijderen van groen een korte maaibalk gebruiken;
  • bij het maaien en verwijderen van groen een wildketting (wildverjager) gebruiken;
  • en / of het opsporen en verplaatsen van individuen van de haas voorgaand aan het maaien en verwijderen van groen.

Soortenbescherming: aanvulling en actualisering ecologische waarden

Daarnaast is een aanvulling en actualisering van de ecologische waarden uitgevoerd in verband met de uitbreiding van het projectgebied met een groenstrook liggend tussen het al onderzochte terrein en het huidige industrieterrein. Het aanvullend onderzoek is uitgevoerd ter plaatse van deze groenstrook. De rapportage daarvan is opgenomen in bijlage 11. Het volgende kan geconcludeerd worden.

In het struweel binnen het plangebied zijn mogelijk verblijfplaatsen van kleine marterachtigen aanwezig. In het plangebied kunnen individuen van de haas worden verwacht. Of en waar marterachtigen zich in het projectgebied bevinden is nog onbekend. In dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen waarmee een nader onderzoek naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen van kleine marterachtigen moet worden uitgevoerd voordat er werkzaamheden zullen worden uitgevoerd.

Tijdens het onderzoek naar de haas in 2022 zijn geen beschermde functies van de haas vastgesteld binnen het plangebied. Incidenteel kunnen uitzwervende individuen van de rugstreeppad worden verwacht in het projectgebied. Het plangebied biedt geschikt broedbiotoop voor (algemene) vogels. Tevens kunnen algemene amfibieën, vissen en zoogdieren aanwezig zijn.

Tijdens de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van kleine marterachtigen verloren gaan en individuen worden gedood. Gedurende de werkzaamheden kunnen individuen van de haas en de rugstreeppad worden gedood. Bij het verwijderen van struweel kunnen nesten van (algemene) broedvogels worden vernield en individuen worden gedood. Algemene amfibieën, vissen en zoogdieren kunnen gedood worden als gevolg van de werkzaamheden.

Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van individuen van de haas te voorkomen tijdens de geplande werkzaamheden. Het doden van individuen van de haas kan worden voorkomen door (een combinatie van) de volgende maatregelen:

  • Het maaien en verwijderen van groen uitvoeren buiten de kwetsbare periode van de haas (februari t/m september);
  • Bij het maaien en verwijderen van groen van binnen naar buiten werken;
  • Bij het maaien en verwijderen van groen een korte maaibalk gebruiken;
  • Bij het maaien en verwijderen van groen een wildketting (wildverjager) gebruiken;
  • Het opsporen (en verjagen) van individuen van de haas voorgaand aan het maaien en verwijderen van groen.

Er wordt aanbevolen om kolonisatie van het plangebied door de rugstreeppad tijdens de werkzaamheden te voorkomen. Dit kan onder andere door tijdig een amfibieënkerend raster rondom het werkgebied te plaatsen en het ontstaan van ondiepe plassen en poelen in het werkgebied te voorkomen.

Om de plannen voor het plangebied te realiseren zal er struweel worden verwijderd. Het is aan te bevelen het verwijderen hiervan buiten het broedseizoen van vogels (globaal maart – augustus) uit te voeren. De vermelde periode is niet leidend, elk broedgeval is beschermd. Ook broedgevallen buiten deze periode mogen niet verstoord worden. Indien werkzaamheden tijdens het broedseizoen plaats moeten vinden, dient een aanvullende inspectie op broedvogels door een ecoloog te worden uitgevoerd om overtredingen te voorkomen.

Tijdens grondverzet en het dempen van de watergang kunnen er mogelijk individuen van algemene amfibieën, vissen en zoogdieren worden gedood. Er dienen maatregelen te worden getroffen om het doden van deze soorten te voorkomen, zoals het werken in één richting waardoor aanwezige fauna voor de werkzaamheden uit kan vluchten.

Er vinden kapwerkzaamheden plaats. De te kappen bomen bevinden zich binnen de bebouwde komgrenzen van de Wet natuurbescherming. Zodoende zijn de bepalingen uit de Wet natuurbescherming ten aanzien van houtopstanden niet van toepassing op de te kappen bomen.

4.7.3 Conclusie

De Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie ten aanzien van het NatuurNetwerk Zeeland vormen geen belemmering voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein en dus voor de uitvoering van het voorliggende bestemmingsplan.

Ook in het kader van de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Met inachtneming van de maatregelen op het gebied van maaien en verwijderen om het doden van hazen te voorkomen is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

4.8 Bedrijven en milieuzonering

4.8.1 Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de ontwikkeling van een bedrijventerrein nabij milieugevoelige functies (zoals woningen) of visa versa:

  • een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • bedrijven/inrichtingen niet te veel in hun bedrijfsvoering worden beperkt.

Om in dit bestemmingsplan de belangenafweging tussen een goed woon- en leefklimaat en de bedrijfsvoering te borgen, wordt in dit plan milieuzonering toegepast. Daarmee wordt de toelaatbaarheid van bedrijfsactiviteiten in dit bestemmingsplan vastgelegd. Een milieuzonering zorgt ervoor dat milieubelastende functies (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen) waar nodig ruimtelijk voldoende worden gescheiden. De gehanteerde milieuzonering is gekoppeld aan een Staat van Bedrijfsactiviteiten. Een dergelijke staat is een lijst waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten, al naar gelang de te verwachten belasting voor het milieu, zijn ingedeeld in een aantal categorieën. Voor de indeling in de categorieën zijn de volgende ruimtelijk relevante milieuaspecten van belang:

  • geluid;
  • geur;
  • stof;
  • gevaar (met name brand- en explosiegevaar).

In specifieke situaties kan daarnaast de verkeersaantrekkende werking van een bedrijf relevant zijn.

De aanpak van milieuzonering en de in dit plan gebruikte 'standaard Staat van Bedrijfsactiviteiten' ('standaard SvB') zijn gebaseerd op de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2009), op de Voorbeeld Staat van Bedrijfsactiviteiten voor bedrijventerreinen. In de VNG-publicatie is een lijst opgenomen met allerhande activiteiten en bijbehorende richtafstanden die gehanteerd worden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Naarmate de milieubelasting van de activiteiten groter is, wordt uitgegaan van een grotere richtafstand. In geval van een omgevingstype 'gemengd gebied' mag worden uitgegaan van een kleinere richtafstand. De richtafstanden vormen een eerste indicatie van de aanvaardbaarheid in de situatie dat gevoelige functies in de nabijheid van milieubelastende activiteiten worden gesitueerd. Bouwen binnen de richtafstanden is eveneens aanvaardbaar, indien uit onderzoek blijkt dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening waarbij milieuhinder voorkomen wordt. Een nadere toelichting op de Staat van Bedrijfsactiviteiten en de toepassing daarvan is opgenomen in bijlage 2.

4.8.2 Toetsing

Op voorliggend bedrijventerrein wordt niet voorzien in nieuwe milieugevoelige functies, zoals bedrijfswoningen. Dat betekent dat moet worden gekeken naar milieugevoelige functies in de omgeving. Op het naastgelegen bedrijventerreinen zijn geen bedrijfswoningen toegestaan. De dichtstbijzijnde woningen bevindt zich op een afstand van ruim 100 meter (agrarische bedrijfswoning Lange Kruisweg 2 en agrarische bedrijfswoning Lange Kruisweg 1). Gezien deze afstanden kunnen uit milieuoogpunt bedrijven uit categorie 3.1 en 3.2 worden toegelaten.

Ook wordt opgemerkt dat het bedrijventerrein zal worden ontsloten via het naastgelegen bedrijventerrein. De maatgevende activiteiten (verkeersbewegingen) vinden dan ook op een nog grotere afstand van de woningen plaats. Wanneer te vestigen bedrijven passen binnen de milieuzonering is milieuhinder dan ook niet te verwachten.

4.8.3 Conclusie

In dit bestemmingsplan is zorggedragen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van bestaande woningen. Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.9 Externe veiligheid

4.9.1 Beleid en normstelling

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR rondom een risicovolle inrichting een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet aan deze normen worden voldaan.

Het Bevi bevat geen grenswaarde voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied rondom de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties.

4.9.2 Toetsing

Risicovolle inrichtingen

In dit bestemmingsplan worden risicovolle inrichtingen niet rechtstreeks mogelijk gemaakt. Uit de professionele risicokaart blijkt dat in de huidige situatie in het plangebied geen risicovolle inrichting aanwezig zijn.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen

In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen buisleidingen.

Vervoer gevaarlijke stoffen op andere wijzen

In de directe omgeving van het plangebied vindt geen vervoer van gevaarlijke stoffen plaats over de weg, het spoor of het water.

4.9.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.10 Kabels en leidingen

4.10.1 Beleid en normstelling

Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Planologisch relevante leidingen zijn leidingen waarin de navolgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/goederen;
  • aardgas met een diameter groter of gelijk aan 18 inch;
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabrikaat voor de drink- en industriewatervoorziening met een diameter groter of gelijk aan 18 inch.
4.10.2 Toetsing

Er zijn in het plangebied geen planologisch relevante hoogspanningsverbindingen of buisleidingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden.

4.10.3 Conclusie

Het aspect kabels en leidingen staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.11 Niet gesprongen explosieven

4.11.1 Beleid en normstelling

Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitie uit de Tweede Wereldoorlog. Wanneer deze explosieven bij werkzaamheden worden aangetroffen, kunnen deze gevaar opleveren voor de publieke veiligheid. Daarnaast kunnen deze vondsten een zware belasting voor het milieu vormen. Zeeland heeft tijdens de oorlog zwaar geleden onder het oorlogsgeweld. Verspreid over het eiland hebben bombardementen en artilleriebeschietingen plaatsgevonden, hebben er vele verdedigingsstellingen en mijnenvelden gelegen en zijn verschillende vliegtuigen en bommen neergekomen. Deze en andere gebeurtenissen hebben er toe geleid dat er een kans bestaat dat conventionele explosieven (CE) in de bodem zijn achtergebleven

4.11.2 Toetsing

Ook het grondgebied van de gemeente Tholen heeft in de Tweede Wereldoorlog onder vuur gelegen. Door de gemeente is een gemeentebreed bureauonderzoek uitgevoerd door Saricon naar niet gesprongen explosieven (“Vooronderzoek Conventionele Explosieven Gemeente Tholen” d.d. 11 maart 2021). Daaruit is gebleken dat het plangebied geen aandachtsgebied of verdacht gebied is.

4.11.3 Conclusie

Het aspect niet gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan. Een eventuele toevalsvondst wordt gemeld bij de gemeente Tholen.

4.12 Wegverkeerslawaai

4.12.1 Beleid en normstelling

Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden op een gevoelige functie. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

4.12.2 Toetsing

Binnen dit bestemmingsplan worden geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. Daarnaast blijkt uit de berekening van de verkeersgeneratie ten gevolge van de uitbreiding van het bedrijventerrein (zie paragraaf 4.2) en dat geen sprake is van een significante verkeerstoename op het omliggend wegennet (verkeerstoename van 25% of meer). Hierdoor zullen bestaande geluidgevoelige bestemmingen langs deze wegen geen extra hinder ondervinden ten gevolge van wegverkeerslawaai.

4.12.3 Conclusie

Het aspect wegverkeerslawaai vormt geen belemmering voor de uitvoering van voorliggend plan.

4.13 Industrielawaai

4.13.1 Beleid en normstelling

Volgens de Wet geluidhinder dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Bedoelde inrichtingen worden nader genoemd in het Besluit omgevingsrecht. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidzone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen.

4.13.2 Toetsing

Het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein waar zich grote lawaaimakers kunnen vestigen. In de huidige situatie zijn dergelijke inrichtingen hier ook niet aanwezig.

4.13.3 Conclusie

Het aspect industrielawaai staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.14 Luchtkwaliteit

4.14.1 Beleid en normstelling

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in onderstaande tabel weergegeven.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
4.14.2 Toetsing

De beoogde uitbreiding van het bedrijventerrein heeft een verkeersgeneratie van 190 mvt/etmaal tot gevolg. Op basis van ervaringen elders wordt rekening gehouden met 19% vrachtverkeer. Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage NO2 0,51 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,05 µg/m³ (figuur 4.2). Hierdoor draagt de beoogde ontwikkeling niet in betekenende mate bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen. De beoogde ontwikkeling vormt geen belemmering voor het aspect luchtkwaliteit. Ter plaatse van zowel het bedrijventerrein als de directe omgeving zal sprake zijn van een aanvaardbaar (woon en-) leefklimaat.

afbeelding "i_NL.IMRO.0716.bpUitbrbtStPh-VG01_0006.png"

Figuur 4.2 Uitkomst NIBM-tool

4.14.3 Conclusie

De conclusie is dat het aspect luchtkwaliteit de uitvoering van het plan niet belemmert.

4.15 Duurzaamheid, klimaatadaptatie en energie

4.15.1 Beleid en normstelling

Het klimaat verandert door de uitstoot van broeikasgassen. Fossiele grondstoffen worden schaars. Daarom is wereldwijd afgesproken om de CO2- uitstoot te beperken. De klimaatafspraken uit Parijs zijn voor Nederland vertaald naar concrete CO2- doelstellingen: 49% minder CO2-uitstoot in 2030 en 95% in 2050 ten opzichte van de uitstoot in 1990. Daarnaast is er de landelijke doelstelling om in 2050 aardgasvrij te zijn, ook voor bedrijven(terreinen). Dit vraagt om een transitie van fossiele energie naar duurzame energie. Deze samengestelde opgave betekent een forse inspanning voor alle betrokken partijen. Gemeente Tholen heeft de ambitie om een duurzame en klimaatbestendige gemeente te worden.

In 2021 heeft de gemeenteraad de Energiebalans vastgesteld. Daarin staat de koers die de gemeente Tholen gaat varen en de wijze waarop wij naar duurzame initiatieven kijken. De Thoolse visie op de Energiebalans luidt als volgt:

  • 1. Wij zetten ons actief in om invulling te geven aan de energiedoelstellingen voor 2025 en 2050 met een slimme combinatie van besparingsmaatregelen en toevoeging van hernieuwbare opwek.
  • 2. Maatschappelijk draagvlak is cruciaal voor het slagen van de energietransitie. Wij ondersteunen maatregelen die door de samenleving worden gedragen. Bewustwording en het delen van kennis zijn fundamenten onder onze aanpak.
  • 3. De Energiebalans staat in nauw verband met ons omgevingsbeleid. De waarden gezondheid, leefbaarheid en ruimtelijke kwaliteit zijn sturend bij de uitwerking van de Energiebalans.
  • 4. We streven naar win-winsituaties. In de schaarse ruimte streven vele functies naar ruimte. Bij de projecten uit de Energiebalans zoeken we de koppeling met andere opgaven en ambities, bijvoorbeeld op het gebied van economie, wonen, klimaatadaptatie, toerisme en landbouw.
  • 5. Bij de uitwerking is technische beschikbaarheid en toepasbaarheid van maatregelen een belangrijk aandachtspunt. Daarom ligt voor de periode tot en met 2025 de focus op maatregelen die beschikbaar en uitvoerbaar zijn met de beschikbare netcapaciteit als belangrijke randvoorwaarde.

In 2050 moet de energievoorziening bijna helemaal duurzaam zijn. De uitstoot van CO2 (broeikasgassen) is dan 80-95% minder vergeleken met 1990.

Dit krijgt zijn weerklank in nieuw te ontwikkelen plannen. Er moet gekeken worden naar de mogelijkheden om dit gebied duurzaam en toekomstbestendig te ontwikkelen.

Dit betekent dat we in ieder geval de volgende uitgangspunten hanteren:

  • Gebouwen worden minimaal energieneutraal of zelfs energiepositief gerealiseerd.
  • Geen aansluiting meer op het gasnet (ook niet meer toegestaan).
  • De mogelijkheden voor warmtevoorziening worden breed bezien.
  • Bij de inrichting van het gebied wordt rekening gehouden met klimaatverandering.
  • Zoveel als mogelijk worden circulaire materialen toegepast bij het bouwen van de gebouwen en het ontwikkelen van het openbare gebied.
  • Kavelkopers houden rekening met het nemen van duurzame maatregelen
4.15.2 Toetsing

Op het niveau van het bestemmingsplan is de duurzame combinatie tussen water en ruimtelijke ontwikkeling van belang. De omvang van de benodigde waterberging is op basis van de aanwezige verharding in het plangebied en de uitgangspunten van het waterschap vastgesteld op 1.043 m3 (zie bijlage  3). In overleg met het Waterschap Scheldestromen zal worden bepaald op welke wijze binnen het plangebied in de waterbergingsopgave worden voorzien.

De gemeente verwacht dat tegelijk met de inwerkingtreding van de Omgevingswet bij elk nieuw te vestigen/bouwen bedrijfspand tenminste op de dakvlakken panelen voor de winning van energie uit zonlicht wordt gelegd. Hiermee moet dus in het ontwerpen van de constructie van de gebouwen rekening worden gehouden. In dit bestemmingsplan is als bouwregel opgenomen dat daken van gebouwen bouwkundig geschikt dienen te zijn voor de plaatsing van panelen voor de opwekking van energie uit zonlicht.

Verder moet alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, sinds 1 januari 2021 voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Omdat de gemeente een duurzaam en toekomstbestendig bedrijventerrein voorstaat is tenminste een energieneutraal, of zelfs energiepositief bedrijventerrein het streven.

De overige thema's spelen vooral op het niveau van bouwplannen een rol. De nieuwe gebouwen zullen moeten voldoen aan alle voorwaarden met betrekking tot duurzaamheid uit het Bouwbesluit. Er zal gebruik worden gemaakt van duurzame materialen, dat wil zeggen hout, betongranulaat, pvc, gips en zo min mogelijk tot geen lood en geen koper. Kozijnen, goten, windveren worden uitgevoerd in kunststof. Lood door loodvervangers waar mogelijk.

Op dit moment is er Netcongestie in de gemeente Tholen, dat betekent dat er geen grootschalige zonnepanelen (met teruglevering op het elektriciteitsnet) kunnen worden geplaatst op bedrijfsdaken tot zeker 2025. De netbeheerder zoekt naar oplossingen om deze netcongestie op te heffen, voor de gebouwen op nieuwe bedrijventerreinen is het van belang dat zij tenminste de mogelijkheden hebben om zonnepanelen te plaatsen als netcongestie geen probleem meer is.

4.15.3 Conclusie

Op verschillende niveaus van de planontwikkeling wordt ingezet op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling.

4.16 M.e.r.-beoordeling

4.16.1 Beleid en normstelling

In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Ook wanneer de drempelwaarden niet worden overschreden moet het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten nagaan of mogelijk sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, die aanleiding geven om een milieueffectrapport (MER) op te stellen. Daarbij moet worden gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

In bijlage C en D van het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het bestemmingsplan planmer-plichtig (bijlage C en D), projectmer-plichtig (bijlage C) of mer-beoordelingsplichtig (bijlage D) zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Onder deze drempelwaarden is een ontwikkeling niet rechtstreeks planmer-, projectmer of mer-beoordelingsplichtig.

Een aantal jaar geleden is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden. Hierin is geregeld dat ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, een besluit moet worden genomen of een MER nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan - ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft - mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling.

4.16.2 Toetsing

Concreet voor deze situatie heeft de ontwikkeling betrekking op de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein. In gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer, is deze situatie vermeld in de bijlage D, dat is hier niet het geval. Een directe verplichting om een milieueffectrapportage op te stellen is er daarmee niet.

Niettemin zal een zogenaamde ‘vormvrije' m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd. Het bevoegd gezag zal vóór de vaststelling van het bestemmingsplan hierover een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. De 'vormvrije' m.e.r.-beoordeling is als bijlage 12 toegevoegd.

4.16.3 Conclusie

Het bevoegd gezag zal vóór de vaststelling van het bestemmingsplan een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen.

Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

5.1.1 Kostenverhaal

In de Wet ruimtelijke ordening zijn regels opgenomen over de grondexploitatie. Deze regels verplichten tot kostenverhaal door de gemeente indien nieuwe bouwplannen rechtstreeks mogelijk worden gemaakt door middel van een bestemmingsplan en er voor de gemeente sprake is van verhaalbare kosten (kostensoortenlijst Besluit ruimtelijke ordening). Doel hiervan is om bij de ontwikkeling van bouwlocaties een eerlijke verdeling van kosten en opbrengsten voor publieke voorzieningen af te dwingen. Als er te verhalen kosten zijn, dan legt de gemeente dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Een exploitatieplan is niet vereist indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd (bijvoorbeeld door het sluiten van overeenkomsten van grondexploitatie met alle eigenaren in het exploitatiegebied, waar bouwmogelijkheden gerealiseerd kunnen worden of volledig grondeigendom).

Op dit moment is het plangebied in eigendom bij de gemeente. De kosten die de gemeente maakt voor de ontwikkeling van het terrein, worden verdisconteerd in de grondprijs. Een exploitatieplan is niet vereist omdat het kostenverhaal anderszins is verzekerd.

5.1.2 Financiële uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6. van het Bro is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan inzicht moet worden gegeven in de uitvoerbaarheid. Hieronder wordt mede de financiële uitvoerbaarheid verstaan. Dit plan betreft een gemeentelijke grondexploitatie waarin het kostenverhaal anderszins verzekerd is. Daarmee is het plan financieel uitvoerbaar.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Vooroverleg ex artikel 3.1.1. Bro

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een wijzigingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft provincie Zeeland in een brief d.d. 6 september 2022 op het concept-ontwerpbestemmingsplan gereageerd. Zij merkt - samengevat - over het plan het volgende op:

  • 1. Provincie Zeeland verzoekt om een actueel bedrijventerreinenprogramma op basis van de meeste recente prognose.

Paragraaf 2.1 van de toelichting gaat uitgebreid in op de onderbouwing van de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte aan de uitbreiding van bedrijventerrein Sint Philipsland. Na de reactie van provincie Zeeland is aan deze paragraaf een actueel bedrijventerreinenprogramma toegevoegd dat is afgezet tegen recente ramingen van provincie Zeeland (2020) en die in de rapportage 'Bedrijventerreinprogramma Gemeente Tholen 2018-2026'. Daaruit en uit een analyse van de vraag volgt dat een duidelijke kwantitatieve en kwalitatieve behoefte bestaat aan de uitbreiding van bedrijventerrein Sint Philipsland met netto 1,2 hectare.

  • 2. Een eventuele uitbreiding van een kleinschalig bedrijventerrein kan, met inachtneming van een goedgekeurd actueel bedrijventerreinenprogramma, met ten hoogste 20% van de bruto oppervlakte van het bestaand bedrijventerrein. Bedrijventerrein Sint Philipsland is bruto 7,4 hectare groot en provincie Zeeland merkt op dat daarmee een uitbreiding van 2 hectare niet haalbaar is.

De uitbreiding van bedrijventerrein Sint Philipsland is netto 1,2 hectare groot. Ten opzichte van het bestaand bedrijventerrein met een netto-oppervlakte van 6,5 hectare is de uitbreiding circa 18%. De uitbreiding is echter bruto 2,0 hectare groot (en daarmee, uitgaande van een bruto-oppervlakte, groter dan 20% van het bestaande bedrijventerrein) om enerzijds een goede landschappelijke inpassing mogelijk te maken en daarmee een toevoeging van ruimtelijke kwaliteit en anderzijds goed uitgeefbare kavels met gebruikmaking van de bestaande ontsluiting op het aangrenzend bestaand bedrijventerrein.

  • 3. Een eventuele uitbreiding moet ruimtelijke kwaliteit toevoegen. Dit dient in een bestemmingsplan onderbouwd te worden. In dit voorontwerp bestemmingsplan ontbreekt de toevoeging van de ruimtelijke kwaliteit.

Zie onder 2. Paragraaf 2.2 gaat uitgebreid in op de landschappelijke inpassing en is verduidelijkt met onder meer een impressie. Benadrukt wordt dat uitbreiding niet alleen zelf in ruime mate landschappelijk wordt ingepast maar op zichzelf ook leidt tot een afronding van het bestaand bedrijventerrein, waardoor met de landschappelijk inpassing duidelijk ruimtelijke kwaliteit wordt toegevoegd.

  • 4. Provincie Zeeland verzoekt om de toevoeging van een aanvullend onderzoek dat nog in uitvoering. Dit onderzoek (of een onderbouwing die voldoende aannemelijk maakt dat een eventuele ontheffing voor Haas verleend kan worden) moet aan het plan worden toegevoegd i.v.m. het aantonen van de uitvoerbaarheid.

In paragraaf 4.7 Ecologie is het aanvullend onderzoek in verband met de haas opgenomen. In het onderzoek zijn in het plangebied geen vaste rust- en verblijfplaatsen van de haas vastgesteld. In het aangrenzende akkerland zijn gedurende het onderzoek wel zes individuen van de haas waargenomen. Het is aannemelijk dat individuen van de haas het plangebied gebruiken als onderdeel van het foerageergebied (niet essentieel). Ook in het kader van de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Met inachtneming van de maatregelen op het gebied van maaien en verwijderen om het doden van hazen te voorkomen is geen ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig.

  • 5. Provincie Zeeland maakt een aantal opmerkingen in het kader van de voortoets / de ecologische beoordeling van de mogelijke significante negatieve effecten van de uitbreiding van bedrijventerrein Sint Philipsland op Natura 2000-gebied:
    • a. Op basis van waarnemingen.nl is vastgesteld wat de eventuele (foerageer)functie is van het plangebied, daaruit blijkt dat er enkele keren rotganzen (foeragerend) zijn waargenomen en ook een keer een kleine zilverreiger, dit zijn beiden kwalificerende soorten voor het Natura 2000-gebied Oosterschelde. In de voortoets wordt niet aangegeven dat de foerageerfunctie van rotganzen in het plangebied waarschijnlijk afhankelijk is van het landgebruik, dus uitsluitend wanneer er wintergraan of overjarig graszaad wordt geteeld (waarschijnlijk niet jaarlijks). De kleine zilverreiger maakt om te foerageren hoofdzakelijk gebruik van de aanwezige sloten in het plangebied. Aangezien er voldoende landbouwpercelen (met wintergraan/graszaad) en sloten in de directe omgeving liggen waarnaar deze soorten kunnen uitwijken om te foerageren, kunnen significant negatieve effecten op voorhand uitgesloten worden (ook omdat de instandhoudingsdoelen voor deze soorten ruimschoots worden gehaald). De toets moet op dit onderdeel duidelijker worden onderbouwd.

De conclusie ten aanzien van het effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen voor rotgans en kleine zilverreiger is in de ecologische beoordeling dezelfde: het verloren gaan van 2 hectare incidenteel gebruikt foerageergebied heeft geen effect op het behalen van de instandhoudingsdoelen voor beide soorten. Bovendien zijn er rondom de Oosterschelde tienduizenden hectares vergelijkbaar foerageergebied aanwezig. De onderbouwing is op basis van de reactie van de provincie Zeeland niettemin aangevuld.

    • a. Uit de voortoets blijkt dat sprake is van hoogwatervluchtplaatsen (HVP's) nabij het plangebied (buitendijks). Provincie Zeeland vraagt of deze HVP's beïnvloed kunnen worden door de bouw- en gebruiksfase van het bedrijventerrein en zo ja, of er HVP's in de nabijheid zijn waarnaar uitgeweken kan worden. Ook moet de voortoets duidelijk maken of sprake is van een HVP-functie in het plangebied zelf en het eventueel effect van de ontwikkeling van het bedrijventerrein daarop.

De ecologische beoordeling is aangevuld ten aanzien van de uitwijkmogelijkheden als HVP's buiten het plangebied door de bouw- en gebruiksfase van het bedrijventerrein worden beïnvloed. Paragraaf 3.3. van de ecologische beoordeling geeft aan dat in het plangebied, behalve van de rotgans en kleine zilverreiger, geen andere waarnemingen bekend zijn van kwalificerende Natura 2000. Gezien de relatief geringe omvang en de verstoringsbronnen rondom (met name wegen) is het ook niet aannemelijk dat het plangebied een functie als HVP vervult. Tenslotte geeft het Rijkswaterstaat-overzicht van hoogwatervluchtplaatsen deze locatie ook niet als zodanig aan.

    • a. Provincie Zeeland merkt dat optische verstoring als geen effect wordt afgedaan, terwijl eerder is geconcludeerd dat er kwalificerende vogelsoorten in het plangebied foerageren (rotganzen, kleine zilverreiger) en er mogelijk ook sprake is van beïnvloeding (verstoring) van HVP's.

Het omvormen van het agrarisch perceel naar bedrijventerrein doet de minimale functie voor rotganzen en kleine zilverreiger volledig verdwijnen. Optische verstoring van het perceel doet dan niet meer terzake. In paragraaf 4.2 van de ecologische beoordeling wordt aangegeven dat de nieuwe functies vanwege de tussenliggende dijk en wegbeplanting niet leiden tot optische verstoring van het Natura 2000-gebied. Verstoring van HVP's is evenmin aan de orde

    • a. Uit de ecologische beoordeling blijkt niet voor welke vogels de instandhoudingsdoelen wel/niet gehaald worden. Provincie Zeeland merkt op dat dit van belang is, aangezien er mogelijk negatieve effecten zijn door aanleg en ingebruikname van het bedrijventerrein op kwalificerende niet-broedvogels. De provincie verzoekt om een overzicht van de instandhoudingsdoelen.

Aangezien er, met uitzondering van minimale effecten op rotgans en kleine zilverreiger, geen effecten zijn op andere kwalificerende vogelsoorten wordt de staat van instandhouding van die andere soorten ook niet behandeld.

    • a. Provincie Zeeland merkt op dat de conclusie ten aanzien van het habitattype 'H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)' in tegenspraak is met de analyse in de ecologische beoordeling, omdat daarin alleen sprake is van depositie op H1330A en H1320 (niet op de hier genoemde H1310A).

De passage in de ecologische beoordeling over het habitattype H1310A is verwijderd.

    • a. De ecologische beoordeling vermeldt ten aanzien van het habitattype 'H1320 Slijkgrasvelden' verouderde informatie. Op basis van nieuwe gegevens bevatten beide hexagonen waarop depositie plaatsvindt habitattype H1320 en zijn beide overbelast.

De passage in de ecologische beoordeling over het habitattype H1310A is hierop aangepast.

    • a. Provincie Zeeland verzoekt om een nadere onderbouwing dat de referentiesituatie planologisch was toegestaan en dat het gebruik als (bemeste) akker sinds die tijd onafgebroken heeft plaatsgevonden.

In bijlage 2 (toelichting stikstofberekening referentiesituatie) zijn ter onderbouwing van de referentiesituatie een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan ('Buitengebied 2013') en een topografische kaart uit 1980 toegevoegd. De referentiesituatie (agrarisch gebruik in de vorm van bemeste akkers) bestaant dan ook reeds lange tijd legaal en heeft onafgebroken plaatsgevonden.

5.2.2 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken, van 11 november 2022 tot en met 26 december 2022, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Er zijn zes zienswijzen ingediend.

De zienswijzen zijn samengevat en beantwoord in de nota 'Nota van beantwoording zienswijzen', die als bijlage 13 bij de toelichting is opgenomen. De zienswijzen hebben geleid tot een aantal wijzigingen van het bestemmingsplan. Alle aanpassing zijn opgenomen in hoofdstuk 5 'lijst van (ambtshalve) wijzigingen' in bijlage 13.