| Plan: | TAM-Omgevingsplan Randweg Oud-Vossemeer |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | Omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0716.TAMRandwegOVM-VG01 |
De huidige route van de N656 door Oud-Vossemeer is verkeersonveilig en leidt tot veel overlast voor het dorp. Het wegtracé loopt midden door de bebouwde kom van Oud-Vossemeer en is ingericht als erftoegangsweg met een maximumsnelheid van 30 km/u. Dit wegvak is niet geschikt voor doorgaand verkeer, waaronder vracht- en landbouwverkeer en openbaar vervoer. Hierdoor ontstaan er diverse knelpunten. De weg is te smal voor vrachtwagens en landbouwvoertuigen om elkaar veilig te passeren, wat gevaarlijke situaties oplevert, vooral langs het smalle fietspad. Zie figuur 1.1 waarin enkele beelden van de route door de kern zijn weergegeven.
Figuur 1.1: N656 door Oud-Vossemeer (bron: Google Maps)
Bewoners ervaren geluidsoverlast door het doorgaande verkeer en de weg neemt veel van de beperkt beschikbare ruimte in beslag, wat ten koste gaat van de leefbaarheid. Door de smalle weg en de aanwezigheid van snelheidsremmende maatregelen ontstaan er regelmatig verkeersopstoppingen. Het verkeer richting het bedrijventerrein volgt ook deze route en het bedrijventerrein is om die reden moeilijk bereikbaar. Er is een actiecomité dat al jaren pleit voor verandering en de lokale politiek heeft zich hier uiteindelijk achter geschaard. De Provincie Zeeland heeft daarom het plan om een nieuwe Randweg langs Oud-Vossemeer te realiseren. Dit wordt een nieuwe schakel in de N656 tussen Tholen en de Kreekweg. Hiermee krijgt verkeersveiligheid en doorstroming een impuls. De Provincie heeft voor het project de volgende drie doelstellingen:
De beoogde Randweg is in strijd met het omgevingsplan van rechtswege van het omgevingsplan Tholen met daarin het bestemmingsplannen ‘Buitengebied Tholen’ en ‘Kommen gemeente Tholen’. Er is een nieuw planologisch kader nodig om de ontwikkeling mogelijk te maken.
In deze motivering is onderzocht of de voorgenomen ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties van het omgevingsplan van de gemeente Tholen. Hiervoor is een belangenafweging gemaakt waarbij bekeken is of wordt bijgedragen aan de beleidsdoelen van diverse overheden en of de ontwikkeling gaan onaanvaardbare effecten heeft op de fysieke leefomgeving.
Het plangebied bevindt zich ten zuiden van Oud-Vossemeer. Het plangebied omvat de volgende percelen:
Sectie K: VSM03-K-1152, 1911 en 1912
Sectie M: VSM03-M-303, 304, 311, 323, 343, 347, 352, 450, 472, 481 en 503
Sectie N: VSM03-N-440, 441, 442, 447, 448, 449, 457, 486, 505 en 541
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 9 ha. De lengte van de nieuwe Randweg is circa 1.350 meter.
Figuur 1.2: locatie plangebied (bron Luchtfoto Kadaster Nederland, bewerking Rho adviseurs)
De ontwikkeling is niet mogelijk op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Tholen, het bestemmingsplan 'Buitengebied Tholen' en 'Kommen Tholen'. Om de gewenste ontwikkeling te realiseren moet het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Buitengebied Tholen' worden aangepast. Dat betekent dat het gemeentelijk omgevingsplan moet worden gewijzigd om het initiatief mogelijk te maken. Daarbij wordt gebruik gemaakt van TAM-IMRO.
Vanwege de onzekerheden rondom het DSO is de mogelijkheid gecreëerd om via de Wro-standaarden het omgevingsplan te publiceren, TAM-IMRO ('Tijdelijke Alternatieve Maatregelen – Informatiemodel Ruimtelijke Ordening') genaamd. De wijziging van het omgevingsplan kan worden gemaakt in de software voor bestemmingsplannen en wordt gepubliceerd via de IMRO standaarden. Inhoudelijk moet dit plan voldoen aan de Omgevingswet.
Voor de opbouw van de regels wordt aangesloten bij de geldende bestemmingsplannen in de gemeente Tholen (de bestemmingsplanvariant van de TAM-IMRO), maar er worden regels toegevoegd zodat duidelijk is dat het plan onderdeel is van het gemeentebrede omgevingsplan en het toepassingsbereik wordt weergegeven. Er wordt niet meer gesproken van bestemmingen, maar van functies en activiteiten. Dit is ook terug te zien op de verbeelding. Ook zullen er voorrangsbepalingen en verwijzingen worden opgenomen om de relatie met de andere regels uit het omgevingsplan (Hoofdstuk 22 De bruidsschat) te duiden. In de motivering wordt onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het TAM-omgevingsplan wordt gepubliceerd via ruimtelijkeplannen.nl en wordt via de overbruggingsfunctie getoond in het Omgevingsloket (DSO).
De motivering bij het TAM-omgevingsplan heeft de volgende opzet. In hoofdstuk 2 is de huidige situatie en het planvoornemen beschreven. In hoofdstuk 3 is het vooroverleg beschreven.
In hoofdstuk 4 en 5 is de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan aan het beleid van verschillende overheden en aan de relevante omgevingsaspecten. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financiële haalbaarheid van de ontwikkeling. In hoofdstuk 7 is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties afgewogen. Tot slot wordt in hoofdstuk 8 ingegaan op de juridische regeling.
Het plangebied voor de beoogde Randweg ligt aan de zuidzijde van de kern Oud-Vossemeer op gronden die nu hoofdzakelijk nog in gebruik zijn als landbouwgrond. Daarnaast zijn er bestaande wegen en beplantingen.
De nieuwe route gaat via de zuidelijke zijde van het bestaande bedrijventerrein Klaverveld, kruist op de bestaande kruising van de Molenweg en Duivekeetseweg om vervolgens aan de westelijke kant aan te sluiten op de bestaande Molendijk.
Figuur 2.1: Impressie ligging nieuwe Randweg (bron: provincie Zeeland)
Figuur 2.2: Plangebied gezien vanaf oostzijde (bron: Google Maps)
Figuur 2.3: Plangebied gezien vanaf Duivekeetseweg in westelijke richting (bron: Google Maps)
Figuur 2.4: Plangebied gezien vanaf westzijde (bron: Google Maps)
Omgevingsplan
Het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Tholen is van toepassing, dat in het plangebied bestaat uit het bestemingsplan 'Buitengebied Tholen' (vastgesteld 19-12-2013) en het bestemmingsplan 'Kommen Gemeente Tholen' (vastgesteld 14-03-2013).
Zoals weergegeven in figuur 2.5 past de nieuwe Randweg inclusief landschappelijke inrichting niet binnen de bestemmingen 'Agrarisch', 'Water' en 'Groen'. De aansluitingen van de Randweg vallen binnen de verkeersbestemming. Echter, gelet op de dubbelbestemming 'Beschermde dijk' kan hier niet zondermeer gegraven worden ten behoeve van de nieuwe weg. Dit geldt ook voor de dubbelbestemming 'Archeologie'.
Tenslotte is de 'Afwegingszone - woon en verblijfsgebied' een zone waarbinnen de belangen van aangrenzende woonkernen moeten worden gewaarborgd en afgewogen Hiervoor zijn specifieke met name bouwregels opgenomen in het bestemmingsplan.
Figuur 2.5: Uitsnede bestemmingsplannen 'Buitengebied Tholen' en 'Kommen Tholen (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Weginrichting
De nieuwe randweg komt ten zuiden van Oud-Vossemeer te liggen, buiten de bebouwde kom. De toegestane snelheid op de weg wordt 60 km/u. De randweg heeft vier aansluitingen op de bestaande infrastructuur, waarvan één met een rotonde die aansluit op de Molenweg/Duivekeetseweg. Deze rotonde verbetert ook de toegang naar het bedrijventerrein Oud-Vossemeer. Op deze aansluiting wordt ook een nieuwe bushalte aangelegd. Daarnaast wordt er ook een nieuwe fietstunnel aangelegd bij de Oud Vossemeersedijk.
De nieuwe randweg wordt uitgevoerd in een 60km/h weg met bermsloten. De weg krijgt een robuuste landschappelijke inrichting, waarbij bestaande structuren, waaronder de cultuurhistorische dijk, worden versterkt, terwijl het uitzicht over het landschap behouden blijft.
Figuur 2.6: Weginrichting (bron: provincie Zeeland)
Hoofdrijbaan
De richtlijnen wegontwerp schrijven voor dat het wegbeeld niet misleidend mag zijn. Dit houdt onder andere in dat het horizontale en verticale alignement zoveel mogelijk samen moet vallen. De boog moet goed zichtbaar zijn en er dient over voldoende afstand geanticipeerd te kunnen worden op discontinuïteiten (de aansluiting richting Oud-Vossemeer).
Door een zo klein mogelijke horizontale boogstraal (R=150m) met positieve verkanting (2.5% dwarshelling) te combineren met een ruime verticale topboog (R=2500m) zorgen we er voor dat:
De maximale ingraving t.b.v. de nieuwe hoofdrijbaan bedraagt 0-15cm, zie het dwarsprofiel in figuur 2.7.
Figuur 2.7: Dwarsprofiel randweg (bron: provincie Zeeland)
Aansluiting Molendijk
De randweg ten zuiden van Oud-Vossemeer sluit aan op Molendijk en de Oud-Vossemeersedijk. De Molendijk heeft de status cultuurhistorische waarde. Aanpassingen aan deze dijk dient beperkt te zijn tot een minimum.
Figuur 2.8: Aansluiting Molendijk (bron: provincie Zeeland)
Vanuit het westen gezien buigt de nieuw aan te leggen randweg af van de Molendijk om vervolgens met een neergaande helling op maaiveld niveau uit te komen. In het ontwerp is zoveel als mogelijk rekening gehouden met het intact laten van de Molendijk. Enige ingraving in de dijk kunnen we om verkeersveiligheidsredenen niet voorkomen.
Komende vanuit Oud-Vossemeer sluit de bestaande Molendijk aan op de nieuwe randweg met een T-aansluiting. Dit is een erftoegangsweg binnen de kom van Oud-Vossemeer en heeft een snelheidsregime van 50km/h, dit deel van de Molendijk bevat een opgaande helling (ca 2%) om vanuit het dorp op dijkniveau te komen.
De ontworpen aansluiting dient vanuit deze helling op de nieuwe randweg aangesloten te worden, het ontworpen verticale alignement van de hoofdrijbaan bepaalt daarmee de aansluithoogte voor het kruispunt.
Net als de hoofrijbaan dient ook deze aansluiting aan de richtlijnen te voldoen voor wat betreft wegbeeld, alignement en zichtbaarheid waardoor enige ingraving in de dijk noodzakelijk zal zijn.
De ontworpen horizontale wordt zichtbaar gemaakt door de toegepaste verkanting.
De aansluiting op de randweg ligt lager dan de Molendijk en zal dus vanuit de bestaande helling van 2% met een topboog en een neergaande helling aangesloten worden op de randweg.
De neergaande helling is ontworpen met een maximale helling van 1% om te voorkomen dat voorrang verlenende voertuigen naar voren rollen vanuit stilstand bij het niet indrukken van het rempedaal.
Een ruime topboog in het verticale alignement zorgt voor een samenhangend wegbeeld (horizontaal en verticaal alignement vallen samen) en voldoende zicht op de kruising (discontinuïteit in het wegbeeld). De ingraving in dit deel van de dijk bedraagt maximaal ca 0-40cm, zie dwarsprofiel DP-46 in figuur 2.9.
Figuur 2.9: Dwarsprofielen aansluiting Molendijk (bron: provincie Zeeland)
Landschappelijke inrichting
De randweg wordt voorzien van een robuuste groenstructuur (zie bijlage 9 en 10). Deze landschappelijke inrichting is gericht op het versterken van de bestaande landschappelijke structuren en het behouden van het open polderkarakter.
De Oud-Vossemeersedijk en Molendijk worden geaccentueerd door herstel en aanvulling van dijkbeplantingen, waardoor de historische lijnenstructuur behouden blijft en extra herkenbaarheid krijgt.
Langs het tracé van de randweg blijft het uitzicht over het landschap behouden. Er wordt bewust geen nieuwe beplanting aangebracht om de weidsheid en openheid van het polderlandschap te waarborgen.
Aan de zuidkant van het dorp en rond het bedrijventerrein komen brede overgangszones met groenstroken, waterbergingen en wandelpaden. Deze zones zorgen voor een geleidelijke overgang tussen infrastructuur, bebouwing en polder, en versterken de ecologische en recreatieve waarde van het gebied. Er worden gevarieerde wandelroutes (‘ommetjes’) rond het dorp aangelegd, met afwisselend open en meer besloten delen, zit- en rustplekken, en informatiepanelen over de historie en ecologie van het gebied. De inrichting draagt bij aan biodiversiteit door het verbinden van bestaande natuurwaarden en het creëren van nieuwe leefgebieden voor vogels, insecten en kleine zoogdieren.
Tot slot worden er voorzieningen gerealiseerd zoals een marterhoop, een ijsvogelwand en een faunatunnel (ecoduiker) van 1,5 x 1 meter onder de weg. Deze faunatunnel, voorzien van kleinwildrasters, zorgt ervoor dat dieren veilig kunnen passeren en natuurgebieden met elkaar worden verbonden.
Figuur 2.10: Landschappelijke inrichting (bron: buro Ruimte en Groen)
Zoals in paragraaf 2.1.2 aangegeven past de weg incl. landschappelijke inrichting en de bijbehorende voorzieningen niet binnen de geldende bestemmingen.
Op grond van artikel 10.2, lid 2 van het Omgevingsbesluit moet in het kader van het omgevingsplan worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en andere bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat er met de resultaten is gedaan.
De gemeente Tholen heeft op 16 november 2023 het 'Besluit bindend adviesrecht gemeenteraad en verplichte participatie bij omgevingsplanactivteiten' genomen. Voor infrastructurele projecten met enige betekenis, zoals het aan- of verleggen van een weg, fiets- of voetpad of een parkeerterrein, waaronder mede begrepen het oprichten van herbouwen en of bouwwerken geen gebouwen zijnde geldt op grond van dit besluit de uitgebreide participatieplicht. In aansluiting hierop is een handreiking en checklist ten behoeve van participatie opgesteld. Dit vormt het uitgangspunt voor de participatie en de verslaglegging.
Om het dorp Oud-Vossemeer vanaf het begin volledig te informeren en te betrekken bij de planontwikkeling, heeft de provincie Zeeland al meerdere informatieavonden belegd en zijn ook persoonlijke gesprekken gevoerd met grondeigenaren, direct omwonenden en andere belanghebbenden.
Ook heeft de provincie Zeeland een informatiepagina over het project op de website staan (www.zeeland.nl/onderwerpen/verkeer-en-openbaar-vervoer/randweg-oud-vossemeer-n656 ). In bijlage 1 is de uitnodiging en het verslag uit de opgenomen van de inloopavond op 9 oktober 2024. Ook is een krantenartikel uit de Eendrachtbode (nieuwsblad voor Tholen en Sint Philipsland) toegevoegd waarin de infromatie avond van 9 oktober 2024 is beschreven. Na deze informatieve inloopavond zijn er met de betrokkenen nog persoonlijke gesprekken gevoerd en afspraken gemaakt.
In het kader van de procedure is het concept ontwerp TAM-omgevingsplan voorgelegd aan de ketenpartners. De ingediende opmerkingen zijn verwerkt en meegenomen in het plan.
Bij de procedure van een TAM-omgevingsplan wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan een zienswijze in te dienen. Na vaststelling van het TAM-omgevingsplan staat enkel nog beroep open.
De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.
In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050
Als we alle wensen naast elkaar leggen, ontstaat het volgende beeld. We willen een land:
Nationale belangen
Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit noemen we 'nationale belangen'.
Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenoemde systeem-verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden. De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.
Toetsing en conclusie
De NOVI richt zich op een dusdanig hoog schaalniveau dat hieruit geen concrete beleidskaders voortkomen voor de betreffende ontwikkeling. De NOVI vormt hierdoor geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan dan ook regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het plangebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Uit raadpleging van 'Regels op de kaart' blijkt dat het plangebied is gelegen binnen een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Het Bkl stelt binnen dergelijke gebieden regels aan maximale bouwhoogten van windturbines om verstoring van het radarbeeld te voorkomen. Dit project voorziet niet in windturbines en gelet op de bouwhoogten die mogelijk worden gemaakt vormt dit project geen belemmering voor de werking van het nabijgelegen radarstation.
Voor zover thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit project, vindt een afweging van deze instructieregels plaats in Hoofdstuk 5 van deze motivering. Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor dit project, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben.
Toetsing en conclusie
In het Bkl zijn geen beperkingen opgelegd die gelden ter hoogte van het plangebied.
De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.
De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050:
In 2050 zal mobiliteit in Zeeland sterk verbeterd zijn, met een focus op duurzaamheid, veiligheid en flexibiliteit. Dit zal bijdragen aan een betere leefomgeving, economische groei en een hogere kwaliteit van leven voor alle inwoners en bezoekers van Zeeland.
Om dit te bereiken is een intergrale aanpak nodig die zich rVoor de mobiliteit in Zeeland die zich richt op het verbeteren van snelle en frequente verbindingen, zowel binnen Nederland als grensoverschrijdend met België. Er moet een flexibel en vraagafhankelijk mobiliteitssysteem worden ontwikkeld, ondersteund door een Mobiliteitscentrale Zeeland en knooppunten/hubs met diverse mobiliteitsopties en voorzieningen. Verkeersveiligheid moet worden verhoogd door educatie, communicatie, handhaving en slimme technologieën. Schone mobiliteit moet worden gestimuleerd door het gebruik van fietsen, e-bikes en elektrische voertuigen, ondersteund door een uitgebreide laadinfrastructuur. Tot slot is een sterke digitale infrastructuur essentieel om thuiswerken, onderwijs op afstand en digitale diensten mogelijk te maken.
Toetsing en conclusie
De aan te leggen Randweg Oud-Vossemeer draagt bij aan de doelen van de Zeeuwse Omgevingsvisie door de gevaarlijke doorgaande route uit het dorp te halen en zo de verkeersveiligheid te vergroten. Daarnaast biedt de Randweg veilige fietsroute en wodt ook de bestaande route door het dorp veel veiliger voor fietsers en voetgangers. De bushalte wordt aan de Randweg gesitueerd waardoor de bus ook vlot en efficiënt de verschillende dorpen op het eiland Tholen kan bereiken.
Al met al past de nieuwe Randweg binnen de Zeeuwse Omgevingsvisie door de bereikbaarheid en verkeersveiligheid te verbeteren, wat de leefomgeving, economische groei en duurzaamheid in Zeeland zal bevorderen.
In de omgevingsverordening zijn regels gesteld met betrekking tot ruimte, milieu, water, wegen en vaarwegen, natuur, distelbeheer, landschapsbescherming en ontgrondingen. De regels die betrekking hebben op het aspect ruimte, hebben voor een belangrijk deel betrekking op het buitengebied. Er zijn regels die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied.
Toetsing
Voor de bestaande provinciale weg Oud-Vossemeer/Molendijk zijn drie beperkingengebieden van kracht. Daarnaast gelden er instructieregels voor bouwen binnen deze beperkingengebieden, én vanwege de begrenzing als bestaande natuur en als landschap en erfgoed.
De nieuwe wegaansluitingen van de provinciale randweg vallen binnen de binnendijk, die in de omgevingsverordening is aangewezen als 'bestaande natuur' en 'landschap en erfgoed'. Het ontwerp houdt zoveel mogelijk rekening met het behoud van de Molendijk en de cultuurhistorische waarden, maar enige aanpassing van de dijk is noodzakelijk voor de verkeersveiligheid. In het navolgende wordt getoetst aan deze regels en beperkingen.
Paragraaf 2.2.1 Activiteiten op provinciale wegen
De bestaande provinciale N656 heeft op grond van de provinciale omgevingsverordening een aantal beperkingengebieden, te weten:
Figuur 4.1: aanwijzing 'drie beperkingengebieden' (bron: Provincie Zeeland)
Voor deze beperkingengebieden gelden geen instructieregels. In paragraaf 2.2.1 zijn deze actviteiten op provinciale wegen opgenomen. Het gaat om het tegengaan van actviteiten die nadelig zijn voor de belangen van een provinciale weg en om het reguleren van activiteiten op of rond de weg, met name in het kader van de verkeersveiligheid. Momenteel zijn alleen de aansluitingen van de Randweg op de N656 gelegen binnen deze beperkingengebieden.
Artikel 5.47 Bouwwerken bij provinciale wegen
Zoals in figuur 4.2 is aangegeven zijn grote delen van de provinciale wegen voorzien van een beperkingengebied 'vrijwarings-zone bouwwerken provinciale wegen'.
Op grond van artikel 5.47 (instructieregels) van de omgevingsverordening moet binnen deze zone rekening worden gehouden met het belang van de instandhouding of uitbreiding van de provinciale weg. Voor de nieuwe route wordt ook een beperkingengebied aangewezen. Hiervoor zal een wijziging van de verordening noodzakelijk zijn.
Figuur 4.2: Uitsnede Omgevingsverordening Provincie Zeeland; vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen (bron: Provincie Zeeland)
De nieuwe wegaansluitingen vallen binnen de 'vrijwaringszone bouwwerken provinciale wegen'. In het kader van het plan worden geen bouwwerken of andere obstakels toegestaan die de instandhouding of uitbreiding van de provinciale weg, met name ter hoogte van de aansluitingen op de bestaande N656, in de weg staan.
Artikel 5.41 Bestaande natuur
Op grond van de provinciale omgevingsverordening zijn de Molendijk en Oud-Vossemeersedijk beiden aangewezen als bestaande natuur (zie figuur 4.3). De hierbij behorende instructieregels zijn opgenomen in artikel 5.41.
Figuur 4.3: begrenzing'bestaande natuur' (bron: Provincie Zeeland)
Op grond van artikel 5.41 lid 5 mogen binnen deze gebieden geen nieuwe activiteiten of wijzigingen van bestaande activiteiten plaatsvinden die:
In artikel 2.23 Bestaande natuur is beschreven dat de 'wezenlijke kenmerken' van de gebieden de aanduiding Bestaande natuur, de huidige en potentiële waarden zijn, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied. De natuurdoelen zijn te vinden in het 'Natuurbeheerplan Zeeland 2026'.
De aanwezige waarden zijn terug te vinden via de geo viewer van provinciale kaarten en op de kaart Natuurbeheerplan 2026 (zie figuur 4.4). Hieruit blijkt dat ter plaatse het natuurbeheertype 'kruiden- en faunarijk grasland.
Kruiden- en faunarijk grasland is vegetatie die kan behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties; ondermeer kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest.
Figuur 4.4: aanwijzing 'Kruiden- en faunarijk grasland' (bron: Provincie Zeeland)
Zoals aangegeven in figuur 4.5 vallen de wegaansluitingen van de nieuwe randweg met de Oud-Vossemeersedijk en de Molendijk binnen de aanwijzing als 'bestaande natuur'.
Figuur 4.5: Ligging nieuwe aansluiting ten opzichte van aanwijzing 'bestaande natuur' (begrenzing in paars) links aansluiting Molendijk en rechts aansluiting Oud-Vossemeersedijk (bron: Provincie Zeeland)
Zoals in het plan voor de landschappelijke inrichting (bijlage 9 en 10) is aangegeven, wordt in samenhang met de ontwikkeling nieuwe natuur gerealiseerd. Deze zal aansluiten bij de huidige natuur en vallen binnen natuurbeheertype 'kruiden- en faunarijk grasland'. Ook het toekomstige beheer zal zijn afgestemd op dit natuurbeheertype, waardoor de natuurfunctie van de dijk behouden blijft. Verder is er geen sprake van oppervlakteverlies NNN. Het deel van de bestaande weg dat plaatsmaakt voor natuur is groter dan het ruimtebeslag van de nieuwe aansluitingen.
Verder is er geen sprake van oppervlakteverlies NNN. Het deel van de bestaande weg dat plaatsmaakt voor natuur is groter dan het ruimtebeslag van de nieuwe aansluitingen.
In totaal wordt 904 m² aan nieuwe verharding gerealiseerd. De toename aan nieuwe natuur bedraagt 1.142 m². Daarmee is zeker gesteld dat de ontwikkeling niet leid tot een vermindering van de oppervlakte van de gronden zoals gesteld in 5.41 lid 5 onder b. maar dat in het kader van deze ontwikkeling een toename van natuur van 238 m² plaatsvindt. Op het kruiden- en faunarijk grasland is blijvend ruimtebeslag is dus uit te sluiten. Het areaal neemt in oppervlakte toe door meer oppervlak aan bermen en taluds in de nieuwe situatie. Alleen tijdens de aanlegfase is sprake van tijdelijke areaalaantasting van bestaande natuur. Door tijdens de uitvoering gefaseerd te werken blijft de functie van verbindingszone voor fauna functioneel. Ook kan de functionaliteit worden gestimuleerd door tijdens de aanlegfase tijdelijke taluds en voorbelasting te voorzien van een leeflaag met inheems eenjarige kruidenrijk mengsel (bijvoorbeeld Cruydthoeck A6 mengsel). Wanneer de werkzaamheden plaatsvinden tijdens het broedseizoen dan kan dit wel leiden tot verstoring van broedgevallen. Ook andere dieren die zich ophouden in het gebied kunnen verstoord worden tijdens de werkzaamheden. Tijdens het broed- en groeiseizoen is werken onder ecologische begeleiding daarom noodzakelijk. In bijlage 2 is een overzicht opgenomen waarin de toename verhard oppervlak is afgezet tegen de toename natuur.
Geconcludeerd kan worden dat de nieuwe aansluitingen en landschappelijke inrichting niet leiden tot nadelige gevolgen voor de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. De ontwikkeling zorgt niet voor vermindering van de oppervlakte van gronden met natuurwaarden. Integendeel, er vindt een netto toename van natuur plaats (+238 m²) door extra bermen en taluds. Het areaal van kruiden- en faunarijk grasland blijft intact; tijdelijke aantasting tijdens de aanlegfase wordt voorkomen door gefaseerde uitvoering en ecologische begeleiding.
Door de aanplant van meer wegbegeleidende opgaande beplanting wordt de verbindingszone voor meer soorten geoptimaliseerd in de nieuwe situatie en blijft de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland behouden en wordt zelfs versterkt. Door landschappelijke inrichting, aanplant van bomen en beplanting op dijken, ecologische verbindingen en voorzieningen zoals een ecoduiker, kleinwildrasters en aanvullende leefgebieden (o.a. voor rugstreeppad en kleine zoogdieren) wordt versnippering voorkomen en biodiversiteit vergroot. Er zijn geen aannames dat de aanleg van de randweg zal leiden tot een toename in versnippering. Voor de complete uitwerking van de landschappelijke inrichting wordt verwezen naar bijlage 9 en 10.
Artikel 5.45 Landschap en erfgoed
Naast de ligging van de aansluitingen binnen 'bestaande natuur' zijn de dijken ook in het kader van het landschap en erfgoed van provinciaal belang en om die reden begrensd als 'binnendijk' (zie figuur 4.6). De dijk is aangewezen als 'binnendijk'.
Figuur 4.6: Uitsnede Omgevingsverordening Provincie Zeeland; landschappen, landschapselementen en cultuurhistorie (bron: Provincie Zeeland)
De regels zijn opgenomen in artikel 5.45 Landschap en erfgoed;
Op grond van de regels, zoals opgenomen in artikel 5.45, mogen binnen deze gebieden geen nieuwe activiteiten of wijziging van bestaande activiteiten plaatsvinden die:
De nieuwe wegaansluitingen vallen beiden binnen de begrenzing 'landschap en erfgoed' en is nader aangewezen als 'binnendijk'. Zoals ook bij bestaande natuur is opgenomen is een aanpassing van de dijklichamen vanuit verkeersveiligheid onvermijdelijk. De aantasting is echter minimaal en in het landschapsplan is bij de inrichting aansluiting gezocht bij de bestaande cultuurhistorische waarden van de bestaande dijk. Voor de exacte ligging van de aansluiting van de randweg binnen de begrenzing 'landschap en erfgoed', zie figuur 4.7.
Figuur 4.7: Ligging nieuwe aansluitingen ten opzichte van aanwijzing 'landschap en erfgoed' (aanwijzing in oranje) links aansluiting Molendijk en rechts aansluiting Oud-Vossemeersedijk (bron: Provincie Zeeland)
Dijken vormen de ruggengraat van het Zeeuwse polderlandschap. Door de dijkenstructuur is de wordingsgeschiedenis van Zuidwest-Nederland 'leesbaar' in het landschap aanwezig. Aan het patroon van slingerende dijken kan men aflezen hoe de zeearmen en kreken, die soms nog deels aanwezig zijn, vroeger gelopen hebben, en hoe de vele inpolderingen plaatsvonden. Om die reden is het van belang deze cultuurhistorische waarde polderdijken te behouden.
Onderdeel van deze dijkenstructuur zijn ook de Molendijk en Oud-Vossemeersedijk. Deze dijk(en) vormen in het plangebied cultuurhistorisch waardevolle infrastructuur uit het begin van de 15e eeuw. Ze zijn onderdeel van de oorspronkelijke bedijking van de Oud-Vossemeersepolder. Deze dijken worden als behoudenswaardig beschouwd en zijn om die reden ook vastgelegd in de omgevingsverordening Zeeland (zie paragraaf 4.2.2). Als gevolg van de ontwikkeling kunnen de cultuurhistorische waarden worden aangetast. Naar verwachting blijft de impact echter beperkt tot delen van het dijklichaam waar reeds bestaande infrastructuur zoals wegen en kabels aanwezig zijn. Bovendien houdt het ontwerp van de randweg rekening met het behoud van kenmerkende groenstructuren en landschapselementen.
Bij de aansluiting van de nieuwe randweg op de dijk is vanaf de dijk een talud gemaakt, waarbij zo min als mogelijk in de dijk wordt gegraven. Ondanks dat de weg de dijk niet meer in een rechte lijn volgt, blijft het dijklichaam in stand en wordt door de aanplant van bomen en beplanting de bestaande verbinding behouden. De aansluiting van de weg doet hieraan geen afbreuk. De dijk blijft in stand en herkenbaar.
Geconcludeerd kan worden dat, hoewel er sprake is van enige tijdelijke verstoring van het dijklichaam door geplande ingrepen, wordt dit niet als ernstige schade aan de cultuurhistorische waarde beschouwd of leidt tot een significante aantasting van de samenhang tussen de gronden of elementen.
Conclusie
Het plan voor de aanleg van de Randweg past binnen de kaders van de Provinciale Omgevingsverordening Zeeland. Hoewel de aansluitingen op de bestaande N656 deels gelegen zijn binnen beperkingengebieden (zoals de vrijwaringszone en het beperkingengebied voor bestaande natuur en cultuurhistorisch waardevolle dijken), wordt in het ontwerp voldaan aan de instructieregels die daarvoor gelden. In het ontwerp nadrukkelijk rekening gehouden met het behoud van de wezenlijke natuur- en cultuurhistorische waarden van het gebied, waaronder het karakteristieke dijkenpatroon, het open polderlandschap en de biodiversiteit.
De bij de nieuwe randweg behorende landschappelijke inrichting versterkt niet alleen de bestaande natuurwaarden, maar zorgt ook voor een netto toename van natuur door de aanleg van extra bermen en taluds. Tijdelijke aantasting tijdens de aanlegfase wordt zorgvuldig gemitigeerd door gefaseerde uitvoering en ecologische begeleiding. Door de aanplant van bomen en beplanting op de dijken, het realiseren van ecologische verbindingen en aanvullende voorzieningen voor fauna, wordt versnippering voorkomen en de samenhang van het Natuurnetwerk Nederland behouden en versterkt.
Het plan waarborgt daarmee zowel de verkeersveiligheid als het behoud en de versterking van de landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarden. De ontwikkeling voldoet aan de instructieregels van de artikelen 5.41 (bestaande natuur), 5.45 (landschap en erfgoed) en 5.47 van de Omgevingsverordening Zeeland, en draagt bij aan een toekomstbestendige inrichting van het gebied.
Regionale mobiliteitsstrategie
Op 26 oktober 2021 is de regionale mobiliteitsstrategie vastgesteld. De Zeeuwse gemeenten, betrokken organisaties en de Provincie Zeeland werken samen om de bereikbaarheid in Zeeland voor inwoners en bezoekers te verbeteren door de groei van het toerisme en veranderingen zoals elektrische fietsen en deelauto's. De Regionale Mobiliteitsstrategie (RMS) is een doorlopend project dat verschillende stadia van ontwikkeling en implementatie kent.
Deze strategie richt zich op het verbeteren van verbindingen binnen de provincie en naar omliggende regio's. Het bevordert duurzame vervoersopties en vermindert de CO2-uitstoot. Reizigers kunnen gemakkelijk en snel van A naar B reizen. Verbeteringen aan opstappunten, haltes en hubs zorgen voor veiligheid en minder verkeersopstoppingen.
Toetsing en conclusie
De groei van het toerisme en de veranderingen zoals elektrische fietsen en deelauto's zorgen voor extra druk op de bestaande infrastructuur, waardoor aanpassingen noodzakelijk zijn. Bovendien draagt de nieuwe Randweg bij aan de bereikbaarheid binnen de provincie en naar omliggende regio's, wat essentieel is voor zowel inwoners als bezoekers. De aanleg van de Randweg bevordert duurzame vervoersopties en vermindert de CO2-uitstoot door het verkeer efficiënter te laten verlopen. Het verbeteren van opstappunten, haltes en hubs verhoogt de veiligheid en vermindert verkeersopstoppingen, wat bijdraagt aan een betere reiservaring. Door het verbeteren van de infrastructuur, zoals het aanleggen van de nieuwe Randweg, wordt de verkeersveiligheid verhoogd, vooral in dorpen waar de verkeersdrukte toeneemt. De Randweg past om die reden binnen de doelstellingen van de Regionale Mobiliteitsstrategie en ondersteunt de algehele strategie voor een betere bereikbaarheid en veiligheid in Zeeland.
De wereld om ons heen is in beweging. Grote maatschappelijke opgaven zoals de energietransitie, klimaatadaptatie, biodiversiteit en de woningbouwopgave vragen om antwoorden én om ruimte. Niet alles kan overal, niet alles kan samen. Het maken van keuzes is daarom noodzakelijk. Deze omgevingsvisie maakt keuzes en vormt een beleidskader op hoofdlijnen. In de omgevingsvisie legt de gemeente haar ambities en beleidsdoelen en maatregelen voor de fysieke leefomgeving op hoofdlijnen vast voor de langere termijn en voor het hele grondgebied. Hiermee wordt duidelijkheid en perspectief geboden aan inwoners en bedrijven over de gewenste ontwikkelrichting en worden partijen geïnspireerd hierop in te spelen.
De omgevingsvisie is opgesteld met inbreng van inwoners, ondernemers, partners en allerlei andere stakeholders in onze gemeente. Hierbij is rekening gehouden met de provinciale omgevingsvisie en de nationale omgevingsvisie.
De ontwikkeling bevindt zich in het buitengebied, zuidelijk gelegen van de kern Oud-Vossemeer. In de omgevingsvisie is een visiekaart voor Oud-Vossemeer opgenomen. Op de onderstaande afbeelding is de nieuwe Randweg schematisch weergegeven.
Figuur 4.8: Visiekaart Oud-Vossemeer, de Randweg is aangegeven in een wit gestreepte lijn (bron: Gemeente Tholen)
Toetsing en conclusie
Zoals weergegeven in figuur 4.8, is de randweg opgenomen als beoogde ontwikkeling in de omgevingsvisie. De nieuwe Randweg draagt bij aan de verkeersveiligheid van het dorp en verbetert de bereikbaarheid en doorstroming van het doorgaande verkeer, wat de leefbaarheid van het dorp ten goede komt. De robuuste landschappelijke inrichting van de Randweg biedt ruimte voor wandelpaden, die eveneens bijdragen aan de leefbaarheid en vitaliteit van de kern Oud-Vossemeer.
Het besluit tot wijziging van het omgevingsplan wordt genomen met het oog op 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Dit betekent dat alle belangen zijn berokken in de besluitvorming en dat deze evenwichtig is gebeurd. Waar nodig worden regels gesteld over activiteiten op locaties en deze onderling evenwichtig afgewogen. Een evenwichtig afweging van activiteiten betekent een locatiegerichte benadering waarbij de gemeente de schaarse ruimte binnen de fysieke leefomgeving zo goed mogelijke wverdeelt, inricht en benut. Alle regels in het omgevingsplan samen zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Bij deze afweging worden ook de instructieregels van rijk en provincie betrokken.
Om te kunnen beoordelen of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, worden in dit hoofdstuk de gevolgen voor de fysieke leefomgeving aan de hand van relevante aspecten uit de fysieke leefomgeving in beeld gebracht. Indien noodzakelijk worden deze aspecten nader gemotiveerd met een onderzoek. De uiteindelijke afweging of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is opgenomen in hoofdstuk 7.
Wettelijk kader
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke projecten in het kader van een activiteit project-m.e.r.-plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden. Deze omstandigheden betreffen:
Voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieu-effecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een project, de locatie van een project en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
Bij een mer-beoordeling is een van de aspecten waar naar gekeken moet worden cumulatie van effecten met andere ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de wetgeving en bijbehorende toelichting blijkt niet duidelijk wat daar precies onder moet worden verstaan en hoe daarmee moet worden omgegaan.
Toetsing
De beoogde ontwikkeling valt onder categorie J1 'Wegen'. De aanleg, wijziging of uitbreiding van wegen en is m.e.r.-beoordelingsplichtig. Voor de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling opgesteld, zie bijlage 3. Uit de informatie in deze mer-beoordeling blijkt dat het plangebied niet is gelegen in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Verder leiden de aard en omvang van het project niet tot aanzienlijke milieueffecten. Het doorlopen van een mer-procedure is niet noodzakelijk.
Vanuit de doelen van de Omgevingswet is duurzaamheid een thema waarmee bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening moet worden gehouden. De centrale doelstelling van de Omgevingswet is immers 'met het oog op duurzame ontwikkeling, zorgen voor een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit'. Duurzaamheid is een veelomvattend begrip waar veel aspecten onder vallen, zoals onder andere de energietransitie, mobiliteit en herbruikbaarheid.
Duurzaamheid is een belangrijk speerpunt voor de gemeente Tholen. De gemeente streeft naar een duurzame, klimaatadaptieve en circulaire gemeente. Duurzaamheid vormt de rode draad in veel beleidsstukken.
De inspiratievisie 'Natuurlijk! Tholen' biedt een toekomstgericht overkoepelend perspectief op de ontwikkeling van de gemeente, met specifieke aandacht voor duurzaamheid, natuur en leefbaarheid.
De omgevingsvisie (zie ook paragraaf 4.4.1) bevat de strategische en ruimtelijke richtlijnen voor de gemeente en zorgt ervoor dat ruimtelijke ontwikkeling, zoals infrastructuur en natuurbeheer, wordt uitgevoerd binnen het kader van de bredere strategische doelen. Naast de algemene gemeentelijke duurzaamheidsdoelstelling benadrukt de visie het belang van een gezonde groene leefomgeving, met aandacht voor ecologisch groenbeheer. Er wordt ingezet op het verduurzamen van de woningvoorraad, het verminderen van afval, het duurzaam inrichten van bedrijventerreinen en het stimuleren van duurzaam vervoer en landschapsontwikkeling.
De nieuwe Randweg met landschappelijke inrichting en waterberging draagt bij aan diverse duurzaamheidsdoelstellingen. Door het bevorderen van een gezonde leefomgeving en duurzame inrichting, wordt de leefkwaliteit van de bewoners verbeterd. De landschappelijke inrichting zorgt voor een aantrekkelijk en ecologisch waardevol gebied. Bovendien biedt de Randweg een duurzame oplossing voor het dorp, waar de doorgaande route momenteel te krap is en daardoor verkeersonveilig. De toevoeging van een bushalte bevordert duurzaam vervoer, waardoor de mobiliteit van de inwoners wordt verbeterd zonder extra belasting voor het milieu.
De Randweg wordt deels aangelegd met elektrische werkuigen en draagt ook in dit kader bij aan de gemeentelijke duurzaamheidsdoelstellingen. Ook wordt de Randweg deels circulair gebouwd. Kortom, deze Randweg is een integrale benadering van duurzaamheid die zowel de leefomgeving als de infrastructuur ten goede komt.
Het aspect duurzaamheid staat de ontwikkeling niet in de weg maar draagt bij aan de gemeentelijke doelstellingen.
Mobiliteit en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. Het Bkl en de provinciale omgevingsverordening stellen geen instructieregels op dit gebied.
In de beoordeling van het project op het omgevingsaspect mobiliteit zijn de ontsluitingsstructuur, verkeersgeneratie, bereikbaarheid en verkeersveiligheid relevant. Daarbij worden alle relevante vervoerswijzen bezien (langzaam verkeer, openbaar vervoer en gemotoriseerd verkeer).
Ten behoeve van de aan te leggen Randweg is een verkeersstudie uitgevoerd (zie bijlage 4). Het doel van dit onderzoek is om inzicht te geven in de te verwachten verkeerscijfers voor het prognosejaar 2040. Hierbij is niet alleen rekening gehouden met de ontwikkeling van de randweg zelf, maar ook met de geplande uitbreiding van het bedrijventerrein Oud-Vossemeer en andere relevante toekomstige ontwikkelingen.
Uit het verkeersmodel blijkt dat de aanleg van de randweg in principe niet leidt tot een toename van het totale aantal verkeersbewegingen, maar tot een herverdeling ervan. De doorgaande route die momenteel door het dorp loopt, zal in de toekomst via de randweg verlopen. De aangepaste randweg leidt tot een herverdeling van verkeersstromen, waarbij op sommige wegen een toename en op andere een afname van verkeer wordt verwacht.
Omdat in het onderzoek ook de uitbreiding van het bedrijverterrein is meegenomen is er sprake van een extra verkeersgeneratie van circa 630 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal (heen en terug), wat het totaal voor het bedrijventerrein op ongeveer 1.100 motorvoertuigbewegingen per werkdagetmaal brengt in het prognosejaar 2040. De gehanteerde verkeerscijfers zijn daarmee ruimer dan strikt noodzakelijk voor alleen deze ontwikkeling en vormen feitelijk een worstcasescenario.
Hoewel dit leidt tot een toename op bepaalde wegvakken, blijft de totale verkeersbelasting binnen aanvaardbare grenzen. Uit het verkeersmodel blijkt dat de intensiteiten op de hoofdwegen, inclusief de aangepaste Randweg N656, onder de beschikbare capaciteit blijven. De verschilplot toont dat toename van verkeer vooral optreedt op wegen die daarvoor zijn ingericht, terwijl op andere wegen juist een afname zichtbaar is. Er zijn geen knelpunten geïdentificeerd waarbij de verkeersintensiteit de capaciteit overschrijdt, en de modelresultaten zijn afgestemd op CROW-publicatie 317 en gevalideerd met verkeerstellingen.
Sluipverkeer is naar verwachting zeer beperkt, mede dankzij recent aangelegde landbouwsluizen en infrastructurele aanpassingen. De Randweg blijkt een effectieve oplossing is binnen het verkeersnetwerk van de regio, waarbij zowel de doorstroming als de leefbaarheid in Oud-Vossemeer wordt verbeterd.
Op basis van het verkeersstudie, waarin niet alleen de aanleg van de randweg maar ook de uitbreiding van het bedrijventerrein en andere relevante toekomstige ontwikkelingen zijn meegenomen, blijkt dat de doorgaande verkeersstroom niet langer door het dorp zal lopen, maar via de nieuwe randweg wordt afgewikkeld. Dit draagt bij aan een veiligere en leefbaardere situatie in Oud-Vossemeer.
De gehanteerde verkeerscijfers zijn ruim gekozen en vormen feitelijk een worstcasescenario, doordat naast de aanleg van de randweg ook rekening wordt gehouden met de uitbreiding van het bedrijventerrein en andere relevante toekomstige ontwikkelingen in de omgeving. Ook onder deze omstandigheden blijven de verkeersintensiteiten op de hoofdwegen, inclusief de Randweg N656, ruim binnen de beschikbare capaciteit en zijn er geen knelpunten geïdentificeerd.
Het aspect mobiliteit vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op de flora en fauna. Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor bepaalde soorten. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het daarom noodzakelijk om een quickscan uit te voeren om de aanwezigheid van en de effecten van de ontwikkeling op beschermde soorten te bepalen.
Ten behoeve van de ontwikkeling is een quickscan flora- en fauna uitgevoerd (zie bijlage 5). Deze quickscan heeft als doel om snel de aanwezigheid van beschermde planten- en diersoorten op een bepaalde locatie te inventariseren voordat er werkzaamheden plaatsvinden.
De werkzaamheden ten behoeve van het aanleggen van de Randweg bestaan uit het verwijderen van beplanting, het aanbrengen van dijklichamen, verleggen van watergangen en het aanbrengen van nieuwe beplanting.
De volgende activiteiten kunnen effect hebben op beschermde soorten en gebieden:
Uit de quickscan flora en fauna blijkt dat er binnen het plangebied verschillende beschermde soorten en gebieden aanwezig zijn die mogelijk negatieve effecten kunnen ondervinden door de geplande werkzaamheden en waarvoor geen algemene vrijstelling geldt.
Het gaat hierbij om:
Eerst is een nader onderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van vleermuizen, kleine marterachtigen, haas en rugstreeppad in het gebied (zie bijlage 6).
Uit het nader onderzoek worden de volgende maatregelen voorgesteld.
| Soort | Resultaat uit onderzoek | Geadviseerde maatregelen |
| Vleermuizen | Geen verblijfplaatsen binnen het projectgebied, wel essentiële vliegroutes en foerageergebieden voor gewone dwergvleermuis. Andere soorten (ruige dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis) zijn waargenomen, maar hebben geen verblijfplaats binnen het plangebied. | Behoud bomen langs noordzijde Molendijk en Oud Vossemeersedijk; beperking verlichting (smart, gedempt); aanplant extra bomen; eventueel vleermuispalen langs de randweg. |
| Kleine marterachtigen | Geen bunzing, wezel of hermelijn aangetroffen op cameravallen. Wel veldmuis, aardmuis, vos, huisspitsmuis en ree. Effecten worden niet verwacht, maar ontwerp kan kwaliteit leefgebied versterken. | Realisatie van marterhopen om het gebied aantrekkelijker te maken. |
| Haas | Regelmatig waargenomen, inclusief hazenleger met jongen. Kans op verkeersslachtoffers neemt toe door aanleg randweg. | Extensief bermbeheer; maaien buiten voortplantingsseizoen; aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. |
| Rugstreeppad | In 2025 niet aangetroffen, in 2024 wel. Soort is mobiel en kan gebied opnieuw koloniseren. | Plaatsen amfibieschermen tijdens aanleg; aanleg poelen en amfibietunnel; aanvraag omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit. |
Naast de hierboven voorgestelde maatregelen gelden nog algemene maatregelen:
De maatregelen worden opgevolgd. Voor de haas en rugstreeppad blijft er een vergunningplicht omdat hun leefgebied tijdelijk wordt aangetast en/of er kans is op verstoring of verkeersslachtoffers. Op grond van de Omgevingswet is dan een omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.
houtopstanden
In de directe omgeving van het plangebied zijn houtopstanden aanwezig buiten de bebouwingscontour. Als gevolg van de voorgenomen werkzaamheden worden houtopstanden gekapt.
Dit betreft houtopstanden van meer dan 20 bomen op een rij of beplanting groter dan 10 are buiten de bebouwingscontour. Een nadere toetsing van deze beschermde houtopstanden is noodzakelijk. Er dient een inventarisatie van bomenkap en herplantplicht te worden opgesteld om de impact op de houtopstanden te beoordelen en te voldoen aan de wettelijke vereisten. Hiernaast wordt geadviseerd om bij de kap van houtopstanden altijd te toetsen aan de relevante regelgeving en om waar nodig een meldplicht en herplantplicht toe te passen. Dit geldt met name voor houtopstanden buiten de bebouwingscontour, waar de algemene regels uit het Bal van toepassing zijn.
Voor het kappen van houtopstanden buiten de bebouwingscontour geldt een meldplicht en herplantplicht, ongeacht de maatregelen. Dit moet altijd getoetst worden.
In het kader van het landschapsinrichtingsplan is een 'bomenbalans' opgenomen.
Voor de aanleg van de randweg is een bomenbalans opgesteld. Deze is opgenomen in het landschapsinrichtingsplan (zie bijlage 10). Hieruit blijkt dat er in totaal 83 bomen worden verwijderd en 111 bomen worden teruggeplant binnen het inrichtingsplan voor de weg. Inclusief het gemeentelijke deel (bedrijventerrein) komt dit neer op een positief saldo van 84 bomen en 5.279 m² extra beplanting. De compensatie is dus ruimschoots geborgd. Aan de verplichte herplantplicht en de compensatieverplichting wordt voldaan.
Tijdens de werkzaamheden wordt rekening gehouden met de voorgestelde maatregelen om negatieve effecen op flora en fauna te beperken. Verder zal de benodigde omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit worden aangevraagd voor de haas, rugstreeppad en houtopstanden. Het project is uitvoerbaar mits de voorgestelde mitigerende en compenserende maatregelen worden genomen en de benodigde vergunningen worden aangevraagd. De gunstige staat van instandhouding van de aangetroffen soorten blijft daarmee geborgd.
Wat betreft het kappen van houtopstanden wordt eveneens aan de vereisten voldaan. De herplantplicht is geborgd, er wordt voldoende gecompenseerd.
Natura 2000-gebieden
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen (zie paragraaf 4.2.2).
Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Oosterschelde ligt op circa 3,5 kilometer afstand (zie figuur 5.1).
Figuur 5.1: Ligging projectgebied ten opzicht van Natura 2000-gebied (bron: Ministerie van Landbouw, Visserij, Voedselzekerhid en Natuur)
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is gekeken naar de effecten op Natura 2000-gebieden. Om dit aan te tonen is een stikstofberekening uitgevoerd. De stikstofberekening is opgenomen in bijlage 7. Hieruit blijkt dat in Natura 2000 gebieden een stikstofdepositie wordt waargenomen (0,01 mol/ha/jaar) op de gebieden Krammer - Volkerak en Oosterschelde. Om in beeld te brengen of de berekende stikstofdepositie daadwerkelijk een (significant) negatief effect kan hebben op de betrokken Natura 2000-gebieden, is een ecologische voortoets uitgevoerd. De ecologische voortoets is opgenomen in bijlage 8.
Uit de ecologische voortoets blijkt dat de realisatie van het project geen negatieve effecten heeft op de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Krammer-Volkerak, omdat de extra stikstofdepositie verwaarloosbaar klein is.
De uitvoering van het project zal dus niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van Natura 2000 gebieden, waardoor geen vergunnings- of meldplicht geldt met betrekking tot stikstofdepositie.
De bestaande weg bevindt zich binnen een NNN-gebied en heeft in de omgevingsverordening Zeeland de status ‘bestaande natuur’. De beoogde aansluitingen bevinden zich binnen het NNN-gebied (zie ook 4.2.2) . Die NNN-status heeft te maken met bloemrijke wegbermen. Bij de aansluitingen van de nieuwe op de oude weg verdwijnt een klein deel van deze bermen. De aantasting is echter minimaal en in het landschapsplan is nadrukkelijk aansluiting gezocht bij de bestaande natuurwaarden van de dijken. Door het landschapsinrichtingsplan uit te voeren neemt per saldo het groen/ de natuur toe in het plangebied en de omgeving.
Uit de stikstofberekening en ecologische voortoets blijkt dat er geen significante negatieve effecten optreden op Natura 2000-gebieden. Ook binnen het NNN-gebied is de aantasting minimaal en wordt dit gecompenseerd door het landschapsinrichtingsplan. Er zijn vanuit ecologie geen belemmeringen voor de ontwikkeling.
In het kader van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het aspect groen en landschappelijk inrichting van belang. Voor deze ontwikkeling zijn de uitgangspunten zoals opgenomen in de provinciale Zeeuwse Bosvisie en het gemeentelijk Beleidsplan Groen 2024-2028 van toepassing
Zeeuwse Bosvisie
De Zeeuwse Bos van toepassingsvisie is vastgesteld op 10 november 2020 en is een uitwerking van de Nationale Bossenstrategie. Het document vertaalt de nationale doelen en richtlijnen naar specifieke maatregelen en strategieën voor de provincie Zeeland en heeft als doel het versterken van biodiversiteit, klimaatadaptatie, recreatie, en landschapskwaliteit.
In de Zeeuwse Bosvisie zijn specifieke gebieden aangewezen als "zoekgebieden" voor de ontwikkeling van nieuw bos en houtige landschapselementen.
Deze zoekgebieden zijn geselecteerd op basis van hun potentieel om bij te dragen aan de doelen van de visie, zoals het versterken van biodiversiteit, landschapskwaliteit, en klimaatadaptatie. Het plangebied valt binnen het zoekgebied 'weids polderlandschap met kansen voor landschappelijke groenstructuren'. Deze gebieden richten zich op het behoud van de openheid van de Zeeuwse polders, terwijl er tegelijkertijd ruimte is voor kleinschalige landschapselementen die aansluiten bij het Zeeuwse polderlandschap. De wensen voor dit gebied zijn om de ruimtelijke kwaliteit te versterken door zorgvuldig geplaatste beplantingen die bijdragen aan de landschappelijke structuur zonder de karakteristieke openheid te verstoren.
Beleidsplan Groen 2024-2028
De gemeente Tholen heeft op 18 april 2024 het Beleidsplan Groen 2024-2028 vastgesteld. Dit ter vervanging van het 'Groenplan Gemeente Tholen 2019-2023' en vooruitlopend op een gemeentelijk landschapsontwikkelingsplan. Het beleidsplan is opgesteld om het groene beeld van de gemeente te behouden en te versterken. Het plan biedt richtlijnen voor de inrichting en het beheer van openbaar groen, gebaseerd op vernieuwde inzichten en mogelijkheden. Het doel is om een gezonde leefomgeving te creëren die bijdraagt aan het welzijn van bewoners en gebruikers. Vanuit dit doel zijn er 3 uitgangspunten geformuleerd waaraan ambities zijn gekoppeld.
De 3 uitgangspunten met bijbehorende ambities zijn:
Voor elke kern in de gemeente is een bestaande groenstructuur in beeld gebracht en is een kaart met een gewenste groenstructuur (op projectniveau) opgesteld. Per project wordt ook aangegeven welke waarden worden beïnvloed door de maatregel.
Figuur 5.2: Gewenste groenstructuuur Oud-Vossmeer (bron: gemeente Tholen)
Zoals te zien in figuur 5.2, is de Randweg opgenomen in de beoogde groenstructuur. Het project 'Dorpsrand' bevindt zich hiernaast. Voor dit project zijn de huidige situatie, het streefbeeld en het voorstel voor maatregelen beschreven. De beleidsthema's omvatten landschap, ecologie, ruimtelijke waarde, leefbaarheid, toekomstwaarde en recreatieve waarde.
Het streefbeeld is dat de kernrandzone moet passen bij het omliggende landschap. Het gebruik van streekeigen beplantingen en het realiseren van een zachte overgang naar het landbouwgebied en de bruikbaarheid van deze zones als wandel- en beweeggebied zijn ontwerprincipes.
Per project is aangegeven hoe een genomen maatregel een waarde of omgevingsaspect beïnvloedt. Voor de dorpsrand in Oud-Vossemeer zijn dit de volgende waarden:
Ten behoeve van de ontwikkeling is een landschapsontwikkelingsplan opgesteld (zie bijlage 9 en 10). Het landschappelijk ontwikkelingsplan voor de Randweg Oud-Vossemeer zorgt voor een zorgvuldige landschappelijke inrichting van de nieuwe weg in het karakteristieke Zeeuwse polderlandschap, met respect voor de bestaande dijken, verkavelingsstructuren en openheid van het gebied. Het nieuwe groen richt zich op het versterken van de historische lijnen door herstel en aanvulling van dijkbeplantingen, terwijl langs het tracé zelf het open uitzicht behouden blijft.
Aan de zuidzijde van het dorp wordt een brede groene zone aangelegd met ruimte voor waterberging, wandelpaden en recreatie, die tegelijkertijd een ecologische verbinding vormt en een buffer biedt tussen infrastructuur en polder.
De entree van de randweg krijgt een landschappelijk accent met een haag en bomen, en de rotonde wordt ingericht als een uitnodigende entree met bloemrijke vegetatie en zitplekken.
Ecologisch wordt ingezet op het versterken van biodiversiteit, onder andere door de aanleg van een ecoduiker, leefgebied voor de rugstreeppad, een marterhoop en een ijsvogelwand. De recreatieve waarde van het groene gebid wordt vergroot door nieuwe wandelroutes, rustpunten en informatievoorziening over natuur en historie. Er wordt gebruikgemaakt van streekeigen bomen en struiken. In zijn totaliteit worden er meer bomen en beplanting aangeplant dan er worden verwijderd.
Zeeuwse Bosvisie
De landschappelijk inrichting past binnen de uitgangspunten van het aangewezen zoekgebied. Het versterkt de structuur en begrenst het dorp. Aanplant van extra groen in kader van de landschappelijke inrichting van de toekomstige rondweg sluit aan bij die wens.
Beleidsplan Groen
De aanleg van de nieuwe Randweg bij Oud-Vossemeer past binnen het Beleidsplan Groen 2024-2028. Dit beleid streeft naar een gezonde groene leefomgeving en benadrukt het belang van groen bij infrastructuurprojecten. De Randweg wordt begeleid door een groenstructuur die zorgt voor een zachte overgang tussen woongebied en landschap. Dit sluit aan bij de uitgangspunten van het beleid, zoals klimaatadaptief inrichten en het verbeteren van de toegankelijkheid en begaanbaarheid van de openbare ruimte. De Randweg draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit en biedt mogelijkheden voor recreatie en bewegen, wat de leefbaarheid en het welzijn van de bewoners bevordert.
De ontwikkeling past binnen de beleidsuitgangspunten ten aanzien van groen en landschappelijke inrichting en draagt bij aan een versterking van de ruimtelijke kwaliteit.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.1 instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de kwaliteit van de buitenlucht. Bij het toelaten van een nieuwe ontwikkeling moet in een aantal situaties worden getoetst aan omgevingswaarden voor lucht. In een beperkt aantal gevallen is onderzoek nodig.
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 ìg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd dieniet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan vormt het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de ontwikkeling.
Omgevingsverordening Zeeland
De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema luchtkwaliteit.
Het plangebied bevindt zich niet in/nabij de aandachtsgebieden die in artikel 5.51 Bkl zijn vermeld. Voor de beoogde ontwikkeling heeft een onderzoek naar luchtkwaliteit plaatsgevonden, zie bijlage 11.
Het extra verkeer dat door de aanleg van de beoogde Randweg wordt gegenereerd kan gevolgen hebben voor de concentraties van luchtverontreinigende stoffen. De maximale intensiteit als gevolg van de nieuwe Randweg bedraagt 3.052 motorvoertuigen in 2040. Dit blijkt uit de verkeersstudie zoals door Royal Haskoning is opgesteld. Om de maximale gevolgen voor de luchtkwaliteit in beeld te brengen is de NIBM-tool (versie 24-04-2024) ingevuld zie onderstaande tabel) met de voorgenoemde verkeersintensiteit.
Volgens de mobiliteitstoets bedraagt het aandeel vrachtverkeer 12%. In de NIBM-tool is worst-case 2025 als jaar van planrealisatie aangehouden. Naarmate het rekenjaar verder in de toekomst ligt, zullen de emissies als gevolg van transportbewegingen lager worden, omdat de tool uitgaat van de toepassing van schonere technieken in de toekomst. Uit Tabel 5.1 blijkt dat de beoogde ontwikkeling ‘mogelijk in betekenende mate’ bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen.
Tabel 5.1 Resultaten NIBM-tool
In aanvulling hierop zijn in Tabel 5.2 de concentraties van luchtverontreinigende stoffen langs het dichtstbijzijnde wegvak, de Tholensebrug, weergegeven zoals opgenomen in het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Vervolgens is getoetst of aan de omgevingswaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt voldaan. Ook na realisatie van het plan liggen de maximale concentraties ver onder de omgevingswaarden zoals opgenomen in het Bkl.
Tabel 5.2 Toetsing omgevingswaarden uit het Bkl
Het project levert niet in betekenende mate een bijdrage aan de luchtkwaliteit. De luchtkwaliteit in de omgeving is bovendien aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor luchtkwaliteit en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
Besluit kwaliteit leefomgeving
In hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.4 instructieregels voor trillingen. Deze regels gelden echter niet voor de aanleg van wegen.
De beoogde ontwikkeling is geen trillinggevoelig object. In het kader van Etfal is dit aspect wel beoordeeld, omdat er op een afstand van circa 45 meter van de beoogde weg woningen aanwezig zijn.
De afstand van de beoogde weg tot de dichtstbijzijnde woning bedraagt circa 45 meter. De beoogde weg krijgt een maximumsnelheid van 60 km/h. Voor trillingen als gevolg van wegverkeer gelden geen specifieke instructieregels op grond van de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving, en bestaat geen algemene wettelijke verplichting tot het verrichten van trillingonderzoek. De beoordeling vindt plaats in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Trillingen worden met name beïnvloed door factoren zoals rijsnelheid, aandeel zwaar verkeer, wegdekkwaliteit, afstand tot de weg en de funderingswijze van de bebouwing. Gelet op de afstand van circa 45 meter en het feit dat de randweg niet direct langs de woning is gelegen, is het niet aannemelijk dat sprake zal zijn van relevante trillinghinder als gevolg van de nieuwe weg.
Eventuele wijzigingen in verkeersintensiteiten op omliggende wegen zijn het gevolg van verkeerskundige herverdeling en leiden, mede gelet op het bestaande goede wegdek, niet tot een zodanige toename dat sprake is van onaanvaardbare trillinghinder. Gelet op het vorenstaande wordt trillinghinder niet verwacht en bestaat geen aanleiding voor aanvullend trillingsonderzoek.
Een goed aangelegde asfaltweg met zwaar verkeer zorgt op afstanden van meer dan 5
meter (voor nieuwere gebouwen) tot 10 meter (voor oudere gebouwen) niet voor
trillingen. Gelet op het vorenstaande wordt trillinghinder niet verwacht.
Ter plaatse van de dichtstbijzijnde woningen wordt trillinghinder vanwege de weg niet verwacht.
Bij het toelaten van nieuwe ontwikkelingen moet worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbare geluidssituatie als gevolg van de activiteit die wordt mogelijk gemaakt.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat hiervoor regels over geluid door activiteiten (afdeling 5.1.5 Bkl).Deze regels zijn bedoeld om te voorkomen dat activiteiten die geluid veroorzaken leiden tot onaanvaardbare geluidhinder op nabijgelegen geluidgevoelige objecten, zoals woningen, scholen of zorginstellingen.
De beoordeling richt zich op twee mogelijke situaties:e
In beide gevallen moet worden beoordeeld of het geluid aanvaardbaar is. Dit kan worden onderbouwd door te toetsen aan de standaardwaarden en grenswaarden uit tabellen 5.65.1 en 5.65.2 van het Bkl. Daarnaast moet een zorgvuldige belangenafweging plaatsvinden, waarbij wordt gemotiveerd waarom het geluidniveau passend is in de omgeving.
Een weg is zelf geen geluidgevoelig object volgens het Bkl. Ook is het gebruiken van de nieuwe weg geen activiteit waar de regels over geluid van 5.59 Bkl op van toepassing zijn. De instructieregels voor geluid door activiteiten zijn dan ook niet van toepassing op deze wijziging van het omgevingsplan. Toetsing aan standaardwaarden of grenswaarden uit tabellen 5.65.1 en 5.65.2 van het Bkl is in dit geval niet vereist.
Het plan betreft geen nieuwe activiteit in de zin van afdeling 5.1.5 Bkl en is niet gelegen bij een bestaande activiteit waarop deze regels van toepassing zijn. Voor geluid door activiteiten vormt dit plan dan ook geen belemmering voor de uitvoering.
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.2a instructieregels voor geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Op basis van artikel 5.78l Bkl dient in een omgevingsplan rekening te worden gehouden met het geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen in een geluidaandachtsgebied en voorziet erin dat het geluid aanvaardbaar is. Het geluid is aanvaardbaar als wordt voldaan aan de standaardwaarden. Een overschrijding hiervan is mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de standaardwaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt en er wordt voldaan aan de grenswaarden volgens tabel 5.3.
Tabel 5.3: Standaardwaarden en grenswaarden geluid per geluidbronsoort
In een aantal gevallen kan een waarde hoger dan de grenswaarde aanvaardbaar worden geacht:
Een overschrijding van de grenswaarden is alleen mogelijk als er geen geluidbeperkende maatregelen kunnen worden getroffen om aan de grenswaarden te voldoen, de overschrijding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geluidbeperkende maatregelen worden in aanmerking genomen als die financieel doelmatig zijn en daartegen geen overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of technische aard bestaan. Verder wordt rekening gehouden met het belang van een geluidluwe gevel.
Bij het overschrijden van de standaard- of grenswaarden wordt het gecumuleerde geluid beoordeeld en het gezamenlijk geluid bepaald en vastgelegd in het omgevingsplan.
Omgevingsverordening Zeeland
De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen.
Voor de aanleg van de nieuwe randweg ten zuiden van Oud-Vossemeer is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (zie bijlage 12). Hierbij is gekeken naar de geluidbelasting op bestaande woningen en andere geluidgevoelige gebouwen in het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de Omgevingswet en het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
Omdat het om een nieuwe provinciale weg gaat, is het wettelijk verplicht om voorafgaand aan de vaststelling van het omgevingsplan een geluidproductieplafond (GPP) vast te stellen. Het GPP bepaalt de maximale toegestane geluidproductie op referentiepunten langs de weg.
Bij de verkeersinput voor het opstellen van de GPP en het uitvoeren van het akoestisch onderzoek is uitgegaan van de gegevens uit de verkeersstudie, waarin niet alleen de ontwikkeling van de randweg zelf, maar ook diverse mogelijke toekomstige ontwikkelingen zijn meegenomen. Hierdoor zijn de gehanteerde verkeerscijfers ruimer dan strikt noodzakelijk voor alleen deze ontwikkeling en vormen zij feitelijk een worstcasescenario.
Uit het onderzoek blijkt dat bij twee woningen (Klaverveld 51 en Molenweg 44) de geluidbelasting door de nieuwe randweg hoger is dan de standaardwaarde van 50 dB, maar de grenswaarde van 60 dB wordt nergens overschreden. In totaal zijn 15 bestaande geluidgevoelige gebouwen (waaronder woningen) in het geluidaandachtsgebied onderzocht; bij de overige woningen wordt de standaardwaarde niet overschreden.
Om aan de standaardwaarde te voldoen, worden geluidreducerende maatregelen getroffen, zoals het toepassen van stil asfalt (SMA/NL8 G+) op delen van de randweg. Op de rotonde wordt een extra sterk asfalttype (SMA 0/8) toegepast. Na toepassing van deze maatregelen wordt de geluidbelasting bij Klaverveld 51 en Molenweg 44 teruggebracht tot 50 dB, zodat ook bij deze woningen aan de standaardwaarde wordt voldaan.
Daarnaast is gekeken naar indirecte akoestische effecten door veranderend verkeer op omliggende wegen. Alleen op Klaverveld is sprake van een verkeerstoename van meer dan 40%, maar de geluidbelasting blijft ook daar onder de standaardwaarde van 53 dB voor gemeentewegen. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting op overige woningen niet hoger is dan de standaardwaarden en dat er geen aanvullende maatregelen nodig zijn.
Voor de nieuwe randweg is wordt
, conform de wettelijke verplichting, een geluidproductieplafond (GPP) vastgesteld (16 juni 2026) . Door het toepassen van geluidreducerend asfalt wordt voldaan aan de standaardwaarden voor geluidbelasting bij de onderzochte woningen. Er zijn geen aanvullende maatregelen nodig.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur opgenomen (§ 5.1.4.6 van het Bkl). De algemene regels met betrekking tot geur zijn op grond van artikel 5.90 van het Bkl van toepassing op het toelaten:
In artikel 5.91 Bkl is vastgelegd welke gebouwen in ieder geval als geurgevoelig worden beschouwd (woonfuncties, onderwijsfuncties, gezondheidsfuncties met bedgebied, bijeenkomstfuncties voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties van voorgenoemde functies).
Een weg is geen geurgevoelig object. Daarnaast is een weg zelf geen bron van geurhinder. Om die reden is het toetsen van geurhinder in het kader van deze ontwikkeling niet aan de orde.
Het project maakt geen nieuwe geurbron mogelijk. De geursituatie is ter plaatse van de projectlocatie aanvaardbaar voor de nieuwe functies. Het project is niet in strijd met instructieregels voor geur en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
Instructieregels
De instructieregels met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid in § 5.1.2 Bkl gaan in de eerste plaats over de veiligheidsrisico's van branden, rampen en crises (artikel 5.2). Deze zijn voor iedere ontwikkeling van belang. Voor deze risico's dient in een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor een bopa rekening gehouden te worden met het belang van het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening.
Daarnaast kunnen door een ontwikkeling veiligheidsrisico's ontstaan voor zogenaamde (zeer of beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties.
Daarnaast kennen activiteiten met een extern veiligheidsrisico een brand-, explosie- en/of een gifwolkaandachtsgebied. Bij het toelaten van kwetsbare gebouwen of locaties binnen een aandachtsgebied, zal moeten gekeken of een brand- en/of explosievoorschriftengebied moet worden vastgesteld. Tevens zal in deze gevallen rekening gehouden moeten worden met het groepsrisico.
De ontwikkeling voorziet in de aanleg van een nieuwe Randweg. Een weg wordt niet aangemerkt als kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object in het kader van de omgevingsveiligheid. Om die reden hoeft het aspect omgevingsveiligheid niet te worden getoetst.
De weg maakt geen onderdeel uit van een route voor gevaarlijke stoffen. Met de beoogde ontwikkeling worden dan ook geen risicovolle inrichtingen of activiteiten gerealiseerd. Er is dan ook geen sprake van een toename van het plaatsgebonden risico of het groepsrisico. In de directe omgeving van het projectgebied zijn geen risicovolle bedrijven of routes aanwezig.
Het project maakt geen nieuwe risicobron mogelijk en de projectlocatie is niet gelegen binnen het invloedsgebied van een risicobron. Het project is niet in strijd met de instructieregels uit het Bkl en het is niet nodig om voor dit aspect voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden.
Een doel van de Omgevingswet is het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 van dit artikel wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid. Daarbij gaat het volgens paragraaf 5.1.4 van het Bkl in ieder geval om:
Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen. zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid /toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie. Hiervoor zijn in het Bkl geen instructieregels opgenomen. Wel kan het zijn dat de provincie, regio en/of gemeente hiervoor beleid heeft. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt in de belangenafweging betrokken.
Gezondheidsbescherming
In het kader van een aantal sectorale omgevingsaspecten, die in dit hoofdstuk worden behandeld, is het project reeds ruimtelijk afgewogen. Uit deze paragrafen blijkt dat voor al deze aspecten wordt voldaan aan de instructieregels conform paragraaf 5.1.4 van het Bkl.
Gezondheidsbevordering
De landschappelijke inrichting van de Randweg met daarin de wandelroutes bevordert zowel de fysieke als mentale gezondheid door dorpsbewoners aan te moedigen om in de buitenlucht te bewegen, te ontspannen en sociaal te interageren in een aangename en toegankelijke omgeving.
Met dit project wordt rekening gehouden met het aspect gezondheid, zowel voor wat betreft gezondheidsbescherming als gezondheidsbevordering.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.5 instructieregels voor het beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. Op basis van artikel 5.130 lid 1 van het Bkl moet met een ontwikkeling rekening worden gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Aantoonbaar betekent dat de verwachting gebaseerd is op relevante bodemkundige, archeologische of historische informatie. Daarnaast worden met het oog op het belang van het behoud van cultureel erfgoed in een omgevingsplan in ieder geval regels gesteld ter bescherming van daarvoor in aanmerking komend cultureel erfgoed, waarbij rekening wordt gehouden met de in artikel 5.130 lid 2 subleden (a-e) opgenomen beginselen. Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voor beschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen.
Voorafgaand aan de uitvoering van plannen moet onderzoek worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden.
In Zeeland zijn veel dijken aangewezen als cultuurhistorisch waardevol, omdat zij een essentieel onderdeel vormen van het historisch landschap en de strijd tegen het water. Zoals ook in paragraaf 4.2.2 is aangegeven vormen deze dijken vormen de ruggengraat van Zeeland en vertellen het verhaal van honderden jaren inpoldering, overstromingen en waterbeheer. Hun waarde komt voort uit zowel hun historische functie (zoals bescherming tegen het water of inpoldering) als hun landschappelijke en ecologische betekenis.
De Molendijk en Oud Vossemeersedijk vormen in het plangebied cultuurhistorisch waardevolle infrastructuur uit het begin van de 15e eeuw. Ze zijn onderdeel van de oorspronkelijke bedijking van de Oud Vossemeersepolder. Deze dijken worden als behoudenswaardig beschouwd en zijn om die reden ook vastgelegd in de omgevingsverordening Zeeland (zie paragraaf 4.2.2).
Als gevolg van de ontwikkeling kunnen de cultuurhistorische waarden worden aangetast. Naar verwachting blijft de impact echter beperkt tot delen van het dijklichaam waar reeds bestaande infrastructuur zoals wegen en kabels aanwezig zijn. Bovendien houdt het ontwerp van de Randweg rekening met het behoud van kenmerkende groenstructuren en landschaspelementen.
Hoewel er sprake is van enige tijdelijke verstoring van het dijklichaam door eerdere en geplande ingrepen, wordt dit niet als ernstige schade aan de cultuurhistorische waarde beschouwd en leidt dit niet tot een significante aantasting van de samenhang tussen de gronden of elementen.
In het tijdelijk deel van het omgevingsplan Tholen is een dubbelbestemming 'Archeologie' opgenomen.
Ten behoeve van de ontwikkeling is een archeologisch bureau en veldonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 15. Ten behoeve van het veldonderzoek zijn boringen verricht.
Samenvattend wordt in het onderzoeksrapport het volgende gesteld:
De resultaten tonen dat het grootste deel van het plangebied een lage kans heeft op behoudenswaardige archeologische vindplaatsen, met uitzondering van de Molendijk en Oud-Vossemeersedijk, waar een hoge verwachting bestaat voor resten van infrastructuur vanaf de 15e eeuw. Vervolgonderzoek is niet nodig omdat de kans op behoudenswaardige archeologische resten klein is en de verwachte verstoringen beperkt blijven tot reeds verstoorde zones zoals wegen en dijken. Bij het aantreffen van archeologische vondsten tijdens de werkzaamheden geldt wel een wettelijke meldingsplicht.
Het project is niet in strijd met de instructieregels voor cultureel erfgoed. Uit archeologisch onderzoek is gebleken dat de Molendijk en Oud-Vossemeersedijk als cultuurhistorisch waardevol en behoudenswaardig worden beschouwd. Omdat de geplande ingrepen echter beperkt blijven tot reeds verstoorde delen van het dijklichaam, wordt de impact op hun waarde als gering ingeschat en is vervolgonderzoek niet nodig.
Besluit kwaliteit leefomgeving
Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat in paragraaf § 5.1.4.5 instructieregels voor het beschermen van de bodemkwaliteit bij activiteiten met een potentieel risico voor de gezondheid. Deze regels zijn echter alleen van toepassing op zogenoemde bodemgevoelige gebouwen, zoals gedefinieerd in artikel 5.89g van het Bkl. Aangezien het hier gaat om een weg en er geen sprake is van verblijf van personen gedurende meer dan twee uur per dag, is deze situatie niet aan te merken als bodemgevoelig gebruik en zijn de instructieregels uit § 5.1.4.5 niet van toepassing.
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is de bodemkwaliteit desondanks beoordeeld op geschiktheid voor het beoogde gebruik als weg, met het oog op bescherming van de gezondheid en het milieu.
Omgevingsverordening Zeeland
De omgevingsverordening bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema bodem.
Om de geschiktheid van de bodem te onderzoeken is door ABO Milieuconsult een bodemonderzoek (d.d. 10-12-2024, nr. ANL24-9623) uitgevoerd (zie bijlage 13). Het onderzoek bestaat uit een verkennend bodemonderzoek, verkennend bodemwateronderzoek en een indicatief dammenonderzoek.
Tijdens het onderzoek zijn in 2 grondmonsters enkele verontreinigingen aangetroffen waaronder licht verhoogd gehalte aan minerale olie en PAK, DDD, DDE. In beide gevallen worden de interventiewaarden niet overschreden. De onderzochte waterbodem van de vier te dempen watergangen is licht verontreinigd, maar verspreidbaar op aangrenzend perceel. Ter plaatse van dam 2 en dam 3 zijn puinhoudende lagen aangetroffen, maar er is geen asbest aangetoond.
Aangezien de gemeten gehalten en concentraties kleiner zijn dan de interventiewaarden en signaleringsparameter is geen nader onderzoek nodig.
Bij graafwerkzaamheden wordt aanbevolen de vrijkomende grond zoveel mogelijk op de locatie te verwerken. Bij afvoer van grond moet rekening worden gehouden met de lichte verontreinigingen in de bovengrond van voormalige boomgaarden.
Voor een gedeelte aan de Molenweg ong. te Oud-Vossemeer is vanwege grondruiling voor een perceel kadastraal bekend als Gemeente Oud-Vossemeer, sectie N, nummer 486 eveneens een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door ABO Milieuconsult (d.d. 02-04-2026, nr. ANL26-10898). Dit onderzoek is eveneens opgenomen in bijlage 13. Uit het onderzoek blijkt dat geen aanleiding is voor nader bodemonderzoek. De milieuhygiënische kwaliteit is voldoende vastgelegd voo rdit perceel.
De milieuhygiënische kwaliteit van de bodem vormt geen belemmering voor de aanleg van de nieuwe Randweg. Er is geen noodzaak om met betrekking tot het aspect bodem regels op te nemen.
Ruimtelijke ontwikkelingen kunnen van grote invloed zijn op de waterhuishouding in een gebied. Ze kunnen gevolgen hebben voor de waterkwantiteit, de waterkwaliteit en de waterveiligheid. Bij verlening van een omgevingsvergunning voor een bopa moet daarom rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen (weging van het waterbelang). In deze paragraaf zijn de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, uitgangspunten en ontwerpgrondslagen voor het projectgebied gegeven. Deze waterparagraaf vormt daarmee de basis voor het vastleggen van het wateraspect en de weging van het waterbelang zoals dat in de omgevingswet is opgenomen. Om de waterbelangen te borgen is advies ingewonnen bij de waterbeheerder. Indien hiervan afgeweken wordt is dit in navolgende onderbouwing deugdelijk gemotiveerd. Verder zijn de water gerelateerde instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening getoetst. Hiermee is gegarandeerd dat het waterbelang in voldoende mate is meegewogen en dat de plan specifieke regels van de waterbeheerders op een goede wijze in het plan zijn meegenomen.
Verder moet rekening worden gehouden met waterschapsbelangen. Uit het waterschapsbeleid en de waterschapsverordening blijkt welke belangen er spelen.
De omgevingsverordening Zeeland bevat geen specifieke instructieregels met betrekking tot het thema water.
Voor de aanleg van de randweg is een onderzoek weging van het waterbelang uitgevoerd (zie bijlage 16). In dit onderzoek is naast de randweg eveneens de uitbreiding van het bedrijventerrein Klaverveld meegenomen en is getoetst aan de waterhuishoudkundige randvoorwaarden en beleidskaders.
De toename van verhard oppervlak van zowel de randweg als het bedrijventerrein bedraagt circa 38.547 m². In tabel 5.4 is de onderverdeling per verhard oppervlak weergegeven.
Tabel 5.4: Onderverdeling verhard oppervlak per onderdeel
| Onderdeel | Verhard oppervlak (m2) |
| Randweg (Molendijk - Molenweg) | 7.892 |
| Randweg (Oud Vossemeersedijk - Molenweg) | 6.340 |
| Bedrijventerrein (infrastructuur) | 2.940 |
| Bedrijventerrein (uitgeefbaar 90% verhard) | 21.375 |
| Totaal | 38.547 |
Voor de randweg bedraagt het verhard oppervlak in totaal 14.232 m². Deze toename is volledig gecompenseerd door het graven van nieuw oppervlaktewater binnen de betrokken peilgebieden, conform de norm van 75 mm waterberging per m² verharding.
Het civieltechnische ontwerp houdt rekening met het ter plaatse geldende peilbeheer en voldoet op één locatie niet aan de aan de droogleggingsnormen (verschil tussen maaiveld en waterpeil) en ontwateringsnormen (minimale diepte t.o.v. grondwaterstand). Waar dit niet het geval is, wordt het maaiveld opgehoogd om negatieve effecten te voorkomen.
De waterkwaliteit wordt geborgd door het vermijden van uitlogende materialen en afstroming via bermen. Hoewel de toetsing zich richt op de randweg, is ook de uitbreiding van het bedrijventerrein (24.315 m2 verharding) meegenomen in het onderzoek, omdat dit van belang is voor het totale watersysteem en de cumulatieve effecten in het gebied. Het waterschap Scheldestromen heeft het aanmeldformulier watertoets beoordeeld en akkoord bevonden. Hiermee is aangetoond dat het waterbelang in voldoende mate is meegewogen en dat het plan hydrologisch neutraal en klimaatadaptief is.
Het plan voldoet aan de wettelijke en beleidsmatige eisen voor waterveiligheid, waterkwantiteit en waterkwaliteit. De waterbelangen zijn aantoonbaar geborgd door volledige compensatie van verharding en demping, borging van waterkwaliteit en afstemming met het waterschap. Hiermee is het waterbelang in voldoende mate meegewogen en is het plan hydrologisch neutraal en klimaatadaptief ontworpen.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen of hoogspanningslijnen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het TAM-omgevingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een Klic-melding worden gedaan.
Er zijn geen planologisch relevante kabels en leidingen in en in de nabijheid van het plangebied aanwezig. Er zijn dan ook geen belemmeringen voor de uitvoering van het project.
In een TAM-omgevingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II).
Voor niet gesprongen explosieven heeft de gemeente onderzoek uitgevoerd. Het gebied is niet aangeduid als aandachtsgebied, dus is voor het onderdeel niet gesprongen explosieven geen aanvullend onderzoek nodig.
Ter plaatse van het plangebied is naar verwachting geen kans op de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven.
Voor wat betreft de financieel-economische uitvoerbaarheid dient te worden beoordeeld of de ontwikkeling financieel haalbaar is. Als op voorhand duidelijk is dat de toegedachte functie om financiële redenen op langere termijn niet zal worden gerealiseerd, behoort de functie niet mogelijk te worden gemaakt.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een Randweg aan de westzijde van Oud-Vossemeer. De provincie Zeeland is de initiatiefnemer van het plan en realiseert deze ruimtelijke ontwikkeling voor eigen rekening en risico.
De provincie Zeeland heeft middelen beschikbaar om de ontwikkeling te realiseren. Het uitvoeringskrediet is gereserveerd in de najaarsnota van 2025.
Indien met een wijziging van het omgevingsplan nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk worden maakt is kostenverhaal aan de orde. Een plan is financieel onuitvoerbaar als het kostenverhaal van door het plan mogelijk gemaakte kostenverhaalplichtige bouwactiviteiten en gebruikswijzigingen als aangewezen in artikel 8.13 Omgevingsbesluit niet is geregeld.
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet toe op de realisatie van een Randweg aan de westzijde van Oud-Vossemeer. Deze weg is niet kostenverhaalplichtig, omdat deze in eigendom en beheer is van de provincie en niet wordt aangelegd ten behoeve van een concreet bouwproject.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 3, 4, 5 en 6. Hieruit blijkt dat de huidige route door de kern van Oud-Vossemeer dusdanig gevaarlijk is dat een nieuwe Randweg van groot maatschappelijk belang is. Voor de leefbaarheid van het dorp zal de vermindering van het aantal doorgaande verkeersbewegingen een aanzienlijke meerwaarde bieden. De robuuste groene inpassing van de Randweg, inclusief wandelpaden, zorgt voor een aantrekkelijke omgeving die uitnodigt tot bewegen en sociale ontmoetingen. Voor enkele woningen zal het geluid als gevolg van de aanleg van de Randweg toenemen ten opzichte van de bestaande situatie, uit onderzoek blijkt echter dat dit binnen de acceptabele normen blijft en er geen maatregelen getroffen dienen te worden. In overleg met de bewoners is gezocht naar de meest acceptabele oplossing.
Getoetst is aan de relevante omgevingsaspecten. Hieruit is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels en het beleid. Dit betekent dat het project bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Alles overwegende is de ontwikkeling aanvaardbaar.
Bij het bepalen van de functies is zoveel mogelijk gesloten bij het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Buitengebied Tholen' en 'Kernen Tholen'. De functies worden hieronder toegelicht:
Groen: De landschappelijke inrichting van de randweg heeft de functie groen gekregen.
Verkeer: De nieuwe randweg incl. bijbehorende bermsloten heeft de functie verkeer gekregen.
Waarde - Beschermde dijk: De al aanwezige functie blijft gehandhaafd.