| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a 'Nieuwe Sluis Terneuzen, Goessekade 2' |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0715.TAMNST04-VG01 |
In het kader van de bouw van de Nieuwe Sluis Terneuzen (NTS) is het bedrijf Navimar BV verplaatst van de Schependijk naar de Goessekade. Hiervoor is een ruimtelijke onderbouwing opgesteld en een tijdelijke omgevingsvergunning verleend in 2016. Met het bedrijf werd, net als met Oliehandel De Lege, een overeenkomst gesloten dat na bouw van de NST het bedrijf kon terugkeren naar de Schependijk. In de planvorming van de NST en de Beurtvaartkade is rekening gehouden met de vestiging van het bedrijf aan de Schependijk. In de beheersverordening Oostelijke Kanaaloever is het bedrijf gecategoriseerd als een categorie 2 bedrijf.
Vanwege de milieutechnische ruimte die het bedrijf Navimar inneemt en de wens voor meer ruimte en bouwmogelijkheden, is onderzocht of het bedrijf zich definitief kan vestigen aan de Goessekade.
Op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Terneuzen, het bestemmingsplan ‘Nieuwe Sluis Terneuzen’, is definitieve vestiging van Navimar niet mogelijk. Om de gewenste ontwikkeling te realiseren moet het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden aangepast (zie figuur 1.1 voor het besluitgebied). Dat betekent dat het gemeentelijk omgevingsplan moet worden gewijzigd om het initiatief mogelijk te maken. Met de gemeente Terneuzen is afgesproken dat er voor deze ontwikkeling een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld en dat daarbij gebruik wordt gemaakt van TAM-IMRO.
Figuur 1.1 Luchtfoto huidige situatie met daarin het besluitgebied rood omkaderd (bron: Luchtfoto Kadaster Nederland 2023)
Vanwege de onzekerheden rondom het DSO is het eerste jaar de mogelijkheid gecreëerd om via de Wro-standaarden het omgevingsplan te publiceren, TAM-IMRO ('Tijdelijke Alternatieve Maatregelen – Informatiemodel Ruimtelijke Ordening') genaamd. De wijziging van het omgevingsplan kan worden gemaakt in de software voor bestemmingsplannen en wordt gepubliceerd via de IMRO standaarden. Inhoudelijk moet dit plan voldoen aan de Omgevingswet.
Opzet juridische regeling
De regels van het TAM-omgevingsplan worden opgesteld in de huidige software. Voor de opbouw wordt aangesloten bij de geldende bestemmingsplannen in de gemeente Terneuzen (de bestemmingsplanvariant van de TAM-IMRO), maar er worden regels toegevoegd zodat duidelijk is dat het plan onderdeel is van het gemeentebrede omgevingsplan en het toepassingsbereik wordt weergegeven. Er wordt niet meer gesproken van bestemmingen, maar van functies en activiteiten. Dit is ook terug te zien op de verbeelding. Ook zullen er voorrangsbepalingen en verwijzingen worden opgenomen om de relatie met de andere regels uit het omgevingsplan (hoofdstuk 22 De bruidsschat) te duiden. In de motivering wordt onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het TAM-omgevingsplan wordt gepubliceerd via ruimtelijkeplannen.nl en wordt via de overbruggingsfunctie getoond in het Omgevingsloket (DSO).
Het TAM-omgevingsplan moet voor 2032 worden omgezet naar het gemeentebrede omgevingsplan in de software van de gemeente en het moet dan voldoen aan de standaarden voor het omgevingsplan (STOP/TPOD) door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Voor deze wijziging wordt een nieuw besluit genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan, die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan, niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen. De wijze waarop en de voorwaarden waaronder dit mogelijk is worden momenteel uitgewerkt.
Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en een kaart (inclusief bijlagen). De motivering dient als onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en het project nader beschreven. Ook wordt hier nader ingegaan op de relatie en strijdigheden met het omgevingsplan. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid op nationaal, regionaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Afgesloten wordt met hoofdstuk 5 waarin de focus ligt op de aspecten economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot is in hoofdstuk 6 getoetst aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Uit onderzoek naar de maritieme toegankelijkheid van het Kanaal Gent-Terneuzen is gebleken dat de afmetingen, beschikbaarheid en betrouwbaarheid van de doorvaart op termijn voor problemen zorgt en de ontwikkeling van het kanaal daardoor belemmerd wordt. Omdat de havengebieden van Gent en Terneuzen van groot economisch belang zijn en een cruciale schakel vormen in de Seine-Schelde verbinding is besloten de Nieuwe Sluis aan te leggen. De Nieuwe Sluis zorgt voor een betere toegang en vlottere doorstroming vanaf de Westerschelde naar het Kanaal van Gent naar Terneuzen en verder.
Het bedrijf Navimar BV was voor de aanleg van de Nieuwe Sluis gevestigd aan de Schependijk en is destijds verplaatst naar de Goessekade met als doel na de realisatie van de Nieuwe Sluis terug te keren. Veranderde inzichten hebben er nu toe geleid dat definitieve vestiging van het bedrijf aan de Goessekade gewenst is.
Het projectgebied ligt aan de Goessekade, ten zuiden van de “westsluis”. Het projectgebied grenst aan de westzijde aan de provinciale weg N 252 en aan de oostzijde aan het Kanaal Gent-Terneuzen. De locatie maakt onderdeel uit van het kadastrale perceel sectie K, nummer 3211. Op figuur 2.1 is de locatie aangeduid.
Figuur 2.1 Locatie projectgebied rood omrand (bron: Open source data en Luchtfoto Kadaster Nederland 203 (bewerkt Rho adviseurs )
Het projectgebied bevat een bedrijfslocatie die sterk afhankelijk is van de ligging aan de haven. Het projectgebied is in gebruik door Navimar BV, een bedrijf in scheepsbenodigdheden en elektrotechnische scheepsinstallaties, maritieme satelliet-, radiocommunicatie en navigatiesystemen. Het terrein is deels verhard. Aan de noordzijde is een bedrijfshal aanwezig van 40 x 22 meter (880 m²) waarin zich onder andere de winkel bevindt. Aan de zuidzijde van deze hal zijn tijdelijke units met daarin het kantoor en de kantine geplaatst. Aan de zuidzijde is een grasveld aanwezig. Voor de vestiging van het bedrijf is een tijdelijke vergunning verleend.
De westrand van het gehele projectgebied is in gebruik als landschappelijke inpassing vanaf de N252.
Figuur 2.2 Luchtfoto projectgebied, rood omkaderd (bron: Luchtfoto Kadaster Nederland 2023)
Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet zijn alle op 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege één omgevingsplan geworden. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan bestemmingsplannen niet meer.
Het omgevingsplan is in te zien via Regels op de kaart in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl). Hier vindt je de van rechtswege in het omgevingsplan opgegane bestemmingsplannen en de vanuit de wet gekregen 'bruidsschat'. Dat zijn de bouw- en milieuregels die voorheen landelijk golden, maar die het Rijk voortaan over laat aan de gemeente.
Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn op het besluitgebied de volgende bestemmingsplannen van toepassing, namelijk:
Bestemmingsplan 'Nieuwe Sluis Terneuzen'
In het bestemmingsplan 'Nieuwe Sluis Terneuzen' heeft het projectgebied de bestemming Zeesluizencomplex, bestemd voor o.a. een sluizencomplex met de daarbij behorende voorzieningen, kaden, vaarwegen, wacht-en opstelplaatsen voor schepen, overnachtingsplaatsen voor schepen, en locatiegebonden nautische dienstverlening.
Daarnaast geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie - 3 ter bescherming van de mogelijk aanwezige archeologische waarden, de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering ter bescherming van de waterkering en de gebiedsaanduiding geluidzone - industrie 2 ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein Oostelijke Kanaaloever/Mr. F.J. Haarmanweg-Driewegen.
Figuur 2.3 Uitsnede bestemmingsplan 'Nieuwe Sluis Terneuzen' (bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart)
In de beoogde situatie wordt Navimar BV definitief toegestaan op de huidige locatie, daarnaast worden de bouwmogelijkheden uitgebreid aan de zuidzijde van de bestaande bebouwing, hier is een nieuwe loods van 55 meter x 22 meter voorzien. De tijdelijke units met het kantoor en de kantine worden weggehaald, deze functies komen in de nieuwe loods in twee bouwlagen en met een gezamenlijk oppervlakte van circa 90 m². De ruimte van 20 meter breed tussen de twee loodsen wordt gebruikt voor de opslag van goederen.
De maximale goot- en bouwhoogte zullen aansluiten bij de bouwmogelijkheden die elders in het havengebied ook gelden; namelijk een goothoogte van 6 meter en bouwhoogte van 10 meter. Het bebouwd oppervlak wordt daarbij gemaximeerd op 2.100 m².
Figuur 2.4 Inrichtingsschets perceel Navimar (bron: Navimar)
Bij het bepalen van de functies is zoveel mogelijk aangesloten bij het tijdelijke deel van het omgevingsplan, het bestemmingsplan 'Nieuwe Sluis Terneuzen'. De functies worden hieronder toegelicht.
Het projectgebied aan de Goessekade dat in gebruik is door Navimar is voorzien van de functie ‘Bedrijf’. Hier mogen de gronden uitsluitend worden gebruikt ten behoeve van nautische dienstverlening dienstverlening en kade- of havengebonden bedrijven. Bouwen is uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, waarbij het maximale bebouwd oppervlak en de bouwhoogte op de plankaart zijn weergegeven. Ter plaatse van de aanduiding ‘opslag’ is opslag tot een hoogte van 3 meter toegestaan.
Deze functie is opgenomen voor de kades in het projectgebied en het water. De functies die hier zijn toegestaan zijn conform het geldende planologische regime. Daarnaast is specifiek geregeld dat haven- en afmeervoorzieningen ten behoeve van in het plangebied gevestigde bedrijven en/of bedrijfsactiviteiten zijn toegestaan daarnaast zijn locatie gebonden nautische dienstverlening dienstverlening en kade- of havengebonden bedrijfsactiviteiten toegestaan.
De functie ‘Waarde – Archeologie 3’ is opgenomen ter bescherming van mogelijk in de
bodem aanwezige archeologische waarden. Voor een aantal werkzaamheden op of in deze gronden is een omgevingsvergunning vereist in het kader waarvan een afweging kan worden gemaakt tussen de activiteit en de te beschermen waarden. Dit geldt voor bodemingrepen dieper dan de vrijstellingsdiepte of groter dan 1.000 m².
Voor de gronden met een waterkerende functie is de functie Waterstaat - Waterkering opgenomen, waarbij de waterkerende functie primair is ten opzichte van de overige functies. Voordat ten behoeve van de secundaire functies gebouwd mag worden dient in verband met de belangen van de waterkering advies te worden ingewonnen bij de beheerder van de waterkering. Dit geldt eveneens voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde.
Hier zijn conform het Bkl geluidregels opgenomen voor geluidbelasting van de activiteiten op 50 meter afstand vanaf het besluitgebied.
De gronden uit het projectgebied liggen binnen de geluidszone van industrieterrein ‘Oostelijke Kanaaloever/Mr. F.J. Haarmanweg Driewegen’ en zijn daarom voorzien van de gebiedsaanduiding ‘geluidszone – industrie 2’. Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen nieuwe geluidsgevoelige functies worden gerealiseerd.
Op diverse bestuurlijke niveaus zijn beleidsuitspraken geformuleerd die relevant zijn voor de ontwikkeling. In dit hoofdstuk zijn deze kort beschreven en getoetst.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Toetsing
De definitieve vestiging van Navimar op deze locatie hangt samen met de realisatie van de Nieuwe Sluis, een ontwikkeling die aansluit bij de opgave "de economie van Nederland verduurzamen en het groeipotentieel behouden". De definitieve vestiging van Navimar op deze locatie is verder van dusdanig kleine schaal dat er de NOVI hier geen beleid over heeft opgenomen.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is één van de vier AMvB's die invulling geven aan de Omgevingswet. Het Omgevingsbesluit regelt onder meer welk bestuursorgaan bevoegd gezag is om een omgevingsvergunning te verlenen, de betrokkenheid van andere bestuursorganen, adviesorganen en adviseurs bij de besluitvorming, procedures en een aantal op zichzelf staande onderwerpen zoals de milieueffectrapportage. Het Besluit activiteiten leefomgeving en het Besluit bouwwerken leefomgeving geven aan, aan welke regels burgers en bedrijven zich moeten houden bij bepaalde activiteiten.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt de inhoudelijke normen voor gemeenten, provincies, waterschappen en het Rijk met het oog op het realiseren van de nationale doelstellingen en het voldoen aan internationale verplichtingen. In het Bkl staan dan ook regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden.
In het Bkl staan instructieregels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels gaan over:
Toetsing
Met behulp van de digitale voorziening 'Regels op de kaart' (Omgevingsloket) is voor het projectgebied bepaald welke gebiedsgerichte instructieregels uit het Bkl voor dit project relevant zijn. Uit raadpleging van 'Regels op de kaart' blijkt dat het projectgebied is gelegen binnen een gebied waar windturbines het radarbeeld kunnen verstoren. Het Bkl stelt binnen dergelijke gebieden regels aan maximale bouwhoogten van windturbines om verstoring van het radarbeeld te voorkomen. Dit project voorziet niet in windturbines en gelet op de bouwhoogten die mogelijk worden gemaakt vormt dit project geen belemmering voor de werking van het nabijgelegen radarstation.
Daarnaast is het projectgebied gelegen in een vrijwaringsgebied water Rijk. Voor deze vrijwaringszone zijn instructieregels opgenomen voor het voorkomen van belemmeringen voor:
Deze regels worden in het omgevingsplan vertaald in de bouwregels.
Voor zover verdere thematische instructieregels uit het Bkl van belang zijn voor dit plan, vindt een afweging van deze instructieregels plaats in Hoofdstuk 4 van deze motivering.
Overige instructieregels uit het Bkl zijn minder relevant voor dit plan, omdat deze ofwel het schaalniveau overstijgen ofwel op een voor dit project onbelangrijk thema betrekking hebben.
De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.
De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050:
De verandering van het klimaat als gevolg van de uitstoot van broeikasgassen heeft ingrijpende gevolgen. De zeespiegel stijgt en weerextremen zoals overvloedige neerslag, lange periodes van hitte en droogte en stormen gaan vaker optreden. Dit resulteert in een groter risico op overstroming, wateroverlast, hittestress en ernstig watertekort/droogte. De gevolgen van klimaatverandering zijn zeker voor Zeeland van belang. Bescherming tegen het water, maar ook het gebruik van het water verdient daarom de continue aandacht. De provincie wil binnen haar mogelijkheden haar bijdrage leveren aan het beperken van het klimaatprobleem; zowel aan de bron als in de gevolgen.
Zeeland wil economische ontwikkeling zo veel mogelijk faciliteren. Goede werk- en bedrijfslocaties zijn daarvoor nodig. Er wordt gestreefd naar een concentratie op bedrijventerreinen, haven- en industrieterreinen. Een verdere toename van het aantal kleinschalige bedrijventerreinen is niet wenselijk. Binnen Zeeland wordt vraag en aanbod van bedrijventerreinen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Hiervoor wordt iedere drie jaar een prognose opgesteld waarin de behoefte voor de volgende 10 jaar wordt bepaald. Deze prognose is een uitgangspunt voor de regionale bedrijventerreinenprogrammering van de gemeenten. Hierin worden regionaal afspraken gemaakt over ontwikkeling, uitbreiding en herstructurering van bedrijventerreinen.
Toetsing
De ontwikkeling bevindt zich in het havengebied van Terneuzen en bied ruimte aan bedrijven die gebonden zijn aan het water en het havengebied. Hiermee maakt het onderdeel uit van een grootschaligere ontwikkeling die aansluit bij het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie.
De regels zoals opgenomen in de Omgevingsverordening Zeeland hebben een directe doorwerking naar ruimtelijke plannen.
Toetsing
In Artikel 5.1 Bedrijven zijn regels opgenomen voor de vestiging van bedrijven. Voor onderliggende ontwikkeling zijn lid 1 en 2 van belang:
Het plan bestaat uit het definitief mogelijk maken van de tijdelijk toegestane vestiging van een bedrijf op deze locatie en de uitbreiding van de (bouw)mogelijkheden hier. Daarnaast is de locatie onderdeel van het haven- en sluizencomplex en ook als zodanig aangewezen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Er worden uitsluitend havengebonden bedrijven toegestaan. Er is dan ook geen sprake van nieuwvestiging maar van een beperkte uitbreiding van de bestaande bedrijfsfunctie. Het plan is dus ook niet in strijd met de doelstelling dat bedrijvigheid in overgrote mate regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan een grootschalig bedrijventerreinbedrijventerrein. Het gaat om de uitbreiding van één bedrijf dat zelf het beheer en onderhoud verzorgd. Aan de inrichting zitten vanuit het Bbl en vanuit het waterschap eisen voor duurzaamheid en de benodigde waterberging waaraan voldaan dient te worden.
De uitbreiding voldoet daarmee aan de Omgevingsverordening Zeeland.
In de Structuurvisie Terneuzen 2025 is op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Terneuzen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2025. De structuurvisie steunt op diverse beleidsdocumenten zoals de Gebiedsvisie Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone en een aantal sectorale notities zoals de Structuurvisie Detailhandel, het wegencategoriseringsplan, het actieplan Economie en de notitie 'Op pad' van de provincie Zeeland, die als bouwstenen hebben gediend.
Bij het opstellen van de structuurvisie is gebruik gemaakt van de zogenaamde lagenbenadering, die de kwaliteiten in een gebied met elkaar in verband brengt. De lagenbenadering wordt gezien als een zorgvuldige methode om ruimtelijke keuzes te onderbouwen.
Toetsing en conclusie
Als onderdeel van het sluizencomplex ligt de planlocatie in een gebied dat is aangewezen als de strategie 'herstructureren'. In deze gebieden zal de hoofdfunctie hetzelfde blijven, maar wordt de kwaliteit en het functioneren van het gebied sterk verbeterd. In de structuurvisie is opgenomen dat elke versteviging van het industrieel-logistiek complex een steviger fundament voor de economie van Terneuzen vormt. Met de herstructurering van het sluizencomplex wordt daaraan een bijdrage geleverd. De definitieve vestiging van Navimar op de beoogde locatie is daarvan een uitwerking. Hierdoor komt er meer ruimte voor functies die bij de entree van de binnenstad van Terneuzen passen op de vertreklocatie. Als onderdeel van de herstructurering van het sluizencomplex sluit de verhuizing van de bedrijven dan ook aan op de doelen uit de structuurvisie.
Figuur 3.1: Visiekaart Structuurvisie Terneuzen 2025
Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).
De beoogde ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11). Dit is een activiteit uit de kolom van Bijlage V van het Ob. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. De mer-beoordeling is opgesteld en opgenomen in Bijlage 1.
Bij een nieuwe ontwikkeling geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit, waarbij wordt getoetst aan de geldende grenswaarden.
Gemeente Terneuzen heeft een voorbereidingsbesluit genomen waarmee ze voorbeschremingsregels vast heeft gesteld met betrekking tot de bodemkwaliteit voor verschillende activiteiten en functies. Onderdeel van deze regels is informatieplicht (artikel 2.1.2). Hierin is opgenomen dat ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik van een locatie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat, een bodemonderzoekte dient te worden aangeleverd.
De beoogde ontwikkeling is op grond van artikel 5.89g van het Bkl een bodemgevoelig gebouw ("een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt, voor zover aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn"). In het verleden zijn verschillende onderzoeken uitgevoerd. Het meest recente onderzoek stamt uit 2016: Verkennend bodemonderzoek Goese Kade - Nieuwe Sluis, locatie Buitenhaven 7a Terneuzen, Adviesburo Colsen, projectnummer: 000811 d.d.d 8 december 2016. Voor de uitbreiding is een historisch onderzoek verricht. Dit onderzoek is te vinden in Bijlage 2. Uit dit onderzoek blijkt dat de bodemkwaliteit ter plaatse van het projectgebied ten opzichte van 2016 niet verslechterd is. Nader onderzoek is om deze reden niet noodzakelijk. De bodemkwaliteit is voldoende voor de ontwikkeling.
De ontwikkeling draagt voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde ontwikkeling.
Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst.
Het besluitgebied ligt niet in het beheersgebied van Waterschap Scheldestromen. In het kader van de tijdelijke vergunning voor de vestiging van Navimar is een watertoets gedaan.
Tabel 4.1 Watertoets
| Thema | Waterdoelstelling | Uitwerking | |
| Veiligheid | Waarborgen van de waterveiligheid | Ten opzichte van de huidige situatie is er geen sprake van relevante veranderingen voor de waterveiligheid. | |
| Waterkering | Niveau en daarvoor benodigde ruimte. | De bestaande waterkering wordt aangepast naar een kade, zonder dat hierbij de functionaliteit aangetast wordt. | |
| Wateroverlast | Voldoende ruimte voor vasthouden/ bergen/ afvoeren van water. | Het verhard oppervlak neemt ten opzichte van de huidige situatie toe met 1.600 m² (dakoppervlak 1.210 + verharding van naastgelegen terrein). Overlast vanwege hemelwater wordt niet verwacht omdat het water direct naar het naastgelegen kanaal kan wegstromen. Voor lozing op het kanaal is een vergunning nodig. | |
| Riolering | Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken. | Is niet aan de orde. | |
| Volksgezondheid | Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. | Bij de beoogde ontwikkeling is geen sprake van de aanleg van nieuw oppervlaktewater, waardoor op het gebied van volksgezondheid geen negatieve consequenties zijn te verwachten. | |
| Bodemdaling | Voorkomen van maatregelen die (extra) maaivelddalingen met name in zettingsgevoelige gebieden kunnen veroorzaken. |
Is niet aan de orde. | |
| Grondwateroverlast | Tegengaan/Verhelpen van grondwateroverlast. | Is niet aan de orde. | |
| Grondwaterkwaliteit | Behoud/Realisatie van een goede grondwaterkwaliteit voor mens en natuur. | Er wordt niet gebouwd in een natuurgebied, infiltratiegebied en/of gebied voor drinkwatervoorziening. | |
| Verdroging/natte natuur |
Bescherming karakteristieke grondwaterafhankelijke ecologische waarden; met name van belang in/ rond natuurgebieden. Ontwikkeling/Bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur. | Verdroging is niet aan de orde. | |
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve consequenties voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse heeft.
Gebiedsbescherming
Voor het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
Natura 2000-gebieden
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Soortenbescherming
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de omgevingsplanactiviteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig.
De uitkomst van het onderzoek kan aanleiding geven tot een vergunningplicht. De vergunningplicht is geregeld in het Bal, in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning).
Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
Gebiedsbescherming
Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe ligt op 1,8 kilometer (zie Figuur 4.1). Het projectgebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Zeeland. Wel grenst het projectgebied aan een onderdeel van Natuurnetwerk Zeeland (zie Figuur 4.2).
Figuur 4.1 projectgebied t.o.v. Natura 2000-gebieden
Figuur 4.2 projectgebied t.o.v. Natuurnetwerk Zeeland
Om te onderzoeken wat de effecten van het project op aanwezige natuurwaarden is, is een zogenoemde 'quick scan' natuurwaarden uitgevoerd, waarin tevens de effecten de ontwikkeling op omliggende NNZ en Natura-2000 gebieden is onderzocht. Deze quickscan is opgenomen in Bijlage 3 bij deze motivering. De conclusies uit deze quickscan voor het onderdeel gebiedsbescherming zijn de volgende:
Natuurwetwerk Nederland
Het project gaat niet ten koste van de oppervlakte van NNN-gebied. Gezien de aard van het gebruik van het bedrijventerrein Goessekade en de korte duur van (eventuele) aanleg-, rooi-, sloop- en bouwwerkzaamheden, kunnen negatieve effecten van het project op de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden in de omgeving redelijkerwijs worden uitgesloten. Dit geldt ook voor NNN-gebied Westelijke Rijkswaterleiding, waarvan het besluitgebied binnen de ‘afwegingszone’ van 100 m valt.
Natura 2000-gebieden
Significant negatieve effecten van het project op kwalificerende soorten en beschermde habitats van Natura 2000-gebieden in de ruime omgeving kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Er is geen sprake van een Natura 2000-activiteit en het aanvragen van een vergunning is niet nodig.
Stikstof
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is gekeken naar de effecten op Natura 2000-gebieden. Voor het onderzoeken van de mogelijke effecten op het nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied voor de realisatiefase en gebruiksfase zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd (zie Bijlage 4). Uit de berekeningen blijkt dat geen sprake is van rekenresultaten die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr voor de realisatiefase en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling.
Soortenbescherming
Om te onderzoeken wat de effecten van het project op aanwezige soorten is, is een zogenoemde 'quick scan' natuurwaarden uitgevoerd. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 3 bij deze motivering. De conclusies uit deze quickscan voor het onderdeel soortenbescherming zijn de volgende:
Zoogdieren
Significant negatieve effecten van het project op leefgebied, rust- of voortplantingslocaties van (al dan niet wettelijk beschermde) kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten, mits wordt gewerkt conform het ecologisch werkprotocol voor de haas en het konijn.
Vogels
Significant negatieve effecten van het project op leefgebied, rust- of voortplantingslocaties van (al dan niet wettelijk beschermde) vogels kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten onder de volgende voorwaarde: kap en rooiwerkzaamheden moeten worden uitgevoerd in de periode 15 augustus-1 maart (dus buiten het broedseizoen). Met inachtneming van het ecologisch werkprotocol is er geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming.
Amfibieën
Significant negatieve effecten van het project op leefgebied, rust- of voortplantingslocaties van de kamsalamander en rugstreeppad zijn redelijkerwijs uit te sluiten. Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Deze soort ontbreken in het projectgebied.
Ongewervelde dieren
Significant negatieve effecten van het project op leefgebied, rust- of voortplantingslocaties van (al dan niet wettelijk beschermde) vlinders, libellen en overige ongewervelde dieren kunnen redelijkerwijs worden uitgesloten. Er komen geen wettelijk beschermde soorten voor.
Planten
In het projectgebied komen geen wettelijk beschermde plantensoorten voor. Er is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig. Invasieve en ‘lastige’ planten ontbreken in het projectgebied.
Houtopstanden
Omdat het bij dit project gaat om het vellen van populieren als beplanting langs een waterweg, is er voor deze bomen geen sprake van een meldingsplicht, noch van een herbeplantingsplicht.
De ontwikkeling is niet in een natuur- of groengebied met een beschermde status gelegen. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast. Daarnaast is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming. Het aanvragen van een vergunning is niet nodig, wel dient te worden gewerkt met een werkprotocol voor de haas, het konijn en broedvogels.
Voor het toelaten van activiteiten, anders dan die zijn genoemd in artikel 5.50 en 5.51 Bkl, bevat het Bkl geen instructieregels. In die gevallen zal de gemeente moeten beoordelen of de luchtkwaliteit bij de toe te laten activiteit aanvaardbaar is. De Omgevingswet bepaalt immers dat bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Ow). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar inwoners (artikel 2.1 en 2.4 Ow).
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Het projectgebied bevindt zich niet de in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof.
Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Westkade. Uit de kaart blijkt dat in 2022 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de omgevingswaarden (genoemd in Artikel 22.3 van het Bkl) lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2022; 15,6 µg/m³ voor NO2, 14,9 µg/m³ voor PM10 en 7,5 µg/m³ voor PM2,5.
In de onderstaande tabel wordt getoetst of voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden. Dit is gedaan door de maximale planbijdrage toe te voegen bij de achtergrondconcentraties. Voor de maximale planbijdrage is de NIBM-tool ingevuld (zie Tabel 4.1). Door de ontwikkeling is sprake van een verkeerstoename van 84 mvt/etmaal. Hiervan is 12% vrachtverkeer. Als jaar van planrealisatie is 2024. Uit NIBM-tool blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstofdioxide in de lucht van 0,10 µg /m³ van stikstofdioxide en van fijnstof van 0,02 µg /m³.
Tabel 4.1 Nibm-tool resultaten
Tabel 4.2 toetsing aan de WHO-advieswaarden
| Stofcategorie | Maximale projectbijdrage (µg/m3) volgens CIMLK-viewer |
Hoogste achtergrond concentratie (µg/m3) 2030 (Westkade) |
Maximaal optredende concentratie (µg/m3) |
WHO-advieswaarden (µg/m3) |
|||
| NO2 | 0,10 | 17,7 | 17,8 | 10 | |||
| PM10 | 0,02 | 15 | 15,02 | 15 | |||
| PM2,5 | 0,02 | 7,5 | 7,52 | 5 | |||
Uit tabel 4.2 blijkt dat niet voldaan wordt aan de WHO-advieswaarden. De maximale planbijdrage is nihil. Zonder de beoogde ontwikkeling werd ook niet voldaan aan de WHO-advieswaarden. Er wordt echter wel voldaan aan de omgevingswaarden. De luchtkwaliteit is om deze reden wel aanvaardbaar.
Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het is niet nodig regels op te nemen voor het aspect luchtkwaliteit.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Planologisch relevante leidingen zijn:
Er zijn geen relevante kabels of leidingen in de omgeving van het projectgebied.
Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. In figuren 4.3 - 4.5 zijn uitsneden van de drie kaartenbladen voor het beoogde projectgebied weergegeven inclusief legenda. Hierna wordt per kaartblad uitgelegd welke strategie voor de locatie geldt.
Figuur 4.3 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud' met projectgebied in rood
Figuur 4.4 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud door ontwikkeling' met projectgebied in rood
Vernieuwing mogelijk: in het projectgebied is de strategie gericht op herstructureren. De hoofdfunctie is goed, maar de kwaliteit hiervan kan worden verbeterd.
Figuur 4.5 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Vernieuwing mogelijk' met projectgebied in rood
Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig. Op grond van dezelfde waardenkaart valt de locatie niet binnen één van de strategieën van de structuurvisie om cultuurhistorische waarden te behouden of te beschermen. Wel ligt de locatie binnen een gebied waar verbreding wenselijk is en is tevens aangewezen als onderdeel van de strategie herstructureren. Het planvoornemen sluit aan op deze strategieën als onderdeel van de herstructurering van het havengebied door de realisatie van de Nieuwe Sluis.
Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Zeeland
De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.6 is te zien dat er ten zuiden van het projectgebied een historische dijk aanwezig is geweest: de Wulpenbek die toebehoorde aan de Vlooswijkpolder uit 1608, de dijk is niet meer aanwezig.
Voor het overige zijn in de directe omgeving geen historisch waardevolle elementen aanwezig waar de ontwikkeling invloed op kan hebben.
Figuur 4.6 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, projectgebied in rood (bron: geoweb provincie Zeeland)
Gemeentelijk archeologiebeleid
Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (omgevingsplan) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld.
In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling van archeologisch onderzoek verleend tot 100 m2 en een reeds verstoorde diepte van 0,5 meter voor de zogenaamde kruimelgevallen.
Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen, ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd.
Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als:
Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Voor de duidelijkheid is dit schema ook opgenomen in de bijlage 1 bij deze toelichting. Ook als er wel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is niet altijd archeologisch onderzoek nodig. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend.
Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing.
Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoek(srapport). De vrijstellingenkaart wordt in het omgevingsplan gekoppeld aan gebiedsaanwijzingen voor archeologie. De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd.
Het archeologiebeleid is in het tijdelijk deel van het omgevingsplan verwerkt. In het omgevingsplan is, voor zover dat op grond van dat beleid nodig is, een regeling ter bescherming van mogelijk aanwezige verwachtingswaarden opgenomen waaraan een nieuwe bouwactiviteit met bodemverstorende werkzaamheden moeten worden getoetst.
Stap 1. Toets bevoegd gezag
In de eerste stap van de toets wordt aan de hand van een tweetal opeenvolgende vragen bepaald wie de bevoegde overheid is.
Met de constatering dat de gemeente vanzelf wel een keer bevoegde overheid wordt, kan worden doorgegaan naar stap 2.
Stap 2: Vrijstellingsregeling
In de tweede stap wordt bepaald of er sprake is van vrijstelling van archeologisch onderzoek. Vrijstelling kan worden verleend als aan een van de drie volgende voorwaarden kan worden voldaan.
De eerste twee vrijstellingscriteria zijn niet van toepassing. Om te bepalen of het derde criterium van toepassing is, moet eerst stap 3 worden doorlopen.
Stap 3: Toets onderzoeksplicht indien de gemeente bevoegd gezag is
In de derde stap worden aantal bronnen geraadpleegd om te bepalen of er alsnog sprake is van een onderzoeksplicht. Achtereenvolgens zijn dit de AMK, de IKAW, Archis/ZAD en de geologische kaart van Zeeuws-Vlaanderen uit 1977. Elke keer als een bron niet leidt tot onderzoek, wordt een volgende geraadpleegd.
Figuur 4.7 Ligging projectgebied (rood) op een uitsnede Geologische kaart van Rummelen, 1977
Uit de toetsing aan de geologische kaart volgt dat een onderzoeksplicht geldt bij ingrepen groter dan 1.000m².
Vrijstellingsdiepte
Uit raadpleging van de gemeentelijke vrijstellingen kaart blijkt dat de vrijstellingendiepte ter plaatste 4 m bedraagt.
Figuur 4.8 Uitsnede vrijstellingenkaart gemeente Terneuzen met daarin het projectgebied blauw omkaderd (bron: Vrijstellingenkaart gemeente Terneuzen, 2017)
Bij toekomstige ontwikkelingen geldt voor een deel van het projectgebied een onderzoeksplicht bij ingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 4 m -mv . Hier zal, wanneer de vrijstellingsdieptes worden overschreden, voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning, eerst archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. Voor de beoogde bouw van de loods lijkt vooralsnog geen sprake van een overschrijding van de onderzoeksgrenzen.
Verkeersgeneratie
Navimar is een specifiek bedrijf dat zowel klanten op afstand bediend als bezoekers ontvangt, maar ook een relatief grote opslag ruimte heeft. Daardoor kan geen gebruik gemaakt worden door de normen uit het CROW. Door Navimar zijn de volgende verkeersgegevens aangeleverd voor de huidige inrichting:
Klanten beleveren + service: 40 mvt/etmaal
Bezoekende klanten: 10 mvt/etmaal
Leveranciers: 10 mvt/etmaal (vrachtauto)
Eigen vervoersbewegingen: 10 mvt/etmaal
Woon-werkverkeer: 14 mvt/etmaal
Dit betekent 84 mvt/etmaal waarvan circa 12% vrachtverkeer.
Met deze uitbreiding worden de mogelijkheden uitgebreid, zo wordt circa 2x zoveel bebouwing toegestaan. Omdat de verkeersgeneratie voor bedrijven op basis van het CROW aan de hand van het aantal m² bvo berekent wordt, gaan we hier in deze situatie ook van uit. Daarom gaan we uit van een verdubbeling van het aantal vervoersbewegingen, in de praktijk zal dit naar verwachting lager liggen. We gaat uit van 100% toename verkeer ten opzichte van de huidige situatie (worst case). Dit betekent 84*1,5 = 126 mvt/etmaal en 15 mvt/etmaal vrachtwagens (12%).
Verkeersafwikkeling
De locatie bevindt zich aan de Goessekade. De Goessekade heeft een directe aansluiting op de Buitenhaven via een bestaande kruising. Vanaf waar de N252 (gebiedsontsluitende weg 80 km/u) richting de N62 opgedraaid kan worden. De bestaande verkeersintensiteit en de uitbreiding passen binnen de maximale capaciteit van het type weg en het invoeging van het verkeer op de Buitenhaven leidt niet tot problemen.
Parkeerbehoefte
Voor de beoogde ontwikkeling is de parkeerbehoefte berekend volgens de parkeernormen die zijn opgenomen in de Parkeernota Terneuzen 2023-2033.
Parkeerbehoefte
Het bedrijf is op basis van de aanleverde verkeersgegevens vergelijkbaar met een arbeidsintensief en bezoekers extensief bedrijf. In de Parkeernota Terneuzen 2023-2033 is een parkeernorm van 1,05 pp per 100 m² opgenomen voor arbeidsintensieve / bezoekersextensieve bedrijven.
Dit betekent bij een bvo van 2.090 m² een parkeerbehoefte van 22 pp. Er is voldoende ruimte op eigen terrein om in deze behoefte te voorzien.
In het omgevingsplan is een regel opgenomen dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid op basis van de parkeernormen uit de parkeernota van gemeente Terneuzen. Daarmee is verzekerd dat in voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.
Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol:
In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat een gemeente het toelaten van activiteiten die geluid veroorzaken of het toelaten van geluidgevoelige gebouwen waarop geluid wordt veroorzaakt, alleen mogelijk kan maken na een belangenafweging en een goede motivering. Dit vergt dus een goede onderbouwing in de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Hiervoor dient bekend te zijn welke activiteiten geluid veroorzaken en wat de optelsom is van dit geluid op een geluidgevoelig gebouw.
Daarnaast zal het omgevingsplan moeten waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Dit kan door de standaardwaarden voor het toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw en grenswaarden voor het toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan op te nemen.
Door Stantec is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting vanwege het bedrijf Navimar. De resultaten zijn opgenomen in bijlage 5. Uit het onderzoek blijkt dat Navimar op 50 meter afstand kan voldoen aan de standaardwaarden uit tabel 5.65.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Dit betekent dat op grond van 5.78b, tweede lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, de activiteiten die door Navimar worden uitgevoerd, niet worden gezien als activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken. Om dit te borgen is in de regels vastgelegd dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van een activiteit binnen het besluitgebied op een afstand van 50 meter vanaf de begrenzing van het besluitgebied niet meer bedraagt dan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving.
De dichtstbijzijnde woningen liggen op een afstand van meer dan 300 meter. Ook op deze woningen kan derhalve worden voldaan aan de standaardwaarden.
Geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
De activiteiten die bij Navimar worden uitgevoerd zijn geen activiteiten die in aanzienlijke mate geluid veroorzaken. Er hoeven geen regels te worden opgenomen voor industrieterreinen.
Het bedrijf is geen geluidgevoelige functie. Voor indirecte effecten vanwege veranderend verkeer geldt de “1,5 dB-toets”, wat neerkomt op een verkeerstoename van 40%. Dit is voor de ontwikkeling niet aan de orde.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is geen belemmering voor de ontwikkeling.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Bij het mogelijk maken van een ontwikkeling spelen vaak veiligheidsrisico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Maar in het Bkl is het risicobegrip breder: er zal gemotiveerd moeten worden dat bij risico's van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van:
Bedrijven zijn beperkt kwetsbare gebouwen conform bijlage Vl Artikel 5.3 van het Bkl. In het projectgebied worden enkel beperkt kwetsbare gebouwen en locaties toegestaan.
Uit de informatie op de risicokaart (www.atlasleefomgeving.nl) blijkt dat het projectgebied zich binnen het brandaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied van het water bevindt. Ook bevindt het projectgebied zich in het gifwolkaandachtsgebied van Dow. Het bedrijf bevindt zich in de huidige situatie ook binnen deze aandachtsgebieden. In de beoogde situatie neemt het aantal personen niet toe. Het aantal personen blijft dus gelijk. Om deze reden heeft de beoogde ontwikkeling geen invloed op het groepsrisico.
In het projectgebied bevinden zich geen PR 10-6 contouren van risicobronnen van bedrijven en transportmodaliteiten (weg, spoor, vaarweg en buisleidingen).
Daarnaast heeft de veiligheidsregio advies uitgebracht, zie Bijlage 6. Samengevat staat in het rapport het volgende:
De ontwerptekeningen worden ter goedkeuring voor gelegd aan de brandweer.
Bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid
Voor de volledigheid wordt kort ingegaan op de bestrijdbaarheid van calamiteiten binnen het projectgebied, de bereikbaarheid van het projectgebied en de zelfredzaamheid van personen binnen het projectgebied. Omdat er in de huidige situatie al rekening is gehouden met de ligging binnen de aandachtsgebieden, wordt geen aandacht besteed aan de bestrijdbaarheid aan de risicobron zelf, aangezien de bestrijdbaarheid afhankelijk is van het ongevalscenario. Het is niet nodig om bouweisen te stellen vanwege een omgevingsveiligheidsrisico.
De bereikbaarheid van het project voor hulpdiensten is goed. De locatie is goed bereikbaar voor de hulpdiensten. De locatie ligt in een bestaande buurt waar reeds voldoende bluswatervoorzieningen beschikbaar zijn. Er wordt gezorgd voor een vrijgemaakte opstelplaats langs het kanaal waardoor de brandweer binnen afzienbare tijd water uit het kanaal kan halen. Deze opstelplaats zal herkenbaar en altijd te bereiken zijn.
In het projectgebied worden enkel beperkt kwetsbare objecten en beperkt kwetsbare locaties mogelijk gemaakt (uitgesloten zijn kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen). Kinderen en verminderd zelfredzame personen worden niet verwacht binnen het projectgebied. De aanwezigen zijn normaal gesproken in staat om zelfstandig conform instructies bijvoorbeeld via NL-Alert of het Waarschuwings- en Alarmeringssysteem (WAS) te handelen. Vanwege de ligging is het goed mogelijk om te vluchten, weg van de calamiteit. Het projectgebied kan vanuit het noorden, zuiden en westen ontvlucht/betreden (hulpdiensten) worden.
Het aspect omgevingsveiligheid is geen maatgevend aspect voor de evenwichtige toedeling van functies. Er zijn geen voorschriften en geen regels nodig voor dit aspect mits rekening wordt gehouden met het advies van de veiligheidsregio.
Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid / toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
Gezondheid is een containerbegrip waar veel thema's samenkomen. Het gaat hierbij om thema's die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals geluid, geur en bodem die van invloed kunnen zijn op de gezondheid. De beoogde ontwikkeling is geen geluid- en geurgevoelig gebouw. Uit de paragraaf 'luchtkwaliteit' blijkt dat aan de omgevingswaarden en WHO waarden voor stikstofdioxide en fijnstof voldaan wordt en dat de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
Toetsing
Het Bkl geeft geen uitsluitsel wanneer een ontwikkeling moet worden gezien als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Geldende jurisprudentie onder de voormalige Wet ruimtelijke ordening/Besluit ruimtelijke ordening is vanaf 12 woningen, een functiewijziging met een oppervlak groter dan 500 m² bvo, meer dan 500 m² bvo toevoeging bebouwing, of een functie die gelet op de ruimtelijke uitstraling een stedelijke ontwikkeling is. Leegstand mag volgens jurisprudentie niet 'onaanvaardbaar' zijn.
Met de ontwikkeling wordt maximaal 3.000 m² extra bebouwing toegestaan ten opzichte van het geldende omgevingsplan en circa 1.250 m² ten opzichte van de verleende (tijdelijke) vergunning. Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Deze extra bebouwing is regionaal afgestemd en opgenomen in het regionale bedrijventerreinenprogramma. Het gaat om de verplaatsing van een bedrijf dat verbonden is met de haven van Terneuzen en daarvoor tevens een locatie aan het water nodig heeft. Een locatie elders op een bedrijventerrein is dan ook niet mogelijk. De ontwikkeling voorziet hiermee in een behoefte.
Gemeente Terneuzen hanteert voor niet-gesprongen explosieven (NGE) het Historisch Vooronderzoek met NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018. De bedoelde locatie aan de Goessekade in Terneuzen valt in relatie tot NGE niet in een aangemerkt risicogebied. Onderzoek naar conventionele explosieven is daarom niet nodig.
In geval er t.z.t. ter plaatse alsnog munitie wordt aangetroffen, wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol 'Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog'.
Ten aanzien van deze ontwikkeling zijn de relevante omgevingsaspecten getoetst in de paragrafen 4.1 tot en met 4.13. In tabel 4.3 zijn de overige omgevingsaspecten getoetst.
Tabel 4.3 Overige omgevingsaspecten
| Omgevingsaspect | Toetsing |
| Welstand | Dit aspect is niet van toepassing. |
| Geur | Dit aspect is niet van toepassing. |
| Trilling | Dit aspect is niet van toepassing. |
| Schaduwhinder en windhinder | Dit aspect is niet van toepassing. |
| Duurzaamheid | Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. BENG staat voor Bijna Energieneutrale Gebouwen. Deze gelden ook voor het voorziene nieuwe bedrijfsgebouw. Voor het overige gaat het om een zeer beperkte ontwikkeling. |
| Spuitzones | Dit aspect is niet van toepassing. |
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de overige omgevingsaspecten niet zorgen voor nadelige gevolgen.
Indien een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe kostenverhaalplichtige activiteiten mogelijk maakt is kostenverhaal aan de orde. Kostenverhaalplichtige activiteiten zijn opgenomen in artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit. De bouw van één of meer gebouwen met een woonfunctie behoort tot de kostenverhaalplichtige activiteiten. Op grond van artikel 13.12 Ow is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd.
Op grond van artikel 8.14 kan het bevoegd gezag beslissen van het kostenverhaal af te zien. Dit kan in drie gevallen, namelijk als het totaal van de verschuldigde kosten minder dan € 10.000,- bedraagt, er geen verhaalbare kosten bouwrijp maken zijn (als bedoeld in de onderdelen A5 tot en met A9 van bijlage IV) of de verhaalbare kosten alleen de aansluiting van een locatie op de openbare ruimte of de aansluiting op nutsvoorzieningen betreffen.
De gemeente is in deze initiatiefnemer. Regels met betrekking tot kostenverhaal in het TAM-omgevingsplan zijn om deze reden niet noodzakelijk.
Bij de procedure van een TAM-omgevingsplan wordt een ieder in de gelegenheid gesteld om tegen het ontwerp TAM-omgevingsplan een zienswijze in te dienen. Na vaststelling van het TAM-omgevingsplan staat enkel nog beroep open.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 3 en 4.
Getoetst is aan relevante omgevingsaspecten. Hieruit is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels en het beleid. Dit betekent dat het project bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Wel dient rekening gehouden te worden met de aanwezig beschermde soorten, dit kan door te werken met een ecologisch werkprotocol. Dit is een voorwaarde voor de ontwikkeling van de bebouwing aan de zuidzijde van het projectgebied.