| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f 'Axelse Vlakte, Industrieweg-Zuid 23' |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0715.TAMAXVL13-VG01 |
L.J. Guiljam Onroerendgoed B.V. (initiatiefnemer) is voornemens om op het perceel Industrieweg-Zuid 23 te Westdorpe een bedrijf te realiseren. Initiatiefnemer heeft momenteel 2 van de 3 vestigingen in het buitengebied. Dit zorgt voor onnodige verkeersoverlast, alsmede ongewenste reistijd van onder andere de medewerkers. Daarom wil initiatiefnemer het bedrijf verplaatsen naar een centrale locatie op het bedrijventerrein Axelse Vlakte.
Op basis van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Terneuzen, de beheersverordeningen ‘Axelse Vlakte’ en ‘Axelse Vlakte 1e wijziging’, is de realisatie van een bedrijf niet mogelijk. Om de gewenste ontwikkeling te realiseren moet het tijdelijke deel van het omgevingsplan worden gewijzigd om het initiatief mogelijk te maken. Met de gemeente Terneuzen is afgesproken dat er voor deze ontwikkeling een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld en dat daarbij gebruik wordt gemaakt van TAM-IMRO.
Vanwege de onzekerheden rondom het DSO is de mogelijkheid gecreëerd om tot eind 2025 via de Wro-standaarden een ontwerp van het omgevingsplan te publiceren, TAM-IMRO ('Tijdelijke Alternatieve Maatregelen – Informatiemodel Ruimtelijke Ordening') genaamd. De wijziging van het omgevingsplan kan worden gemaakt in de software voor bestemmingsplannen en wordt gepubliceerd via de IMRO standaarden. Inhoudelijk moet dit plan voldoen aan de Omgevingswet.
Opzet juridische regeling
De regels van het TAM-omgevingsplan worden opgesteld in de huidige software. Voor de opbouw wordt aangesloten bij de geldende bestemmingsplannen in de gemeente Terneuzen (de bestemmingsplanvariant van de TAM-IMRO), maar er worden regels toegevoegd zodat duidelijk is dat het plan onderdeel is van het gemeentebrede omgevingsplan en het toepassingsbereik wordt weergegeven. Er wordt niet meer gesproken van bestemmingen, maar van functies en activiteiten. Dit is ook terug te zien op de verbeelding. Ook zullen er voorrangsbepalingen en verwijzingen worden opgenomen om de relatie met de andere regels uit het omgevingsplan (hoofdstuk 22 De bruidsschat) te duiden. In de motivering wordt onderbouwd dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Het TAM-omgevingsplan wordt gepubliceerd via ruimtelijkeplannen.nl en wordt via de overbruggingsfunctie getoond in het Omgevingsloket (DSO).
Het TAM-omgevingsplan moet voor 2032 worden omgezet naar het gemeentebrede omgevingsplan in de software van de gemeente en het moet dan voldoen aan de standaarden voor het omgevingsplan (STOP/TPOD) door middel van een wijziging van het omgevingsplan. Voor deze wijziging wordt een nieuw besluit genomen. Het ministerie van BZK heeft de intentie uitgesproken om in de wet- en regelgeving vast te leggen dat regels in het STOP omgevingsplan, die inhoudelijk gelijk zijn aan het TAM-IMRO plan, niet opnieuw appellabel worden bij het overbrengen. De wijze waarop en de voorwaarden waaronder dit mogelijk is worden momenteel uitgewerkt.
Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels en een kaart (inclusief bijlagen). De motivering dient als onderbouwing van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en het project nader beschreven. Ook wordt hier nader ingegaan op de relatie en strijdigheden met het omgevingsplan. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het relevante beleid op nationaal, regionaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de omgevingsaspecten. Afgesloten wordt met hoofdstuk 5 waarin de focus ligt op de aspecten economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid. Tot slot is in hoofdstuk 6 getoetst aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Het projectgebied bevindt zich op industrieterrein Axelse Vlakte ten oosten van het kanaal Gent-Terneuzen. Het perceel wordt omgeven door de Industrieweg-Zuid en de Finlandweg. Het perceel staat kadastraal bekend als SAS00-M-1798, SAS00-M-398, SAS00-M-1048, SAS00-M-1047, SAS00-M-396. Het projectgebied heeft een omvang van circa 60.000 m2. Op figuur 2.1 is de locatie aangeduid.
Figuur 2.1 Ligging projectgebied, rood omkaderd (Bron: Luchtfoto Nederland, bewerking Rho adviseurs)
Initiatiefnemer heeft het voornemen om de activiteiten van het bedrijf Geldof die nu op het perceel Lovenpolderstraat 14 plaatsvinden, te verplaatsen naar het perceel Industrieweg-Zuid 23. Deze activiteiten bestaan in hoofdzaak uit:
Geldof heeft twee locaties; Lovenpolderstraat 14 Hoek en Kleverskerkseweg 22 Middelburg. Op beide locaties gebeuren dezelfde activiteiten, zoals hierboven beschreven. De locatie Middelburg blijft gehandhaafd.
Op de locatie aan de Industrieweg-Zuid staan een vervallen woning en schuur. De rest van het projectgebied betreft een groot braakliggend terrein. Het projectgebied is ten westen en ten oosten omgeven door industrie. De noordzijde wordt begrensd door de Industrieweg-Zuid en aan de zuidzijde door de Finlandweg. Ten zuiden bevindt zich een kassencomplex en ten noorden ligt een zijkanaal van het kanaal Gent-Terneuzen.
Figuur 2.2 Projectgebied gezien vanaf de Finlandweg (Bron: Google Maps, d.d. juni 2024)
Figuur 2.3 Projectgebied gezien vanaf de oostzijde (Bron: Goolge Maps, d.d. juni 2024)
Figuur 2.4 Project gezien vanaf de overzijde van het zijkanaal van kanaal Gent-Terneuzen (Bron: Goolge Maps, d.d. juni 2024)
Op grond van artikel 4.6 van de Invoeringswet Omgevingswet zijn alle op 1 januari 2024 geldende bestemmingsplannen (en alle bestemmingsplannen die nog in procedure zijn en die straks nog onherroepelijk worden) van rechtswege één omgevingsplan geworden. De regels zelf zijn dus niet gewijzigd, maar formeel bestaan bestemmingsplannen niet meer.
Het omgevingsplan is in te zien via Regels op de kaart in het Omgevingsloket (www.omgevingswet.overheid.nl). Hier vind je de van rechtswege in het omgevingsplan opgegane bestemmingsplannen en de vanuit de wet gekregen 'bruidsschat'. Dat zijn de bouw- en milieuregels die voorheen landelijk golden, maar die het Rijk voortaan over laat aan de gemeente.
Volgens het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn op het besluitgebied de volgende beheersverordeningen/bestemmingsplannen van toepassing, namelijk:
Axelse Vlakte
In de beheersverordening 'Axelse Vlakte' heeft het projectgebied de bestemming Agrarisch, bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven, aan de bestemming ondergeschikte extensieve dagrecreatie met bijbehorende kleinschalige dagrecreatieve voorzieningen en de bij deze functie behorende voorzieningen, zoals groenelementen, laad- en losvoorzieningen, nutsvoorzieningen, (natuurvriendelijke) oevers, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. In het noorden heeft het projectgebied de bestemming Verkeer, bestemd voor wegen, straten en paden, spoorwegen, voet- en fietspaden, groenvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen en de bij deze functie behorende voorzieningen, zoals geluidswerende voorzieningen, ondergrondse faunapassages en de daarbij behorende voorzieningen, bruggen en viaducten, parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, verkeersgeleiding en signalering en informatievoorziening en reclame-uitingen.
Daarnaast geldt de dubbelbestemming Waarde - Archeologie ter bescherming van de mogelijke aanwezige archeologische waarden, de dubbelbestemmingen Vrijwaringszone - Dijk en Waarde - Beschermde Dijken ter bescherming van de dijk en de gebiedsaanduiding Geluidzone Industrieterrein Sluiskil-Oost/Stroodorpe-Oost ten behoeve van het gezoneerde industrieterrein Sluiskil-Oost/Stroodorpe-Oost en de gebiedsaanduiding Geluidzone industrieterrein Axelse Vlakte II ten behoeve van het gezoneerdeindustrieterrein Axelse Vlakte II.
Figuur 2.5 Uitsnede beheersverordening 'Axelse Vlakte' (bron: omgevingswet.overheid.nl/regels-op-de-kaart)
Ter plaatse van het besluitvak 'Agrarisch' is het niet toegestaan om een aannemersbedrijf te realiseren.
Initiatiefnemer wil een bedrijf vestigen op het perceel Industrieweg-Zuid 23 in Westdorpe. Initiatiefnemer heeft momenteel 2 van de 3 vestigingen in het buitengebied. Dit zorgt voor onnodige verkeersoverlast, alsmede ongewenste reistijd van onder andere de medewerkers. Het perceel aan de Industrieweg-West 23 is uitstekend bereikbaar vanaf de N62. Het verplaatsen van de activiteiten is dit niet alleen een impuls voor het bedrijf zelf, maar echter ook zeer zeker voor de omgeving van de huidige locaties.
Initiatiefnemer heeft het voornemen om in de zuidoosthoek van het projectgebied een kantoor te realiseren met aansluitend een werkplaats en een ruimte voor opslag van materiaal ten behoeve van de bedrijfsvoering. Daarnaast zal op de locatie zand, grond, puin en stenen opgeslagen worden.
De aanwezige deels ingestorte woning wordt verwijderd. Het braakliggend terrein wordt gebruikt voor opslag van grond. Hiervoor wordt een vloeistofdichte vloer aangelegd. De (gedeeltelijk) vloeistofdichte vloer is voorzien om grond, waarvan de milieu hygiënische klasse nog niet bekend is, tijdelijk op te kunnen slaan voor grondkeuring. Gezien de ervaringen op de huidige locatie, perceel Lovenpolderstraat, is de reële verwachting dat er zeer minimaal sprake zal zijn van stofontwikkeling. Mocht in het uiterste geval hiervan wel sprake zijn, dan zal deze, gezien de urgentie voor de omgeving, bestreden worden middels het sproeien van water.
Aan de westzijde wordt het perceel afgeschermd met een nog te realiseren groenstrook. Het voornemen is om in de zuidoosthoek waterberging te realiseren. Aan de noordkant van het projectgebied, liggend aan zijkanaal C van het kanaal Gent-Terneuzen, is het voornemen om een kademuur te bouwen voor de aanleg van schepen. Hiervoor is overleg gevoerd met North Sea Port. In figuur 2.6 is een ontwerpschets weergegeven van het plan.
Naar verwachting worden er ook zonnepanelen en een laadstation gerealiseerd om het bedrijf zo energieneutraal mogelijk te maken.
Figuur 2.6 Ontwerpschets beoogde ontwikkeling (Bron: Gilde-Infra)
Het projectgebied is voorzien van de functie 'Bedrijf'. Hier zijn bedrijven tot en met de categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten toegestaan. Dit sluit aan bij de naastgelegen percelen. Een aannemersbedrijf, de opslag van grond en het breken van puin tot 15.000 ton per jaar, vallen binnen categorie 4.2.
Met de 'Waarde - Beschermde dijk' zijn de waardevolle dijken vastgelegd. Dit geldt voor het noordelijke deel van het projectgebied.
De gronden uit het projectgebied liggen binnen de geluidszone van industrieterrein 'Sluiskil-Oost/Stroodorpe-Oost' en 'Axelse Vlakte II en zijn daarom voorzien van de gebiedsaanduiding ‘Geluidzone Industrie’. Ter plaatse van deze aanduiding mogen geen nieuwe geluidsgevoelige functies worden gerealiseerd.
De gronden uit het projectgebied liggen deels binnen de 'Vrijwaringszone - Dijk'. Ter plaatse van deze aanduiding mogen bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.
Op diverse bestuurlijke niveaus zijn beleidsuitspraken geformuleerd die relevant zijn voor de ontwikkeling. In dit hoofdstuk zijn deze kort beschreven en getoetst.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (hierna: NOVI) vastgesteld. De NOVI is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft richting en helpt om keuzes te maken, te kiezen voor slimme combinaties van functies en uit te gaan van de specifieke kenmerken en kwaliteiten van gebieden. En er nu mee aan de slag te gaan en beslissingen niet uit te stellen of door te schuiven. Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe uitvoering wordt gegeven aan de NOVI.
Binnen de NOVI zijn 8 voorlopige aandachtsgebieden geformuleerd als zogeheten NOVI-gebied. In een NOVI-gebied krijgt een aantal concrete vraagstukken extra prioriteit. Dit helpt om grote veranderingen en ruimtelijke opgaven in een regio beter te realiseren.
Opgaven
Er is in Nederland sprake van een aantal dringende maatschappelijke opgaven. Deze opgaven kunnen niet apart van elkaar worden opgelost. Ze moeten in samenhang bekeken worden. Ze grijpen in elkaar en vragen meer ruimte dan beschikbaar is in Nederland. Niet alles kan, niet alles kan overal. Op het niveau van nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven aan de omgeving in Nederland, verwoord in vier opgaven:
Realiseren opgaven
In de NOVI is een tweetal instrumenten opgenomen om de opgaven te realiseren:
Toetsing
De realisatie van het bedrijf betreft een dusdanig kleine ontwikkeling dat er de NOVI hier geen beleid over heeft opgenomen.
De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.
De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050:
Zeeland wil economische ontwikkeling zo veel mogelijk faciliteren. Goede werk- en bedrijfslocaties zijn daarvoor nodig. Er wordt gestreefd naar een concentratie op bedrijventerreinen, haven- en industrieterreinen. Een verdere toename van het aantal kleinschalige bedrijventerreinen is niet wenselijk. Binnen Zeeland wordt vraag en aanbod van bedrijventerreinen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Hiervoor wordt iedere drie jaar een prognose opgesteld waarin de behoefte voor de volgende 10 jaar wordt bepaald. Deze prognose is een uitgangspunt voor de regionale bedrijventerreinenprogrammering van de gemeenten. Hierin worden regionaal afspraken gemaakt over ontwikkeling, uitbreiding en herstructurering van bedrijventerreinen.
Toetsing
De ontwikkeling bevindt zich bij het industrieterrein Sluiskil en bied ruimte aan nieuwe bedrijven. Hiermee maakt het onderdeel uit van een ontwikkeling die aansluit bij het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie.
In de Omgevingsverordening Zeeland zijn regels opgenomen ten aanzien van de fysieke leefomgeving van de provincie Zeeland. Hierbij zijn de uitgangspunten opgenomen die zijn vastgelegd in de Zeeuwse Omgevingsvisie.
Toetsingskader
Artikel 5.1 Bedrijven
In artikel 5.1 worden regels gesteld over de vestiging van bedrijven. De ontwikkeling van bedrijvigheid moet in beginsel plaatsvinden op de daartoe bestemde locaties. Hiermee wordt bedoeld een geldende bedrijfsmatige bestemming. In artikel 5.1, lid 1 onder b, van de 'Omgevingsverordening Zeeland' is aangegeven dat het vestigen van bedrijven is toegestaan indien het onderdeel is van een bedrijventerrein van tenminste een hectare.
In artikel 5.1, lid 2 van de 'Omgevingsverordening Zeeland' is aangegeven dat nieuwvestiging van een bedrijventerrein aannemelijk maakt dat bedrijvigheid in overgrote mate regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan een grootschalig bedrijventerrein is, de inrichting van het bedrijventerrein klimaatbestendig is en duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is.
Toetsing
Artikel 5.1, lid 1, b
Met onderhavige ontwikkeling wordt toepassing gegeven aan artikel 5.1, lid 1, onder b van de 'Omgevingsverordening Zeeland'. Het bedrijf zal gerealiseerd worden aan de Industrieweg-Zuid 23 te Westdorpe. Deze locatie is onderdeel van het bedrijventerrein Axelse Vlakte. De Axelse Vlakte is een bedrijventerrein groter dan 1 hectare. Daarnaast is de locatie waar het bedrijf gerealiseerd gaat worden ook groter dan 1 hectare. Hierdoor wordt aangesloten bij lid 1 onder b.
Artikel 5.1, lid 2
Met onderhavige ontwikkeling wordt toepassing gegeven aan artikel 5.1, lid 2 van de 'Omgevingsverordening Zeeland'. Zoals hierboven aangegeven zal het bedrijf onderdeel worden van het bedrijventerrein Axelse Vlakte. In paragraaf 4.12 is aangegeven hoe het bedrijventerrein klimaatbestendig zal zijn en hoe duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is.
Conclusie
De beoogde ontwikkeling past binnen de Omgevingsverordening Zeeland.
Toetsingskader
De Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone is te beschrijven als het gebied langs het Kanaal
Gent-Terneuzen, waar in de huidige situatie bijna 28.000 mensen werkzaam zijn en
waar in de onmiddellijke omgeving 50.000 mensen wonen.
De Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone heeft de ambitie om een sprong te maken in de
economische ontwikkeling, en heeft hiervoor drie ijzers in het vuur: procesindustrie,
logistiek en agribusiness. Ruimtelijk vinden de clusters in 2030 hun plek met het
Dow-Complex in combinatie met het Valuepark, op de Westelijke Kanaaloever, op
de Axelse Vlakte (inclusief Sluiskil-Oost en Koegorspolder) en bij Sas van Gent. De
Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone moet hierbij voorloper in duurzaamheid willen zijn. Om deze ambities te behalen is de Gebiedsvisie Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone opgesteld.
Toetsing en conclusie
De Kanaalzone is een economisch kerngebied voor Zeeland. De Kanaalzone is belangrijk voor de werkgelegenheid en heeft een belangrijk aandeel van de welvaart in Zeeland. In de Gebiedsvisie Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone wordt ervoor gekozen om de economische activiteiten binnen het economisch kerngebied te concentreren, uit te bouwen en te versterken.
Dit is ook nodig om ervoor te zorgen dat buiten de economische kerngebieden de bestaande groenblauwe oase kan worden behouden en versterkt. De Axelse Vlakte is aangewezen als een gebied om door te ontwikkelen en herstructureren. Het projectgebied is planologisch verankerd als werkgebied in de Gebiedsvisie Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone. De ontwikkeling sluit dan ook aan bij de 'Gebiedsvisie Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone'.
In de Structuurvisie Terneuzen 2025 is op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Terneuzen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2025. De structuurvisie steunt op diverse beleidsdocumenten zoals de Gebiedsvisie Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone en een aantal sectorale notities zoals de Structuurvisie Detailhandel, het wegencategoriseringsplan, het actieplan Economie en de notitie 'Op pad' van de provincie Zeeland, die als bouwstenen hebben gediend.
Bij het opstellen van de structuurvisie is gebruik gemaakt van de zogenaamde lagenbenadering, die de kwaliteiten in een gebied met elkaar in verband brengt. De lagenbenadering wordt gezien als een zorgvuldige methode om ruimtelijke keuzes te onderbouwen.
Toetsing en conclusie
Het projectgebied ligt aan Zijkanaal C van kanaal Gent-Terneuzen. Dit gebied is aangewezen als bestaand werkgebied. In de visie is aangegeven dat het doel is om de Axelse Vlakte, waar het projectgebied onderdeel van uitmaakt, te ontwikkelen en economisch te versterken. De vestiging van een bedrijf op een voormalig agrarisch perceel draagt bij aan de ontwikkeling van het gebied. Daarmee past de ontwikkeling binnen de kaders van de Structuurvisie Terneuzen 2025.
Wettelijk kader
Onder de Omgevingswet geldt een plan-m.e.r.-plicht wanneer een besluit wordt voorbereid dat het kader schept voor een m.e.r.-(beoordelings)plichtige activiteit of wanneer een besluit wordt voorbereid waarvoor een zogenaamde passende beoordeling is vereist. Het planMER brengt de milieugevolgen van een plan in beeld voordat er een besluit over is genomen en onderzoekt verschillende alternatieve oplossingen en maatregelen met het oog op het beperken van effecten op de leefomgeving. Hiermee draagt het planMER ook bij aan de onderbouwing en transparantie van de effecten van een besluit en kan het als hulpmiddel worden gebruikt bij de participatie.
In Bijlage V van het Omgevingsbesluit (Ob) is aangegeven welke activiteiten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Activiteiten die zijn genoemd in kolom 1 zijn mer-plichtig als wordt voldaan aan de drempelwaarden uit kolom 2 en mer-beoordelingsplichtig in gevallen als genoemd in kolom 3. In kolom 4 staat aangegeven bij welk besluit de mer-(beoordelings)plicht geldt.
Voor mer-beoordelingsplichtige activiteiten moet worden onderzocht of deze aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. De criteria om dit vast te stellen zijn genoemd in bijlage III van Richtlijn 2011/92/EU (richtlijn m.e.r.). Samengevat zijn dit de kenmerken van een plan, de locatie van een plan en soort en kenmerken van de verschillende milieueffecten.
De initiatiefnemer van een in Bijlage V aangewezen project moet daarvan mededeling doen bij het bevoegd gezag, doorgaans het college van B&W (artikel 16.45, lid 1 van de Omgevingswet). In die mededeling (de aanmeldingsnotitie) is een beschrijving van het project, de locatie en de mogelijke milieueffecten opgenomen (artikel 11.10 Ob). Het bevoegd gezag beslist binnen zes weken of sprake is van aanzienlijke milieueffecten en neemt die beoordeling op in de omgevingsvergunning (artikel 11.11 Ob).
De beoogde ontwikkeling betreft een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11). Dit is een activiteit uit de kolom van Bijlage V van het Ob. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht.
Plaats en kenmerken project
Het projectgebied bevindt zich niet in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. Het projectgebied is geen onderdeel van een Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied betreft het gebied ‘Westerschelde & Saeftinghe’. Dit gebied ligt op circa 7,8 kilometer afstand van het projectgebied en is stikstofgevoelig. Aan de noordzijde van het kanaal bevindt zich Natuur Netwerk Zeeland (NNZ)-gebied. Het projectgebied en de omgeving maken geen onderdeel uit van grondwaterbeschermingszones en stiltegebieden.
Kenmerken van het project
De huidige situatie is beschreven in paragraaf 2.2 en de beoogde ontwikkeling in 2.4. Voor zover bekend zijn er geen concrete ruimtelijke ontwikkelingen in de directe omgeving van het projectgebied. Er is daarom geen sprake van een cumulatie van milieueffecten vanwege omliggende projecten.
Kenmerken van de milieueffecten
In de volgende paragrafen zijn de milieueffecten van het plan in beeld gebracht. Hieruit blijkt dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten.
Het doorlopen van een volledige mer-procedure is niet noodzakelijk.
Bij een nieuwe ontwikkeling geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit, waarbij wordt getoetst aan de geldende grenswaarden.
Gemeente Terneuzen heeft een voorbereidingsbesluit genomen waarmee ze voorbeschremingsregels vast heeft gesteld met betrekking tot de bodemkwaliteit voor verschillende activiteiten en functies. Onderdeel van deze regels is informatieplicht (artikel 2.1.2). Hierin is opgenomen dat ten minste vier weken voor het wijzigen van het gebruik van een locatie waardoor een bodemgevoelige locatie ontstaat, een bodemonderzoekte dient te worden aangeleverd.
Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Zie hiervoor bijlage 1. Het volgende kan geconcludeerd worden.
Uit het laboratoriumonderzoek blijkt dat in de mengmonsters van zowel de boven- als de ondergrond geen verhoogde gehalten van de onderzochte parameters zijn aangetoond. Ter
plaatse van de voormalige boomgaard zijn geen verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen gemeten.
In het grondwater blijkt er, afgezien van een zeer licht verhoogd gehalte molybdeen in peilbuis 04, eveneens geen sprake van verhoogde waarden. Ter plaatse van de landbouwdammetjes zijn geen afwijkende bodemlagen of bodemvreemde bijmengingen aangetroffen. Derhalve zijn de dammetjes zeer waarschijnlijk aangelegd met gebiedseigen grond.
Bij een aantal voormalige sloten binnen de onderzoekslocatie zijn in de boringen afwijkende bodemlagen (slib) aangetroffen. De geanalyseerde lagen tonen geen verhoogde gehalten van de onderzochte parameters aan.
Daarnaast zijn binnen de onderzoekslocatie een aantal bestaande sloten aanwezig. De sloten stonden ten tijde van het onderzoek droog en er is geen sliblaag aanwezig. Een waterbodemonderzoek is derhalve niet noodzakelijk geacht.
Onder de asfalt-/slakkenverharding aan de zuidoostzijde van de onderzoekslocatie komt de bodemopbouw overeen met het overige deel van de onderzoekslocatie. Gezien de verkregen resultaten van het onderzoek dient de hypothese 'onverdachte locatie' formeel te worden verworpen; er is echter enkel in het grondwater plaatselijk een zeer licht verhoogd gehalte aangetoond.
De hypothese dat de bovengrond ter plaatse van het voormalige boomgaardengebied verdacht is op de aanwezigheid van een verontreiniging met bestrijdingsmiddelen is niet bevestigd, in de bovengrond zijn geen verhoogde gehalten aan bestrijdingsmiddelen gemeten.
Advies
Op basis van historisch onderzoek, de zintuiglijke beoordeling van de grond- en grondwatermonsters en de resultaten van het chemisch-analytisch onderzoek kan geconcludeerd worden dat er geen risico’s voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig zijn met betrekking tot de huidige en voorgenomen activiteiten op de onderzoekslocatie.
De verkregen resultaten geven geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader bodemonderzoek en vormen geen belemmering voor de voorgenomen transactie.
Aanbevolen wordt om vrijkomende grond te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Dit
onderzoek kan niet gebruikt worden om grond, afkomstig van de onderzoekslocatie, elders toe te passen. Hiervoor dienen de toepassingseisen van het Besluit bodemkwaliteit in acht genomen te worden.
De ontwikkeling draagt voor het aspect bodem bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties omdat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde ontwikkeling.
Ten aanzien van nieuwe ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen en dienen voor het waterbelang de opvattingen van de waterbeheerder te worden betrokken. Dit geldt in het algemeen voor alle waterbelangen. Voorbeelden zijn:
Voor een aantal specifieke rijksbelangen stelt het Bkl aanvullende instructieregels. Deze zijn:
De waterschapsverordening bevat regels specifiek gericht op het watersysteem en waterstaatswerken binnen het beheergebied van een waterschap. Hieraan moet de ontwikkeling worden getoetst.
Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld (zie bijlage 2). Dit aanmeldformulier wordt voorgelegd aan het waterschap.
Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling geen negatieve consequenties voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse heeft.
Gebiedsbescherming
Voor het toelaten van een nieuwe ontwikkeling dient met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aangetoond te worden wat het effect is op natuurgebieden (zoals Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland, houtopstanden). Het toelaten van een nieuwe ontwikkeling kan immers hinder en schade opleveren voor de natuur. Verder dient op basis van hoofdstuk 10 Bkl artikel 10.24 aangetoond te worden dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten.
Natura 2000-gebieden
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor een Natura 2000-gebied. Denk hierbij aan de depositie van stikstof in een Natura 2000-gebied maar ook aan andere gevolgen, bijvoorbeeld door geluid en licht die door de activiteit worden veroorzaakt. Als een ontwikkeling plaatsvindt in de directe nabijheid van een Natura 2000-gebied, dan moet onderzoek uitwijzen of de ontwikkeling significante gevolgen heeft voor een Natura 2000-gebied.
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Een ontwikkeling kan gevolgen hebben voor NNN-gebieden. De gebieden die het NNN vormen zijn aangewezen in de provinciale omgevingsverordening. In de provinciale omgevingsverordening worden de wezenlijke kenmerken en waarden vastgesteld van deze gebieden. Deze wezenlijke kenmerken en waarden moeten worden beschermd, in stand worden gehouden, verbeterd en ontwikkeld worden. Hiertoe zijn in de provinciale omgevingsverordening instructieregels opgenomen.
Soortenbescherming
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig om te onderzoeken of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van beschermde soorten op de locatie waar de omgevingsplanactiviteit zal worden verricht of in de directe nabijheid van die locatie. Dit is de quickscan ecologie. Is het resultaat van de quickscan ecologie dat er aanwijzingen zijn dat specifieke beschermde soorten voorkomen, dan is aanvullend onderzoek nodig.
De uitkomst van het onderzoek kan aanleiding geven tot een vergunningplicht. De vergunningplicht is geregeld in het Bal, in § 11.2.2 (omgevingsvergunning soorten vogelrichtlijn), § 11.2.3 (omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn), § 11.2.4 (omgevingsvergunning andere soorten) en § 11.2.5 (overige bepalingen omgevingsvergunning).
Er geldt een specifieke zorgplicht voor het verrichten van een flora- en fauna-activiteit waarbij maatregelen moeten worden getroffen om nadelige gevolgen voor beschermde soorten te voorkomen dan wel zoveel mogelijk te beperken of ongedaan te maken (artikel 11.27 Bal).
Gebiedsbescherming
Natura 2000
Het projectgebied is geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000-gebieden. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied Canisvliet ligt op circa 5,3 kilometer (zie figuur 4.1). Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De gevolgen voor verzuring en vermesting zijn niet op voorhand uit te sluiten. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie, voor zowel de aanleg- als gebruiksfase.
Om de eventuele toename van stikstofdepositie op de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden te bepalen is met het programma AERIUS Calculator een berekening voor de aanleg- en gebruiksfase uitgevoerd om de gevolgen voor de stikstofdepositie binnen Natura 2000 in beeld te brengen en te toetsen of de eventuele toename past binnen de eisen die gelden op grond van de Wet natuurbescherming. De memo en berekeningen zijn opgenomen in bijlage 3.
Hierbij kan geconcludeerd worden dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr. voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase. Op grond van de Omgevingswet voor het onderdeel Natura 2000-gebieden zijn er qua stikstofdepositie geen belemmeringen voor de uitvoerbaarheid van dit project.
Figuur 4.1 Projectgebied (rood omcirkeld) t.o.v. Natura 2000-gebied Canisvliet (donkergroen) (Bron: Provincie Zeeland, bewerking Rho adviseurs)
Natuurnetwerk Zeeland
Het projectgebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het dichtstbijzijnde NNZ gebied is 'dijken Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen op circa 60 meter. Zie figuur 4.2. Gezien de afstand kan aangenomen worden dat de ontwikkeling geen negatief effect heeft op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van Natuurnetwerk Zeeland.
Figuur 4.2 Ligging projectgebied (rood omkaderd) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (Bron: Provincie Zeeland, bewerking Rho adviseurs)
Soortenbescherming
Quickscan flora en fauna
Om te onderzoeken wat de effecten van het project op aanwezige soorten is, is een zogenoemde 'quick scan' natuurwaarden uitgevoerd. Deze quickscan is opgenomen in bijlage 4 bij dit TAM-omgevingsplan. De conclusies uit deze quickscan voor het onderdeel soortenbescherming zijn de volgende:
In de te slopen bebouwing zijn mogelijkheden voor dagverblijven voor vleermuizen. Er dient onderzocht te worden of vleermuizen gebruik maken van het projectgebied, welke soorten het betreft en wat de functie is van de bebouwing. Voor grondgebonden zoogdieren is de te slopen bebouwing niet geschikt. Het is geheel verhard en er zijn geen schuilmogelijkheden.
In de te slopen bebouwing zijn broedvogels te verwachten. Het betreft soorten die in de bebouwing broeden en waarvan het nest beschermd is zolang het in gebruik is. Voor soorten waarvan het leefgebied jaarrond beschermd is (steenuil en kerkuil) is de bebouwing op dit moment niet geschikt. Indien de woning verder in verval raakt kan deze wel geschikt worden als broedplaats.
Voor andere beschermde soorten is het projectgebied ongeschikt. Ze komen niet voor in de directe omgeving, of het biotoop in het projectgebied is ongeschikt (het is geheel verhard). Nader onderzoek is dus noodzakelijk.
Nader onderzoek flora en fauna
Op basis van de resultaten van de quickscan flora en fauna is nader onderzoek uitgevoerd naar steenuil, kerkuil, marters en vleermuizen. Zie hiervoor bijlage 5. Het volgende is daarbij geconcludeerd.
Steenuil en kerkuil
De Steenuil en kerkuil zijn niet aangetroffen in de te slopen bebouwing. De werkzaamheden hebben geen effect op deze soorten.
Marters
Er zijn geen marters vastgesteld tijdens het onderzoek. De werkzaamheden hebben geen effect op deze soorten.
Vleermuizen
In 2022 zijn er vleermuizen vastgesteld in de te slopen bebouwing. In het voorjaar van 2025 zijn er 2 vleermuispaalkasten geplaatst. Het woonhuis is sinds 2025 steeds verder in verval geraakt. Er zijn in 2025 geen vleermuizen vastgesteld in de inmiddels gesloopte bebouwing. De bebouwing heeft geen functie als vliegroute voor vleermuizen. Er zijn wel vleermuizen vastgesteld in de geplaatste vleermuispaalkasten. Dit betreft gewone dwergvleermuizen, 2 exemplaren. Nadat de bebouwing gesloopt is, dienen de vleermuispaalkasten behouden te blijven. In de nieuwbouw dienen minimaal 4 inbouwvoorzieningen (op minimaal 3 verschillende gevelposities) aangebracht te worden. Een voorbeeld is opgenomen in bijlage 1. Vervolgens kunnen de vleermuispaalkasten verwijderd worden (na 3 maanden gewenningsperiode in de periode april-september) indien ze niet in gebruik zijn.
Algemeen
Er zijn algemene broedvogels te verwachten in de te slopen bebouwing of de nabijheid van de bebouwing. Dit betreft algemene soorten. De nesten van deze soorten zijn beschermd in de broedperiode. Door de sloop uit te voeren buiten de broedperiode kan voorkomen worden dat broedvogels verstoord worden. Een goede periode om de sloopwerkzaamheden uit te voeren is vanaf 1 augustus tot 1 maart.
De ontwikkeling is niet in een natuur- of groengebied met een beschermde status gelegen. Uit de stikstofberekeningen blijkt dat de ontwikkeling de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden niet aantast. Daarnaast is geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van de soortenbescherming.
Voor het toelaten van activiteiten, anders dan die zijn genoemd in artikel 5.50 en 5.51 Bkl, bevat het Bkl geen instructieregels. In die gevallen zal de gemeente moeten beoordelen of de luchtkwaliteit bij de toe te laten activiteit aanvaardbaar is. De Omgevingswet bepaalt immers dat bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties de gemeente in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, vierde lid, Ow). Hierbij moet de gemeente rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de gevolgen van de activiteiten voor de gezondheid van haar inwoners (artikel 2.1 en 2.4 Ow).
Onderzoek is niet nodig als de activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. Dit is het geval als activiteiten leiden tot een verhoging van de kalenderjaargemiddelde concentratie in de buitenlucht van zowel stikstofdioxide als PM10 van 1,2 µg/m³ of minder. Daarnaast zijn in artikel 5.54 Bkl standaardactiviteiten genoemd die niet in betekenende mate bijdragen. Als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, dan is het omgevingsaspect luchtkwaliteit geen belemmering.
Het projectgebied bevindt zich niet de in artikel 5.51 (van het Bkl) vermeldde aandachtsgebieden voor stikstofdioxide en fijnstof.
Naast een beoordeling van de bijdrage aan de luchtkwaliteit door de activiteit zelf is het ook nodig om te beoordelen of de nieuwe functie aan de betreffende locatie kan worden toegewezen gelet op de achtergrondconcentratie van luchtverontreinigende stoffen. Dit kan worden beoordeeld met behulp van het Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). Uit de kaart blijkt dat in 2025 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof binnen het projectgebied ruimschoots onder de omgevingswaarden (genoemd in Artikel 22.3 van het Bkl) lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2024 tussen de 14 µg/m³ en 16 µg/m³ voor NO2, PM10 en voor PM2,5.
De Europese luchtkwaliteitseisen worden in 2030 flink aangescherpt. Uit de kaart blijkt dat in 2025 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof binnen het projectgebied ruimschoots onder de omgevingswaarden (genoemd in Artikel 22.3 van het Bkl) liggen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedragen in 2030 tussen de 11 µg/m³ en 13 µg/m³ voor NO2, PM10 en voor PM2,5.
Het aspect luchtkwaliteit levert geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Het is niet nodig regels op te nemen voor het aspect luchtkwaliteit.
Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden.
Planologisch relevante leidingen zijn:
Er zijn geen relevante kabels of leidingen in de omgeving van het projectgebied.
Onder cultureel erfgoed valt: archeologie, cultuurhistorie, monumenten, karakteristieke panden, beschermde gezichten, monumentale bomen, landschap etc. Voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. In figuren 4.3 tot en met 4.5 zijn uitsneden van de drie kaartenbladen voor het beoogde projectgebied weergegeven inclusief legenda. Hierna wordt per kaartblad uitgelegd welke strategie voor de locatie geldt.
Figuur 4.3 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud' met projectgebied rood omkaderd (Bron: gemeente Terneuzen, bewerking Rho adviseurs)
Op zowel de kaart 'Behoud' als de kaart 'Behoud door ontwikkeling' ligt het projectgebied binnen de strategie 'behouden' (zie figuren 4.3 en 4.4). Op de kaart 'Behoud door ontwikkeling' ligt het projectgebied ook in binnen de strategie 'Versterken'. Het projectgebied ligt binnen de strategie 'herstructureren' (zie figuur 4.5). Ontwikkelingen zijn op deze locatie dus mogelijk. Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig.
Figuur 4.4 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud door ontwikkeling' met projectgebied blauw omkaderd (Bron: gemeente Terneuzen, bewerking Rho adviseurs)
Figuur 4.5 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Vernieuwing mogelijk' met projectgebied blauw omkaderd (Bron: gemeente Terneuzen, bewerking Rho adviseurs)
Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Zeeland
De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.6 is te zien dat zich binnen het projectgebied MIP monument aanwezig is, maar is niet aangewezen als boerderij van
provinciaal belang. De staat van de bebouwing is dusdanig slecht, dat de instandhouding als gevaarlijk kan worden beschouwd.
Het projectgebied en de directe omgeving zijn niet cultuurhistorisch waardevol en er is geen sprake van monumentale waarden. De ontwikkeling heeft dan ook geen invloed op cultuurhistorische waardevolle objecten.
Figuur 4.6 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart Provincie Zeeland, het projectgebied rood omkaderd (Bron: Provincie Zeeland, bewerking Rho adviseurs)
Gemeentelijk archeologiebeleid
Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (omgevingsplan) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld.
In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling van archeologisch onderzoek verleend tot 100 m2 en een reeds verstoorde diepte van 0,5 meter voor de zogenaamde kruimelgevallen.
Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen, ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd.
Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als:
Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Voor de duidelijkheid is dit schema ook opgenomen in de bijlage 1 bij deze toelichting. Ook als er wel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is niet altijd archeologisch onderzoek nodig. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend.
Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld.
Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing.
Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoek(srapport). De vrijstellingenkaart wordt in het omgevingsplan gekoppeld aan gebiedsaanwijzingen voor archeologie. De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd.
Het archeologiebeleid is in het tijdelijk deel van het omgevingsplan verwerkt. In het omgevingsplan is, voor zover dat op grond van dat beleid nodig is, een regeling ter bescherming van mogelijk aanwezige verwachtingswaarden opgenomen waaraan een nieuwe bouwactiviteit met bodemverstorende werkzaamheden moeten worden getoetst.
Stap 1. Toets bevoegd gezag
In de eerste stap van de toets wordt aan de hand van een tweetal opeenvolgende vragen bepaald wie de bevoegde overheid is.
Met de constatering dat de gemeente vanzelf wel een keer bevoegde overheid wordt, kan worden doorgegaan naar stap 2.
Stap 2: Vrijstellingsregeling
In de tweede stap wordt bepaald of er sprake is van vrijstelling van archeologisch onderzoek. Vrijstelling kan worden verleend als aan een van de drie volgende voorwaarden kan worden voldaan.
De eerste twee vrijstellingscriteria zijn niet van toepassing. Om te bepalen of het derde criterium van toepassing is, moet eerst stap 3 worden doorlopen.
Stap 3: Toets onderzoeksplicht indien de gemeente bevoegd gezag is
In de derde stap worden aantal bronnen geraadpleegd om te bepalen of er alsnog sprake is van een onderzoeksplicht. Achtereenvolgens zijn dit de AMK, de IKAW, Archis/ZAD en de geologische kaart van Zeeuws-Vlaanderen uit 1977. Elke keer als een bron niet leidt tot onderzoek, wordt een volgende geraadpleegd.
Figuur 4.7 Ligging projectgebied (rood omkaderd) op een uitsnede Geologische kaart van Rummelen, 1977
Vrijstellingsdiepte
Op de vrijstellingenkaart uit 2017 is het projectgebied gesitueerd in een gebied waarbij onderzoek is vrijgesteld tot 400 cm beneden maaiveld.
Op basis hiervan is het projectgebied vrijgesteld van archeologisch onderzoek. Op basis van de bovenstaande informatie geldt op basis van het interimbeleid geen onderzoeksplicht.
Figuur 4.8 Uitsnede Vrijstellingenkaart 2017, projectgebied blauw omkaderd
Het aspect cultureel erfgoed levert geen belemmeringen voor de boogde ontwikkeling.
Verkeer en parkeren moeten als omgevingsaspecten in het belang van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties worden beoordeeld. De Omgevingswet en het Besluit Kwaliteit Leefomgeving stellen geen regels op dit gebied. De Structuurvisie 2025, het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan 2022 (vanaf nu: GVVP) en de Parkeernota Terneuzen 2023-2033 (vanaf nu: de parkeernota) gaan wel op deze aspecten in. Naast het gemeentelijk beleid bieden de CROW-richtlijnen een belangrijk kader voor de beoordeling van de aspecten verkeer en parkeren. Aangezien het richtlijnen betreft, kan er onderbouwd worden afgeweken. Daarvoor is specifiek op de ontwikkeling van toepassing zijnde toegesneden informatie van belang.
Ten behoeve van de ontwikkeling is een verkeer en parkeren paragraaf opgesteld. Zie hiervoor bijlage 6.
De projectlocatie is slecht ontsloten per openbaar vervoer en te voet, maar goed per fiets en auto. Ook voor zwaar verkeer is de projectlocatie goed bereikbaar. De beoogde ontwikkeling veroorzaakt 199 gemotoriseerde verkeersbewegingen op werkdagen, waarvan 30 vrachtverkeer. Deze verkeerstoename heeft geen negatieve effecten op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid. Het projectgebied biedt voor auto- als fietsparkeer voldoende ruimte.
Geluid door activiteiten speelt in twee spiegelbeeldige situaties een rol:
In een omgevingsplan moet rekening gehouden worden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat een gemeente het toelaten van activiteiten die geluid veroorzaken of het toelaten van geluidgevoelige gebouwen waarop geluid wordt veroorzakt, alleen mogelijk kan maken na een belangenafweging en een goede motivering. Dit vergt dus een goede onderbouwing in de aanvraag voor de omgevingsvergunning. Hiervoor dient bekend te zijn welke activiteiten geluid veroorzaken en wat de optelsom is van dit geluid op een geluidgevoelig gebouw.
Daarnaast zal het omgevingsplan moeten waarborgen dat het geluid door een activiteit aanvaardbaar is. Dit kan door de standaardwaarden voor het toelaatbaar geluid op een geluidgevoelig gebouw en grenswaarden voor het toelaatbaar geluid in geluidgevoelige ruimten binnen in- en aanpandige geluidgevoelige gebouwen in het omgevingsplan op te nemen.
Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt.
Woningen bevinden zich op grote afstand van het projectgebied, namelijk op circa 700 meter. In de regels is vastgelegd dat in het projectgebied een bedrijf van maximaal milieucategorie 4.2 is toegestaan. Hiervoor geldt een richtsafstand van 300 meter. Dit betekent dat op een afstand van 700 meter geen geluid vanwege het projectgebied wordt verwacht. Daarnaast moet worden voldaan aan de standaardwaarden voor geluid zoals opgenomen in paragraaf 22.3.4 van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
Daarmee kan worden gemotiveerd dat het geluidsniveau in de toekomstige situatie aanvaardbaar blijft voor de omliggende geluidgevoelige objecten.
Geluid door activiteiten vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. De instructieregels uit afdeling 3.5 (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).
Omdat er geen nieuwe geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd in het projectgebied hoeft er voor het aspect geluid van gemeentewegen, spoorwegen en industrieterreinen niet getoetst te worden aan de instructieregels van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen is geen belemmering voor de ontwikkeling.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van bijvoorbeeld opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl van het Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Bij het mogelijk maken van een ontwikkeling spelen vaak veiligheidsrisico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Maar in het Bkl is het risicobegrip breder: er zal gemotiveerd moeten worden dat bij risico's van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van:
Met de ontwikkeling wordt niet voorzien in een nieuwe risicovolle activiteit. In de regels van deze wijziging van het omgevingsplan zijn nieuwe risicovolle inrichtingen alleen onder voorwaarden toegestaan.
Wel wordt er met de voorgenomen ontwikkeling een beperkt kwetsbare gebouw (kantoor ondergeschikt aan de bedrijfsactiviteit) mogelijk gemaakt. Daarom is het van belang om af te wegen of ten aanzien van e bezoekers een veilige omgeving kan worden geboden gelet op externe veiligheidsrisico's. Met behulp van de PAV-kaarten van het REV is in beeld gebracht welke risicobronnen zich in de omgeving van het projectlocatie bevinden (zie onderstaande figuur). Daarbij is gekeken naar activiteiten met externe veiligheidsrisico's, buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en transportroutes over land (wegen, spoorwegen en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd.
Figuur 4.9 Uitsnede risicokaart, het projectgebied rood omkaderd (Bron: Atlas Leefomgeving, bewerking Rho adviseurs)
Uit bovenstaande figuur blijkt dat een deel van het projectgebied zich binnen de PR10-6-contour van het Windpark Koegorspolder bevindt, evenals binnen de PR10-6-contouren van andere windturbines binnen hetzelfde park (zie figuur 4.9). Deze wijziging van het omgevingsplan maakt geen kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen mogelijk in het projectgebied. Een zelfstandig kantoorgebouw, dat kan worden gezien als een kwetsbaar gebouw, is op basis van de regels niet mogelijk. Alleen aan de bedrijfsactiviteit ondergeschikte kantoren zijn toegestaan. Deze worden gezien als beperkt kwetsbaar.
Het kantoor wordt buiten de PR10-6-contour gerealiseerd. Mocht er in de toekomst een beperkt kwetsbaar gebouw binnen de PR10-6-contour worden gerealiseerd, dan zijn er voldoende mogelijkheden om te vluchten naar een gebied met een lager risico niveau.
Aan de noordwestzijde van het projectgebied bevindt zich voor een klein gedeelte een gifwolkaandachtsgbied. Dit aandachtsgebied komt van Yara, een chemische fabriek. Er worden geen kwetsbare gebouwen of locaties mogelijk gemaakt binnen het aandachtsgebied. Op basis van deze informatie is nader onderzoek naar externe veiligheid niet noodzakelijk.
Risico's anders dan externe veiligheid
Uit kaarten van het Landelijk Informatiesysteem Water en Overstromingen (LIWO) blijkt dat de planlocatie en de directe omgeving momenteel een klein plaatsgebonden overstromingskans van <1/3.00 tot 1/3000 per jaar kent.
De kans op overstromingen is zodanig gering dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. Bovendien voorziet de ontwikkeling niet in activiteiten die invloed hebben op de plaatsgebonden overstromingskans. Verdere stappen of aanvullend onderzoek naar waterveiligheid zijn dan ook niet vereist. Overige risico's van branden, rampen en crisis zijn niet relevant voor het project.
Op grond van artikel 5.2 Bkl zal moeten worden gemotiveerd hoe voor risico's van branden, rampen en crises rekening gehouden met het belang van:
Met de beoogde ontwikkeling wordt een beperkt kwetsbaar gebouw (kantoor ondergeschikt aan de bedrijfsactiviteit) mogelijk gemaakt. De bebouwing bevindt zich niet in een aandachtsgebied of PR contour. Het aspect omgevingsveiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Voor dit aspect is het opnemen van regels niet noodzakelijk.
Doel van de Omgevingswet is ook het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1, lid 3, onder b). In lid 4 wordt benadrukt dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid.
Een deel van de hiervoor beschreven omgevingsaspecten heeft een gezondheidscomponent, waarbij het in de meest gevallen gaat om gezondheidsbescherming. Bij de afweging van de gezondheidsgevolgen kunnen ook gezondheidsbevorderende aspecten een rol spelen zoals bijvoorbeeld een groene leefomgeving, ruimte voor beweging, beschikbaarheid / toegankelijkheid van voorzieningen en sociale cohesie.
Gezondheid is een containerbegrip waar veel thema's samenkomen. Het gaat hierbij om thema's die in hoofdstuk 5 van het Bkl expliciet zijn genoemd, zoals geluid, geur en bodem die van invloed kunnen zijn op de gezondheid. De beoogde ontwikkeling is geen geluid- en geurgevoelig gebouw. Uit de paragraaf 'luchtkwaliteit' blijkt dat aan de omgevingswaarden en WHO waarden voor stikstofdioxide en fijnstof voldaan wordt en dat de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is.
Initiatiefnemer zet in om de inrichting van het bedrijventerrein klimaatbestendig en duurzaam in te richten om de onderhoud van het bedrijventerrein te waarborgen. Initiatiefnemer is voornemens om het kantoor met opslag zoveel als mogelijk energieneutraal in te richten. Het terrein zal voornamelijk ingericht worden als opslagdepot. Middels ecologische maatregelen (denk bijvoorbeeld aan maatregelen ter bescherming van oeverzwaluwen) wenst initiatiefnemer natuur en bedrijfsactiviteiten verantwoord te combineren. Daarnaast is initiatiefnemer voornemens om oppervlaktewater te gaan hergebruiken voor stofbestrijding.
Gelet op het voorgaande is bij de voorgenomen ontwikkeling voldoende rekening gehouden met het aspect gezondheid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist.
Bij een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling, en als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied in die behoefte te voorzien.
In welke gevallen sprake is van een stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. Op basis van jurisprudentie wordt in beginsel een ondergrens van 500 m2 nieuw ruimtebeslag of nieuw bruto-vloeroppervlak als ondergrens gehanteerd.
Het gaat om de verplaatsing van een bedrijf uit de Lovenpolder naar de Axelse Vlakte. Het bedrijf is niet passend in de Lovenpolder waar er woningen nabij de bedrijfslocatie aanwezig zijn. De locatie aan de Lovenpolder zal in gebruik blijven voor bedrijvigheid, maar voor minder zware bedrijvigheid en minder intensief.
Zoals in de Structuurvisie gemeente Terneuzen is aangegeven, is de Axelse Vlakte aangewezen als bestaand werkgebied. In de visie is aangegeven dat het doel is om de Axelse Vlakte, waar het projectgebied onderdeel van uitmaakt, te ontwikkelen en economisch te versterken. De vestiging van een bedrijf op een voormalig agrarisch perceel draagt bij aan de ontwikkeling van het gebied.
Conclusie
Op basis van het voorgaande wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Gemeente Terneuzen hanteert voor niet-gesprongen explosieven (NGE) het Historisch Vooronderzoek met NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018. De bedoelde locatie aan de Industrieweg-Zuid 23 in Westdorpe valt deels in een gebied dat in relatie tot NGE is aangemerkt risicogebied.
Tijdens de bevrijding hebben in september 1944 hevige grondgevechten en artilleriebeschietingen plaatsgevonden, namelijk bij het verdrijven van Duitse soldaten uit Axel in de opmars richting Terneuzen en Zaamslag door Poolse eenheden. In het gebied dient rekening te worden gehouden met achtergebleven geschutmunitie, afkomstig van grondartillerie. Het aantreffen van munitie is niet ondenkbaar, maar de trefkans is wel klein. In dit geval zou de omschreven en naar verwachting relatief kleine munitie zich dan op, of juist onder de oppervlakte kunnen bevinden. De locatie betrof decennia lang weidegrond. Op basis van trefkans en kaliber van bedoelde munitie wordt humaan risico laag ingeschat en grotere oorlogsrestanten zouden redelijkerwijs al zijn opgemerkt. Verder onderzoek naar niet-gesprongen conventionele explosieven is voor een wijziging van het bestemmingsplan niet nodig. Ter plaatse, zéker in geval van grondverzet, blijft oplettendheid raadzaam en een extra aandachtpunt in relatie tot NGE betreft een veedrinkput die halverwege de 20e eeuw op het terrein was gelegen en ergens rond de jaren '70 is gedempt; hierin kan munitie zijn gedumpt.
In geval er ter zijner tijd ter plaatse alsnog munitie wordt aangetroffen, wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol 'Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog'.
Figuur 4.10 Uitsnede kaart NGE-Risicogebieden, het projectgebied is blauw omkaderd (Bron: gemeente Terneuzen, bewerking Rho adviseurs)
Ten aanzien van deze ontwikkeling zijn de relevante omgevingsaspecten getoetst in de paragrafen 4.1 tot en met 4.14. In tabel 4.1 zijn de overige omgevingsaspecten getoetst.
Tabel 4.1 Overige omgevingsaspecten
| Omgevingsaspect | Toetsing |
| Welstand | Er is geen welstandbeleid van toepassing op het projectgebied. |
| Geur | Het bedrijf veroorzaakt geen geur. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde woning (700 meter) zijn ook andere bedrijven in categorie 4.2 met betrekking van geur op deze locatie acceptabel. |
| Trilling | Het bedrijf veroorzaakt geen trillingen. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde woning (700 meter) zijn ook andere bedrijven in categorie 4.2 met betrekking tot trillingen op deze locatie acceptabel. |
| Schaduwhinder en windhinder | Het bedrijf veroorzaakt geen schaduw- en windhinder. |
| Duurzaamheid | Het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe gebouwen. Er gelden BENG-eisen voor de thermische isolatie, de luchtdichtheid en de technische bouwsystemen. BENG staat voor Bijna Energieneutrale Gebouwen. Deze gelden ook voor het voorziene nieuwe bedrijfsgebouw. |
| Spuitzones | Dit aspect is niet van toepassing. |
| Stofhinder | De bedrijfsactiviteiten die plaats zullen vinden op het perceel Industrieweg-Zuid 23 bestaan uit de opslag van zand, grond, puin en stenen. Bij de opslag van zand, grond, puin en stenen kan sprake zijn van stofhinder. Gezien de ervaringen op de huidige locatie, perceel Lovenpolderstraat, is de reële verwachting dat er zeer minimaal sprake zal zijn van stofontwikkeling. Mocht in het uiterste geval hiervan wel sprake zijn, dan zal deze, gezien de urgentie voor de omgeving, bestreden worden middels het sproeien van water. Het bedrijf veroorzaakt geen trillingen. Gezien de afstand tot de dichtstbijzijnde woning (700 meter) zijn ook andere bedrijven in categorie 4.2 met betrekking tot stofhinder op deze locatie acceptabel. |
Conclusie
Er kan geconcludeerd worden dat de overige omgevingsaspecten niet zorgen voor nadelige gevolgen.
Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).
Financiële haalbaarheid
Dit TAM-omgevingsplan vormt het toetsingskader voor de geplande ontwikkeling. De initiatiefnemer is eigenaar van de gronden ter plaatse van het projectgebied. Hierdoor is het plan financieel haalbaar.
Kostenverhaal
De voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling ziet in op de realisatie van een aannemersbedrijf en de opslag van grond. Deze ontwikkeling is op grond van artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit aangewezen als kostenverhaalplichtige activiteit. Op grond van artikel 13.12 Omgevingswet is het verboden kostenverhaalplichtige activiteiten uit te voeren voordat de hiervoor geldende kostenverhaalbijdrages zijn betaald. Dit verbod geldt niet in het geval dat het kostenverhaal is verzekerd. Er wordt een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en gemeente.
De initiatiefnemer gaat de buren informeren over de ontwikkeling.
Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft voor een periode van 6 weken, van 11 december 2025 tot en met 21 januari 2026, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.
Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties betekent dat er balans bestaat tussen het beschermen en benutten ten gevolge van de verschillende functies die locaties binnen een gebied kunnen vervullen. Het bevoegd gezag moet beoordelen of bij realisering van de aangevraagde activiteit(en) sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover die betrekking hebben op de aangevraagde activiteit) zorgvuldig worden onderzocht en afgewogen. Dat is in de voorgaande hoofdstukken gebeurd.
Voor de beoordeling van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten, voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit, nader onderzocht in hoofdstukken 3 en 4.
Getoetst is aan relevante omgevingsaspecten. Hieruit is gebleken dat voldaan wordt aan de instructieregels en het beleid. Dit betekent dat het project bijdraagt aan de beleidsdoelen en niet leidt tot onacceptabele effecten op de leefomgeving. Wel dient rekening gehouden te worden met de aanwezig beschermde soorten, dit kan door te werken met een ecologisch werkprotocol. Dit is een voorwaarde voor de ontwikkeling van de bebouwing aan de zuidzijde van het projectgebied.