direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f 'Axelse Vlakte, Industrieweg-Zuid 23'
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.TAMAXVL13-VG01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op de realisatie van het bedrijf aan de Industrieweg-Zuid 23 en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22f]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Terneuzen. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP/TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22f] van het omgevingsplan van de gemeente Terneuzen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22f.]' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 toepassing omgevingsplan

Artikel 1.1 van het Omgevingsbesluit, artikel 1.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving, artikel 1.1 van het Besluit activiteiten leefomgeving en artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn van overeenkomstige toepassing op dit omgevingsplan, tenzij hierna daarvan is afgeweken.

1.2 plan

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f 'Terneuzen, Industrieweg-zuid 23'

IMRO-IDN:NL.IMRO.0715.TAMAXVL13-VG01 

1.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

1.4 bebouwing

een of meer gebouwen en / of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

1.5 bebouwingspercentage

een percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd en dat is aangegeven in de regels of op de verbeelding is aangeduid.

1.6 bedrijf

een onderneming gericht op het produceren, bewerken, herstellen, installeren, inzamelen, verwerken, verhuren, opslaan en/of distribueren van goederen.

1.7 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds-, en oppervlaktematen

afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wijziging van het omgevingsplan tot stand zijn gekomen of tot stand kunnen komen.

1.8 bevoegd gezag

bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht.

1.9 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats.

1.10 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

1.11 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

1.12 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel.

1.13 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

1.14 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond.

1.15 bijgebouw

een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.

1.16 brutovloeroppervlak

de totale vloeroppervlakte van een kantoor, winkel of (horeca)bedrijf met inbegrip van de daartoe behorende magazijnen en overige dienstruimten.

1.17 dakkapel

een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst.

1.18 functiegrens

de grens van een functievlak.

1.19 functievlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

1.20 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

1.21 hoofdgebouw

een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken.

1.22 kantoor

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van administratieve werkzaamheden en werkzaamheden die verband houden met het doen functioneren van (semi)overheidsinstellingen, het bankwezen, en naar de aard daarmee gelijk te stellen instellingen.

1.23 NEN

door de Stichting Nederlands Normalisatie - instituut uitgegeven norm.

1.24 nutsvoorziening

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.25 nevenactiviteit

niet - agrarische activiteiten die in ruimtelijk opzicht ondergeschikt zijn aan de hoofdfunctie op een (voormalig) agrarisch bouwvlak.

1.26 omgevingskwaliteit

kwaliteiten die van belang zijn voor een goede leefomgeving; bij de beoordeling van de omgevingskwaliteit worden tenminste de volgende aspecten in ogenschouw genomen: luchtkwaliteit, geur, geluid, lichtvervuiling, bereikbaarheid en veiligheid, bodem- en waterkwaliteit (waterbodems en grondwater daaronder begrepen), waterkwantiteit, ecologische, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten.

1.27 overkapping

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een gesloten dak.

1.28 planologisch relevante leidingen
  • 1. Onder planolgisch relevante leidingen wordt verstaan:
    • a. hoogspanningsleidingen en -verbindingen van ten minste 50 kV;
    • b. buisleidingen voor transport van gevaarlijke stoffen, als bedoeld in artikel 3.101, eerste lid, onder a. tot en met d. van het Besluit activiteiten leefomgeving;
    • c. buisleidingen met een uitwendige diameter van ten minste 400 mm, met uitzondering van buisleidingen binnen de bebouwde kom voor transport van afvalwater onder vrij verval.
  • 2. Leidingen en verbindingen die een milieubelastende activiteit functioneel ondersteunen die is aangewezen in hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving en binnen de begrenzing ligt van een locatie waarop die milieubelastende activiteit wordt verricht is geen planologisch relevante leiding.
1.29 seksinrichting

het bedrijfsmatig - of in een omvang of frequentie die daarmee overeenkomt - gelegenheid bieden tot het ter plaatse, in een gebouw of een verblijfsmiddel, verrichten van seksuele handelingen.

1.30 voldoende parkeergelegenheid

Een regel die voorkomt uit het geldend parkeerbeleid (Parkeernota 2023-2033 gemeente Terneuzen of diensrechtsopvolger).

1.31 vrijstellingsdiepte

de in bijlage 1 op de voorschriftenkaart, de voor dat gebied, aangegeven vrijstellingsdiepte.

1.32 voorerf

gedeelte van het erf dat gelegen is voor de voorgevellijn.

1.33 voorgevel

de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt.

1.34 voorgevellijn

denkbeeldige of op de kaart aangegeven lijn die strak langs de voorgevel van een hoofdgebouw loopt tot aan de zijdelingse bouwperceelsgrenzen.

1.35 vuurwerk

vuurwerk als bedoeld in het Vuurwerkbesluit.

Artikel 2 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Industrieweg-Zuid 23 in Terneuzen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.NL.IMRO.0715.TAMAXVL13--VG01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl. 
  • b. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn op de locatie, bedoeld onder a, niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet.
  • c. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 van dit omgevingsplan zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

 

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

In aanvulling op artikel 22.24 van dit omgevingsplan, gelden de volgende meet- en rekenbepalingen:

3.1 afstand

de afstand tussen bouwwerken onderling alsmede de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstand het kleinst zijn.

3.2 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.3 breedte, lengte en diepte van een bouwwerk

tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidsmuren.

3.4 goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot/de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.5 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

3.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden gronden of bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functie dan wel toegestane gebruiksactiviteiten.

Hoofdstuk 2 Regels voor functies en activiteiten

Artikel 5 Bedrijf

5.1 Gebruiksregels

In het voor 'Bedrijf' aangewezen gebied zijn de volgende gebruiksactiviteiten toegestaan:

  • a. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - bedrijf van categorie 3.1 - 4.2': bedrijven uit categorie 4.2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten;
  • b. de opslag van grondstoffen waaronder baggerspecie en slib;
  • c. nieuwe risicovolle inrichtingen zijn uitsluitend toegestaan onder de volgende voorwaarden:
    • 1. de plaatsgebonden risicocontour 10-6 ligt niet over kwetsbare objecten;
    • 2. er dient een verantwoording te worden gegeven van het groepsrisico in het invloedsgebied van de inrichting;
  • d. bij de bedrijfsactiviteit behorende, aan de bedrijfsactiviteit ondergeschikte kantoren

met de daarbij behorende:

    • 1. wegen, parkeervoorzieningen, laad- en losvoorzieningen;
    • 2. groenvoorzieningen;
    • 3. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
    • 4. nutsvoorzieningen en zendmasten voor telecommunicatie;
    • 5. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.2 Specifieke gebruiksegels

Met betrekking tot het gebruik van gronden en bouwwerken geldt dat onbebouwde gronden mogen worden gebruikt voor opslag van goederen en materialen tot een gezamenlijke hoogte van niet meer dan 12 m.

5.3 Afwijken van de gebruiksregels

Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 5.1 onder a:

  • a. om bedrijven toe te laten uit twee categorieën hoger dan in lid 5.1 onder a genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving (gelet op de specifieke werkwijze of bijzondere verschijningsvorm) geacht kan worden te behoren tot de volgens lid 5.1 onder a toegelaten categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein';
  • b. om bedrijven toe te laten die niet in de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein' zijn genoemd, voor zover het betrokken bedrijf naar aard en invloed op de omgeving geacht kan worden te behoren tot de volgens lid 5.1 toegelaten categorieën van de Staat van Bedrijfsactiviteiten 'bedrijventerrein', met inachtneming van het bepaalde in lid 5.4;
  • c. de bevoegdheid tot afwijken wordt uitsluitend gebruikt indien de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en bouwwerken niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast.
5.4 Verboden gebruik

De gronden en gebouwen als bedoeld in 5.1 mogen niet worden gebruikt voor:

  • a. bedrijfswoningen;
  • b. activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken zoals bedoeld in artikel 5.78b van het Bkl;
  • c. nieuwe activiteiten uit bijlage V van het Omgevingsbesluit in de gevallen, zoals genoemd in kolom 2 zijn uitsluitend toegestaan indien het activiteiten betreft waarvan voldoende wordt aangetoond dat geen sprake is van significante effecten voor het milieu en indien dit wel het geval is, middels een door een erkend bureau opgesteld rapport, wordt aangetoond dat deze door middel van mitigerende en zonodig compenserende maatregelen voorkomen kunnen worden;
  • d. opslag van meer dan 10.000 kilogram consumentenvuurwerk;
  • e. kwetsbare gebouwen, kwetsbare locaties en zeer kwetsbare gebouwen, zoals bedoeld in Bijlage VI onder C, D en E van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
5.5 Bouwregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

5.5.1 Bouwwerken

Voor het bouwen van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd;
  • b. het bebouwd oppervlak mag niet meer bedragen dan 50% van het bouwperceel;
  • c. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens mag niet minder dan 5 m bedragen;
  • d. de afstand van een gebouw tot de voorste perceelsgrens van het bouwperceel mag niet minder dan 5 m bedragen;
  • e. op het voorerf zijn geen aan-, uit-, en bijgebouwen en overkappingen toegestaan;
  • f. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer dan 15 m bedragen;
  • g. de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan:
    • 1. erf- en terreinafscheidingen: 3 m;
    • 2. verlichtingsmasten en andere masten 15 m;
    • 3. procesinstallaties en silo's: 15 m;
    • 4. schoorstenen: 15 m;
    • 5. van hijskranen: 40 m;
    • 6. van windturbines 20 m; in afwijking van het bepaalde in artikel 3 wordt de bouwhoogte van deze windturbines gemeten vanaf het peil tot aan het uiteinde of de tip van de rotor in de hoogste stand;
    • 7. zendmast: 50 m;
    • 8. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 6 m.

Artikel 6 Waarde - Beschermde dijk

6.1 Gebruiksregels

Het voor 'Waarde - Beschermde dijk' aangewezen gebied is, naast de andere daar voorkomende functies mede bedoeld voor:

  • a. de waterkering;
  • b. beplantingen;
  • c. fiets- en voetpaden ;
  • d. overige voorzieningen;
  • e. behoud van de landschappelijke, cultuurhistorische en/of natuurwaarden.
6.2 Bouwregels

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van dit omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

6.2.1 Toelaatbare bebouwing

In aanvulling op het bepaalde in lid 6.1 is het toegestaan om bouwwerken, geen gebouwen zijnde, te bouwen waarbij de volgende bepalingen gelden.

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 3,50 meter.
6.3 Werk en werkzaamheden
6.3.1 Vergunningvereiste

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanleggen van paden, wegen en parkeergelegenheden alsmede het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen,
  • b. het aanbrengen van boven- en ondergrondse transport,- energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verbandhoudende constructies installaties en apparatuur;
  • c. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van de bodem;
  • d. het vellen of rooien van houtgewas;
  • e. het bebossen of beplanten van gronden.

6.3.2 Uitzonderingsregels

Het in lid 6.3.1 vervatte verbod geldt niet voor het uitvoeren van:

  • a. werken of werkzaamheden die het normale onderhoud betreffen of die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van de beheersverordening.

6.3.3 Werken of werkzaamheden slechts onder voorwaarden toelaatbaar

Werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 6.3.1 zijn slechts toelaatbaar indien daardoor de in lid 6.1 genoemde aanwezige waarden van de gronden niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, dan wel de mogelijkheid voor het herstel van de waarden niet worden of kunnen worden verkleind en indien nodig mitigerende en zonodig compenserende maatregelen worden getroffen.

6.3.4 Procedureregel

Alvorens te beslissen omtrent een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.1 wint het bevoegd gezag advies in van de landschaps- en natuurbeschermingsdeskundige.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Algemene vergunningverplichtige bouwactiviteiten

Met een omgevingsvergunning kan, een bouwactiviteit worden toegelaten die in strijd is met de beoordelingsregels uit hoofdstuk 2 van dit TAM-omgevingsplan voor:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen, percentages tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages;
  • b. de bepalingen in dit TAM-omgevingsplan en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of –intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • c. de bepalingen in dit TAM-omgevingsplan en toestaan dat bebouwingsgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • d. de bepalingen in dit hoofdstuk ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-,ontvang- en/of sirenemasten, tot maximaal 40 m.

Artikel 9 Algemene gebruiksregels

De algemene gebruiksregels luiden als volgt:

  • a. het is verboden gronden en bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met de aan de grond gegeven functie, de functieomschrijving en de overige regels.
  • b. het bevoegd gezag wijkt af van het bepaalde onder a, indien strikte toepassing van het verbod leidt tot beperkingen in het meest doelmatige gebruik die niet door dringende redenen worden gerechtvaardigd.

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

10.1 Geluidzone Industrie

Binnen het besluitvlak 'Geluidzone Industrieterrein Axelse Vlakte II' en 'Geluidzone Industrieterrein Sluiskil-Oost/Stroodorpe- Oost' gelegen zijn geen nieuwe geluidsgevoelige objecten toegestaan.

10.2 Vrijwaringszone - Dijk
10.2.1 Bestaand gebruik en bestaande bouwwerken
  • a. de in het besluitvlak 'Vrijwaringszone - Dijk' gelegen gronden en bestaande bouwwerken mogen worden gebruikt overeenkomstig het bestaande gebruik;
  • b. bestaande bouwwerken mogen worden vervangen door bouwwerken van dezelfde afmetingen en op dezelfde locatie.

10.2.2 Aanvulling ten aanzien van het GEBRUIK

De voor 'Vrijwaringszone - Dijk' aangewezen gronden zijn - behalve voor de daar ook voorkomende besluit(sub)vlakken - mede aangeduid voor waterstaatkundige voorzieningen.

10.2.3 Aanvulling ten aanzien van het BOUWEN

Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 10.2.2 genoemde functie uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, mag niet meer bedragen dan:
    • 1. terreinafscheidingen: 3 m;
    • 2. de verkeers- of vaarwegaanduiding: 26 m;
    • 3. verlichtingsmasten en andere masten: 15 m;
    • 4. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 6 m;
    • 5. laad- en los inrichtingen: 30 m;
  • c. ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende besluit(sub)vlakken mag met inachtneming van de voor de betrokken besluitvlakken geldende (gebieds)regels uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering.

10.2.4 Afwijken ten aanzien van het BOUWEN

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 10.2.3 onder c, met inachtneming van de volgende regels:

  • a. de bij de betrokken functie behorende gebiedsregels worden in acht genomen;
  • b. de waterstaatkundige belangen worden door de bouwactiviteiten niet onevenredig geschaad;
  • c. alvorens omtrent het verlenen van een omgevingsvergunning te beslissen, wint het bevoegd gezag schriftelijk advies in bij de beheerder van de waterkering over de vraag of door de voorgenomen bouwactiviteiten in het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad.