direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Buitengebied, Koegorsstraat ong. Terneuzen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doel bestemmingsplan

Het bedrijf SYMACH b.v. heeft de wens om haar bedrijf te verplaatsen naar de locatie gelegen tussen de Hoofdweg en de Koegorsstraat in Terneuzen en hier haar bedrijfsactiviteiten voort te zetten.

SYMACH b.v. is fabrikant van verpakkingsmachines en momenteel gevestigd aan de Gerard Philipsweg 8 in Terneuzen en wil graag doorontwikkelen. Hiervoor is meer ruimte nodig dan nu beschikbaar is op het gevestigde adres. Gemeente heeft aangegeven dat de gekozen locatie past binnen de langetermijnvisie die enkele jaren geleden is opgesteld voor het betreffende gebied aan de noordzijde van Zuidpoort. Vanuit de gemeente wordt van Symach verwacht dat zij hier, met aansprekende architectuur en inrichting, een passende invulling zullen verwezenlijken. Gemeente heeft dan ook besloten in principe medewerking aan te verlenen aan het initiatief.

De beoogde ontwikkeling past niet binnen het geldende bestemmingsplan Buitengebied. Hierbinnen is het gebied bestemd als 'Agrarisch'. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, zal een passende bestemming moeten worden toegekend. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt ten zuiden van de kern Terneuzen, net ten zuiden van bedrijventerrein Oostelijke Kanaaloever. Aan de noordzijde grenst het plangebied aan Hoofdweg en aan de zuidzijde aan de Koegorsstraat. Aan de westzijde van het plangebied ligt het terrein van BIO Base Europe en aan de oostzijde is een woning aanwezig. Ten zuiden van het plangebied zijn plannen in ontwikkeling voor de realisatie van een leisuregebied.

De ligging van het plangebied is globaal weergegeven in figuur 1.1.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0001.jpg"

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied (paars) (bron: Luchtfoto 2021 Kadaster Nederland)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter hoogte van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied', vastgesteld op 25 juni 2013. Nadien zijn nog de Omgevingsvergunning 50 KV verbindingen Westdorpe-Terneuzen d.d. 27-5-2014 en de Facetbestemmingsplannen Terneuzen, waterstofgasleiding d.d. 15-3-2018, Parkeren Terneuzen d.d. 7-2-2019 en Wonen 1-7-2021 vastgesteld. Deze wijzigingen voorzien in respectievelijk een aanpassing van de parkeerregels en onder andere de begrippen 'wonen' en 'huishouden' en een regeling voor het maximaal aantal woningen dat per bouwvlak mogelijk is.

De gronden in het projectgebied zijn in het geldende bestemmingsplan bestemd als 'Agrarisch'. Deze gronden zijn bestemd voor de uitoefening van grondgebonden agrarische bedrijven. Bedrijfsfuncties zijn hier niet toegestaan. Voor het bouwen van gebouwen behorende bij de bestemming geldt dat deze binnen een bouwvlak, hier niet aanwezig, zijn toegestaan.

Het middelste deel van het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Tevens geldt in een deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanning ondergronds'. Deze is opgenomen ter bescherming van de ondergrondse 50 kV hoogspanningsleiding. Ook de gebiedsaanduidingen 'geluidzone - industrie - 2' en 'geluidzone - industrie - 3' zijn van kracht. Ter plaatse van deze aanduidingen zijn geen nieuwe geluidsgevoelige objecten toegestaan.

De beoogde ontwikkelingen passen zowel voor wat betreft gebruiks- als bouwmogelijkheden niet binnen de kaders van het geldende bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0002.jpg"

Figuur 1.2 Uitsnede geldend bestemmingsplan Buitengebied, plangebied blauw omrand (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0003.png" Figuur 1.3 Uitsnede facetbestemmingsplan Terneuzen, waterstofgasleiding, plangebied blauw omrand (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0004.png"

Figuur 1.4 Uitsnede Omgevingsvergunning 50 kV verbinding Westdorpe – Terneuzen, plangebied blauw omrand (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

1.4 Leeswijzer

Deze toelichting op het bestemmingsplan is als volgt opgebouwd.

  • In hoofdstuk 2 worden de structuur van het plangebied, de historie van Terneuzen en de beoogde ontwikkeling beschreven. Direct daaropvolgend is aangegeven op welke wijze de nieuwe situatie planologisch-juridisch is geregeld in voorliggend bestemmingsplan;
  • In hoofdstuk 3 wordt het actuele beleidskader beschreven en wordt de ontwikkeling hieraan getoetst;
  • In hoofdstuk 4 wordt het plan getoetst aan de diverse milieuaspecten;
  • In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

Het plangebied bevindt zich in het gebied Zuidpoort, een hoek met nu nog veelal agrarische gronden die door de realisatie van de N62 tussen de kern Terneuzen en de doorgaande route tussen Gent en Goes is ingesloten. In deze hoek zijn momenteel de Skihal, het Biosbase Europe Trainings Center en een tankstation gevestigd. Daarnaast zijn er een woning en twee agrarische bedrijven met bedrijfswoningen aanwezig. Overige gronden zijn agrarisch in gebruik. Dat is ook het geval bij de gronden van onderliggende ontwikkeling. Deze bevindt zich in een strook gronden parralel aan de Hoofdweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0005.jpg"

Figuur 2.1 Plangebied in paars met omliggende wegen (bron: Luchtfoto 2021 Kadaster Nederland)

Momenteel is het plangebied agrarisch in gebruik en worden er aardappelen geteeld. Het perceel wordt ontsloten via de Koegorsstraat aan de zuidzijde. Dit betreft een weg die met name gebruikt wordt door agrarisch bestemmingsverkeer. Deze weg sluit in het westen aan op de Zeelandlaan, van waaruit de N61 opgegaan kan worden. In het oosten sluit de Koegorsstraat aan op de Gravin Mariaweg van waaraf de N290 bereikt kan worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0006.jpg"

Figuur 2.2 Huidige situatie plangebied (Econsultancy, 2022)

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie zal hier een bedrijf worden gevestigd ten behoeve van de productie van verpakkingsmachines. Dit is een bedrijf met milieucategorie 3.2 uit de Staat van bedrijfsactiviteiten. Hoe de bebouwing er exact uit komt te zien is nog niet bekend, tevens wil men rekening houden met een mogelijke uitbreiding. Daarom wordt een flexibel bestemmingsplan gemaakt, waarbij rekening wordt gehouden met de omliggende woningen en andere belemmeringen die het plangebied met zich meebrengt. De hoogte van de bebouwing wordt gemaximeerd op 15 meter, met aan de uiteinden van het perceel 20 meter, ten behoeve van een architectonisch accent en de kantoorbehoefte. Dit sluit aan bij de bedrijfsbebouwing aan de overzijde van de Hoofdweg. De bebouwing zal bestaan uit een werkplaats en een kantoor. In de komende 10 jaar wil SYMACH uitbreiden naar een bedrijf met 150 werknemers.

Bij de positionering van de toekomstige bebouwing (het bouwvlak) wordt rekening gehouden met de aanwezige leidingen in en rondom het plangebied en de daarbij behorende veiligheidszones.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0007.png"

Figuur 2.2.1 Eerste schetsplan inrichting plangebied (bron: KOCH)

De gemeente Terneuzen verwacht hier een aansprekende architectuur voor de bebouwing en inrichting van het terrein. Planologisch kan dit niet worden vastgelegd in een bestemmingsplan. Het uiteindelijke bouwplan zal tijdens de vergunningverlening door de gemeente getoetst worden op de eisen die men voor dit gebied heeft. Daarin wordt ook de waterberging meegenomen, deze is als voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan opgenomen.

Aan de noord-, west- en zuidrand van het plangebied is de landschappelijke inpassing voorzien. Hiervoor is bestemming Groen opgenomen. Het ontwerp van de landschappelijke invulling wordt in verdere samenspraak met gemeente gedaan. Daarbij speelt mee hoe de het ontwerp binnen het plangebied Zuidpoort als groter geheel wordt ingepast. Anterieur is geregeld dat een nog goed te keuren ontwerp dient te worden gerealiseerd, er dient wel gebruik gemaakt te worden van streekeigen soorten. Daarbij is het van belang dat rekening gehouden wordt met de aanwezig leidingen. Dit betekent onder andere dat er geen opgaand groen en/of diepwortelende bomen zijn toegestaan aan de zuidkant, naast de Koegorsstraat.

2.3 Toelichting op de juridische regeling

2.3.1 Wettelijk kader

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is geregeld dat alle nieuwe ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen, digitaal moeten worden vervaardigd, met inachtneming van de daartoe wettelijk verplicht gestelde ruimtelijke ordeningsstandaarden (thans SVBP2012, IMRO2012, STRI2012). Op die wijze zijn bestemmingsplannen onderling vergelijkbaar en ook digitaal uitwisselbaar.

Ook de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de gemeentelijke standaardregels voor de bestemmingsplannen zijn van belang voor bestemmingsplannen.

2.3.2 Opzet van de bestemmingsregeling
2.3.2.1 Verbeelding

Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden.

Op de verbeelding wordt met bestemmingen en aanduidingen aangegeven welk gebruik is toegestaan en of er ten behoeve van die bestemmingen mag worden gebouwd. Op de analoge verbeelding worden de bestemmingen door middel van hoofdletters aangeduid, zoals 'B' voor 'Bedrijf'. Met aanduidingen kan het gebruik nader worden gespecificeerd en het bouwen worden gereguleerd.

2.3.2.2 Regels

Op grond van SVBP2012 hebben de hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen, de volgende vaste volgorde.

  • In hoofdstuk 1 (Inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd en wordt de wijze van meten bepaald.
  • In hoofdstuk 2 (Bestemmingsregels worden in alfabetische volgorde van de naam van de bestemmingen de regels gegeven waarmee die bestemmingen zoals die op de verbeelding voorkomen, nader worden omschreven.
  • Hoofdstuk 3 (Algemene regels) bevat een aantal regels (voorheen bepalingen genoemd) die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelbepaling of de bepaling welke wettelijke regeling van toepassing).
  • Hoofdstuk 4 (Overgangs- en slotregels) ten slotte bevat het overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.

Ook bij de opstelling van een bestemming (Hoofdstuk 2 van de regels) moet een vaste volgorde gebruikt worden: Een bestemmingsregel behoeft niet alle voorgeschreven elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.

Voorts is in het Bro een aantal bepalingen opgenomen waaraan de regels van het bestemmingsplan moeten voldoen. Het gaat hierbij om een aantal begrippen, regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti-dubbeltelbepaling.

Tot slot dienen de regels zoveel mogelijk aan te sluiten bij de regels van andere bestemmingsplannen binnen de gemeente Terneuzen.

2.3.2.3 Gehanteerde bestemmingen

Artikel 3 Bedrijf  

De bestemming 'Bedrijf' is opgenomen voor de gronden waar de beoogde ontwikkeling van het bedrijf. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' zijn bedrijven uit categorie 2 tot en met categorie 3.2 van de Staat van bedrijfsactiviteiten bedrijventerrein toegestaan. Daarnaast zijn bijbehorende voorzieningen zoals ontsluitingswegen, parkeervoorieningen, groenvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen toegestaan. Binnen het bouwvlak zijn gebouwen toegestaan, waarbij het bebouwingspercentage maximaal 80% is. De maximale bouwhoogte van de gebouwen is 15 meter in het centrale deel van het perceel en 20 meter aan de zuidwest- en noordoostzijde. Daarnaast zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde toegestaan met een bouwhoogte van 6 meter, uitgezonderd erf- en terreinafscheidingen (maximaal 3 m), verlichtingsmasten en andere masten (maximaal 15 m) en windturbines (maximaal 20 m).

Artikel 4 Groen

Ten behoeve van de benodigde afstand en afscheiding alsmede de benodigde waterberging is de bestemming 'Groen' opgenomen in het oosten van het plangebied. Deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, waterberging en bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals water en waterhuishoudkundige voorzieningen (zie ook paragraaf 4.5) en geluidwerende voorzieningen. Gebouwen zijn hier niet toegestaan. Wel zijn bouwwerken geen gebouwen zijnde met een maximale hoogte van 3 meter toegestaan. Voor verlichtingsmasten en andere masten is een maximale hoogte van 9 meter toegestaan.

Artikel 6 Leiding - Gas - gemengd 2, Artikel 7 Leiding - Hoogspanning ondergronds, Leiding - Water

De ruimtelijk relevante gas-, water en hoogspanningsleidingen zijn als zodanig bestemd. Aangezien leidingen in alle gevallen samenvallen met andere bestemmingen (met name de bestemming Bedrijf) zijn deze bestemmingen als dubbelbestemming opgenomen. Ten behoeve van de dubbelbestemming Leiding mogen uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd. Ten behoeve van de samenvallende bestemmingen dient het bouwen steeds aan het leidingenbelang te worden getoetst. In de dubbelbestemmingen is een afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor de realisatie van gebouwen, indien belang van de leiding(en) door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant.

De vertaling van de leidingen naar de dubbelbestemmingen is als volgt:

Zie verder ook paragraaf 4.9.

Artikel 9 Waarde - Archeologie 3

Bij een grondverstoring groter dan 1.000 m² en dieper dan de vrijstellingsdiepte moet archeologisch onderzoek worden uitgevoerd om te inventariseren of archeologische waarden aanwezig zijn. Zie ook paragraaf 4.3.2.

2.3.2.4 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deel erf kan worden betrokken.

Artikel 11 Algemene bouwregels

Dit artikel bevat één lid. Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken.

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

In dit artikel is het strijdig gebruik vermeld.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

Het gehele plangebied is gelegen in de geluidzone van het gezoneerd industrieterrein ‘Oostelijke Kanaaloevers’. Hiervoor is de aanduiding 'geluidzone - industrie 2' opgenomen. Een klein deel van het plangebied ligt in de geluidzone van het gezoneerd industrieterrein ‘Sluiskil - Oost’. Hiervoor is de aanduiding 'geluidzone - industrie 3' opgenomen. Slechts onder voorwaarden zijn op deze locaties geluidgevoelige functies toegestaan.

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels

Voor ondergeschikte afwijkingen van de bestemmingsplanbepalingen (de bouwregels) is een algemene afwijkingsregel opgenomen.


Artikel 15 Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die van artikel 13. Vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Overigens geldt ook hier dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen.

Artikel 16 Overige regels

In dit artikel wordt verwezen naar de 'werking wettelijke regeling' waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het Staatsblad. Ook is in dit artikel een parkeerregeling opgenomen en een voorwaardelijke verplichting vanuit het aspect windhinder.

2.3.2.5 Overgangs- en slotbepalingen

In artikel 17 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. Artikel 18 bevat de slotregel van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3 Beleidskaders

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De belangrijkste speerpunten uit de NOVI zijn:

  • Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat we Nederland zo inrichten dat ons land de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat we functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) inpassen. Een voorbeeld hiervan is het op termijn verhogen van grondwaterstanden in veenweidegebieden;
  • De verandering van de energievoorziening. Bij de inpassing van duurzame energie hebben we oog voor omgevingskwaliteit. Een voorbeeld hiervan is dat we eerst kijken naar ongebruikte daken om zonnepanelen op te plaatsten;
  • De overgang naar een circulaire economie, waarbij we tegelijk goed kunnen blijven concurreren en een aantrekkelijk vestigingsklimaat bieden. Een voorbeeld is het aanpassen van productieprocessen en het gebruik van reststoffen in het haven- en industriegebied;
  • De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee sturen we op een goed bereikbaar netwerk van steden. We gebruiken zo de ambities en mogelijkheden in steden en regio's in heel Nederland. Voorbeelden van regionale uitwerking hiervan zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden;
  • Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. We maken daarbij gebruik van een voorkeursvolgorde logistieke functies;
  • Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap. We werken bijvoorbeeld aan de overgang naar de kringlooplandbouw zodat gebruik van de grond meer wordt afgestemd op de natuurlijke water- en bodemsystemen.

Het stellen van de bovenstaande prioriteiten kan een situatie maken dat belangen soms botsen. Om in zo’n situatie keuzes te maken worden er drie afwegingsprincipes gebruikt:

  • Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI zoeken we naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte.
  • Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied.
  • Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.

De uitvoering van de NOVI moet gezamenlijk worden aangepakt. Rijk, provincies en gemeenten gaan meer samenwerken als één overheid. Ook staat participatie centraal. Daarnaast is de NOVI continu in beweging. Het is de bedoeling dat het zich continu aanpast aan ontwikkelingen, in een permanent en cyclisch proces. Inwoners moeten een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.

In de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) heeft het Nederlandse kabinet acht NOVI-gebieden aangewezen. NOVI-gebieden kennen grote integrale opgaves/transities die essentieel zijn voor Nederland, waarbij samenwerking Rijk-regio en verder denken dan bestaande kaders mogelijk noodzakelijk is, met toegevoegde waarde ten opzichte van de huidige inzet. Het plangebied valt in het NOVI_gebied Zeeuswe havens/Zeeuws-Vlaamse kanaalzone. Hier is een rol voor het Rijk in bij het grensoverschrijdende havenbedrijf en de problematiek die hier bij hoort en de opgaven die bij bevolkingsdaling horen.

Novex

In het programma NOVEX (Nationale Omgevingsvisie Extra) werken alle overheden samen aan een plan voor de inrichting van Nederland. Daarvoor moet eerst duidelijk zijn wat de ruimtevragers zijn, wat er ruimtelijk moet worden ingepast. Zowel nationaal als regionaal. De nationale doelen en belangen zijn samengebracht in een startpakket. Dit startpakket vormt de basis voor het leggen van de ruimtelijke puzzel per provincie.

Er zijn zestien NOVEX-gebieden aangewezen waar grote ruimtelijke transities vragen om een apart ontwikkelperspectief. North Sea Port District, waar de regio Terneuzen ook in valt, is een van deze gebieden. De opgave is het district ontwikkelen tot één complementair grens- en Westerschelde overschrijdend woon-leer-werkgebied zodat de diverse deelgebieden elkaar versterken wat betreft kwaliteitsvolle woon- en leefkwaliteit, onderwijs, kennisontwikkeling en arbeidsmarkt. (I): Aantrekkelijk leeflandschap: natuur, zoetwater, landschap, recreatie en erfgoed klimaatadaptief versterken als basis voor een goede woon- en leefomgeving van inwoners en werknemers, en als tegenhanger voor intensievere benutting van havengebied.

De uitkomsten van de programma’s NOVEX en Mooi Nederland leiden tot nieuw nationaal ruimtelijk beleid: de aangescherpte NOVI.

Toetsing

De Nationale Omgevingsvisie wordt gekenmerkt door een hoog abstractie- en schaalniveau en heeft geen directe belangen die geborgd moeten worden ten aanzien van het plangebied en de beoogde ontwikkeling.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Het Rijk heeft met het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro), de nationale ruimtelijke belangen juridisch vastgelegd. Het gaat om regels voor onder meer het bundelen van verstedelijking, de bufferzones, nationale landschappen, de kust, grote rivieren en militaire terreinen.

Toetsing

Voor het plangebied geldt dat bij de ontwikkeling van het voorgenomen plan geen nationale belangen uit het Barro in het geding zijn.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Ieder plan dat nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maakt, moet een verantwoording bevatten van de ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6. lid 2 Bro). De ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument met het doel efficiënt ruimtegebruik te bevorderen. Voor stedelijke projecten moet de behoefte worden beschreven. Indien het bestemmingsplan de ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

De ladder is van toepassing als een plan wordt aangemerkt als 'nieuwe stedelijke ontwikkeling'. Of er sprake is van een 'stedelijke ontwikkeling' wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat een functiewijziging van meer dan 500 m2 bvo wordt gezien als nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Toetsing

Het geldende bestemmingsplan maakt geen bedrijfsbestemming mogelijk. Het gebied heeft nu een agrarische bestemming.

Het nieuwe bestemmingsplan voorziet in nieuw planologisch ruimtebeslag van 5 hectare bedrijventerrein. Vanaf 500 m2 is er in principe sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Beleidsmatig is het gebied aangemerkt als “bedrijventerreinen, haven en industrie”. Op basis van het stedenbouwkundige kader voor de Zuidpoort-Koegorspolder (maart 2015) is het gebied ook aangewezen als gebied voor bedrijvigheid (zie paragraaf 3.3.2).

Toch wordt het volgens het Bro gezien als stedelijke ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied. In dat geval moet de behoefte worden beschreven en worden gemotiveerd waarom niet binnenstedelijk in de behoefte kan worden voorzien. Wij kunnen daarvoor gebruik maken van de gegevens uit de provinciale prognose bedrijventerreinen en regionale afspraken.

Beschrijving behoefte

SYMACH b.v. is fabrikant van verpakkingsmachines en momenteel gevestigd op vier verschillende locaties. D grootste vestiging ligt aan de Gerard Philipsweg 8 in Terneuzen. Daarnaast wordt op diverse locaties ruimte gehuurd. Het bedrijf wil graag doorontwikkelen. Hiervoor is meer ruimte nodig dan nu beschikbaar is op het gevestigde adres. Het oppervlakte van het huidige bedrijf is 5.750 m², waarvan ongeveer 900 m² kantoor. De vertreklocatie zal worden herontwikkeld (zie ook figuur 3.1.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0008.jpg"

Figuur 3.1.1 Huidige locaties Symach

Specifieke behoefte uitbreiding bedrijf

Het bedrijf is de afgelopen 13 jaar met 300% gegroeid en wil deze groei doorzetten. Om voor de komende paar jaar in de groei te kunnen voorzien is een nieuwe productiehal van tenminste 7.500 m² en een perceel van tenminste 3 hectare noodzakelijk. Omdat het bedrijf ook wil voorbereiden op uitbreidingen op lange termijn heeft het bedrijf een ruimtebehoefte van meer dan 4 hectare. Op de huidige locaties van het bedrijf is daarvoor niet voldoende ruimte. Het bedrijf wil graag met haar medewerkers in de regio blijven en zoekt daarom een geschikte locatie binnen gemeente Terneuzen. Op het bestaande bedrijventerrein is daarvoor geen geschikte locatie beschikbaar.

Algemene behoefte bedrijventerrein Zeeuws-Vlaanderen en Terneuzen

Uit de prognose bedrijventerreinen Zeeland (13 januari 2020) blijkt dat er in Zeeuws-Vlaanderen 24-53 hectare nieuw bedrijventerrein nodig is.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0009.png"

Begin 2020 was er 70,8 hectare beschikbaar (harde plancapaciteit).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0010.png"

Regionale afspraken (Regionaal Bedrijventerreinenprogramma Zeeuws-Vlaanderen 2016-2025)

Doel is om te komen tot een aanbod van aantrekkelijke toekomstbestendige bedrijventerreinen, waar de aanwezige bedrijven ruimte krijgen om te ondernemen en waar nieuwe bedrijvigheid zich wil vestigen.

Zeeuws-Vlaanderen beschikt over 64 bedrijventerreinen. De meeste bedrijventerreinen zijn lokale, kleinschalige bedrijventerreinen. Haarmanweg (Kanaaloevers), Terneuzen-Zuid (Koegorsstraat) en Handelspoort/Handelspoort Zuid in Terneuzen en Hogeweg in Hulst zijn grootschalige bedrijventerreinen en bedienen een (boven)regionale vraag.

Terneuzen is het economische hart van de regio. Grote bedrijven zorgen voor directe en indirecte werkgelegenheid. Terneuzen is een havenstad, dit geeft de stad een internationaal karakter, over het water is de rest van de wereld bereikbaar. Terneuzen vormt samen met het havengebied van Vlissingen (Zeeland Seaports), de derde haven van Nederland. Maar Terneuzen vormt ook samen met Gent de Kanaalzone. Het Kanaal van Gent naar Terneuzen is geografisch gezien één haven- en industriegebied, gescheiden door de landsgrens. Terneuzen kent goede verbindingen naar het noorden via de Westerscheldetunnel en naar het zuiden richting Gent. De havengebieden zijn via het goederenspoor aangesloten op het Belgische spoorwegennet. Een spoorverbinding ten oosten van het kanaal is nog een wens. Wel vinden er de komende jaren andere grote infrastructurele investeringen plaats. De Tractaatweg is vanaf de Sluiskiltunnel tot aan de Belgische grens verdubbeld. En een nieuwe sluis moet de bereikbaarheid van de havens in de Terneuzense en Gentse Kanaalzone sterk verbeteren. De bouw van deze sluis leidt ook tot een verplaatsing van bedrijven die momenteel op en rondom de sluis en aan de Schependijk zijn gevestigd. Verder is gestart met de aanleg van het kanaal dat de Seine en de Schelde met elkaar moet verbinden. Hierdoor is Terneuzen voor de binnenvaart niet alleen het ‘Portaal van Vlaanderen’, maar ook van Noord-Frankrijk. Het is zaak hier goed op in te spelen en deze ontwikkelingen te benutten voor Terneuzen als multimodaal logistiek knooppunt.

De vraag naar bedrijfsruimte neemt de laatste jaren sterk toe. Concreet is er meer vraag gericht op grootschalige bedrijventerreinen (minimaal 5 ha.) Binnen het huidige aanbod beschikbare bedrijventerreinen is hiervoor weinig of geen geschikte ruimte voorradig. De raming uit de prognose bedrijventerreinen Zeeland (STEC rapportage van 2020), welke de basis biedt voor het regionaal bedrijventerreinenprogramma 2020-2030, geeft ook een duidelijk signaal. De verwachte uitbreidingsvraag voor de regio overstijgt het aanbod ruimschoots. Ondanks dat er op papier nog ruim 14 ha voorhanden lijkt, verdeeld over bedrijventerrein Handelspoort Zuid en Koegorsstraat, is er daadwerkelijk nog maar 2 ha echt vrij voorhanden (enkele geïnteresseerden bekend voor deze laatste kavel). Overige 12 ha is momenteel in (betaalde) optie uitgegeven of is een koopakte in voorbereiding. Op deze manier is er geen sprake van ‘vrij’ uitgeefbare grond. Hierdoor ontstaat er behoefte aan uitbreiding van grootschalig bedrijventerrein.

STEC geeft in de prognose voor 2020-2030 ruimte voor 39ha bij WLO-hoog. (WLO-hoog is te verdedigen omdat reeds nu de gronden zo goed als allemaal zijn uitgegeven).

Daadwerkelijk is er een voorraad van 30ha. Hierdoor is er voor Zeeuws Vlaanderen nog 9 ha uit te breiden aan bedrijventerreinen, uitgaande van gelijke verdeling betekent dit 3ha per gemeente. Verder is er in Terneuzen een transformatie van 13,4ha bedrijventerrein bezig (10,8ha Sluizencomplex en Beurtvaartkade, 2,60ha Sasse Poort). Dit beteketn dat er nog 16,4 hectare ruimte in het regionale bedrijventerreinprogramma is voor nieuwe bedrijventerreinen.

Om ook in de toekomst voor Terneuzen een goed vestigingsklimaat te kunnen bieden is het noodzakelijk in te springen op nieuwe uitbreiding. Binnen Terneuzen is gekeken naar mogelijkheden en locaties voor een nieuw te vestigen bedrijventerrein. Vanuit ruimtelijk beslag is het wenselijk zoveel mogelijk aansluiting te zoeken binnen de bestaande contouren van de bedrijventerreinen. Vanuit die gedachte is de locatie van het plangebied Zuidpoort naar voren gekomen.

Motivering locatiekeuze

De locatie bevindt zich binnen het gebied Zuidpoort dat is aangewezen in de structuurvisie als ontwikkellocatie voor diverse functies en uiteindelijk onderdeel zal gaan uitmaken van het stedelijk gebied van Terneuzen. Binnen Zuidpoort is verder nog geen uitgewerkt kader voorhanden om sturing te geven bij initiatieven. Wel is er een stedenbouwkundig kader van Zuidpoort en Koegorspolder uit 2015.

Vanwege de omzoming van het plangebied Zuidpoort door de N61, N62 en de N290 ontstaat een uniek gebied waar ruimte ontstaat voor een nieuw grootschalig bedrijventerrein. Op deze manier wordt aansluiting gevonden bij bedrijventerrein Oostelijke Kanaaloever ten noorden van het plangebied. En met de Koegorspolder ten zuiden van het plangebied. De enige onderbrekingen binnen het totaal gebied aan grootschalige bedrijventerreinen zijn de aanwezige ontsluitingswegen. Door de ligging en omvang voorziet Zuidpoort in ruimte voor Leisurefuncties en hoogwaardige (technologische) bedrijven die gedijen in zichtlocaties.

In het totaal perspectief ontstaat op deze manier een smal aaneengesloten lint van grootschalige bedrijventerreinen parallel langs de watergebonden havenactiviteiten binnen Terneuzen. Met Zuidpoort wordt dit lint verder ingevuld. De locatie van Zuidpoort is daarbij meest denkbare en logische en meteen afgebakende locatie voor nieuwe grootschalige bedrijventerreinen binnen Terneuzen. Alternatieve locaties zijn niet of nauwelijks mogelijk aan de oostzijde van het kanaal Gent-Terneuzen.

De locatie betreft een zichtlocatie aan de N61 tegenover bestaand bedrijventerrein. De ontwikkeling van Zuidpoort tussen de N61 en N62 heeft met de vestiging van Biobase Europe en de Skihal een start gemaakt.. Op het huidige bedrijventerrein zijn bovendien geen geschikte locaties gevonden.

Symach B.V. heeft met name personeel uit de directe omgeving van Terneuzen en beschouwd het verhuizen uit Terneuzen of direct omgeving als een risico voor zowel het verliezen van huidig personeel als het vinden van nieuw personeel.

De beoogde locatie past binnen de structuurvisie Terneuzen 2025 en sluit qua ontwikkelings- en groeimogelijkheden aan bij de ambities van SYMACH. Daarnaast levert en behoudt de ontwikkeling werkgelegenheid op voor personeel uit Terneuzen of de directe omgeving. Daarmee is aangetoond dat het planvoornemen past binnen de Ladder voor duurzame verstedelijking.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 De Zeeuwse Omgevingsvisie

De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.

De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050:

  • 1. uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland;
  • 2. balans in de grote wateren en het landelijk gebied;
  • 3. een duurzame en innovatieve economie;
  • 4. klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

De verandering van het klimaat als gevolg van de uitstoot van broeikasgassen heeft ingrijpende gevolgen. De zeespiegel stijgt en weerextremen zoals overvloedige neerslag, lange periodes van hitte en droogte en stormen gaan vaker optreden. Dit resulteert in een groter risico op overstroming, wateroverlast, hittestress en ernstig watertekort/droogte. De gevolgen van klimaatverandering zijn zeker voor Zeeland van belang. Bescherming tegen het water, maar ook het gebruik van het water verdient daarom de continue aandacht. De provincie wil binnen haar mogelijkheden haar bijdrage leveren aan het beperken van het klimaatprobleem; zowel aan de bron als in de gevolgen.

Zeeland wil economische ontwikkeling zo veel mogelijk faciliteren. Goede werk- en bedrijfslocaties zijn daarvoor nodig. Er wordt gestreefd naar een concentratie op bedrijventerreinen, met de nadruk op ontwikkeling van de grootschalige terreinen. Een verdere toename van het aantal kleinschalige bedrijventerreinen is niet wenselijk. Binnen Zeeland wordt vraag en aanbod van bedrijventerreinen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd. Hiervoor wordt iedere drie jaar een prognose opgesteld waarin de behoefte voor de volgende 10 jaar wordt bepaald. Deze prognose is een uitgangspunt voor de regionale bedrijventerreinenprogrammering van de gemeenten. Hierin worden regionaal afspraken gemaakt over ontwikkeling, uitbreiding en herstructurering van bedrijventerreinen.

Toetsing en conclusie

De ontwikkeling past in de regionale bedrijventerreinenprogrammering. De locatie bevindt zich aan de overzijde van weg langs het bedrijventerrein Oostelijke Kanaaloever en draagt daarnaast bij aan de ontwikkeling van het gebied Zuidpoort. Hiermee maakt het onderdeel uit van een grootschaligere ontwikkeling die aansluit bij het provinciaal beleid uit de Omgevingsvisie.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018

De regels zoals opgenomen in de Provinciale Omgevingsverordening 2018 (inclusief wijzigingen) hebben een directe doorwerking naar ruimtelijke plannen zoals een bestemmingsplan.

Toetsing

In Artikel 2.3 Bedrijven zijn regels opgenomen voor de vestiging van bedrijven. Voor onderliggende ontwikkeling is lid 3 van belang:

In de toelichting bij een bestemmingsplan voor een nieuw bedrijventerrein, alsmede de uitbreiding van een bedrijventerrein, wordt aannemelijk gemaakt dat:

  • a. het plan bijdraagt aan of niet in strijd is met de doelstelling dat 80 procent van de bedrijvigheid regionaal wordt geclusterd op of aansluitend aan grootschalige bedrijventerreinen en
  • b. duurzaam beheer en onderhoud van het bedrijventerrein gewaarborgd is.

Het plan is nieuw bedrijven terrein dat onderdeel uitmaakt van een grotere ontwikkeling. De realisatie van een nieuw bedrijf hier sluit aan op de verschillende (gemeentelijke) beleidstukken en voorziet in de clustering van bedrijven, in dit geval rondom Terneuzen. Daarmee draagt het planvoornemen bij aan de doelsteling op bedrijvigheid regionaal te clusteren en wordt bovendien een bijdrage geleverd aan het behoud en de versterking van de werkgelegenheid van Terneuzen en de gemeenten daaromheen. Voor de ontwikkeling van Zuidpoort Terneuzen is een visie opgesteld waarbij het gebied gefaseerd ontwikkeld zal worden. De ontwikkeling van het bedrijventerrein tussen de N61 en de Koegorsstraat is daarin de eerste fase. De provincie heeft aangegeven akkoord te zijn met de visie en de ontwikkeling van Zuidpoort als bedrijventerrein. Daarnaast wordt de ontwikkeling opgenomen in de actualisatie van het regionaal bedrijventerreinenprograamma 2023, vaststelling hiervan is in het najaar van 2023 voorzien.

Met het bedrijf zullen afspraken gemaakt worden over het beheer en onderhoud.

Conclusie

Omdat de provincie akkoord is met de ontwikkeling van het totaalgebied Zuidpoort als grootscahlig bedrijventerrein wordt voldaan aan provinciaal beleid en past de otnwikkeling binnen de kaders van de verordening.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Terneuzen 2025

In de Structuurvisie Terneuzen 2025 wordt op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Terneuzen op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied zou moeten staan in 2025. De structuurvisie steunt op diverse beleidsdocumenten zoals de Gebiedsvisie Zeeuws-Vlaamse Kanaalzone en een aantal sectorale notities zoals de Structuurvisie Detailhandel, het wegencategoriseringsplan, het actieplan Economie en de notitie 'Op pad' van de provincie Zeeland, die als bouwstenen hebben gediend.

Bij het opstellen van de structuurvisie is gebruik gemaakt van de zogenaamde lagenbenadering, die de kwaliteiten in een gebied met elkaar in verband brengt. De lagenbenadering wordt gezien als een zorgvuldige methode om ruimtelijke keuzes te onderbouwen.

Zuidpoort

In de structuurvisie voor Terneuzen wordt ingegaan op de gunstige ligging van het plangebied. Regionale functies die van deze locatie zouden kunnen profiteren zijn leisure functies, het onderwijs, de grootschalige detailhandel en de kantoorachtige bedrijvigheid. De Zuidpoort biedt tevens ruimte voor kantoorachtige bedrijven, waarvoor aan de rand van de binnenstad geen ruimte gevonden kan worden.

Het strategische project is erop gericht een ruimtelijk kader te creëren, waarbinnen verschillende functies een plek kunnen krijgen, waardoor symbiosemogelijkheden ontstaan. Tegelijkertijd zal het ruimtelijk kader een robuuste langzaam-verkeersverbinding moeten faciliteren over het kanaal heen. Doelstelling is dat de Zuidpoort aan het eind van de structuurvisieperiode de dynamische schijf is waar onderwijs en bedrijvigheid aan elkaar gekoppeld zijn en waar veel mensen weet van hebben omdat de Zuidpoort tegelijkertijd regionaal leisure centrum vormt. Het project kent een sterke relatie met het project Binnenstad (vanwege de afstemming van kantoor- en detailhandelsfuncties) en met het project Complex Koegorspolder/Axelse Vlakte (vanwege de afstemming van bedrijfsfuncties).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0011.png"

Figuur 3.1: Visiekaart Structuurvisie Terneuzen 2025

Toetsing

Het plangebied ligt in de zone aangeduid als 'Verbinden (kanaalzone)' en 'Transformeren'.

Voor de strategie 'Verbinden (kanaalzone)' geldt:

In de Kanaalzone is het van belang om naast de verschillende industriële complexen ook het groene landschappelijke raamwerk voldoende stevigheid te geven. De Kanaalzone mag daarbij niet dichtslibben tot één aaneengesloten industrieel complex. De geleding is mogelijk op drie plaatsen:

  • 1. De noordelijkste zone ligt op het grensvlak van de Westerschelde en dient tevens om de relatie tussen de binnenstad van Terneuzen en de Westerschelde te verbeteren.
  • 2. Het tweede onderdeel van de geledingszone wordt gevormd door de omgeving van de brug van Sluiskil. Op deze plek slechten een aantal infrastructuurbundels de barrière van het kanaal. De ondertunneling van de N61 en de ontwikkeling van Zuidpoort kan hierbij als kans dienen om de verbindingen te versterken.
  • 3. De zuidelijke geledingzone wordt gevormd door de begrenzing van de Autrichepolder aan de noord-oostzijde en de begrenzing van Ghellinckpolder aan de zuidwestzijde. Deze geleding kent de meest landschappelijke insteek en dient tevens als ecologische verbinding.

De locatie is niet gelegen in een van de plaatsen waar geleding mogelijk wordt geacht, maar als kans om de verbinding te versterken. Met de realisatie van een uitbreiding van het bedrijventerrein aan de andere kant van de N61 wordt invulling gegeven aan de ontwikkeling van Zuidpoort langs de N61.

Voor 'Transformeren' geldt:

Het gebied tussen Terneuzen-zuid en het Sluiskiltunneltracé (Zuidpoort) zal in aanvulling op het reeds bestaande skihalcomplex een transformatie ondergaan. Programma-onderdelen kunnen betrekking hebben op leisure, zorg, onderwijs en stedelijke bedrijvigheid.

De ontwikkeling betreft een type bedrijf met kantoorfunctie. Voorwaarde voor de ontwikkeling die gemeente heeft gesteld is een hoogwaardige architectuur, wat aansluit bij de doelen uit de structuurvisie voor de zichtlocatie.

3.3.2 Terneuzen Zuidpoort-Koegorspolder Stedenbouwkundig Kader

Door de realisatie van de N62 door de Koegorspolder is er een nieuw gebied ontstaan tussen de N61 en de N62 genaamd Zuidpoort. Gemeente heeft voor de ontwikkeling van dit gebied een stedenbouwkundig kader opgesteld. Doel is om Terneuzen zich in dit gebied te laten presenteren. De rand van Terneuzen krijgt hier een hoogwaardige stedelijke sfeer die ook tot uitdrukking komt in de inrichting van het openbaar gebied. Aan te trekken bedrijvigheid voor zichtlocaties dient aan te sluiten bij deze ambitie. Op de locaties met minder grote zichtbaarheid binnen het plan kunnen lagere kwaliteitseisen worden gesteld. De zichtlocaties bevinden zich met name langs de hoger gelegen N62. Doelstelling is om diverse clusters met bedrijven te vormen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0012.png" Figuur 3.2 Stedenbouwkundig kader Zuidpoort, locatie in rood kader (Terneuzen Zuidpoort - Koegorspolder Stedenbouwkundig Kader)

Toetsing

Onderliggende ontwikkeling is een uitwerking van de ontwikkeling van het stedenbouwkundig kader waarbij het noordelijke cluster bedrijvigheid wordt ingevuld.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1 Besluit m.e.r

Toetsingskader
In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten planmer-plichtig, projectmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van de projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Sinds 7 juli 2017 is een aanpassing van het Besluit m.e.r. in werking getreden met daarin een nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Zo moet voor de ontwerpbestemmingsplanfase een m.e.r-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapportage nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Onderzoek en conclusie
In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer betreft. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de toevoeging van maximaal 5 hectare bedrijventerrein met maximaal 23.980 m² bebouwd oppervlak. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.

Opgemerkt dient te worden dat voor activiteiten die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, toch dient te worden nagegaan of er sprake kan zijn van belangrijke gevolgen voor het milieu.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld waaruit blijkt dat geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is. De aanmeldnotitie is in bijlage 10 toegevoegd.

4.2 Verkeersaspecten

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling.

4.2.1 Verkeersontsluiting

Gemotoriseerd verkeer

Het plangebied wordt aan de zuidzijde ontsloten via de Koegorsstraat, een weg die uitkomt op de voorrangskruising met de Zeelandlaan / Meester F.J. Haarmanweg in het westen en de gelijkwaardige kruising met de Gravin Mariaweg in het oosten. Vanuit deze wegen kan respectievelijk de N61 en N290 worden bereikt. Dit zijn gebiedsontsluitingswegen waar een maximum snelheid van 80 km/uur geldt. De Koegorsstraat, Gravin Mariaweg, Meester F.J. Haarmanweg en Zeelandlaan zijn erftoegangswegen met een snelheidsregime van 60 km/uur. De Koegorsstraat verandert ter hoogte van het plangebied in een weg zonder as- en kantmarkering. De ontsluiting van het plangebied voor gemotoriseerd verkeer is goed.

Langzaam verkeer

Langs de Meester F.J. Haarmanweg ligt aan een zijde een gescheiden twee richtingsfietspad. Dat is ook zou langs de Koegoersstraat vanaf de Kruising met de Zeelandlaan in westelijke richting. Ter hoogte van het plangebied is geen vrijliggend fietspad aanwezig. Er zijn geen voetpaden aanwezig. Voor fietsers die vanaf de Meester F.J. Haarmanweg de Koegorsstraat kruisen, is er een oversteek aanwezig.

Openbaar vervoer

Het plangebied wordt per openbaar vervoer ontsloten met een aantal buslijnen, die reizigers richting Hulst, Sas van Gent en Goes brengen. De dichtstbijzijnde bushalte waar deze lijnen halteren is 'Terneuzen Ziekenhuis'. Deze haltes ligt op circa 15 minuten loopafstand van het plangebied.

4.2.2 Verkeersgeneratie en verkeersafwikkeling

De verkeersgeneratie wordt berekend op basis van kencijfers uit CROW publicatie 381 (Toekomstbestendig parkeren, 2018).

Het kencijfer voor een hoogwaardig bedrijventerrein betreft per hectare netto bedrijventerrein 174 mvt/etmaal en 34 vrachtwagenbewegingen/etmaal. Er wordt bij deze berekening gerekend met netto bedrijventerrein, uitgaande van het bouwvlak is dit 29.975 m². Dit betekent een verkeersgeneratie van 623 mvt/etmaal, waarvan 101,9 mvt/etmaal vrachtwagenbewegingen. Dit is hoger dan in de praktijk verwacht wordt. Het bedrijf heeft aangegeven dat er een verwachte groei naar 150 werknemers over 10 jaar is. Een deel van de werknemers zal gebruik maken van het fietsverkeer en niet met de auto naar het werk komen, zoals in de huidige situatie ook het geval is. Daarnaast zijn dan circa 20-25 verkeersbewegingen per dag vrachtverkeer te verwachten.

Verkeer zal via de westzijde worden afgewikkeld in de richting van de Zeelandlaan en de N61. De N61 heeft voldoende capaciteit om de toename te kunnen afwikkelen. De Koegorsstraat heeft een capaciteit 500 mvt/etmaal en wordt in de huidige situatie nauwelijks gebruikt. Voor de vervolgontwikkeling, in samenhang met de verdere ontwikkeling van het gebied worden momenteel gesprekken gevoerd tussen gemeente en Waterschap Scheldestromen over het eigendom van de weg. Insteek is dat het eigendom van de weg in handen zal komen van de gemeente en eventuele benodigde maatregelen ten aanzien van aanpassingen aan de weg zijn dan ook niet voor het waterschap. In een eerste fase wordt, indien mogelijk, voorzien in een aansluiting van het nieuwe bedrijf op de Koegorsstraat zo dicht mogelijk aan de westzijde van de perceelgrens. Ter hoogte van het naastgelegen bedrijf Biobase wordt de weg in de toekomst verbreed om meer capaciteit voor afwikkeling van het verkeer mogelijk te maken. Hetgeen noodzakelijk is voor vervolgontwikkelingen in dit gebied.  

4.2.3 Parkeerbehoefte

Voor de beoogde ontwikkeling is de parkeerbehoefte berekend volgens de parkeernormen die zijn opgenomen in de Parkeernota 2015-2020 (Gemeente Terneuzen), inclusief de aanpassing van de nota zoals die door de gemeenteraad op 24 april 2020 is vastgesteld. De aanpassing is gebaseerd op de nieuwste kencijfers uit de CROW, publicatie 381.

Parkeerbehoefte

In de Parkeernota 2015-2020 is een parkeernorm van 1,05 pp per 100 m² opgenomen voor arbeidsintensief / bezoekersextensieve bedrijven. Hierbij is rekening gehouden met een aandeel van 5% voor bezoekersparkeren.

Dit betekent bij een bvo van 7.500 m² (fase 1)en parkeerbehoefte van 79 pp. Hiervoor is voldoende ruimte, in de eerste plannen is rekening gehouden met 86 parkeerplaatsen.

In voorliggend bestemmingsplan is een voorwaardelijke bepaling opgenomen dat voorzien moet worden in voldoende parkeergelegenheid op basis van de parkeernormen uit de parkeernota van gemeente Terneuzen. Daarmee is verzekerd dat voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien.

4.2.4 Conclusie

De verkeersontsluiting is voor alle modaliteiten goed. Daarnaast leidt de verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling niet tot knelpunten in de verkeersafwikkeling. Het plan voorziet in voldoende ruimte om aan de parkeernormen van de gemeente Terneuzen te voldoen.

4.3 Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht. De uitgangspunten uit de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk blijven in de Erfgoedwet de basis van de Nederlandse omgang met cultuurhistorie. Hierin is opgenomen dat gemeenten bij het nemen van ruimtelijke besluiten rekening moeten houden met de aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten. De facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Voor de beoordeling van het aspect cultuurhistorie is de cultuurhistorische waardenkaart, als onderdeel van de Structuurvisie 2025 van de gemeente Terneuzen beschikbaar.

Onderzoek

De cultuurhistorische waardenkaart van de gemeente Terneuzen bestaat uit drie kaartbladen: 'behoud', 'behoud door ontwikkeling' en 'vernieuwing mogelijk'. In figuren 4.1 - 4.3 zijn uitsneden van de drie kaartenbladen voor het beoogde plangebied weergegeven inclusief legenda. Hierna wordt per kaartblad uitgelegd welke strategie voor de locatie geldt.

  • Behoud: Ten zuiden van het plangebied ligt een kreekrestant van de Bronkreek of Spuikreek. Dit is een vrij brede kreek met een aantal smalle takken in de Koegors- en Nieuwe Zevenaarpolder, stroomt naar de Otheensche Kreek in de Zaamslagpolder. De kreek is als zijgeul van de Otheensche kreek ontstaan na de militaire inundaties aan het eind van de 16e eeuw, toen een groot deel van West- en Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen onder water werd gezet door Spaanse of Staatse troepen. De ontwikkeling heeft geen invloed op dit kreekrestant. De strategie voor het plangebied is niet gericht op beschermen of behouden (zie figuur 4.1).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0013.png"

Figuur 4.1 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud' met plangebied in rood

  • Behoud door ontwikkeling: Het plangebied zelf is geen onderdeel van een cultuurhistorische structuur. De strategie is gericht op verbinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0014.png" Figuur 4.2 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Behoud door ontwikkeling' met plangebied in rood

  • Vernieuwing mogelijk: in het plangebied is de strategie gericht op transformeren.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0015.png"

Figuur 4.3 Cultuurhistorische waardenkaart gemeente Terneuzen - kaartblad 'Vernieuwing mogelijk' met plangebied in rood

Op grond van de Cultuurhistorische waardenkaart is ten zuiden van het plangebied een cultuurhistorische waardevol kreekrestant aanwezig. De ontwikkeling heeft hier geen invloed op. Op grond van dezelfde waardenkaart valt de locatie niet binnen één van de strategieën van de structuurvisie om cultuurhistorische waarden te behouden of te versterken. Wel ligt de locatie binnen een gebied waar transformatie mogelijk is. Het planvoornemen sluit daar op aan.

Cultuurhistorische waardenkaart Provincie Zeeland

De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.4 is te zien dat er ten zuiden van het plangebied een cultuurhistorisch waardevol kreek aanwezig is. De kreek is als zijgeul van de Otheensche kreek ontstaan na de militaire inundaties aan het eind van de 16e eeuw, toen een groot deel van West- en Oost-Zeeuwsch-Vlaanderen onder water werd gezet door Spaanse of Staatse troepen. De kreek blijft behouden en de ontwikkeling heeft hier geen invloed op.

In de omgeving van het projectgebied is daarnaast een historische boerderij en historische dijk aanwezig. De ontwikkeling heeft geen invloed op deze objecten. Bouwhistorisch waardevolle objecten in of rond het plangebied staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0016.png"

Figuur 4.4 Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart, plangebied in rood (bron: geoweb provincie Zeeland)

Conclusie

Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.3.2 Archeologie

Toetsingskader

Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

Gemeentelijk archeologiebeleid

Op 27 januari 2011 is door de gemeenteraad van Terneuzen het interimbeleid archeologie vastgesteld. De insteek van dit beleid is het regelen van archeologie in ruimtelijke plannen. In een cyclus van 10 jaar zullen alle ruimtelijke plannen aangepast worden, waarbij archeologie in de plannen zal worden ingebracht of geactualiseerd aan de hand van het dan geldende beleid. Zolang de bescherming van archeologische waarde niet is geregeld in een ruimtelijk plan (bestemmingsplan, beheersverordening of - straks - Omgevingsplan) fungeert als vangnet de Erfgoedverordening Terneuzen 2011. Deze verordening is geactualiseerd en is in samenhang met het archeologiebeleid opnieuw vastgesteld.

In lijn met de intentie van de wetgever wordt een algemene vrijstelling van archeologisch onderzoek verleend tot 100 m2 en een reeds verstoorde diepte van 0,5 meter voor de zogenaamde kruimelgevallen.

Naast de hiervoor vermelde algemene vrijstelling kan vrijstelling van archeologisch onderzoek worden verleend indien reeds eerder aantoonbaar verstoring heeft plaatsgevonden. Hierbij kan gedacht worden aan ophogingen, ontgrondingen, wegcunetten, rioleringsleuven, bodemsanering en dergelijke. Een en ander dient ter beoordeling aan het bevoegd gezag (in de meeste situaties de gemeente) te worden voorgelegd.

Tot slot kan vrijstelling van archeologisch onderzoek eveneens worden verleend als:

  • het gebied niet wordt vermeld op de Archeologische Monumentenkaart (AMK),
  • volgens de Indicatieve kaart archeologische waarden (IKAW) een zeer lage of lage trefkans heeft (op eventuele waarden tot 1,2 meter beneden het maaiveld),
  • in de nationale digitale database ARCHIS en het Zeeuws Archeologisch Archief (ZAA) geen gegevens zijn geregistreerd, danwel alleen gegevens die duiden op een lage waarde
  • er volgens de Geologische kaart Van Rummelen sprake is van de geologische formatie Duinkerke III.

Een en ander is uitgewerkt in een stroomschema dat is opgenomen in bijlage 1 van 'De onderste steen boven? Interim-beleid archeologie gemeente Terneuzen'. Voor de duidelijkheid is dit schema ook opgenomen in de bijlage 1 bij deze toelichting. Ook als er wel archeologische waarden aanwezig kunnen zijn, is niet altijd archeologisch onderzoek nodig. Aan de hand van de archeologische verwachtingswaarde wordt per deelgebied een grens gesteld waarboven archeologisch onderzoek verplicht is en waaronder vrijstelling wordt verleend.

Voor een aantal gebieden is de huidige kennis ontoereikend. Deze leemten worden in de toekomst ingevuld.

Bij het opstellen van ruimtelijke plannen en vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening zal de toets aan het stroomschema het uitgangspunt zijn voor de beoordeling. Vergunningverlening in het kader van de Erfgoedverordening is alleen aan de orde voor een gemeentelijk monument en een rijksmonument, niet voor archeologisch verwachtingsgebieden. Daarvoor geldt een verbodsregeling zonder de mogelijkheid van ontheffing.

Het toepassen van een grotere 'vrijstellingsdiepte' is in sommige gebieden denkbaar. Voor een weloverwogen afweging hierover beschikt de gemeente over een 'Vrijstellingenkaart Archeologie'. Hierop is aangegeven of en tot op welke diepte werkzaamheden op of in een terrein kunnen worden vrijgesteld van het opstellen van een archeologisch onderzoek(srapport). De vrijstellingenkaart wordt in bestemmingsplannen gekoppeld aan archeologische dubbelbestemmingen. De 'Vrijstellingenkaart Archeologie' is geen statisch document, maar wordt op basis van nieuwe informatie om de paar jaar geactualiseerd. Op 14 november 2017 is de 'Vrijstellingenkaart Archeologie 2017' gepresenteerd.

Het archeologiebeleid is inmiddels in alle bestemmingsplannen en beheersverordeningen verwerkt, zo ook in de beheersverordening Oostelijke Kanaaloever. In de plannen en verordeningen is, voor zover dat op grond van dat beleid nodig is, een regeling ter bescherming van mogelijk aanwezige verwachtingswaarden opgenomen waaraan een nieuwe bouwactiviteit met bodemverstorende werkzaamheden moeten worden getoetst.

Toetsing en conclusie

Voor de toetsing van het aspect archeologie is een archeologische plantoets opgesteld. Deze plantoets is opgenomen in bijlage 2 van de toelichting.

Bij toekomstige ontwikkelingen geldt voor een deel van het plangebied een onderzoeksplicht bij ingrepen dieper dan groter dan 1.000 m² en dieper dan de vrijstellingsdiepte. Hier zal, wanneer de vrijstellingsdiepte en oppevlakte wordt overschreden, voorafgaand aan de aanvraag van een omgevingsvergunning, archeologisch onderzoek moeten worden uitgevoerd. Om dit te borgen is de dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3 opgenomen voor dit deel van het plangebied. Conform de richtlijnen van de provincie Zeeland, dient dit onderzoek te bestaan uit een bureauonderzoek met verkennend booronderzoek.

Conclusie

Het aspect archeologie staat de voorgenomen ontwikkeling niet in de weg. In het bestemmingsplan wordt wel een regeling opgenomen die eventuele archeologische waarden planologisch beschermt. In lijn met het beleid wordt dit dubbelbestemming Waarde - Archeologie 3. Voor het gehele plangebied wordt een koppeling gelegd met de in 2017 geactualiseerde 'Vrijstellingenkaart Terneuzen 2017 (zie bijlage 2). Op grond van deze kaart geldt voor deze bestemming een vrijstellingsdiepte van 0,5 meter -mv. Voorafgaand aan de bouw is archeologisch onderzoek mogelijk noodzakelijk.

4.4 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of er sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd.

Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Onderzoek en conclusie

Er is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd om te onderzoeken of er belemmeringen zijn voor de ontwikkeling (bijlage 3). Uit het verkennend bodemonderzoek is gebleken dat er geen asbestverdachte materialen zijn waargenomen. in de bovengrond en ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetoond. Het grondwater is plaatselijk licht verontreinigd met naftaleen, molybdeen en/of nikkel. Gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Er is in de bovengrond geen PFAS aangetoond. De locatie is dan ook niet verdacht op het voorkomen van PFAS in de bodem.

4.5 Water

Toetsingskader

Het is wettelijk verplicht een watertoets uit te voeren. Dit is een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. De watertoets heeft als doel het voorkomen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die negatieve effecten hebben op het duurzame waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Waterschap Scheldestromen en het beheergebied van Rijkswaterstaat.

Onderzoek

Bij het Waterschap Scheldestromen wordt gebruik gemaakt van een aanmeldformulier watertoets. Het ingevulde formulier is opgenomen in bijlage 4. Uit de watertoets komt naar voren dat er waterberging dient te worden aangelegd ter compensatie van extra toe te voegen verharding. In aanvulling op de watertoets is bij een worst case benadering van in totaal 27.929m2 toe te voegen verhardingsoppervlakte (dakoppervlakte inclusief terreinverharding) is 2.094m3 waterberging nodig met overstortfunctie op oppervlaktewatersysteem. Zonder overstort (solitaire waterberging) is een berging van 4.106 m3 nodig. In fase 1 zal circa 15.000m2 verharding worden toegevoegd. De waterbergingsopgave bedraagt daarmee 1.125 m3 of 2205 m3 als solitaire waterberging.    

Naast de centrale waterberging worden ook alternatieven binnen het plangebied onderzocht, bijvoorbeeld waterinfiltratie binnen de bestemming 'Groen' rondom het plangebied. Ook wordt wellicht nog een waterberging voorzien aan de noordoostzijde van het plangebied bij uitbreiding van het bedrijf. Voor het parkeren wordt geadviseerd om gebruik te maken van betonroosters of andere bestrating die maximale hemelwaterinfiltratie toestaat in de ondergrond.

Daarnaast bestaat de optie om te voorzien in een centrale waterbergingsopgave voor bedrijven in het gebied Zuidpoort. Hierdoor is het niet verplicht volledig te voorzien op eigen perceel in de waterbergingsopgave. De daadwerkelijke invulling van de waterbergingsopgave wordt nader verkend en ingevuld.  

Om de realisatie van voldoende waterberging te borgen is artikel 3.4.2 een voorwaardelijke bepaling opgenomen.

Er is een zone aan de noordoostzijde van het plangebied is bestemd als 'Groen'. Hier wordt waterberging voorzien. Bij een uitbreiding van het bedrijf aan de oostzijde wordt ook hier een waterberging voorzien. Ook wordt voorzien in een centrale waterbergingsopgave voor de bedrijven in het gebied Zuidpoort waardoor waterberging volledig op eigen perceel niet noodzakelijk is. Voor het parkeren wordt geadviseerd om gebruik te maken van betonroosters of andere bestrating die maximale hemelwaterinfiltratie toestaat in de ondergrond. Om de realisatie van voldoende waterberging te borgen is in artikel 3.4.2 een voorwaardelijke bepaling opgenomen. Bij de ontwikkeling van het perceel wordt het waterschap betrokken voor de uitwerking.

De nieuwbouw wordt daarnaast aangesloten op het gemeentelijk gescheiden rioolstelsel. In de toekomst zal de Koegorsstraat, nu nog in eigendom bij het waterschap, eigendom van de gemeente worden en zal de gemeente ook verantwoordelijk zijn voor afwikkeling van verkeer bij toekomstige ontwikkelingen aan dit deel van de straat.

Conclusie

Het planvoornemen heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.

4.6 Geluid

4.6.1 Wegverkeerslawaai

Op de locatie is een bedrijfsfunctie voorzien. In het kader van de Wet geluidhinder is dit geen geluidsgevoelige bestemming.

4.6.2 Spoorweglawaai

Indien nieuwe woningen of andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de geluidzone van een spoorweg worden gerealiseerd, dient onderzoek plaats te vinden naar de geluidbelasting vanwege deze spoorweg. In paragraaf 4.6.1 is geconcludeerd dat de ontwikkeling geen geluidsgevoelige bestemmingen in het kader van de Wet geluidhinder. Voor de beoogde ontwikkelingen hoeft akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai daarom niet te worden uitgevoerd.

4.6.3 Industrielawaai

Toetsingskader

Volgens de Wet geluidhinder (Wgh) dienen alle industrie- en bedrijventerreinen, waarop inrichtingen zijn of kunnen worden gevestigd die in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken, gezoneerd te zijn. Rondom deze industrieterreinen dient een geluidzone te worden vastgesteld en vastgelegd in bestemmingsplannen. Buiten deze zone mag de geluidbelasting als gevolg van het industrieterrein niet meer dan 50 dB(A) bedragen. Bij het mogelijk maken van nieuwe geluidgevoelige functies dient rekening te worden gehouden met de zonering van industrielawaai.

Onderzoek

Het plangebied is gelegen binnen de geluidzones “Oostelijke Kanaaloever/Mr. F.J. Haarmanweg-Driewegen” en “Sluiskil-Oost/Stroodorpe-Oost ”. Voor deze geluidzones zijn in dit bestemmingsplan gebiedsaanduidingen opgenomen. Binnen het plangebied worden geen geluidgevoelige bestemmingen mogelijk gemaakt. De ontwikkeling van het nieuwe bedrijf wordt dan ook niet belemmerd door de aanwezigheid van de geluidzones.

4.7 Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Voor de afstemming tussen milieugevoelige en milieuhinderlijke functies, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'.

Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

Onderzoek 

De ontwikkeling bestaat uit een milieuhinderlijke functie. Er dient getoetst te worden of:

  • de realisatie van de functie niet leidt tot nadelige milieueffecten ter plaatse van de omliggende woningen.

Bestaande omliggende woningen

In de omgeving van het plangebied zijn een aantal woningen en agrarische bedrijfswoningen aanwezig. De dichtsbijzijnde woningen zijn de woning op Gravin Mariaweg 1, grenzend aan het plangebied en de agrarische bedrijfswoning op Gravin Mariaweg 3, op 30 meter van het plangebied. Daarnaast is er aan de westzijde op ongeveer 150 meter van het plangebied ook een agrarsiche bedrijfswoning aanwezig.

Het plangebied wordt omgeven door diverse bedrijven, agrarische bedrijven, een skihal en de CO3 campus. Vanwege de bedrijvigheid in de omgeving is sprake van gemengd gebied.

Op de locatie gaat het bedrijf Symach B.V. zich vestigen. Op basis van de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ valt dit bedrijf onder de categorie ‘Vervaardiging en reparatie van producten van metaal (excl. machines/transportmiddelen) en de subcategorie ‘Overige metaalbewerkende industrie’ (milieucategorie 3.2). Naar aard en invloed op de omgeving geldt voor Symach B.V. dat de bedrijfsactiviteiten gelijkgesteld kunnen worden met categorie 3.2. Deze categorie heeft in gemengd gebied een richtafstand van 50 meter.

De westelijk gelegen woning ligt niet binnen deze richtafstand. De oostelijk gelegen woningen liggen wel binnen een afstand van 50 meter van het plangebied. Om te zorgen dat deze woningen niet binnen de richtafstand van het bedrijf zullen liggen wordt een zone in het bestemmingsplan opgenomen waar het niet mogelijk is bebouwing te vestigen, deze krijgt de bestemming Groen. Hiermee wordt aan de richtafstand voldaan.

De CO3 campus is eveneens een gevoelige functie. De gronden waarop de CO3 campus is gebouwd hebben een maatschappelijke bestemmming met onderwijsfunctie. In de CO3 campus zitten diverse theorielokalen. Deze zijn in het Besluit geluidhinder aangemerkt als geluidgevoelige ruimten. Volgens de VNG brochure geldt voor Symach een richtafstand van 50 meter tot milieugevoelige functies. De afstand tussen de nieuwe bedrijfsbestemming en het bouwvlak maatschappelijk bedraagt 30 meter. Dat is minder dan de richtafstand van 50 meter. Hierdoor moet volgens stap 2 van de VNG brochure bedrijven en milieuzonering vervolgonderzoek worden gedaan.


Vervolgonderzoek:

De afstand tussen de gevel van de huidige CO3 campus en de bedrijfsbestemming bedraagt 50 meter. Deze afstand zou korter kunnen worden als de CO3 campus besluit uit te breiden richting de nieuwe bedrijfsbestemming. Dat zal ons inziens echter niet snel gebeuren omdat de CO3 campus dan algauw parkeerplaatsen op eigen terrein tekort komt. Verder merken wij op dat de huidige theorielokalen geen te openen ramen hebben aan de kant van de bedrijfsbestemming. De huidige theorielokalen zullen daardoor naar verwachting geen milieu- c.a. geluidhinder ondervinden van de bedrijfsbestemming. Gelet op het bovenstaande vinden wij het acceptabel om de bedrijfsbestemming zo dicht op de maatschappelijke bestemming te bestemmen.

Conclusie

Het aspect bedrijven en milieuzonering staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.8 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de onderstaande weergegeven.

Stof   Toetsing van   Grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³  
fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg /m³  

Tabel 4.8.1 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht.

Besluit niet in betekenende mate

In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een plan vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een plan heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een plan valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.

Onderzoek

De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt 1.151 mvt/etmaal op een middelde weekdag (zie paragraaf 4.2). Op basis van de kengetallen uit CROW publicatie 381 bedraagt het percentage vrachtverkeer (hoogwaardig bedrijvenpark) 16%. Uit de NIBM-tool blijkt dat de maximale bijdrage NO2 2,6 µg/m³ bedraagt en de maximale bijdrage voor PM10 0,29 µg/m³. Hierdoor heeft de beoogde ontwikkeling een effect van meer dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³). De beoogde ontwikkeling draagt dan 'mogelijk in betekenende mate' bij aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0017.jpg"

Figuur 4.8.1 Resultaten NIBM-tool

Via de monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl), die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort, is bekeken hoe hoog de concentraties luchtverontreinigende stoffen ter plaatse van het plangebied zijn. De dichtstbijzijnde toetspunt ligt aan de N61, welke in de NSL-monitoringstool aangegeven wordt als Rijkswaterstaat. In figuur 4.12 is de ligging weergegeven.

Tabel 4.8.2: Toetsing (2020) aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer

Stofcategorie   Maximale planbijdrage 2020 (µg/m3)
volgens
NIBM rekentool  
Hoogste achtergrond
concentratie (µg/m3) 2020 (Rijkswaterstaat)  
Maximaal optredendeconcentratie 2023 (µg/m3)   Grenswaarde Wm
(µg/m3)  
NO2   2,60   14,6   16,20   40  
PM10   0,29   16,14   16,43   40  
PM2,5   0,29   8,278   8,568   25  

Uit tabel 4.8.2 blijkt dat wanneer de maximale planbijdrage bij de concentraties luchtverontreinigende stoffen worden opgeteld in 2020, er alsnog ruimschoots aan de grenswaarden (tabel 4.8.1) uit de Wet milieubeheer wordt voldaan ter plaatse van de maatgevende weg N61/Rijkswaterstaat. Omdat direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. Ook nemen door gebruikmaking van steeds betere technieken de achtergrondconcentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks af.

De concentraties luchtverontreinigende stoffen bedroegen in 2020; 14,6 µg/m³ voor NO2, 16,1 µg/m³ voor PM10 en 8,3 µg/m³ voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Hierdoor is er ter plaatste van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit staat de uitvoering van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.9 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen.

Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

Risicovolle inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Op basis van het Bevi geldt voor het PR een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het GR; wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het Bevt vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het Bevt en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes waarbinnen beperkingen voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen gelden. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Voor het groepsrisico geldt op grond van het Bevt slechts een oriënterende waarde en alleen in bepaalde gevallen is het doen van een verantwoording van een toename van het GR verplicht.

Besluit externe veiligheid buisleidingen

In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Onderzoek

Binnen het bouwvlak worden zowel kwetsbare als beperkt kwetsbare objecten toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0018.png"

Figuur 4.6 Uitsnede risicokaart met het plangebied blauw omkaderd

Risicovolle inrichtingen

Volgens de risicokaart zijn er in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen gelegen. De invloedsgebieden en PR 10-6 contouren liggen niet over het plangebied. Deze vormen geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor

Ten westen op een afstand van circa 400 meter bevindt zich het spoortraject Terneuzen Zuidzijde - Terneuzen. Op een afstand van circa 1,6 kilometer bevindt zich het spoortraject Sluiskil - Sluiskil racc. dow Chemical. Over deze spoortrajecten vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied van beide spoorlijnen wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie D4 en bedraagt 4 kilometer. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van beide trajecten. Omdat de afstand groter is dan 200 meter hoeven volgens het Bevt geen beperkingen te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Er kan worden volstaan met een beknopte verantwoording.

Vervoer van gevaarlijke stoffen door leidingen

Grenzend aan de oostkant van het plangebied bevinden zich 2 buisleidingen. Het betreffen aardgasleiding in beheer van de Gasunie en waterstofleiding in beheer van Gas Waterstof Services. De locatie ligt binnen de invloedsgebieden van hogedruk gasleiding en waterstofleiding. Inzicht in de externe veiligheidsrisico’s is daarom nodig, hiervoor is een QRA (quantitative risk assessment) gemaakt. Deze is opgenomen in bijlage 5.

Uit dit onderzoek komt het volgende:

  • Hogedruk aardgasleiding
    • 1. Plaatsgebonden risico
      Ter plaatse van het plangebied is geen sprake van een PR 10-6-contour. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
    • 2. Groepsrisico
      In zowel de huidige als toekomstige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. Dit betekent dat volstaan kan worden met een beperkte verantwoording van het groepsrisico
  • Waterstofleiding
    • 1. Plaatsgebonden risico
      Het transport van waterstof leidt tot een PR 10-6-contour die tot over de plangrens reikt en daarmee beperkingen oplegt aan de invulling van het plangebied. In geval van het transport van aardgas vormt het plaatsgebonden risico geen belemmering.
    • 2. Groepsrisico
      In de huidige situatie is het groepsrisico kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde bij zowel het transport van waterstof als aardgas. Naar verwachting blijft het groepsrisico ook na realisatie van het planvoornemen kleiner dan 10% van de oriëntatiewaarde. In dat geval kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg

De N61 grenst ten westen van het plangebied, de N290 bevindt zich op circa 130 meter ten oosten van het plangebied. Over deze wegen vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Het invloedsgebied wordt bepaald door het vervoer van stofcategorie LT2 en bedraagt 880 meter. Het plangebied bevindt zich in het invloedsgebied van beide wegen. Omdat de afstand korter is dan 200 meter, is een kwalitatieve risicoanalyse (hierna: QRA) uitgevoerd. Dit onderzoek is te vinden in bijlage 5.

  • N61/N62, N290
    • 1. Plaatsgebonden risico
      Uit de Regeling Basisnet blijkt dat voor alle wegvakken een plaatsgebonden risicocontour 10-6 is bepaald van 0 m, gemeten vanuit het hart van de weg. De PR 10-6-contour ligt daarmee op de weg. Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor de ontwikkeling.
    • 2. Groepsrisico
      In de huidige situatie is het groepsrisico 0.086 ten opzichte van de oriëntatiewaarde, in de toekomstige situatie neemt dit toe tot 0.132 ten opzichte van de oriëntatiewaarde. Door de voorgenomen ontwikkeling neemt het groepsrisico met meer dan 10% toe tot boven 0.1 keer de oriëntatiewaarde. Conform art. 8 van het Bevt dient het groepsrisico te worden verantwoord. Deze verantwoording is in bijlage 6 opgenomen.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg. Het in dit bestemmingsplan opgenomen bouwvlak is afgestemd op de aanwezigheid van de leidingen.

4.10 Ecologie

Toetsingskader

Wet natuurbescherming

Met de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Natura-2000 gebieden

De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard, en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van de verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van het bestemmingsplan moet worden onderzocht of de Wet natuurbescherming de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland

In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.7). Het plangebied maakt ook geen deel uit van Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe, ligt op een afstand van circa 3,8 kilometer. Het dichtstbijzijnde NNZ-gebied ligt op circa 58 meter en betreft een ecologische verbindingszone (figuur 4.8).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0019.jpg"

Figuur 4.7 Ligging plangebied (rode stip) t.o.v. Natura 2000-gebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0020.jpg"

Figuur 4.8 Ligging plangebied in rood t.o.v. Natuurnetwerk Zeeland (groen) (Bron: provincie Zeeland)

Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten als areaalverlies en versnippering kunnen daarom worden uitgesloten. Gezien de afstand kunnen ook effecten als verstoring en effecten op de waterhuishouding worden uitgesloten.

Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Om dit te onderzoeken zijn Aerius-berekeningen uitgevoerd voor zowel de aanleg- als de gebruiksfase, deze zijn opgenomen in bijlage 9. Uit de berekeningen blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jr op het Natura 2000-gebied. Voor projecten die niet leiden tot een toename van depositie is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. De uitkomsten van de berekening dienen 5 jaar te worden bewaard, zodat bij controle kan worden aangetoond dat dit aspect is onderzocht.

Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, de uitvoering van het plan niet in de weg.

Soortenbescherming

Er is op dit moment hoofdzakelijk sprake van een agrarisch perceel waar aardappelen op worden geteeld.

De aanwezigheid van beschermde plant- en diersoorten is onderzocht door middel van een ecologische quickscan (zie bijlage 7). Uit dit onderzoek blijkt dat het plangebied mogelijk onderdeel uitmaakt van een essentiële migratieroute voor kleine marterachtigen. Hiervoor is nader onderzoek noodzakelijk, dat wordt gedurende de zomerperiode 2023 uitgevoerd.

Uiteraard geldt ook de algemene zorgplicht. Dat betekent dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor alle in het wild voorkomende planten en dieren en hun leefomgeving.

Nader onderzoek naar kleine marterachtigen

In de zomerperiode van 2023 is onderzoek naar de functie van het plangebied voor de wezel uitgevoerd (bijlage 8) Tijdens het onderzoek is op twee locaties op meerdere dagen de wezel waargenomen op de onderzoekslocatie. De bunzing en de hermelijn zijn daarentegen niet waargenomen tijdens de onderzoeksperiode. De onderzoekslocatie vervult redelijkerwijs een beschermde functie als vaste rust- en voorplantingsplaats en essentieel foerageergebied voor de wezel. Voor de voorgenomen werkzaamheden is een soortenontheffing benodigd, aangezien overtreding op verbodsartikelen in de Wet natuurbescherming niet te voorkomen is

Conclusie

Er zijn geen belemerringen op het gebied van gebiedsbescherming. Voor het onderdeel soortenbescherming is ontheffing van de Wnb noodzakelijk voor de wezel en dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11, Wet natuurbescherming). Ook dient terughoudend omgegaan te worden met buitenverlichting en gebruik gemaakt te worden van vleermuisvriendelijke verlichting.

4.11 Leidingen en kabels

Het relevante toetsingskader ten aanzien van planologisch relevante kabels en leidingen is

  • Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen;
  • de Wet ruimtelijke ordening (criterium 'goede ruimtelijke ordening)
  • het provinciaal Omgevingsplan Zeeland (herzien 2016)
  • Advies van het Ministerie van Infrastructuur en milieu met betrekking tot hoogspanningslijnen
  • het 'Handboek Risicozonering Windturbines (2014)'.

Planologische relevantie

Planologisch relevante kabels en leidingen dienen in het bestemmingsplan te worden geregeld (lees: te worden beschermd). Deze zijn namelijk van groot maatschappelijk of bedrijfseconomisch belang. Deze kabels en leidingen hebben een relatief grote invloed op het gebruik van gronden in de directe omgeving of dienen te worden beschermd tegen invloeden van buitenaf. In ieder geval zijn buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen die vallen onder het Besluit en Regeling externe veiligheid buisleidingen planologisch relevant. Deze leidingen hebben externe veiligheidscontouren.

De volgende buisleidingen vallen onder de reikwijdte van het Bevb/Revb:

  • aardgas met een uitwendige diameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer;
  • aardolieproducten met een uitwendige diameter van 70 mm of meer en een druk van 1.600 kPA of meer (aardolie, aardgasolie, vloeibare aardolieproducten, en derivaten);
  • brandbare stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer;
  • vergiftige stoffen, (stoffen die zijn geclassificeerd als acuut toxisch) en;
  • specifieke stoffen met een uitwendige diameter van 70 mm of meer of een binnendiameter van 50 mm of meer en een druk van 1.600 kPa of meer (kooldioxide, zuurstof en stikstof).

Het Bevb is niet van toepassing op:

  • Leidingen op het continentaal plat of in de territoriale zee. Voor buisleidingen in de mijnbouw geldt een aparte regeling (zie artikel 3 van de Revb).
  • Gasleidingen (<1600 kPa) die deel uitmaken van het gasdistributienet (deze vallen onder de Gaswet).
  • Andere mogelijk planologisch relevante buisleidingen zoals elektriciteitsleidingen (zie verder in dit document)
  • Leidingen voor vervoer van gevaarlijke stoffen die deel uitmaken van een inrichting,

Voor deze leidingen geldt dat deze in het bestemmingsplan moeten worden aangegeven als deze op het terrein van een inrichting liggen maar geen deel uitmaken van die betreffende inrichting, In het Bevb is voorts bepaald dat het hart van de leiding alsmede de daarbij behorende belemmeringenstrook op de verbeelding moeten worden aangegeven.

Naast buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, zijn er nog andere buisleidingen die planologisch relevant worden geacht. Het gaat om leidingen met een (boven)regionale transportfunctie of leidingen die op een andere manier risico's met zich meebrengen voor mens of de leefomgeving wanneer deze leidingen beschadigd raken.

Behalve buisleidingen worden door de gemeente Terneuzen hoogspanningsleidingen en -verbindingen van 50 kV en hoger die geen deel uitmaken van een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet milieubeheer als planologisch relevant aangemerkt.

Welke leidingen planologisch relevant zijn en worden opgenomen in het bestemmingsplan is aan het bevoegd gezag. De provincie Zeeland heeft in het Omgevingsplan Zeeland beleid opgenomen ten aanzien van hoofdtransportleidingen Daarmee worden deze leidingen en verbindingen aangemerkt als planologisch relevant. Het betreft buisleidingen waarmee de volgende producten worden vervoerd:

  • gas, olie, olieproducten, chemische producten, vaste stoffen/ goederen;
  • aardgas hoofdtransportnet Gasunie, of andere gasnetten, met diameter vanaf 18 inch (47,5 cm);
  • defensiebrandstoffen;
  • warmte en afvalwater, ruwwater of halffabricaat voor de drink- en industriewatervoorziening, met een diameter groter of gelijk aan 18 inch (47,5 cm)
  • aardolieproducten, met een uitwendige diameter van meer dan 7 cm en een druk van meer dan 16 bar.

Grondroeringsregeling (WION)

In principe zijn leidingen ook beschermd tegen schade door graafwerkzaamheden vanwege de meldingsplichtig op basis Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION). De WION verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.

Hoogspanningsleidingen

Ook hoogspanningsverbindingen vanaf een bepaald voltage kunnen planologisch relevant zijn. In oktober 2005 heeft het Ministerie van VROM aan te houden afstanden geformuleerd (in de praktijk ook wel Teslazones genoemd) van gevoelige functies tot bovengrondse hoogspanningsverbindingen (> 150 kV) vanwege een mogelijke relatie tussen straling en leukemie bij kinderen, deze zones zijn in 2018 voor het laatst geactualiseerd. De gemeente Terneuzen hanteert als uitgangspunt dat hoogspanningsverbindingen met een spanning van 50 kV of meer planologisch relevant zijn.

Toetsing

In het plangebied van de ontwikkeling zijn diverse planologisch relevante leidingen aanwezig, namelijk:

  • drie ondergrondse hoogspanningsleidingen van ten minste 50kV;
  • een leiding voor transport van aardgas- of waterstofgas;
  • een leiding voor transport van aardgas.

Binnen de leidingbestemmingen gelden beperkingen voor het bouwen en voor het uitvoeren van werkzaamheden die los staan van bouwwerkzaamheden en die de grond roeren. Voor de aanleg van de verschillende onderdelen uit het plan ter plaatse van deze bestemming zal in overleg met de leidingbeheerder een omgevingsvergunning worden aangevraagd. Voor de ontwikkeling van de bebouwing en bijbehorende voorzieningen als parkeerplaatsen en wegen geldt dat deze niet voorzien zijn op gronden waar deze dubbelbestemmingen gelden. Dit staan de ontwikkeling dan ook niet in de weg. In het kader van de externe veiligheid is een QRA en verantwoording groepsrisico uitgevoerd (zie paragraaf 4.9). De belangen van de leidingen worden geborgd door een dubbelbestemming voor de verschillende leidingen op te nemen waarin deze belangen zijn beschermd.

4.12 Niet gesprongen explosieven

Gemeente Terneuzen hanteert voor niet-gesprongen explosieven (NGE) het Historisch Vooronderzoek en NGE-Risicokaart van REASeuro, kenmerk RO180093 van 24 oktober 2018. Zodra een ontwikkellocatie als (potentiële) risicolocatie is aangemerkt, moet er in eerste instantie rekening worden gehouden met mogelijk achtergebleven conventionele explosieven.


De bedoelde locatie aan de Koegorsstraat valt in relatie tot NGE door oorlogshandelingen in de Tweede Wereldoorlog in een aangemerkt aandachtsgebied (zie afbeelding 4.12.1 in paars).

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0021.png"

Figuur 4.12.1 Uitsnede NGE-Risicokaart (bron: REASeuro, kenmerk RO180093)


Tijdens de bevrijding hebben in september 1944 hevige grondgevechten en artillerie-beschietingen plaatsgevonden, namelijk bij het verdrijven van Duitse soldaten uit Axel in de opmars richting Terneuzen en Zaamslag door Poolse eenheden. In het gebied dient -- in eerste instantie -- rekening te worden gehouden met achtergebleven geschutmunitie van de kalibers 5 cm t/m 10,5 cm, afkomstig van grondartillerie.


afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0022.png"

Figuur 4.12.2 Historische kaart 1945 (bron: www.topotijdreis.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0023.png"

Figuur 4.12.3 Historische kaart 1970 (bron: www.topotijdreis.nl)

afbeelding "i_NL.IMRO.0715.BPBG81-VG01_0024.png"
Figuur 4.12.4 Historische kaart 2015 (bron: www.topotijdreis.nl)


Overweging

De NGE-risicokaart gaat in beginsel uit van een aanwijsbaar risicogebied. Door de omvang van het te ontwikkelen gebied is het aantreffen van een vorm van munitie in dat geval reëel. De omschreven en naar verwachting kleine munitie zou zich dan op, of juist onder de oppervlakte bevinden. Het plangebied is echter sinds de Tweede Wereldoorlog tot heden als landbouwgrond in gebruik, met enige grondroering/-verzet aan de oppervlakte tot gevolg. Grote oorlogsrestanten zouden redelijkerwijs al zijn opgemerkt. De trefkans van munitie is niet ondenkbaar, maar wel klein. Op basis van trefkans en kaliber van bedoelde munitie wordt humaan risico laag ingeschat en wordt onderzoek redelijkerwijs niet noodzakelijk geacht.


In geval er alsnog munitie wordt aangetroffen, wordt ingezet op het handelen op basis van het protocol 'Toevalstreffer conventionele explosieven uit de Tweede Wereldoorlog'.


Afhankelijk van het tijdpad kan de initiatiefnemer zekerheidshalve zelf tot onderzoek naar NGE besluiten, bedoeld om vertraging tijdens de fase van projectuitvoering te voorkomen.


Conclusie

Er is geen (vervolg)onderzoek naar zogenoemde ontplofbare oorlogsresten vereist. Het aspect niet-gesprongen explosieven vormt geen belemmering voor het wijzigen van het bestemmingsplan.


Hoofdstuk 5 Uitvoerbaarheid

5.1 Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling.

 

In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een omgevingsvergunning met afwijking. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk:

  • de bouw van één of meer woningen;
  • de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen;
  • de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² bvo of met één of meer woningen;
  • de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd;
  • de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bvo bedraagt;
  • de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bvo.

 

Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is.

Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. Tussen de gemeente en initiatiefnemer is voor deze ontwikkeling een anterieure overeenkomst afgesloten waarin onder meer het kostenverhaal en eventuele planschade zijn geregeld. Een exploitatieplan is om deze reden niet noodzakelijk. Voor de aankoop, planontwikkeling en uitvoering zijn door de initiatiefnemer voldoende middelen gereserveerd.

5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Participatie

In het voorstadium van de ontwikkeling is overleg geweest met de diverse buren. Naar aanleiding daarvan is de groenstrook aan de oostzijde in het ontwerp opgenomen. Het participatieverslag is opgenomen in bijlage 10

5.2.2 Vooroverleg

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overleginstanties. Deze reacties zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan.

5.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft gedurende 6 weken ter inzage gelegen. Van donderdag 20 juli tot en met woensdag 30 augustus 2023. Tijdens deze periode zijn er 5 zienswijzen/adviezen ingediend. In bijlage 12 is de antwoord nota zienswijzen toegevoegd.

5.2.4 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.