direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Oomshoekseweg 4, Kruiningen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

Op de locatie Oomshoekseweg 4 in Kruiningen is het bedrijf Van den Berge Handelsonderneming B.V. gevestigd dat gespecialiseerd is in het sorteren en verpakken van in hoofdzaak uien en voor een deel andere verse landbouwproducten. Door veranderingen in de uiensector is een optische sorteermachine noodzakelijk voor het voortbestaan van de uienbedrijven, zo ook voor het betreffende bedrijf. De nieuwe sorteermachine past niet binnen de huidige bebouwing vandaar dat een nieuwe loods gewenst is van ongeveer 2.240 m². Het is de wens deze nieuwe loods achter de bestaande loods op te richten. Dit heeft consequenties voor de terreinindeling en de inrichting. Om voldoende manoeuvreerruimte te hebben is uitbreiding van de bedrijfsgronden aan de achterzijde noodzakelijk.

De uitbreiding past niet binnen het geldende bestemmingsplan. Momenteel is daar de bestemming 'Groen' en de bestemming 'Agrarisch' gelegen. Binnen deze bestemmingen is het alleen mogelijk om bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten.

Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te kunnen maken is een nieuw juridisch-planologisch kader nodig. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt binnen de gemeente Reimerswaal en is gelegen aan de Oomshoekseweg 4 in Kruiningen. Aan de noordkant van het plangebied ligt de Wittesteeweg. Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen:

  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 896 (gedeeltelijk)
  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 897 (920 m²)
  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 488 (gedeeltelijk)
  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 489 (1.580 m²)
  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 816 (1.230 m²)
  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 1071 (195 m²)
  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 1111 (9.818 m²)
  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 1158 (415 m²)
  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 1159 (5.687 m²)
  • gemeente Kruiningen, sectie N, nummer 1108 (765 m²)

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0001.png"

Afbeelding 1 | Luchtfoto met plangrens (bron: PDOK, bewerking Juust)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Buitengebied, 2020' van de gemeente Reimerswaal. Dit bestemmingsplan is op 28 september 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. De gronden zijn in dit bestemmingsplan bestemd voor 'Bedrijf', 'Groen' en 'Agrarisch' (zie onderstaande afbeelding). Binnen de bestemming 'Groen' en 'Agrarisch' is het alleen mogelijk om bouwwerken, geen gebouwen zijnde op te richten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0002.png"

Afbeelding 2 | Uitsnede geldend bestemmingsplan (bron: ruimtelijkeplannen.nl, bewerking: Juust)

Op de bedrijfsbestemming liggen de functieaanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf – opslag uien pellen' en 'specifieke vorm van bedrijf – uienverwerkend bedrijf'. Hier is uitsluitend opslag voor uienpellen en tevens een uienverwerkend bedrijf mogelijk. Daarnaast geldt binnen het bouwvlak (en bestemmingsvlak Bedrijf) een maximum bebouwd oppervlak van 3.828 m² en een maximum goothoogte van 6 meter. Het bouwvlak heeft een oppervlakte van ongeveer 13.100 m2.

Verder ligt over het plangebied de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar 9'. Ter plaatse van de aanduiding 'Vrijwaringszone - radar 9' geldt teneinde de verstoring van het radarbeeld te voorkomen een bouwverbod voor bouwwerken met een hogere bouwhoogte dan: 70 meter boven NAP. Met de gewenste ontwikkeling wordt geen bouwwerk mogelijk gemaakt hoger dan 70 meter boven NAP.

De voorgestelde ontwikkeling past zodoende niet binnen het geldende bestemmingsplan.

1.4 Doel

Het doel van dit bestemmingsplan is het voorgenomen plan planologisch mogelijk te maken. Het vaststellen van dit bestemmingsplan vormt de basis om met één of meer omgevingsvergunningen de uitvoering van het plan mogelijk te maken.

1.5 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit deze toelichting, regels en een verbeelding. Deze toelichting bestaat naast dit inleidende hoofdstuk uit vijf hoofdstukken. In hoofdstuk 2 wordt het initiatief toegelicht. Hoofdstuk 3 beschrijft het geldende beleidskader. Vervolgens worden in hoofdstuk 4 de verschillende omgevingsaspecten beoordeeld. Hoofdstuk 5 beschrijft de juridische regeling. In hoofdstuk 6 wordt tot slot de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.

Hoofdstuk 2 Het project

2.1 Huidige situatie

Het plangebied bestaat uit een bedrijf gespecialiseerd in het sorteren en verpakken van verse landbouwproducten. Aan de voorkant van het perceel is een bedrijfswoning gelegen en aan de westzijde een veldschuur. Verder is aan de oostkant een waterberging gesitueerd. Binnen het plangebied is ongeveer 3.825 m² aan bebouwing aanwezig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0003.png"

Afbeelding 3 | Huidige situatie plangebied (bron: PDOK)

Aan de oostkant van deze bedrijfsgebouwen zijn losdocks gelegen, parkeerplaatsen voor personenauto's en parkeerplaatsen voor vrachtwagens. Hier is tevens een weegbrug gelegen. Aan de achterkant van de bedrijfsgebouwen is onder andere een afscheidende keerwand en een transportband voor overtollige grond gesitueerd (zie onderstaande afbeelding). Daarnaast de opslag van kisten en een pellenbak. Aan de westzijde van de bedrijfsgebouwen is een LPG-tank gelegen. Verder is het perceel landschappelijk ingepast met een robuuste groensingel. Achter deze groensingel liggen agrarische gronden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0004.png"

Afbeelding 4 | Transportband en opslag kisten

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie is de realisatie van een bedrijfsloods van 2.240 m² beoogd. Deze loods is ervoor bedoeld om een optische sorteermachine te kunnen plaatsen. Dit past niet binnen de huidige bebouwing. De nieuwe loods is voorzien aan de achterkant van de bestaande bedrijfsgebouwen (zie onderstaande afbeelding, met name punt 2 en 4).

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0005.png"

Afbeelding 5 | Toekomstige situatie plangebied (bron: Ruimte & Groen)

Door het realiseren van deze loods is uitbreiding van de bedrijfsgronden naar achteren noodzakelijk. Het realiseren van de loods heeft namelijk consequenties voor de terreinindeling en inrichting. Om voldoende manouvreerruimte te houden, is aan de achterzijde van de bestaande loods een uitbreiding van 3.500 m² voorzien. Verder is achter de bestaande pellenbak en aan de noordwestzijde uitbreiding van bedrijfsgronden van ongeveer 1.400 m² voorzien voor een logische afronding van het terrein. Door een andere terreinindeling is de uitbreiding van de bedrijfsgronden (bedrijfsbestemming) noodzakelijk. De bestaande landschappelijke inpassing wordt deels verwijderd en er komt een nieuwe landschappelijke inpassing van 10 meter breed (zie afbeelding 6). De beplantingssingel aan de noordzijde heeft een oppervlakte van 1.930 m². Er worden bomen en een bosplantsoen aangebracht met verschillende soorten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0006.png"

Afbeelding 6 | Landschappelijke inpassing (bron: Ruimte & Groen)

Een aantal andere elementen worden verplaatst, zoals de opslag van de kisten. Achter de nieuwe landschappelijke inpassing is een vereveningsgebied voorzien voor waterretentie en filtering met een open karakter met water, riet- en oevervegetatie en grasland met kleine beplantingselementen. Nog meer noorderlijker is een ander vereveningsgebied voorzien met een dicht karakter aan beplantingen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan grote opgaven waardoor Nederland de komende 30 jaar verandert. In de NOVI wordt aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 de langetermijnvisie in beeld gebracht. Het Rijk wil sturen op de nationale belangen. De inzet van het Rijk is samengevat in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dit houdt in dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies,
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal, en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

De beleidsdoorwerking van de NOVI vindt plaats door middel van wet- en regelgeving, NOVI-gebieden, Gebiedsagenda's Grote Wateren en de Omgevingsagenda's. Het beleid heeft derhalve geen directe doorwerking voor dit bestemmingsplan.

Besluit ruimtelijke ordening (Bro)

Bij alle ruimtelijke plannen streeft het Rijk naar zorgvuldige afwegingen en heldere besluitvorming. Dit doet het Rijk via het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In het Bro is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen (artikel 3.1.6). De Ladder voor duurzame verstedelijking is ingericht voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten waardoor de ruimte in stedelijke gebieden optimaal benut wordt. De Ladder luidt als volgt:

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

In welke gevallen er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is niet concreet vastgelegd. Op basis van jurisprudentie wordt in beginsel een ondergrens van 500 m² nieuw ruimtebeslag of nieuw bruto-vloeroppervlak als ondergrens gehanteerd. Het huidige bouwvlak (en bestemmingsvlak) heeft een oppervlakte van ongeveer 13.100 m² waarbinnen 3.828 m² aan gebouwen en overkappingen mogelijk is. In de toekomstige situatie heeft het afgerond een bouwvlak van 18.000 m² waarbinnen 6.068 m² is toegestaan aan gebouwen en overkappingen. Het verschil in toegestane extra bebouwd oppervlak is de beoogde loods van ongeveer 2.240 m². Hierdoor is sprake van nieuw beslag op de ruimte. Om voldoende manouvreerruimte te houden, is aan de achterzijde van de bestaande loods een uitbreiding van 3.500 m² voorzien. Verder is achter de bestaande pellenbak en aan de noordwestzijde uitbreiding van bedrijfsgronden van ongeveer 1.400 m² voorzien voor een logische afronding van het terrein. De bebouwingsmogelijkheden worden net als in het huidige bestemmingsplan beperkt in dit bestemmingsplan.

De huidige bestemming van de beoogde locatie van de ontwikkeling is een bedrijfsbestemming met functieaanduidingen 'specifieke vorm van bedrijf – opslag uien pellen' en 'specifieke vorm van bedrijf – uienverwerkend bedrijf'. De uitbreiding van de bedrijfsbestemming en bouwvlak vindt plaats in noordelijke richting. Deze gronden hebben nu de bestemming 'agrarisch'. Dit maakt dat de beoogde ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied is voorzien.

Het gevestigde bedrijf is, zoals eerder aangegeven, gespecialiseerd in het sorteren en verpakken van verse landbouwproducten. Door veranderingen in de uiensector is een optische sorteermachine noodzakelijk voor het voortbestaan van de uienbedrijven, zo ook voor dit bedrijf. De nieuwe sorteermachine past niet binnen de huidige bebouwing vandaar dat een nieuwe loods is gewenst van ongeveer 2.240 m². Om hierin te kunnen worden voorzien is aanpassing nodig van het terrein en inrichting. Met name om voldoende moenoeuvreerruimte te hebben voor het (vracht)verkeer.

Het bestaande bedrijf, dat direct gerelateerd is aan de agrarische sector, ligt al buiten bestaand stedelijk gebied. Dergelijke bedrijven zitten van oudsher al in het buitengebied. Daarnaast is het volledig verhuizen van het bedrijf naar een nieuwe locatie, bijvoorbeeld op een bedrijventerrein, uit financieel oogpunt niet rendabel.

Zoals in de Structuurvisie Kernen en bedrijventerreinen is aangegeven, wilt de gemeente Reimerswaal ruimte bieden voor de bedrijfsontwikkeling van haar ondernemers. In de structuurvisie is daarom gekeken naar mogelijke uitbreiding van het bedrijventerrein 'Nishoek' en 'De Poort'. Uitsluitend op het bedrijventerrein 'De Poort' in Rilland zijn nog niet alle kavels uitgegeven, echter alle kavels zijn in optie. Binnen de gemeente zijn op dit moment geen bedrijfskavels meer beschikbaar. Vanwege milieuaspecten is het niet wenselijk en mogelijk om de uitbreiding binnen de kernen te voorzien. Het vestigen van de bedrijfsuitbreiding binnen bestaand stedelijk gebied is daarmee niet mogelijk.

Op basis van het bovenstaande wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Er wordt niet gebouwd voor leegstand. Voor het overige zijn geen regels opgenomen die specifiek op deze situatie van toepassing zijn. Het project is lokaal en kleinschalig. Het rijksbeleid verzet zich niet tegen de ontwikkeling.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie Zeeland

De Provincie Zeeland heeft de Zeeuwse Omgevingsvisie op 21 november 2021 vastgesteld. Deze visie benoemt de vier Zeeuwse ambities voor 2050 voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving in de provincie Zeeland. Deze sluiten aan bij de prioriteiten van de NOVI en geven daar een Zeeuwse invulling aan. De Zeeuwse ambities geven richting aan al het provinciale beleid en de uitvoering daarvan. Deze ambities zijn:

  • 1. Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland.
  • 2. Balans in de grote wateren en het landelijk gebied.
  • 3. Een duurzame en innovatieve economie.
  • 4. Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

Deze vier Zeeuwse ambities vragen om een goede afweging van keuzes, zowel op regionaal als op lokaal niveau. De drie afwegingsprincipes die het Rijk daarvoor heeft bedacht -zoals aangegeven in de NOVI- zijn in de Omgevingsvisie vertaald naar vier afwegingsfactoren. Deze zijn nodig om een zorgvuldige afweging te kunnen maken bij concrete initiatieven en activiteiten in Zeeland. Deze afwegingsfactoren zijn:

  • 1. Doe meer met minder grond.
  • 2. Werk samen en deel kosten en baten.
  • 3. Maak gebruik van de Zeeuwse kernkwaliteiten.
  • 4. Denk aan de toekomst en aan de rest van de wereld.

De vier ambities zijn algemene strategische ambities met 2050 als horizon. Deze moeten ook richting geven aan beleidsdoelstellingen voor de kortere termijn (2030). In de Omgevingsvisie Zeeland is dan ook het beleid voor de periode tot 2030 vormgegeven.

Dit beleid is onderverdeeld in doelen voor 2030, de huidige situatie, acties voor de periode tot 2030 én afwegingsfactoren voor de uitvoering. Er zijn 27 thema's (bouwstenen) uitgewerkt waarbij het beleid voor de komende 10 jaar is weergegeven en waarvoor instrumenten, waaronder de Zeeuwse Omgevingsverordening, kunnen worden ingezet. In de Zeeuwse Omgevingsverordening, welke nog vastgesteld moet worden, is het beleid uit de Zeeuwse Omgevingsvisie verankerd.

Omgevingsplan Zeeland 2018

Op 21 september 2018 heeft het college van Gedeputeerde Staten het Omgevingsplan 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan geeft de provinciale visie en provinciale belangen op Zeeland weer, waar de Provincie Zeeland een (groot) belang aan hecht. Alle hoofdlijnen voor de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Zowel op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling, maar ook economie, mobiliteit, natuur, cultuur, water en milieu.

De kern van dit omgevingsplan wordt gevormd door vier integrale strategische toekomstgericht opgaven die nationaal en provinciaal centraal staan:

  • 1. Duurzame en concurrerende economie
  • 2. Klimaatbestendige en -neutrale samenleving
  • 3. Waardevolle leefomgeving
  • 4. Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfomgeving

De provincie streeft ernaar om, binnen de kaders van bestaande wet- en regelgeving, de milieukwaliteiten zoveel mogelijk te behouden en een aantrekkelijk vestigingsklimaat te bieden voor bedrijven. Goede en moderne regionale bedrijventerreinen zijn van groot belang voor uitbreiding voor bestaande bedrijven en om nieuwe en innovatieve bedrijvigheid binnen te halen. De provincie bevordt optimale afstemming van vraag en aanbod van bedrijventerreinen, herstructurering van bestaande terreinen, zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en goede bereikbaarheid. Het is zowel ruimtelijk als economisch van belang dat bedrijvigheid geconcentreerd en gebundeld wordt ontwikkeld. Bedrijvigheid wordt daarom zoveel mogelijk geclusterd op bedrijventerreinen, met de nadruk op ontwikkeling van de grootschalige terreinen. Een verdere toename van het aantal kleinschalige bedrijventerreinen is ongewenst.

Regionale samenwerking is nodig om bedrijventerreinen kwalitatief te verbeteren en om terreinen te ontwikkelen die aan de vraag uit de markt voldoen. Deze regionale samenwerking wordt vertaald in het opstellen van regionale bedrijventerreinenprogramma’s en de periodieke actualisatie daarvan. Hierin worden regionale keuzes gemaakt over uitbreiding, herstructurering en het uit de markt nemen van kansarm aanbod. De invulling van de bedrijventerreinenprogramma's is per definitie het primaat van de (samenwerkende) gemeenten.

Binnen de regionale bedrijventerreinen zijn er twee specifieke bedrijfstakken die aandacht behoeven: de uienbewerkende industrie en grootschalige logistiek. Het gaat hier om de uienbewerkende industrie. Een concentratie van uienbewerkende bedrijven is van oudsher aanwezig in de Bevelanden. Deze bedrijven werken vaak met op maat van het gebouw gemaakte pel-, droog-, sorteer- en verpakkingsmachines. Hiermee is verplaatsing naar bedrijventerrein een vaak zeer kostbare aangelegenheid vanwege de benodigde ruimte voor dit specifieke productieproces en is uitbreiding van de productie (economisch) alleen mogelijke op de bestaande locatie. Voor deze uienbewerkende bedrijven wordt daarom een apart te programmeren bedrijvencategorie opgenomen waarin vraag en aanbod moeten worden afgestemd. Met de sector worden vraag en aanbod bepaald.

Verder heeft het omgevingsplan van de provincie Zeeland een ontwikkelingsgerichte benadering, waarbij meer ontwikkelingsruimte wordt geboden in het landelijk gebied. Hieraan is als voorwaarde verbonden dat wanneer initiatiefnemers gebruik maken van deze ontwikkelingsruimte er tevens een investering in de omgevingskwaliteit moet plaatsvinden ter compensatie van het verlies aan ecologisch kapitaal, oftewel het principe van verevening. De gemeente sluit met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst waarin de vereveningsbijdrage wordt vastgelegd.

Omgevingsverordening Zeeland 2018

De Omgevingsverordening Zeeland 2018 gaat net als het Omgevingsplan ook over de fysieke leefomgeving van de provincie. Bij de beoordeling van ruimtelijke plannen is vooral hoofdstuk 2 welke gaat over het ruimtelijk domein van belang. Specifiek gelden de regels onder artikel 2.3 'bedrijven'.

In artikel 2.3 worden regels gesteld over de ontwikkeling van bedrijven. Noodzaak in verband met provinciaal belang is gelegen in: zorgvuldig ruimtegebruik, bundeling en concentratie alsmede het voorkomen van een onnodige inbreuk op de kwaliteit/ openheid van het buitengebied. Tevens streeft de Provincie naar herstructurering van bestaande terreinen.

In een bestemmingsplan wordt uitbreiding van op het tijdstip van inwerkingtreding van deze verordening bestaande kleinschalige bedrijventerreinen niet toegelaten, tenzij in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat sprake is van een eenmalige beperkte afronding met ten hoogste 20% of 0,5 hectare waarbij de ruimtelijke kwaliteit aantoonbaar verbetert.

Onder een verbetering van ruimtelijke kwaliteit wordt onder andere verstaan een meer dan gebruikelijke groenstructuur rond het bedrijventerrein of het oplossen van bedrijfsgerelateerde knelpunten door de aanwezigheid/uitbreiding van het bedrijf op die locatie. Voorbeelden hiervan zijn een aanzienlijke verbetering van de openbare ruimte/de inrichting of de ontsluiting van het terrein of de directe omgeving ervan, het oplossen van hinder door geur, trilling, geluid, stof, het oplossen van knelpunten op het gebied van externe veiligheid, enzovoorts.

Toetsing

Het huidige bouwvlak (en bestemmingsvlak) heeft een oppervlakte van ongeveer 13.100 m² waarbinnen 3.828 m² aan gebouwen en overkappingen mogelijk is. In de toekomstige situatie heeft het afgerond een bouwvlak van 18.000 m² waarbinnen 6.068 m² is toegestaan aan gebouwen en overkappingen. Het verschil in toegestane extra bebouwd oppervlak is de beoogde loods van ongeveer 2.240 m². Hierdoor is sprake van nieuw beslag op de ruimte. Om voldoende manouvreerruimte te houden, is aan de achterzijde van de bestaande loods een uitbreiding van 3.500 m² voorzien. Verder is achter de bestaande pellenbak en aan de noordwestzijde uitbreiding van bedrijfsgronden van ongeveer 1.400 m² voorzien voor een logische afronding van het terrein. De totale toename valt binnen de eenmalige beperkte afronding van minder dan 0,5 hectare. De bebouwingsmogelijkheden worden net als in het huidige bestemmingsplan beperkt in dit bestemmingsplan.

Kwaliteitsverbetering

Door de beoogde uitbreiding vindt ruimtelijke kwaliteit van de openbare ruimte/infrastructuur plaats. De wegen in de directe omgeving zijn in de huidige situatie al overwegend smal en niet berekend op veelvuldige verkeersbewegingen met grote vrachtwagens. Hierdoor ontstaat bermschade, wat tot gevaarlijke situaties kan leiden. Daarnaast ontstaan er gevaarlijke situaties voor andere weggebruikers. In samenwerking met het Waterschap Scheldestromen, als wegbeheerder, zijn afspraken gemaakt om de verkeerssituatie in de directe omgeving te verbeteren. Hiervoor wordt vanuit het bedrijf een eenmalige financiële bijdrage gedaan aan het Waterschap Scheldestromen (zie ook paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren). Daarmee is sprake van een aantoonbare verbetering van de ruimtelijke kwaliteit.

Daarnaast wordt de bestaande groenstrook verplaatst waardoor de uitbreiding van bedrijfsgronden landschappelijk wordt ingepast met minimaal 10 meter. Achter deze landschappelijke inpassing wordt bijna 1 hectare landschappelijk ingericht met onder andere een waterretentiegebied (zie Bijlage 1). Een deel van dit gebied heeft een open karakter met water, riet- en oevervegetatie en grasland met kleine beplantingselementen. Een ander deel van het gebied heeft meer een dicht karakter met beplantingen.

Tot slot zorgt de uitbreiding ervoor dat het laden en lossen van vrachtwagens meer binnen mogelijk is en er minder heftruckbewegingen nodig zijn op het buitenterrein. Dit zorgt voor het verminderen van mogelijke hinder (geluid en stof).

Provinciaal beleid staat, op basis van het bovenstaande, de vaststelling van het plan niet in de weg.

3.3 Regionaal beleid

Bedrijventerreinprogramma 2017-2025 - regio De Bevelanden

De vijf Bevelandse gemeenten hebben gezamenlijk een bedrijventerreinenprogramma voor de periode 2017–2025 vastgesteld. Hoofddoelstelling van een gezamenlijk programma is een onderlinge afstemming van de ontwikkeling van bedrijventerreinen, zodat de totale omvang van de terreinen in de pas gaat lopen met de prognose van de behoefte aan bedrijfsgrond.

De bedrijventerreinenstrategie van de Bevelanden heeft als vertrekpunt het herziene omgevingsplan 2012 - 2018 dat grootschalige en kleinschalige bedrijventerreinen onderscheidt. Alle bedrijfslocaties, niet zijnde agrarische bouwvlakken, van 1 ha of groter worden aangemerkt als kleinschalig bedrijventerrein. Kleinschalige terreinen krijgen eenmalig de mogelijkheid voor een beperkte afronding, indien de ruimtelijke kwaliteit ter plaatse verbetert. Van een beperkte afronding is sprake als de omvang maximaal 20% is van de bestaande oppervlakte van het terrein of maximaal 0,5 ha is. Indien deze uitbreiding onvoldoende mogelijkheden biedt voor het betreffende bedrijf, dient een maatwerkoplossing te worden gezocht. Verplaatsing naar een grootschalig bedrijfsterrein geniet dan de voorkeur.

De belangrijkste doelstelling van de Bevelandse gemeenten bij de ontwikkeling van bedrijventerreinen is het bieden van ruimte voor economische ontwikkeling in de regio, gericht op versterking van de werkgelegenheid. De gemeenten proberen dit onder meer te verwezenlijken door het ontwikkelen van bedrijventerreinen die door ligging en andere kenmerken een grote diversiteit kennen. De visie van de Bevelanden is samengevat als volgt:

  • nieuwvestiging van bedrijven concentreren op de grootschalige bedrijventerreinen in de regio;
  • maatwerk leveren bij uitbreiding bestaande bedrijvigheid;
  • stimuleren van duurzaam (ver)bouwen van bedrijfsgebouwen;
  • kwaliteitsverbetering van verouderde bedrijventerreinen (herstructurering / revitalisering).

De bedrijventerreinenstrategie is gericht op het verder ontwikkelen van de grootschalige bedrijventerreinen. Ingezet wordt op de volgende terreinen:

  • De Poel in Goes: een gemengd terrein met accenten op groothandel, showroomactiviteiten, industrie en commerciële dienstverlening (milieucategorie 3);
  • Smokkelhoek in Kapelle: een gemengd (regionaal) terrein in aanvulling op het bedrijventerreinaanbod van de stedelijke ontwikkelingszone Goes (milieucategorie 4.1);
  • Olzendepolder in Yerseke: een gemengd terrein.

In het Omgevingsplan van de provincie is de mogelijkheid opgenomen om kleinschalige bedrijventerreinen uit te breiden met maximaal 20% tot een maximum van 0,5 hectare. Dergelijke uitbreidingen komen ten laste van de behoefteraming. Omdat regio de Bevelanden meer aanbod heeft (17,6 ha) dan de geraamde behoefte (9 ha), zou aan deze uitbreiding geen medewerking verleend kunnen worden tot het moment dat het overaanbod is verkocht.

De consequentie daarvan is dat bedrijven op kleinschalige bedrijventerreinen die willen groeien en solitaire bedrijven in het buitengebied die willen groeien - die immers, als ze groter zijn dan 1 ha, worden beschouwd als kleinschalig bedrijventerrein - moeten verplaatsen naar een van de bedrijventerreinen in de regio waar nog ruimte is. Dat is in de visie van de provincie de meest wenselijke situatie. Echter, niet ieder bedrijf is kapitaalkrachtig genoeg om te verhuizen naar een bedrijventerrein. Dit nog los van de vraag of het altijd maatschappelijk gewenst is dat een bedrijf een bepaalde locatie verlaat.

In dit geval gaat om een dergelijk solitair bedrijf. Daarnaast is hier sprake van een agrarisch gerelateerd bedrijf. Verplaatsing naar een bedrijventerrein is vanwege de aard en verschijningsvorm niet reëel en gewenst.

Prognose bedrijventerreinen Zeeland

Door Stec Groep is op 13 januari 2020 de publicatie van de prognose bedrijventerreinen Zeeland 'Werken aan toekomstbestendige bedrijventerreinen' opgesteld. Op hoofdlijnen is in beeld hoe de bestaande bedrijventerreinen in Zeeland er voor staan. Globaal gezien is de leegstand laag en hebben ze een flink aandeel in de werkgelegenheid (ca. 25%). Tegelijkertijd is sprake van een relatief extensief ruimtegebruik, lage prijsniveaus en regelmatig van verouderd vastgoed en een verouderde openbare ruimte. Het beeld van de bestaande voorraad kan en moet scherper en actueler om de bestaande terreinen economisch vitaal en weerbaar te houden en om de potentie van de locaties voor o.a. energietransitie en klimaatadaptatie te benutten.

Leegstand

Op bedrijventerreinen in Zeeland staat een vastgoedvoorraad van ruim 5 miljoen vierkante meter. De verhouding tussen het vloeroppervlak en netto uitgegeven terrein is 30% in de provincie Zeeland. Dit is laag voor Nederlandse bedrijventerreinen, bedrijven in Zeeland hebben dus relatief grote kavels ten opzichte van hun bebouwing.

In totaal stond er per juli 2019 circa 174.400 m² aan bedrijfsruimte in aanbod op bedrijventerreinen in Zeeland. Dat is zo'n 3,1% van de totale voorraad. Daarmee ligt het leegstandspercentage aan de onderkant van een gezond frictieniveau (circa 5%). Op De Bevelanden is er een leegstaandpercentage van 2%.

Uitbreidingsvraag Zeeland

De verwachte uitbreidingsvraag van 108 tot maximaal 207 hectare betekent een groei van de huidige netto uitgegeven voorraad van circa 6% tot maximaal circa 12%. In de voorgaande jaren (2007 tot 2019) groeide de netto uitgegeven voorraad in de provincie Zeeland met circa 15%.

Het rapport laat zien dat er in de meeste regio's in het WLO (werkgelegenheidsontwikkeling) laag scenario tot en met 2030 voldoende aanbod is met het huidige uitgeefbare aanbod. In het WLO hoog scenario is te zien dat met name een tekort ontstaat in regio De Bevelanden. Naar aanleiding van het kwalitatief onderzoek is voor De Bevelanden de conclusie:

Het grootste deel van de vraag komt vanuit de logistiek & groothandel. De vraag vanuit deze doelgroep kan niet volledig worden gefaciliteerd met het huidige aanbod. Bovendien is het aanbod enigszins versnipperd (weinig grote aaneengesloten kavels beschikbaar), wat vanuit de vestigingseisen van deze doelgroep bezien ongunstig is. 

De terreinen die geschikt zijn voor de logistieke vraag zijn ook geschikt voor de vraag vanuit de industrie. Er wordt geadviseerd om binnen de regio een keuze te maken voor een locatie waar de (grotere) logistieke vraag gehuisvest gaat worden. Een locatie aan een snelweg, dicht tegen de belangrijke transportas A58/A4, met relatief grote aaneengesloten kavels leent zich hier het best voor. Er is voldoende geschikt aanbod beschikbaar voor de vraag vanuit bouw, handel en reparatie en diensten, ofwel het reguliere MKB-segment.

Het regionaal beleid en de prognose van de Zeeuwse bedrijventerreinen vormen geen belemmering voor de gewentste ontwikkeling.

3.4 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Buitengebied

Ten aanzien van bedrijven in het buitengebied is in de structuurvisie het volgende opgenomen:

De landelijke uitstraling en beleving van het buitengebied dient behouden te blijven en te worden beschermd tegen stedelijke ontwikkelingen die niet in het landelijk gebied thuis horen. Deze visie maakt derhalve enerzijds (functioneel) onderscheid in de 'niet-agrarische bedrijven', 'agrarische (technische) hulpbedrijven' en 'agrarisch verwante bedrijven' en anderzijds in 'Nieuwe Economische Dragers' (NED). Niet-agrarische bedrijven horen in principe thuis op een bedrijventerrein of elders in de bebouwde kom.

Bestaande niet-agrarische bedrijven krijgen de eenmalige mogelijkheid 20% uit te breiden. Indien de bedrijven zijn gelegen in één van de kleine kernen en gehuchten wordt 50% uitbreidingsruimte geboden. Ontwikkelingsmogelijkheden, meer dan de bovenstaande percentages, wordt uitsluitend geboden indien dit noodzakelijk is vanuit veiligheidstechnisch, en/of milieuhygiënisch oogpunt en is derhalve maatwerk. Bij doorgroei van een bedrijf zal bij elk initiatief worden afgewogen of dat op de locatie vanuit het oogpunt van verkeer en landschapstechnisch mogelijk is, of dat verplaatsing naar een bedrijventerrein gewenst is.

In dit geval gaat om een solitair bedrijf. Daarnaast is hier sprake van een agrarisch gerelateerd bedrijf. Verplaatsing naar een bedrijventerrein is vanwege de aard en verschijningsvorm niet reëel en gewenst. Ten slotte is de verplaatsing van het bedrijf naar een bedrijventerrein financieel niet haalbaar.

Het gemeentelijk beleid vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

Hoofdstuk 4 Kwaliteit van de leefomgeving

4.1 Inleiding

Er bestaat een duidelijke relatie tussen milieubeleid en ruimtelijke ordening. De laatste decennia groeien deze beleidsvelden dan ook naar elkaar toe. De milieukwaliteit vormt een belangrijke afweging bij de ontwikkelingsmogelijkheden van ruimtelijke functies. Bij de besluitvorming over het al dan niet toelaten van een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling wordt dan ook onderzocht welke omgevingsaspecten daarbij een rol (kunnen) spelen. Het is van belang om milieubelastende functies (zoals bepaalde bedrijfsactiviteiten) ruimtelijk te scheiden ten opzichte van milieugevoelige functies zoals woningen. Andersom moet in de ruimtelijke ordening nadrukkelijk rekening gehouden worden met de gevolgen van ruimtelijke ingrepen voor het milieu. Milieubelastende situaties moeten voorkomen worden.

4.2 Archeologie en cultuurhistorie

Archeologie
In Europees verband is het zogenaamde 'Verdrag van Malta' tot stand gekomen. Uitgangspunt van dit verdrag is het archeologisch erfgoed zo veel mogelijk te behouden. Waar dit niet mogelijk is, dient het bodemarchief met zorg ontsloten te worden. In juli 2016 is de Erfgoedwet in werking getreden. Deze wet vervangt diverse wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed in Nederland. In de Erfgoedwet staat wat cultureel erfgoed is, hoe Nederland omgaat met roerend cultureel erfgoed, wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe Nederland daar toezicht op houdt.

Archeologiebeleid gemeente Reimerswaal
Omdat archeologie in de eerste plaats een gemeentelijke verantwoordelijkheid is, heeft de gemeente Reimerswaal eigen archeologiebeleid opgesteld voor het gehele grondgebied, inclusief de waterbodems (22-11-2011). Dit archeologiebeleid bestaat uit een deel A: Beleidsnota archeologie en een Deel B: Toelichting beleidskaart. Deel B is een (ruimtelijke) uitwerking van het archeologiebeleid (deel A). In 2015 en 2016 heeft een evaluatie van het archeologiebeleid van de OAS gemeenten (initiatief van zes Zeeuwse gemeenten) plaatsgevonden. Uit deze evaluatie is gebleken dat het beleid prima functioneert en aanpassingen niet noodzakelijk zijn.

Op basis van het gemeentelijk archeologiebeleid kan worden bepaald of voor een bepaalde ruimtelijke ontwikkeling op een specifieke locatie al dan niet archeologisch onderzoek moet plaatsvinden. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt in 8 categorieën, waarvan enkele categorieën bekende archeologische waardevolle gebieden omvatten en andere een bepaalde verwachtingswaarde op archeologische vondsten weergeven. Aan elke categorie, uitgezonderd Categorie 1, is een, aan oppervlakte van grondverstoring gebonden, vrijstelling voor archeologisch onderzoek gekoppeld. Bij alle categorieën, wederom uitgezonderd Categorie 1, geldt in ieder geval dat geen onderzoek hoeft plaats te vinden indien de bodem niet dieper dan 40 cm wordt verstoord.

De gehanteerde categorieën zijn:

  • Categorie 1: archeologisch rijksmonument; hiervoor is altijd een monumentenvergunning nodig;
  • Categorie 2: terrein van archeologische waarde; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 3: stads- en dorpskernen van een specifieke archeologische verwachting; geen onderzoeksplicht indien minder dan 50 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 4: hoge verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 250 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 5: matige verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht indien minder dan 500 m2 wordt verstoord;
  • Categorie 6: lage verwachtingswaarde op archeologische vondsten; geen onderzoeksplicht;
  • Categorie 7: verwachting van maritieme vondsten; hiervoor is altijd overleg met de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed nodig;
  • Categorie 8: archeologische vondsten worden niet verwacht; geen onderzoeksplicht.

Het plangebied valt op basis van het gemeentelijke beleid binnen categorie 4. Dit betekent een hoge verwachting. Hiervoor geldt een onderzoeksplicht zodra een bouwplan betrekking heeft op een te verstoren oppervlak van 250 m² of meer en/of waarbij bouwwerken dieper dan 40 cm worden geplaatst. Voor die delen van het plangebied waarvoor in het archeologiebeleid van de gemeente Reimerswaal een Categorie 4 aanwezig is, is een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen.

In september 2009 is door SOB Research archeologisch bureau- en veldonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 2). Hieruit kwam naar voren dat vervolgonderzoek noodzakelijk is. Deze conclusie blijft onveranderd gezien de ligging op een oude kreekrug en de aanboring van archeologische indicatoren. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen is vervolgonderzoek beoogd in de vorm van Archeologische Begeleiding. Hiervoor is een Programma van Eisen opgesteld en afgestemd met de gemeente (mail d.d. 03-08-2022).

Cultuurhistorie
Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. De Erfgoedwet heeft zes wetten en regelingen op het gebied van cultureel erfgoed vervangen waaronder de Monumentenwet 1988. Op basis van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het wettelijk verplicht om in de toelichting van een bestemmingsplan een beschrijving op te nemen van de wijze waarop met in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden of monumenten rekening is gehouden.

Cultuurhistorisch waardevolle objecten in de directe omgeving van het plangebied, waarmee in het plan rekening moet of kan worden gehouden, zijn niet aanwezig.

4.3 Bedrijven en milieuzonering

Een goede ruimtelijke ordening voorziet in het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Sommige activiteiten die planologisch mogelijk worden gemaakt, veroorzaken milieubelasting voor de omgeving. Andere (gevoelige) functies moeten juist beschermd worden tegen milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en gevoelige functies (zoals woningen) worden hinder en gevaar voorkomen en wordt het bedrijven mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Het doel van milieuzonering is om te komen tot een optimale kwaliteit van de leefomgeving.

Een uienverwerkend bedrijf wordt niet in de handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' van de VNG en in de Staat van Bedrijfsactiviteiten genoemd. Er kan worden aangesloten bij een algemeen Groente- en fruitconservenfabriek (SBI-2008 code 1032, 1039). Hiervoor geldt een milieucategorie 3.2 en een richtafstand van 100 meter tot gevoelige objecten met als maatgevend aspect geluid (rustig buitengebied). Aan Oomshoekseweg 10 is op een afstand van ongeveer 150 meter vanaf de nieuwe grens van de bedrijfsbestemming een (bedrijfs)woning gelegen. Hierdoor voldoet het aan de richtafstand. Verder zijn er in de omgeving geen gevoelige objecten gelegen. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

4.4 Bodem

Om het risico uit te sluiten, dat mensen gezondheidsproblemen krijgen als gevolg van een langdurig verblijf op verontreinigde grond, dient aangetoond te worden dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie.

Aangezien een bedrijfsbestemming geen gevoeligere bestemming is dan de huidige agrarische functie, is een verkennend bodemonderzoek in het kader van een bestemmingsplan niet benodigd. Bovendien blijkt op basis van de boomgaarden kaart van de Provincie Zeeland dat er in het verleden geen boomgaard aanwezig is geweest op het plangebied (zie onderstaande afbeelding). Hierdoor is de kans klein dat bepaalde schadelijke stoffen, door de toepassing van bestrijdingsmiddelen, in de grond bevinden. In het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen, dient echter wel de kwaliteit van de grond onderzocht te worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0007.png"

Afbeelding 6 | Uitsnede Geoloket (bron: Geoloket Zeeuws bodemvenster, bewerking Juust)

4.5 Externe veiligheid

De doelstelling van het externe veiligheidsbeleid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen (zoals het gebruik, de opslag, de productie als het transport). Het beleid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving.

Bij externe veiligheid gaat het daarnaast om de ruimtelijke inpassing van risicobronnen. Het betreffende bedrijf aan de Oomshoekseweg is zelf een risicovolle inrichting voor naar de omgeving. Op het terrein zijn twee propaantanks van ieder 13 m³ gelegen waarvan één voor het bedrijf en één van 1,6 m³ voor huishoudelijk gebruik. De risicoafstand (PR 10-6) is 25 meter met als maatgevend scenario explosief. Het dichtstbijzijnde gevoelig object (bedrijfswoning) is op meer dan 150 meter afstand gelegen aan de Oomshoekseweg 10 in Kruiningen. Het bedrijf vormt geen belemmering naar de omgeving.

Kwetsbare objecten (zoals woningen) moeten bij ruimtelijke planvorming beschermd worden tegen de externe veiligheidsrisico’s. Het realiseren van een bedrijfsloods is geen kwetsbaar object. Echter ligt het plangebied binnen het invloedsgebied van de spoorlijn Sloehaven – Roosendaal West en de A58 (beiden 1500 meter) (zie onderstaande afbeelding) en is een artikel 7 van het Besluit externe veiligheid transportroutes van toepassing:

In de toelichting bij een bestemmingsplan wordt, voor zover het gebied waarop dat plan of die vergunning betrekking heeft binnen het invloedsgebied ligt van een weg, spoorweg of binnenwater waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in elk geval ingegaan op:

  • de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en
  • voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.

Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0008.png"

Afbeelding 7 | Uitsnede Risicokaart (bron: Geoloket RUD, bewerking Juust)

Beperkte verantwoording van het groepsrisico (GR)

De GR-contour is verschillend voor vervoer over water, weg en spoor. Bij transport over water is er geen GR-contour. Het groepsrisico (GR) is de kans per jaar per km transportroute dat een groep van 10 of meer personen in de omgeving van een transportroute in één keer dodelijk slachtoffer wordt van een ongeval met het vervoer van gevaarlijke stoffen op die transportroute. Het GR is niet genormeerd. Hiervoor geldt enkel een oriëntatiewaarde waarbinnen een afweging gemaakt moet worden over de aanvaardbaarheid van de risico's. Het GR wordt enkel bepaald voor het invloedsgebied van een risicobron. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het GR.

Het groepsrisico dient berekend te worden voor de realisatie van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen binnen een afstand van 200 meter van een route die is aangewezen in het Bevt. Daarbij geldt dat het groepsrisico berekend en (uitgebreid) verantwoord moet worden indien:

  • het groepsrisico hoger is dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde of,
  • het groepsrisico met meer dan 10% toeneemt of,
  • de oriëntatiewaarde wordt overschreden.

In dit geval neemt het groepsrisico niet toe. In principe is de uitbreiding nodig om de interne processen te verbeteren en zal de optische sorteermachine mensenwerk uit handen nemen. Een uitgebreide verantwoording is daarom niet noodzakelijk. Een (beperkte) verantwoordingsplicht voor de hoogte van het groepsrisico is wel aan de orde indien een (plan)gebied zich bevindt binnen het invloedsgebied van een risicobron. Bij een 'beperkte verantwoording' wordt vooral ingegaan op de zelfredzaamheid en beheersbaarheid.

Bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid

De omvang van mogelijke incidenten kan beter beheersbaar worden gemaakt voor hulpverleningsdiensten door maatregelen te treffen met betrekking tot bestrijdbaarheid, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten in hoeverre zij in staat zijn hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Ten aanzien van de aspecten bereikbaarheid en bluswatervoorziening hanteert de regionale brandweer de richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”. Uit deze handreiking volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van werkzaamheden of calamiteiten het plangebied bereikbaar is.

De mate van zelfredzaamheid van een persoon hangt af van zijn eigen fysieke en psychische mogelijkheden en daarnaast van de omgeving. Een goede ontsluiting, beperking van hoogbouw, de ligging van kwetsbare objecten ten opzichte van de bron en aanvullende maatregelen aan gebouwen kan eraan bijdragen dat de effecten van de ramp beperkt blijven.

Het plangebied is te bereiken via de Oomshoekseweg en indirect via de Wittesteeweg. Het plangebied is op die manier, in gevallen van een ramp, via meerdere kanten te bereiken. Op het voorterrein is waterberging gelegen die kan fungeren als bluswatervoorziening. Verder zijn er voldoende vluchtmogelijkheden binnen het plangebied en omgeving om het gebied te verlaten.

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

4.6 Geluid

Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidzone van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt.

Een belangrijke basis voor de ruimtelijke afweging in het kader van het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh). Deze wet biedt geluidgevoelige functies (zoals woningen) bescherming tegen geluidhinder van wegverkeerslawaai, spoorweglawaai en industrielawaai door middel van zonering. Er is in dit geval geen sprake van een geluidgevoelige functie. Een beschouwing van wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai is niet aan de orde. Voor wat betreft geluidshinder (industrielawaai) afkomstig van de bedrijfsactiviteiten (op basis van milieuvergunning/melding activiteitenbesluit) wordt verwezen naar het onderdeel 'Bedrijven en milieuzonering'.

4.7 Kabels en leidingen

In het bestemmingsplan worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben, of van belang zijn in het kader van externe veiligheid, beheer of gezondheidsrisico. Voor deze kabels en leidingen geldt een waarborgzone omdat deze wellicht een risico met zich meebrengen. Het gaat hier met name om een verhoogd risico als ze bij werkzaamheden worden geraakt.

In of in de nabijheid van het plangebied liggen geen planologisch relevante kabels en/of leidingen. Wel is binnen het plangebied, aan de achterzijde, (nog) een bovengrondse elektrische hoogspanningleiding gelegen van Tennet. Deze vervalt zodra elders de gecombineerde bovengrondse 150 kV/380 kV-hoogspanningsverbinding dan wel een bovengrondse 380/380 kV-hoogspanningsverbinding is gerealiseerd.

4.8 Luchtkwaliteit

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Als het een ruimtelijk project of (te vergunnen) activiteit betreft, waarvan de bijdrage aan de luchtverontreiniging klein is, is geen toetsing aan de grenswaarden luchtkwaliteit nodig. Beoordeeld moet worden of de ontwikkeling 'Niet In Betekende Mate' (NIBM) bijdraagt aan de concentraties van diverse verontreinigende stoffen, waaronder stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in de buitenlucht.

Als een project tot een toename voor NO2 en PM10 leidt die lager is dan de NIBM grens van 1,2 µg/m3 hoeft het project niet getoetst te worden aan de grenswaarden. Vanzelfsprekend moet er wel sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening. In de regeling NIBM is aangegeven, dat een woningbouwlocatie met maximaal 1.500 woningen en één ontsluitingsweg is aan te merken als een ontwikkeling die NIBM bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit.

In dit geval gaat om de uitbreiding van een bestaand bedrijventerrein waarbij de extra verkeersgeneratie beperkt toeneemt, zie paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren. Met de NIBM-tool is berekend of nader onderzoek nodig is. De verkeersgeneratie draagt, zoals aangegeven in onderstaande afbeelding niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is niet nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0009.png"

Afbeelding 8 | NiBM-tool (bron: Infomil)

4.9 Natuur

De Wet natuurbescherming zorgt voor bescherming van gebieden, diersoorten, plantensoorten en bossen. De beschermde flora en fauna mag niet worden verstoord, verjaagd of worden gedood. Voorafgaand aan een ontwikkeling moet worden onderzocht of er beschermde dieren- of plantensoorten in het plangebied leven.

Gebiedsbescherming

Het plangbied ligt niet binnen de begrenzing van een natuurgebied, natuurnetwerk en Natura-2000 gebieden. Het dichtstbijzijnde beschermde Natura 2000-gebied is 'Westerschelde & Saeftinghe'. Dit natuurgebied ligt op circa 1,7 kilometer van het plangebied. Op ruim 2 kilometer afstand is het Natura 2000-gebied 'Oosterschelde' gelegen. Aangezien de voorgenomen ontwikkeling op enige afstand van beschermde Natura 2000-gebieden plaatsvindt worden geen negatieve effecten als gevolg van externe werking (middels visuele verstoring en verstoring door productie van geluid, trilling en licht) verwacht.

Naar aanleiding van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 over de Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de AERIUS Calculator moet en kan voor dit plan de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden worden berekend.

Voor dit plan is voor realisatiefase en de gebruiksfase de uitstoot van stikstof en de neerslag daarvan op Natura 2000-gebieden berekend (zie Bijlage 3 en Bijlage 4). De uitkomst is dat er geen rekenresultaten zijn hoger dan 0,00 mol/ha/j. Het project heeft daarmee geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden. Er is geen vergunning op grond van de Wet natuurbescherming nodig, er geldt ook geen 'aanhaakplicht' in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning.

Soortenbescherming

Nieuwe ontwikkelingen kunnen effect hebben op beschermde gebieden en beschermde soorten (dieren en planten). In januari 2022 heeft NWC een quickscan Wet natuurbescherming uitgevoerd (zie Bijlage 5). Hieronder zijn de resultaten samengevat:

  • Vleermuizen: De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen kan met zekerheid uitgesloten worden. Verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen kunnen niet met zekerheid uitgesloten worden voor de stenen schuur met pannendak binnen het plangebied. Echter blijft dit pand behouden. Daarnaast zullen vleermuizen het plangebied mogelijk wel gebruiken om te foerageren maar betreft het geen essentieel foerageergebied. Voor vleermuizen zijn er vanuit de Wet natuurbescherming geen verdere verplichtingen dan de zorgplicht.
  • Vogels met een vast verblijfsplaats: Er zijn geen nesten van kraaiachtigen of verblijfplaatsen van vogels met een vaste verblijfplaats aangetroffen in het plangebied. Er zijn wel verblijfmogelijkheden voor de Huismus (Passer domesticus) onder de dakpannen van de stenen schuur maar dit pand zal niet gesloopt worden. Het struweel in de windsingel kan wel gebruikt worden door (algemene) broedvogels en als foerageerplaats voor soorten als de Huismus. Wanneer dit struweel aangetast wordt zal dit buiten het broedseizoen plaats moeten vinden en dient eenzelfde hoeveelheid struweel teruggeplaatst te worden.
  • Grondgebonden zoogdieren: Het plangebied is niet geschikt als verblijfplaats voor (kleine) marterachtigen. De dieren kunnen de vegetatie wel gebruiken als foerageerterrein of schuilmogelijkheid. Wanneer er plannen zijn om de vegetatie aan te tasten dient er eenzelfde hoeveelheid struweel teruggeplaatst te worden zodat de hoeveelheid foerageergebied en/of schuilmogelijkheid niet zal afnemen. Daarnaast zijn er konijnenholen aanwezig in de grondwal op het terrein. Deze verblijfplaatsen zijn in de provincie Zeeland niet vrijgesteld van bescherming. Wanneer deze grondwal voor de uitvoering van de plannen aangetast moet worden mag dit niet in de kwetsbare periode, de periode dat de konijnen jongen hebben, uitgevoerd worden. Daarnaast mag de grondwal alleen aangetast worden als er een ontheffing is aangevraagd en verleend, er geen individuen in aanwezig zijn en zal deze grondwal bij verwijdering elders binnen het terrein teruggebracht moeten worden om de nestgelegenheid voor de konijnen te behouden.
  • Reptiel en amfibieën: Binnen het plangebied worden geen individuen van de Rugstreeppad verwacht. Deze soort bevindt zich op te grote afstand en het plangebied bevat geen geschikt leefgebied. Voor deze soort geldt er vanuit de Wet natuurbescherming geen andere verplichting dan de zorgplicht.

In eerste instantie was het de bedoeling om de pellenbak anders te situeren. Hierdoor zou de grondwal worden aangetast (zie figuur 1 in bijlage 5). De grondwal ter plaatse van de pellenbak blijft ongewijzigd. Hierdoor heeft het geen netatieve invloed het diersoort konijn. Hierdoor is in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing nodig. Tenslotte geldt voor alle plant- en diersoorten (ook de onbeschermde) de zorgplicht. Deze houdt in dat mogelijke nadelige gevolgen voor planten en dieren, voor zover redelijk, zoveel mogelijk vermeden moeten worden. Met inachtneming van het bovenstaande vormt het aspect soortenbescherming geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Er is geen vervolgonderzoek noodzakelijk.

4.10 Niet gesprongen explosieven

In de Tweede Wereldoorlog is in Zeeland veel gevochten. Doordat tijdens de gevechten niet alle munitie is ontploft zijn er tot op de dag van vandaag blindgangers in de bodem te vinden. De Provincie Zeeland heeft een kaart ontwikkeld waar op te zien is waar gevochten is en waar een grote kans is om blindgangers in de bodem aan te treffen. 

Op de kaart van de provincie Zeeland is het gebied niet aangewezen als aandachtsgebied voor niet gesprongen explosieven. Dit vormt daarom ook geen belemmering voor de gewenste ontwikkeling.

4.11 Verkeer en parkeren

Een goede ontsluiting en voldoende parkeerfaciliteiten zijn belangrijk voor een goed functionerende ontwikkeling. In deze paragraaf wordt aandacht besteed aan de gevolgen van het plan op de verkeerssituatie in de omgeving, de verkeersgeneratie, de ontsluiting en de wijze waarop voldoende parkeergelegenheid in het plan is gewaarborgd.

Parkeren

De gemeente Reimerswaal heeft een eigen nota parkeernormen. Deze ‘Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal 2016’ dient, voor zover het autoparkeren betreft, als toetsingskader bij het beoordelen van zowel omgevingsvergunningplichtige initiatieven als ook bij initiatieven waarvoor geen vergunning is vereist, maar waarbij een toetsing aan het bestemmingsplan wel aan de orde is. Tevens wordt deze nota gebruikt als onderlegger voor herziening van een bestaand dan wel vaststelling van een nieuw bestemmingsplan, waarmee een nieuwe ontwikkeling planologisch mogelijk wordt gemaakt.

In de ‘Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal 2016’ worden de landelijke richtlijnen vertaald naar de situatie in Reimerswaal. Het uitgangspunt hierbij is dat voor een nieuwe ontwikkeling het aantal autoparkeerplaatsen wordt vastgesteld dat:

  • op eigen terrein moet worden gerealiseerd en/of;
  • kan worden toegerekend aan het openbaar gebied grenzend aan het initiatief.

Op basis van het parkeerbeleid en de toename van het bebouwd oppervlak van het bedrijf is bepaald welke theoretische toename van de parkeervraag verwacht wordt. Hierbij is uitgegaan van de ligging in het buitengebied en, in dit geval, de functie 'bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief'. Hiervoor geldt de gemiddelde parkeernorm van 1,1 parkeerplaatsen per 100 m2 bvo. Dit betekent dat een uitbreiding van 2.240 m² leidt tot een toename van de theoretische parkeervraag met 25 parkeerplaatsen (2.240/100*1,1).

Of de werkelijke parkeerbehoefte vergelijkbaar is met de parkeerbehoefte op basis van kencijfers hangt sterk af van wat de uitbreiding van het bedrijf in de praktijk inhoudt. In dit geval gaat het om een bedrijfsuitbreiding die plaats biedt aan een optische sorteermachine welke noodzakelijk is voor het voortbestaan van het bedrijf. De nieuwe sorteermachine past niet binnen de huidige bebouwing waardoor een nieuwe loods is gewenst. De optische sorteermachine is bedoeld om een deel van het bedrijfsproces te verbeteren en te versnellen. Deze uitbreiding heeft geen gevolgen voor het aantal medewerkers dat zich gelijktijdig op het terrein bevindt. Het bedrijf groeit, door de komst van de optische sorteermachine, namelijk niet in het aantal werknemers. Van de theoretische toename van de parkeervraag is in de praktijk daarom geen sprake. Daarnaast bieden de bestaande 25 parkeerplaatsen voor personenauto's en 10 parkeerplaatsen voor vrachtwagens' op dit moment ruim voldoende capaciteit om parkeren op eigen terrein op te vangen. Bovendien wordt met een fietsplan gestimuleerd om medewerkers op de fiets te laten komen. Een uitbreiding van het aantal parkeerplaatsen als gevolg van de bedrijfsuitbreiding is daarom niet gewenst en niet nodig.

Omdat de optische sorteermachine de bedrijfsprocessen versnelt, wordt er op dagelijkse basis wel een toename van de aan- en afvoer van uien verwacht. Deze toename betreft vijf vrachtwagens per dag. Dit komt neer op een toename van 10 vrachtwagenbewegingen. Er is op eigen terrein voldoende ruimte om, deze lichte toename van het aantal op te stellen vrachtwagens op te vangen.

Verkeersgeneratie en ontsluiting

Voor een bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief (buitengebied) is op basis van de CROW-publicatie 381 de minimale verkeersgeneratie van 3,9 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal en maximaal 5,7 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal. De gemiddelde (extra) verkeersgeneratie bedraagt hiermee in theorie 108 motorvoertuigbewegingen per weekdagetmaal (2.240/100 x 4,8). Dit kan onderverdeeld worden in 80% (87) aan personenauto's en 20% (22) aan vrachtauto's. Dit is gebaseerd op het type werkmilieu 'gemengd terrein' afkomstig uit de CROW-richtlijnen. Echter is deze theoretische benadering in dit geval niet passend (zie onder 'parkeren'). Het bedrijf groeit, door de komst van de optische sorteermachine, niet in het aantal werknemers. Omdat de optische sorteermachine de bedrijfsprocessen wel versnelt, wordt er op dagelijkse basis wel een toename van de aan- en afvoer van uien verwacht. Deze toename betreft vijf vrachtwagens per dag. Dit komt neer op een toename van 10 vrachtwagenbewegingen.

De wegen in het buitengebied zijn al overwegend smal en niet berekend op veelvuldige verkeersbewegingen met grote vrachtwagens. Hierdoor ontstaat bermschade, wat tot gevaarlijke situaties kan leiden. Daarnaast ontstaan er gevaarlijke situaties voor andere weggebruikers. In samenwerking met het Waterschap Scheldestromen, als wegbeheerder, zijn afspraken gemaakt om de verkeerssituatie in de directe omgeving te verbeteren. Hiervoor wordt vanuit het bedrijf een eenmalige financiële bijdrage gedaan aan het Waterschap Scheldestromen. In het waterschapbeheerprogramma is het kostenveroorzakersprincipe opgenomen. Het waterschap gaat ook overeenkomsten aan met andere bedrijven, waarbij bedrijven een bedrag betalen dat wordt ingezet voor het herstellen van schades aan de weg of wegbermen en/of het aanpassen van infrastructuur.

De financiële bijdrage wordt in dit geval gedaan voor het aanbrengen van de ontbrekende 500 meter doorgroeiblokken op het gedeelte 1e Vlietweg tot aan het bedrijf aan de Oomshoekseweg. Bij wijzigingen van de bedrijfsvoering na het aangaan van de overeenkomst die wederom een eventuele toename van verkeer tot gevolg hebben, dienen nieuwe afspraken te worden gemaakt. Hierdoor blijft afwikkeling van de verkeersbewegingen via de Oomshoekseweg, de huidige uitweg van het bedrijf, mogelijk en vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering.

4.12 Water

Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) stelt een watertoets in ruimtelijke plannen verplicht. Beschreven moet worden op welke wijze in het plangebied met water en watergerelateerde aspecten wordt omgegaan. Voorkomen moet worden dat ontwikkelingen in het ruimtegebruik ongewenste effecten hebben op de waterhuishouding. Een goede afstemming tussen beiden is derhalve noodzakelijk om problemen, zoals bijvoorbeeld wateroverlast, slechte waterkwaliteit, verdroging, etc., te voorkomen.

Thema en water(beheer)doelstelling   Uitwerking  
Veiligheid waterkeringen
Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.  
Het plangebied lig niet in en niet in de nabijheid van een waterkering. Wel zijn aan de zuidkant van het plangebied secundaire watergangen gelegen en aan de noordkant van het plangebied een primaire en secundaire watergang. Het gewenste bouwplan komt niet in de beschermingszone van deze oppervlaktewaterlichamen (buiten zone 7 meter uit de insteek van leggerwateren).
 
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
Het plan biedt voldoende ruimte voor het
vasthouden, bergen en afvoeren van water.
Waarborgen van voldoende bouwpeil om
overstroming vanuit oppervlaktewater in
maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.  

afbeelding "i_NL.IMRO.0703.02BPOomhoekseweg4-va01_0010.png"
Door de ontwikkeling zal meer verhard dakoppervlak en meer dichte bodemverharding worden gerealiseerd. Het huidige dakoppervlak heeft een oppervlakte van ongeveer 3.825 m². In de nieuwe situatie is dat 6.065 m² (3.825 + 2.240 = 6.065 m²). Het verschil in dakoppervlak is daarmee 2.240 m².

In de huidige situatie is de dichte bodemverharding (de rest van het bouwvlak) ongeveer 9.275 m² (13.100 – 3.825 = 9.275). In de nieuwe situatie is dat 11.935 m² (13.100 + 3.500 + 1.400 = 18.000 // 18.000 – 6.065 = 11.935). Dit betekent een toename van 2.660 m² (11.935 – 9.275).

In totaal wordt er 4.900 m² aan verhard oppervlakte toegevoegd. Derhalve zal 4.900 x 0,075 = 367,5 m³ aan wateropvang gerealiseerd moeten worden. Dit is geborgd in de planregels. De beoogde wateropvang is voorzien in het vereveningsgebied aan de noordkant van de landschappelijke inpassing. De bedoeling is om het hemelwater eerst te laten infiltreren of af te voeren naar het vereveningsveld en van daaruit indirect (via drainage) het hemelwater te lozen op waterlopen.
 
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI's en van de (gemeentelijke) rioleringen.
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.  
Het huishoudelijk afvalwater wordt gescheiden van het hemelwater. In de huidige situatie wordt er via een septictank geloosd op het oppervlaktewater. Het Waterschap is hierin bevoegd gezag. Wanneer de lozingshoeveelheid en de intensiteit niet veel wijzigt is het toegestaan om via de huidige voorziening te blijven lozen. Indien dat niet het geval is dienen de mogelijkheden om aan te sluiten op het gemeentelijke rioolstelsel nader te worden afgestemd.
 
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast
en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen
van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.  
De ontwikkeling voorziet niet in het onttrekken van grondwater. Er wordt eventuele grondwateroverlast voorkomen door het realiseren van de waterberging(en) en bijvoorbeeld zoveel mogelijk groen toe te passen.
 
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.  
De grondwaterkwaliteit zal als gevolg van de ontwikkeling niet verslechteren. Er worden duurzame, niet uitloogbare materialen toegepast.
 
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.  
Het regenwater wordt gescheiden getransporteerd naar het oppervlaktewater. De bestaande watergang wordt verbreed. Er zal geen gebruik worden gemaakt van uitloogbare materialen.

Er zijn (daardoor) geen nadelige gevolgen voor de waterkwaliteit te verwachten.
 
Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico's via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.  
Waar redelijkerwijs mogelijk, worden langs waterlopen flauwe (en natuurvriendelijke) oevers aangelegd.  
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra)
maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.  
Het hemelwater wordt waar mogelijk oppervlakkig afgevoerd naar de bermen en naar het vereveningsgebied achter de landschappelijke inpassing. Voor meer hevige regenbuien zijn er drains en kolken aangebracht.
 
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.  
Met de gewenste ontwikkeling worden waardevolle wateren en natte natuur niet aangetast.
 
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden
worden. Rekening houden met obstakelvrije
onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.  
Onderhoud van de oppervlaktewateren is een gedeelde verantwoordelijkheid van het waterschap en de gemeente. Binnen de onderhoudsstrook van 7 meter langs de primaire en secundaire watergangen worden geen gebouwen/bouwwerken geprojecteerd. Het onderhoud wordt hierdoor niet belemmerd.
 
Anderer belangen waterbeheer  
Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de
werking van objecten (terreinen, milieuzonering)
van de waterbeheerder niet belemmeren.  
Het waterschap is waterbeheerder. In het ontwerp is rekening gehouden met obstakelvrije en goed toegankelijke onderhoudsstroken voor al het oppervlaktewater.
 
Wegen in beheer bij het waterschap
(alleen invullen voor zover van toepassing)
* in de bouwfase:
Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?

* na realisatie: verkeersaantrekkende werking
Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?

*na realisatie: bereikbaarheid
Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken.
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?

* na realisatie: parkeren
Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?

* na realisatie: (ver)bouwen
Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).  
Oomshoekseweg (4804/10/1) en Wittesteeweg (4801/10/1)

Ja, transport zal plaatsvinden over de bovengenoemde wegen


Ja.




Vooralsnog is het plangebied te bereiken via de Oomshoekseweg.


Ja.


Nee, op ongeveer 80 meter afstand.  

4.13 Milieu Effect Rapportage

In onderdeel D van de bijlage van het Besluit m.e.r. zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt.  Hierbij moet beoordeeld worden of er sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden geldt een m.e.r.-plicht.

In onderdeel D is per activiteit de drempelwaarde benoemd. Als een activiteit voorkomt in onderdeel D en boven de drempelwaarde komt, geldt voor het te nemen besluit een m.e.r.-beoordelingsplicht. Indien er activiteiten plaatsvinden die in onderdeel D zijn opgenomen, maar onder de drempelwaarde blijven, dient er nagegaan te worden of het project grote milieugevolgen heeft. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria uit bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r..

De hoofdcriteria waaraan getoetst moet worden zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect. Het bevoegd gezag dient vervolgens voor de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan een besluit te nemen of er een MER moet worden opgesteld. De grondslag hiervoor is een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Het bestemmingsplan betreft de activiteit genoemd in onderdeel D13: ''De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein''. Een 'formele' besluit-m.e.r.-beoordeling is dan vereist, indien sprake is van een van de aangewezen besluiten in kolom 4 van de bijlage bij het Besluit m.e.r en indien sprake is van een geval zoals opgenomen in kolom 2. Voor betreffende activiteit is sprake van een dergelijk geval indien de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 75 hectare of meer.

De gewenste ontwikkeling ligt ruim onder de drempelwaarde(n). Een vormvrije m.e.r-beoordeling is dan noodzakelijk. Hiervoor is aanmeldnotitie opgesteld (zie Bijlage 6). Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling (en voorgaande paragrafen) blijkt dat de ontwikkeling niet leidt tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

4.14 Conclusie

Omgevingsaspecten zijn onderzocht en vormen geen belemmering voor de ontwikkeling. Planologische medewerking aan het initiatief ligt dan ook in de rede.

Hoofdstuk 5 Juridische aspecten

5.1 Planuitwerking

Voor dit bestemmingsplan zijn alle regels die gelden op basis van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2022', voor zover van toepassing, rechtstreeks overgenomen.

5.2 Juridische planbeschrijving

In de Wet ruimtelijke ordening met bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening heeft het bestemmingsplan een belangrijke rol als normstellend instrument voor het ruimtelijk beleid van de gemeente, provincies en het rijk,. In de ministeriële 'Regeling standaarden ruimtelijke ordening' hierna (Rsro) is vastgelegd dat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (hierna SVBP 2012) de norm is voor de vergelijkbaarheid van bestemmingsplannen, die tot doel heeft om te komen tot een geüniformeerde en gestandaardiseerde opzet van bestemmingsplannen in Nederland. Deze methodiek is onverkort gevolgd. Het bestemmingsplan is daarbij tevens digitaal vervaardigd en is daarom ook digitaal raadpleegbaar via internet.

Naast het feit dat de bestemmingen, aanduidingen en weergave van de verbeelding gestandaardiseerd zijn, vloeit de redactie van de regels ten aanzien van het overgangsrecht en de anti dubbeltelbepaling rechtstreeks voort uit het Besluit ruimtelijke ordening. De beleidsmatige inhoud van het bestemmingsplan is niet gestandaardiseerd. De gemeente behoudt haar vrijheid ten aanzien van de inhoud en vormgeving aangaande de toelichting.

Verbeelding

De verbeelding geeft de bestemmingen weer. Binnen de bestemmingsvlakken kunnen bouwvlakken, bouw-, gebieds-, functie-, en maatvoeringsaanduidingen aangegeven worden, waarbinnen een aantal specifieke bouwregels en functies kunnen worden aangegeven. Deze hebben juridische betekenis, omdat daar in de regels naar wordt verwezen. De topografische ondergrond die gebruikt is als basis voor de verbeelding heeft geen juridische status.

Op de verbeelding zijn alle geldende enkelbestemmingen, dubbelbestemmingen, gebiedsaanduidingen en functieaanduidingen overgenomen. Het maximum bebouwd oppervlak is gewijzigd van 3.828 m³ naar 6.068 m².

Regels

Algemeen

De regels bevatten bepalingen over het gebruik van de gronden, over de toegelaten bebouwing en bepalingen betreffende het gebruik van op te richten bouwwerken. De regels zijn, conform de wettelijk verplicht gestelde SVBP 2012, onderverdeeld in vier hoofdstukken:

- Hoofdstuk 1 Inleidende regels

- Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

- Hoofdstuk 3 Algemene regels

- Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Inleidende regels

Begripsbepalingen en Wijze van meten

De inleidende regels omvatten de begripsbepalingen en de bepalingen omtrent de wijze van meten. De begripsbepalingen geven de definities over de in de regels gehanteerde begrippen met betrekking tot bouwen en functies. De wijze van meten geeft uitsluitsel over de wijze waarop afstanden, hoogtes, oppervlakte etc. moeten worden gemeten.

Bestemmingsregels

Enkelbestemming Agrarisch

Binnen deze bestemming zijn grondgebonden agrarische bedrijven toegestaan met grondgebonden agrarischgebruik. Tevens glastuinbouw als nevenactiviteit. In dit bestemmingsplan is geen bouwvlak opgenomen voor agrarische bedrijven. Daardoor zijn enkel bouw- en gebruiksregels opgenomen die gelden buiten het bouwvlak.

Enkelbestemming Bedrijf

Binnen deze bestemming zijn bedrijven van milieucategorie 1 en/of 2 toegestaan. Daarnaast is in dit bestemmingsplan opgenomen dat ook een uienverwerkend bedrijf is toegestaan met opslag voor uienpellen. Bovendien is een veldschuur mogelijk binnen de specifieke aanuiding 'specifieke vorm van agrarisch - veldschuur'. Het bebouwd oppervlakte is vastgelegd met een maatvoeringaanduiding evenals de goothoogte.

Enkelbestemming Groen

Binnen deze bestemming zijn de gronden bestemd voor onder andere beplantingen, waterpartijen en andere voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding en een grondwal. Enkel bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan.

Enkelbestemming Verkeer

Binnen deze bestemming zijn wegen mogelijk. Daarnaast ook onder andere afvalverzamelplaatsen, beplantingen, bermen en parkeerplaatsen mogelijk. Voor het bouwen geldt dat uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde zijn toegestaan.

Dubbelbestemming Leiding - Hoogspanningsverbinding

De voor ‘Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn mede bestemd voor een hoogspanningsverbinding. Op deze gronden mag onder voorwaarden worden gebouwd.

Dubbelbestemming Waarde-Archeologie - 2

De voor 'Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) - mede bestemd voor het behoud van het ter plaatse aanwezige archeologisch waardevol gebied, voor zover deze betrekking heeft op de beleidscategorie 4, hoge verwachting.

Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Besluit ruimtelijke ordening vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen, dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd, bijv. ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen.

Algemene bouwregels
Dit artikel bevat een aantal algemene bepalingen ten aanzien van het overschrijden van de bouwgrenzen van verschillende bij gebouwen horende elementen zoals galerijen, afdaken en erkers.

Algemene gebruiksregels

Dit artikel bevat een parkeerregeling wat regelt dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn, waarbij voldaan wordt aan de Nota parkeernormen gemeente Reimerswaal.

Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn de gebiedsaanduidingen 'Vrijwaringszone - hoogspanningsverbinding te vervallen' en 'Vrijwaringszone - radar 9' opgenomen.

Algemene wijzigingsregels

In dit artikel is een aantal algemene wijzigingsregels opgenomen. Het betreft een standaardregeling die het mogelijk maakt om bij de uitvoering van bouwplannen beperkte afwijkingen van het plan mogelijk te maken die niet met een omgevingsvergunning voor afwijken geregeld kunnen worden, zoals het overschrijden van bestemmingsgrenzen.

Overgangs- en slotregels

In deze regels is het overgangsrecht vastgelegd in de vorm zoals in het Besluit ruimtelijke ordening is voorgeschreven. Als laatste is de slotbepaling opgenomen, welke bepaling zowel de titel van het plan als de regels bevat.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst of doordat de verplicht te verhalen kosten zijn verdisconteerd in de grondprijs.

Dit plan voorziet in de bouw van een bedrijfsloods. Dit betreft een bouwplan, zoals dat hierboven is benoemd. De gemeente Reimerswaal sluit met de initiatiefnemer een (anterieure) overeenkomst waarin onder andere het kostenverhaal is geregeld. De kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van de ontwikkeling zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Ook eventuele planschade wordt op de initiatiefnemer verhaald. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen negatieve financiële gevolgen. Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning zullen de gebruikelijke leges in rekening worden gebracht.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Vooroverleg 

Vooroverleg zoals bedoeld in artikel 3.1.1. van het Besluit ruimtelijke ordening is voor dit plan van toepassing. In het kader van dit bestuurlijke vooroverleg is het plan toegezonden aan de provincie, het waterschap en de veiligheidsregio. De ingekomen overlegreacties zijn hieronder samengevat en beantwoord. Ook is aangegeven of het bestemmingsplan naar aanleiding van de overlegreactie is aangepast en als dat het geval is, in welke zin het bestemmingsplan is aangepast.

Provincie Zeeland

Inhoud overlegreactie

Ten aanzien van de grondgebonden zoogdieren is in de ecologische quickscan geconstateerd dat er konijnenholen aanwezig zijn in de grondwal. Uit het inrichtingsplan valt op te maken dat een deel van de huidige grondwal verplaatst wordt. Hierbij wordt opgemerkt dat het bij aantasting van de konijnenholen niet alleen nodig is om elders een grondwal terug te brengen, maar dat het ook noodzakelijk is om een ontheffing aan te vragen van de verbodsbepalingen opgenomen in artikel 3.10 lid 1 Wnb, (verbod beschadigen of vernielen vaste rustplaatsen).

Beantwoording
Naar aanleiding van de reactie van de provincie heeft initiatiefnemer zijn inrichtingsplan aangepast. De grondwal ter plaatse van de pellenbak wordt niet meer (deels) verplaatst en blijft ongewijzigd. Hierdoor vindt geen aantasting plaats van konijnenholen en is er geen sprake van een negatieve invloed op het diersoort konijn. Als gevolg hiervan is in het kader van de Wet natuurbescherming geen ontheffing nodig.

Aanpassing bestemmingsplan

Paragraaf 4.9 Natuur en afbeelding 5 in paragraaf 2.2 Toekomstige situatie van de toelichting is hierop aangepast.

Veiligheidsregio

Inhoud overlegreactie

Uit de beoordeling blijkt dat het plan binnen de invloedsgebieden ligt van de A58 en de spoorlijn Sloehaven - Roosendaal West. Beide routes zijn aangewezen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en zijn onderdeel van het Basisnet. De realisatie van de nieuwe loods leidt echter niet tot een (noemenswaardige) toevoeging van het aantal personen en zorgt daarmee niet voor een verhoging van het groepsrisico. Verder is de beperkte verantwoording van het groepsrisico, zoals beschreven in paragraaf 4.5, correct en volledig. Er zijn geen aanvullende maatregelen noodzakelijk voor de zelfredzaamheid, bestrijdbaarheid en bereikbaarheid in het plangebied. De zelfredzaamheid van de personen in het plangebied is voldoende, het plangebied is goed bereikbaar voor de hulpdiensten en op het terrein is reeds een grote bluswatervoorziening (waterberging) aanwezig.

Beantwoording

De overlegreactie wordt voor kennisgeving aangenomen.

Aanpassing bestemmingsplan

Naar aanleiding van de overlegreactie is het bestemmingsplan niet gewijzigd.

Waterschap

Inhoud overlegreactie

Wegbeheer: Er wordt opgemerkt dat de Oomshoekseweg, met een breedte van krap 3 meter, niet veel meer verkeer kan hebben. Die conclusie wordt getrokken vanwege de aanwezigheid van bermschade over vrijwel de volledige lengte van de Oomshoekseweg, terwijl er op de Oomshoekseweg sprake is van een gesloten verklaring voor vrachtverkeer uitgezonderd bestemmingsverkeer. De uitkomsten uit het verkeerscirculatieplan moeten nog worden opgenomen. Pas daarna kan er advies gegeven worden. Het is vooralsnog te kort door de bocht om te stellen dat de omgevingsaspecten geen belemmering vormen voor de ontwikkeling.

De uitweg van het bedrijf wordt niet gewijzigd. Er staat wel dat de ontwikkeling vooralsnog te bereiken is via de Oomshoekseweg dus wellicht zijn er wel plannen om dit te wijzigen en zijn die opgenomen in het eerdergenoemde verkeerscirculatieplan. De Wittesteeweg wordt genoemd in het voorontwerpbestemmingsplan dus wellicht dat die wordt betrokken in de ontsluiting van het bedrijf.

Waterbeheer: Er wordt opgemerkt dat er een wateropgaaf is van 263 m³. De bedoeling is om dit water indirect af te voeren via een vereveningsgebied en/of via drainage naar het oppervlaktewater. Vanwege deze vertraagde afvoer is er geen watercompensatie nodig.

Beantwoording

Nadat de vooroverlegreactie is gegeven, is in nauw overleg met het Waterschap Scheldestromen de verkeerssituatie nader bekeken en zijn hierover nadere afspraken gemaakt. Door het waterschap zal een verbod worden ingesteld voor vrachtverkeer komend vanaf het bedrijfsperceel van initiatiefnemer om rechtsaf de Oomshoekseweg op te rijden. Verder levert initiatiefnemer in het kader van de voorgenomen bedrijfsuitbreiding een eenmalige financiële bijdrage aan het waterschap voor de verbetering van de verkeerssituatie in de directe omgeving.

Aanpassing bestemmingsplan

Naar aanleiding van de overlegreactie ten aanzien van het wegbeheer is paragraaf 4.11 Verkeer en parkeren van de toelichting aangevuld.

Inspraak

Conform de Wet ruimtelijke ordening is het niet verplicht om een inspraakprocedure te volgen. De gemeente is vrij om toch inspraak te verlenen. Op grond van de Inspraakverordening van de gemeente Reimerswaal heeft het voorontwerpbestemmingsplan vanaf 14 juli tot en met 10 augustus 2022 ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn geen inspraakreacties ontvangen.

Ter inzage legging ontwerpbestemmingsplan

Gelet op het bepaalde in artikel 3.8 Wro in combinatie met afdeling 3.4 Awb wordt een ontwerpbestemmingsplan, na voorafgaande bekendmaking, gedurende een periode van zes weken ter inzage gelegd. Een ieder is dan in de gelegenheid zijn of haar zienswijze mondeling of schriftelijk kenbaar te maken. Vaststelling van het bestemmingsplan, al dan niet in gewijzigde vorm, gebeurt met inachtneming van de ingediende zienswijzen.

Het ontwerpbestemmingsplan heeft samen met het ontwerpbesluit omgevingsvergunning (coördinatieregeling) van 28 december 2023 tot en met 7 februari 2024 ter inzage gelegen. Gedurende de termijn van terinzagelegging zijn geen zienswijzen ingediend.