direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Sir Winston Churchilllaan Middelburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Doel bestemmingsplan

Op de hoek van de Sir Winston Churchilllaan en de Nadorstweg in Middelburg was een schoolgebouw gevestigd. De gemeente Middelburg is met Woongoed Middelburg voornemens om de locatie te herontwikkelen ten behoeve van woningbouw. De gemeente verkoopt daartoe na de sloop van het bestaande schoolgebouw bouwrijpe grond aan Woongoed Middelburg. In een eerste fase worden 80 appartementen en een ontmoetingsruimte gerealiseerd. In de tweede fase wordt eveneens woningbouw beoogd op de plek van de drie gymzalen. Hiervoor is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen.

Het voornemen past niet binnen het geldende bestemmingsplan 'Klarenbeek' (2014). Om de ontwikkeling mogelijk te maken, is voorliggend bestemmingsplan opgesteld.

1.2 Plangebied

Het plangebied ligt ten noorden van de binnenstad van Middelburg tussen de Sir Winston Churchilllaan, de Nadorstweg, de Gerrit van der Veenstraat en de Koos Vorrinkstraat in de wijk Klarenbeek. In figuur 1.1 zijn de ligging en de globale begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0001.png"

Figuur 1.1 Globale ligging plangebied (Bron: bewerking Rho adviseurs)

1.3 Geldend bestemmingsplan

Het geldende bestemmingsplan ter plaatse van het plangebied is het op 20 januari 2014 vastgestelde bestemmingsplan 'Klarenbeek'. Het plangebied heeft hierin de enkelbestemming 'Maatschappelijk' met bouwvlakken, waarbinnen de gebouwen zijn toegestaan.

Gronden met de bestemming 'Maatschappelijk' zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen en de bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen. Op het perceel gelden twee verschillende maximale bouwhoogtes. Het maximum toegestane bebouwingspercentage van het terrein bedraagt 75%.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0002.png"

Figuur 1.2 Uitsnede plangebied 'Klarenbeek', blauw omkaderd het plangebied (Bron: Ruimtelijke Plannen)

1.4 Leeswijzer

De opbouw van de ruimtelijke motivering is als volgt:

  • hoofdstuk 2 gaat in op de huidige en de beoogde situatie van het plangebied;
  • hoofdstuk 3 bevat de toetsing van de beoogde ontwikkeling aan het beleidskader;
  • in hoofdstuk 4 worden de milieu- en planologische aspecten getoetst;
  • hoofdstuk 5 gaat in op de juridische planbeschrijving;
  • in hoofdstuk 6 is ingegaan op de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 2 Projectbeschrijving

2.1 Huidige situatie plangebied en directe omgeving

Positionering plangebied

Het plangebied grenst aan de noordzijde aan de Koos Vorrinkstraat. Direct grenzend aan het plangebied is sprake van een strook met parkeerplaatsen, aan de overzijde van de Koos Vorrinkstraat staan gestapelde zelfstandige woningen, bestaande uit drie bouwlagen.

Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Gerrit van der Veenstraat, een straat met twee-onder-een-kapwoningen. Op de hoek met de Nadorstweg staat de voormalige bij de school behorende conciërgewoning. Deze woning behoort niet bij de ontwikkeling.

Aan de zuidzijde grenst het plangebied aan de Nadorstweg. Aan de Nadorstweg bevinden zich vrijstaande woningen, die met de zijkant naar de Nadorstweg zijn gericht. Binnen het plangebied is langs de Nadorstweg een sloot met de nodige beplanting gelegen. Deze sloot loopt door achter de woning aan de Gerrit van der Veenstraat.

Ten slotte grenst het plangebied aan de westzijde aan de Sir Winston Churchilllaan. Aan deze straat bevinden zich met name twee-onder-een-kapwoningen.

De bomen die langs de projectlocatie staan, aan de Churchilllaan, Koos Vorrinkstraat en Nadorstweg blijven zoveel mogelijk behouden.

Het plangebied maakt onderdeel uit van de zogenoemde maatschappelijke zone. In deze zone is een zorginstelling en een voormalige middelbare school (de projectlocatie) aanwezig. Deze zone ligt in het zuiden van de wijk. De bouwmassa's in deze zone zijn grootschaliger dan de woongebieden in de wijk, waar grondgebonden woningen beeldbepalend zijn. In figuur 2.1 is de gebiedszonering uit het geldende bestemmingsplan Klarenbeek opgenomen. Uit deze gebiedszonering blijkt de opbouw van de wijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0003.png"

Figuur 2.1 Gebiedszonering wijk Klarenbeek (Bron: Bestemmingsplan Klarenbeek)

Huidig gebruik

Het voormalige schoolgebouw is in eigendom van de gemeente Middelburg en stond sinds augustus 2019 gedeeltelijk leeg. Het gebouw is in het jaar 1976 in opdracht van de Stedelijke Scholengemeenschap gerealiseerd ten behoeve van middelbaar onderwijs. Vervolgens was tot medio 2016 de Christelijke Scholengemeenschap Walcheren (CSW) in dit gebouw gehuisvest. Vanwege uitbreidingen en concentratie van het aanbod heeft CSW besloten de school te sluiten. Het gebouw, dat sterk is verouderd, is daarna antikraak verhuurt en is in de zomer van 2023 gesloopt. Naast de voormalige leslokalen bestond het gebouw uit gymzalen (gelegen aan de noordoostzijde van het terrein) en een groot schoolplein. De gymzalen worden nog gebruikt door scholen en sportverenigingen uit de omgeving. Het plangebied wordt aan de noord-, west- en zuidzijde begeleid door boombeplanting, die in het openbaar gebied zijn geplaatst (en worden gehandhaafd).

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0004.png"

Figuur 2.2 Luchtfoto, blauw omkaderd het plangebied (Bron: Rho Basisviewer)

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0005.png"

Figuur 2.3 Zicht op plangebied vanaf de kruising Nadorstweg-Sir Winston Churchilllaan-Parklaan (Bron: Google Streetview)

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0006.png"

Figuur 2.4 Zicht op plangebied vanaf de Koos Vorrinkstraat, met uiterst links de gymzalen (Bron: Google Streetview)

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0007.png"

Figuur 2.5 Zicht op plangebied vanaf de Gerrit van der Veenstraat, met uiterst rechts de gymzalen (Bron: Google Streetview)

2.2 Beoogde ontwikkeling

Op initiatief van Woongoed is de gemeente bereid medewerking te verlenen aan het realiseren van huurappartementen en een ontmoetingsruimte.

In 2019 hebben Zorgstroom en Woongoed Middelburg een haalbaarheidsstudie laten uitvoeren naar de mogelijkheden voor herontwikkeling van het schoolgebouw voor intramurale zorg en sociale huurwoningen. Uit dit haalbaarheidsonderzoek bleek dat sloop en nieuwbouw op termijn duurzamer is dan renoveren en verbouwen. Sloop en nieuwbouw geniet zodoende de voorkeur.

In 2023 is gebleken dat intramurele zorg niet haalbaar is op deze locatie en dat het initiatief nu alleen nog bestaat uit de realisatie van wooneenheden. De gemeente Middelburg zal zorg dragen voor de sloop en bouwrijpe grond verkopen aan Woongoed Middelburg.

Woongoed Middelburg is van plan om in de eerste fase drie woongebouwen met vijf woonlagen te realiseren. In totaal worden 80 appartementen en een ontmoetingsruimte gerealiseerd (zie figuur 2.6, 2.7 en 2.8). Er zullen 65 appartementen gebouwd gaan worden voor de sociale huur en 15 voor de dure huur. De drie gymzalen blijven vooralsnog gehandhaafd en blijven in gebruik. Voor fase 2 is op de plek van de gymzalen een vierde gebouw beoogd. Hiertoe is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de drie gymzalen.

Parkeren vindt plaats op eigen terrein. In de eerste fase worden 71 parkeerplaatsen gerealiseerd. Het plangebied zal door middel van meerdere doorgangen bereikbaar zijn, vanaf de omliggende wegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0008.png"

Figuur 2.6 Vogelvlucht beoogde ontwikkeling (Bron: DAT architecten)

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0009.png"

Figuur 2.7 Inrichtingsplan beoogde situatie (Bron: ruimte & groen)

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0010.png"

Figuur 2.8 Indicatie profiel beoogde situatie (Bron: ruimte & groen)

2.3 Planologische afweging

De essentie van de ontwikkeling is het mogelijk maken van 80 appartementen en een ontmoetingsruimte. De bebouwing past zoals beschreven in de paragrafen 2.1 en 2.2 qua functie, vorm en massa goed in haar omgeving. De ontwikkeling past binnen het beleid zoals getoetst in hoofdstuk 3. Daarnaast is de ontwikkeling getoetst aan de relevante ruimtelijke en milieuregelgeving in hoofdstuk 4. Ook deze aspecten vormen geen belemmering voor de vaststelling van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie, kortweg NOVI, loopt vooruit op de inwerkingtreding van de Omgevingswet en vervangt op Rijksniveau de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte.

Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo kunnen in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes worden gemaakt.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie van het Rijk in beeld.

In wat voor Nederland willen we graag leven in 2050

Als alle wensen naast elkaar worden gelegd, ontstaat het volgende beeld. Het kabinet wil een land:

  • dat gezond en klimaatbestendig is, met schone lucht, schoon water en een schone bodem en veel ruimte voor groen en water;
  • met een uitstekend functionerende economie, die duurzaam en circulair is. Nauw verbonden met onze buurlanden en de rest van de wereld, als onderdeel van de internationale gemeenschap;
  • waar het goed wonen en werken is. Met aangename en vitale steden en dorpen, en een productief en aantrekkelijk platteland;
  • met uitstekende bereikbaarheid, waar iedereen snel en gemakkelijk van A naar B komt, met zo min mogelijk schadelijke uitstoot en overlast;
  • waar we voldoende ruimte hebben om te kunnen bewegen, ontspannen en tot onszelf te komen, zowel in de stad als daarbuiten;
  • dat veilig is en ons beschermt tegen overstromingen en andere gevaren;
  • waar een goede balans is tussen gebouwde omgeving en open landschap, tussen natuur en cultuur, tussen land en water;
  • dat open staat voor verandering, en waar de kracht van zijn traditie, cultuur en identiteit wordt weerspiegeld in de inrichting van de leefomgeving.

Nationale belangen

Gemeenten, waterschappen, provincies en het Rijk zijn samen verantwoordelijk voor de fysieke leefomgeving. Sommige belangen en opgaven overstijgen het lokale, regionale en provinciale niveau en vragen om nationale aandacht. Dit zijn de 'nationale belangen'. Het Rijk heeft voor alle nationale belangen een zogenaamde systeem verantwoordelijkheid. Voor een aantal belangen is het Rijk zelf eindverantwoordelijk. Maar voor een groot aantal nationale belangen zijn dat de medeoverheden.

De NOVI richt zich op die ontwikkelingen waarin meerdere nationale belangen bij elkaar komen, en keuzes in samenhang moeten worden gemaakt tussen die nationale belangen.

Voor dit project relevante nationale belangen zijn:

  • bevorderen van een duurzame ontwikkeling van Nederland als geheel en van alle onderdelen van de fysieke leefomgeving;
  • waarborgen en bevorderen van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving;
  • zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoefte.

Keuzes

De belangrijkste keuzes zijn:

  • duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit;
  • ruimte voor overgang naar een circulaire economie;
  • woningbouw in een stedelijk netwerk van gezonde en groene steden;
  • landgebruik meer in balans met natuurlijke systemen.

Wonen is voor dit project het meest relevant. Tot 2030 moeten er ongeveer 1 miljoen woningen gebouwd worden. Dit zal grote impact hebben op de ruimtelijke ordening.

Er wordt zoveel mogelijk gebouwd binnen bestaand stedelijk gebied, zodat open ruimtes en groen tussen steden behouden blijft. De nieuwe woningen moeten betaalbaar en goed bereikbaar zijn. Bewoners moeten tevens een prettige, gezonde en veilige leefomgeving ervaren. Dat vergt grote investeringen in openbaar vervoer, veilige fiets- en wandelpaden, meer groen, ontmoetingsruimte en wateropvang in de stad, en goede verbindingen met recreatiegebieden in de nabijheid van de stad. Met deze aanpak van verstedelijking wordt niet alleen het woningaanbod, maar ook de leefomgevingskwaliteit in de stad verbeterd.

Toetsing en conclusie

Het mogelijk maken van nieuwe woningen in het bestaand stedelijk gebied van Middelburg sluit aan bij de doelen uit het Rijksbeleid.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

De NOVI bepaalt welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Ten aanzien daarvan is een borging door middel van normstelling, gebaseerd op de Wet ruimtelijke ordening (verder: Wro), gewenst. Die uitspraken onderscheiden zich in die zin dat van de provincies en de gemeenten wordt gevraagd om de inhoud daarvan te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. Zij zijn dus concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect, door tussenkomst van de provincie, door te werken tot op het niveau van de lokale besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden.

Toetsing en conclusie

Voor het voorliggende bestemmingsplan zijn geen specifieke elementen van belang uit het Barro, die moeten worden geregeld.

3.1.3 Besluit ruimtelijke ordening en ladder voor duurzame verstedelijking

Toetsingskader

In het Besluit ruimtelijke ordening (verder: Bro) is geregeld dat voor stedelijke ontwikkelingen – waaronder het bouwen van woningen – een onderbouwing in het bestemmingsplan noodzakelijk is (artikel 3.1.6 van het Bro). De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling (zoals woningbouw) mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling. Indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, moet ook worden gemotiveerd waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Toetsing

Uit jurisprudentie blijkt dat de grens van een nieuwe stedelijke ontwikkeling ligt bij 12 woningen. Er is in voorliggend geval sprake van méér dan 12 woningen. Dat betekent dat voor onderhavige ontwikkeling moet worden getoetst zoals hiervoor beschreven. De ontwikkeling aan de Sir Winston Churchilllaan is opgenomen in de woningmarktafspraken van de regio Walcheren (2016 - 2025) en voorziet daarmee in een regionale behoefte. Op basis van de woningbehoefte in de komende 10 jaar en de inzet op herstructureringsmogelijkheden is voor deze locatie gekozen. In paragraaf 3.2.3 van deze toelichting wordt dit verder gemotiveerd. De locatie is op grond van het provinciaal beleid aangeduid als bestaand stedelijk gebied.

3.2 Provinciaal en regionaal beleid

3.2.1 Zeeuwse Omgevingsvisie

De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de uitdagingen voor de periode tot 2050, de Zeeuwse ambities voor 2050 en tussendoelen voor 2030.

De Zeeuwse Omgevingsvisie beschrijft vier Zeeuwse Ambities voor 2050:

  • 1. uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland;
  • 2. balans in de grote wateren en het landelijk gebied;
  • 3. een duurzame en innovatieve economie;
  • 4. een klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland.

In 2050 is er voor ieder een passende woning beschikbaar. In de omgeving van je huis kun je je veilig voelen. De verandering van de bevolkingssamenstelling en de noodzaak voor toegankelijke voorzieningen heeft tot vernieuwing van de Zeeuwse woningmarkt geleid. Hierbij is de noodzaak om barrières weg te nemen zodat alle Zeeuwen gemakkelijk deel kunnen nemen aan de samenleving. Hierbij draagt een schone, gezonde en veilige woonomgeving aan mee.

Leefbaarheid is volgens de provincie een belangrijke voorwaarde voor een goed woon-, werk- en vestigingsklimaat. De bevolkingssamenstelling van Zeeland verandert door vergrijzing, ontgroening en krimp. Met het aanhouden van deze demografische ontwikkelingen komt op enig moment een ondergrens in zicht voor cruciale voorzieningen zoals scholen, (zorg)voorzieningen en culturele voorzieningen. Een betaalbaar, bereikbaar en divers voorzieningenniveau en toekomstbestendig voorzieningenstelsel voor alle bewoners, toeristen en bedrijven is essentieel.

Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving

Woningvoorraad

Sinds 2014 is er in Zeeland sprake van een stabiele tot licht groeiende bevolking. De Zeeuwse bevolking neemt naar verwachting de komende jaren toe van 392.000 in 2023

tot bijna 400.000 in 2030 (bron: Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose 2022). De groei is voornamelijk toe te schrijven aan het hoge buitenlands- en binnenlands migratiesaldo. De huishoudensgroei zit primair in de 65- en 80- plushuishoudens als gevolg van vergrijzing. De behoefte aan levensloopbestendige woningen en woonzorgwoningen groeit.

De vraag naar extra woningen neemt toe in steden en in goed bereikbare kernen met voorzieningen. Bundeling van voorzieningen in combinatie met een goede bereikbaarheid daarvan is een gezamenlijke uitdaging. Door de aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied wordt niet alleen gebouwd waar de markt om vraagt, maar wordt ook het draagvlak voor voorzieningen in de directe omgeving behouden. Daarnaast zal het nodig blijven om de woningbouw in dorpen te faciliteren, dit zal dan primair via herstructurering, inbreiding binnen de bestaande kern, vervangende nieuwbouw en het verleggen van bestaande plannen naar nieuwe kansrijke locaties moeten gebeuren. Zorgvuldig ruimtegebruik en bouwen binnen het bestaand stedelijk gebied van dorpen en steden is het uitgangspunt.

Wonen

Door vergrijzing en ontgroening neemt het aantal gezinnen af en (oudere) alleenstaande huishoudens juist toe. Hierdoor neemt de behoefte aan woningen nabij voorzieningen in steden en centrumkernen toe. Woningbouwprojecten hebben een gemeentegrensoverschrijdende impact. Het omgevingsplan benadrukt dan ook het belang van regionale woningmarktafspraken. De regionale woningmarktafspraken zijn bedoeld om regionaal woningbouwbeleid vast te stellen en dienen mede als onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Toetsing

De ontwikkeling bevat een woningbouwontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied, op korte afstand van voorzieningen. Het is een inbreidingslocatie binnen de stad Middelburg. Daarmee wordt aangesloten bij het beleid van de provincie om aanvullende woningbouw te concentreren in stedelijk gebied. De ontwikkeling is opgenomen in de regionale woningmarktafspraken.

Conclusie

De ontwikkeling is in overeenstemming met de Zeeuwse Omgevingsvisie.

3.2.2 Provinciale Omgevingsverordening 2018

Een aantal onderwerpen uit het Omgevingsplan is juridisch vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening 2018. Voor woningbouw zijn in de omgevingsverordening alleen regels opgenomen voor kleinschalige woningbouw in het buitengebied. Verder zijn er algemene regels opgenomen die betrekking (kunnen) hebben op zowel het buitengebied als het bestaand stedelijk gebied. Een beperkt aantal regels heeft vooral betrekking op stedelijke functies. Daarvan is geen sprake.

Van gemeenten wordt een bijdrage verwacht aan de uitvoering van de beleidsdoelen. Verder streeft de provincie naar realisering van beleidsdoelen met de inzet van andere instrumenten. Daartoe wordt verwezen naar de inhoud van het Omgevingsplan. Het plan is niet in strijd met de omgevingsverordening.

Conclusie

Het projectgebied is niet gelegen binnen een zone waarvoor in de Provinciale Omgevingsverordening 2018 aanvullende regels zijn opgenomen, of waar provinciale belangen beschermd dienen te worden.

3.2.3 Onderbouwing woningbehoefte op basis van regionaal beleid

Toetsingskader

Het doel van het Zeeuwse provinciale woningbeleid is te zorgen voor een goed werkende, gezonde woningmarkt waarbij er voldoende en de juiste woningen beschikbaar zijn voor de inwoners van de provincie. Om dit te bereiken is in het Omgevingsplan 2012-2018 het beleidsinstrument regionale woningmarktafspraken geïntroduceerd en overgenomen in het Omgevingsplan Zeeland 2018. Door middel van deze regionale woningmarktafspraken stemmen de vijf woningmarktregio's van Zeeland hun woningbouwplannen binnen de regio op elkaar af. Door deze afstemming wordt leegstand voorkomen en wordt gestimuleerd dat de juiste woningen op de juiste locatie ontwikkeld worden. In 2018 zijn door de Walcherse gemeenten nieuwe woningmarktafspraken gemaakt voor de periode 2016-2025. Op 21 mei 2019 heeft de provincie Zeeland de woningmarktafspraken voor Walcheren ook vastgesteld.

Door de Stec Groep is in 2019 in opdracht van de provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenten een Kwalitatief Woningmarktonderzoek Zeeland (KWOZ) uitgevoerd. Daaruit komt, gebaseerd op de 'Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose 2019', een verwachte huishoudensontwikkeling voor de gemeente Middelburg van plus 1.769 huishoudens tot en met 2029. Voor heel Walcheren gaat het om 2.709 huishoudens. Door de Stec Groep is in 2019 eveneens een Locatieonderzoek Walcheren uitgevoerd, als een nadere uitwerking van het KWOZ, waarin vooral gekeken is naar locaties voor nieuwbouw. Hieruit blijkt vooral een behoefte aan centrumstedelijk wonen, vooral door de groei van alleenstaande doelgroepen.

In de woningmarktafspraken is de kwantitatieve behoefte van de regio Walcheren bepaald aan de hand van de huishoudensgroei volgens de Provinciale Bevolkings- en Huishoudenprognose 2019 voor de komende 10 jaar, de berekende inhaalvraag en de vraag voor de komst van tijdelijke en definitieve arbeidsmigranten en de gewenste flexibele ruimte ten behoeve van planuitval. De netto nieuwbouwbehoefte voor de reguliere woningen in de periode 2016-2025 wordt op basis van deze factoren ingeschat op 4.031 woningen. Samen met de regio is vervolgens bepaald dat er volgens verwachting nog 741 woningen onttrokken worden door sloop en 340 door deeltijdbewoning. Uiteindelijk leidt dit tot een bruto woningbouwopgave van 5.112 tussen 2016 en 2026.

Ten behoeve van de woningbouwopgave hebben de gemeenten bruto 4.720 en netto 3.639 woningen opgenomen in nieuwbouwprojecten. Aanvullend op de diverse projecten is per gemeente een aantal gereserveerd (restcapaciteit) om te kunnen inspelen op initiatieven in de toekomst. Hiervoor is 15% van het bruto aantal geplande woningen gereserveerd. Er wordt daarbij onderscheid gemaakt tussen harde en zachte plancapaciteit. De harde plancapaciteit betreft de woningbouwplannen die 'gehard' zijn in een door de gemeenteraad vastgesteld bestemmingsplan of andere planvorm.

Eén van de uitgangspunten uit de recente woningmarktonderzoeken is om alleen nog woningbouw te ontwikkelen die complementair is aan de bestaande woningvoorraad en een aantal woonmilieus. Op basis van de opbouw van de huidige voorraad, de woonvoorkeuren van huishoudens en de huishoudensprognoses is de belangrijkste opgave het aandeel levensloopbestendige woningen te vergroten ten koste van reguliere grondgebonden woningen.

Toetsing en conclusie

In het plangebied wordt ingezet op woningen op een strategische woonlocatie in bestaand stedelijk gebied. Er worden verschillende woningtypologieën in verschillende prijsklassen gerealiseerd. Een groot deel van deze woningen is sociale huur (65) en een kleiner deel dure huur (15). Uit de kwalitatieve behoefte blijkt dat er vooral behoefte is aan eengezinswoningen in de sociale verhuur en appartementen/(levensloopbestendige) woningen tot het middensegment. Voorliggende ontwikkeling sluit hierbij aan. In de planningscapaciteit is rekening gehouden met het realiseren van 81 woningen aan de Churchilllaan. Deze ontwikkeling past kwantitatief gezien dus binnen de regionale woningmarktafspraken en voldoet daarmee aan de ladder van duurzame verstedelijking.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Kwaliteitsatlas Middelburg

Toetsingskader

De Kwaliteitsatlas is een belangrijk integraal beleidsdocument van de gemeente Middelburg. In deze Kwaliteitsatlas wordt een richting uitgestippeld voor de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente tot het jaar 2030. Voor een groot aantal deelaspecten (waaronder wonen) is vervolgens aangegeven welke veranderingen nodig zijn om in 2030 tot de gewenste situatie te komen. Eind 2009 is een herijking van de 2e en 3e fase van de Kwaliteitsatlas gepresenteerd. Op 18 januari 2010 is een herziening van de Kwaliteitsatlas vastgesteld.

Middelburg streeft naar kwalitatief goede woonmilieus, goede woningen in een aantrekkelijke omgeving en minder op groei. Mensen moeten graag in de gemeente Middelburg willen blijven wonen. Door woonmilieus aan te bieden voor alle leeftijdscategorieën in zowel stedelijke als landelijke omgeving kan Middelburg voor iedereen een aantrekkelijke plaats blijven om zich te vestigen.

De gemeente wil de komende jaren investeren in binnenstedelijke ontwikkelingen. Ook de provincie stuurt aan op ontwikkelingen binnen de bestaande kaders van verstedelijking.

De woningbouwopgave voor de gemeenten Vlissingen en Middelburg samen wordt in de Kwaliteitsatlas geraamd op 3.400 woningen. In de Kwaliteitsatlas wordt de plancapaciteit aan de verschillende wijken weergegeven voor de periode 2010-2020.

Toetsing en conclusie

Het plangebied ligt binnen het stedelijk gebied van Middelburg. De ontwikkeling draagt bij aan een divers woningaanbod in de gemeente Middelburg. De woningmarkt heeft sinds 2010 een behoorlijke verandering ondergaan, er zijn tevens nieuwe woningmarktafspraken gemaakt sinds die tijd. In paragraaf 3.2.3 is de ontwikkeling hieraan getoetst.

3.3.2 Woonvisie 2023-2027

Toetsingskader

In de Woonvisie 2023-2027 wordt het beleid over wonen voor de gemeente Middelburg weergegeven. In de regio Walcheren is de verwachting dat het aantal huishoudens groeit en de bevolking vergrijst. Een sterke toename van het aantal alleenstaanden wordt verwacht als gevolg van de sterke toename van 65-plussers. Op basis van huishoudensprognoses groeit het aantal huishoudens de komende 10 jaar met ongeveer 2000. Naast transformatie van de bestaande woningbouw is nieuwbouw van belang om in de behoefte te voorzien. Er wordt ingezet op nieuwbouw van passende woningen op wijkniveau met aandacht voor nultredenwoningen (grondgebonden woning of appartement) om de doorstroming te bevorderen en zodoende ook meer ruimte te maken voor starters op de woningmarkt. Middelburg heeft behoefte aan woningen in het laag/midden segment zowel huur als koop. Ook staat de gemeente open voor vernieuwende woonconcepten met toegevoegde waarde voor Middelburg, erfdelen en collectief particulier opdrachtgeverschap zijn daar voorbeelden van. Bij nieuwbouw wordt inbreiding verkozen boven uitbreiding. Focus ligt op een kwalitatief en duurzame woningvoorraad.

Toetsing en controle

De locatie voorziet in de ontwikkeling van appartementen die vooral geschikt zijn voor alleenstaanden en 55-plussers. Gezien de toekomstige behoefte is dit een goede ontwikkeling. De locatie is zeer gunstig voor deze doelgroep. De locatie ligt op loopafstand van de supermarkt aan de Sir Winston Churchillaan. Winkelcentrum Veerse Poort en de binnenstad zijn ook op loop/fietsafstand. Ook past de ontwikkeling bij de kwantitatieve vraag naar stedelijke woonmilieus, zoals gesignaleerd in paragraaf 3.2.3. Daarmee wordt aangesloten bij de uitgangspunten uit de gemeentelijke Woonvisie.

3.3.3 Ruimtelijke kwaliteit en welstandsbeleid

Voor een onafhankelijk advies over ruimtelijke kwaliteit wordt het Walchers Adviesteam Ruimtelijke Kwaliteit (het WARK) ingeschakeld.

Het voorheen verplichte advies over ruimtelijke kwaliteit (voorheen welstandsadvies) door een onafhankelijk adviesteam kan ook vervangen worden door een ambtelijke toets. Met het vaststellen van de nieuwe welstandsnota, de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2016 heeft Middelburg gekozen om een deel van de plannen door ambtenaren te laten toetsen.

Het doel is om aanvragers zoveel mogelijk zekerheid te geven over het krijgen van een positief advies op het gebied van ruimtelijke kwaliteit. Bouwplannen die deze standaardoplossingen volgen, zullen in de regel snel afgehandeld kunnen worden. Indien bij de toets blijkt dat een plan niet op de meer concrete flits- en snelheidscriteria is gebaseerd, wordt dit plan alsnog voorgelegd aan het WARK. Dit gebeurt ook als wordt geconcludeerd dat een beoordeling door het WARK zinvol en/of gewenst is. Het WARK kijkt bij haar beoordeling ook naar specifieke pand- en locatiegebonden aspecten.

Toetsing en conclusie

De ontwikkeling is voorgelegd aan het ARK Plus en het adviesteam heeft de ontwikkeling positief beoordeeld.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan omgevingsaspecten

4.1 M.e.r.-beoordeling

Toetsingskader

In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van de omgevingsvergunningplanmer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten, die niet aan de bijbehorende drempelwaarden voldoen, na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling. Deze omstandigheden betreffen:

  • de kenmerken van projecten;
  • de plaats van de projecten;
  • de kenmerken van de potentiële effecten.

Ook voor projecten die zijn opgenomen in bijlage D, maar beneden de drempelwaarden vallen, moet een besluit worden genomen of een milieueffectrapportage nodig is. In dat kader wordt afgewogen of het plan, ondanks dat het ruim onder de drempelwaarde blijft, mogelijk toch belangrijke negatieve milieueffecten heeft, op basis van de eerder genoemde omstandigheden. Dit is een 'vormvrije' mer-beoordeling.

Voor de terinzagelegging van een ontwerpbestemmingsplan moet een m.e.r.-beoordelingsbeslissing worden genomen, waarin wordt aangegeven of wel of geen milieueffectrapport nodig is, gelet op de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen.

Bij een (vormvrije) mer-beoordeling is een van de aspecten waar naar gekeken moet worden cumulatie van effecten met andere ruimtelijke ontwikkelingen. Uit de wetgeving en bijbehorende toelichting blijkt niet duidelijk wat daar precies onder moet worden verstaan en hoe daarmee moet worden omgegaan.

Toetsing en conclusie

In het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is, in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 ha of meer, een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat of een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer betreft. De beoogde ontwikkeling bestaat uit de bouw van 80 appartementen en een ontmoetingsruimte. De beoogde ontwikkeling blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde.

Gelet op de kenmerken van het project (zoals het kleinschalige karakter in vergelijking met de drempelwaarden uit het Besluit m.e.r.), de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zullen geen belangrijke negatieve milieugevolgen optreden. Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een vormvrije m.e.r-beoordelingsnotitie opgesteld op basis waarvan het bevoegd gezag heeft besloten dat geen milieueffectrapportage voor de voorgenomen planontwikkeling noodzakelijk is. Deze notitie is opgenomen in bijlage 1.

4.2 Niet-gesprongen explosieven

Toetsingskader

In een bestemmingsplan dat een nieuwe ontwikkeling mogelijk maakt, dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van conventionele explosieven (CE) uit de Tweede Wereldoorlog (WO II).

Toetsing en conclusie

Uit informatie van de bodembelastingkaart 'ontplofbare oorlogsresten' (figuur 4.1) van de gemeente Middelburg blijkt dat er geen feitelijke aanwijzingen van mogelijke aanwezige explosieven zijn binnen het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0011.png"

Figuur 4.1 Bodembelastingenkaart 'ontplofbare resten' met blauw omkaderd het plangebied (Bron: gemeente Middelburg)

4.3 Cultuurhistorie en archeologie

4.3.1 Cultuurhistorie

In het Bro (artikel 3.6.1 lid 2) is bepaald dat in de toelichting van het bestemmingsplan een beschrijving moet worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden rekening is gehouden.

Toetsing en conclusie

De cultuurhistorische waardevolle objecten zijn door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 4.1 is te zien dat ten zuiden van het plangebied het Beschermd Stadsgezicht van Middelburg aanwezig is. Verder bevinden zich nog zuidelijker meerdere Rijksmonumenten. Het plangebied maakt hier geen onderdeel van uit. Negatieve effecten op deze waarden zijn dan ook uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0012.png"

Figuur 4.1 Cultuurhistorische waardenkaart, met blauw omkaderd het plangebied (Bron: Provincie Zeeland, bewerking Rho Adviseurs)

4.3.2 Archeologie

Toetsingskader

Op grond van de Wro en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) zijn behoud en beheer van het bodemarchief integraal verankerd in de ruimtelijke werkprocessen van de gemeenten. Bij de vaststelling van een ruimtelijk plan moet met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten en archeologische vondsten rekening worden gehouden. In het belang van de archeologische monumentenzorg kan bij een ruimtelijk plan door het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente) worden bepaald dat de aanvrager van een omgevingsvergunning voor het bouwen of voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden een rapport dient te overleggen, waarin de archeologische waarde van het terrein dat volgens de aanvraag zal worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders voldoende is vastgesteld.

De archeologische verwachtingszones zijn in het bestemmingsplan 'Klarenbeek' vertaald naar twee archeologische dubbelbestemmingen. In de bouwregels van deze bestemmingen is bepaald dat er ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag worden gebouwd mits de betrokken archeologische waarden door de voorgenomen bouwactiviteiten niet worden geschaad. Hiervoor zal de aanvrager van de omgevingsvergunning voor het bouwen een archeologisch onderzoeksrapport moeten overleggen en is instemming van de archeologische deskundige vereist. Ook voor het uitvoeren van werkzaamheden die het bodemprofiel kunnen aantasten, is een vergunning met onderzoek en advies nodig. De dubbelbestemmingen verschillen van elkaar op het punt van de oppervlakte die is vrijgesteld van onderzoek.

Toetsing

In het bestemmingsplan 'Klarenbeek' geldt ter plaatse van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3'. Hier geldt dat, indien de grond dieper dan 0,4 m -mv worden geroerd over een oppervlakte groter dan 500 m², een archeologisch onderzoek plaats moet vinden. Aangezien de ontwikkeling groter dan 500 m² wordt en dieper dan 0,4 m komt te liggen, is een archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Op 29 juni 2021 is door de Walcherse Archeologische Dienst een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 2. Het volgende is geconcludeerd.

Op een diepte van ongeveer 1,35-1,7 m onder maaiveld in de top van het veen is er een middelhoge verwachting voor archeologie van zowel de ijzertijd als de Romeinse tijd. Dit is intact veen met een amorfe top en werd gevonden tijdens het uitboren in de zuidwestelijke hoek van het onderzoeksgebied, gesignaleerd is dat de bodem niet is verstoord is op dat niveau.

Boven de veenlaag toonde de grond duidelijke tekenen van verstoring. De verwachting voor archeologische vondsten uit het Middeleeuwen zijn bevestigd en blijven laag. Het uitboren heeft een waardevol inzicht gegeven in de stratigrafie op het plangebied. Het is echter onvoldoende om te ontkennen of te bevestigen dat de mogelijkheid van archeologische waardevolle vondsten mogelijk zijn. Daarom is het advies is om een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.

Proefsleuvenonderzoek

Om het proefsleuvenonderzoek uit te laten voeren is een Programma van Eisen opgesteld. In juni 2022 is een proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Het rapport is opgenomen in bijlage 3. Er is tijdens het proefsleuvenonderzoek geen archeologische vindplaats van enige waarde gevonden. Van het gehele plangebied kan de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie 3' in dit bestemmingsplan komen te vervallen. Er hoeft in het plangebied geen archeologisch onderzoek meer uitgevoerd te worden. De deskundig adviseur van het bevoegd gezag heeft ingestemd dat er geen vervolgonderzoek uitgevoerd hoeft te worden.

4.4 Ecologie

Toetsingskader

Wet natuurbescherming (Wnb)

In de Wnb zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht tot één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving.

Gebiedsbescherming

Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wnb en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro.

Natura 2000-gebieden

De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn).

Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;
  • het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • de nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

De bescherming van deze gebieden heeft een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Gebieden die deel uitmaken van het NNN worden aangewezen in de provinciale verordening. In de provincie Zeeland heten deze gebieden dan ook NNZ (Natuurnetwerk Zeeland). Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij'-principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in het beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogen plaatsvinden.

Soortenbescherming

In het Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen:

  • soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn;
  • soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn;
  • overige soorten.

De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels, zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn.

Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Bij de voorbereiding van de ruimtelijke onderbouwing moet worden onderzocht of de Wnb de uitvoering van het plan niet in de weg staat. Dit is het geval wanneer de uitvoering tot ingrepen noodzaakt waarvan moet worden aangenomen dat daarvoor geen vergunning of ontheffing ingevolge de wet zal kunnen worden verkregen.

Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Zeeland

In de provincie Zeeland worden in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage IV bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos , wezel en woelrat.

Onderzoek

Gebiedsbescherming

Natura 2000/Natuurbeschermingswet

Het projectgebied is geen Beschermd Natuurmonument of Natura 2000-gebied. De afstand tot een Natura 2000-gebied bedraagt circa 5.000 m. Dit betreft het Natura 2000-gebied 'Veerse Meer' (figuur 4.2). Gelet op deze afstand zal de nieuwbouw van 81 woningen geen effect hebben op dit gebied

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0013.png"

Figuur 4.2 Ligging van de planlocatie (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: Provincie Zeeland)

Natuurnetwerk Zeeland

Het plangebied ligt niet in een gebied dat begrensd is in het kader van het NNZ. Het meest dichtstbijzijnde gebied wat deel uitmaakt van het NNZ ligt op ongeveer 600 m. Dit is het gebied 'Brigdamme'. De geplande activiteit ligt op geruime afstand van het gebied. De bouw en het gebruik van de woningen hebben vanwege de afstand en de ligging geen negatief effect op de natuurwaarden van de gebieden die zijn begrensd in het kader van het NNZ.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0014.png"

Figuur 4.3 Ligging plangebied (blauw kader) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (Bron: Provincie Zeeland)

Stikstofberekening

De wijzigingen in verkeersstromen zouden kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Om stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden door emissies van de aanleg- en gebruiksfase van de beoogde ontwikkeling uit te sluiten is hier een onderzoek voor uitgevoerd. De memo van dit onderzoek is opgenomen in bijlage 8. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er voor de aanleg- en gebruiksfase geen depositiebijdrage binnen Natura 2000-gebieden wordt berekend. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr.

Soortenbescherming

Quickscan flora en fauna

Ten behoeve van de ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 9. Het volgende is geconcludeerd.

Voor het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden dient rekening gehouden te worden met beschermde natuurwaarden in het kader van de Wet natuurbescherming.

In het plangebied zijn broedvogels te verwachten. De bebouwing is geschikt voor broedvogels waaronder de huismus en gierzwaluw. Dit dient nader onderzocht te worden. Het plangebied is niet geschikt voor grondgebonden zoogdieren, maar wel voor vleermuizen. Er dient onderzocht te worden of er beschermde soorten voorkomen en wat eventueel de functie is. Andere beschermde soorten zijn niet in het plangebied te verwachten. Het is geheel verhard, ligt in de bebouwde kom. De essentiële biotopen voor beschermde soorten ontbreken.

Nader onderzoek

Naar aanleiding van de uitkomsten uit de quickscan flora en fauna is nader onderzoek uitgevoerd naar de huismus, gierzwaluw en vleermuizen. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 10. Het volgende is geconcludeerd.

Er zijn geen broedplaatsen, foerageergebieden, beplanting die dekking biedt, of slaapplaatsen van huismussen vastgesteld in het plangebied. Er zijn geen broedplaatsen van de gierzwaluw vastgesteld.

Er zijn twee verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens het bezoek van 31 januari 2020 zijn in het gebouw 4 dode gewone dwergvleermuizen gevonden. Deze waren al geruime tijd dood. Voormalige medewerkers van de school gaven aan dat in het verleden regelmatig dode vleermuizen werden aangetroffen. Meestal na afloop van de zomervakantie. Tijdens alle andere bezoeken werden gewone dwergvleermuizen geconstateerd die in, of uit het gebouw vlogen. Het betrof maximaal 5 exemplaren. Op 15 september werd ook een paarverblijf geconstateerd.

Voor de sloop dienen er minimaal 8 stuks alternatieve verblijfplaatsen in de directe omgeving geplaatst te worden (op advies van een ecologisch deskundige). Er dient een gewenningsperiode in acht genomen te worden zodat er voldoende tijd is om de alternatieve voorzieningen te ontdekken. Bij nieuwbouw dienen minimaal 8 stuks inbouwkasten voorzien te worden. De kasten worden geplaatst op locaties waar voldoende jachtgebied aanwezig is. Er mag geen kunstlicht op de kasten schijnen. Voor vleermuizen dienen de kasten minimaal 3 meter boven maaiveld te hangen.

Mitigerende maatregelen zijn nodig om te voorkomen dat dieren gedood worden. De meest efficiënte methode voor deze locatie is het plaatsen van exclusion flaps. Er is in 2020 geen kraamkolonie vastgesteld. Gezien het aantal aangetroffen dode vleermuizen kan niet uitgesloten worden dat er in voorgaande jaren wel een kraamkolonie is geweest. Het is daarom aanbevolen de mitigerende maatregelen uit te voeren buiten de kraamperiode van vleermuizen. Maatregelen zijn uitgevoerd onder ecologische begeleiding. Dit wil zeggen een vleermuisdeskundige bepaalt in overleg met de sloper waar de maatregelen (veilig) uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen zijn 1 week voor de sloop uitgevoerd. In de betreffende periode diende het minimaal 1 keer hoger dan 10 graden te zijn bij zonsondergang. Vlak voor de sloop is een controle uitgevoerd en zijn er geen aanwezige vleermuizen aangetroffen.

De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuis van Nederland. Ook in Zeeland komt de soort veel voor. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat er in de omliggende straten dagverblijven aanwezig zijn: Nadorstweg 182, Churchilllaan 5, Churchilllaan 31. Door het aanbrengen van alternatieve voorzieningen blijven er in de toekomst voldoende verblijfplaatsen aanwezig waardoor de populatie op peil kan blijven. Jachtgebieden en vliegroutes zijn niet aanwezig omdat het terrein geheel verhard is. De gunstige staat van instandhouding is voor de gewone dwergvleermuis niet in het geding. Voorafgaand aan de sloop zijn voorzieningen aangebracht om de de dwergvleermuis te beschermen. Na een gewenningsperiode is begonnen met de sloop.

Voor het vernietigen van de vaste verblijfplaatsen is een

ontheffing verleend, zie hiervoor bijlage 11.

Conclusie

De Wnb en het beleid van de Provincie Zeeland staan de ontwikkeling niet in de weg.

4.5 Water

Toetsingskader

Het projectgebied ligt binnen het beheersgebied van het waterschap Scheldestromen, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. De bestaande sloot langs de Nadorstweg worden behouden en ingepast in het inrichtingsplan voor de locatie. Ten behoeve van de beoogde ontwikkelingen is het aanmeldformulier van het waterschap voor de watertoets ingevuld, zie hiervoor bijlage 4.

Toetsing en conclusie

Naast de eerder genoemde toetsing aan het aanmeldformulier is op 30 mei 2022 een verkennend waterbodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is toegevoegd in bijlage 5. Het volgende kan worden geconcludeerd.

Uit de veldwaarnemingen blijkt dat de waterdiepte varieert tussen 0,28 en 0,35 meter. De waterbodem bestaat uit een sliblaag met een dikte variërend van 0,08 tot 0,28 meter. Onder de sliblaag is veen aangetroffen. Bij het uitvoeren van het veldonderzoek zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op een verontreiniging van de waterbodem. Op basis van de onderzoeksresultaten is aanvullend/nader waterbodemonderzoek niet noodzakelijk.

Geadviseerd wordt om de resultaten voor te leggen aan het bevoegd gezag om te bepalen welke verspreidings- en/of toepassingsmogelijkheden er in dit geval zijn voor het te baggeren materiaal. Overwogen dient te worden om de vrijkomende sliblaag toe te passen als 'Klasse B' in oppervlaktewater of af te voeren naar een erkend verwerker, vanwege het feit dat de baggerspecie niet toepasbaar is op landbouw.

4.6 Bodemkwaliteit

Toetsingskader

Op grond van het Bro dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. In het kader van de realisatie is een omgevingsvergunning bouwen noodzakelijk. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Ten behoeve van omgevingsvergunningen voor afwijken dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Toetsing

Op 30 mei 2022 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is toegevoegd in bijlage 6. Het volgende kan worden geconcludeerd.

Grond

In zowel de kleiige bovengrond als in de kleiige ondergrond zijn licht verhoogde gehaltes aan lood, kwik en/of PCB boven de achtergrondwaarden aangetroffen. De zandige bovengrond bevat geen verhoogde gehaltes boven de achtergrondwaarden.

Grondwater

In het grondwatermonster P009-1-1 is een licht verhoogde concentratie aan nikkel boven de streefwaarde aangetroffen. Het grondwatermonster P016 bevat geen concentraties boven de streefwaarden.

Asbest

Onderhavige onderzoekslocatie is op basis van de huidige informatie en tijdens de veldwerkzaamheden gedane zintuigelijke waarnemingen niet verdacht op het voorkomen van asbest in de bodem.

Conclusie

De onderzoeksresultaten geven vanuit de Wet bodembescherming geen aanleiding tot het uitvoeren van vervolgonderzoek, aangezien de gemeten gehalten/concentraties kleiner zijn dan de betreffende interventiewaarde. De aangetoonde verontreinigingen zijn dermate gering dat deze geen belemmering vormen voor eventuele bebouwing en/of andere activiteiten. Er zijn met de voorgenomen activiteiten geen risico's voor de volksgezondheid en het milieu aanwezig. De uiteindelijke beslissing hiertoe is aan het bevoegd gezag.

Verwerking of afvoer van de grond

Het verkennend bodemonderzoek is in beginsel niet geschikt voor de beoordeling van af te voeren gronden in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Het bodemonderzoek geeft inzicht in de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem in het kader van het gebruik en/of de bestemming van de onderzochte locatie. Indien grond ten behoeve van bouwwerkzaamheden en/of andere activiteiten wordt ontgraven en afgevoerd, kan het mogelijk worden geacht dat de vrijkomende grond gekeurd en getoetst dient te worden aan het Besluit bodemkwaliteit. Dit kan middels een partijkeuring conform BRL SIK1000, protocol 1001, of op basis van een kwaliteitswaarmerk van de bodemkwaliteitskaart van de gemeente Middelburg.

4.7 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Op het gebied van verkeer en vervoer bestaat geen specifieke wetgeving die relevant is voor de voorgenomen activiteit. Wel dient in het kader van het ruimtelijk plan dat de activiteit mogelijk maakt, te worden onderbouwd dat het geheel voldoet aan een goede ruimtelijke ordening. Dit houdt onder meer in dat er voldoende parkeergelegenheid aanwezig dient te zijn en dat de eventuele verkeerstoename niet leidt tot knelpunten in de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid.

Toetsing

Ontsluiting

Gemotoriseerd verkeer

De hoofdontsluiting van het plangebied wordt gevormd door de Sir Winston Churchilllaan, een erftoegangsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/u.

In zuidelijke richting loopt de Sir Winston Churchilllaan over in de Parklaan en vandaaruit op de Noordsingel richting de binnenstad of de Sportlaan richting de woonwijk 'Veerse Poort'. De Sportlaan loopt over op de Nassaulaan die in verbinding staat met de toegangsweg richting de N57, een regionale stroomweg met een maximumsnelheid van 100km/u. De Sportlaan en Nassaulaan zijn gecategoriseerd als erftoegangswegen binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 30 km/u. In noordelijke richting komt de Sir Winston Churchillaan uit op de President Rooseveltlaan. Deze weg is gecategoriseerd als een gebiedsontsluitingsweg binnen de bebouwde kom met een maximumsnelheid van 50 km/u. De President Rooseveltlaan loopt richting het noorden naar de N57. Richting het zuiden loopt de President Rooseveltlaan naar de Middelburgse wijk 'de Griffioen'.

Langzaam verkeer

Op de Sir Winston Churchilllaan zijn aan weerszijden van de weg fietssuggestiestroken aanwezig. Tevens zijn aan beide zijden van de weg voetpaden aanwezig. Op de Sir Winston Churchilllaan zijn geen oversteekvoorzieningen aanwezig voor het langzaam verkeer. Echter wordt door middel van de lage maximumsnelheid en de inrichting van de weg conform het ontwerpprincipe 'Duurzaam Veilig' de oversteekbaarheid en de verkeersveiligheid van de weg gewaarborgd.

Openbaar vervoer

De dichtstbijzijnde OV-halte is gelegen op minder dan 50 m loopafstand van het plangebied, aan de Sir Winston Churchilllaan. Bij deze halte kan gebruik worden gemaakt van buslijn 569 naar Middelburg station. Deze lijn heeft geen vaste dienstregeling.

Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte is een mobiliteitsadvies opgesteld. Zie hiervoor bijlage 7. Ten behoeve van de ontwikkeling is een berekening uitgevoerd die resulteert in een parkeerbehoefte van 79 parkeerplaatsen. Op basis van de aanwezigheidspercentages is de totale parkeervraag afgerond 69 parkeerplaatsen. Er worden in het plangebied 71 parkeerplaatsen gerealiseerd.

Indien in de toekomst een appartement gerealiseerd wordt in plaats van de ontmoetingsruimte zal dit zorgen voor een kleine toename van benodigde parkeerplaatsen. Deze toename past binnen de beschikbare 71 parkeerplaatsen.

Fietsparkeren

Bewoners van de nieuwe woongebouwen hebben ieder toegang tot en opslagplaats waar fietsen gestald worden. Voor bezoekers is dit in het plan nog niet geregeld. Voor bezoekers is namelijk nog geen ruimte voor veilige en aantrekkelijke fietsvoorzieningen in de vorm van stallingen opgenomen in het ontwerp. Deze dragen ook bij aan het stimuleren van duurzame en gezonde mobiliteit.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat kan worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen om de parkeerbehoefte van de ontwikkeling op te vangen.

Verkeersgeneratie, verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid

Verkeersgeneratie

Voor het bepalen van de verkeersgeneratie van het plangebied in de huidige en de toekomstige situatie wordt gebruikgemaakt van kencijfers uit CROW-publicatie 744. Net als voor de parkeernormen wordt uitgegaan van een stedelijkheidsgraad van 'Sterk stedelijk', een ligging in 'Rest bebouwde kom' en wordt per kencijfer het gemiddelde van de bandbreedte gehanteerd. De kencijfers uit CROW-publicatie 744 kunnen gebruikt worden voor het berekenen van de gemiddelde weekdagintensiteiten. Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling dient echter gekeken te worden naar de gemiddelde werkdagintensiteiten. Op basis van CROW-publicatie 744 wordt voor woonfuncties een omrekenfactor van 1,11 gehanteerd, terwijl voor sportzalen een omrekenfactor van 1,0 wordt aangehouden.

Tabel 4.3 De verkeersgeneratie van het plangebied in de huidige en de toekomstige situatie

Huidige situatie  
Functie   Aantal   Kencijfer   Weekdag (mvt/etmaal)   Werkdag (mvt/etmaal)  
Sporthal   720 m² (bvo)   9,4 per 100 m² (bvo)   67,7   67,7  
Beoogde situatie  
Functie   Aantal   Kencijfer   Weekdag (mvt/etmaal)   Werkdag (mvt/etmaal)  
Huur appartement, sociale huur 75-100 m2 bvo   65 woningen   2,9 per woning   188,5   209,2  
Huur appartement, vrije sector, 75-100 m2 bvo   15 woningen   3,3 per woning   49,5   54,9  
Ontmoetingsruimte (m2)   90   5,6   5,6   6,2  
Totaal beoogd       243,6   270,3  
Toename (beoogd - bestaand)       175,9   202,6  

In de huidige situatie bedraagt de verkeersgeneratie van het plangebied 68 mvt/etmaal. In de toekomstige situatie zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeersgeneratie van 244 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde weekdag en 270 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. De beoogde ontwikkeling zal leiden tot een verkeerstoename van 203 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag.

Verkeersafwikkeling

Voor het beoordelen van de verkeersafwikkeling dient gekeken te worden naar de verkeersgeneratie gedurende het maatgevende uur. Als standaard vuistregel wordt aangehouden dat doorgaans gedurende het spitsuur 10% van de etmaalintensiteit wordt afgewikkeld. Gedurende het maatgevende uur zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 20 mvt/uur.

Op basis van expert judgement, mede gebaseerd op de capaciteit van de wegen is de verwachte verkeersverdeling bepaald. Vanaf het plangebied zal 60% (12 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer in noordelijke richting over de Sir Winston Churchilllaan en via de Generaal Hakewill Smithlaan worden afgewikkeld richting het kruispunt Generaal Hakewill Smithlaan-President Rooseveltlaan. Vanaf dit kruispunt zal 50% (10 mvt/uur) over de President Rooseveltlaan in noordelijke richting worden afgewikkeld, terwijl de overige 10% (2 mvt/uur) in zuidelijke richting wordt afgewikkeld. Vanaf het plangebied zal 40% (8 mvt/uur) van het gegenereerde verkeer in zuidelijke richting worden afgewikkeld richting het krispunt Parklaan-Noordsingel. Op dit kruispunt zal 30% van het totaal (6 mvt/uur) in oostelijke richting worden afgewikkeld via de Sportlaan en de Nassaulaan richting de aansluiting op de N57, terwijl de overige 10% (2 mvt/uur) in zuidelijke richting over de Noordsingel wordt ontsloten. In figuur 4.4 zijn de verschillende verkeersstromen aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0015.jpg"

Figuur 4.4 De verkeersafwikkeling

De hoogste verkeerstoename ten gevolge van de beoogde ontwikkeling zal plaatsvinden op de Sir Winston Churchilllaan en de Generaal Hakewill Smithlaan, waar een verkeerstoename zal plaatsvinden van 122 mvt/etmaal op een werkdag (60% van 203 mvt/etmaal). Beide wegen zijn ingericht als erftoegangswegen type I. Binnen het verkeerskundig vakgebied wordt op basis van Duurzaam Veilig voor ETW-type I aangehouden dat een verkeersomvang van 4.000 à 6.000 mvt/etmaal zonder problemen vlot en veilig kan worden afgewikkeld. Uitgaande van een gemiddelde capaciteit van 5.000 mvt/etmaal zorgt de beoogde ontwikkeling voor een procentuele toename van minder dan 5% van de totale wegcapaciteit. Deze toename is dermate laag dat de invloed op de doorstroming op de weg gering zal zijn.

Verkeersveiligheid

De toename in de verkeersgeneratie zal niet leiden tot knelpunten in de verkeersveiligheid. Door middel van de lage maximumsnelheid van 30 km/uur op de omliggende wegen en de aanwezigheid van fietssuggestiestroken op de Sir Winston Churchilllaan wordt de verkeersveiligheid van fietsers gewaarborgd.

Conclusie

In totaal zorgt de beoogde ontwikkeling voor een verkeerstoename van 203 mvt/etmaal gedurende een gemiddelde werkdag. Deze toename is dermate klein dat het niet tot een verslechtering zal leiden van de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid op het omliggende wegennet. Het aspect verkeer staat de ontwikkeling daarmee niet in de weg.

4.8 Wegverkeerslawaai

Toetsingskader

Woningen worden door de Wet geluidhinder (hierna: Wgh) als geluidsgevoelige functie aangemerkt. Indien in een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dan is volgens de Wgh akoestisch onderzoek verplicht indien deze worden geprojecteerd binnen de geluidszone van een weg. Daarnaast dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening aannemelijk te worden gemaakt dat sprake is van een aanvaardbaar geluidsniveau.

Als de Wgh van toepassing is, dan dient een nieuwe geluidsgevoelige functie te voldoen aan bepaalde wettelijke normen. Voor de geluidsbelasting aan de buitengevels van woningen binnen de wettelijke geluidszone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk (65 dB voor binnenstedelijke wegen en 53 dB voor een buitenstedelijke autoweg). De geluidswaarde binnen de geluidsgevoelige bestemming (binnenwaarde) dient in alle gevallen te voldoen aan de in het Bouwbesluit neergelegde norm van 33 dB(A). Bovendien zal voor de betreffende geluidsgevoelige functie ten minste altijd één geluidsluwe gevel aanwezig moeten zijn, terwijl er gestreefd wordt het aantal 'dove gevels' per woning tot maximaal één te beperken.

Geluidszones

Langs alle wegen – met uitzondering van 30 km/u-wegen en woonerven – bevinden zich op grond van de Wgh geluidszones waarbinnen de geluidshinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidszone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidsbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day-evening-night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal.

Toetsing en conclusie

De omliggende wegen (Sir Winston Churchilllaan, Nadorstweg, Gerrit van der Veenstraat en Koos Voorrinksraat) hebben een snelheidsregime van 30 km/u. Op basis van de Wgh is akoestisch onderzoek niet nodig. Echter dient op basis van jurisprudentie in het kader van een goede ruimtelijke ordening inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een aanvaardbaar akoestisch klimaat. Voor de ontwikkeling is dan ook akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 12. Het volgende kan geconcludeerd worden.

Voor wegverkeerslawaai is het plan enkel gelegen in de nabijheid van diverse 30 km/uur wegen. Dit type weg vormt een afwijkende categorie binnen de Wgh. Formeel kan voor deze wegen geen hogere waarde worden aangevraagd of verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Voor de waarborging van een goed akoestisch woon- en leefklimaat dient de geluidbelasting op de gevels van nieuw te bouwen woningen nabij 30 km/uur wegen echter alsnog te worden bepaald. Derhalve is in het onderhavige akoestisch onderzoek de geluidbelasting ten gevolge van de 30 km/uur wegen Sir Winston Churchilllaan, Nadorstweg, Parklaan, Gerrit van der Veenstraat, Anton de Komstraat en de Koos Vorrinkstraat inzichtelijk gemaakt.

Voor alle 30 km/uur wegen geldt dat de geluidbelasting ten gevolge van het wegverkeer op deze wegen de richtwaarde van 48 dB op geen enkele gevel van de nieuwe appartementen overschrijdt. Bovendien kan voor 30 km/uur wegen geen hogere waarde worden verleend, aangezien deze wegen niet zoneplichtig zijn. Derhalve is een procedure hogere waarde ten gevolge van wegverkeerslawaai niet aan de orde.

Ondanks dat voor onderhavig plan een procedure hogere grenswaarde niet van toepassing is, wordt geadviseerd om bij de aanvraag omgevingsvergunning te controleren of in de

verblijfsruimten sprake is van een maximaal geluidbinnenniveau van 33 dB. Afhankelijk van de woninghoogte, de bouwconstructie, de indeling van de appartementen en het ventilatietype is mogelijk een aanvullend akoestisch onderzoek geluidwering gevels noodzakelijk om een goed akoestisch woon- en leefklimaat te waarborgen.

4.9 Bedrijven en milieuhinder

Toetsingskader

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen:

  • ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd;
  • rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven.

Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen. Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

Toetsing

De ontwikkeling vindt plaats in een gebied met voornamelijk woningbouw en enkele maatschappelijke functies aan de zuidwestelijke zijde van het plangebied.

Ten zuidwesten van de ontwikkeling, aan de Nadorstweg ligt 'Toevlucht Middelburg'. In deze maatschappelijke voorziening vindt begeleid wonen plaats. Hier wonen zo'n 20 mensen. Deze maatschappelijke functie kan op grond van de categorie-indeling van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering onder 'Verpleeghuizen' worden geschaad. Voor deze categorie dient een richtinggevende afstand van 10 m van deze bedrijven tot milieugevoelige bestemmingen, waaronder wonen, in acht te worden genomen. Het plangebied is buiten deze afstand gelegen. Op basis hiervan wordt milieuhinder geen belemmering geacht tussen de beoogde oprichting van de woningen en het ontmoetingscentrum.

Omgekeerd is sprake van een nieuwe woonfunctie in een omgeving met hoofdzakelijk woningen. Daarbij gelden geen onderlinge richtafstanden.

Binnen de beoogde ontwikkeling is nog van belang dat de bestaande sportzalen vooralsnog gehandhaafd blijven. In dat licht is de vraag relevant in hoeverre de sportzalen hinder veroorzaken voor de nieuwe woningen op het terrein. Op basis van de VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering geldt een voor een gymzaal een richtafstand van 30 m, in verband met het maatgevend aspect geluid. De afstand tussen de gymzalen (SBI-code 931) en de nieuwe appartementen bedraagt slechts enkele meters. Aan de zuidoostelijke en zuidwestelijke zijde van de sportzalen is sprake van een gesloten gevel en de entree van de sportzalen ligt niet aan de zijde van de nieuwe woonbebouwing. Gelet op deze situatie wordt de beoogde woningbouw op korte afstand van de sportzalen aanvaardbaar geacht. Bovendien is sprake van een tijdelijke situatie, hoewel nog niet bekend is hoe lang die zal duren.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook vormen de woningen geen belemmeringen voor de bedrijfsvoering van functies in de omgeving.

4.10 Externe veiligheid

Toetsingskader

Bij ruimtelijke plannen wordt ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten gekeken, namelijk:

  • bedrijven waar opslag, gebruik en/of productie van gevaarlijke stoffen plaatsvindt;
  • vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of leidingen.

Risico relevante inrichtingen

Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (hierna: Bevi) geeft een wettelijke grondslag aan het externe veiligheidsbeleid rondom risicovolle inrichtingen. Het doel van het besluit is de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen tot een aanvaardbaar minimum te beperken. Op basis van het Bevi geldt voor het plaatsgebonden risico (hierna: PR) een grenswaarde voor kwetsbare objecten en een richtwaarde voor beperkt kwetsbare objecten. Beide liggen op een niveau van 10-6 per jaar. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet aan deze normen worden voldaan, ongeacht of het een bestaande of een nieuwe situatie betreft.

Het Bevi bevat geen norm voor het groepsrisico (hierna: GR); wel geldt op basis van het Bevi een verantwoordingsplicht ten aanzien van het GR in het invloedsgebied van de inrichting. De in het externe veiligheidsbeleid gehanteerde norm voor het GR geldt daarbij als oriëntatiewaarde.

Vervoer van gevaarlijke stoffen

Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en het Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg, het spoor of over het water. De concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Met het in werking treden van het BEVT vervalt de circulaire Risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met een uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water.

Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en in nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6-waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6-contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute.

Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Hiermee wordt geanticipeerd op de beperkingen voor ruimtelijke ontwikkelingen die samenhangen met deze plasbrandaandachtsgebieden.

Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Buisleidingen

Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. In dat Besluit wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Bevi zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op advies van de minister wordt bij de toetsing van externe veiligheidsrisico's van buisleidingen al enkele jaren rekening gehouden met deze risicobenadering. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen.

Toetsing

De toekomstige woningen zijn kwetsbare objecten die beschermd moeten worden tegen externe veiligheidsrisico's. Volgens de professionele risicokaart, waarop risicobronnen worden getoond, zijn er in de omgeving van het plangebied geen relevante risicovolle bronnen gelegen (zie figuur 4.5). Het plangebied ligt op ruim 1.000 m van de route gevaarlijke stoffen over de N57 die vanaf het kruispunt met de Rooseveltlaan naar het noorden loopt. Conform het Basisnet Weg blijkt dat ter hoogte van het traject Afrit N287 (Serooskerke)-Middelburg geen veiligheidsafstand en geen plasbrandaandachtsgebied geldt. Gezien de grote afstand en de geringe vervoersaantallen (GF3 82) is de risicobron niet van belang voor de externe veiligheidssituatie ter plaatse.

Op circa 6 kilometer bevindt zich Verbrugge Zeeland Terminals. Uit de QRA van Verbrugge Zeeland Terminals blijkt dat de PR 10-6 contour 600 meter bedraagt en het invloedsgebied 7.200 meter.Binnen deze contour zijn (zeer) kwetsbare gebouwen niet toegestaan. Het plangebied valt buiten de PR 10-6 contour.

Mogelijke wijzigingen op een grotere afstand dan 1.500 meter vormen geen noemenswaardige veranderingen in het groepsrisico veroorzaken. Het bevoegd gezag wordt geadviseerd om de Veiligheidsregio Zeeland in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen over hulpverlening en zelfredzaamheid indien er sprake is van invloedsgebieden van risicobronnen die op een grotere afstand dan 1.500 meter aanwezig zijn ener binnen het plangebied nieuwe of bestaande objecten of functies van meer dan 250 personen bevinden. De ontwikkeling ligt op een veel grotere afstand dan 1.500 meter van bovengenoemd bedrijf. Deze ontwikkeling is gelegen in een stedelijke reeds druk bewoonde woonomgeving, zal in combinatie met de zodanig grote afstand tot de risicobron niet zorgen voor een significante toename van het groepsrisico. In verband met een toxisch scenario dient wel aandacht te worden besteed aan de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

De ontwikkeling zelf betreft ook geen risicovolle bron. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen dan ook worden uitgesloten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0016.png"

Figuur 4.5 Ligging plangebied (blauwe cirkel) t.o.v. risicovolle inrichtingen en routes (Bron: www.risicokaart.nl)

Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid

Voor zowel de bereikbaarheid en bestrijdbaarheid van 'dagelijkse incidenten', zoals brand of wateroverlast, als voor calamiteiten op het gebied van externe veiligheid, is het van belang dat de bereikbaarheid voor de hulpdiensten en bluswatervoorzieningen voldoende geborgd zijn. De bestrijdbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om hun taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen. Het plangebied is goed bereikbaar en biedt vluchtmogelijkheden in verschillende richtingen, waardoor altijd van de bron af kan worden gevlucht. Het gedegen netwerk komt de bestrijdbaarheid ten goede.

Zelfredzaamheid

In de toekomstige situatie worden woningen gerealiseerd. De aanwezige kinderen en ouderen worden gezien als verminderd zelfredzame personen. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Als gevolg van een incident met toxische stoffen bij risicovolle inrichtingen geldt dat een toxische wolk zich snel kan ontwikkelen en verplaatsen. Dit effect is vaak niet zichtbaar. Zelfredzaamheid in deze scenario's is alleen mogelijk als er tijdig alarmering plaatsvindt en gebouwen geschikt zijn om enkele uren te schuilen. Denk hierbij aan het sluiten van ramen en deuren en met name het uitschakelen van (mechanische) ventilatiesystemen. Hiermee worden de aanwezigen beschermd tegen de blootstelling aan toxische gassen. Daarnaast dienen, in het kader van effectieve zelfredzaamheid, de gebruikers van de objecten door risicocommunicatie te worden geïnstrueerd over de risico's en de mogelijke maatregelen die zij kunnen nemen. De alarmering van de aanwezigen wordt momenteel nog gerealiseerd middels het waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS). Dit systeem wordt de komende jaren uitgefaseerd. Het waarschuwingssysteem wordt vervangen door een totaal pakket aan alarmeringsmiddelen, waaronder de calamiteitenzenders, de sirenes, crisis.nl, NL-Alert en het gebruik van sociale media.

Conclusie

Geconcludeerd kan worden dat het plan voldoet aan het beleid en de normstelling ten aanzien van externe veiligheid. Het aspect externe veiligheid staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.11 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

De gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld op basis van de Wet ruimtelijke ordening, de Wet milieubeheer luchtkwaliteitseisen (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk), de AMvB 'niet in betekenende mate' (het Besluit nibm) en de ministeriële regeling nibm. Er dient, ook na realisatie van het planvoornemen, sprake te zijn van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij moet voldaan worden aan de geldende grenswaarden en luchtkwaliteitseisen.

Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (Wm). Dit onderdeel van de Wm bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.4 weergegeven.

Tabel 4.4 Grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   toetsing van   grenswaarde  
stikstofdioxide (NO2))   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
fijn stof (PM10)   jaargemiddelde concentratie   40 µg/m³  
  24-uurgemiddelde concentratie   max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³  
Fijn stof (PM2,5)   jaargemiddelde concentratie   25 µg/m³  

Nibm

In het Besluit niet in betekenende mate (luchtkwaliteitseisen) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:

  • een project heeft een toename van minder dan 3% van de jaargemiddelde concentratie NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);
  • een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.

Toetsing en conclusie

De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van 80 woningen en een ontmoetingsruimte. Door de beoogde ontwikkeling is er sprake van een toename van verkeer van 203 mvt/etmaal (weekdaggemiddelde). In de NIBM-tool (versie 24-04-2024) is 2025 als jaar van planrealisatie aangehouden. Uit de berekening blijkt dat deze verkeerstoename zorgt voor een toename van het gehalte stikstof in de lucht van 0,08 µg/m³ en van fijnstof van 0,02 µg/m³ (tabel 4.5). De toename van stikstof is onder 1,2 µg/m³. Het project draagt hierdoor niet in betekenende mate bij aan de toename van de hoeveelheid stikstofdioxide in de lucht. Een toetsing aan de grenswaarden is derhalve niet noodzakelijk.

Tabel 4.5 Resultaten NIBM-tool

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0017.png"

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is nagegaan hoe het met de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied is gesteld. Dit is gedaan aan de hand van de monitoringstool die bij het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) hoort. De dichtstbijzijnde voor luchtkwaliteit relevante weg is de President Rooseveltlaan (zie figuur 4.7). Hieruit blijkt dat zowel in 2020 als in 2030 voldaan wordt aan de voor dit jaar geldende normen uit de Wet Milieubeheer zoals weergegeven in tabel 4.6.

Tabel 4.6 Toetsing aan grenswaarden maatgevende stoffen Wm

stof   grenswaarde   maximale waarden in jaar 2025   maximale waarden in jaar 2030  
stikstofdioxide (NO2))   40 µg/m³   11,1 µg/m³   10,1 µg/m³  
fijn stof (PM10)   40 µg/m³   13,5 µg/m³   12,9 µg/m³  
  max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³   6,0 µg/m³   6,0 µg/m³  
Fijn stof (PM2,5)   25 µg/m³   6,7 µg/m³   6,1 µg/m³  

afbeelding "i_NL.IMRO.0687.BPKLASWCL-VG01_0018.png"

Figuur 4.7 Luchtkwaliteit rondom het plangebied (blauw omkaderd het plangebied) (Bron: NLS-Monitoringstool)

4.12 Kabels en leidingen

Toetsingskader

Planologische relevantie

Voor hoofdtransportleidingen en hoogspanningsverbindingen geldt dat deze in een (bestemmings)plan moeten worden geregeld. Deze leidingen hebben namelijk gevolgen voor het gebruik van gronden in de directe omgeving en zijn dus planologisch relevant. Ook niet-hoofdtransportleidingen met veiligheidscontour kunnen planologisch relevant zijn. Als planologisch relevante leidingen worden aangemerkt (buis)leidingen voor het transport van:

  • elektriciteit met een hoogspanning van meer dan 50 kV;
  • brandbare gassen met een druk van 20 bar en hoger;
  • brandbare vloeistoffen of giftige stoffen met een diameter van 4 inch en hoger;
  • buisleidingen met een diameter van 400 mm en groter.

Niet-planologisch relevante leidingen behoeven geen bescherming c.q. regeling in het bestemmingsplan. Deze leidingen kunnen dan ook zonder planologische regeling worden aangelegd.

Grondroeringsregeling

De Wet informatie-uitwisseling ondergrondse netten (WION) verplicht gravers (ook wel grondroerders genoemd) tot het melden van elke 'mechanische grondroering' bij het Kadaster. Doel van de wet is gevaar of economische schade door beschadiging van ondergrondse kabels of leidingen (water-, elektriciteit- en gasleidingen, telefoonlijnen en olie- en gasleidingen) te voorkomen. De wet heeft de (vrijblijvende) zelfregulering zoals die bestond in de vorm van het Kabels en Leidingen Informatie Centrum (KLIC) vervangen.

Toetsing

In en nabij het plangebied zijn geen planologisch relevante leidingen, hoogspanningslijnen, straalpaden of telecomverbindingen aanwezig. Met eventueel aanwezige overige planologisch gezien niet-relevante leidingen (zoals rioolleidingen, leidingen nutsvoorzieningen, drainageleidingen) in of nabij het plangebied hoeft in het bestemmingsplan geen rekening te worden gehouden. Voor deze leidingen zal nog wel een melding bij het kadaster worden gedaan.

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan.

4.13 Duurzaamheid

Toetsingskader

Klimaatbestendige Middelburgse Samenleving 2018-2050

De gemeente stelt zich tot doel dat Middelburg bewoonbaar blijft en dat de Middelburgers gezond en goed kunnen wonen, leven en werken ondanks de klimaatverandering. De visie gaat in hoe in de gemeente Middelburg gebouwen, tuinen, openbare ruimte en wellicht ook de mensen zodanig kan veranderen dat de gevolgen van klimaatsverandering beheersbaar blijven. Voor de ontwikkeling zijn onderstaande maatregelen relevant:

  • meer groen en minder verharding;
  • 'water sturen';
  • donkere verharding vervangen door wit of beplanting;
  • meer water in de bodem.

Middelburgse Milieuvisie 2019-2025

In de Middelburgse Milieuvisie (MVM) is het duurzaamheidsbeleid opgenomen. Het belangrijkste doel is om te komen tot een gezonde, duurzame samenleving en leefomgeving en een duurzame ontwikkeling van de gemeente. Daarbij moet worden voorzien in de behoeften van de huidige generaties, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken om gezond en goed te kunnen leven. De MVM heeft betrekking op alle milieuthema's met als doel voor 2025 en 2050. De belangrijkste ambities en doelstellingen die voor de ontwikkeling relevant zijn en uitgangspunt moeten zijn worden hierna genoemd, waarbij is uitgegaan van het doel voor 2025:

  • klimaat en energie: energieverbruik beperken;
  • duurzaam gebouwde omgeving: realiseren van energieneutraal en duurzaam bouwen bij nieuwbouw;
  • emissie van geluid en stoffen: huidige geluids- en luchtkwaliteit van Middelburg verbeteren;
  • duurzame mobiliteit: het op een verantwoorde, veilige en duurzame manier verplaatsen van mensen en goederen;
  • externe veiligheid: voorkomen van onaanvaardbare risico's voor de bevolking door vervoersbewegingen en bronnen/bedrijven die tijdelijke, dan wel permanente schade aan de leefomgeving toebrengen;
  • van afval naar grondstof;
  • klimaatadaptatie en duurzaam watersysteem.

BENG-eisen

Ten behoeve van de energieopwekking is vanuit de overheid de eis gesteld dat bij de bouw van nieuwe overheidsgebouwen per 2021 voldaan moet worden aan de eis van bijna energieneutrale gebouwen (BENG-eisen). In de praktijk betekent dit dat de energieprestatie van nieuwe gebouwen wordt vastgesteld aan de hand van de volgende drie BENG-eisen:

  • 1. de maximale energiebehoefte in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar;
  • 2. het maximale primair fossiel energiegebruik, eveneens in kWh per m² gebruiksoppervlakte per jaar;
  • 3. het minimale aandeel hernieuwbare energie in procenten.

Toetsing en conclusie

Voor alle nieuwbouw geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Per 1 juli 2018 is het daarnaast verplicht gasloos te bouwen. De beoogde woningen worden bijna energieneutraal en wordt zonder gasaansluiting gebouwd.

4.14 Bezonning

Toetsingskader

Als gevolg van de ontwikkeling ter plaatse van het voormalige schoolgebouw is d.d. 5 december 2023 een bezonningsstudie uitgevoerd naar de beschaduwing c.q. bezonning ten gevolge van de ontwikkeling op de directe omgeving. Daarbij is gekeken naar hoeveel mogelijke bezonningsuren aanwezig zijn in de volgende situaties:

  • situatie conform het huidige bestemmingsplan;
  • situatie conform de voorgenomen aanpassing op het bestemmingsplan.

De bezonningsstudie is als bijlage 13 bij het plan opgenomen.

Toetsing en conclusie

De nieuwbouw heeft geen dusdanig schaduwwerkend effect dat de gestelde eisen voor bezonning worden overschreden.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP)

De Wro bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waaraan het bestemmingsplan moet voldoen. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de regels en het renvooi.

5.2 Opzet van het nieuwe bestemmingsplan

Ten aanzien van de opzet van het bestemmingsplan (verbeelding en regels) is het volgende van belang.

Karakter bestemmingsplan

Dit bestemmingsplan is gericht op een goede borging van de specifieke stedenbouwkundige opzet. Voor de verschillende woningtypen zijn verschillende aanduidingen toegepast.

Opzet verbeelding

De verbeelding bestaat uit de bestemming 'Wonen'. De locatie van de bebouwing is vastgelegd door middel van een bouwvlak. Binnen deze grens is de precieze ligging van het gebouw niet vastgelegd. Om enige flexibiliteit te bieden bij de realisatie, is de grens van het bouwvlak enkele meters buiten de grens van het betreffende gebouw gelegd.

Opzet planregels

Volgens SVBP2012 hebben de planregels een vaste hoofdstukindeling, in een vaste volgorde:

  • in hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald;
  • in hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven;
  • hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een anti-dubbeltelbepaling en een algemene bouwregel;
  • hoofdstuk 4 (slotregel) ten slotte de titel van het plan.

Bestemmingsartikelen hebben ook een standaard opbouw. In het voorliggende plan hebben deze de volgende opbouw.

  • bestemmingsomschrijving;
  • bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud);
  • nadere eisen;
  • afwijken van de bouwregels;
  • specifieke gebruiksregels;
  • afwijken van de specifieke gebruiksregels.

5.3 Gehanteerde bestemmingen

Artikel 1 Begrippen

De begrippen zijn overeenkomstig het handboek bestemmingsplannen van de gemeente Middelburg.

Artikel 2 Wijze van meten

De bepalingen uit dit hoofdstuk zijn, conform de SVBP2012, onveranderd overgenomen.

Artikel 3 Maatschappelijk

De maatschappelijke voorzieningen in het gebied zijn voorzien van de bestemming ‘Maatschappelijk’. Het gaat om de gymzalen die vooralsnog gehandhaafd worden. Binnen de bestemming zijn uitsluitend de bestaande gymzalen toegestaan, alsmede bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals groen, water, nutsvoorzieningen, parkeervoorzieningen en laad- en losvoorzieningen.

Artikel 4 Wonen

De gronden met de bestemming Wonen zijn bestemd voor het wonen met bijbehorende voorzieningen.

Voor de gronden is alleen gestapelde bebouwing toegestaan. Door middel van het bouwvlak is aangegeven waar het gebouw mag komen te staan. De bouwhoogte zijn op de verbeelding geregeld door middel van een maatvoeringsaanduiding.

5.4 Toelichting op de algemene regels

Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, bepalingen.

Artikel 5 Anti-dubbeltelregel

Deze bepaling is ingevolge artikel 3.2.4 van het Bro vast voorgeschreven. Doel van deze bepaling is te voorkomen dat er meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogt, bijvoorbeeld ingeval (onderdelen van) percelen van eigenaar wisselen. Om hiervan een voorbeeld te geven: binnen de bestemming Wonen mag een bepaald percentage van het erf worden bebouwd. Indien het absolute oppervlak (uitgedrukt in m²) niet is bereikt, kan door het bijkopen van een stuk erf van het aangrenzende perceel extra bebouwing tot dit maximum worden gerealiseerd. De anti-dubbeltelbepaling voorkomt dat het overgedragen erf nog eens in de beoordeling van de bouwmogelijkheden op het oorspronkelijk deelerf kan worden betrokken.

Artikel 6 Algemene bouwregels

Dit artikel bevat één lid, namelijk 'Overschrijding bouwgrenzen' (lid 6.1 Overschrijding bouwgrenzen): Dit is een regeling voor beperkte en ondergeschikte overschrijding van de grenzen van bouwvlakken. Deze bouwvlakken zijn op de verbeelding aangeduid met een dikke lijn.

Artikel 7 Algemene wijzigingsregels

In dit artikel (lid 7.1) is een algemene flexibiliteitsbepaling opgenomen om voor bepaalde onderdelen van bestemmingen of gebouwen dan wel bouwwerken af te wijken van de bestemmingsgrenzen, voor zover dit van belang is voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken dan wel voor zover dit noodzakelijk is in verband met de werkelijke toestand van het terrein. Deze bepaling gaat verder dan die van artikel 6.1. Vandaar dat hier altijd een wijziging voor nodig is van burgemeester en wethouders. Overigens geldt ook hier dat deze bepalingen als algemene regel gelden voor alle bestemmingen.

Het criterium 'van belang voor een technisch betere realisering van bestemmingen of bouwwerken' kan bijvoorbeeld aan de orde zijn als bij nader inzien:

  • open water dat als zodanig is bestemd een andere vorm moet krijgen;
  • een bruggetje dat anders moet worden geconstrueerd of een stukje moet opschuiven;
  • een fietspad iets anders moet aansluiten op een kruising.

Het gaat in de meeste gevallen om de praktische uitvoering van het plan, waarbij geen belangen van derden worden geschaad.

Het criterium 'in verband met de werkelijke toestand van het terrein' is vooral aan de orde in situaties waarbij een terrein of gebied een geheel nieuwe inrichting krijgt en waarbij in het veld maar weinig aanknopingspunten zijn. Bij het uitzetten van het gebied kan blijken dat de afmetingen niet exact gelijk zijn aan de coördinaten op tekening/in het digitale bestand en dat de situering van de nieuwe openbare wegen en de uitgeefbare percelen iets moet worden aangepast. Gezien de nauwkeurigheid van het tegenwoordige kaartmateriaal gaat het daarbij om centimeters in plaats van meters.

Artikel 8 Overige regels

Dit artikel bevat 2 bepalingen, namelijk lid 8.1 en lid 8.2.

Het eerstgenoemde lid is opgenomen omdat in een (toenemend) aantal gevallen in de regels van bestemmingsplannen wordt verwezen naar een (andere) wettelijke regeling of wordt een procedure, begrip en/of functie uit die andere regeling van toepassing verklaard). Ook in de begripsbepalingen komen die verwijzingen voor. Op grond van jurisprudentie mag een bestemmingsplan slechts volgens de vereiste procedure van de Wro worden gewijzigd. Het impliciet wijzigen van een bestemmingsplan door wijzigingen in wetgeving in de bepalingen waarnaar wordt verwezen is niet toegestaan. Het is dan ook nodig dat verwijzingen naar toepasbare wettelijke regelingen worden gefixeerd, namelijk naar de tekst ervan zoals die op het moment van vaststelling van het plan gold. Uit praktische overwegingen is er voor gekozen in dit hoofdstuk van de regels een artikel 'Wettelijke regelingen' op te nemen, waarin is bepaald dat alle wettelijke regelingen waarnaar in de regels wordt verwezen, gelden zoals deze luidden op het moment van vaststelling van het plan. Hierdoor behoeft niet meer telkens te worden verwezen naar publicaties in het staatsblad.

Het tweede lid regelt het parkeren in dit bestemmingsplan. Daarvoor is in onderhavig bestemmingsplan gebruikgemaakt van de mogelijkheid die de wet biedt om voorwaardelijke verplichtingen in de regels op te nemen. Dit is noodzakelijk omdat stedenbouwkundige bepalingen (waaronder de parkeernormen en de regeling voor het parkeerfonds) niet meer is geregeld in de gemeentelijke bouwverordening. Een voorwaardelijke verplichting is een regel in het bestemmingsplan waarmee bijvoorbeeld wordt bepaald dat een nieuwe functie wel is toegestaan of dat een bepaald gebouw mag worden gebouwd, maar alleen als óók de benodigde maatregelen worden getroffen en deze maatregelen in stand worden gelaten. De voorwaardelijke verplichtingen zijn middelen om afspraken tussen de gemeente en de ontwikkelende partij(en) planologisch te borgen. Omdat deze afspraken door gebruikmaking van een publiekrechtelijk regeling kunnen worden vastgelegd, behoeven en kunnen deze niet via privaatrechtelijke weg worden vastgelegd.

Een voordeel van voorwaardelijke verplichtingen is dat er geen nader toetsingsmoment aan te pas komt. Er is ook geen nadere besluitvorming door het bevoegd gezag (veelal het college van burgemeester en wethouders) nodig.

In het bestemmingsplan is alleen een voorwaardelijke verplichting opgenomen die is verbonden aan het gebruik van gronden en bouwwerken. Hiermee kan relatief eenvoudig parkeren op eigen terrein worden afgedwongen. Omdat parkeren zal plaatsvinden binnen Wonen, is de regeling voor parkeren opgenomen in hoofdstuk 3 Algemene regels, (artikel 8, leden 8.2.1 en 8.2.2) en niet in de bestemmingsartikelen.

In lid 8.2.1 is onder andere bepaald dat parkeervoorzieningen niet voor de voorste voorgevel van het hoofdgebouw mogen worden gerealiseerd. In de begripsbepaling voor voorgevel is bepaald dat het gaat om de gevel van het hoofdgebouw die door zijn aard, functie, constructie dan wel gelet op uitstraling ervan als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. Het gaat dus om de feitelijke voorgevel.

5.5 Toelichting op de overgangs- en slotbepalingen

In artikel 9 Overgangsrecht is het overgangsrecht ten aanzien van het gebruik en het bouwen in strijd met het plan geregeld. In lid 9.1 is de in artikel 3.2.1 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor bouwwerken opgenomen. In lid 9.2 is de in artikel 3.2.2 Bro voorgeschreven bepaling omtrent het overgangsrecht voor gebruik opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Financiële uitvoerbaarheid

Voor de uitvoerbaarheid van het plan is het van belang te weten of het economisch uitvoerbaar is. De economische uitvoerbaarheid wordt enerzijds bepaald door de exploitatie van het plan (financiële haalbaarheid) en anderzijds door de wijze van kostenverhaal van de gemeente (grondexploitatie).

Financiële haalbaarheid

Het bestemmingsplan vormt het toetsingskader voor deels een ontwikkeling van de gemeente en deels een particuliere ontwikkeling. De initiatiefnemers hebben aangegeven dat er budget beschikbaar is voor de realisatie van de woningen.

Kostenverhaal

Volgens artikel 6.12 van de Wro dient tegelijk met de vaststelling van een bestemmingsplan een exploitatieplan te worden vastgesteld voor de gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, tenzij het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins verzekerd is.

Het kostenverhaal is verzekerd. De grond is door de gemeente aan de initiatiefnemers verkocht. Gemeentelijke kosten komen ten laste van de vastgestelde grondexploitatie.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

6.2.1 Informatiebijeenkomst

Het wijkteam en de aanwonenden zijn geïnformeerd over het initiatief. De aanwonenden kregen hierover een brief in de bus.

Op 28 februari 2022, 7 juni 2022 en 17 april 2023 informeerden de gemeente en Woongoed en Zorgstroom samen met de architect de omwonenden over de plannen.

6.2.2 Vooroverlegreacties

Op grond van artikel 3.1.1. van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro) dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg plaats te vinden met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn.

Ter voldoening aan het bepaal de in artikel 3.8 lid 1, sub b, van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) juncto artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de Provincie Zeeland, Waterschap Scheldestromen en Veiligheidsregio Zeeland.

De Provincie Zeeland, Waterschap Scheldestromen en de Veiligheidsregio hebben aangegeven onder voorbehoud akkoord te zijn met de beoogde ontwikkeling. Zie hiervoor bijlage 14.

6.2.3 Zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft voor een periode van 6 weken, van 21 december 2023 tot en met 31 januari 2024, voor een ieder ter inzage gelegen. Gedurende deze periode kon iedereen over het ontwerpbestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. Gedurende deze periode zijn er tien zienswijzen ingediend die betrekking hebben op het ontwerp bestemmingplan. De zienswijzen zijn tijdig ingediend en daarmee ontvankelijk. De zienswijzen leiden tot een aantal aanpassingen van het bestemmingsplan. Ook hebben bij de vaststelling van het bestemmingsplan een aantal ambtshalve wijzigingen plaatsgevonden.

De zienswijze is samengevat en beantwoord in de 'nota van beantwoording overlegreacties en zienswijzen incl. staat van wijzigingen', die als bijlage 14 bij de toelichting is opgenomen.