| Plan: | Beneden-Leeuwen, Van Heemstraweg 36a |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0668.BENVanHeemstra36a-WOH1 |
Voorliggend rapport betreft het wijzigingsplan "Beneden-Leeuwen, Van Heemstraweg 36a" van de gemeente West Maas en Waal.
Op het adres Van Heemstraweg 36a te Beneden-Leeuwen was voorheen een agrarisch bedrijf gevestigd. De bedrijfsactiviteiten zijn al lange tijd beëindigd. Begin 2015 is ook de bebouwing (boerderijgebouw en kippenschuur) gesloopt. De laatste decennia is op het voormalige agrarische gebied rondom het perceel een bedrijventerrein gerealiseerd. Het perceel wordt hier volledig door omgeven.
Initiatiefnemer Van Heemstra Exploitatie BV wenst op het perceel twee bedrijfspanden met elk een bedrijfswoning te realiseren. Op basis van het vigerende bestemmingsplan is het reeds mogelijk de bedrijfspanden te bouwen. Ook is het toegestaan beide bedrijfswoningen te realiseren, maar alleen ter plaatse van het voormalige boerderijgebouw. Voor een gunstiger ruimtegebruik is het wenselijk de bedrijfswoningen elders op het perceel te realiseren.
Het vigerend bestemmingsplan bevat een wijzigingsbevoegdheid voor het planologisch verplaatsen van de bedrijfswoningen. Voorliggend wijzigingsplan bevat de onderbouwing voor het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid.
Onderstaande afbeelding geeft de topografische ligging weer.
TOPOGRAFISCHE SITUATIE
Onderstaande afbeelding geeft de kadastrale situatie weer. Tevens is de plangrens van voorliggend wijzigingsplan ingetekend.
KADASTRALE SITUATIE
De gronden zijn kadastraal bekend gemeente West Maas en Waal, sectie G, nummer 569 (gedeeltelijk).
De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 2650 m². De gronden zijn eigendom van Van Heemstra Exploitatie BV.
Ter plaatse van het plangebied vigeert het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" (NL.IMRO.0668.WMWBedrijventerrei-BOH1), vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 29 januari 2015.
Onderstaande afbeelding geeft een uitsnede van de vigerende verbeelding. De ligging van het plangebied is aangegeven.
UITSNEDE VERBEELDING VIGEREND BESTEMMINGSPLAN
Het plangebied ligt binnen de bestemming "Bedrijventerrein". Ter plaatse van het plangebied zijn toegestaan:
Ter plaatse van het plangebied is tevens de gebiedsaanduiding 'Wetgevingszone - wijzigingsgebied 1' van toepassing. Deze wijzigingsbevoegdheid (genoemd in artikel 5.6.2 van de planregels) biedt de mogelijkheid de bedrijfswoningen te verplaatsen. In paragraaf 7.1 zijn de regels van de wijzigingsbevoegdheid integraal overgenomen en is het plan daaraan getoetst.
Dit hoofdstuk geeft een ruimtelijk-functionele analyse van het plangebied. Onderstaande afbeelding en foto geven de bestaande toestand van het plangebied en de directe omgeving weer.
PLANGEBIED EN DIRECTE OMGEVING
Plangebied
Binnen het plangebied was voorheen een agrarisch bedrijf actief. De bedrijfsactiviteiten zijn lang geleden beëindigd en de bedrijfsgebouwen zijn begin 2015 gesloopt. Het betroffen een boerderijgebouw zonder cultuurhistorische waarden en een kippenschuur die op circa 30 meter van de weg stonden. Het tussenliggende gedeelte is in gebruik als tuin. Een deel van het voorterrein wordt gebruikt als parkeerterrein voor het naastgelegen Harlekijn Haarden.
Het plangebied heeft een eigen inrit vanaf de Van Heemstraweg.
Directe omgeving
Het plangebied is onderdeel van het bedrijventerrein Beneden-Leeuwen. Dit bedrijventerrein is gedurende de afgelopen decennia gegroeid. Daardoor is er sprake van een allegaartje van gebouwen en functies. Er is sprake van een rommelig beeld.
Recent zijn diverse initiatieven tot verbetering gestart:
De Van Heemstraweg vormt de zuidelijke begrenzing van het bedrijventerrein. Ten zuiden van de weg ligt agrarisch buitengebied met fruitteelt en veeteelt. De Van Heemstraweg is een halfopen bebouwingslint. Op het adres Van Heemstraweg 47 ligt een melkveehouderij. Meer naar het oosten (niet afgebeeld) ligt een lpg-tankstation.
De Van Heemstraweg was voorheen onderdeel van de doorgaande route van Zaltbommel naar Nijmegen [N322]. Hoewel met de aanleg van de zuidelijke omleiding de intensiteiten ter hoogte van het plangebied flink zijn afgenomen, is nog steeds sprake van een drukke weg.
In dit hoofdstuk volgt de beschrijving van het plan. Hoewel het feitelijke plan de planologische verplaatsing van de twee bedrijfswoningen betreft, wordt hier het gehele bouwplan beschreven.
Bijlage 1 bevat een indicatieve weergave van de perceelindeling. Deze kan nog veranderen.
Bouwplan
De bestaande gebouwen worden gesloopt. Het perceel wordt vervolgens in de lengte in twee bedrijfspercelen gesplitst. Daarna worden twee aaneengebouwde bedrijfshallen gerealiseerd. Vóór de bedrijfshallen wordt op elk perceel een gebouwdeel gebouwd, met kantoorruimten op de begane grond en een bedrijfswoning op de verdieping.
De voorste gebouwdelen bestaan uit twee bouwlagen en worden voorzien van een plat dak. Onderstaande afbeelding geeft een impressie van de gebouwen.
IMPRESSIE NIEUWE GEBOUWEN
Verkeer en parkeren
De twee nieuwe bedrijven zullen gebruik gaan maken van de bestaande (te verbreden) entree van Harlekijn Haarden. Deze entree geeft tevens toegang tot de bedrijven in het achterliggende gebied. De bestaande entree binnen het plangebied wordt verwijderd. Daarmee is sprake van een afname van het aantal ontsluitingen op de Van Heemstraweg, hetgeen verkeerstechnisch gezien gunstig is.
Het terrein tussen de nieuwe bedrijfsgebouwen en de Van Heemstraweg wordt ingericht voor rangeren en parkeren. Confrom de gemeentelijke Nota Parkeren 2013 zal op eigen terrein in voldoende parkeergelegenheid worden voorzien. Hiervoor is voldoende ruimte. Omdat het bouwen van de bedrijfsgebouwen niet behoort tot het feitelijke plan is het in het kader van het wijzigingsplan niet nodig het parkeren cijfermatig uit te werken. Dit zal in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning plaatsvinden.
Groen en water
Binnen het plangebied staat thans geen waardevol groen. Het aanwezige groen zal worden verwijderd. Het onbebouwde gedeelte zal worden ingericht voor de bedrijfsactiviteiten. Groen vormt daarbij een onderdeel.
Het plangebied bevat geen oppervlaktewater.
In dit hoofdstuk wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid. Achtereenvolgens komt aan de orde het beleid op:
In 2012 heeft de Minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ondertekend. De SVIR geeft een integraal kader voor het ruimtelijk beleid en mobiliteitsbeleid op rijksniveau, en is de 'kapstok' voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. In de SVIR worden de ambities van het Rijk tot 2040 geschetst, alsmede doelen, belangen en opgaven tot 2028. In de SVIR kiest het Rijk voor minder nationale belangen en eenvoudiger regelgeving.
De reeds ingezette trend om aan de provincies en gemeenten ruimte te laten inzake de ruimtelijke ontwikkelingen wordt versterkt in de SVIR.
De SVIR bevat 13 nationale belangen die worden beschermd middels het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening. Het gaat onder meer om militaire objecten en terreinen, de grote rivieren en de ecologische hoofdstructuur.
Voor onderhavig plan zijn geen van de nationale belangen aan de orde.
De in de SVIR opgenomen nationale belangen krijgen een wettelijke grondslag in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).
De werking van het Barro is naar plaats beperkt. Onderhavig plangebied ligt niet binnen een gebied waarbinnen het Barro van toepassing is.
Conclusie
Het Barro is niet van toepassing op het plan.
Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is van toepassing op het plan. Specifiek aandachtspunt is het bepaalde in artikel 3.1.6, lid 2, waarin de verplichting is opgenomen om in de toelichting op een ruimtelijk besluit voor nieuw te realiseren stedelijke ontwikkelingen bepaalde duurzaamheidsaspecten van het voornemen te motiveren; de ladder voor duurzame verstedelijking. Daarbij moet achtereenvolgens worden aangetoond dat er een actuele regionale behoefte is (trede 1), of deze behoefte in bestaand stedelijk gebied kan worden opgevangen (trede 2), en - in geval van een ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied - dat de locatie multimodaal is of kan worden ontsloten (trede 3).
Voorliggend wijzigingsplan betreft de planologisch verplaatsing van twee bedrijfswoningen die op basis van het vigerende bestemmingsplan reeds zijn toegestaan. Er is daarmee geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Bro. Een toetsing aan de ladder is derhalve niet nodig.
Conclusie
Het initiatief voldoet aan het Besluit ruimtelijke ordening en aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Het overige nationale beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.
Het provinciale ruimtelijk beleid is vastgelegd in de nota's:
Het plan wordt aan deze twee nota's getoetst.
Op 9 juli 2014 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Gelderland vastgesteld. Deze visie geldt ter vervanging van het Streekplan uit 2005.
In de Omgevingsvisie zijn twee hoofddoelen opgenomen:
Het eerste hoofddoel wordt onder meer verkregen door een adequaat beheer (kwaliteit en kwantiteit) van bestaande en nieuwe woongebieden.
Het ontwikkelen met kwaliteit, passend in de kenmerken van de omgeving draagt mede bij aan het tweede hoofddoel; evenals het creëren van een gezonde en veilige leefomgeving.
Analyse
Het plan omvat het (planologisch) verplaatsen van twee bedrijfswoningen. Dat biedt de mogelijkheid het bedrijfsterrein gunstiger in te richten, hetgeen bijdraagt aan de duurzame economische structuur.
Tevens is sprake van een verbetering van de kwaliteit van de omgeving. Het plan heeft geen invloed op de veiligheid.
Conclusie
Het plan draagt bij aan beide hoofddoelen en past daarmee in de Omgevingsvisie Gelderland.
Op 24 september 2014 hebben Provinciale Staten de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. De Omgevingsverordening is op 18 oktober 2014 in werking getreden. Deze verordening stelt regels aan de inhoud van ruimtelijke plannen voor die aspecten waar provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken.
Analyse
In titel 2.3 zijn regels opgenomen waaraan de ontwikkeling van bedrijventerreinen moet voldoen. Het gaat daarbij om uitbreiding en herstructurering. Voor het verplaatsen van bedrijfswoningen zijn geen regels opgenomen. Er kan derhalve geen directe toetsing plaatsvinden. De twee nieuwe bedrijfsterreinen voldoen aan de regels.
Conclusie
Het plan voldoet aan de Omgevingsverordening Gelderland.
Het overige provinciale beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.
Op 30 april 2015 heeft de gemeenteraad de Structuurvisie dorpen 2025 vastgesteld. Deze structuurvisie vormt een strategisch beleidsdocument dat de ruimtelijke ontwikkeling van West Maas en Waal tot 2025 op hoofdlijnen bevat.
Het plangebied is onderdeel van het bedrijventerrein Beneden-Leeuwen. De gemeente heeft het aantrekken van nieuwe bedrijven hoog in het vaandel, omdat deze zorgen voor veel werkgelegenheid in de hele gemeente. Revitalisering en herontwikkeling spelen daarbij een belangrijke rol. Dit bevordert de ruimtelijke kwaliteit en kan leiden tot ontwikkelingscapaciteit.
Het plan omvat het (planologisch) verplaatsen van twee bedrijfswoningen. Dat biedt de mogelijkheid het bedrijfsterrein gunstiger in te richten. Binnen het plangebied kunnen twee nieuwe bedrijfskavels worden gerealiseerd, zonder dat sprake is van uitbreiding van het stedelijk grondgebruik.
Conclusie
Het plan past binnen de Structuurvisie dorpen 2025.
Het overige gemeentelijke beleid is niet specifiek van toepassing op onderhavig plan.
In dit hoofdstuk worden de uitvoeringsaspecten beschreven. Achtereenvolgens komen aan de orde:
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet een toetsing plaatsvinden van de voorgenomen ontwikkelingen aan de relevante milieuaspecten, teneinde het toekomstige gebruik af te stemmen op de omgeving. In deze paragraaf worden de milieuaspecten afzonderlijk beschreven.
Uitgangspunt is dat de bodemkwaliteit geen onaanvaardbaar risico oplevert voor de gebruikers van de bodem. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden beoordeeld of de bodemkwaliteit past bij deze nieuwe functie.
Om de huidige bodemkwaliteit inzichtelijk te maken heeft Van Dijk Geo- en milieutechniek uit De Meern een verkennend bodemonderzoek en een verkennend asbestonderzoek uitgevoerd: rapport "Verkennend bodemonderzoek & verkennend onderzoek asbest in de grond" (22 juni 2015, nr. 151973). Het onderzoeksrapport is bijgevoegd als bijlage 2.
Van Dijk concludeert dat er geen bezwaar is tegen de voorziene nieuwbouw, waarbij wordt aanbevolen voorafgaand aan de werkzaamheden de stukjes asbest te laten verwijderen van het maaiveld middel van hand picking. Voorts dient het maaiveld onder het gronddepot (noordoosthoek) te worden geschoond door afgraven van de contactzone tussen het maaiveld en het gronddepot (circa 10 cm) onder milieukundige begeleiding.
De hand picking en de afgraving vinden plaats in het kader van de aanvraag om omgevingsvergunning. In het kader van de wijzging van de bestemming is er geen nader onderzoek/activiteit nodig.
Het aspect bodemkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om te voorkomen dat als gevolg van het plan voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten optreden moet worden getoetst of:
Basis voor deze toetsing vormt de handreiking "Bedrijven en milieuzonering" (VNG, Den Haag, 2009), waarin richtafstanden zijn opgenomen voor diverse bedrijfstypen.
Invloed plan op de omgeving
Het feitelijke plan betreft de planologische verplaatsing van twee bedrijfswoningen. Bedrijfswoningen hebben geen milieutechnische uitstraling op de omgeving, hetgeen betekent dat deze geen invloed hebben op milieugevoelige objecten in de omgeving.
Invloed omliggende inrichtingen op plan
Bedrijventerrein Beneden-Leeuwen
De bedrijfswoningen liggen op het bedrijventerrein Beneden-Leeuwen. Het plangebied is aan drie zijden (west, noord, oost) omgeven door diverse bedrijfsactiviteiten. Conform het vigerende bestemmingsplan mogen bedrijven tot en met categorie 3.2 zich vestigen. Deze bedrijven hebben een richtafstand van 100 meter, als wordt uitgegaan van een 'rustige woonomgeving'. Omdat sprake is van een bedrijventerrein, mag worden gesproken van een 'gemengd gebied'. De richtafstand mag derhalve met één afstandsstap verlaagd worden naar 50 meter.
Het plangebied heeft een breedte (oost-west) van circa 40 meter en een diepte (noord-zuid) van circa 70 meter. Dat betekent dat het plangebied, gemeten van de bedrijfspercelen aan de oost- en westzijde daarvan, volledig binnen de richtafstand ligt. De richtafstanden vanuit het bedrijfsterrein aan de noordzijde gemeten overlappen het plangebied.
Amitec uit Uden heeft een akoestisch onderzoek verricht naar de mogelijkheden voor woningbouw in relatie tot de geldende geluidseisen: rapport "Akoestisch onderzoek (industrielawaai), Van Heemstraweg 38 te Beneden-Leeuwen" (18 april 2016, nr. 16.901-AV.i-2). Het onderzoeksrapport is als bijlage 3 bijgevoegd.
In het rapport wordt geconcludeerd dat door het plaatsen van geluidschermen of het toepassen van vliesgevels voldaan wordt aan de maximaal toegestane geluidbelasting voor de bedrijfswoningen.
De geluidsituatie geeft aanleiding tot het strak begrenzen van de bedrijfwoningen door middel van aanduidingsvlakken.
Melkveehouderij Van Heemstraweg 47
Aan de zuidzijde, aan de overkant van de Van Heemstraweg, ligt een melkveehouderij (van Heemstraweg 47). Een melkveehouderij betreft eveneens een categorie 3.2-bedrijf, met een richtafstand van 100 meter (in geval van 'rustige woonomgeving'). De richtafstand wordt bepaald door het aspect geur. Voor wat betreft de aspecten geluid en stof bedraagt de richtafstand 30 meter (eveneens 'rustige woonomgeving'). Het nieuwe bouwvlak waarin de bedrijfswoningen gerealiseerd mogen worden ligt op 47,5 meter tot het bouwvlak van het agrarisch bedrijf. Een toetsing aan het aspect geurhinder is opgenomen in paragraaf 5.1.4. Gezien de werkelijke afstand groter is dan de richtafstand is geen nadere toetsing aan de overige aspecten nodig.
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, met fatale gevolgen voor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit. Bij een ruimtelijke ontwikkeling moet worden aangetoond dat geen nieuwe kwetsbare objecten binnen de plaatsgebonden risicocontour van 10-6 per jaar worden gerealiseerd en moet een eventuele toename van het groepsrisico verantwoord worden.
Het plan omvat geen nieuwe kwetsbare objecten, maar wel een verplaatsing van kwetsbare objecten. Een nadere toetsing aan het aspect externe veiligheid is daarom nodig.
De Risicokaart Nederland geeft een overzicht van de ligging van risicovolle activiteiten (inrichtingen, buisleidingen en transportroutes). Hieronder is een uitsnede van de Risicokaart weergegeven.
UITSNEDE RISICOKAART NEDERLAND
Inrichtingen
In de directe omgeving van het plangebied liggen twee inrichtingen die nadere aandacht vragen:
Vuurwerkopslag T & T Fireworks, De Krozenborgerd 1a
Dit betreft een vuurwerkopslag met een capaciteit van maximaal 10.000 kg consumentenvuurwerk. Een dergelijke opslag is geen Bevi-inrichting, maar valt onder het Activiteitenbesluit. Er dient een veiligheidsafstand van 8 meter te worden aangehouden. De werkelijke afstand bedraagt 75 meter. De vuurwerkopslag vormt geen belemmering voor de verplaatsing van de bedrijfswoningen. Een nader onderzoek is niet nodig.
LPG-tankstation De Fakkel, Van Heemstraweg 37
Op het adres Van Heemstraweg 37 ligt een tankstation met LPG-installatie. De doorzet van de installatie is begrensd op 1000 m³/jaar.
De daarbij behorende plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) ligt op een afstand van 35 meter van het vulpunt van het ondergrondse reservoir. Het invloedsgebied van het groepsrisico bedraagt 150 meter, gemeten vanaf het vulpunt en vanaf het reservoir.
De werkelijke afstand van onderhavig plangebied tot het vulpunt bedraagt 170 meter. De afstand van het plangebied tot het reservoir bedraagt 163 meter.
Het plangebied ligt buiten de plaatsgebonden risicocontour (10-6/jaar) en eveneens buiten het invloedsgebied. Er is geen nadere beoordeling nodig. Het LPG-tankstation vormt geen belemmering voor het plan.
Buisleidingen
Er liggen geen buisleidingen in de directe omgeving van het plangebied. Er is geen nadere toetsing nodig.
Transportroutes
In de omgeving van het plangebied liggen een transportroute die is opgenomen in het Basisnet. Het betreffen de vaarweg Waal. Vaarwegen hebben geen plaatsgebonden risicocontour.
Voor het bepalen van het invloedsgebied groepsrisico is, bij het vervoer van gevaarlijke stoffen over vaarwegen, de stofcategorie GT3 (giftige gassen) maatgevend. Het invloedsgebied reikt tot een afstand van 1070 meter van een vaarweg. De afstand van het plangebied tot de Waal bedraagt circa 1200 meter. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied. Er is geen nadere beoordeling nodig.
Tot slot wordt opgemerkt dat het plan niet voorziet in een risicobron en de vestiging daarvan ook niet mogelijk maakt.
Het aspect externe veiligheid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische bedrijven is het aspect geurhinder van belang. Er moet worden aangetoond dat het plan geen belemmering vormt voor agrarische bedrijven en dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van het plan.
Op het adres Van Heemstraweg 47 is een melkveehouderij gevestigd. De invloed van het bedrijf reikt tot binnen het plangebied. Een nadere beoordeling van het aspect geurhinder is aan de orde.
De gemeente West Maas en Waal beschikt over geurbeleid (vastgelegd in de Geurverordening 2010), hetgeen echter niet van toepassing is op onderhavige situatie. Derhalve geldt het bepaalde in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv).
De bedrijfswoningen zijn geurgevoelige objecten. Conform artikel 4, lid 1, onder a Wgv moet de afstand van de melkveehouderij tot een geurgevoelig object ten minste 100 meter bedragen.
Het bestaande boerderijgebouw (met twee bedrijfswoningen) ligt volledig binnen de afstand van 100 meter, gemeten vanaf het bouwvlak van het agrarisch bedrijf. De bedrijfswoningen worden weliswaar verplaatst in de richting van het agrarisch bedrijf, maar er worden geen geurgevoelige objecten toegevoegd. Mede doordat de woningen Van Heemstraweg 38 en Spijkerstraat 2 reeds op kleinere afstand tot het agrarische bedrijf liggen en ten opzichte van het agrarisch bedrijf in de richting van het plangebied, vormt de planologische verplaatsing van de bedrijfswoningen geen extra belemmering voor het agrarisch bedrijf.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is ook beoordeeld of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de bedrijfswoningen. Hiervoor is het bepaalde in artikel 5, lid 1, onder a Wgv van toepassing, luidende dat de afstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom niet minder dan 50 meter mag bedragen.
De afstand tussen het dichtstbijzijnde dierenverblijf en het functievlak 'bedrijfswoningen' bedraagt 62 meter. Daarmee is verzekerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect geurhinder veehouderijen vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ruimtelijke ontwikkelingen moeten voldoen aan de regelgeving inzake geluidhinder. In de Wet geluidhinder (Wgh) wordt onderscheid gemaakt in verkeerslawaai en industrielawaai. In de Wgh zijn normen voor maximaal toelaatbare geluidsbelasting op (de gevels van) geluidgevoelige objecten vastgelegd.
Het plan omvat weliswaar geen nieuwe geluidgevoelige objecten, maar de bedrijfswoningen worden wel dichter naar de (relatief drukke) Van Heemstraweg verplaatst. Een nadere toetsing aan het aspect geluidhinder is derhalve nodig.
Verkeerslawaai
Het plangebied ligt binnen de onderzoekszone van de Van Heemstraweg. Om de gevelbelasting van de nieuwe woningen inzichtelijk te maken heeft Amitec uit Uden een akoestisch onderzoek uitgevoerd: rapport "Akoestisch onderzoek (wegverkeerslawaai), Van Heemstra Exploitatie B.V., Van Heemstraweg 38 te Beneden-Leeuwen". Het onderzoeksrapport is als bijlage 4 bijgevoegd.
Amitec heeft berekend dat de maximale gevelbelasting als gevolg van het wegverkeerslawaai 58 dB bedraagt en concludeert dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden, maar dat de gevelbelasting lager is dan de maximale ontheffingswaarde van 63 dB.
Het college van burgemeester en wethouders heeft hieromtrent op 29 november 2016 het hogerewaardebesluit genomen, zie bijlage 5.
Industrielawaai
Het plangebied ligt niet binnen een geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Er is in dat kader geen akoestisch onderzoek nodig.
Het aspect geluid vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Om personen tegen de gevolgen van luchtverontreiniging te beschermen zijn in de Wet milieubeheer normen opgenomen voor bepaalde stoffen. Bij de beoordeling van het aspect luchtkwaliteit moet enerzijds aangetoond worden dat een ruimtelijke ontwikkeling niet leidt tot een (significante) overschrijding van de luchtkwaliteitsnormen en anderzijds dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Effecten plan op luchtkwaliteit
In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)" zijn categorieën van gevallen genoemd die niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Zo is een project met maximaal 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg één van de genoemde gevallen.
Onderhavig plan omvat de planologische verplaatsing van twee bedrijfswoningen. Per saldo worden geen woningen toegevoegd. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan de concentratie van fijnstof in de buitenlucht. Er is geen nader onderzoek nodig.
Goed woon- en leefklimaat
In de Wet milieubeheer zijn voor een groot aantal stoffen grenswaarden opgenomen, maar uit onderzoek blijkt dat langs wegen alleen overschrijdingen van de grenswaarden voor fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) kunnen optreden. Voor de overige stoffen waarvoor grenswaarden zijn opgenomen in de Wm treden naar verwachting nergens langs het Nederlandse wegennet overschrijdingen van deze grenswaarden op. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit zijn daarom alleen de volgende criteria van toepassing:
Het plan ligt niet in de nabijheid van zware industrie, (een concentratie van meerdere) intensieve veehouderijen of drukke vaarwegen. Voor de beoordeling van de luchtkwaliteit wordt alleen gekeken naar luchtverontreiniging van verkeer op wegen in de omgeving.
In het kader van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit is door diverse bronbeheerders zoals gemeenten, provincies en Rijkswaterstaat de Monitoringstool ingevoerd. Uit de resultaten van de Monitoringstool blijkt dat op deze locatie in de jaren 2012, 2015 en 2020 aan bovengenoemde grenswaarden (jaargemiddelde en overschrijdingsdagen) voor NO2 en PM10 wordt voldaan. Op basis hiervan wordt geconcludeerd dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. In de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage zijn de gevallen opgenomen waarvoor een m.e.r.-plicht of een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Alle andere vormen van ontwikkeling zijn in principe niet m.e.r.-(beoordelings)plichtig, maar er kan hiervoor wel een nadere motivering vereist zijn.
Het plan valt onder de activiteit D11.3 "De aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein" zoals genoemd in de bijlage Besluit milieueffectrapportage. Omdat het slechts de planologische verplaatsing van twee bedrijfswoningen betreft en de omvang van het plan ruimschoots onder de drempelwaarde van 75 hectare voor m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteiten ligt en gelet op de resultaten van de in hoofdstuk 5 uitgevoerde milieu-analyse, kan zonder nader onderzoek worden geconcludeerd dat het plan geen significant nadelige milieugevolgen heeft. Een nadere motivering is niet noodzakelijk.
Het plan is niet m.e.r.(-beoordelings)plichtig. Het plan heeft geen belangrijke nadelige milieugevolgen.
Conform het bepaalde in artikel 38a van de Monumentenwet 1988 moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische monumenten.
De gronden binnen het plangebied bevatten een hoge archeologische verwachtingswaarde. Ongeacht deze waarde mag het plangebied op basis van het vigerende bestemmingsplan bebouwd worden, zonder dat daar een archeologisch onderzoek aan vooraf is gegaan. Ten tijde van de vaststelling van het vigerende bestemmingsplan is de uitvoerbaarheid van het bouwen binnen het plangebied aangetoond.
Voorliggend wijzigingsplan betreft de planologische verplaatsing van twee bedrijfswoningen. Het betreft een functionele verplaatsing, zonder dat er bouwmogelijkheden worden toegevoegd. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is derhalve niet nodig.
Opgemerkt wordt dat te allen tijde de meldingsplicht, zoals genoemd in artikel 53 van de Monumentenwet 1988, van toepassing is. Indien bij veldwerkzaamheden gestuit wordt op archeologische resten, zal dit bij het bevoegd gezag worden gemeld.
Het aspect archeologie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Conform het bepaalde in artikel 3.1.6 Bro moet bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening gehouden worden met de aanwezige cultuurhistorische waarden.
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen aanwezig. Het plan tast geen waardevolle elementen aan.
Het aspect cultuurhistorie vormt geen planologische belemmering voor het plan.
Ten behoeve van de bescherming van zeldzame of kwetsbare planten en dieren zijn twee wetten van toepassing:
Van Dijk Geo- en milieutechniek uit De Meern heeft een onderzoek uitgevoerd naar de aanwezige natuurwaarden en de effecten van het plan op omliggende natuurgebieden: rapport "Quickscan Flora- en faunawet Nieuwbouw Van Heemstraweg 38 te Beneden-Leeuwen" (18 juni 2015, nr. 151973). Het rapport is als bijlage 6 bijgevoegd.
Gebiedsbescherming
Van Dijk concludeert dat gezien de aard en de beperkte omvang van het plan, en de afstand (circa 1km) tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (Uiterwaarden Waal) - tevens EHS-gebied - een toetsing van de voorgenomen ontwikkeling aan de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied en aan de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS niet nodig is.
Soortenbescherming
In zijn rapport concludeert Van Dijk Dat tijdens de nieuwbouwwerkzaamheden gedurende de schemerperiode rekening gehouden moet worden met foeragerende vleermuizen, door tijdens die periode geen werkzaamheden uit te voeren of bouwlampen niet op de omliggende groenstructuren te richten.
Te allen tijde geldt de zorgplicht, zoals bedoeld in artikel 2 van de Flora- en faunawet. In het geval tijdens werkzaamheden beschermde soorten worden aangetroffen, zal adequaat worden gehandeld.
Het aspect flora en fauna vormt geen planologische belemmering voor het plan.
De watertoets is het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. Deze waterparagraaf is een onderdeel van de watertoets.
De waterparagraaf beschrijft zowel de huidige als toekomstige waterhuishoudkundige situatie.
In deze paragraaf wordt het plan getoetst aan het relevante vigerende beleid.
Onderhavig plangebied ligt binnen het beheergebied van het Waterschap Rivierenland. Het waterschapsbeleid is onder meer beschreven in:
Er heeft geen specifiek onderzoek plaatsgevonden naar de infiltratiecapaciteit van de bodem. Algemeen geldt dat in het Rivierenland sprake is van een kleibodem met een zeer slecht infiltrerend vermogen. Er wordt uitgegaan van een infiltratiecapaciteit van 0 meter per etmaal.
Binnen het plangebied ligt geen oppervlaktewater. Het totale bouwplan omvat ook geen oppervlaktewater.
Tussen het plangebied en het fietspad langs de Van Heemstraweg ligt een C-watergang. Er ligt eveneens een C-watergang op de verlengde oostelijke perceelgrens ten noorden van het plangebied. Deze C-watergang komt uit op een A-watergang.
Het plangebied ligt in het peilgebied Quarles van Ufford 47 (QvA47). Het zomerpeil in dit gebied bedraagt 4,85 meter boven NAP. Het maaiveld binnen het plangebied ligt gemiddeld op 5,70 meter boven NAP. In de zomerperiode ligt het grondwater 0,85 meter onder maaiveld.
Het plangebied behoort niet tot een Keur-, attentie- of grondwaterbeschermingsgebied.
Het feitelijke plan van voorliggend wijzigingsplan betreft de planologische verplaatsing van twee bedrijfswoningen. Dit is een functionele wijziging, omdat de gebouwen waarin de woningen komen gebouwd kunnen worden op basis van het vigerende bestemmingsplan.
Om de verwerking van het hemelwater gezien de beperkte doorlatendheid van de bodem een bijzonder aandachtspunt is, is ervoor gekozen om in voorliggend wijzigingsplan de waterhuishoudkundige situatie in zijn geheel te beoordelen.
Als gevolg van het plan blijft de verharde/bebouwde oppervlakte ongeveer gelijk. Omdat het waterschap projecten waarvan de toename van de verharde oppervlakte van minder dan 500 m² vrijstelt van compensatie, is er hier geen nadere beoordeling nodig.
Het hemelwater wordt op dezelfde wijze verwerkt als in de oorspronkelijke situatie.
Uitgangspunt is dat het vuile afvalwater en het schone hemelwater worden gescheiden.
Het vuile afvalwater zal op de bestaande riolering in de Van Heemstraweg geloosd worden.
Er zijn geen bijzondere maatregelen genomen om vervuiling van het oppervlaktewater te voorkomen. Overeenkomstig de eis van het waterschap worden in principe geen uitlogende materialen toegepast.
De economische uitvoerbaarheid van een ruimtelijke ontwikkeling betreft een aantal aspecten. Ten eerste moet het realiteitsgehalte van de plannen worden aangetoond; is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling. Ten tweede moet de financiële uitvoerbaarheid worden onderbouwd. Dat wil zeggen, zijn alle kosten die de gemeente moet maken ten behoeve van het initiatief gedekt.
Het plan leidt niet tot een vergroting van het bedrijfsterrein. Feitelijk gezien maakt de verplaatsing van de bedrijfswoningen maakt het mogelijk twee bedrijfskavels te realiseren. Voor één van de kavels heeft zich reeds een kandidaat gemeld. Uit de gemeentelijke Structuurvisie dorpen 2025 (zie paragraaf 4.3.1) volgt dat er behoefte is aan nieuwe bedrijfskavels.
Kostenverhaal
Artikel 6.12 lid 1 Wro verplicht de gemeente een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop bepaalde bouwactiviteiten zijn voorgenomen, tenzij het kostenverhaal 'anderszins verzekerd' is (artikel 6.12 lid 2a Wro).
In artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn de bouwactiviteiten genoemd waarvoor het vaststellen van een exploitatieplan verplicht is. De in voorliggend wijzigingsplan opgenomen ontwikkelingen behoren tot deze in het Bro genoemde bouwactiviteiten. Op basis van artikel 6.12 lid 2a Wro is het vaststellen van een exploitatieplan echter niet verplicht, omdat de gemeente en grondeigenaar een (anterieure) overeenkomst hebben gesloten, waarin afspraken zijn gemaakt over het kostenverhaal. Het kostenverhaal is derhalve 'anderszins verzekerd'. Het opstellen van een exploitatieplan is niet vereist.
Het plan is economisch uitvoerbaar. De behoefte is aangetoond en de financiële uitvoerbaarheid van het plan is gewaarborgd.
Zoals in paragraaf 1.3 vermeld, bevat voorliggend wijzigingsplan de onderbouwing voor de planologische verplaatsing van de bedrijfswoningen. De voorwaarden voor het toepassen van deze wijzigingsbevoegdheid zijn beschreven in artikel 5.6.2 van het vigerende bestemmingsplan "Bedrijventerreinen". Artikel 5.6.2 luidt:
"5.6.2 Wetgevingzone - wijzigingsgebied 1
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - wijzigingsgebied 1' de bestaande bedrijfswoningen te verplaatsen onder de volgende voorwaarden:
Hieronder wordt het plan aan de voorwaarden getoetst.
| ad a. | Dit aantal is in de regels overgenomen. |
| ad b. | De maximale goothoogte is in de regels overgenomen. |
| ad c. | De maximale bouwhoogte is in de regels overgenomen. |
| ad d. | De maximale inhoud is in de regels overgenomen. |
| ad e. | De bedrijfswoningen worden aan de straatzijde geplaatst met daarachter de bedrijfsgebouwen. Dit is een algemeen gebruikte situering van gebouwen, die ook passend is langs de Van Heemstraweg. |
| ad f. | Een toetsing van de milieuaspecten is opgenomen in hoofdstuk 5. Aan alle aspecten wordt voldaan. Daarmee is ook het gebruik van de aangrenzende gronden en opstallen verzekerd. |
| ad g. | Een toetsing van de milieuaspecten is opgenomen in hoofdstuk 5. Aan alle aspecten wordt voldaan. |
| ad h. | De betreffende artikelen zijn van toepassing verklaard. |
Conclusie
Samenvattend kan worden gesteld dat aan alle voorwaarden wordt voldaan.
Voorliggend wijzigingsplan is het resultaat van het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid ex artikel 3.6 Wro, zoals die is opgenomen in het bestemmingsplan "Bedrijventerreinen" (NL.IMRO.0668.WMWBedrijventerrei-BOH1) , vastgesteld door de gemeenteraad op 29 januari 2015.
Bij het opstellen van een wijzigingsplan dient het college van burgemeester en wethouders zich te houden aan de door de raad vastgestelde regels. Het wijzigingsplan vormt daarom geen zelfstandig bestemmingsplan.
Binnen het plangebied wordt het vlak met de functieaanduiding 'bedrijfswoning' verplaatst.
Het wijzigingsplan doorloopt de gebruikelijke procedure. De voorziene procedurestappen zijn:
Het ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf 22 september 2016 gedurende zes weken ter inzage gelegen. Er zijn gedurende deze termijn geen zienswijzen ingediend.