direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Triangel plan 3
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding en doelstelling

Het plangebied voor deze opgave maakt deel uit van de nieuwe woonwijk Park Triangel aan de zuidzijde van Waddinxveen. Hiervoor is door de gemeente een masterplan opgesteld, waarin de stedenbouwkundige randvoorwaarden en uitgangspunten voor de ontwikkeling van de wijk zijn verwoord. De gemeente Waddinxveen heeft op 24 september 2008 het uit te werken bestemmingsplan Triangel vastgesteld, om de ontwikkeling van Park Triangel in lijn met dit masterplan juridisch-planologisch te borgen. Dit houdt in dat door middel van uitwerkingsplannen ex artikel 3.6 Wro ontwikkelingen gefaseerd mogelijk worden gemaakt. Inmiddels zijn al diverse uitwerkingsplannen vastgesteld in het gebied.

Voor de Tweede Bloksweg en de Tuinbouwweg is in 2012 een uitwerkingsplan vastgesteld: Uitwerkingsplan Triangel linten I. Belangrijk uitgangspunt voor het opstellen van dit uitwerkingsplan is de “Visie inpassing Tweede Bloksweg en Tuinbouwweg” (vastgesteld op 5 januari 2011) geweest.

In augustus 2015 is een nieuw stedenbouwkundig plan opgesteld voor het lint Tuinbouwweg, waarbij de omvang van het lint is uitgebreid. De stedenbouwkundige randvoorwaarden die hierin zijn beschreven, zijn niet in lijn met het uitwerkingsplan Linten I. Daarnaast moet de bestemming voor treinstation Waddinxveen Triangel, dat tussen Park Triangel en het bedrijventerrein Coenecoop zal worden aangelegd, nog worden uitgewerkt.

Om deze redenen wordt een nieuw uitwerkingsplan opgesteld voor het lint Tuinbouwweg en het station. Het doel van het uitwerkingsplan is het planologisch mogelijk maken van ongeveer 80 grondgebonden woningen. Daarnaast wordt er een treinstation met fietstunnel en de daarbij behorende voorzieningen mogelijk gemaakt.

1.2 Ligging plangebied en begrenzing plangebied


Park Triangel ligt aan de zuidzijde van Waddinxveen, ingesloten tussen de spoorlijn Alphen-Gouda en de Beijerincklaan. De ligging van de wijk is in de navolgende afbeelding weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0001.jpg"

Afbeelding - Ligging Park Triangel in Waddinxveen

In het plangebied zijn twee locaties van belang. Beide locaties zijn met blauwe contouren weergeven in de navolgende afbeelding. De Tuinbouwweg staat haaks op de Tweede Bloksweg en buigt met een knik af naar het zuidwesten. De locatie waar het station Waddinxveen Triangel wordt aangelegd ligt ten zuidoosten van de Tuinbouwweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0002.jpg"

Afbeelding - Ligging plangebied Tuinbouwweg en station Waddinxveen Triangel

1.3 Bestemmingsplan Triangel

Vanaf het begin heeft de gemeente Waddinxveen een hoog ambitieniveau nagestreefd voor de ontwikkeling van Park Triangel. Daarnaast zijn er enkele uitdagende ruimtelijke aspecten die beperkingen opleggen aan de stedenbouwkundige ontwikkelingen in het plangebied. Bovendien heeft de gemeente vanaf het begin gezocht naar een breed draagvlak voor de ontwikkeling van Park Triangel.
Het bestemmingsplan Triangel (vastgesteld in september 2008) is één van de vijf onderdelen van het IOP. De opgave van het bestemmingsplan Triangel is om de ontwikkeling van Park Triangel juridisch-planologisch mogelijk te maken. Daartoe is de bestemming van de gronden omgezet naar een bestemming die woningbouw mogelijk maakt. Er is gewerkt met uit te werken bestemmingen.

Voor het opstellen van het bestemmingsplan Triangel is een m.e.r.-procedure doorlopen en er zijn bij het opstellen van het bestemmingsplan verschillende aanvullende onderzoeken uitgevoerd. Hiermee is de haalbaarheid van de nieuwe ontwikkelingen aangetoond.

Voor dit uitwerkingsplan zal ook daar waar mogelijk terug worden gegrepen naar de reeds uitgevoerde onderzoeken en het beschreven beleidskader. Daar waar nodig zijn gegevens geactualiseerd.

1.4 Opzet uitwerkingsplan

In hoofdstuk 2 wordt het beleidskader kort beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het toegelicht, waarin de stedenbouwkundige uitgangspunten voor het Lint Tuinbouwweg zijn beschreven. In hoofdstuk 4 is de geplande ontwikkeling nader toegelicht.

De planologische en milieutechnische randvoorwaarden zijn beschreven in hoofdstuk 5 en in hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de juridische bestemmingsregeling.
Hoofdstuk 7 en 8 behandelen achtereenvolgens de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Beleidskader

Voor het plangebied vigeert het bestemmingsplan Triangel. Het plangebied is voorzien van uit te werken bestemmingen. De beleidsmatige afweging met betrekking tot de inrichting van Park Triangel is reeds gemaakt in het kader van het moederplan. Daarom wordt in dit uitwerkingsplan kort stilgestaan bij recent provinciaal/regionaal en gemeentelijk beleid. Voor de bredere beleidscontext wordt verwezen naar het moederplan.

2.1 Provinciaal/regionaal beleid

2.1.1 Visie Ruimte en mobiliteit en Verordening Ruimte

Visie Ruimte en mobiliteit
De Visie Ruimte en mobiliteit (in werking op 1 augustus 2014) is de provinciale Structuurvisie van Zuid-Holland zoals in de Wet ruimtelijke ordening is voorgeschreven. De Visie ruimte en mobiliteit biedt geen vast omlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De visie geeft zekerheid over een mobiliteitsnetwerk dat op orde is en de reiziger en de vervoerder keuzevrijheid biedt, en bevat voldoende flexibiliteit om in de ruimtelijke ontwikkeling te reageren op maatschappelijke initiatieven.

In de Visie zijn vier rode draden genoemd die richting geven aan de gewenste ontwikkeling en het handelen van de provincie:

  • beter benutten en opwaarderen van wat er is;
  • vergroten van de agglomeratiekracht;
  • verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit;
  • bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.

Het 'Programma ruimte' is een uitwerking van de Visie. Het programma beschrijft de operationele doelen en geeft aan welke instrumenten (realisatiemix) worden ingezet om die doelen te bereiken. Ook wordt ingegaan op de rolverdeling en afspraken tussen gemeenten, regio’s en provincie. De realisatiemix uit het programma ruimte bestaat uit juridische, financiële en bestuurlijke instrumenten en nader uit te werken beleid. In de praktijk worden deze vrijwel altijd gecombineerd ingezet.

Verordening ruimte
Om het provinciaal ruimtelijk beleid uit te voeren heeft de provincie verschillende instrumenten, waarvan een verordening er één is. De Verordening ruimte 2014 stelt regels aan gemeentelijke bestemmingsplannen. De geconsolideerde versie is in werking getreden op 1 juli 2015.

Niet alle onderwerpen zijn geschikt voor opname in een verordening. In het algemeen lenen vooral onderwerpen met heldere criteria en/of spelregels en een zwaarwegend provinciaal belang zich hiervoor. De provincie heeft in de Verordening ruimte 2014 daarom onder meer regels opgenomen over kantoren, bedrijven, detailhandel, glastuinbouw, boom- en sierteelt, bollenteelt, ruimtelijke kwaliteit, agrarische bedrijven, waterkeringen, provinciale vaarwegen, recreatieve vaarwegen, windenergie, archeologie en molen - en landgoedbiotopen.

Daarnaast is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening van het Rijk van belang. Hierin zijn regels opgenomen waaraan provinciale verordeningen moeten voldoen. Een voor dit plangebied belangrijk onderwerp is de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Een belangrijk instrument dat de provincie hanteert, en die van belang is voor Park Triangel, is de ladder voor duurzame verstedelijking. De ladder voor duurzame verstedelijking is onderdeel van het aantonen van een goede ruimtelijke ordening. De provincie Zuid-Holland heeft de ladder voor duurzame ontwikkeling opgenomen in haar Verordening ruimte als een instrument dat ingezet wordt voor zorgvuldig ruimtegebruik en om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken. Dit biedt de provincie ook de mogelijkheid om enkele begrippen die voor meerdere uitleg vatbaar zijn, te verduidelijken voor de specifieke Zuid-Hollandse situatie.

Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD). Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen het BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD, maar dit moet wel goed onderzocht en gemotiveerd worden.

2.1.2 Regionale Projectenlijst Woningbouw

Het 'Uitwerkingsplan Lint Tuinbouwweg' valt onder de totale opgave van Park Triangel en zit in blok I van de Regionale Projectenlijst Woningbouw ( RAW). Het is reeds uitgewerkt, met uitzondering van een gedeelte van het noordelijke deel. Op basis van nieuwe markt inzichten (een lagere vraag naar woningen als gevolg van de crisis) is de RAW opgesteld. Het doel hiervan is om inzicht te geven in de actuele woningbouwplannen van de gemeenten in Midden-Holland voor de periode 2014 tot en met 2024. Daarnaast wordt hiermee beoogd om er voor te zorgen dat in de verschillende gemeenten niet hetzelfde woning aanbod is, maar dat er sprake is van diversiteit en dat er ook ingezet wordt op de categorieën woningen waar behoefte aan is. Deze notitie is als bijlage te vinden in bijlage .

Het programma voor nieuwbouw is afgestemd op de ontwikkelingen in de markt. De ontwikkeling van de bevolking heeft effect op de aantallen benodigde woningen, maar ook op het soort woningen en de woonmilieus.

In de RAW wordt toegelicht dat de geplande ontwikkeling goed aansluit bij de vraag naar dure woningen voor doorstromers in de gemeente. Daarnaast kan meer beweging in de huursector de druk op de beschikbaarheid van huurwoningen in de gemeente verlagen.

Er is onderzocht of het uitwerkingsplan concurrerend is met de gemeenten waarmee Waddinxveen een significante verhuisrelatie heeft (Gouda, Zuidplas en Bodegraven-Reeuwijk). Het plangebied wordt gekenmerkt door een groen kleinstedelijk woonmilieu. Het plan zou daarom qua locatie, type woningen of prijsklasse concurrerend kunnen zijn met een aantal plannen in Gouda, maar deze plannen worden eerder opgeleverd dan de woningen die mogelijk gemaakt worden met het onderhavige uitwerkingsplan. Met ontwikkelingslocaties in Bodegraven-Reeuwijk en Zuidplas wordt geen concurrentie verwacht. Het plan is gemeld in de regio Midden-Holland.

Daarnaast wordt in de RAW verwezen naar het rapport 'Bevolkingsontwikkeling en woningbouw tot 2040', waaruit is op te maken dat er de komende 10 jaar tussen de 85.000 en 95.000 woningen moeten worden gebouwd om de bevolkingsgroei te kunnen huisvesten. Deze bouwopgave kan niet alleen binnenstedelijk worden uitgevoerd. Er moeten dus in snel tempo nieuwe bouwlocaties worden aangewezen om te voorkomen, dat de huizengekte van eind jaren negentig en vlak voor de crisis terugkeert.

2.1.3 Waterbeheerplan 2010 - 2015

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan 2010-2015, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. Het HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld.
Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert het HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen.

De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan:

  • het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe;
  • de waterkwaliteit voldoet ten minste aan de algemene milieukwaliteitseisen;
  • het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd;
  • het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

Voor ontwikkelingen is het waterbeheerplan 2010 – 2015 van het HHSK van belang. Ontwikkelingen gaan vaak gepaard met een toename van het verharde oppervlak. In het waterbeheerplan 2010 – 2015 is beschreven hoe het HHSK omgaat met het bergen van oppervlaktewater bij een toenemende verharding van het oppervlak.

Op 28 november 2012 heeft HHSK een nieuw peilbesluit genomen. Deze is op 6 december 2012 in werking getreden.

2.2 Gemeentelijk/lokaal beleid

2.2.1 Structuurvisie Waddinxveen 2030

In de Structuurvisie "Waddinxveen 2030, positief en realistisch naar 2030" (vastgesteld 3 oktober 2012) is opgenomen dat Waddinxveen zich moet profileren als een vitale gemeente met een sterke identiteit op de overgang tussen stad en Groene Hart. De diversiteit en dorpse kwaliteiten moeten behouden worden. In deze structuurvisie worden de ambities uit de Structuurvisie 2006 en de wijze waarop deze worden gerealiseerd geactualiseerd. Er is opnieuw gekeken naar de kansen en mogelijkheden die Waddinxveen heeft op het gebied van ruimtelijke ontwikkelingen. De gemeente Waddinxveen heeft daardoor opnieuw een duidelijk kader voor toekomstige ontwikkelingen tot 2030.

De gemeente Waddinxveen beoogt met de structuurvisie verscheidene doelen te bereiken:

  • integrale visievorming voor de lange termijn;
  • bijeenbrengen en afwegen van belangen (inhoudelijk en procesmatig);
  • toetsings- en inspiratiekader voor ruimtelijke beslissingen;
  • basis voor uitwerking in sectoraal beleid, gebiedsgerichte visies en in juridisch-planologische kaders (zoals bestemmingsplannen);
  • basis voor uitvoering: zoals het stellen van locatie-eisen en verhalen van kosten.

Het plangebied is gelegen in Park Triangel, dat in de Structuurvisie is aangeduid als nieuw woongebied en prioriteit heeft gekregen voor haar ontwikkeling.

2.2.2 Woonvisie Waddinxveen 2012-2017

De Woonvisie schetst het beleid van de gemeente Waddinxveen op het gebied van het wonen voor de korte en lange termijn. Voor het woongebied zijn twee hoofdopgaven geformuleerd:

  • voorzien in de woningbehoefte van doelgroepen;
  • inzet op de kwaliteit van woning en woonomgeving.

In de Woonvisie wordt ingezet op de ontwikkeling van Park Triangel.

2.2.3 Mobiliteitsplan 2013-2020

Het Mobiliteitsplan 2013-2020 is op 26 juni 2013 door de gemeenteraad vastgesteld. Het mobiliteitsplan vervangt de verkeersvisie uit 2006. In het mobiliteitsplan staan ambities: een optimaal bereikbaar Waddinxveen, verkeersveiligheid voor alle verkeersdeelnemers, stimuleren van het fietsgebruik en het optimaal benutten van het openbaar vervoer. Het doel van het mobiliteitsplan is om deze vier ambities te realiseren. Hiervoor is een routeboek opgesteld. Dit routeboek bestaat uit beleidskaders die gebruikt worden bij diverse (integrale) ontwikkelingen en maatregelen waarmee de grootste knelpunten aangepakt kunnen worden. Tijdens het opstellen van het mobiliteitsplan is veelvuldig gebruik gemaakt van kennis en kunde van inwoners, het bedrijfsleven en diverse maatschappelijke organisaties van Waddinxveen. Het mobiliteitsplan is een sectorale uitwerking van de voornoemde “Structuurvisie Waddinxveen 2030”. In het mobiliteitsplan staan geen detailuitwerkingen. Hiervoor worden, waar relevant, aparte plannen gemaakt.

In het Mobiliteitsplan is rekening gehouden met de nieuwe woonwijk Park Triangel.

2.2.4 Waterplan Boskoop en Waddinxveen

Het gemeentelijke beleid is vastgelegd in het Waterplan Boskoop en Waddinxveen (februari 2010). Dit Waterplan is gezamenlijk door de gemeenten Waddinxveen en Boskoop, het hoogheemraadschap van Rijnland en het HHSK opgesteld om knelpunten in het watersysteem aan te pakken en kansen op verbeteringen te benutten. Een opgave voor het Waterplan is te voorzien in de lokale implementatie van het nieuwe waterbeleid (Kaderrichtlijn Water, Nationaal Bestuursakkoord Water). Ook willen de gemeenten en de hoogheemraadschappen zorgen voor een optimale, gezamenlijke aanpak van de wateropgaven. Het waterplan focust op de maatregelen in het bebouwde gebied.

Het waterplan heeft tot doel een integrale visie op te stellen over alle aspecten van het water (met uitzondering van drinkwater en zwembaden) en het implementeren van duurzaam waterbeleid in het bebouwd gebied van beide gemeenten. Het waterplan resulteert uiteindelijk in een maatregelenpakket om te komen tot:

  • een veilig en robuust watersysteem;
  • het voorkomen van wateroverlast en watertekort;
  • een goede waterkwaliteit en een ecologisch gezond watersysteem;
  • het benutten van mogelijkheden voor beleving en recreatie;
  • het optimaliseren van beheer en onderhoud;
  • het optimaliseren van communicatie binnen en tussen partijen.

In het kader van het bestemmingsplan Triangel is uitgebreid aandacht besteed aan water. Ook in de toelichting van het voorliggend uitwerkingsplan wordt aangegeven op welke wijze met de waterafspraken (zie paragraaf 5.7) wordt omgegaan.

2.2.5 Masterplan Triangel/ IOP

In het Masterplan zijn de ruimtelijke kaders voor de ontwikkeling van het gebied aangegeven. Na het Masterplan zijn diverse uitwerkingen opgesteld, zoals visies en ontwikkelingsprogramma's waaronder het IOP.

In februari 2010 heeft de gemeenteraad van Waddinxveen het IOP voor Park Triangel vastgesteld. Dit plan bestaat uit vijf onderdelen:

  • 1. het Stedenbouwkundig Plan met het bijbehorende functionele programma;
  • 2. het Kwaliteitsinstrumentarium, de beschrijving van de te bereiken product- en proces kwaliteit;
  • 3. het Bestemmingsplan Triangel als het vigerende juridisch planologisch kader;
  • 4. de Grondexploitatie van de door de gemeente Waddinxveen en BPD (Voorheen Bouwfonds Ontwikkeling) op te richten GEM;
  • 5. de Samenwerkingsovereenkomst tussen de gemeente Waddinxveen en BPD (voorheen Bouwfonds Ontwikkeling), waarin partijen hun afspraken over de samenwerking bij de ontwikkeling van Park Triangel hebben vastgelegd.

Op 22 januari 2014 heeft de gemeenteraad het IOP bevestigd.

2.2.6 Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen

Het gemeentelijk archeologiebeleid dat is vastgesteld door de gemeenteraad op 14 november 2012 voldoet aan de uitgangspunten uit de Monumentenwet 1988. Ook voor het gemeentelijk archeologiebeleid van Waddinxveen gelden daarom de volgende uitgangspunten:

  • archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaren en alleen opgraven als behoud in de bodem (in situ) niet mogelijk is;
  • de relatie tussen archeologie en ruimtelijke ordening versterken zodat behoud van het bodemarchief onderdeel wordt van het planologische besluitvormingsproces;
  • bodemverstoorders betalen archeologisch vooronderzoek en mogelijke opgravingen en zijn hiervoor operationeel verantwoordelijk.

Het archeologiebeleid is opgebouwd uit vier documenten:

  • de archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Waddinxveen;
  • de archeologische beleidskaart gemeente Waddinxveen;
  • de geomorfologische kaart;
  • de cultuurhistorische kaart;
  • de archeologische inventarisatiekaart;
  • een toelichting (verantwoording) op de archeologische waarden en verwachtingenkaart en de beleidskaart;
  • een beleidsnota.

De archeologische waarden- en verwachtingenkaart geeft inzicht in de (opbouw) van het bodemarchief. Op welke plaatsen in de gemeente Waddinxveen zijn er (zo goed als zeker) archeologische sporen aan te treffen, op welke plaatsen zijn er mogelijk archeologische sporen te verwachten, en waar ook zo goed als zeker niet. De archeologische beleidskaart geeft inzicht in de wijze waarop de gemeente met deze waarden en verwachtingen in het kader van haar ro-beleid om wil gaan: waar geldt wel en waar geldt geen archeologische onderzoeksplicht voor vergunningaanvragers. De bronnen en de argumentatie op basis waarvan de archeologische waarden- en verwachtingenkaart en de beleidskaart tot stand zijn gekomen zijn vermeld in de 'Toelichting op de archeologische beleidskaart Waddinxveen'. De beleidsnota geeft inzicht in de beleidsmatige, juridische en financiële aspecten. Het geeft een overzicht van de vrijstellingsgrenzen die Hazenberg Archeologie adviseert, welke taken er uit het vastgestelde beleid (kunnen) voortvloeien, welke mogelijkheid de gemeente heeft archeologiekosten te verrekenen, bijvoorbeeld via een aanpassing van de legesverordening, en welke planregels de gemeente kan opnemen in haar nieuwe bestemmingsplannen.

De essentie van het archeologiebeleid van de gemeente Waddinxveen bestaat uit het 'archeologieproof' maken van nieuwe bestemmingsplannen en beheersverordeningen. Daartoe bevat dit plan voorbeelden van archeologische planregels. De archeologische beleidskaart kan gebruikt worden om de dubbelbestemming 'archeologie' in de verbeelding van de nieuw op te stellen bestemmingsplannen en beheersverordeningen op te nemen. In paragraaf 5.1 wordt nader op dit onderwerp ingegaan.

2.2.7 Beleidsnota externe veiligheid

De gemeente Waddinxveen heeft op 3 oktober 2012 de Beleidsnota externe veiligheid vastgesteld. In de beleidsnota zijn de volgende veiligheidsambities geformuleerd:

  • woongebieden worden zo veilig mogelijk ingericht;
  • de vestiging van nieuwe risicobedrijven in woongebieden is niet toegestaan;
  • binnen het 100% letaliteitsgebied van risicobronnen zijn nieuwe bestemmingen voor verminderd zelfredzame personen niet toegestaan;
  • de vestiging van nieuwe risicobedrijven op bedrijventerrein Coenecoop is uitsluitend toegestaan onder strikte voorwaarden;
  • de vestiging van nieuwe risicobedrijven is toegestaan op Distripark Doelwijk en op het nog te ontwikkelen bedrijventerrein A12 Noord;
  • nieuwe woon- en verblijfsgebouwen worden standaard uitgevoerd met afschakelbare ventilatie;
  • routering gevaarlijke stoffen;
  • aardgasleidingen.

Voor de uitvoering van deze ambities zijn planologische kaders opgenomen, waaraan bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan worden getoetst. Om de uitvoering te borgen wordt deze beleidsnota externe veiligheid gekoppeld aan de nieuwe Structuurvisie Waddinxveen 2030 (zie paragraaf 2.2.1) en wordt bij het opstellen van bestemmingsplan rekening gehouden met de geformuleerde ambities.

In paragraaf 5.4 wordt nader op dit onderwerp ingegaan.

Hoofdstuk 3 Stedenbouwkundige uitgangspunten

3.1 Algemeen

Het bestemmingsplan Triangel maakt de bouw mogelijk van circa 2.900 woningen en kent een doorlooptijd van 15 jaar. Deze lange doorlooptijd vraagt om een planconcept met een heldere structuur waarbinnen de nodige flexibiliteit mogelijk is. Ten behoeve van een flexibele ontwikkeling is voor de woonvlekken een zogenaamde uitwerkingsplicht opgenomen. Dit houdt in dat er een bouwverbod op de gronden rust, totdat de definitieve inrichting – in de vorm van een uitwerkingsplan – is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders.

Na vaststelling van het onderhavige uitwerkingsplan maakt deze integraal onderdeel uit van het bestemmingsplan Triangel. In de uitwerkingsregeling van het bestemmingsplan zijn de randvoorwaarden opgenomen waaraan de uitwerkingsplannen moeten voldoen. Hiermee wordt zeker gesteld dat het uitwerkingsplan voldoet aan de stedenbouwkundige en milieutechnische eisen voor de ontwikkeling van Triangel, waarbij de flexibiliteit met name wordt gevonden in de detailinvullingen van de woongebieden.

In dit hoofdstuk zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten voor het onderhavige uitwerkingsplan geformuleerd, gebaseerd op het stedenbouwkundig plan voor Tuinbouwweg Lint. Dit plan is opgesteld door Lodewijk Baljon landschapsarchitecten, in opdracht van CV Park Triangel. In dit plan is een visie opgesteld voor het Lint Tuinbouwweg, waarin aangehaakt wordt op recente marktontwikkelingen. De woningen die langs de Tuinbouwweg komen te liggen dienen te voldoen aan de uitgangspunten zoals genoemd in deze visie. De belangrijkste uitgangspunten in de visie zijn in dit hoofdstuk beschreven. Het volledige rapport is terug te vinden in bijlage .

3.1.1 Huidige situatie

Op basis van het Stedenbouwkundig Plan en Kwaliteitsinstrumentarium van het IOP heeft CV Park Triangel een studie gedaan naar de inpassing van de bestaande linten Tweede Bloksweg en Tuinbouwweg in 2011 (de Visie inpassing Tweede Bloksweg en Tuinbouwweg). Het stedenbouwkundig plan voor Tuinbouwweg Lint is later opgesteld, waarin aangepaste uitgangspunten zijn geformuleerd voor de Tuinbouwweg vanwege nieuwe ontwikkelingen. De Visie inpassing Tweede Bloksweg en Tuinbouwweg wordt daarom niet beschreven in dit uitwerkingsplan. Wel geeft deze paragraaf een samenvatting van het huidige stedenbouwkundige profiel van de Tuinbouwweg, zoals deze in de visie is beschreven (zie bijlage ).

Wegprofielen
Tuinbouwweg haaks op Tweede Bloksweg
De Tuinbouwweg is een doodlopende weg die in een haak loopt vanaf de Tweede Bloksweg. Het materiaal van de weg is asfalt en aan de noordzijde ligt een smalle grasberm. Aan de zuidzijde wordt de weg begrensd door een smalle grasberm en sloot. In elke voortuin staat een grote solitaire boom die beeldbepalend is voor de weg. De tuinen hebben geen erfafscheiding als hagen of een sloot. De voortuin loopt door tot aan het asfalt van de weg.

Tuinbouwweg parallel aan de Tweede Bloksweg
Het materiaal van de weg is asfalt, aan de westzijde ligt een smalle grasberm, aan de oostzijde een smalle grasberm en sloot. Erfbeplanting van erfafscheidende hagen en heestergroepen vormen coulissen haaks op de weg. Grote bomen, forse erfbeplanting en exotische beplanting (coniferen) zorgen voor een vol, groen en besloten beeld.

Bebouwing
Tuinbouwweg haaks op Tweede Bloksweg
Langs de Tuinbouwweg haaks op de Tweede Bloksweg staan een viertal tuinderwoningen. Twee woningen bestaan uit twee lagen en een kap en twee woningen bestaan uit 1 laag en een kap. Het beeld van de woningen is divers, er komen zowel lengtekappen voor als dwarskappen en ook een mengvorm van de twee. Het materiaalgebruik van de woningen is overwegend een roodbruine baksteen en af en toe geelbruine baksteen.

Tuinbouwweg parallel aan Tweede Bloksweg
Langs de Tuinbouwweg parallel op de Tweede Bloksweg staan tuinderwoningen en een aantal bungalows. Alle woningen bestaan uit 1 laag met een kap. Het beeld van de woningen is divers, er komen veel lengtekappen voor, maar ook een mengvorm en twee bungalows die verdraaid zijn ten opzichte van de rooilijn. Het materiaalgebruik van de woningen is overwegend een roodbruine baksteen en af en toe geel bruine baksteen.

De bestaande bebouwing is gedocumenteerd en onderverdeeld in verschillende typologieën. Deze typologieën zijn;

  • één bouwlaag met zadelkap;
  • één bouwlaag met dwarskap;
  • één bouwlaag met mengvorm kap;
  • twee bouwlagen met zadelkap;
  • één bouwlaag bungalow;
  • één bouwlaag schuur met zadelkap.


Rooilijnen
Langs de Tuinbouwweg liggen de woonhuizen minimaal 7 meter vanaf de kavelgrens. Enkele liggen verdraaid ten opzichte van hun kavelgrens en iets verder naar achter op hun kavel. Kassen liggen direct aan de weg of direct achter het woonhuis. Tussen en achter de woonhuizen liggen schuren en opstallen op het erf. Bassins voor de opvang van water bevinden zich her en der tussen de kassen, schuren en woonhuizen.

Groen
De Tuinbouwweg parallel aan de Tweede Bloksweg heeft een aantrekkelijk groen beeld. Dit beeld komt tot stand door de erfbeplanting. Op veel kavels staan grote beeldbepalende bomen. Bij nieuwe ontwikkeling dienen grote, beeldbepalende bomen zo veel mogelijk behouden te blijven. De beplanting op de kavels is zeer divers van inheems tot exoten, dat is het kenmerk van de beplanting. Veel voorjaarsbloeiers maar ook groenblijvende beplanting. Op de Tuinbouwweg die parallel loopt aan de Tweede Bloksweg komen veel hagen voor als erfafscheiding. Op de kavels langs de andere wegen wordt dit niet toegepast, de sloot is hier veelal de erfafscheiding, dit zorgt voor een zeer open karakter van de tuinen.

3.1.2 Beeldmerk Park Triangel

Uitgangspunt voor de hele wijk Park Triangel is een wijk met een duidelijk herkenbaar beeldmerk. De reden voor het hanteren van een duidelijk beeldmerk is dat dit een identiteitsdrager is voor de gehele wijk en dat hiermee een samenhang op wijkniveau ontstaat.

Een beeldmerk wordt vertaald naar een aantal hoofdregels die gelden voor alle buurten in de wijk. Per buurt kan een verbijzondering of aanvulling worden verkregen waardoor binnen de totale kwaliteit een identiteit per buurt ontstaat. De beeldkwaliteit wordt per deelplan vastgesteld door de gemeenteraad en zal dienen als toetsingskader van het Q-team. Het gaat om een geheel met daarbinnen ruimte voor nuances. De wijk kenmerkt zich door een vormgegeven openbare ruimte en stedenbouw tot een compositorisch geheel.

Het landschap is een drager voor het planontwerp voor de wijk Park Triangel. Oriëntatie, herkenning en identiteit zijn belangrijke uitgangspunten. Verschillende buurten rondom een centraal park waarin de voorzieningen liggen, dat is in essentie het voorstel voor Park Triangel.

De buurten verschillen in afmetingen, maar passen allen qua maat goed in de stedenbouwkundige opbouw van Waddinxveen en Park Triangel in het bijzonder.

De hoofdplanstructuur bestaat uit royale bomenlanen die alle buurten met elkaar verbinden. De lanen vormen de hoofdinfrastructuur van het plan. Dit maakt dat er een goede oriëntatie in het plan is. De rechtlijnigheid van de polder is voor een deel terug te vinden in de verkaveling van de buurten, met zijn rechte buurtstraten. De straten zijn niet lang, zodat een dorps karakter ontstaat. In het plan is ingezet op een goede en gevarieerde parkeeroplossing, parkeren in parkeerpockets omgeven door hagen, afgewisseld met parkeren op verschillende manieren in de straat. In de straten wordt bij voorkeur langsparkeren toegepast en geen haaks parkeren. Het buurtgroen wordt gethematiseerd per buurt. Vanuit de woning kunnen kinderen de speelplek altijd op een veilige manier bereiken binnen een beperkte loopafstand.

3.2 Stedenbouwkundig plan Lint Tuinbouwweg

3.2.1 Visie

Het Lint vormt een belangrijke structurerende lijn in Park Triangel. Daarnaast heeft het Lint een bijzondere ruimtelijke kwaliteit, door haar landelijk karakter. De verdichting en uitbouw van het Lint is gericht op de instandhouding van het informele, groene karakter.

Het plan vraagt om een verbondenheid met landschappelijke elementen, zoals de watergangen van de Hollandse droogmakerij en het lint van tuinderswoningen. Het centrale Park, de recreatieve ecologische Vredenburghzone, de watergangen, de groene lanen (HIS, HoofdInfaStructuur) en het Lint vormen een landschappelijke structuur waar de deelplannen zich tegen aan vlijen.

De verkaveling is ontworpen met de tuin als beeldbepalende kwaliteit. Dat wordt versterkt door het openbare profiel, met aan een zijde een sloot (deels nieuw), smalle rijweg, groene bermen (in plaats van trottoirs) en laanbomen.

Er zijn verschillende uitgangspunten en spelregels geformuleerd (zie paragraaf 3.2.4), die het landelijke en informele karakter van de wijk ondersteunen. Daarnaast is een grote mate van vrijheid voor individuele woonwensen, die op hoofdlijnen dienen aan te sluiten bij de oude bebouwing van de Tuinbouwweg en de nieuwe woningen van Park Triangel.

3.2.2 Woningbouwprogramma

In de stedenbouwkundige uitgangspunten is een woningbouwprogramma gedefinieerd voor het Lint, op basis van de grondexploitatie. De aanvulling van de bestaande bebouwing geschiedt met vrije kavels. Inspelend op de markt is bij de verkaveling uitgegaan van een groot aantal twee-onder-een-kapwoningen. Daarnaast zijn een aantal vrijstaande woningen, een rijtje van drie woningen en een appartementengebouw opgenomen.

Het plangebied van Lint Tuinbouwweg bestaat uit drie delen: 'Noord', 'Midden' en 'Park' (zie paragraaf 4.2 en navolgende afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0003.png"

Afbeelding - Plangebied met deelgebied Noord (rood), Midden (Groen) en Geel (Park).

In het deelgebied Noord komen uitsluitend nieuwe woningen te staan. De kavels aan de zuidzijde van het Lint zijn hier breder dan die aan de noordzijde. In het deelgebied Midden worden tussen de bestaande woningen nieuwe huizen gebouwd. In dit deelgebied zijn de nieuwe kavels kleiner.

In het deelgebied Park zullen, naast twee-onder-een-kapwoningen en diverse vrijstaande woningen, een rij van 3-onder-een-kap en een appartementengebouw worden ontwikkeld (het appartementengebouw maakt geen deel uit van dit uitwerkingsplan). Hiermee wordt het kenmerkende, landelijke profiel van het Lint gereflecteerd, en wordt een verbinding gecreëerd met het centraal gelegen park.

De consequenties van de dichtere verkaveling zijn opgevangen door aanvullende parkeervoorzieningen (in de vorm van parkeerkoffers) in alle deelgebieden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0004.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0005.jpg"

Afbeelding – Woningbouwprogramma voor het Lint (bron: Stedebouwkundig plan Lint Tuinbouwweg)

Het maximale bebouwingspercentage is gekoppeld aan de kaveloppervlakten (zie navolgende afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0006.jpg" afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0007.jpg"

Afbeelding - Bebouwingspercentage voor de Lint (bron: Stedebouwkundig plan Lint Tuinbouwweg)

3.2.3 Openbare ruimte

De openbare ruimte is een belangrijke factor in de beleving van het Lint: een smalle landelijke weg met een sloot er naast, grasbermen en taluds. De bruggetjes naar de kavels zijn eenvoudig en bescheiden. Aan weerszijde van de weg staan bij het poldermilieu passende, meerstammige bomen. Ze versterken het landelijke karakter van de tuinen. Bij dit profiel horen ook geen parkeerplaatsen. Doordat veel op eigen terrein kan worden geparkeerd zullen drie parkeerkoffers als openbare parkeerplaatsen worden aangelegd.

Groen
Aan het Lint wordt het landelijke karakter mede bepaald door de tuinen; vooral de overgang van openbaar naar privé moet uitgesproken groen zijn. Voortuinen moeten diep zijn, minimaal 6 meter. Ze zijn afgezoomd met een lage haag van minimaal 0,8 meter en maximaal 1 meter hoog.

De voortuinen aan de oostzijde van het Lint worden afgezoomd met een haag, de voortuinen aan de westzijde grenzen aan de sloot. De parkeerkoffers worden omgeven met klimop begroeide hekken en lage hagen. De voortuinen bieden ruimte voor een flinke boom, die door de bewoners aangeplant dienen te worden.

Met name meerstammige bomen kunnen een bijzonder beeld opleveren. Tevens zijn op basis van het landelijke karakter van het Lint groene bermen en laanbomen in het plan opgenomen in de openbare ruimte.

Het onderhoud van de hagen op eigen terrein, het onderhoud en de instandhouding van de eenvoudige grastaluds grenzend aan de sloot en de aanplant van de boom in de voortuin dienen te worden vastgelegd in de overeenkomst met de bewoners.

3.2.4 Spelregels

De nieuwe bebouwing moet voldoen aan een aantal concrete spelregels, die beogen om de kenmerkende kleinschaligheid en het landelijk karakter van het Lint versterken. Deze zijn als volgt geformuleerd:

  • In principe zijn alleen vrijstaande woningen of twee-onder-een-kapwoningen toegestaan. Het appartementen gebouw aan de Parklaan is een uitzondering, evenals de drie-onder-één kap woning die alleen in deel Park mogelijk is;
  • De gootlijn van de nieuwe bebouwing mag niet hoger dan 5,5 meter liggen;
  • De nokhoogte is maximaal 10,5 meter;
  • Alle woningen hebben een zadeldak, zonder wolfseinden. De kappen wisselen in vorm en richting. Brede kavels geven aanleiding tot kappen langs de weg, diepe kavel haaks op de weg;
  • De bijgebouwen bestaan uit één bouwlaag met een kap;
  • Platte daken of lessenaarsdaken zijn voor hoofd- en bijgebouwen uitgesloten;
  • De afstand van de voorgevel tot de erfgrens is minimaal 6 meter. De bouwvolumes verspringen om en om 1 meter;
  • Bijgebouwen liggen terug ten opzichte van het hoofdgebouw, minimaal 5 meter ten opzichte van de voorgevellijn;
  • Dakkapel dient in lijn met de gevel te worden geplaatst;
  • Bij nieuwe ontwikkelingen moet een solitaire, flinke boom in de voortuin worden geplant;
  • Op kavels met vrijstaande bebouwing dient het hoofdvolume niet minder dan 2 meter uit de erfgrens te staan, waarbij een twee-onder-één of drie-onder-één kap woning gezien wordt als één hoofdvolume. In deelgebied Midden is dit niet minder dan 3 meter uit de erfgrens;
  • Voortuinen moeten minimaal 6 meter diep zijn, en zijn afgezoomd met een lage haag van minimaal 0,8 meter en maximaal 1 meter hoog;
  • Toegang van de kavel verloopt via een eenvoudige brug, van maximaal 5 meter breed;
  • Bij de verschillende kavelgroottes past een eigen bebouwingspercentage, vermeld in de volgende tabel.
Kavelgrootte   Footprint bebouwing maximaal  
>900 m2   20%  
700 – 900 m2   175 m2  
500 – 700 m2   25%  
300 – 500 m2   30%  
200 – 300 m2   35%  
< 200 m2   40%  

Parkeernormen
Vanwege het landelijke karakter van de Linten wordt er naar gestreefd de auto zo veel mogelijk uit beeld te houden. Doordat bijgebouwen minimaal 5 meter terug liggen ten opzichte van de voorgevellijn van het hoofdgebouw, ontstaat parkeerruimte naast de woning. Het uitgangspunt van de parkeerbalans is dat minimaal één auto op het eigen terrein komt te staan. Indien er twee auto's op eigen terrein komen te staan, dienen deze naast elkaar te komen staan.

Elk deel van het Lint heeft een parkeerkoffer, haaks op de weg, tussen de woningen. Kavels waar slechts één of geen parkeerplaats op eigen terrein kan worden gerealiseerd dienen binnen een straal van 50 meter van een parkeerkoffer te liggen. De parkeerkoffers zijn omzoomd met hagen en met klimop begroeide schermen, zodat deze een groene overgang van openbare ruimte naar de tuinen creëren. In de navolgende afbeelding is de ligging van de drie parkeerkoffers weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0008.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0009.png"

Afbeelding - Overzicht woningtypen en parkeerkoffers (Bron: ).


Uitgangspunt van de parkeerbalans is dat de bewoners van de appartementen voor de CPO op eigen terrein en onder het gebouw parkeren. Bezoekers in het Lint kunnen op het eigen terrein of in de parkeerkoffer parkeren. In de navolgende afbeelding is een overzicht van de parkeermogelijkheden weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0010.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0011.png"

Afbeelding - Overzicht parkeermogelijkheden Lint Tuinbouwweg (Bron: )

Bij het uitwerken van de verkaveling dient de parkeerbalans (ook in delen) sluitend te zijn. In de navolgende tabel zijn de parkeernormen terug te vinden voor de verschillende woningtypen in de deelgebieden Noord, Midden en Park, uitgaande van 79 woningen. Hieruit blijkt dat bij dat aantal woningen in totaal 173,5 parkeerplaatsen benodigd zijn. In de voorbeeldverkaveling is rekening gehouden met 180 parkeerplaatsen. Daarmee blijken bij het beschreven verkavelingsplan voldoende parkeerfaciliteiten aanwezig te zijn.

woningcategorie   parkeernorm   aantal woningen   benodigd aantal pp  
noord  
vrijstaand   2,2   4   8,8  
tweekap   2,2   14   30,8  
midden  
vrijstaand   2,2   7   15,4  
tweekap   2,2   26   57,2  
park  
vrijstaand   2,2   7   15,4  
tweekap   2,2   18   39,6  
midden rij van 3   1,9   1   1,9  
hoek rij van 3   2,2   2   4,4  
CPO   alles eigen terrein   nvt   nvt  
totaal       173,5  

parkeergebied   aanwezig   benodigd   resultaat  
totaal Lint Tuinbouwweg  
eigen terrein   126      
parkeerkoffer   40      
parkeerhof   8      
openbaar   6      
totaal Lint   180   173,5   6,5  

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Huidige situatie

Lint Tuinbouwweg
In de navolgende afbeelding is de huidige situatie in het plangebied weergegeven. Langs de noordzijde van de Tuinbouwweg stonden diverse tuinbouwkassen, deze zijn inmiddels gesloopt. De zuidzijde van de Tuinbouwweg bestaat op dit moment met name uit braakliggend terrein en landbouwgrond.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0012.jpg"
Afbeelding - Huidige situatie Tuinbouwweg

Langs de oostzijde van de Tuinbouwweg staan al diverse woningen. In de navolgende afbeelding is een impressie te zien van het huidige straatbeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0013.png"
Afbeelding - Reeds aanwezige bebouwing Tuinbouwweg

In de navolgende afbeelding is de locatie van de Tuinbouwweg ten opzichte van omliggende straten inzichtelijk gemaakt. Het plangebied van Lint Tuinbouwweg bestaat uit drie delen (zie paragraaf 4.2). Het deel dat tot Noord zal behoren, staat haaks op de Tweede Bloksweg en kruist de Polderlaan. Het deel dat tot Midden behoort begint vanaf de Polderlaan en buigt af naar het zuiden. Het gebied dat tot Park zal behoren, begint ten noorden van de kruising van de Tuinbouwweg met de Egelantier en loopt tot de Parklaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0014.png"
Afbeelding - Ligging Lint Tuinbouwweg ten opzichte van andere straten

Station Waddinxveen Triangel
De provincie Zuid-Holland wil, onder andere samen met Stadsgewest Haaglanden en Stads-regio Rotterdam, bijdragen aan de ontwikkeling van een hoogwaardig en efficiënt openbaar-vervoersysteem in Zuid-Holland. Vooral op de corridors naar de stedelijke concentraties, waar het openbaar vervoer een sterke positie heeft, wil en kan de provincie bijdragen aan de gewenste kwaliteitsslag in het regionale openbaar vervoer. Realisatie van bestaande of al in gang gezette uitbreidingen van het ZuidvleugelNet staan de komende jaren centraal.

Om aan de toekomstige vervoerbehoefte tegemoet te komen én om economische gebieden hoogwaardig te ontsluiten wordt een samenhangend, herkenbaar en hoogwaardig OV-netwerk van rail- en hoogwaardige busverbindingen ontwikkeld: het HOV-NET Zuid-Holland Noord. Aan de knooppunten in dat netwerk worden hoge eisen gesteld, b.v. op het gebied van reizigers-informatie, fietsenstallingen en P&R-voorzieningen.

Op 17 mei 2013 hebben provincie en gemeente Waddinxveen een bestuursovereenkomst gesloten. Afspraken over de realisatie van het station Waddinxveen-Triangel is één van de onderdelen in deze overeenkomst.

De locatie waar station Waddinxveen Triangel wordt gebouwd ligt ten zuidoosten van Lint Tuinbouwweg, ten westen van bedrijventerrein Coenecoop. Het stationsgebied komt deels in Park Triangel te liggen, en deels aan de andere kant van het spoor in de Coenecoop. Het gedeelte van Park Triangel waar station Waddinxveen Triangel komt te liggen bestaat op dit moment uit braakliggend terrein en landbouwgrond (zie navolgende afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0015.jpg"
Afbeelding - Huidige situatie plangebied station Waddinxveen Triangel

4.2 Toekomstige situatie


Lint Tuinbouwweg
Het plangebied van Lint Tuinbouwweg bestaat uit drie delen: 'Noord', 'Midden' en 'Park'. Deel 'Noord' staat haaks op de Tweede Bloksweg en bestaat uitsluitend uit nieuwe woningen. Deel 'Midden' bestaat afwisselend uit bestaande en nieuwe huizen. Het overgrote deel van deel 'Midden' overlapt met het plangebied uit het bestaande uitwerkingsplan. Deel 'Park' ligt ten zuiden van het gebied en maakt de verbinding met het park in Park Triangel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0016.png" afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0017.jpg"
Afbeelding – Lint Tuinbouwweg

De gemeenschappelijke exploitatie maatschappij (GEM), die door de gemeente en BPD (voorheen Bouwfonds) is opgericht voor de ontwikkeling van Park Triangel, is voornemens om de gronden als vrije kavels in de markt te zetten. Bij het vormgeven van de openbare ruimte in de Lint wordt aangehaakt op het landelijke karakter. Er komt een smalle weg te liggen met een sloot er naast, grasbermen en taluds.

Het Lint biedt plaats voor 77 woningen en een appartementengebouw; dit appartementengebouw ligt aansluitend aan dit plangebied in uitwerkingsplan Triangel plan 2. In het deelgebied Noord zijn de bestaande kassen gesloopt. Hier zullen uitsluitend nieuwe woningen komen te staan. De kavels aan de zuidzijde zijn breder dan die aan de noordzijde, waardoor aan de noordkant een parkeerkoffer noodzakelijk is.

In het deelgebied Midden worden tussen de bestaande woningen nieuwe huizen gebouwd. De nieuwe kavels hier zijn kleiner. Wel worden diepe voortuinen aangelegd in dit deelgebied, waarbij ingezet wordt op volwassen beplanting.

In het deelgebied Park zullen, naast twee-onder-een-kapwoningen en diverse vrijstaande woningen, een rij van 3-onder-een-kap en een appartementengebouw worden ontwikkeld. Hiermee wordt het kenmerkende, landelijke profiel van het Lint gereflecteerd, en wordt een verbinding gecreëerd met het centraal gelegen park.

Station
Ten oosten van de Tuinbouwweg wordt een nieuw station aangelegd die de wijk Triangel en het industrieterrein Coenecoop zal ontsluiten. Hiervoor zal één perron worden aangelegd, aan de westzijde van het spoor. Het voorplein van het station zal eveneens aan de zijde van Park Triangel komen te liggen. Dit plein dient daarom goed aan te sluiten bij het karakter van de wijk. Daarnaast worden een verkeerstunnel voor fietsers en voetgangers en parkeer- en fietsvoorzieningen aangelegd. In de navolgende afbeelding is het toekomstige stationsgebied gevisualiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0018.jpg"

Afbeelding - Weergave stationsgebied Waddinxveen Triangel

Hoofdstuk 5 Milieu

Het milieubeleid is primair bedoeld om een optimale leefomgeving te realiseren. Dit kan er soms toe leiden dat beperkingen worden opgelegd aan gewenste ruimtelijke ontwikkelingen.

Ten behoeve van dit uitwerkingsplan is door de Omgevingsdienst Midden-Holland een milieuonderzoek uitgevoerd. Het rapport is toegevoegd in bijlage 1. In het advies zijn randvoorwaarden en aandachtspunten opgesteld voor de milieuaspecten archeologie, bedrijven en milieuzonering, bodem, externe veiligheid, flora en fauna, geluid, luchtkwaliteit en de m.e.r.

In dit hoofdstuk worden de conclusies voor de verschillende aspecten beschreven. Vervolgens is dit hoofdstuk beoordeeld door de omgevingsdienst. Hun advies is bijgevoegd in bijlage 2. De aanbevelingen zijn in dit hoofdstuk verwerkt.

5.1 Archeologie

5.1.1 Gemeentelijke beleidsnota archeologie

De Monumentenwet legt de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het archeologische erfgoed bij de gemeente. De taken in het kader van de Monumentenwet behelzen onder andere het integreren van archeologie in de besluiten op het gebied van de ruimtelijke ordening (zoals omgevingsvergunning). Daarnaast legt de Monumentenwet een koppeling tussen bestemmingsplannen en archeologische waarden en verwachtingen (art. 38 en 41 Monumentenwet).

De Monumentenwet verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan of bij een omgevingsvergunning rekening te houden met in de bodem aanwezige of te verwachten archeologische waarden. De feitelijke bescherming gebeurt door de regels in het bestemmingsplan. Deze regels kunnen betrekking hebben op archeologisch vooronderzoek dat de aanvrager van de vergunning moet laten uitvoeren. Aan de omgevingsvergunning zelf kunnen indien nodig aanvullende voorwaarden worden verbonden.

De gemeente Waddinxveen heeft een eigen archeologiebeleid: “Nota archeologiebeleid gemeente Waddinxveen november 2012” . Aan de hand van dit beleid kan bepaald worden of en wanneer archeologisch (voor)onderzoek verplicht is. Wanneer een archeologisch (voor)onderzoek niet verplicht is, zijn er geen belemmeringen. Wanneer een archeologisch (voor)onderzoek wel verplicht is, dienen er nadere stappen van onderzoek en besluitvorming te worden gevolgd.

Volgens de erfgoedverordening van 14 oktober 2015 is het vastgestelde beleid niet van toepassing wanneer voor gebieden binnen een vigerend bestemmingsplan al regels voor archeologie zijn opgenomen. In deze gevallen dienen de regels van het bestemmingplan gevolgd te worden.

5.1.2 Onderzoek

Ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied is door middel van bureau-onderzoek beoordeeld of er mogelijk archeologische waarden in het geding zijn. Hiervoor is de vastgestelde gemeentelijke verwachtingen- en beleidskaart archeologie geraadpleegd. Daarnaast zijn er archeologische onderzoeksrapporten geraadpleegd die eerder voor het gebied zijn uitgevoerd. Het plangbied omvat twee ontwikkelingen: de bouw van woningen en de aanleg van een treinstation met fietstunnel. Per ontwikkeling is nagegaan in hoeverre een archeologisch onderzoek nodig is.

5.1.3 Resultaten

De geplande woningen vallen binnen drie zones met een archeologische verwachting:

  • een hoge verwachting (categorie WA2). Volgens het beleid is een onderzoek nodig bij plangebieden groter dan 100 m² en ingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld;
  • een middelhoge verwachting (WA3). Volgens het beleid is een onderzoek nodig bij plangebieden groter dan 1.000 m² en ingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld;
  • een lage verwachting. Een archeologisch onderzoek is niet nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0019.jpg" Afbeelding - Uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Waddinxveen plangebied woningendeel. Het plangebied van het treinstation staat in een volgend figuur. De hoge verwachtingswaarde water komt niet voor in deze afbeelding net als de bekende vindplaatsen. Het blauwe geeft dus alleen het plangebied weer.

Het geplande treinstation met fietstunnel valt in een zone met een hoge archeologische verwachting. Deze verwachting is eveneens gebaseerd op de aanwezigheid van de tankgracht. Volgens het beleid is een onderzoek nodig bij plangebieden groter dan 100 m² en ingrepen dieper dan 0,3 meter onder het maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0020.jpg"

Afbeelding - Uitsnede van de archeologische verwachtings- en beleidskaart van de gemeente Waddinxveen plangebied NS treinhalte blauw aangeduid. De hoge verwachtingswaarde water komt niet voor in deze afbeelding net als de bekende vindplaatsen. Het blauwe geeft dus alleen het plangebied weer.

In het kader van het moederplan “Triangel” zijn eerder twee onderzoeken uitgevoerd die relevant zijn voor de voorgenomen ontwikkelingen. Tijdens een grootschalig inventariserend archeologisch onderzoek in opdracht van de gemeente Waddinxveen in 2004, zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van archeologische resten en de afzettingen met een hoge archeologische verwachting dieper dan 2,8 meter onder het maaiveld (bron: Plangebied Waddinxveen Triangel; een inventariserend archeologisch onderzoek. RAAP-rapport 1031, 2004) .

Het tweede relevante onderzoek betreft een proefsleuvenonderzoek van de tankgracht in"'t Suyt". Rondom de gracht zijn geen sporen en resten gevonden die verband houden met de tankgracht (bron: “Een tankgracht van de Vordere Wasserstellung, plangebied 't Suyt en Nooitgedacht, gemeente Waddinxveen; archeologisch onderzoek: een opgraving”; RAAP-rapport 2786, 2013)”. De gracht heeft binnen Waddinxveen een lengte van circa 6,7 kilometer en is éénmaal onderzocht. Het is niet duidelijk in hoeverrre de resultaten van het proefsleuvenonderzoek representatief zijn voor de gehele gracht. Daarom is het nodig om de gracht op een tweede locatie te onderzoeken.

De geplande woningbouw valt in een gebied met een “hoge” en “middelhoge” verwachting. Het gebied met de “hoge” verwachting ligt naast de tankgracht, de gracht zelf wordt niet doorsneden. Een aanvullend onderzoek voor dit gebied wordt daarom niet nodig geacht. Het gebied met de “middelhoge” verwachting is voldoende onderzocht door middel van een booronderzoek.

Het geplande treinstation met fietstunnel valt samen met de tankgracht. Voor deze locatie is het verplicht om een archeologisch onderzoek uit te laten voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek of archeologische begeleiding. Uit dit onderzoek moet blijken in hoeverre de opbouw van de tankgracht overeenkomt met de gracht in 't Suyt. Wanneer dit nieuwe onderzoek weinig nieuwe informatie oplevert, dan moet nagegaan worden in hoeverre er nog onderzoek uitgevoerd moet worden bij de tankgracht. Om deze reden is voor het stationsgebied een dubbelbestemming Waarde - Archeologie 2 in de regels opgenomen.

5.1.4 Conclusie

De archeologie staat de ontwikkeling niet in de weg, op voorwaarde dat er een archeologisch onderzoek wordt uitgevoerd uiterlijk ten tijde van de werkzaamheden voor het treinstation met fietstunnel.

5.2 Bedrijven en milieuzonering

5.2.1 Wet- en regelgeving

Bedrijvigheid is een milieubelastende activiteit. Tengevolge van aanwezige bedrijvigheid kan mogelijk hinder voor de omgeving optreden met betrekking tot de milieuaspecten geluid, geur, stof en gevaar.

Nieuwe situaties, waarin milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies met elkaar worden gecombineerd, moeten worden beoordeeld op mogelijke hindersituaties. Daarbij wordt getoetst aan de Wet milieubeheer, Activiteitenbesluit milieubeheer en de brochure Bedrijven en Milieuzonering (VNG, 2009). Bedrijven en Milieuzonering geeft richtafstanden per categorie en per type bedrijvigheid aan. Binnen deze richtafstanden is bij een gemiddelde bedrijfsvoering hinder van het bedrijf te verwachten.

De te beoordelen situaties zijn te herleiden tot drie groepen en bijbehorende aanpak, te weten:

  • Nieuwe milieugevoelige functies nabij bestaande bedrijven
    In deze situatie dient primair te worden beoordeeld of hinder te verwachten is van de specifieke bestaande bedrijven. Deze beoordeling is met name gebaseerd op de Wet Milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Daarnaast zal moeten worden meegewogen of ter plaatse van de nieuwe milieugevoelige functies bij eventuele vestiging van een nieuw bedrijf op het bestaande bedrijfsperceel een probleemsituatie ontstaat. Deze afweging vindt met name plaats op basis van Bedrijven en Milieuzonering.
  • Nieuwe bedrijfsbestemmingen nabij bestaande milieugevoelige functies
    In deze situatie is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bijvoorbeeld 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige functies en belastende activiteiten moeten worden gerespecteerd. In het geval de bestemmingswijziging wordt gerealiseerd ten bate van de vestiging van een specifiek bedrijf, kunnen de omstandigheden van dit bedrijf worden meegewogen. In elk geval dient tenminste aan de Wet milieubeheer te worden voldaan.
  • Nieuwe milieugevoelige functies nabij nieuwe bedrijfsbestemmingen
    In dit geval is de bedrijfscategorie zoals deze wordt opgenomen in het bestemmingsplan leidend. Afhankelijk van deze categorie zal tenminste een afstand van bv. 10 meter (cat. 1), 30 meter (cat. 2), 50 meter (cat. 3.1) tussen de gevoelige en belastende bestemmingen moeten worden gerespecteerd.

De richtafstanden in de richtlijn Bedrijven en Milieuzonering 2009 van de VNG gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype “gemengd gebied” kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven. Dit omgevingstype en bijbehorende systematiek zullen dan wel in het bestemmingsplan moeten worden vastgelegd.

5.2.2 Onderzoek

Met behulp van het inrichtingenbestand van de omgevingsdienst is geïnventariseerd welke bedrijven in en nabij het plangebied zijn gevestigd . Ook is geïnventariseerd welke bedrijven in de nabijheid gevestigd mogen worden volgens het bestemmingsplan. Voor deze bedrijven zijn de milieuzones bepaald op basis van Bedrijven en Milieuzonering. Vervolgens is geïnventariseerd waar mogelijk hindersituaties kunnen optreden of belangen worden geschaad.

5.2.3 Resultaten

Het gebied is aan te merken als een rustige woonwijk zoals aangemerkt in de richtlijn bedrijven en milieuzonering 2009 van de VNG. Het betreft alleen woningen en geen bedrijven of andere functies. Geen van de bedrijven die in de omgeving zijn gelegen liggen dichter op de woningen dan de richtafstanden conform VNG bedrijven en milieuzonering 2009 (zie navolgende tabel).

Naam   Type   Adres   Sbi   Cat vng   Meters conform VNG   Gemeten afstand in meter tot plangebied  
Eneco   Gasreduceerstation vermogen 4200 m3/hr   Tuinbouwweg   35,D   2   30   25  
Eneco   Gasdruk regel en meetstation   Tweede Bloksweg 38   35   1   10   312  
R.W. van den Brink   Opslag propaan   Tweede Bloksweg 44   1   2   30   444  
J.W Kooijstra   Landbouwbedrijf   Tweede Bloksweg 48   011   2   30   566  
J. Ouddijk   Propaan   Tweede Bloksweg 48   1   2   30   566  
Wagro   Groencomposteering
Belucht v.c. > 20.000 ton/jr.  
Tweede Bloksweg 54b   382   4.1   200   1037  
Afvalbrengstation van gemeente Waddinxveen   Afvalbrengstation   Zuidelijke rondweg 250   381   3.1   50   500  
P. Molenaar en Zn.V.O.F.   Teelt van overige en eenjarige gewassen   Tweede Bloksweg 50   012   2   30   902  
J. Hoogerbrugge   Oplsag propaan   Tweede Bloksweg 52a   1   2   30   987  
Boomkwekerij de Molenaar   Boomkwekerijen   Tweede Bloksweg 52   013   2   30   942  
VIS   Gasflessen vuldepot   Tweede Bloksweg 54   12   3.2   100   1078  
Condor Benelux   Groothandel in elektronische en telecommunicatieapparatuur en bijbehorende onderdelen.   Coenecoop 9   372   3.1   50   120  
Drukkerij Twigt   Drukkerij   Coenecoop 1   18129   2   30   217  

Tabel - Bedrijven rondom plangebied

Uit het onderzoek is gebleken dat percenteelwaarden voor geurhinder van bedrijf Wagro, gelegen nabij het plangebied, niet bij de toekomstige woningen komen.

Met betrekking tot groencomposteerderij Wagro is aanvullend onderzocht tot hoever de geurcontouren reiken. In de richtlijn bedrijven en milieuzonering kent meerdere gradaties van composteerbedrijven. De grootste is de categorie. Wagro valt onder de categorie met geforceerde beluchting met een verwerkingscapaciteit van > 20.000 ton per jaar. Het bedrijf produceert 50.000 ton per jaar. De geurcontour zou dus verder kunnen liggen dan de richtafstand van 200 meter. Om dit te beoordelen is de milieuvergunning van Wagro beschouwd die de normen van de Ner heeft opgenomen.

In de NeR zijn voor diverse bedrijfstakken "bijzondere regelingen" opgenomen. In de "bijzondere regeling" G2 (compostering van groenafval) staat beschreven hoe de geuremissie- en immissiesituatie voor bedrijven uit deze branche moet worden vastgesteld. De "bijzondere regeling" geeft de volgende toetsingswaarden (maat voor de geurbelasting ter plaatse van woningen):

Grenswaarden, uitgedrukt als immissie in ouE/m3  
Percentielwaarde   Verspreid liggende woningen   Aaneengesloten woonbebouwing  
98 - percentielwaarde   4,5   1,5  
99,5 -percentielwaarde   9   3  
99,9 - percentielwaarde   18   6  

In de Wabo vergunning milieu voor Wagro van 8 oktober 2015 zijn bovenstaande toets waarden (normen) uit de Ner opgenomen in de voorschriften. Er is bij deze vergunning een geuronderzoek uitgevoerd. Uit het geuronderzoek met kenmerk WAGR13A3, uitgevoerd door PRA Odournet bv. blijkt dat voor alle percentielwaarden wordt voldaan aan de normen voor de aaneengesloten woonbebouwing in het moederplan de Triangel.

De overige bedrijven veroorzaken conform de richtlijn bedrijven en milieuzonering van de VNG 2009 geen hinder op de toekomstige woningen. Uit een inventarisatie van bestemmingsplannen in de omgeving is gebleken dat de dichtstbijzijnde bedrijfsbestemming op 150 meter ligt van de geplande woningen (aan de overzijde van het spoor). Deze afstand is zodanig dat voldaan wordt aan de richtafstanden van de VNG bedrijven en milieuzonering.
Het uitwerkingsplan maakt één inrichting mogelijk die mogelijk hinder kan veroorzaken naar de omgeving. Dit betreft het toekomstige treinstation. Voor het station geldt een grootste afstand van 100 meter. De dichtsbij gelegen woning ligt op 126 meter. Voor dit uitwerkingsplan is dus geen sprake van een extra onderzoeksplicht.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering het vaststellen van onderhavig uitwerkingsplan niet in de weg staat.

5.3 Bodem

5.3.1 Wettelijk kader

Een verontreinigde bodem kan zorgen voor gezondheidsproblemen en tast de kwaliteit van het natuurlijk leefmilieu aan. Daarom is het belangrijk om bij ruimtelijke plannen de bodemkwaliteit mee te nemen in de overwegingen. De Wet bodembescherming (Wbb), het Besluit bodemkwaliteit en de Woningwet stellen grenzen aan de aanvaardbaarheid van verontreinigingen.

Indien bij planvorming blijkt dat (ernstige) verontreinigingen in het plangebied aanwezig zijn, wordt op basis van de aard en omvang van de verontreiniging én de aard van de ruimtelijke plannen beoordeeld welke gevolgen dit heeft (Wbb):

  • Niet saneren
    Indien de verontreiniging voor het beoogde doel niet hoeft te worden gesaneerd kan het ruimtelijke plan voor wat betreft deze verontreiniging zonder meer doorgang vinden.
  • Saneren
    Indien de verontreiniging moet worden gesaneerd dient een saneringsplan te worden opgesteld en ingediend bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. In sommige gevallen kan worden volstaan met het indienen van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Na goedkeuring door het bevoegd gezag kan de sanering doorgang vinden. Na afloop dient de sanering te worden geëvalueerd en ook dit verslag dient ter goedkeuring te worden voorgelegd. Tijdens de saneringsprocedure kan de ruimtelijke procedure worden voortgezet. Echter, een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen kan pas inwerking treden nadat is vastgesteld dat er geen sprake is van een ernstige en spoedeisende sanering (art. 6.2. c. Wabo).

Een onderzoeks- en saneringstraject heeft soms grote financiële consequenties voor de beoogde plannen. Enerzijds omdat de kosten van sanering hoog kunnen zijn, anderzijds omdat deze trajecten van grote invloed kunnen zijn op de planning. In het kader van de Grondexploitatiewet dienen deze kosten tijdig in kaart te worden gebracht. Het is daarom aan te bevelen reeds in een vroeg stadium van planvorming (historisch-) bodemonderzoek voor het hele plangebied uit te voeren. Deze bodemonderzoeken zijn ook noodzakelijk bij de aanvraag van een omgevingsvergunning voor het onderdeel bouwen.

5.3.2 Onderzoek en resultaten

Van het plangebied is met behulp van het Bodem Informatie Systeem (BIS) alle bij de Omgevingsdienst Midden-Holland bekende informatie verzameld over de onderwerpen:

  • Ondergrondse tanks;
  • Voormalige bedrijven (HBB);
  • Huidige bedrijven;
  • Gedempte sloten (Bio-s);
  • Bodemonderzoekslocaties;
  • Grondverzet.

Uit het Bodem Informatie Systeem blijkt dat er binnen het plangebied (woongebied en treinstation) geen ondergrondse tanks bekend zijn. De voormalige provinciale bedrijven die bekend zijn in het voormalige bedrijfsbestand (HBB) van de provincie Zuid-Hollan zijn allemaal voldoende onderzocht. De huidige bedrijven vallen onder een melding of omgevingsvergunning voor het onderdeel milieu, waarmee voorwaarden ter voorkoming van bodemverontreiniging zijn vastgelegd. Uit de uitgevoerde BIS-toets is gebleken dat er binnen het plangebied geen gedempte sloten bekend zijn bij de Omgevingsdienst Midden-Holland. Uit het Bodem Informatie Systeem blijkt dat binnen of overlappen met het plangebied 12 bodemonderzoekslocaties aanwezig zijn. Voor 8 van deze locaties is vervolgonderzoek nodig.

Het meest recente onderzoek voor het plangebied is een actualiserend historisch onderzoek Park Triangel, RPS Advies B.V., 17-12-2014. Dit onderzoek is door de ODMH beoordeeld d.d. 7 januari 2015 met kenmerk 2015002897 met als conclusie dat deze voldoende onderzocht is. Op grond van dit onderzoek is het onderzochte gebied door de ODMH geschikt bevonden voor de beoogde ontwikkeling. Het onderzoek is echter niet uitgevoerd voor het gehele plangebied. In bijlage 2 van het is een overzicht weergegeven waar tenminste een actualiserend historisch onderzoek uitgevoerd moet worden.

Het weggedeelte van het plangebied is, in zijn geheel, nog niet onderzocht. Daarnaast zijn de onderzoekslocaties die reeds voldoende zijn onderzocht niet beschreven, maar wanneer een onderzoek ouder is dan 5 jaar verliest deze zijn geldigheid en zal een actualiserend onderzoek nodig zijn.

Een klein deel van het plangebied nabij het toekomstig station is onderzocht met het historisch onderzoek Park Triangel, ZH062710099 Actualiserend historisch onderzoek Park Triangel, 17-12-2014. Dit onderzoek is beoordeeld d.d. 7 januari 2015 met kenmerk 2015002897 met als conclusie dat deze voldoende onderzocht is.

Uit het onderzoek blijkt dat nog een aantal vervolgacties dienen te worden uitgevoerd:

  • ter plaatse van de openbare weg (tuinbouwweg) een historisch onderzoek uitvoeren conform NEN 5725;
  • voor de delen van het plangebied, waar volgens bijlage 2 van het actualisatie vereist is, is een actualiserend historisch onderzoek uitvoeren conform NEN5725;
  • ter plaatse van de Tuinbouwweg 10 een nader onderzoek conform NTA 5755t uit te voeren. Dit is nodig ter afperking van een verontreiniging met minerale olie. Een nader onderzoek uitvoeren ter plaatse van de Zuidelijke Dwarstocht, kad.nr. 408, ter afperking PAK en zware metalen.
  • ter plaatse van Spoor NS en het voormalige volkstuinencomplex een actualisatie van het historisch onderzoek conform NEN 5725 uitvoeren.


Bovengenoemde onderzoeken dienen te worden uitgevoerd voorafgaand aan de ruimtelijke procedure.

Actualiserend bodemonderzoek

Naar aanleiding van bovenstaande conclusies is een actualiserend bodemonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is bijgevoegd in bijlage 3. Conclusies van dat onderzoek is dat geen nader onderzoek nodig is.

5.3.3 Conclusie

De bodem staat de vaststelling van het uitwerkingsplan niet in de weg.

5.4 Externe veiligheid

5.4.1 Wet- en regelgeving

Activiteiten met gevaarlijke stoffen leveren risico's op voor de omgeving. Het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) vormen op dit moment het wettelijk kader voor het omgaan met deze risico's. Door het stellen van eisen aan afstanden tussen de activiteiten met gevaarlijke stoffen en (beperkt) kwetsbare objecten (woningen, kantoren, scholen, enz.) worden de eventuele gevolgen van deze risico's zoveel mogelijk beperkt.

Plaatsgebonden risico (PR)
Als “harde” afstandseis voor externe veiligheid geldt een contour voor het plaatsgebonden risico (PR 10-6), die wordt aangegeven als een afstand ten opzichte van de activiteit met gevaarlijke stoffen (risicobron). Binnen deze PR 10-6 contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn of worden geprojecteerd.

Groepsrisico (GR)
Afhankelijk van de aard van de risicobron is er sprake van een bepaald invloedsgebied. Binnen dit invloedsgebied moet worden onderzocht hoe groot de kans per jaar is dat een groep van ten minste 10 (zich binnen dit invloedsgebied bevindende) personen overlijdt ten gevolge van een ramp of zwaar ongeval met de betreffende risicobron. De hoogte van het GR moet door middel van een bestuurlijke afweging worden verantwoord. Als binnen het invloedsgebied (beperkt) kwetsbare bestemmingen worden geprojecteerd, geldt ook voor de hiermee samenhangende toename van het GR een bestuurlijke verantwoordingsplicht.

5.4.2 Onderzoek en resultaten

Uit eerdere rapportages van externe veiligheid binnen het plangebied 'Triangel' ('Verantwoording groepsrisico Triangel gemeente Waddinxveen', 23 december 2011 (herziening 8 juli 2014 en Milieudienst Midden-Holland, 5 december 2011, kenmerk 201123263) blijkt dat de volgende risicobronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen:

  • Gasontvangststation Tuinbouwweg;
  • Provinciale weg N453 (Beijerincklaan), transport van gevaarlijke stoffen;
  • Aardgasleiding W517-01.

Voor het gasontvangststation geldt dat de veiligheidsafstand van 25 meter conform “Activiteitenbesluit milieubeheer” niet overlapt met het plangebied. Het vormt dus geen belemmering voor het plan.
In het kader van het plan 'Triangel Noordpunt' zijn risicoberekeningen uitgevoerd voor de Beijerincklaan en de gasleiding W517-01 (bureau AVIV, project 111997, 15 september 2011). In deze berekeningen is al rekening gehouden met de totale ontwikkeling van Park Triangel. De berekeningen laten zien dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt (het risico is kleiner dan 10-6 per jaar) en het groepsrisico in verband met beide risicobronnen in kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Het nieuwe treinstation is niet opgenomen in eerdere plannen. In het kader van externe veiligheid geldt dat het station geen (beperkt) kwetsbaar object betreft. Ook vindt er geen transport plaats van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Gouda – Alphen aan den Rijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0021.png" Afbeelding - Zonering externe veiligheid t.o.v. plangebied

Het groepsrisico, als gevolg van de Beijerincklaan en de gasleiding W517-01, rekening houdend met totale ontwikkeling van Park Triangel, is kleiner dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde.

Er is advies ingewonnen bij de veiligheidsregio midden Holland en dit is op 1 oktober 2015 ontvangen. De veiligheidsregio adviseert t.a.v. het uitwerkingsplan het volgende:

  • Maatregelen ten aanzien van bereikbaarheid, bluswatervoorziening te treffen;
  • In verband met de opkomsttijden van de brandweer aanvullende maatregelen te treffen om objecten met niet of verminderd zelfredzame personen snel en adequaat te kunnen ontruimen.
  • Nieuwe gebouwen voorzien van uitschakelbare ventilatie, in verband met een mogelijk toxische wolk (EV visie Waddinxveen).
  • Het plaatsen van sprinklers in woningen, in verband met de lange opkomsttijd van de brandweer.
  • In het uitwerkingsplan opnemen: objecten voor verminderd zelfredzame personen niet projecteren binnen 80 meter van de Beijerincklaan.

De externe veiligheid staat de vaststelling van dit uitwerkingsplan niet in de weg.

5.5 Flora en fauna

5.5.1 Wettelijk kader

Om natuurwaarden in Nederland te beschermen gelden de landelijke wetten: de Flora- en Faunawet (F&fw), de Natuurbeschermingswet 1998 (Nbw 1998), Programmatische Aanpak Stikstof (PAS) en de Wro. Deze wetgeving is voor een deel verwerkt in provinciaal beleid, te weten: Structuurvisie Zuid-Holland 2020; natuurbeheerplan 2015 en Provinciaal Compensatiebeginsel 2013. De Nbw 1998 implementeert de Europese regelgeving vastgelegd in de Vogel- en Habitatrichtlijn. De meeste beschermde gebieden betreffen Natura 2000-gebieden.

Gebiedsbescherming
De Nbw 1998 bevat instrumenten om op basis van effectstudies activiteiten in en rondom Natura 2000-gebieden af te wijzen, dan wel toe te staan op basis van een melding of een vergunning. De wet schrijft onder voorwaarden voor dat een voortoets en/of een passende beoordeling voor het voornemen noodzakelijk is. De vergunningen omvatten allerlei voorwaarden om schade aan natuurwaarden te voorkomen en te compenseren.

Soortenbescherming
De F&fw regelt de soortenbescherming in Nederland. De wet is opgezet als een wet die alle schade aan soorten verbiedt, behalve als er dwingende redenen van belang zijn om hiervan af te kunnen wijken. Dan wordt een ontheffing van de verbodsartikelen verleend. Er gelden drie beschermingsregimes. De wet geeft op basis van drie verschillende beschermings-regimes aan welke soorten met een ontheffingsplicht dan wel andere wettelijke instrumenten als ecologische werkprotocollen en goedgekeurde gedragscodes worden beschermd. De wet heeft in onderliggende besluiten tabellen met ingedeelde soorten vastgelegd die het beschermingsregime vaststellen.Daarnaast bevat de F&fw artikel 2: “de zorgplicht”, dat stelt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat zijn of haar handelen nadelige gevolgen voor flora of fauna veroor-zaakt, verplicht is om maatregelen te nemen (voor zover redelijkerwijs kan worden gevraagd) die deze negatieve gevolgen zoveel mogelijk voorkomen, beperken of ongedaan maken.

PAS
Een nieuw wettelijk instrument is de op 1 juli 2015 ingevoerde Programmatische Aanpak Stikstof (PAS). De wet moet voorkomen dat beschermde gebieden worden aangetast als gevolg van een toenemende stikstofdepositie. De toegevoegde stikstofdepositie als gevolg van economische activiteiten worden met generieke nationale maatregelen gecompenseerd.

5.5.2 Onderzoek en resultaten

Gebiedsbescherming
Onderzocht is of er als gevolg van de ontwikkeling beschermde gebieden kunnen worden aangetast. Hierbij is de GIS analyse betrokken die is uitgevoerd in het kader van het moederplan Triangel. In dit onderzoek zijn de indirecte effecten op de aangewezen natuurdoelsoorten (slobeend, krakeend, smient en kleine zwaan) beoordeeld.

Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura2000-gebied, 'Broekvelden, - Vettenbroek & Polder Stein', bevindt zich op een afstand van circa 7,5 kilometer ten oosten van het plangebied. Gezien de afstand zijn er geen directe effecten met betrekking tot verstoring te verwachten. Verdroging/vernatting, verlichting, geluidsoverlast en trillingen als gevolg van de activiteiten treden niet op.

Soortenbescherming
Onderzocht is of als gevolg van de ontwikkeling beschermde soorten kunnen worden worden aangetast. Hierbij is het historisch onderzoek geraadpleegd (2012 van der Helm) dat is uitgevoerd ten behoeve van een eerder uitwerkingsplan.

De Smient en Kleine zwaan foerageren in het weiland in het plangebied. Op basis van de nu beschikbare informatie over het gebiedsgebruik van de Smient en Kleine zwaan, levert het bebouwen van het Triangelgebied waarvan de (Linten 4 een klein deel is) waarschijnlijk geen belangrijke bijdrage aan het cumulatieve effect. Dit komt vooral doordat andere geschikte en veel gebruikte foerageergebieden dichterbij liggen (vanaf het Natura2000 gebied), de relatief gunstige trend van de Smient en voor Kleine zwaan ook door het beperkte gebruik van het Triangelgebied in het verleden.

Het plangebied maakt voorts geen onderdeel uit van Natuurnetwerk Nederland en/of belangrijk weidevogelgebied. Compensatie voor deze beschermde gebieden is niet van toepassing.

Als er panden worden gesloopt dan dient voor bepaalde beschermde soorten nog wel aanvullend specifiek onderzoek uitgevoerd te worden.

Uit het onderzoek van Van der Helm (uitgevoerd in 2012 ten behoeve van een eerder uitwerkingsplan) blijkt dat er diverse beschermde soorten aanwezig zijn, zoals de Gewone- en ruige dwergvleermuis. Mogelijk te slopen bedrijfswoningen aan de Tuinbouwweg zijn in het historisch onderzoek niet meegenomen.

Er zijn nog wel maatregelen nodig ter bescherming van algemeen beschermde broedvogels, kleine modderkruiper en de mogelijk te vestigen rugstreeppad. Deze maatregelen dienen te worden overgenomen in een ecologisch werkprotocol. Verder zijn de volgende acties nodig:

  • Als er panden ten oosten van de Tuinbouwweg worden gesloopt, dient er aanvullend onderzoek plaats te vinden. Het onderzoek moet zich richten op het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vleermuizen en jaarrond onderzoek naar nesten van beschemde vogels.
  • Bij de aanleg van het NS trein station moeten in ieder geval sloten worden gedempt en wellicht ook nog elders in het plangebied. Als er sloten worden gedempt moet er gewerkt worden conform een vooraf opgesteld ecologisch werkprotocol. Hierin moet staan op basis van welke goedgekeurde gedragscode er handelingen worden verrricht ten behoeve van tabel 2-soort: “kleine modderkruiper”, de “niet beschermde soort(en)groepen”.
  • De werkzaamheden uit voeren buiten het vogelbroedseizoen (circa 15 maart - 15 juli). Indien dit niet mogelijk, dan dienen werkzaamheden te worden uitgevoerd onder ecologische begeleiding.
  • Indien wordt voorzien dat de werkzaamheden tijdens het vogelbroedseizoen gaan plaatsvinden, voorzorgsmaatregelen te nemen ter voorkoming van broedende vogels (tijdig vegetatie verwijderen).
  • Voor de start van de werkzaamheden het projectgebied en de directe omgeving ('invloedssfeer van de werkzaamheden') controleren op algemene broedvogels. Indien broedende vogels aanwezig zijn, is het aan de deskundige om te bepalen of met de werkzaamheden kan worden aangevangen.
  • Tijdens de werkzaamheden alert zijn op het voorkomen van (beschermde) dieren op en rond het projectgebied. Bij het voorkomen van (beschermde) dieren, deze de tijd gunnen om te kunnen vluchten.
  • De vestiging van de strikt beschermde rugstreeppad in het plangebied dient te worden voorkomen.
  • Indien men onverwachts beschermde soorten aantreft, altijd het advies van een deskundige te raadplegen.
  • Bij twijfel over de aanwezigheid van beschermde soorten de hulp van een deskundige in te roepen.
  • Voorkomen moet worden dat er verstorende buitenverlichting wordt gebruikt.


PAS
Onderzocht is of als gevolg van de ontwikkeling gevolgen optreden in de vorm van stikstofdepositie. Onderzocht is of als gevolg van extra verkeersbewegingen mogelijk een signficante bijdrage optreedt op beschermde gebieden.

Uit het onderzoek is gebleken dat als gevolg van de stikstofdepositie een passende beoordeling niet noodzakelijk is. Een effect als gevolg van extra verkeersbewegingen naar het (verder dan drie kilometer) verderop gelegen Habitatrichtlijngebied “Nieuwkoopse Plassen” en “polder Haeck” kan als niet significant worden beschouwd. Bovendien is met het vaststellen van de PAS een passende beoordeling vastgesteld. Deze passende beoordeling bevat de juridische onderbouwing dat nieuwe of gewijzigde woningbouw-, infrastructuur- en bedrijfsactiviteiten mogelijk zijn. Er is ontwikkelruimte, omdat lokale kleine stijgingen in stikstofdepositie op natuurgebieden, op landelijk niveau gecompenseerd worden.

Conclusie
Het aspect ecologie staat het vaststellen van het uitwerkingsplan niet in de weg, indien de bovenstaande aanvullende ecologische onderzoeken worden uitgevoerd en de resultaten daarvan verwerkt worden in het uitwerkingsplan.

5.6 Geluid

5.6.1 Wet- en regelgeving

Geluid kan de leefkwaliteit sterk beïnvloeden. Mensen die veelvuldig worden blootgesteld aan een hoog niveau van wegverkeers-, railverkeers- en /of industrielawaai kunnen hierdoor lichamelijke en psychische klachten oplopen.

De Wet geluidhinder hanteert een systeem van zones (aandachtgebieden) rond geluidsbronnen. Voor dit onderzoek zijn de volgende definities uit de Wet geluidhinder van belang ten aanzien van zones en grenswaarden binnen zones.

  • Een weg heeft in de zin van de Wet geluidhinder een geluidszone wanneer de maximaal toegestane rijsnelheid 50 km/u bedraagt of hoger.
  • Een weg heeft een zone die zich uitstrekt vanaf de as van de weg tot de volgende breedte aan weerszijden van de weg:

a. in stedelijk gebied:

1. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 200 meter;
2. voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken: 350 meter;

b. in buitenstedelijk gebied:

1. voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken: 250 meter;
2. voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken: 400 meter;
3. voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter.

De zonebreedte van spoorwegen zijn vastgesteld in het Geluidregister Spoor van 5 augustus 2015, vastgesteld in het Besluit geluidhinder.

Onderzoeksverplichting

De Wet geluidhinder verplicht ertoe onderzoek uit te voeren naar de geluidsbelasting op geluidsgevoelige bestemmingen binnen vastgestelde onderzoeksgebieden langs gezoneerde geluidsbronnen. Onder geluidsgevoelige bestemmingen wordt verstaan (art. 1 Wgh):

Woningen;

Onderwijsgebouwen;

Ziekenhuizen en verpleeghuizen;

Verzorgingstehuizen;

Geluidsgevoelige terreinen;

Kinderdagverblijven.

In het kader van de Wet geluidhinder is er geen onderzoeksplicht naar 30 kilometer wegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening kan het echter wel noodzakelijk zijn de akoestische gevolgen van de 30 kilometer per uur wegen in kaart te brengen om te onderzoeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Grenswaarden

Het systeem van de Wet geluidhinder gaat hierbij uit van voorkeursgrenswaarden en maximale grenswaarden. Een geluidsbelasting onder de voorkeursgrenswaarde is toelaatbaar. De effecten van geluid worden dan aanvaardbaar geacht. Een geluidsbelasting in het gebied tussen de voorkeursgrenswaarde en de maximale grenswaarde is alleen toelaatbaar na een afwegingsproces. Het afwegingsproces heeft vorm gekregen in de procedure vaststelling hogere waarden voor geluid. Een geluidsbelasting hoger dan de maximale grenswaarde is niet toelaatbaar.

In onderstaande tabel is een overzicht gegeven van de wettelijke grenswaarden per geluidsbron.

Bestemming   Geluidsbron   Geluidsbelasting Lden en dB  
    Voorkeursgrenswaarde   Maximale grenswaarde  
Nieuw te bouwen woningen   wegverkeer   48   63  
  Railverkeer   55   68  
  Industrie*   50   55  

* Industrielawaai wordt uitgerekend in equivalente geluidsniveaus in dB(A)

Gemeentelijke beleid t.a.v. Hogere waarden

Op 3 september 2012 heeft de gemeente Beleidsregel Hogere waarden Regio Midden-Holland van 16 april 2012 mede ondertekend. In deze beleidsregel staan voorwaarden weergegeven waaronder burgemeester en wethouders een hogere waarde mogen verlenen.

In onderstaande tabel is het toetsingskader van het gemeentelijk hogere waarde beleid opgenomen (t.g.v. wegverkeer).

Tabel: Toetsingskader gemeentelijk hogere waarde beleid (ten gevolge van wegverkeer)

Geluidsbelasting   Voorwaarden hogere waarde beleid  
Wegverkeer    
< 48 dB   Voldoet aan voorkeursgrenswaarde geen hogere grenswaarde nodig en geen aanvullende voorwaarden vereist  
48-53 dB   Hogere grenswaarde nodig, geen aanvullende voorwaarden vereist  
53-63 dB   Hogere grenswaarde nodig én aanvullende voorwaarden zoals geluidsluwe gevel en geluidsluwe buitenruimte vereist  
> 63 dB   Overschrijding maximale grenswaarden, bouwen niet mogelijk anders dan met dubbele gevel, vliesgevel of dove gevel. In dat geval gelden ook aanvullende voorwaarden voor wat betreft de geluidsluwe gevel en geluidsluwe buitenruimte  

Beoordeling goede ruimtelijke ordening

In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van het plangebied. De cumulatieve geluidsbelasting geeft een indicatie voor de te verwachten geluidshinder. De cumulatieve geluidsbelasting is bepaald volgens de methode "Miedema".

De te verwachten hinder als cumulatieve geluidsbelasting is gekwantificeerd volgens onderstaande tabel.

Tabel: Milieukwaliteitsmaat (Miedema)

Gecumuleerde geluidsbelasting in Lden in dB   Milieukwaliteitsmaat  
< 50   goed  
50 - 55   redelijk  
55 - 60   matig  
60 - 65   tamelijk slecht  
65 - 70   slecht  
> 70   zeer slecht  
5.6.2 Onderzoek en resultaten

In onderstaande figuur is een overzicht gegeven van de twee plangebieden. Het betreft de gebieden Noord (rood) en Park (geel). Deelgebieden Midden (geheel) en Park (deels) is reeds in een eerder stadium beoordeeld en valt derhalve buiten dit onderzoek. In de onderstaande figuur zijn de reeds beoordeelde (deel) gebieden gearceerd weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0022.jpg"

Wegverkeerslawaai
Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van de verkeerscijfers uit de RVMH versie 2.3 van de gemeente Waddinxveen voor het jaar 2025. In deze versie is de ontwikkeling van dit plan opgenomen. De geluidscontouren zijn berekend op een hoogte van 5 meter ten opzichte van het lokale maaiveld.

Deelgebied “Noord”
Het plangebied “Noord” ligt binnen de geluidszone van de Beijerincklaan. De toekomstige weg Polderlaan “ligt” net ten zuiden van het plangebied en betreft een zogenaamde 30 kilometer per uur weg. In de navolgende afbeelding is een overzicht gegeven van de ligging van de contouren ten gevolge van de Beijerincklaan. De contouren zijn weergegeven inclusief aftrek conform artikel 110g Wet geluidhinder. In de figuur is eveneens de kavelverdeling weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0023.png"
Afbeelding - Contouren t.g.v. de Beijerincklaan incl. aftrek ex artikel 110 Wgh


Uit deze figuur blijkt dat slechts voor een heel klein deel van het deelgebied "Noord" de geluidsbelasting hoger is dan 53 dB.

Voor woningen buiten het groene vlak (Lden van 48 t/m 53 dB) dient een hogere waarde Wet geluidhinder toegekend te worden vanuit het besluit van de gemeente Waddinxveen van 3 februari 2009. In de navolgende figuur is een overzicht gegeven van de hogere waarde per kavel. Hierbij is uitgegaan van de hoogste waarde binnen de kavels zodat de vrije indeelbaarheid van de kavels gewaarborgd blijft.


afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0024.png"
Afbeelding - Te verlenen hogere waarde Wet geluidhinder t.g.v. de Beijerincklaan

Door de gemeente Waddinxveen zijn per besluit van 3 februari 2009 ten behoeve van het bestemmingsplan Triangel hogere waarden vastgesteld. In dit besluit is voor ten hoogste 236 grondgebonden woningen een hogere waarde Wet geluidhinder vastgesteld van 53 dB. De vijf woningen uit de bovenstaande afbeelding zijn, via het besluit van 3 februari 2009, reeds voorzien van een hogere waarde van 53 dB.

Binnen het overgrote deel (groen vlak) van het deelgebied komt de geluidsbelasting ten gevolge van de Beijerincklaan niet uit boven de voorkeursgrenswaarde.

Het deelgebied “Noord” ligt verder niet binnen de wettelijke zone van andere wegen. Wel “loopt” de Polderlaan (30 kilomter per uur) direct ten zuiden van het deelgebied. In de navolgende figuur is een overzicht gegeven van de gecumuleerde geluidsbelasting van de Beijerincklaan en de Polderlaan tezamen zonder aftrek artikel 110g Wgh.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0025.png"
Afbeelding - Gecumuleerde geluidscontouren exclusief aftrek artikel 110 Wgh

Uit de bovenstaande figuur blijkt dat binnen het deelgebied "Noord" de gecumuleerde geluidsbelasting uitkomt boven de 53 dB. Direct langs de Polderlaan is de geluidsbelasting hoger dan 58 dB.

Deelgebied “Park”
In de directe omgeving van deelgebied "Park" zijn geen gezoneerde wegen gelegen. De Polderlaan “loopt” langs de grens van het deelgebied. In de navolgende figuur is de gecumuleerde geluidsbelasting weergegeven exclusief aftrek artikel 110g Wgh.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0026.png"

Afbeelding - Gecumuleerde geluidsbelasting exclusief aftrek artikel 110g Wgh

Uit deze figuur blijkt dat binnen het deelgebied Park de gecumuleerde geluidsbelasting uitkomt boven de 48 dB. Direct langs de Polderlaan is de geluidsbelasting hoger dan 48 dB.

Railverkeerslawaai
De beide deelgebieden liggen buiten de geluidszone van railverkeer zoals deze, via het Geluidregister Spoor van 5 augustus 2015, is vastgesteld in de Besluit geluidhinder. Onderzoek naar de geluidsbelasting is daarmee niet noodzakelijk.

Industrielawaai
De beide deelgebieden liggen buiten de geluidszone van een gezoneerde industrieterrein. Onderzoek naar de geluidsbelasting is daarmee niet noodzakelijk.

Gecumuleerde geluidsbelasting
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is inzicht vereist in de geluidsbelasting ter plaatse van de deelgebieden. De cumulatieve geluidsbelasting is bepaald volgens de methode “Miedema”. Er wordt onderscheid gemaakt in 3 deelgebieden. De A12 speelt geen rol in de cumulatie, omdat het plangebied buiten de onderzoekszone van de A12 ligt.

Deelgebied Noord
In de navolgende figuur is een overzicht gegeven van de milieukwaliteitsmaat binnen het deelgebied Noord.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0027.png"

Afbeelding - Milieukwaliteitsmaat binnen deelgebied Noord

Uit deze figuur blijkt dat het woon- en leefklimaat binnen het deelplan Noord kan worden omschreven als redelijk tot matig.

Deelgebied Park
In de navolgende figuur is een overzicht gegeven van de milieukwaliteitsmaat binnen het deelgebied Park. Uit deze figuur blijkt dat het woon- en leefklimaat binnen het deelplan Park kan worden omschreven als goed tot redelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0028.png"


Afbeelding - Milieukwaliteitsmaat binnen deelgebied Park

Deelgebied Noord
In de directe omgeving van het deelplan Noord is alleen de Beijerincklaan de gezoneerde weg. Verder is het deelgebied niet gelegen binnen de zone van spoorwegen of industrieterreinen.

De geluidsbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai voldoet ten gevolge van de Beijerincklaan binnen een klein deel van het deelplan niet aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Het betreft hier vijf woningbouwlocaties. De gemeente Waddinxveen heeft op 3 februari 2009 voor het bestemmingsplan Triangel reeds voldoende hogere waarden verleend. Voor de vijf woningen zijn uit het besluit van 3 februari 2009 hogere waarden beschikbaar van 53 dB. Het woon- en leefklimaat in het deelgebied is redelijk tot matig.

Gevelwering nieuw te bouwen woningen
Om een goede woon- en leefkwaliteit in de nieuw te bouwen woningen te waarborgen dient middels een bouwtechnisch onderzoek aangetoond te worden dat aan een binnenwaarde van ten hoogste 33 dB conform het Bouwbesluit (afdeling 3.1) wordt voldaan. Dit onderliggend onderzoek geeft geen uitsluitsel over de gevelwering. Een door derden uit te voeren akoestisch-bouwtechnisch onderzoek moet hierover uitsluitsel bieden. Hierbij wordt geadviseerd rekening te houden met de gecumuleerde geluidsbelastingen zoals aangegeven in de figuur waarin de gecumuleerde geluidscontouren exclusief aftrek artikel 110 Wgh zijn weergegeven.

Deelplan Park
In de directe omgeving van deelgebied Park zijn geen gezoneerde wegen, spoorwegen of industrieterreinen aanwezig. Het woon- en leefklimaat in het deelgebied is goed tot redelijk.

5.6.3 Conclusie

Het geluid staat de vaststelling van dit uitwerkingsplan niet in de weg, op voorwaarde dat er in deelgebied Noord een hogere waarde wordt vastgesteld. De hogere waarden die in dit plan noodzakelijk zijn, zijn in een eerder stadia ( 3 februari 2009) al vastgesteld door de gemeente. Geadviseerd wordt om bij de vaststelling van dit plan de hogere waarde ook bij de besluitvorming te betrekken.

5.7 Water

In het kader van het bestemmingsplan Triangel is uitvoerig op het thema water ingegaan en zijn ook afspraken gemaakt met de waterbeheerders over de omgang met dit thema, zoals waterberging, veiligheid en waterkwaliteit. Tevens heeft uitvoerig onderzoek plaatsgevonden.

In navolgende is de omgang met dit thema uit het bestemmingsplan Triangel overgenomen. Dit uitwerkingsplan zal voor toetsing aan de relevante waterpartners worden voorgelegd. Op basis van voorgaande uitwerkingsplannen voor Triangel zijn aandachtspunten naar voren gebracht door het hoogheemraadschap, die in de navolgende tekst zijn verwerkt.

Veiligheid en voorkomen van wateroverlast
Door de aanleg van Park Triangel treedt functieverandering op in de Zuidplaspolder. Daardoor neemt mogelijke schade bij een dijkdoorbraak toe. De vraag is dan of de schadeklasse van de boezemkades moet worden verhoogd. Maatgevend hierbij is een doorbraak van de waterkering langs de Gouwe. De boezemkade langs de Gouwe heeft als normering schadeklasse V. Dit is de zwaarste klasse. Het verzwaren van de boezemkades is dan ook voor Park Triangel niet relevant.

In december 2005 is in opdracht van de provincie een onderzoek uitgevoerd naar de gevolgen van een overstroming voor de Zuidplaspolder. Onder andere voor plangebied Park Triangel zijn de maximaal optredende waterstanden berekend. Deze waterstand ligt 15 cm lager dan het beoogde vloerpeil van toekomstige woningen (dit was aanvankelijk NAP -5,05 m en voor nieuwe woningen recentelijk verhoogd naar NAP -4,85 m). Deze waterstand treedt op bij een dijkdoorbraak langs de Gouwe tussen Waddinxveen en de A12. Door provincie en het Hoogheemraadschap is geconcludeerd dat gezien de geringe waterdiepte, de verwaarloosbare stroomsnelheden van het water en de beschikbare evacuatietijd geen aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn.

Als gevolg van de toename aan verharding in het plangebied dient ter compensatie in totaal 11% van het bruto-plangebied nieuw oppervlaktewater gerealiseerd te worden. De toename van de verharding als gevolg van het voorliggende uitwerkingsplan is hierbij meegenomen.
Hiermee wordt voldaan aan de waterbergingsbehoefte in relatie tot de NBW-norm. De gemeente Waddinxveen en het hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard hebben overeenstemming bereikt (brief 2008.08780 d.d. 2 september 2008) om maximaal 5 ha van de benodigde waterberging te kunnen realiseren in de Vredenburghzone. Deze zone ligt ten zuiden van het plangebied en hiervoor is een ecologische functie beoogd.

Om de toekomstige waterberging in de Vredenburghzone goed te kunnen benutten, dient een verbinding van voldoende capaciteit tussen het plangebied en de Vredenburghzone aangelegd te worden. Hiertoe zal een hoofdwatergang binnen het plangebied van dit bestemmingsplan gerealiseerd worden. De bestaande peilvakgrens tussen het plangebied Park Triangel en de Vredenburghzone zal in zuidelijke richting worden verlegd, zodat Park Triangel en de Vredenburghzone onderdeel gaan uitmaken van hetzelfde peilgebied.

Voorkomen van grondwateroverlast
In het plangebied zullen de bestaande zomer- en winterpeilen gehandhaafd worden. Het toekomstige wegpeil in het plangebied wordt dusdanig gekozen dat de minimale drooglegging is gewaarborgd. De drooglegging, het verschil tussen het wegpeil en het waterpeil, voor het waterrijke plangebied met zettingsgevoelige bodem die is overeengekomen met Hoogheemraadschap en gemeente bedraagt 0,9 m. Hiermee wordt de nodige veiligheid geboden tegen grondwateroverlast.
Doordat de landbouw binnen de Zuidplaspolder in de toekomst minder belangrijk wordt, streeft het Hoogheemraadschap op termijn naar het realiseren van een flexibel peilbeheer waarbij de waterstand zich bevindt binnen een marge van NAP -6,15 m tot NAP -6,3 m.
Het watersysteem van Park Triangel zal zo worden ingericht dat het geen belemmering vormt voor het in de toekomst instellen van het genoemde peil in het gehele peilgebied waarbinnen Park Triangel valt. Dit betekent dat er bij het bepalen van de drooglegging en aanleghoogtes al rekening wordt gehouden met een peil van NAP -6,15 m. Vooralsnog zal echter worden aangesloten bij het huidige zomer- en winterpeil in het betreffende peilgebied, zijnde NAP -6,2/-6,4 m.
NB: Op basis van de huidige inzichten wordt voor nieuw te bouwen woningen een bouwpeil/aanleghoogte voor de begane grondvloer gehanteerd van NAP -4,85 m. Voor de bestaande woningen die een lager vloerpeil hebben is bij verbouwing een bouwpeil/aanleghoogte NAP -5,05 m mogelijk. Bij vervangende nieuwbouw moet de ook NAP -4,85 m worden. Dit wordt opgenomen in de planregels.

Tegengaan bodemdaling veengebied
Voorafgaand aan de bouw en bewoning (gebruiksfase) zal het plangebied bouwrijp gemaakt worden. Hierbij zal gedurende 8 maanden tot 3 jaar de bodemdaling (zetting) kunstmatig worden versneld (door bijvoorbeeld de toepassing van verticale drainage, eventueel in combinatie met een extra bovenbelasting bestaande uit een grondlichaam en/of het afgraven van zettingsgevoelige bodemlagen zoals klei en veen en het terugbrengen van zand) teneinde gedurende de gebruiksfase de bodemdaling te beperken tot acceptabele waarden (norm). De norm die hiervoor gehanteerd wordt is dat een restzetting van 10 cm wordt geaccepteerd ter plaatse van wegen en riolering. Ter plaatse van tuinen wordt voorzien in een restzetting van 0 cm. De nadere uitwerking hiervan, zoals de systeemkeuze van de versnelde consolidatie, dient in overleg met het Hoogheemraadschap tot stand te komen. Het Hoogheemraadschap spreekt haar bezorgdheid uit over een toename van kwel.

Riolering en waterkwaliteit
In het gebied wordt een verbeterd gescheiden stelsel aangelegd waarbij, waar mogelijk, afstromend hemelwater van schone oppervlakken direct wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het afkoppelen geschiedt met inachtneming van de daarvoor bij het Hoogheemraadschap geldende richtlijnen. Voorbeelden van oppervlakken die relatief schoon zijn, zijn onder andere daken en verkeersluwe wegen. Hiermee wordt voorkomen dat schoon hemelwater afgevoerd wordt naar de afvalwaterrioolzuiveringsinstallatie. Verder zal het Nationaal Pakket Duurzaam Bouwen toegepast worden, alsmede niet-uitlogende en milieuvriendelijke beschoeiing en betuining.

Hiermee wordt verontreiniging van het afstromende hemelwater beperkt. Omwille van de waterkwaliteit, worden in het plangebied geen doodlopende watergangen aangelegd, hetgeen de doorspoelbaarheid gunstig beïnvloed.

Inrichting en ecologie
In het plangebied zullen de oevers ter plaatse van de openbare ruimte natuurvriendelijk worden ingericht. Het hoogheemraadschap stelt dat minimaal 50% van de totale oeverlengte op deze wijze wordt ingericht. Een natuurvriendelijke oeverinrichting bestaat uit oevers met een flauw talud, zodat de waterdiepte geleidelijk afneemt. Hiermee wordt een variatie aan vegetatietypen gestimuleerd. Door een inrichting van het watersysteem met een waterdiepte van minimaal 1 m wordt een robuust watersysteem gerealiseerd. De natuurvriendelijke oevers dragen bij aan de doelstellingen van de Kaderrichtlijn Water (KRW).

Het plangebied is gesitueerd in een gebied met wateraanvoer waardoor de doorspoeling goed is. In combinatie met de aanstaande sanering van lozingen van de glastuinbouw zal de waterkwaliteit naar verwachting verbeteren.

Beheer en onderhoud
Alle hoofdwatergangen zijn in beheer en in onderhoud bij het hoogheemraadschap. De gemeente is in principe verantwoordelijk voor het onderhoud van de overige watergangen en het beheer en onderhoud van de riolering en hemelwaterafvoer, alsmede de daarmee samenhangende kosten.

De gemeente en het hoogheemraadschap hebben echter de intentie uitgesproken dat het dagelijks en buitengewoon onderhoud van alle watergangen bij wijze van pilot zal worden uitgevoerd door het hoogheemraadschap. Voorwaarde hierbij is dat alle watergangen vanaf de kant bereikbaar dienen te zijn voor onderhoud en dat een obstakelvrije onderhoudsstrook (breedte 5 m) aanwezig is over de volle lengte van de watergangen. Daarnaast dienen de kruisingen met wegen doorvaarbaar te zijn voor varend onderhoudsmaterieel.

Tevens dienen de bewoners te worden ingelicht over de plichten, geboden en verboden met betrekking tot het onderhoud en activiteiten ter plaatse van het aangrenzende open water (de toepassing van geschikte bouwmaterialen, de eisen ten aanzien van bebouwing en steigers etc.). In dit opzicht is de aanwezigheid van bomen en grote struiken langs de oevers in algemene zin niet gewenst omdat dit leidt tot te veel beschaduwing en overmatige bladval in het water. Bouwen langs of in de hoofdwatergang is niet toegestaan omdat dan de bereikbaarheid voor het onderhoud wordt belemmerd. Daarnaast zal de benodigde transportcapaciteit van de hoofdwatergang ontoelaatbaar worden beperkt indien bebouwing plaatsvindt.

Opgemerkt wordt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem vergunning dient te worden aangevraagd bij het hoogheemraadschap op grond van de "Keur" (ex artikel 77 en 80 van de Waterschapswet). In de keur is ook geregeld dat "beschermingszone" voor watergangen in acht dienen te worden genomen. Het komt erop neer dat binnen de beschermingszone vanaf de insteek van de watergang (bovenkant talud) enkele meters niets gebouwd en opgeslagen mag worden. De laatst genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd.

Voor het afkoppelen en direct lozen op het oppervlaktewater dient bij het Hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd in het kader van de Waterwet.

Advies Hoogheemraadschap
De waterparagraaf van dit uitwerkingsplan zal voor advies voorgelegd worden aan het hoogheemraadschap.

5.8 Luchtkwaliteit

5.8.1 Wettelijk kader

Indien mensen met regelmaat luchtverontreinigende stoffen inademen kan dit leiden tot effecten op de lichamelijke gezondheid. Daarom moet bij ruimtelijke planvorming rekening worden gehouden met de effecten van de plannen op de luchtkwaliteit en de luchtkwaliteit ter plaatse.

De Wet luchtkwaliteit (artikel 5.16, eerste lid, Wm) stelt dat een ruimtelijke plan of project doorgang kan vinden indien:

  • a. een project niet tot het overschrijden van een grenswaarde leidt;
    de luchtkwaliteit ten gevolge van het project (per saldo) verbetert of ten minste gelijk blijft;
  • b. een project “niet in betekenende mate” (NIBM) bijdraagt aan de concentratie van relevante stoffen in de buitenlucht (De NIBM bijdrage is gedefinieerd als een toename van de concentraties van zowel fijn stof (PM10) als stikstofdioxide (NO2) met minder dan 3% van de grenswaarde of wel 1,2 µg/m3 PM10 of NO2 jaargemiddeld.);
  • c. een project is opgenomen of past binnen het Nationaal Samenwerkingsprogramma Lucht (NSL). (Het programma bevat een pakket maatregelen dat erop gericht is om grote ruimtelijke projecten tijdig aan de grenswaarden te laten voldoen.)
5.8.2 Onderzoek en resultaten

Het plan maakt onderdeel van het IBM-project “Woonwijk Triangel” dat onder nummer 1489 in het NSL is opgenomen, en is ten opzichte van de NSL-melding niet gewijzigd. Hiermee kan gesteld worden dat op grond van artikel 5.16, eerste lid, onder d, Wm (“grondslag NSL”) voldaan wordt aan de eisen van de Wet Luchtkwaliteit. Nader onderzoek naar de bijdrage aan de luchtverontreiniging ten gevolge van de planontwikkeling is om deze reden niet noodzakelijk.

Om een indruk te geven van de concentraties NO2, PM10 en PM2,5 ten gevolge van het gehele plan Triangel zijn de concentraties, berekend door de NSL-Monitoringsronde 2014, langs de Beijerincklaan en Tweede Bloksweg (ter hoogte van het plangebied) in de figuren hieronder gepresenteerd. De Monitoringstool brengt jaarlijks de luchtkwaliteit in Nederland in beeld en is beschikbaar gesteld via: http://www.nsl-monitoring.nl/.

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0029.png" Afbeelding - Jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Beijerincklaan en Tweede Bloksweg in het jaar 2015. Bron: Monitoring NSL 2014, rekenpunt 15836562

afbeelding "i_NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401_0030.png" Afbeelding - Jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 langs de Beijerincklaan en Tweede Bloksweg in het jaar 2030. Bron: Monitoring NSL 2014, rekenpunt 15836562.

Uit de monitoringstool luchtkwaliteit blijkt dat zowel in het jaar 2015 als in de jaren 2020 en 2030 de luchtkwaliteitsnormen voor PM10, en NO2 en PM 2,5 op de planlocatie niet worden overschreden.

Het project Linten 4 is in het NSL opgenomen als onderdeel van het IBM -project “Woonwijk Triangel”. In de verkeersgegevens van de Monitoringstool is rekening gehouden met de realisatie van in totaal 1500 woningen in 2030.

Uit de NSL Monitoring 2014 blijkt dat in het plangebied ruim wordt voldaan aan de grenswaarden voor NO2 en PM10. Aldus wordt de realisatie van het bouwplan conform artikel 5.16, eerste lid, onder d (“grondslag NSL”)) van de Wet milieubeheer toelaatbaar geacht.

5.8.3 Conclusie

De luchtkwaliteit staat de vaststelling van dit uitwerkingsplan niet in de weg.

5.9 M.E.R.

5.9.1 Wettelijk kader

De wet- en regelgeving voor milieueffectrapportage (m.e.r.) is vastgelegd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en in de AMvB Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). In de Wet milieubeheer zijn vooral de procedurele verplichtingen opgenomen en de Plan m.e.r.-plicht voor plannen met gevolgen voor Natura 2000 gebieden. In het Besluit m.e.r. staat activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r. verplicht geldt.
Globaal zijn er 3 soorten m.e.r.

1. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer:

  • a. het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)m.e.r. noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)m.e.r. noodzakelijk is. Dit zijn de activiteiten die genoemd zijn in kolom 1 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Voor een activiteit uit Bijlage D geldt de plan-m.e.r. plicht direct als ze groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2. Als ze kleiner is dan die drempelwaarden, wordt de plan-m.e.r. plicht bepaald door de vormvrije m.e.r.-beoordeling.
  • b. de activiteiten in het bestemmingsplan leiden tot mogelijk significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (passende beoordeling noodzakelijk).

Bij een plan-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 3 van Bijlage C en D van het Besluit m.e.r.

2. Een project- of besluit-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer:

  • a. de activiteit genoemd is in Bijlage C van het Besluit m.e.r.
  • b. de initiatiefnemer of het bevoegd gezag besloten hebben dat voor een activiteit uit Bijlage D van het Besluit m.e.r. een milieueffectrapport opgesteld wordt, cq. moet worden.

Bij een project- of besluit-m.e.r. gaat het om besluiten uit kolom 4 van Bijlage C of D van het Besluitm.e.r. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan dat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een m.e.r.-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een bedrijf (met aanzienlijke milieugevolgen).

3. Een m.e.r.-beoordeling is wettelijk verplicht voor de activiteiten in kolom 1 van Bijlage D van het Besluit m.e.r. indien de activiteit groter is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient de inde Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure gevolgd te worden. Indien de activiteit kleiner is dan de getalsmatige drempelwaarden in kolom 2 van Bijlage D dient beoordeeld te worden of de in de Wet milieubeheer beschreven m.e.r.-beoordelingsprocedure al dan niet nodig is. Dit noemt men vormvrije m.e.r.-beoordeling.

5.9.2 Onderzoek en resultaten

In het kader van het moederbestemmingsplan “de Triangel” is in december 2005 een MER opgesteld. Het moederplan voorziet in de ontwikkeling van circa 2900 woningen en 3 hectare aan kantoor, groen en water. Het rapport is te vinden onder kenmerk W1792-01-009 met als datum 6 december 2005 kenmerk MD-WR20050785. In 2008 is een aanvullend onderzoek verricht op het eerdere MER met kenmerk C0991-01-001 versie 4.

Omdat de ontwikkeling past binnen het onderzoek van het MER ten behoeve van het moederplan wordt met dit MER voorzien in de m.e.r.-plicht voor het voorliggende bestemmingplan.

Op het bestemmingsplan rust geen plicht tot het uitvoeren van een m.e.r., m.e.r.-beoordeling of een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

5.9.3 Conclusie

M.e.r. staat de vaststelling van dit uitwerkingsplan niet in de weg.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten

6.1 Opzet regels

Uitgangspunt bij een uitwerkingsplan is dat dit juridisch bezien deel gaat uitmaken van het 'moederplan', in dit geval het bestemmingsplan Triangel. Ter plaatse van het uitwerkingsplan wordt de globale bestemming 'Uit te werken Woongebied (UW)' in het 'moederplan' vervangen door gedetailleerde bestemmingen, i.c. de bestemmingen 'Wonen' en 'Verkeer-Railverkeer; dit alles binnen het juridisch kader van het 'moederplan'.
In principe zijn de voorschriften van het bestemmingsplan Triangel, direct van toepassing op dit uitwerkingsplan. Met name het grootste deel van Hoofdstuk III Algemene bepalingen en de overgangsbepalingen in Hoofdstuk IV van de voorschriften van dat 'moederplan' gelden direct voor dit uitwerkingsplan. Die bepalingen worden dan ook niet meer opgenomen in de regels van dit uitwerkingsplan.
In dit uitwerkingsplan zijn alleen die regels opgenomen, die nodig of nuttig zijn voor de toepassing van de in dit plan opgenomen bestemmingen.

De regels van het onderhavige uitwerkingsplan zijn ingedeeld in vier hoofdstukken, conform de voorschriften in de SVBP2012 (Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen 2012), te weten:

Inleidende regels

Dit hoofdstuk bevat twee artikelen. In artikel 1 Begrippen zijn de begrippen omschreven die worden gehanteerd in het plan en die een eenduidige omschrijving behoeven. Diverse begrippen, zoals 'plan' en 'bestemmingsplan', hebben de omschrijving gekregen die is voorgeschreven in de SVBP2012. In artikel 2 Wijze van meten is bepaald hoe de diverse maten, als bouwhoogte, goothoogte, inhoud en oppervlakte van bouwwerken worden gemeten. Ook deze regels zijn voorgeschreven in de SVBP2012.

Bestemmingsregels

In dit hoofdstuk worden regels gegeven voor de binnen het plangebied toegestane functies. Per bestemming zijn de doeleinden c.q. de toegelaten gebruiksvormen van de gronden aangegeven. In beginsel is iedere vorm van bebouwing, die past binnen de desbetreffende bestemming tot een bepaalde omvang rechtstreeks (dus zonder eventuele afwijkingsvergunningen of wijzigingen) toegestaan.

Indien wordt voldaan aan de voorgeschreven maatvoering (bebouwingspercentage, goothoogte en dergelijke) en wordt gebouwd op de aangegeven plaats, kan hiervoor in de regel zonder meer omgevingsvergunning worden verleend.
In het geval van bijbehorende bouwwerken (vroeger: aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen) kan ook zonder omgevingsvergunning worden gebouwd, mits gebleven wordt binnen de regels van het bestemmingsplan (zie artikel 3, Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht).

Algemene regels

In dit hoofdstuk is de minimale aanleghoogte van de begane grondvloer van hoofdgebouwen (i.c. woningen) geregeld. Deze regel vloeit voort uit de waterparagraaf en is ter bevordering van de waterhuishouding en om problemen met grondwateroverlast problemen met grondwateroverlast te voorkomen.
Verder zijn bepalingen ten aanzien van strijdig gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. Daarmee wordt onder meer de vestiging van seksinrichtingen in het plangebied voorkomen.

Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk, waarvan de titel zo is voorgeschreven door de SVBP2012, bevat enkel de slotregel. Een uitwerkingsplan gaat juridisch deel uitmaken van het bestemmingsplan, waarvan het een uitwerking is, in dit geval het bestemmingsplan Triangel. Het overgangsrecht van dat bestemmingsplan blijft daarmee gelden voor dit uitwerkingsplan. Vandaar dat het uitwerkingsplan geen overgangsrecht bevat.
In de slotregel is bepaald wat de officiële naam van het uitwerkingsplan is.

6.2 Bestemmingsregels

In dit uitwerkingsplan is sprake van een viertal bestemmingen, de bestemmingen Verkeer, Wonen, Verkeer - Railverkeer en Waarde - Archeologie 2.

Verkeer

De erftoegangswegen, inclusief fiets- en voetpaden, groenelementen, water en parkeerplaatsen, zijn als "Verkeer" bestemd. De bestemming heeft een globaal karakter en maakt de aanleg van deze wegen mogelijk.

Verkeer - Railverkeer
De bestemming Verkeer -Railverkeer is gegeven aan het nieuwe stationsgebied met de daarbij behorende geplande voorzieningen, zoals fietsenstallingen dat ten oosten van de spoorlijn ligt. Binnen deze bestemming is de bouw mogelijk van een relaishuis van maximaal 40 m2. Tevens wordt de bouw mogelijk gemaakt van een fietsenstalling met een oppervlakte van maximaal 500 m2 en 9 m hoog. Deze forse hoogte komt omdat de fietsenstalling een bijzonder herkenningselement moet worden voor het nieuwe treinstation.

Wonen
Deze bestemming regelt de nieuwe bouwkavels. De bestemmings- en bouwregels in dat artikel zijn gebaseerd op de uitwerkingsregels in artikel 6, Uit te werken Woongebied (UW), van het 'moederplan' en op de spelregels zoals genoemd in het Stedenbouwkundig plan Lint Tuinbouwweg.
Zo zijn het bouwvlak, het toegestane woningtype, de hoogtematen en de aan te houden afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen op de verbeelding en in de regels opgenomen. Hierbinnen kunnen de ontwikkelingen plaatsvinden.

Een belangrijke eis die voortvloeit uit het stedenbouwkundig plan is dat de voorgevels van de bouwvolumes ten opzichte van elkaar minimaal 1 meter moeten verspringen. Dit is een dwingende eis. Een verspringing binnen een bouwvolume is eveneens toegestaan indien sprake is van aaneengebouwde woningen.

Om te voorkomen dat op den duur onwerkbare situaties bestaan is tevens een afwijkingsbevoegdheid opgenomen om te kunnen afwijken van deze verspringingseis. Hierbij gelden wel eisen zoals het niet veroorzaken van onevenredige belemmeringen voor omwonenden en dat voldaan worden aan de bepalingen van het stedenbouwkundig plan. Afwijkingen van de verspringingseis worden getoetst door het kwaliteitsteam (Q-team) Park Triangel.

Ten aanzien van de aan te houden afstanden tot de zijdelingse perceelsgrenzen is eveneens gewerkt met het begrip bouwvolumes. Deze eis houdt in dat bij vrijstaande en twee onder één kappers de afstanden van de bouwvolumes tot de zijdelingse perceelsgrens minimaal twee, dan wel drie meter moet zijn. Bijgebouwen behorende tot deze woningen hoeven niet te voldoen aan deze eis.

Tevens is per bouwvlak aangegeven hoeveel woningen maximaal gerealiseerd mogen worden. Om enige flexibiliteit te bewaren is ten opzichte van het stedenbouwkundig plan bij ieder bouwvlak een woning extra mogelijk gemaakt. Dit vergroot de flexibiliteit.

Ten aanzien van hoofdgebouwen zijn verder het type woning per bouwvlak en de goot- en bouwhoogte vastgelegd. De bouwvlakken zijn overeenkomstig het stedenbouwkundig plan op 6 meter uit de erfgrens gelegd.

Aangezien op sommige plekken parkeerkoffers zijn voorzien, zijn in de woonbestemming tevens parkeervoorzieningen mogelijk gemaakt.

Naast een regeling voor hoofdgebouwen (woningen) zijn tevens regels opgenomen ten aanzien van bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Ook deze zijn zo veel mogelijk afgestemd op de eerder genoemde uitwerkingsregels en stedenbouwkundig plan.
Hetzelfde geldt voor de regels die zijn opgenomen ten aanzien van het uitoefenen van een beroep of bedrijf aan huis. In een woning en bijbehorende bouwwerken is de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan. Daarbij is detailhandel expliciet uitgesloten. Internetwinkels, die wel detailhandel zijn, maar dan zonder de fysieke vorm of uitstraling van een winkel, zijn wél toegestaan. Van het begrip 'internetwinkel' is een omschrijving opgenomen in artikel 1 van de regels.

Waarde - Archeologie 2

De gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ zijn mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. De dubbelbestemming bevat een bouwverbod met afwijkingsmogelijkheid en een omgevingsvergunningenstelsel voor werken en werkzaamheden.

Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid

De gemeente heeft samen met BPD (voorheen Bouwfonds) een gemeenschappelijke exploitatie maatschappij (GEM) opgericht voor de ontwikkeling van Park Triangel. Voor deze ontwikkeling is een gezamenlijke grondexploitatie vastgesteld en zijn kredieten gereserveerd waaruit de realisatie van de nieuwe woonwijk grotendeels wordt betaald. Afspraken hierover zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst.

Hoofdstuk 8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Ter inzage legging

Het ontwerp van het uitwerkingsplan heeft van 13 januari tot en met 3 maart 2016 ter inzage gelegen. Tevens is een informatieavond georganiseerd. Tijdens deze ter inzage legging is één zienswijze binnen gekomen. Tevens zijn er enkele ambtelijke aanpassingen doorgevoerd naar aanleiding van voortschrijdend inzicht.

De reacties op het uitwerkingsplan en de doorgevoerde wijzigingen zijn samengevat in een Nota van beantwoording zienswijzen. Deze nota is bijgevoegd in bijlage 7.

Het uitwerkingsplan is op 22 maart 2016 vastgesteld door het college van Burgemeester en Wethouders.