direct naar inhoud van Regels
Plan: Triangel plan 3
Status: vastgesteld
Plantype: uitwerkingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

In dit plan wordt verstaan onder:

1.1 het plan:

het bestemmingsplan Triangel, Uitwerkingsplan Triangel plan 3 van de gemeente Waddinxveen;

1.2 bestemmingsplan:

de geometrisch bepaalde planobjecten met bijbehorende regels als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0627.Uptriangelplan3-0401 met de bijbehorende regels;

1.3 aan-huis-gebonden-beroep:

een dienstverlenend beroep, dat in een woning dan wel in een bijbehorend bouwwerk door de bewoner wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.4 aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens:

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 achtererf:

erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen;

1.7 bestaand bouwwerk:

bouwwerk, zoals dat bestaat of rechtens mag bestaan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan;

1.8 bestaand gebruik:

gebruik, zoals dat bestaat of rechtens mag bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;

1.9 bestemmingsgrens:

de grens van een bestemmingsvlak;

1.10 bestemmingsvlak:

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.11 bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;

1.12 bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

1.13 bouwgrens:

de grens van een bouwvlak;

1.14 bouwlaag:

een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitsluiting van zolder en onderbouw;

1.15 bouwvlak:

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouw zijnde, zijn toegestaan;

1.16 bouwvolume:

een hoofdgebouw dan wel een verzameling van aaneengebouwde hoofdgebouwen, niet zijnde erfbebouwing.

1.17 bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.18 brutovloeroppervlakte:

de vloeroppervlakte van alle voor mensen toegankelijke ruimten binnen een gebouw;

1.19 detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen, geen motorbrandstoffen zijnde, voor gebruik, verbruik of aanwending overwegend anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit;

1.20 gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.21 hoofdgebouw:

gebouw, of gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige bestemming van een perceel en, indien meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die bestemming het belangrijkst is;

1.22 horecabedrijf:

een bedrijf, gericht op één of meer van de navolgende activiteiten:

  • a. het verstrekken van al dan niet ter plaatse te nuttigen voedsel en dranken;
  • b. het exploiteren van zaalaccommodatie;
  • c. het verstrekken van nachtverblijf;
1.23 internetwinkel:

detailhandel via internet, met dien verstande dat:

  • a. het te koop aanbieden, de uitstalling ten verkoop en het verkopen uitsluitend geschieden via internet en niet fysiek ter plaatse, en
  • b. het leveren van goederen overwegend plaatsvindt via post-, pakket- of soortgelijke bezorgdiensten;
1.24 kap:

een afdekking van een gebouw met schuine zijden waarbij de hellingshoek tenminste 20 en ten hoogste 60 graden bedraagt.

1.25 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:

het in een woning of in een bijbehorend bouwwerk door de bewoner op bedrijfsmatige uitoefenen van activiteiten, waarvoor geen melding of vergunning op grond van de Wet milieubeheer vereist is, waarbij de woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is;

1.26 onderkomen:

een voor verblijf geschikt, al dan niet aan zijn bestemming onttrokken, vaar- of voertuig, ark of caravan, voor zover dat/die niet als een bouwwerk is aan te merken, alsook een tent;

1.27 peil:
  • a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg;
  • b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
1.28 seksinrichting:

een inrichting, bestaande uit een of meer voor publiek toegankelijke, besloten ruimten, waarin bedrijfsmatig of op een daarmee vergelijkbare wijze, seksuele handelingen worden verricht; onder een hiervoor bedoelde inrichting worden in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf en raamprostitutiebedrijf;

1.29 stationsvoorziening:

voorzieningen die het tijdelijke verblijf, in- en uitstappen van de reiziger op het station mogelijk maakt waaronder toegangen, perrons, sporen, toegangspoorten, wachtruimten, liften, trappen, ondergeschikte voorzieningen voor service- en detailhandeldoeleinden (zoals kiosken), stalling voor fietsen, bouwwerken voor het onderbrengen van elektrotechnische voorzieningen en andere voor stationsdoeleinden gebruikte bouwwerken.

1.30 voorgevel:

de naar de weg gekeerde of aan de voorzijde van een gebouw gelegen gevel;

1.31 voorgevelrooilijn:

de lijn die horizontaal loopt door het buitenwerks vlak van de voorgevel, tot aan de perceelsgrenzen;

1.32 zeer kwetsbare groepen:

groepen van personen met een permanente functionele beperking, te weten personen die door geestelijke of lichamelijke beperking, door zeer jonge leeftijd of door detentie niet in staat zijn om zichzelf, zonder daadwerkelijke hulp van buitenaf, binnen korte tijd in veiligheid te brengen (vluchten), of bescherming te zoeken tegen de nadelige effecten van een calamiteit (schuilen);
voorbeelden van functies en voorzieningen waar deze groepen zich bevinden zijn: basisscholen, kinderdagverblijven, verzorgingstehuizen, opvang gehandicapten en penitentiaire inrichtingen;

1.33 zijerf:

de gronden die behoren bij het hoofdgebouw en gelegen zijn aan de zijkant(en) van dat hoofdgebouw tussen de denkbeeldige lijnen van het verlengde van de voor- en achtergevel.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

2.2 de breedte van de voorgevel:

de kortste afstand tussen de buitenwerkse gevelvlakken van de zijgevels;

2.3 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel. Ter verduidelijking: Indien de goot/de druiplijn, het boeiboord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel lager zijn gemonteerd dan het snijvlak van de gevel en het dakvlak, geldt de hoogte tot aan het snijvlak;

2.4 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer (peil), de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

2.5 de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Verkeer

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. gebiedsontsluitingswegen;
  • b. erftoegangswegen;
  • c. voetpaden, fietspaden;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. geluidwerende voorzieningen;
  • f. kleinschalige speelvoorzieningen;
  • g. uitstekende delen aan gebouwen die toegelaten zijn krachtens een aangrenzende bouwbestemming;

met daaraan ondergeschikt:

  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. groenvoorzieningen;
  • j. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. nutsvoorzieningen;
  • l. (ondergrondse) afvalvoorzieningen;
  • m. kunstobjecten;

met de daarbij behorende:

  • n. bebouwing en kunstwerken.
3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  • b. in afwijking van het gestelde onder 3.2.1 onder a mogen de goot- en bouwhoogte van openbare nutsvoorzieningen respectievelijk 3 en 6 meter bedragen.
3.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van lichtmasten mag niet meer dan 10 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,5 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer dan 7 meter bedragen;
  • d. uitstekende delen aan gebouwen als bedoeld in het eerste lid onder g, mogen niet dieper dan 1,0 meter uit de gevel en tenminste 2,5 meter boven maaiveld zijn.
3.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een samenhangend stedenbouwkundig beeld;
  • b. een goede woonsituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de sociale veiligheid;
  • e. de bescherming van de groenstructuur;
  • f. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 4 Verkeer - Railverkeer

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Verkeer - Railverkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. spoorwegvoorzieningen;
  • b. gelijkvloerse en ongelijkvloerse kruisingen ten behoeve van wegen, straten en water;

met de daarbij behorende:

  • c. stationsvoorzieningen;
  • d. ongebouwde parkeervoorzieningen;
  • e. fietsenstallingen;
  • f. groenvoorzieningen, waaronder bermen, taluds en beplanting;
  • g. kunstwerken;
  • h. water;
  • i. waterhuishoudkundige voorzieningen;
4.2 Bouwregels
4.2.1 Algemeen

Op of in de gronden mogen worden gebouwd:

  • a. één relaishuis van maximaal 40 m2 en 5 meter hoog;
  • b. fietsenstallingen met een maximaal oppervlak van 500 m2 en een bouwhoogte van 9 meter;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten dienste van de bestemming.
4.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt de volgende bepaling:

  • a. de bouwhoogte bedraagt maximaal 5 m.

Artikel 5 Wonen

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wonen;
  • b. andere voorzieningen zoals (ontsluitings)wegen en fiets- en voetpaden, waterlopen en waterpartijen, parkeergelegenheden, geluidswerende voorzieningen en groen- en speelvoorzieningen;
  • c. nutsvoorzieningen, waaronder begrepen gemalen, gasdrukregelstations en ondergrondse afvalcontainers.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Toegestane bouwwerken

Op en in de gronden als bedoeld in lid 5.1, mogen uitsluitend worden gebouwd:

  • a. woningen;
  • b. bijbehorende bouwwerken;
  • c. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zoals erf- of perceelafscheidingen en tuinmeubilair;
  • d. duikers en bruggen met een breedte van maximaal 5 m.
5.2.2 Bouwen

Voor het bouwen gelden de volgende bepalingen:

algemeen

  • a. van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken mag de gezamenlijke oppervlakte respectievelijk het bebouwingspercentage niet meer bedragen dan hierna is aangegeven:
    • 1. op bouwpercelen met een oppervlakte tot en met 200 m²: maximaal 40% van de oppervlakte van het betreffende bouwperceel;
    • 2. op bouwpercelen met een oppervlakte van 200 tot en met 300 m²: maximaal 35% van de oppervlakte van het betreffende bouwperceel;
    • 3. op bouwpercelen met een oppervlakte van 300 tot en met 500 m²: maximaal 30% van de oppervlakte van het betreffende bouwperceel;
    • 4. op bouwpercelen met een oppervlakte van 500 tot en met 700 m²: maximaal 25% van de oppervlakte van het betreffende bouwperceel;
    • 5. op bouwpercelen met een oppervlakte van 700 tot en met 900 m²: maximaal 175 m²;
    • 6. op bouwpercelen met een oppervlakte van meer dan 900 m²: maximaal 20% van de oppervlakte van het betreffende bouwperceel.

woningen

  • b. woningen mogen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak;
  • c. de voorgevel van een bouwvolume dient minimaal 1 meter te verspringen ten opzichte van de voorgevel van de naastgelegen bouwvolume, tenzij die is aangebouwd;
  • d. woningen mogen uitsluitend worden gebouwd:
    • 1. half-vrijstaand of vrijstaand
    • 2. drie aaneen ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding' - drie aaneen';
  • e. het aantal wooneenheden mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' is aangegeven;
  • f. binnen een bouwvlak mag tussen twee niet aaneengebouwde woningen de afstand van elk van de bouwvolumes tot de onderlinge zijdelingse perceelsgrens niet minder dan 2 m bedragen, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - zijdelingse perceelsgrens 3m' een minimale afstand van 3 m geldt;
  • g. woningen dienen te zijn voorzien van een kap;
  • h. de goothoogte en de bouwhoogte van hoofdgebouwen mag niet meer bedragen dan is aangegeven met de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte (m)' ;

bijbehorende bouwwerken

  • i. bijbehorende bouwwerken mogen binnen en buiten het bouwvlak worden gebouwd, op ten minste 5 m achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw waarbij ze horen;
  • j. de goothoogte van bijbehorende bouwwerken mag niet meer dan 3 m bedragen en de bouwhoogte niet meer dan 5 m;
  • k. bijbehorende bouwwerken dienen te zijn voorzien van een kap;

bouwwerken, geen gebouwen zijnde

  • l. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer bedragen dan daarbij hierna is aangegeven:
bouwwerken   max. bouwhoogte  
erf- of perceelafscheidingen achter de voorgevelrooilijn, op een terrein waarop een gebouw staat   2 m  
overige erf- of perceelafscheidingen   1 m  
vlaggenmasten   6 m  
overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde   3 m  
5.2.3 Parkeernorm

Binnen het plangebied moet per woning worden voldaan aan onderstaande parkeernormen:

  • vrijstaand: 2,2 parkeerplaats per woning;
  • tweekap: 2,2 parkeerplaats per woning;
  • midden rij van 3: 1,9 parkeerplaats per woning;
  • hoek rij van 3: 2,2 parkeerplaats per woning.
5.2.4 Afwijken van de bouwregels

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 5.2.2 onder c en kan worden toegestaan dat af wordt geweken van de minimale verspringing van de gevels, met dien verstande dat:

  • a. de belangen van gebruikers en/of van eigenaren van de aanliggende gronden niet worden geschaad;
  • b. de uitvoerbaarheid is aangetoond, waaronder begrepen de toelaatbaarheid op het gebied van milieu, externe veiligheid, waterhuishouding, ecologie en archeologie;
  • c. de stedenbouwkundige inpasbaarheid is aangetoond;
  • d. de verkeerssituatie niet in negatieve zin wordt beïnvloed.
5.3 Specifieke gebruiksregels
5.3.1 Aan huis gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit

In de woning en bijbehorende bouwwerken is de uitoefening van een aan huis gebonden beroep of kleinschalige bedrijfsmatige activiteit toegestaan, met inachtneming van de volgende bepalingen:

  • a. de voor de beroeps- of bedrijfsuitoefening te gebruiken brutovloeroppervlakte mag maximaal 25% van de totale brutovloeroppervlakte van de woning en bijbehorende bouwwerken bedragen, met een maximum van 80 m²;
  • b. er mag geen onevenredige afbreuk aan de woonfunctie worden gedaan;
  • c. detailhandel is niet toegestaan, behoudens een internetwinkel;
  • d. horecabedrijf is niet toegestaan;
  • e. er mag geen onevenredige milieu- of verkeershinder ontstaan.
5.3.2 Strijdig gebruik

Een gebruik in strijd met de bestemming is in ieder geval het gebruik van losstaande bijbehorende bouwwerken voor bewoning, voor zover die zijn gelegen op meer dan 3 m van de woning, loodrecht gemeten uit de gevels van de woning en de verlengden daarvan. Bewoning ten behoeve van de mantelzorg valt niet onder het strijdig gebruik.

Artikel 6 Waarde - Archeologie 2

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Deze bestemming is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Omgevingsvergunning voor het bouwen

Voor bouwwerken met een oppervlakte groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm beneden het maaiveld moet, alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
6.2.2 Voorwaarden

Indien uit het in lid 6.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor bouwen zullen worden verstoord, kunnen burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning voor het bouwen:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
6.2.3 Bouwverbod

Indien uit het in lid 6.2.1 genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning voor het bouwen zullen worden verstoord zonder dat het mogelijk is om deze door de in lid 6.2.2 genoemde voorwaarden veilig te stellen, dan wordt de omgevingsvergunning geweigerd.

6.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen gebouw zijnde, of van werkzaamheden
6.3.1 Verbod

Het is verboden voor de ‘Waarde – Archeologie 2’ aangewezen gronden, zonder of in afwijking van een schriftelijke omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

  • a. het ophogen van de bodem, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt;
  • b. het aanleggen, verbreden en/of verharden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden en/of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
  • c. het aanleggen, verbreden en dempen van sloten, vijvers en andere wateren, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
  • d. het verlagen of het verhogen van het waterpeil;
  • e. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- of andere leidingen en de daarmee verband houdende constructies, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt waarbij de breedte van deze werken tenminste 1,25 m bedraagt;
  • f. het bebossen van gronden die op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan niet als bos zijn bestemd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
  • g. het rooien van bos of boomgaard, waarbij de stobben worden verwijderd, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
  • h. het aanleggen van bos of boomgaard, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
  • i. het scheuren van grasland, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt en de bodem verstoren op een grotere diepte dan 30 cm;
  • j. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 30 cm, waartoe ook wordt gerekend woelen, mengen, diepploegen, egaliseren en ontginnen, zulks indien de oppervlakte 100 m² of meer bedraagt.
6.3.2 Uitzonderingen

Het in lid 6.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden:

  • a. welke het normale onderhoud en/of gebruik betreffen;
  • b. welke reeds in uitvoering zijn, dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan;
  • c. indien door die werken of werkzaamheden, dan wel door de daarvan hetzij direct, hetzij indirect te verwachten gevolgen, een of meer waarden of functies van de in die artikelen bedoelde gronden, welke het plan beoogt te beschermen, niet onevenredig worden of kunnen worden aangetast, zulks ter beoordeling vast te stellen door burgemeester en wethouders.
6.3.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning voor een werk, niet zijnde een bouwwerk, of werkzaamheden kan slechts worden verleend, indien door de in lid 6.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de archeologische waarden van de gronden.

6.3.4 Voorwaarden

Voor zover de in lid 6.3.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden zullen leiden tot een verstoring van de archeologische waarden van de gronden, kunnen een of meerdere van de volgende voorwaarden worden verbonden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen;
  • c. de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.
6.3.5 Onderzoeksplicht

De omgevingsvergunning wordt niet verleend dan nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin:

  • a. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
  • b. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
6.3.6 Beoordelingscriteria

Alvorens de omgevingsvergunning wordt verleend moet er ten behoeve van de beoordeling van het rapport advies worden ingewonnen bij een ter zake deskundige.

6.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door:

  • a. de bestemming ‘Waarde – Archeologie 2’ als bedoeld in artikel 6.1 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of
  • b. aan gronden de bestemming ‘Waarde – Archeologie 1’, ‘Waarde – Archeologie 3’ of ‘Waarde – Archeologie 4’ toe te kennen dan wel een bestemming ‘Waarde – Archeologie’ waarbij de overlegplicht van een archeologisch rapport bij een omgevingsvergunning voor het bouwen alsmede de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden wordt gekoppeld aan een oppervlakte groter dan 5.000 m2 en aan een diepte van meer dan 50 cm, indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de bestemming van deze gronden, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 7 Algemene bouwregels

Hoofdgebouwen mogen wat betreft de begane grondvloer uitsluitend als volgt worden gebouwd:

  • a. de bovenkant van de begane grondvloer mag niet dieper dan 4,85 m onder N.A.P. liggen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a, mag in geval van een bestaande woning met een vloerpeil dieper dan 5,05 m onder N.A.P., bij verbouwing de bovenkant van de begane grondvloer niet dieper dan 5,05 m onder N.A.P. komen te liggen.

Artikel 8 Algemene gebruiksregels

8.1 Algemeen

Een gebruik in strijd met de in het plan gegeven bestemming en met het in of krachtens het plan ten aanzien van het gebruik van gronden en bouwwerken bepaalde, is in ieder geval het gebruik van:

  • a. gronden en bouwwerken als of ten behoeve van een seksinrichting;
  • b. onbebouwde gronden als stand- of ligplaats van onderkomens, tenzij dit gebruik verband houdt met de verwerkelijking van de bestemming of het op de bestemming gerichte beheer;
  • c. als opslag-, stort- of bergplaats van machines, voer- en vaartuigen en andere al of niet afgedankte stoffen, voorwerpen en producten, tenzij dit gebruik verband houdt met de verwerkelijking van de bestemming of het op de bestemming gerichte beheer;
  • d. niet voor bewoning bestemde gebouwen of onderkomens, voor permanente bewoning.

Artikel 9 Algemene aanduidingsregels

9.1 Veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen
9.1.1 Uitsluiting vestiging 'zeer kwetsbare groepen'

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen' is de vestiging van functies of objecten voor zeer kwetsbare groepen niet toegestaan.

9.1.2 Afwijking vestiging 'zeer kwetsbare groepen'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bepaalde in sublid 9.1.1, voor de vestiging van zeer kwetsbare groepen ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - vervoer gevaarlijke stoffen', mits wordt voorzien in:

  • a. voldoende bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen voor de brandweer;
  • b. verschillende aanrijdroutes;
  • c. voldoende mogelijkheden voor ontvluchting van objecten;
  • d. een goede ontvluchting door optimale inrichting en ontsluiting van de openbare ruimte;
  • e. bouwkundige maatregelen om de mogelijkheden tot schuilen en daarmee de zelfredzaamheid te verbeteren;
  • f. een ontruimingsplan waarbij rekening wordt gehouden met een incident bij de gasleiding;

met dien verstande dat:

  • g. er voldoende aandacht dient te zijn voor risicocommunicatie en het voorbereiden en oefenen van bewoners en werknemers op het handelen bij een calamiteit;
  • h. een omgevingsvergunning niet eerder wordt verleend dan nadat ter zake advies van de brandweer is ingewonnen.
9.2 Veiligheidszone - leiding
9.2.1 Uitsluiting vestiging 'zeer kwetsbare groepen'

Ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding' is de vestiging van functies of objecten voor zeer kwetsbare groepen niet toegestaan.

9.2.2 Afwijking vestiging 'zeer kwetsbare groepen'

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bepaalde in sublid 9.2.1, voor de vestiging van zeer kwetsbare groepen ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - leiding', mits wordt voorzien in:

  • a. voldoende bluswatervoorzieningen en opstelplaatsen voor de brandweer;
  • b. verschillende aanrijdroutes;
  • c. voldoende mogelijkheden voor ontvluchting van objecten;
  • d. een goede ontvluchting door optimale inrichting en ontsluiting van de openbare ruimte;
  • e. bouwkundige maatregelen om de mogelijkheden tot schuilen en daarmee de zelfredzaamheid te verbeteren;
  • f. een ontruimingsplan waarbij rekening wordt gehouden met een incident bij de gasleiding;

met dien verstande dat:

  • g. er voldoende aandacht dient te zijn voor risicocommunicatie en het voorbereiden en oefenen van bewoners en werknemers op het handelen bij een calamiteit;
  • h. een omgevingsvergunning niet eerder wordt verleend dan nadat ter zake advies van de brandweer is ingewonnen.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 10 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als: Regels van het uitwerkingsplan Triangel plan 3.

Aldus vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Waddinxveen bij besluit van [DATUM].

De burgemeester,   De secretaris,  

 
 
....   ....