| Plan: | TAM-omgevingsplan regelbaar vermogen elektriciteitsnet Strijkviertel |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0344.BPTAMREGVERELEKSTR-VA01 |
Aanleiding
Stedin Netbeheer B.V. (hierna: Stedin) is voornemens tijdelijk flexibel vermogen in de vorm van stroomgeneratoren te realiseren om het elektriciteitsnet in de provincie Utrecht betrouwbaar te houden. Dit is onderdeel van het maatregelenpakket dat bekend is gemaakt door het kabinet op 18 oktober 2023. Vervolgens werd in april 2024 bekend dat deze maatregelen als eerste concreet worden in Utrecht, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van demissionair minister Jetten op 25 april 2024.
Op het stroomnet kan sprake zijn van netcongestie als er meer stroom moet worden gedistribueerd dan het net aankan. De congestie situatie in het gebied waar de provincie Utrecht onderdeel van uitmaakt (FGU-gebied Flevoland-Gelderland-Utrecht) is kritiek. TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) heeft in november 2022 op het deel van het landelijk net in dit gebied netcongestie afgekondigd. Het regionale net van Stedin is hiermee verbonden en kondigde in oktober 2023 netcongestie af.
Voor de benodigde netuitbreiding door TenneT is een vertraging afgekondigd tot 2033/2035. De netcongestie van TenneT wordt veroorzaakt door een tekort aan transportcapaciteit op hoogspanningsstation Breukelen-Kortrijk. Hierdoor kan er vanaf het landelijk net onvoldoende stroom op het regionale netwerk komen.
De autonome groei lijkt volgens prognoses al vanaf de winter van 2026/2027 te zorgen voor fysieke overbelasting van het regionale elektriciteitsnet. De overbelasting zal hoofdzakelijk optreden tijdens de ochtend en avondpieken in de wintermaanden. Op die momenten wordt er veel elektriciteit afgenomen die via het gelimiteerde hoogspanningsnetwerk aangeleverd moet worden. Op andere momenten in het jaar/dag zal deze overbelasting minder snel optreden, omdat afnemers van elektriciteit minder afnemen in verband met eigen (zon)opwek of een lager piekgebruik.
Figuur 1: Algemene grafiek van stroompiekmomenten in het elektriciteitsnet op 24-uurs basis (bron: Enexis Netbeheer)
Deze geprognotiseerde overbelasting zal daarna ieder jaar oplopen. Deze overbelasting brengt de betrouwbaarheid van de energievoorziening in gevaar, vertraagt de energietransitie en raakt daarmee nieuwbouw, consumenten en bedrijven. De voorgestelde maatregelen moeten ten minste tot het moment dat TenneT haar uitbreiding gereed heeft beschikbaar zijn om grote storingen (brown-outs) of stroomuitval (black-outs) te voorkomen.
Het plaatsen van regelbare opwek op strategische plekken in het net is een van de 10 noodmaatregelen om de elektriciteitsvoorziening te borgen. In het Flextender project wordt 60 MWe aan stroomgeneratoren geplaats in het regionale netwerk van Stedin. De 60 MWe wordt verdeeld over 6 modules van ieder 10 MWe die worden verdeeld over diverse locaties. Doordat de elektriciteit die deze installaties opwekken direct geleverd wordt aan het regionale netwerk wordt dit dus niet gelimiteerd door het knelpunt van TenneT en zo kunnen de netbeheerders ervoor zorgen dat er óók bij de autonome groei, voldoende elektriciteit beschikbaar is en blijft. Stedin zoekt ruimte in de nabijheid van het FGU netwerk om deze te plaatsen en aan te sluiten. Daarbij is het effect van de installaties op locaties dichterbij het knelpunt Breukelen-Kortrijk effectiever dan locaties op grotere afstand.
Figuur 2: Schematische weergave van de inzet van regelbare elektriciteitsopwek binnen het elektriciteitsnetwerk (bron: Stedin Netbeheer)
Inzet van de installaties wordt in samenwerking met TenneT bepaald. Het totaal aantal draaiuren op jaarbasis van de generatoren verschilt per locatie. Dit plan is van toepassing op het plaatsen van 30 MWe aan stroomgeneratoren op het huidige weidegebied Strijkviertel, ten noorden van de C.H. Letschertweg in Utrecht.
Wanneer de benodigde netuitbreidingen zijn gerealiseerd, zijn de stroomgeneratoren niet meer nodig en worden deze verwijderd. De stroomgeneratoren op het huidige weidegebied Strijkviertel worden geplaatst voor een periode van maximaal 10 jaar.
De installaties die worden geplaatst (de voorgenomen ontwikkeling) zijn op basis van het geldend ruimtelijk kader (het (tijdelijke) omgevingsplan) niet toegestaan en dus in strijd met de regels van het omgevingsplan.
Doelstelling
De hoofddoelstelling van deze TAM-omgevingsplanwijziging (verder: het plan) is de realisatie en het gebruik van stroomgeneratoren op het huidige weidegebied Strijkviertel tijdelijk (maximaal 10 jaar) planologisch-juridisch mogelijk te maken.
Het plangebied ligt aan de zuidkant van Utrecht waar ook het circulaire Bedrijvenpark Strijkviertel is voorzien. Het gebied is gelegen op het huidige weidegebied Strijkviertel ten noordwesten van het knooppunt Oudenrijn (A2/A12). Het plangebied is aan de noord-, oost- en westzijde begrensd door het grasland waarop de voorgenomen ontwikkeling van het bedrijvenpark is gelegen. Aan zuidzijde wordt het plangebied begrensd door het Oudenrijnsepad en even verder ten zuiden is de C.H. Letschertweg gelegen met kort daarachter de A12. Zie de figuren 3 en 4 hieronder voor de globale ligging van de locatie.
Figuur 3: Globale ligging van het plangebied, rood omcirkelt (bron: Cyclomedia 2025)
Figuur 4: Ligging plangebied, rood omlijnd
Deze TAM-IMRO Omgevingsplanwijziging geldt deels in aanvulling, deels in afwijking en deels in voorrang op het bestemmingsplan dat deel uitmaakt van het tijdelijke deel van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht dat in onderstaande tabel staat aangegeven.
| Bestemmingsplan | Vastgesteld door Raad | Onherroepelijk | |
| Circulair Bedrijvenpark Strijkviertel | 02-10-2025 | Ja | |
In het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel' is aan de kavel de functie "Bedrijventerrein" toegekend.
Elke gemeente moet op grond van de Omgevingswet die in 2024 is ingegaan alle regels over de leefomgeving in het omgevingsplan van de gemeente opnemen. In de eerste jaren na invoering was het technisch nog niet mogelijk om tegelijkertijd een aantal wijzigingen van het omgevingsplan aan te brengen. Dat betekent dat de gemeente ontwikkelplannen één voor één in procedure zou moeten brengen, met veel vertraging als gevolg. Daarom heeft het Rijk gezorgd voor een Tijdelijke Administratieve Maatregel (TAM), die de gemeente toestaat om het omgevingsplan te wijzigen met een “TAM-IMRO-omgevingsplanwijziging”. Dat is een plan in de vorm van een bestemmingsplan dat met de standaardcoderingen IMRO wordt opgesteld. Het TAM-omgevingsplan geldt juridisch als wijziging van het omgevingsplan van de gemeente. De gemeente moet te zijner tijd het TAM-omgevingsplanwijziging invoegen in het nog op te stellen “definitieve” omgevingsplan.
De toelichting van dit TAM-omgevingsplan bestaat uit 7 hoofdstukken. Hoofdstuk 2 bevat de beschrijving van de relevante beleidskaders. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bestaande situatie. Onder andere de ruimtelijke structuur, de historische ontwikkeling van het gebied en de beschrijving van de aanwezige functies worden hier beschreven. In hoofdstuk 4, de planbeschrijving, worden de mogelijkheden die het plan biedt aan de toekomstige ontwikkelingen beschreven. De diverse noodzakelijke onderzoeken ten aanzien van bijvoorbeeld milieuaspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod. Hoofdstuk 6 gaat in op de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan. In hoofdstuk 7 komt de juridische toelichting op de planregels aan bod.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is in september 2020 vastgesteld onder de Wet ruimtelijke ordening als structuurvisie en geldt sinds de inwerkingtreding van de Omgevingswet als de Nationale Omgevingsvisie. De NOVI is de eerste integrale nationale beleidsvisie conform de Omgevingswet en is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda.
De Visie
De NOVI bevat de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Nederland staat voor een groot aantal opgaven, op het gebied van klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw. De NOVI biedt daarbij een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Omgevingskwaliteit is daarbij het kernbegrip. De NOVI staat voor een nieuwe aanpak waarbij overheden en maatschappelijke organisaties met regie vanuit het Rijk integrale afwegingen maken.
Toelichting
In de toelichting worden 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving beschreven en de daarbij horende opgaven waarvoor het Rijk zich gesteld ziet. Steeds wordt per belang het huidige beleid gekoppeld en wordt de opgave gesteld die met het belang samenhangt.
Uitvoeringsagenda
In de uitvoeringsagenda staat aangegeven hoe het Rijk invulling geeft aan zijn rol bij de uitvoering van de NOVI. In de Uitvoeringsagenda is onder andere een overzicht van instrumenten en (gebiedsgerichte) programma's op de verschillende beleidsterreinen opgenomen. De Uitvoeringsagenda zal, indien nodig, jaarlijks worden geactualiseerd.
Het Rijksbeleid is vertaald in de Omgevingswet en in de vier Algemene Maatregelen van Bestuur: het Omgevingsbesluit (Ob), het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Het Besluit kwaliteit leefomgeving bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Daarnaast is regelgeving van het Rijk opgenomen in bruidsschatregels.
De gemeente Utrecht kan vooral aan de volgende nationale belangen een bijdrage leveren:
De NOVI benoemt vier prioriteiten
De opgaven die voortkomen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten:
Omgevingsinclusieve benadering
Centraal in de te maken belangenafwegingen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving in zijn volledige omvang (boven- en ondergrond). Hierbij wordt aangesloten bij de integrale opvatting van het begrip fysieke leefomgeving uit de Omgevingswet en wordt de noodzaak van een integrale afweging benadrukt. Het belangrijkste spanningsveld in die afwegingen is het spanningsveld tussen beschermen en ontwikkelen.
Een omgevingsinclusieve benadering van de leefomgeving houdt in, dat ontwikkeling van de leefomgeving samen gaat met versterking van te beschermen waarden als gezondheid, landschap, waterveiligheid, natuur, cultureel erfgoed, leefomgevingskwaliteit en milieukwaliteit. Veiligheid, gezondheid en duurzaamheid zijn basale randvoorwaarden voor alle maatschappelijke activiteiten zoals bedrijfsmatige activiteiten, de energietransitie en de woningbouw.
Afwegingsprincipes
Beschermen en ontwikkelen gaan niet altijd en overal samen (en zijn soms onverenigbaar), maar ze kunnen elkaar ook versterken. Om dit afwegingsproces en de omgevingsinclusieve benadering richting te geven, is in de NOVI een drietal afwegingsprincipes geformuleerd:
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren. In de provincie Utrecht is sprake van (zware) netcongestie. Netcongestie kan er voor zorgen dat andere ontwikkelingen zoals woningbouw, verduurzaming, uitbreiden van bedrijvigheid en opgaven binnen de energietransitie stil komen te staan omdat er simpelweg niet genoeg ruimte is op het elektriciteitsnet.
Het doel van deze tijdelijke noodmaatregel is om het elektriciteitsnet op piek momenten te ondersteunen en te voorkomen dat de elektriciteit uitvalt. Op deze manier biedt de voorgenomen ontwikkeling ruimte voor andere (ruimtelijke) ontwikkelingen en zorgt deze ervoor dat beleidsambities op onder andere het gebied van verduurzaming en de energietransitie uitgevoerd kunnen worden en niet stil komen te staan. Op deze manier draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan de doelen en ambities vanuit de NOVI.
Met de inwerkintreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en de daarop gebaseerde Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) komen te vervallen. De regels van het Barro en het Rarro zijn vervangen door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het Barro/Rarro omvatte alle ruimtelijke Rijksbelangen uit eerder uitgebrachte planologische kernbeslissingen (PKB's) die juridisch moeten doorwerken tot in ruimtelijke besluiten van lagere overheden. Onderwerpen waarvoor het Rijk ruimte vraagt zijn de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Romeinse Limes, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam en de uitoefening van defensietaken. Ook stonden in het Barro/Rarro de Rijksregels ten aanzien van het Natuurnetwerk Nederland/de Natura 2000-gebieden, de elektriciteitsvoorziening, de uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet, de veiligheid rond Rijksvaarwegen, de verstedelijking in het IJsselmeer en de bescherming van primaire waterkeringen buiten het kustfundament.
In het Bkl staan verder regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Daarmee zijn ook wetten en besluiten die betrekking hebben op omgevingsaspecten zoals geluid, externe veiligheid, behoefte enzovoorts geregeld. Het Bkl geldt voor het Rijk en alle decentrale overheden. De hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat, zijn:
Artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving stelt via de Ladder voor duurzame verstedelijking (Ladder) regels over het aantonen nut en noodzaak en het onderzoeken van binnenstedelijke mogelijkheden bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Zie hiervoor de uitwerking onder paragraaf 2.1.3.
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en Rijkswegen. In hele bijzondere gevallen kunnen burgemeester en wethouders de minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.
Plangebied
In Hoofdstuk 5 wordt ingegaan op de hiervoor genoemde thema's. Er gelden vanuit het Bkl geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
Bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet de zogenaamde 'Ladder voor duurzame verstedelijking' worden toegepast (artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving).
Stedelijk ontwikkeling
Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Daarbij geldt voor woningbouwprojecten dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Bij andere stedelijke functies in de vorm van een terrein is de ondergrens 'in beginsel' 500 m2. Dus met een ruimtebeslag van minder dan 500 m2 is er 'in beginsel' geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.
De Laddertoets geldt alleen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Daarvoor moet worden beoordeeld of het plan een nieuw of groter beslag op de ruimte toelaat. Of, als er alleen een wijziging van de gebruiksfunctie is, het plan op een andere manier wezenlijke ruimtelijke effecten heeft.
Om te kunnen beoordelen of daadwerkelijk sprake is van een groter beslag op de ruimte moet niet gekeken worden naar wat er daadwerkelijk gebouwd is, maar naar wat het omgevingsplan planologisch toestaat aan bebouwing. Ook verleende omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit waarbij is afgeweken van het omgevingsplan, moeten daarin meegenomen worden.
Van belang is dus in hoeverre het plan in vergelijking met de vorige regeling:
Motivering evenwichtige toedeling van functies:
De behoefte aan de stedelijke ontwikkeling en regionale afstemming
Als een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Dit met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van overprogrammering en leegstand. Hiervoor is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling.
De behoefte wordt beoordeeld op het niveau van het verzorgingsgebied van de ontwikkeling. Dit gebied hangt af van de aard en de omvang van de stedelijke ontwikkeling. Om de behoefte te bepalen kan het bestaande aanbod van de functie die je wil ontwikkelen (bijvoorbeeld een bepaald soort woningen) worden afgetrokken van de vraag naar deze functie. Het aanbod dat feitelijk nog niet is gerealiseerd, maar wel in een omgevingsplan of omgevingsvergunning is vastgelegd, wordt meegerekend als bestaand aanbod. Het gaat om de kwantitatieve en de kwalitatieve behoefte. De kwalitatieve behoefte is de behoefte aan het specifieke karakter van de stedelijke ontwikkeling.
Provinciale of regionale visies en afspraken kunnen de basis zijn voor de onderbouwing. Deze documenten moeten dan voldoende concreet en onderbouwd zijn.
Definitie stedelijk gebied
De Ladder is beleidsneutraal vanuit het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) omgezet naar de Omgevingswet. De extra Ladder afweging moet volgens artikel 5.129g Bkl plaatsvinden buiten het stedelijk gebied en stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van het stedelijk gebied. Dit stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van het stedelijk gebied is toegevoegd aan deze bepaling omdat dit ook onderdeel was van de definitie van het bestaande stedelijk gebied uit het Bro.
Grens stedelijk gebied
De grens van het stedelijk gebied wordt bepaald door de omstandigheden van het geval, de specifieke ligging, de feitelijke situatie, het omgevingsplan en de aard van de omgeving.
In de jurisprudentie zijn lijnen uitgezet voor het begrip stedelijk gebied onder het Bro. Zo vormen gronden waarop een agrarische functie rust, en die overeenkomstig die functie worden gebruikt, geen onderdeel van stedelijk gebied. Onbebouwde grond met een niet-agrarische functie kan deel uitmaken van het stedelijk gebied, ook al is de locatie nog onbebouwd, mits de locatie onderdeel is van het stedelijk samenstel van bebouwing.
Stedelijk gebied en doorschuiven Laddertoets
De gemeenteraad kan een Laddertoets voor een omgevingsplanwijziging uitstellen tot het moment van realisering van de ontwikkeling. Voor een stedelijke ontwikkeling buiten stedelijk gebied heeft dit gevolgen voor de grens van het stedelijk gebied.
Een ontwikkeling buiten het stedelijk gebied wordt niet tot het stedelijk gebied gerekend als:
Deze regeling voorkomt dat een ruimtelijke ontwikkeling buiten het stedelijk gebied waarvoor nog geen Laddertoets is uitgevoerd onderdeel wordt van het stedelijk gebied.
Onderzoek mogelijkheden om binnen stedelijk gebied in behoefte te voorzien
Als de stedelijke ontwikkeling buiten stedelijk gebied en stedelijk groen aan de rand van de bebouwing gepland is moet rekening worden gehouden met de mogelijkheden om binnen dit gebied in de behoefte te voorzien. Daarbij spelen de beschikbaarheid en geschiktheid van locaties binnen dit gebied een rol. Argumenten dat binnen dit gebied geen mogelijkheden zijn voor de nieuwe stedelijke ontwikkeling, gaan bijvoorbeeld over kwalitatieve aspecten van de behoefte. Hierbij kan gedacht worden aan bedrijven die vanuit milieuoverwegingen niet binnen het stedelijk gebied passen.
De locatie kan mogelijk ook volgens de omgevingsvisie voor een andere functie zijn beoogd. Bijvoorbeeld een maatschappelijke functie, een park of andere woonplannen die later zijn gepland. Ook kunnen bijvoorbeeld aanzienlijke investeringen voor een inbreiding een rol spelen.
Plangebied
Bij de beoordeling of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, moet het voornemen vergeleken worden met voornoemde definitie van een stedelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren.
Uit overweging 6.2 van de uitspraak van 28 juni 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:172), blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State diverse voorzieningen op het gebied van energieopwekking en -distributie niet als stedelijke ontwikkeling heeft aangemerkt. Genoemd worden:
Tevens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat de ontwikkeling van een zonnepark geen aanleiding geeft voor een andere benadering, omdat deze naar zijn aard niet wezenlijk verschilt van een windturbinepark (ECLI:NL:RVS:2019:178).
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijk flexibel vermogen in de vorm van stroomgeneratoren en heeft tot doel om het elektriciteitsnet betrouwbaar te houden. Tijdens fysieke overbelasting wordt er veel elektriciteit afgenomen die via het gelimiteerde hoogspanningsnetwerk aangeleverd dient te worden. Deze overbelasting brengt de betrouwbaarheid van de energievoorziening in gevaar, vertraagt de energietransitie en raakt daarmee nieuwbouw en consumenten. De stroomgeneratoren dienen op deze momenten om grote storingen (brown-outs) of stroomuitval (black-outs) te voorkomen. De stroomgeneratoren op Strijkviertel worden geplaatst voor een periode van maximaal 10 jaar. Wanneer de benodigde netuitbreidingen zijn gerealiseerd, zijn de stroomgeneratoren niet meer nodig en worden deze verwijderd.
Functioneel en qua gebruik heeft de voorgenomen ontwikkeling veel overeenkomsten met de eerder genoemde voorzieningen, waarvan de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat die niet worden beschouwd als een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat het een voorziening betreft op het gebied van energieopwekking en -distributie. Om deze reden worden de stroomgeneratoren niet gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een toetsing aan de Ladder is derhalve niet nodig. Wel is een toets aan de behoefte nodig. Die is in bovenstaande alinea aangetoond.
Conclusie
Toetsing aan de ladder voor Duurzame Verstedelijking is niet nodig.
Op 1 april 2021 is de Omgevingsvisie provincie Utrecht in werking getreden. In de Omgevingsvisie staat hoe de provincie er in 2050 uitziet. De Omgevingsvisie geeft richting aan de toekomstige en fysieke leefomgeving. Dit is alles op, boven en onder de grond en inclusief de sociale aspecten zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. In de omgevingsverordening staan de regels en instructieregels die daarvoor nodig zijn. De provincie Utrecht geeft bij de onderstaande 7 thema's de provinciale belangen aan die verplichtingen met zich meebrengen. Dat geeft al een doorkijk naar deze instructieregels.
Om voor te sorteren op de toekomst richt de omgevingsvisie zich op een aantal ontwikkelingen:
De provincie Utrecht vindt het daarbij belangrijk om de bestaande kwaliteiten te behouden, te versterken en in balans te laten zijn met deze ontwikkelingen. De ruimte voor ontwikkelingen is beperkt, terwijl de vraag naar ruimte groot is.
Uitwerking beleid in 7 thema's
De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke leefomgeving en voor het mogelijk maken van lokale afwegingen als een veilige en gezonde leefomgeving daarbij gebaat is. Het beleid voor de gezonde en veilige leefomgeving is beschreven in 7 thema's.
Alle thema's moeten in samenhang bekeken worden. Dat betekent dat niet alles overal kan. Met het uitgangspunt slim combineren en concentreren kan de groei van inwoners en bedrijven en een gezonde leefomgeving in balans blijven. Het concentreren richt zich bijvoorbeeld op het bouwen van nieuwe woningen dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Op die manier blijft er op andere plekken voldoende ruimte voor bewegen, groen, water en natuur.
Op 1 januari 2024 is de omgevingsverordening van de provincie Utrecht in werking getreden. De omgevingsverordening bevat onder andere instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Op 1 maart is de eerste wijziging van deze omgevingsverordening vastgesteld. De laatste versie is gewijzigd op 1 september 2024.
De opbouw van de Omgevingsverordening ziet er als volgt uit:
Uitvoering
In drie regio's werkt de provincie Utrecht het beleid verder uit. De samenhang tussen de thematische ambities krijgt hier aandacht. Voor Utrecht is de regio U16 van belang. In deze uitwerking gaat het over de verstedelijkingsstrategie. De verwachting is dat er tot 2040 in de regio ongeveer 99.000 tot 125.000 extra woningen nodig zijn. Na 2040 tot 2050 is er verdere ruimte voor woningbouw onder meer over ontwikkelingen langs de A12 tussen knooppunten Lunetten en Oudenrijn en het benutten van bestaande OV-knooppunten in de regio.
Plangebied
Omgevingsvisie
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren. In de provincie Utrecht is sprake van (zware) netcongestie. Netcongestie kan er voor zorgen dat andere ontwikkelingen zoals woningbouw, verduurzaming, uitbreiden van bedrijvigheid en opgaven binnen de energietransitie stil komen te staan omdat er niet genoeg ruimte is op het elektriciteitsnet. Er kunnen op dat moment geen aansluitingen worden gerealiseerd voor deze ontwikkelingen.
Het doel van deze tijdelijke noodmaatregel is om het elektriciteitsnet op piek momenten te ondersteunen en te voorkomen dat de elektriciteit uitvalt. Op deze manier biedt de voorgenomen ontwikkeling ruimte voor andere ontwikkelingen en zorgt deze ervoor dat beleidsambities op onder andere het gebied van verduurzaming en de energietransitie uitgevoerd kunnen worden en niet stil komen te staan. Op deze manier draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan de doelen en ambities van de omgevingsvisie.
De voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd op een agrarisch (gras)veld (weiland). Middels de landschappelijke inpassing en bijbehorende milieuonderzoeken, wordt de ontwikkeling ingepast in de omgeving. Ook is er geen sprake van wezenlijke ruimtelijke effecten op de omgeving. Hier wordt in Hoofdstuk 5 van deze motivering verder op ingegaan.
Omgevingsverordening
De Omgevingsverordening bevat instructieregels over taken en bevoegdheden van gemeenten en waterschappen. Daarnaast bevat de omgevingsverordening direct werkende regels. Dit zijn regels die rechtstreeks gelden voor bedrijven, burgers en andere initiatiefnemers bij het uitvoeren van een activiteit. Bijvoorbeeld: vergunningplichten, waarbij op basis van een aanvraag eerst een besluit wordt genomen, gelden voor iedereen. Andere voorbeelden van direct werkende regels zijn de meld- en informatieplichten en de specifieke zorgplichten.
Op het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen gelegen:
Het plangebied bevindt zich in overstroombaar gebied. De voorgenomen ontwikkeling is geen vitaal of kwetsbaar object binnen ruimtelijk juridische kaders. Wel dient rekening te worden gehouden met overstromingsrisico's binnen het gebied. Hier wordt verder op in gegaan in Hoofdstuk 5 van deze motivering.
Voor de overige werkingsgebieden (gebiedsaanwijzingen) is de voorgenomen ontwikkeling niet van invloed op de bijbehorende regels van de desbetreffende thema's óf de regels van deze werkingsgebieden zijn niet van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling gezien de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling.
De provincie Utrecht heeft als doel om ruimte te bieden aan, en het bevorderen van, de realisatie van duurzame energiebronnen. Hoewel de voorgenomen ontwikkeling op zichzelf geen duurzaam energie initiatief genoemd kan worden, heeft het wel degelijk een direct effect op de voortgang van de energietransitie in Utrecht. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt benodigde ruimte op het elektriciteitsnet geboden om te zorgen dat de energietransitie in Utrecht de komende jaren niet stil komt te staan vanwege netcongestie. Ook maakt het de verduurzaming van vele woningen mogelijk. Op deze manier draagt de voorgenomen ontwikkeling bij aan de doelstellingen van de Omgevingsverordening van de provincie Utrecht. Dit plan voldoet tevens aan de instructieregels.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het beleid uit de Omgevingsvisie en de regels gesteld binnen de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht.
In de Regionale Energiestrategie (RES) Utrecht (vastgesteld door 16 gemeenten, 4 waterschappen en de provincie in oktober 2021) zijn de ambities voor grote, regionale energievraagstukken onderbouwd. Een onderdeel hiervan is de impact van de elektriciteitsambitie op de infrastructuur.
Er zijn in de regio Utrecht plannen gemaakt die nog veel extra investeringen vragen om aansluiting op de infrastructuur mogelijk te maken. In de RES staat dat de regio Utrecht (U16) in 2030 de ambitie heeft 1,8 TWh duurzame elektriciteit op te wekken. Dit is vergelijkbaar met het elektriciteitsverbruik van 540.000 huishouders en een derde van het totale energieverbruik in de regio. Om 1,8 TWh op te wekken heb je een combinatie nodig van 26 windturbines, 800 hectare zonnevelden en 300 tot 500 hectare grote daken vol met zonnepanelen.
Dit is de eerste iteratie van de RES, de RES 1.0. Bij het opstellen van de RES 1.0 zijn de landelijke richtlijnen gevolgd. Destijds is opgenomen dat de RES iedere twee jaar geactualiseerd zou worden. Met de invoering van de Omgevingswet is door het Rijk vastgesteld dat wijzigingen van de regionale energiestrategie getoetst en onderzocht moeten worden in een plan-MER. Pas na het uitvoeren van een plan-MER kan er een nieuwe aangepaste RES (RES-Herijking) worden voorgelegd aan de parlementen. Door toepassing van de plan-MER heeft de RES Herijking een langere doorlooptijd. Voor de RES Herijking kiest iedere RES-regio zelf het geschikte moment. Voor de RES U16 is het doel om medio 2025 een RES Herijking te hebben opgesteld.
In 2023 is een voortgangsdocument van de RES 1.0 gedeeld. Hierin staan niet alleen de tot dan toe gerealiseerde resultaten, maar ook nieuwe inzichten van maatschappelijke ontwikkelingen en mogelijke belemmeringen en knelpunten en hoe hier mee wordt gegaan. De RES 1.0 gaat verder in op de vraag hoe en waar duurzame elektriciteit (met zonnevelden en windturbines) kan worden opgewekt in 2030 binnen de regio.
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de benodigde ruimte op het elektriciteitsnet geboden om te zorgen dat de energietransitie in Utrecht de komende jaren niet stil komt te staan vanwege netcongestie. Hiermee kunnen ook de doelen die benoemt staan in de RES verder gerealiseerd worden.
Op 1 juni 2022 is het coalitieakkoord gepresenteerd. In het coalitieakkoord staat aan welke onderwerpen de coalitiepartijen GroenLinks, D66, PvdA, Student & Starter en ChristenUnie de komende jaren in Utrecht willen werken. In Utrecht wordt gebouwd, gewerkt en geleefd. Het gaat goed met veel inwoners. Maar er zijn ook Utrechters die moeite hebben mee te komen in de maatschappij. De coalitiepartijen willen werken aan gelijke kansen, betaalbare woningen en het klimaat:
De groeiende ongelijkheid in de stad
De coalitiepartijen zetten een stap extra voor Utrechters die steun in de rug nodig hebben. De aandacht gaat vooral uit naar Utrechters bij wie het niet vanzelf goed gaat. Voor de doelen en maatregelen in het coalitieakkoord geldt het principe 'ongelijk investeren voor gelijke kansen'. Sociale en ruimtelijke vraagstukken gaan hier hand in hand: een prettige en veilige leefomgeving met voldoende voorzieningen, goed onderwijs, een stage of baan en (mentale) gezondheid zijn hierbij allemaal belangrijk.
De grote woningnood
Met een sociaal volkshuisvestingsbeleid willen de coalitiepartijen ervoor zorgen dat mensen in onze stad kunnen blijven wonen of kunnen komen wonen. De coalitiepartijen vinden het belangrijk dat Utrecht een leefbare, betaalbare, duurzame en gezonde stad is en blijft. Groei is geen doel op zich, het moet duurzaam in balans zijn. Dat betekent dat er ruimte moet zijn voor zowel rust als reuring. Het houdt ook in dat woningen duurzaam, betaalbaar en van goede kwaliteit zijn. En het betekent ook dat er genoeg voorzieningen in de wijken zijn. Het grote tekort aan betaalbare woningen vergroot de ongelijkheid tussen mensen. Daarom grijpen de coalitiepartijen in bij grote ongelijkheid op de woningmarkt. Ook hier is extra aandacht voor groepen die niet automatisch de ruimte krijgen, zoals mensen met lage inkomens, studenten, daklozen, starters en ouderen.
De klimaatcrisis
De coalitiepartijen kiezen voor stevige maatregelen om een bijdrage te leveren aan het aanpakken van de klimaatcrisis. De coalitiepartijen benutten alle mogelijkheden voor duurzame energieproductie binnen de Utrechtse gemeentegrenzen en gaan met bewoners en ondernemers ambitieus aan de slag met energiebesparing. Nieuwbouw is energiezuinig en klimaatadaptief en de coalitiepartijen gaan actief aan de slag met geothermie en aquathermie. De coalitiepartijen blijven investeren in lopen, fietsen, openbaar vervoer en elektrisch rijden om de brandstofmotor uit de stad te laten verdwijnen en om een bijdrage te leveren aan de wereldwijde klimaataanpak. De coalitiepartijen geven groen in de stad een flinke impuls en maken de openbare ruimte zoveel mogelijk publiek toegankelijk. Rond de stad creëren de coalitiepartijen natuur en landschap van groter formaat met een combinatie van natuur, recreatie en energieproductie.
Naast deze 3 grote opdrachten zien de coalitiepartijen ook veel kansen voor Utrecht. Utrecht is een (veer)krachtige stad. Kennisinstituten, bedrijven en maatschappelijke organisaties die zich bezighouden met gezondheid voegen zich samen in onze stad en regio. Dit past heel goed bij het doel dat de gemeente Utrecht al jaren heeft: gezond stedelijk leven voor iedereen mogelijk maken. Samenwerking met (maatschappelijke) partners op het thema gezondheid is één van de manieren om de grote uitdagingen van onze tijd aan te pakken.
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling past binnen het coalitieakkoord omdat het coalitieakkoord ruimte biedt aan investeringen in (duurzame) energie en voorzieningen voor een groeiende stad.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren. Hiermee wordt de benodigde ruimte op het elektriciteitsnet gerealiseerd om diverse (ruimtelijke) ontwikkelingen mogelijk te maken en te zorgen dat dit niet stagneert vanwege een tekort aan elektriciteit.
Om deze reden draagt het plaatsen van 30 MWe tijdelijk flexibel vermogen in de vorm van stroomgeneratoren op het huidige weidegebied Strijkviertel bij aan het coalitieakkoord.
In de omgevingsvisie staat wat het gemeentelijke beleid is voor de 'fysieke leefomgeving'. Dit is de omgeving waarin we wonen, werken en recreëren. De ondergrond, de lucht en het water maken deel uit van de leefomgeving, maar ook de gebouwen, bestrating en planten. De omgevingsvisie bevat drie niveaus:
De omgevingsvisie is digitaal te raadplegen via: https://omgevingsvisie.utrecht.nl/
Niet alle gemeentelijke beleidskaders hebben betrekking op het plangebied. Hieronder worden daarom alleen de relevante beleidskaders nader toegelicht.
Het ruimtelijke beleid voor de langere termijn is vastgesteld in de Ruimtelijke Strategie 2040 'Utrecht dichtbij: de tien-minutenstad' (hierna: RSU 2040). De RSU 2040 is één van de koersdocumenten van de Omgevingsvisie Utrecht. Daarmee maakt de RSU 2040 deel uit van één van de instrumenten van de Omgevingswet. Dat betekent dat de ambities uit de RSU 2040 doorwerken in de regels die vanaf 1 januari 2024 in het omgevingsplan worden vastgelegd. De RSU 2040 is op 15 juli 2021 vastgesteld en bevat uitgangspunten voor een gezonde groei en ontwikkeling van de stad tot 2040. In de strategie verbinden we belangrijke thema's met elkaar, zoals mobiliteit, economie, voorzieningen, wonen, energie, groen, sport en ontspanning en werk. Ook is beschreven hoe Utrecht zich kan ontwikkelen tot tien-minutenstad. Daarmee zorgt de gemeente ervoor dat de groei van het aantal inwoners en woningen in balans blijft met een toename van groen in de stad, met een groei van banen en voorzieningen, met een passende infrastructuur voor verkeer en vervoer en met de ambities op basis van de energietransitie.
Om bij de groei de specifieke kwaliteiten van de stad te behouden, kiezen we ervoor een stad te zijn waarin alle belangrijke functies voor dagelijks gebruik dichtbij de woon- en werkomgeving te vinden zijn: Utrecht, de tien-minutenstad. Daarbij zijn twee hoofdstructuren leidend voor het ordenen van de nieuwe plekken in de stad, namelijk de groenstructuur en de mobiliteitsstructuur. Groen, landschap en water in en rond de stad zijn een voorwaarde voor gezonde stedelijke ontwikkeling, voor groenbeleving en recreatie, maar ook voor bijvoorbeeld klimaatadaptatie en biodiversiteit. Daarmee wordt de bestaande stad ook versterkt. Er worden functies toegevoegd en de kwaliteit van de stad wordt verbeterd.
We maken de keuze om de groei van de stad op een aantal plekken in de stad te concentreren, waar hoge bouwvolumes worden gerealiseerd. Daarmee verandert Utrecht van een stad met één centrum naar een stad met meerdere centra. Op deze nieuwe knooppunten komen veel verschillende stedelijke functies samen: een mix van wonen, werken, voorzieningen en groen. Hierdoor beperkt de gemeente ook de groei van het aantal vervoersbewegingen.
De Merwedekanaalzone, het Jaarbeursterrein en Leidsche Rijn zijn gebieden waar komende jaren veel gebouwd wordt. Maar er wordt ook gebouwd op kleinere plekken, zoals bij de 2e Daalsedijk en het Kruisvaartterrein. Ook in de binnenstad, het stationsgebied, het Utrecht Science Park, Leidsche Rijn Centrum en Papendorp is ruimte voor extra woningen, winkels en bedrijven. En voor cultuur en maatschappelijke instellingen.
Omdat er met de ambities van de RSU 2040 veel geld gemoeid gaat, is in de RSU 2040 ook een investeringsstrategie opgenomen. Daarnaast is een uitvoeringsstrategie opgesteld, waarin staat welke ontwikkelingen als eerste plaatsvinden en in welke tijdsvolgorde de stad zich tot 2040 ontwikkelt. Ook heeft de gemeenteraad op 12 maart 2020 het koersdocument 'Leefbare stad en maatschappelijke voorzieningen' vastgesteld. Hierin staan de ontwikkelopgaven voor scholen, sportplekken en andere maatschappelijke voorzieningen. Het document Gezondheid voor iedereen, volksgezondheidbeleid 2019-2023 is ook onderdeel van de koers. Zie hiervoor paragraaf 2.3.2.2.7.
Na de verkiezingen in maart 2022 is het nieuwe coalitieakkoord "Investeren in Utrecht: kiezen voor gelijke kansen, betaalbaar wonen en klimaat" gepresenteerd. Hierin is bevestigd dat RSU 2040 het hulpmiddel voor de inrichting van onze stad is en is een oplegger opgesteld die richting geeft aan de uitwerking van de RSU 2040 op basis van het coalitieakkoord. Op basis van deze oplegger stelt de raad drie aanvullende richtinggevende afspraken op de RSU 2040 vast, die worden toegevoegd aan de koers van de Omgevingsvisie Utrecht:
De afspraken onder a en b worden als twee leidende principes voor ruimtelijke ontwikkeling toegevoegd aan de twaalf principes uit de RSU.
Met groei in balans bedoelen we dat de toename van woningen gepaard gaat met de toename van goed en toegankelijk groen, banen, creatieve broedplaatsen en voorzieningen, duurzame mobiliteit (schaalsprong fiets, lopen, ov, auto, hubs, parkeerbeleid, deelmobiliteit en duurzaam goederenvervoer), energie en erfgoed. Het coalitieakkoord maakt dit principe voor ontwikkeling van de stad nog steviger.
Groei in balans wordt een randvoorwaarde, en groei is geen doel op zich. Dit creëert ruimte om groei nadrukkelijker afhankelijk te maken van de mate waarin de randvoorwaarden kwantitatief en kwalitatief op orde zijn.
Naast groei in balans voegen is nog een principe toegevoegd: kwaliteit en leefbaarheid zijn leidend in de ontwikkeling van de stad. Dit betekent dat zowel in de bestaande stad als voor nieuwe delen van de stad wordt geïnvesteerd om een kwaliteitsimpuls te geven. In het coalitieakkoord zijn verschillende afspraken gemaakt om deze kwaliteitsimpuls te realiseren.
Daarnaast is in het coalitieakkoord een keuze gemaakt in de ontwikkeling van Rijnenburg. In het scenario 'Klein Rijnenburg' wordt ingezet op de ontwikkeling van Rijnenburg tot een compacte gemengde stedelijke wijk, met onder meer tussen de 22.000 en 25.000 woningen, bijbehorende (groen)voorzieningen en ruimte voor werkgelegenheid. De wijk wordt bovendien circulair, klimaatneutraal, en natuurinclusief. Naast de keuze voor compacte verstedelijking in Rijnenburg, maakt de coalitie ook de keuze om het energielandschap in het noorden van Rijnenburg permanent te maken.
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren. Hiermee wordt de benodigde ruimte op het elektriciteitsnet geboden om te zorgen dat de energietransitie en ontwikkelingen in Utrecht de komende jaren niet stil komt te staan vanwege netcongestie. Hiermee past de voorgenomen ontwikkeling binnen de gemeentelijke omgevingsvisie en de koers.
Voor de doelen en ambities uit de RSU is voldoende ruimte op het elektriciteitsnet nodig om deze tot realisatie te brengen. De voorgenomen ontwikkeling zorgt ervoor dat deze ruimte wordt geboden. Hiermee draagt de voorgenomen ontwikkeling direct bij aan de doelen en ambities uit de RSU. In de RSU 2040 is opgenomen dat in de stad ruimte wordt geboden voor energie-infrastructuur die nodig is voor de vervanging van de infrastructuur voor aardgas en fossiele autobrandstoffen en ter verduurzaming van de stadverwarming. De realisatie van deze stroomgeneratoren sluit aan bij deze doelstelling.
Bomenbeleid Utrecht (2009) aangevuld september 2018 en februari 2025
De nota Bomenbeleid Utrecht is in 2009 vastgesteld. Aanvullend is de beleidsregel ‘Herplant naar waarde op 27 september 2018 vastgesteld en op 1 februari 2025 geactualiseerd https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR728346/1.
Eén van de belangrijkste doelen van het Utrechtse bomenbeleid is een samenhangende bomenstructuur voor de stad te verbeteren en te ontwikkelen, gebaseerd op cultuurhistorische, ruimtelijke en ecologische uitgangspunten en milieu. Ook worden bestaande bomen beschermd en is het verplicht om bepaalde bomen te herplanten als ze gekapt moeten worden. Voor het kappen is een vergunning nodig. Voor 2030 zet de gemeente met onderstaande doelstellingen in op het behoud en de ontwikkeling van de bomenstructuur:
Sinds 1 januari 2007 kennen alle gemeentelijke ruimtelijke plannen in de stad een bomenparagraaf. De bomenparagraaf biedt vanaf het begin en in alle fasen van een planproces de mogelijkheid een belangenafweging te maken over de gevolgen van een ruimtelijk plan voor bomen.
Plangebied
Voor dit plan worden geen bomen gekapt. Zie paragraaf 5.12 voor een uitgebreide toelichting.
Nota Utrechtse soortenlijst (2018)
Op 7 juni 2018 heeft de gemeenteraad de Nota Utrechtse soortenlijst vastgesteld, ter bescherming en stimulering van de voor Utrecht belangrijke plant- en diersoorten en daarmee ter bevordering van de biodiversiteit in de stad. Onder de bescherming vallen 5 vogelsoorten, 3 vissoorten, 6 soorten wilde bijen, 40 plantensoorten en 10 paddenstoelsoorten. De Utrechtse soortenlijst wordt meegewogen bij de voorbereiding van gemeentelijke ruimtelijke plannen. Bij een gebiedsontwikkeling waarbij de gemeente Utrecht initiatiefnemer is moet naar de aanwezigheid van deze Utrechtse soorten onderzoek worden gedaan. Bij gebiedsontwikkelingen van derden wordt dringend geadviseerd om de Utrechtse soortenlijst bij de onderzoeken te betrekken. De gemeente streeft ernaar om voor deze soorten meer geschikt leefgebied te realiseren.
Plangebied
In paragraaf 5.11 wordt in gegaan op het onderdeel Natuur en ecologie en wordt een uitgebreide toelichting gegeven.
Archeologie
De gemeente Utrecht heeft voor de bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen de archeologische waardenkaart verwerkt in het omgevingsplan Gemeente Utrecht door middel van gebiedsaanwijzingen en daaraan gekoppelde regels. Deze regels bepalen dat grondwerkzaamheden vanaf een aangegeven oppervlakte en diepte vergunningplichtig zijn. Door deze regeling wordt geborgd dat de voor archeologie aangewezen gronden mede bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden en verwachtingen in de bodem van de gemeente Utrecht en dat verstoringen van de bodem vanaf een bepaalde oppervlakte en diepte in de aangewezen gebieden vergunningplichtig zijn.
Plangebied
In het omgevingsplan bestaan ter bescherming van de archeologische waarden en verwachtingen verschillende 'zones archeologische verwachting'. In paragraaf 5.14 van dit plan wordt verder ingegaan op de archeologie in het plangebied.
Samen gezondheidsverschillen verkleinen – nota gezondheidsbeleid Utrecht 2024-2027
De ambitie van de nota is dat in 2040 de gezondheidsverschillen in Utrecht tussen de laagste en hoogste sociaaleconomische groepen met 30% zijn afgenomen. Dit doen we door onder andere op gezonde leefomgeving een gezonde basis te bieden, in te grijpen waar de ongelijkheid groeit en maatwerk te bieden waar dat nodig en passend is. Gezonde leefomgeving is één van de 6 thema's waarop wordt ingezet om dit te bereiken. Een gezonde leefomgeving van Utrechters is zo ingericht dat Utrechters beschermd zijn tegen negatieve milieufactoren, de fysieke leefomgeving gezonde leefgewoonten ondersteunt en de fysieke leefomgeving sociale kracht versterkt.
Utrechters zijn beschermd tegen negatieve milieufactoren
Inwoners ademen schonere lucht in en ondervinden minimale geluidshinder. We streven naar het zo snel mogelijk behalen van de WHO-advieswaarden 2021. De lokale ambitiewaarden voor geluid is 63 dB voor nieuwe situaties langs wegen en spoorwegen. Ook worden stille plekken beschermd. We passen de ambitiewaardes, grenswaardes en regels uit de beleidsnota Geluid en trillingen toe om de effecten van geluid op de gezondheid te beperken.
Groepen die gevoelig zijn voor luchtverontreiniging of groepen met (een risico op) gezondheidsachterstanden beschermen we extra: bij de bouw van basis- en middelbare scholen, kinderopvanglocaties, verpleeg- en verzorgingstehuizen, en andere plekken waar groepen met (risico) op gezondheidsachterstanden langdurig verblijven, zorgen we voor voldoende afstand tot drukke wegen. We handhaven de norm van tenminste 300 meter tot snelwegen en 50 meter tot drukke binnenstedelijke wegen (meer dan 10.000 voertuigen per etmaal). Voor woningen is de ambitie om binnen 100 meter van een snelweg geen nieuwe woningen te bouwen. Dit geldt met name voor sociale huurwoningen. We gebruiken hiervoor de uitgangspunten 'bouwen binnen 100 meter van een snelweg', zoals beschreven in de nota. Bovenstaande ambities en uitgangspunten gelden voor nieuwe projecten, die gestart zijn na vaststelling van de beleidsnota ‘Samen Gezondheidsverschillen Verkleinen’ op 27 juni 2024 en waarvoor voor die datum nog geen plankostenovereenkomst, Nota van Uitgangspunten, omgevingsvisie of grondexploitatie is vastgesteld. Ook is de ambitie dat de verschillende typen woningen binnen een bouwplan dezelfde lucht- en geluidskwaliteit hebben.
We voorkomen zoveel mogelijk gezondheidsschade als gevolg van hittestress en zon. We maken belangrijke loop- en fietsroutes groener en schaduwrijker en zorgen binnen 200 meter van iedere woning voor een koele en groene verblijfsplek in de buitenruimte van minimaal 200 m2.
Meer sociale huurwoningen, scholen en kinderopvanglocaties hebben een gezond binnenmilieu. Bij nieuwe scholen handhaven we klasse B van het Programma van Eisen Frisse Scholen (2021). Daarnaast investeren we in de verbetering van het binnenklimaat van bestaande schoolgebouwen. Voor het verbeteren van het binnenmilieu starten we met sociale huurwoningen. Dit doen we met de woningbouwcorporaties.
De fysieke leefomgeving ondersteunt gezonde leefgewoonten
Utrechters komen in de openbare en publiek toegankelijke ruimten minder in aanraking met ongezonde verleidingen door het weren van het aanbod van en reclame voor ongezonde verleidingen. We focussen op plekken waar kinderen komen of mensen met (een risico op) gezondheidsachterstanden.
We zorgen voor meer (passende) mogelijkheden voor sport, spelen en bewegen in de openbare ruimte door samen met de verenigingen in de stad te werken aan een vitale sportomgeving. Tegelijk zetten we ons in voor voldoende inclusieve en kwalitatief hoogwaardige speelvoorzieningen. We focussen op plekken waar de sport- en bewegingsdeelname laag is, er weinig (privé-)ruimte is om te sporten en spelen, en in buurten waar veel mensen wonen met (een risico op) gezondheidsachterstanden.
We werken ook aan een openbare ruimte die actief vervoer stimuleert en toegankelijk en inclusief is. Daarmee wordt de openbare ruimte dus ook geschikter voor ouderen en mindervaliden. We starten bij herinrichtingsprojecten. We versterken de positie van de voetganger.
Een hogere gebruikswaarde van groen bereiken we door met de inwoners te werken aan groene ruimten die uitnodigen tot ontmoeting, rust, ontspannen en bewegen. Daarnaast stimuleren we initiatieven zoals buurttuinen en geveltuintjes.
De fysieke leefomgeving versterkt sociale kracht
Samen met bewoners, organisaties en onze partners in de stad verbeteren we de sociale veiligheid. Op zogenaamde hotspots werken we met gerichte integrale veiligheidsaanpakken. In buurten en wijken met verschillende sociale-, leefbaarheid- én veiligheidsproblemen, werken we met een buurtagenda of wijkaanpak.
We werken aan meer en betere plekken voor ontmoeting en voldoende hoogwaardige maatschappelijke voorzieningen op het gebied van zorg, welzijn, cultuur, sport en onderwijs.
Daar waar veel nieuwe woningen komen, zorgen we voor voorzieningen die meegroeien, betaalbaar blijven en bijdragen aan sterkere buurten. Ook in bestaande wijken zijn goed bereikbare voorzieningen zoals gezondheidscentra belangrijk. Hierbij faciliteren we zo nodig als gemeente. We verkennen of er buurten zijn met onvoldoende ontmoetingsplekken en werken samen met bijvoorbeeld corporaties, zorginstellingen en burgerinitiatieven aan oplossingen. Bij (her)inrichting van straten, groenstroken en parken verbeteren we de verblijfskwaliteit en maken we ruimte voor ontmoeting. We beheren deze plekken zodat mensen de ruimte goed kunnen gebruiken.
Plangebied
In paragraaf 5.4 gaan we in op de geluidssituatie en in paragraaf 5.9 gaan we in op de luchtkwaliteit in het plangebied.
Beleidsnota Geluid en Trillingen (2024)
Gezond stedelijk leven betekent dat onze inwoners recht hebben op een fijne en gezonde woonomgeving. Onze kinderen moeten kunnen opgroeien in een leefbare stad, levendig maar zonder té veel lawaai of trillingen. Mensen en dieren kunnen last hebben van geluid of trillingen en te veel geluid is slecht voor de gezondheid. Bij (gebieds)ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Onder het stelsel van de Omgevingswet gelden regels voor geluid en trillingen. Er is ook vrijheid voor een eigen, lokale invulling. In het coalitieakkoord 2022-2026 Investeren in Utrecht staat dat we in Utrecht bij nieuwe ontwikkelingen strengere geluidsnormen gebruiken dan de landelijke wettelijke waarden.
In de Beleidsnota Geluid en Trillingen staat hoe we om willen gaan met geluid en trillingen. Zowel voor de bestaande stad als bij de nieuwe ontwikkelingen én hoe we invulling geven aan strenger dan de wet. De nota is onderdeel van de omgevingsvisie Utrecht. De nota passen we toe bij het toestaan van bijvoorbeeld nieuwe woningen en de aanleg of wijziging van wegen. Ook kijken we naar de (ontwikkeling van) de bestaande stad en de invloed van geluid en trillingen op de kwaliteit van leven. Waar nodig eisen we bij ruimtelijke ontwikkelingen daarom extra maatregelen.
Geluid
Verkeer is een belangrijke veroorzaker van geluidshinder. Daarom nemen we in Utrecht maatregelen om de hinder van verkeer te verminderen. We verlagen de snelheid waar mogelijk of leggen stiller asfalt aan. Op plekken waar al veel geluid is en we toch nieuwe woningen willen bouwen, stellen we extra voorwaarden aan het ontwerp van de gebouwen. Het is bijvoorbeeld verplicht een geluidluwe gevel en een rustige buitenruimte te hebben. Een goede indeling van de woning zorgt ervoor dat er binnenshuis altijd een rustige plek is. Deze voorwaarden staan niet alleen in de beleidsnota maar ook in de regels van het omgevingsplan.
In Utrecht moeten bedrijven in stillere gebieden aan 5 dB lagere geluidnormen voldoen dan in drukkere gebieden. Enkele keren per jaar mag door bedrijven of sportclubs meer geluid worden gemaakt. Bijvoorbeeld als er een festiviteit is.
Voor stemgeluid bestaan geen wettelijke normen. Op het moment dat we ergens een terras, schoolplein of sportveld willen toestaan, controleren we eenmalig dat dit niet tot te veel overlast leidt. Voor onversterkte muziek, zoals van carillons, stellen we geen eisen. Godsdienstvrijheid is een reden om bepaalde geluiden, zoals klokgelui, uit te zonderen.
We koesteren plekken waar het stil of rustig is. Utrecht heeft veel locaties in de stad die veel stiller zijn dan langs de drukke wegen. We proberen bestaande rustige gebieden te behouden, uit te breiden en nieuwe rustige gebieden te creëren. We streven ernaar dat iedereen binnen 10 minuten loopafstand van huis een stil gebied zoals een park of hofje kan vinden. Zo zorgen we er ook voor dat er voor dieren (rustige) schuil- en rustplaatsen zijn.
Trillingen
Voor trillingen van bedrijven of bij bouw en sloop controleert Utrecht op de wettelijke normen. Bij bouwen in de avond en nacht heeft Utrecht eigen strengere grenzen. Rijdende treinen en trams kunnen trillingen veroorzaken. Hier zijn geen wettelijke grenzen voor. Handhaving is daarom niet mogelijk. We stellen bij nieuwe woningbouwplannen wel grenzen aan die trillingen. We voorkomen daarmee dat toekomstige bewoners te veel hinder ondervinden. Bij bouwplannen naast het spoor of de trambaan moeten meestal eerst de trillingen in de bodem worden gemeten. Daarmee wordt duidelijk welk type woningen of scholen hier geschikt zijn. Mogelijk moeten er aanpassingen worden gedaan aan het ontwerp van het gebouw en/of maatregelen worden getroffen in de bodem.
Plangebied
Voor deze ontwikkeling is een geluidsonderzoek gedaan waarbij de beleidsnota Geluid en Trillingen is meegenomen. Hieruit blijkt dat geluidseisen niet aan de uitvoering van dit plan in de weg staan. Zie paragraaf 5.4 voor de toelichting op het aspect geluid. Op het aspect trillingen wordt ingegaan in paragraaf 5.5 van deze motivering.
Beleidsnota Luchtkwaliteit Gezonde lucht voor iedereen 2025–2030
De Beleidsnota Luchtkwaliteit Gezonde lucht voor iedereen 2025–2030 is op 23 januari 2025 vastgesteld. In het luchtkwaliteitsbeleid staan twee doelstellingen centraal, namelijk:
De gemeente Utrecht richt in haar beleid op fijnstof en stikstofdioxide. Voor deze stoffen gelden namelijk wettelijke grenswaarden en is wetenschappelijk aangetoond dat deze stoffen schadelijk zijn voor de gezondheid. Het doel van het luchtkwaliteitsbeleid is te voldoen aan de wettelijke grenswaarden en toe te werken naar de WHO-advieswaarden uit 2021. Om dit te behalen worden tot en met 2035 voor de volgende terreinen maatregelen voorzien om de luchtverontreiniging op het gebied van stikstofdioxide en fijnstof terug te dringen:
In het algemeen zet Utrecht in op meer voorlichting over luchtverontreiniging, gedragsverandering en het inzetten op burgerwetenschappen (bijvoorbeeld burgers die via een sensor een bijdrage leveren het in kaart brengen van de Utrechtse luchtkwaliteit).
Plangebied
In paragraaf 5.9 van deze motivering wordt ingegaan op het aspect luchtkwaliteit. Hier wordt de ontwikkeling getoetst aan de Europese normen, de WHO-adviesnormen en in hoeverre de ontwikkeling Niet In Betekende Mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging.
Nota Omgevingsveiligheid Utrecht (2024)
In de 'Beleidsnota Omgevingsveiligheid Utrecht' staat hoe we als gemeente Utrecht omgaan met de risico's van het vervoeren van gevaarlijke stoffen en het werken met gevaarlijke stoffen binnen de gemeente. Dagelijks worden grote hoeveelheden gevaarlijke stoffen vervoerd, opslagen en verwerkt. Dit kan een gevaar vormen voor mensen die wonen of werken in de omgeving daarvan. Mogelijke gevaren voor de omgeving zijn een brand, een explosie of een wolk met giftige stoffen. Er kan schade aan gebouwen optreden, mensen kunnen gewond raken of zelfs overlijden. Met ons beleid voor omgevingsveiligheid richten we ons op beheersing van die gevaren.
Plangebied
Bij dit plan speelt het aspect omgevingsveiligheid geen rol. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 5.7 van deze motivering.
Omgevingswet
In het omgevingsplan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functies. Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de Omgevingswet:
Nota Bodembeheerplan 2017-2027 'Grondig Werken 4' (2017) en Aanvulling Nota
Bodembeheerplan 2017-2027 beleid PFAS (2020)
In 2017 is de Nota Bodembeheer 2017-2027 'Grondig Werken 4' vastgesteld. De Nota bodembeheer 2012–2022 is met de Nota bodembeheer 2017-2027 geactualiseerd. Utrecht groeit en er wordt zowel in de stad als aan de randen veel gebouwd. Door deze bouwinitiatieven kan de vraag naar bouwgrond periodiek groot zijn. We willen voorkomen dat deze bouwgrond van elders (vaak over lange afstand) wordt aangevoerd. De aanpak in de Nota Bodembeheer 2017 – 2027 zorgt ervoor dat de benodigde grond duurzaam uit de eigen en uit omliggende gemeenten in de regio kan komen, wat bijdraagt aan een gezonde verstedelijking en een circulaire economie. In 2020 is de Nota uitgebreid met een aanvullende nota over PFAS-stoffen.
Daarbij is de ambitie om maximaal voordeel te behalen voor mens en milieu, efficiënter te werken (goedkoper, kortere doorlooptijden) en werk met werk te maken. In de Nota bodembeheer staat hoe beschikbare vrijgekomen grond en baggerspecie op en in de landbodem van de gemeente Utrecht mag worden opgeslagen, hergebruikt of toegepast en welke regels en procedures hierbij gelden. De nota is bedoeld voor professionele partijen.
De gemeente Utrecht volgt zoveel mogelijk het algemene landelijke beleid zoals dat is opgenomen in het Besluit bodemkwaliteit. Dit landelijke beleid past echter niet in elke lokale situatie. De wetgever heeft het mogelijk gemaakt om lokaal beleid toe te staan. In Utrecht speelt, naast de grote vraag naar bouwgrond, mee dat gebiedseigen grond niet altijd kan worden hergebruikt en dat er te weinig hergebruiksmogelijkheden zijn. De lokale gebiedsgerichte invulling sluit aan bij de functie, kwaliteit en ontwikkelingen van een gebied. De nota is hierdoor ingedeeld in: gebied specifiek beleid, ander gemeentelijk beleid en landelijk beleid.
Het gebied specifieke beleid bestaat uit:
Ander gemeentelijk beleid bestaat uit:
Landelijk beleid geldt voor alle andere gebieden en stoffen die niet onder het gebied specifiek beleid of ander gemeentelijk beleid vallen.
Plangebied
Het historisch bodemonderzoek in Bijlage 8 geeft voldoende inzicht in de bodemkwaliteit van het plangebied. Nabij de onderzoekslocatie zijn enkele verkennende onderzoeken uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen sterke verontreinigingen aanwezig zijn in de grond en het grondwater. De locatie is onverdacht ten aanzien van een verontreiniging met asbest. Op basis van de bodemkwaliteitskaart van de RUD wordt niet verwacht dat de grond verontreinigd is met PFAS. Na overleg met het bevoegd gezag is verder bodemonderzoek in het kader van deze omgevingsplanwijziging niet noodzakelijk. Hier wordt nader op ingegaan in paragraaf 5.10.
Visie Water en Riolering en visie Klimaatadaptatie (2022)
De gemeenteraad heeft in februari 2022 de Visie Water en Riolering en de Visie Klimaatadaptatie vastgesteld.
De visie Water en Riolering bevat het gemeentelijke beleidskader voor de invulling van de wettelijke zorgplicht op het gebied van water en riolering en is onderdeel van de gemeentelijke omgevingsvisie. De visie vormt samen met het programma water en riolering het nu nog wettelijk verplichte Gemeentelijk Rioleringsplan en is daarmee de opvolger van het Plan Gemeentelijke Watertaken Utrecht 2016-2019. Deze wettelijk verplichting verdwijnt met de invoering van de Omgevingswet.
De Visie Klimaatadaptatie sluit aan op de visie Water en Riolering en geeft aan wat nodig is om Utrecht voor te bereiden op de gevolgen van klimaatverandering. Utrecht zal in de toekomst steeds vaker te maken krijgen met de gevolgen van het veranderende klimaat en is gevoelig voor het vaker voorkomen van extreme regenbuien, wateroverlast en langere perioden van hitte en droogte. Het is dan ook van belang om hier bij nieuwe bouwontwikkelingen rekening mee te houden en de bebouwde omgeving zo goed mogelijk aan te passen aan het veranderende klimaat.
Als Utrecht klimaatrobuust wil zijn zal de sponswerking van de stad vergroot moeten worden. We willen hemelwater niet langer afvoeren via het riool naar de rioolwaterzuivering, maar het regenwater zoveel mogelijk vasthouden op de plek waar het valt. Zowel op eigen terrein, in de openbare ruimte, in de bodem of in het oppervlaktewater. Hiervoor moet zo veel mogelijk oppervlak onverhard blijven en vergroend worden, zodat het riolerings- en afwateringssysteem wordt ontlast en zodat er water beschikbaar is in perioden van droogte. Een voorwaarde voor deze vergroening en voor het toevoegen van meer bomen, is dat de bovengrond en ondergrond op elkaar worden afgestemd en dat er ruimte wordt gemaakt voor het planten van groen en bomen.
Met de Visie Klimaatadaptatie worden beleidsdoelen vastgesteld voor het omgaan met wateroverlast door extreme neerslag, het omgaan met droogte en het omgaan met hittestress. Hiervoor zijn geen landelijke beleidsdoelen, maar de gemeente stelt lokale doelen vast. De doelen zijn dat lopen en fietsen in schaduw in elke straat mogelijk is door 30-40 % schaduw te creëren, iedereen binnen 200 meter van een gebouw/woning een koele groene verblijfsplek heeft in de openbare ruimte van minimaal 200 m2, een minimale hoeveelheid groen in buurten van 40% in het horizontale vlak. Hiermee beperken we het hitte-eiland effect in de stad. Om gevolgen van extreme droogte en wateroverlast te voorkomen, zorgen we dat buien tot aan 80 mm per uur geen schade aan richten in panden en niet voor onbegaanbare wegen zorgen. We gebruiken de bodem als spons en houden minimaal 90% neerslag vast op de plek waar het valt. We vangen zoveel mogelijk water op in de bodem (bufferen), zodat er in droge periodes nog water bes0chikbaar is. Bij grootschalige nieuwbouw is de ambitie om hogere doelen te hanteren. De vastgestelde doelen geven de mogelijkheid zowel de gevolgen als de te nemen maatregelen in beeld te kunnen brengen. Hiermee voldoet Utrecht aan de doelstelling uit het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie en de afspraken in het Bestuursakkoord Ruimtelijke Adaptatie om uiterlijk in 2021 een strategie en uitvoeringsagenda bestuurlijk te hebben vastgelegd. De doelen zijn ook overeenkomstig de gestelde doelen in de RSU 2040.
Het beleid voor klimaatadaptatie is ook vastgelegd in de Deltabeslissing Ruimtelijke adaptatie, waarin voorstellen zijn opgenomen om de ruimtelijke inrichting van Nederland klimaatbestendig en waterrobuust te maken. Alle overheden en marktpartijen zijn daar samen verantwoordelijk voor. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie heeft als doel dat de bebouwde omgeving in 2050 nog steeds aantrekkelijk is om te leven en dat ruimtelijke ingrepen klimaatbestendig zijn opgebouwd en getoetst. Gemeente Utrecht heeft samen met andere overheden deze deltabeslissing onderschreven en werkt samen in de Coalitie Regio Utrecht aan de opgaven.
Plangebied
Het aspect water is in dit plan verder uitgewerkt in paragraaf 5.13.
In gebiedsbeleid maakt de gemeente de koers en het thematische beleid van de Omgevingsvisie passend binnen een specifiek gebied. Voor het plangebied is geen recent gebiedsbeleid opgesteld. In het verleden is wel het Masterplan Leidsche Rijn (1995) en de Ontwikkelingsvisie Leidsche Rijn (1997) opgesteld.
Het Masterplan Leidsche Rijn vormde in 1995 het ruimtelijke en programmatische startpunt voor de ontwikkeling en de realisatie van de plannen voor Leidsche Rijn. Het Masterplan is er op gericht Leidsche Rijn te ontwikkelen tot een stedelijk gebied met als doel een bijdrage te leveren aan de oplossing van de woningnood in de regio Utrecht en gaat uit van de realisering van in totaal 30.000 woningen binnen Leidsche Rijn. In de visie die aan het Masterplan Leidsche Rijn ten grondslag ligt, nemen drie begrippen een centrale plaats in: compactheid, duurzaamheid en identiteit.
Bij compactheid gaat het niet zozeer om een hoge dichtheid, maar vooral om een sterke verbondenheid met bestaande concentraties van bebouwing. Met duurzaamheid wordt gedoeld op het streven naar een evenwicht in ecologische en economische aspecten. Identiteit heeft ten slotte te maken met karakter. Behoud van identiteit dient onder meer te worden nagestreefd door rekening te houden met de onderling sterk verschillende karakters van de stad Utrecht enerzijds en de kernen Vleuten en De Meern anderzijds.
In het Masterplan zijn de hoofdlijnen van de stedenbouwkundige ontwikkeling vastgelegd. In de Ontwikkelingsvisie Leidsche Rijn uit 1997 zijn de programmatische en stedenbouwkundige randvoorwaarden en kwalitatieve eisen gegeven voor de deelgebieden. De Ontwikkelingsvisie vormt een integraal programma van eisen met als doel het creëren van overzichtelijke projecten en heldere uitgangspunten voor de volgende fasen van de planontwikkeling. De Ontwikkelingsvisie zorgt er verder voor dat bij de opdeling in deelplannen en -projecten de samenhang niet verloren zal gaan. In deze ontwikkelvisie is de ontwikkeling van Strijkviertel tot een gemengd bedrijventerrein in de zone langs de A12 en langs de A2 reeds benoemd.
Het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel' is op 2 oktober 2025 door de gemeenteraad van de gemeente Utrecht vastgesteld. Hiermee wordt invulling gegeven aan een bedrijvenpark dat op een duurzame, circulaire manier ontwikkeld. De ontwikkeling van het gebied Strijkviertel tot een circulair bedrijvenpark is al vele jaren onderdeel van de gemeentelijke toekomstvisies op dit gebied. In 2021 heeft het college van burgemeester en wethouder van Utrecht het stedenbouwkundig plan voor de ontwikkeling van het bedrijvenpark Strijkviertel vastgesteld. Dit stedenbouwkundig plan vormt het richtinggevende kader voor de inhoud van het bestemmingsplan.
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren. In de provincie Utrecht is sprake van (zware) netcongestie. Netcongestie kan ervoor zorgen dat andere ontwikkelingen zoals de uitbreiding en verduurzaming van bedrijvigheid stil komen te staan omdat er niet genoeg ruimte is op het elektriciteitsnet. Er kunnen op dat moment geen aansluitingen worden gerealiseerd voor deze ontwikkelingen.
Het gebruik van stroomgeneratoren op zichzelf passen niet binnen de visie op het gebied Strijkviertel. Echter, het doel van deze tijdelijke noodmaatregel is om het elektriciteitsnet op piekmomenten te ondersteunen en te voorkomen dat de elektriciteit uitvalt. Op deze manier biedt de voorgenomen ontwikkeling ruimte voor andere ontwikkelingen en zorgt deze ervoor dat beleidsambities op onder andere het gebied van verduurzaming en de energietransitie uitgevoerd kunnen worden.
Daarbij wordt de voorgenomen ontwikkeling gerealiseerd op Kavel 9 binnen het bedrijvenpark Strijkviertel. Deze kavel is een van de laatste kavels die wordt ontwikkeld conform de plannen voor het totale bedrijvenpark. Op deze manier staat de voorgenomen ontwikkeling, de voorziene ontwikkeling van het bedrijvenpark zo min mogelijk in de weg. Middels de landschappelijke inpassing en bijbehorende milieuonderzoeken, wordt de ontwikkeling ingepast in de omgeving. Ook is er geen sprake van wezenlijke ruimtelijke effecten op de omgeving. Hier wordt in Hoofdstuk 5 van deze motivering verder op ingegaan.
Dit plan past binnen de beleidsdoelstellingen van alle overheidsniveaus met als belangrijkste doel het streven naar zuinig en duurzaam ruimtegebruik waarbij adequate en voldoende levering van elektriciteit in de toekomst kan worden geborgd. De tijdelijke stroomgeneratoren (gasgeneratoren) zijn nodig zodat ook tijdens de autonome groei van het elektriciteitsnet voldoende elektriciteit beschikbaar is en blijft. De inzet van de installaties wordt in samenwerking met TenneT bepaald wanneer sprake is van overbelasting op het elektriciteitsnet. Omdat deze overbelasting hoofdzakelijk optreedt tijdens de ochtend en avondpieken in de wintermaanden, zullen dit de meest voorkomende momenten zijn wanneer ze in worden gezet. Wanneer de benodigde netuitbreidingen zijn gerealiseerd, zijn de stroomgeneratoren niet meer nodig en worden deze verwijderd.
In het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel' is aan de kavel de functie "Bedrijventerrein" toegekend. Het gebied Strijkviertel is lange tijd bewerkt voor de voedselproductie. De aanwezigheid van de loop van de Leidse Rijn in het plangebied is hierbij van groot belang geweest. Het complete plangebied heeft een lage archeologische verwachting omdat deze gebieden vanwege hun lage ligging niet geschikt waren voor bewoning.
Het gebied Strijkviertel (waar het plangebied onderdeel van uit maakt) kent een zeer oude geschiedenis en dat heeft te maken met de ligging in het stroomgebied van rivieren die hier lang voor het begin van de jaartelling stroomden. Deze stroomgordels zorgden voor hoger en lager gelegen delen. In het gebied Strijkviertel zijn nog sporen van de rivieren en van de zogenaamde crevasses: geulen die zijn ontstaan door een doorbraak. Op onderstaande figuur zijn de stroomgordel en crevasses op een kaart weergegeven. Het plangebied valt hier buiten. Op de hoger gelegen delen kan in de bronstijd (2000 v. Chr.) bewoning hebben plaatsgevonden.
Figuur 5: Stroomgordel en crevasses (groen weergeven) in relatie tot kavel 9 (waarbinnen het
plangebied zich bevindt (rood omlijnd))
Het gehele plangebied is in de afgelopen jaren zorgvuldig archeologisch onderzocht. Het plangebied heeft een lage archeologische verwachting (WA6). Dit zijn gebieden waar nog geen archeologische waarden zijn aangetoond, en waar de kans op het aantreffen ervan klein is. Dit is gebaseerd op de landschappelijke ondergrond. Hier wordt verder op in gegaan in paragraaf 5.14 van deze motivering.
In het plangebied wordt de huidige structuur vooral bepaald door de kavelrichting van de graslanden.
Het plangebied is nu voornamelijk tijdelijk agrarisch in gebruik als grasland, in afwachting van de transformatie van het gebied voor het circulair bedrijvenpark. Grenzend aan het plangebied aan de zuidkant ligt de C.H. Letschertweg en even verderop is een brede groenzone aanwezig tussen de Rijksweg A2 en de C.H. Letschertweg. Deze weg blijft ook in de nieuwe situatie behouden en is de hoofdontsluiting van het plangebied. In de overige richtingen is het plangebied omringd door agrarisch grasland.
Naar aanleiding van hetgeen aan bod is gekomen in de voorgaande paragrafen bestaan er geen knelpunten in de bestaande situatie.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren. De generatoren worden aangesloten op het middenspanningsnet van netbeheerder Stedin en kunnen op het moment van piekbelasting bijspringen en extra stroom leveren. Op deze manier wordt het elektriciteitsnet zo efficiënt mogelijk benut en blijft deze toegankelijk voor iedereen.
Nut, noodzaak en locatie
Op het stroomnet kan sprake zijn van netcongestie als er meer stroom moet worden gedistribueerd dan het net aankan. De congestie situatie in het gebied waar de provincie Utrecht onderdeel van uitmaakt (FGU-gebied Flevoland-Gelderland-Utrecht) is kritiek. TenneT TSO B.V. (hierna: TenneT) heeft in november 2022 op het deel van het landelijk net in dit gebied netcongestie afgekondigd. Het regionale net van Stedin is hiermee verbonden en kondigde in oktober 2023 netcongestie af.
Voor de benodigde netuitbreiding door TenneT is een vertraging afgekondigd tot 2033/2035. De netcongestie van TenneT wordt veroorzaakt door een tekort aan transportcapaciteit op hoogspanningsstation Breukelen-Kortrijk. Hierdoor kan er vanaf het landelijk net onvoldoende stroom op het regionale netwerk komen.
De autonome groei lijkt volgens prognoses al vanaf de winter van 2026/2027 te zorgen voor fysieke overbelasting van het regionale elektriciteitsnet. De overbelasting zal hoofdzakelijk optreden tijdens de ochtend en avondpieken in de wintermaanden. Op die momenten wordt er veel elektriciteit afgenomen die via het gelimiteerde hoogspanningsnetwerk aangeleverd moet worden. Op andere momenten in het jaar/dag zal deze overbelasting minder snel optreden omdat afnemers van elektriciteit minder afnemen in verband met eigen (zon)opwek of een lager piekgebruik.
Deze geprognotiseerde overbelasting zal daarna ieder jaar oplopen. Deze overbelasting brengt de betrouwbaarheid van de energievoorziening in gevaar, vertraagt de energietransitie en raakt daarmee nieuwbouw, consumenten en bedrijven. De voorgestelde maatregelen moeten ten minste tot het moment dat TenneT haar uitbreiding gereed heeft beschikbaar zijn om grote storingen (brown-outs) of stroomuitval (black-outs) te voorkomen.
Het plaatsen van regelbare opwek op strategische plekken in het net is één van de 10 noodmaatregelen om de elektriciteitsvoorziening te borgen. Dit maatregelenpakket is bekend gemaakt door het kabinet op 18 oktober 2023. Vervolgens werd in april 2024 bekend dat deze maatregelen als eerste concreet worden in Utrecht, zoals aangekondigd in de Kamerbrief van demissionair minister Jetten op 25 april 2024.
In het Flextender project wordt 60 MWe aan stroomgeneratoren geplaats in het regionale netwerk van Stedin. De 60 MWe wordt verdeeld over 6 modules van ieder 10 MWe die worden verdeeld over diverse locaties. Doordat de elektriciteit die deze installaties opwekken direct geleverd wordt aan het regionale netwerk wordt dit dus niet gelimiteerd door het knelpunt van TenneT en zo kunnen de netbeheerders ervoor zorgen dat er óók bij de autonome groei, voldoende elektriciteit beschikbaar is en blijft. Stedin zoekt ruimte in de nabijheid van het FGU netwerk om deze te plaatsen en aan te sluiten. Daarbij is het effect van de installaties op locaties dichterbij het knelpunt Breukelen-Kortrijk effectiever dan locaties op grotere afstand.
De inzet van de installaties wordt in samenwerking met TenneT bepaald. Het totaal aantal draaiuren op jaarbasis van de generatoren verschilt per locatie. Dit plan is van toepassing op het plaatsen van 30 MWe aan stroomgeneratoren in het gebied Strijkviertel, ten noorden van de C.H. Letschertweg in Utrecht.
Wanneer de benodigde netuitbreidingen zijn gerealiseerd, zijn de stroomgeneratoren niet meer nodig en worden deze weer verwijderd. De stroomgeneratoren bij Strijkviertel worden daarom geplaatst voor een periode van maximaal 10 jaar.
Locatie Strijkviertel
Op de locatie Strijkviertel wordt een totaal vermogen van 30 MWe aan stroomgeneratoren gerealiseerd. Het gaat om:
In totaal heeft het perceel voor de locatie Strijkviertel een oppervlakte van 4.033 m2. De globale indeling van het terrein is toegevoegd als Bijlage 1 bij deze motivering.
Figuur 6: Weergave plangebied stroomgeneratoren Strijkviertel
Figuur 7: Illustratief voorbeeld van de stroomgeneratoren op Strijkviertel (bron: Stedin Netbeheer)
De verwachting is dat de installaties slechts sporadisch in werking gesteld worden omdat dit alleen noodzakelijk is bij een hoge vraag op het elektriciteitsnetwerk (piekbelasting). Er wordt uitgegaan van een inzet van maximaal 500 uren per jaar (op 100% vermogen), waarvan circa 305 bedrijfsuren in de dagperiode, circa 115 uren in de avondperiode en circa 85 uren in de nachtperiode.
De stroomgeneratoren zijn modulair gebouwd, worden omhult door containers en zijn vrijstaand op funderingen. De stroomgeneratoren zijn hierdoor makkelijk te verplaatsen. De stroomgeneratoren hebben een schoorsteenhoogte (maximale hoogte) van circa 10,5 meter.
Op de locatie Strijviertel komen drie modules van 10 MWe te staan (4 generatoren per module). Rondom de locatie wordt een hek geplaatst van circa 2,5 meter hoog.
De voorgenomen ontwikkeling wordt omringd door een aarden wal van circa 2,5 meter hoog. Deze aarden wal schermt daarmee de basis van de bouwwerken af van het zicht vanuit de omgeving. De aarden wal wordt ingezaaid met diverse zaden die de biodiversiteit bevorderen. In Bijlage 2 staat de aardenwal weergeven ten opzichte van het plot van de stroomgeneratoren. Onderstaande afbeelding geeft een dwarsdoorsnede van het plot van de voorgenomen ontwikkeling weer.
De aardenwal zorgt ervoor dat de stroomgeneratoren beter worden ingepast in de omgeving en tevens minder zichtbaar zijn. De realisering van de aarden wal is als voorwaardelijke verplichting opgenomen in de regels van dit TAM-omgevingsplan.
Figuur 8: Dwarsprofiel voorgenomen ontwikkeling noordzijde
Alleen Netbeheerder Stedin en de exploitant van de stroomgeneratoren moeten de locatie kunnen bereiken. Het gaat hierbij om werkzaamheden voor de realisatie en onderhoudswerkzaamheden tijdens de gebruiksfase. Hiervoor wordt tevens een rondweg gerealiseerd zodat de installaties op het plot goed bereikbaar zijn. De voorgenomen ontwikkeling heeft dan ook nauwelijks verkeersaantrekkende werking. De locatie van het plangebied wordt bouwrijp gemaakt. Tijdens deze werkzaamheden wordt vanaf het zuidelijke deel van het plangebied ook een toegangsweg gecreëerd richting de C.H. Letschertweg. Via deze weg is de locatie dan goed bereikbaar.
In de gebruiksfase wordt het plot ontsloten aan de westzijde van het plangebied.
In toenemende mate wordt de milieukwaliteit van belang bij de ontwikkeling van functies in het landelijk en stedelijk gebied. Het milieubeleid heeft zich in de loop van enkele decennia ontwikkeld tot een complexe materie, die er in de praktijk toe leidt dat bij ruimtelijke ontwikkelingen met verschillende milieuaspecten rekening moet worden gehouden. In dit hoofdstuk is een overzicht gegeven van de relevante (milieu)aspecten in het plangebied en de diverse onderzoeken die zijn uitgevoerd.
Kader
Het doel van een milieueffectrapportage (mer) is om vooraf de mogelijke milieueffecten van plannen en besluiten in beeld brengen en deze een volwaardige rol te laten spelen bij de besluitvorming over deze plannen en besluiten.
Het maken van een milieueffectrapport is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten, die projecten mogelijk maken welke aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
In bijlage V van het Omgevingsbesluit wordt aangegeven welke projecten mer-(beoordelings)plichtig zijn. Wanneer projecten mer-beoordelingsplichtig zijn moet worden beoordeeld of het project aanzienlijke milieueffecten kan hebben. Uit deze mer-beoordeling kan de conclusie volgen dat er een milieueffectrapportage moet worden opgesteld.
Plangebied
Het in het plan opgenomen project valt onder categorie J10 (Industrieterrein) zoals deze is opgenomen in bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Hiervoor geldt een mer-beoordelingsplicht. Op basis van een aanmeldnotitie mer-beoordeling moet het bevoegd gezag (in dit geval de gemeente Utrecht) beslissen of er een milieueffectrapportage moet worden gemaakt.
Om te beoordelen of aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn is een aanmeldnotitie opgesteld. In deze notitie wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten en er derhalve geen aanleiding is om een milieueffectrapportage op te stellen. De gemeente heeft dan ook op 25 november 2025 (zie hiervoor Bijlage 3) besloten dat voor dit plan geen milieueffectrapportage hoeft te worden opgesteld.
De aanmeldnotitie is opgenomen in Bijlage 4.
Conclusie
Er is geen sprake van aanzienlijke milieueffecten door de beoogde ontwikkeling. Het opstellen van een milieueffectrapportage is dan ook niet noodzakelijk.
Kader
De gemeente Utrecht streeft naar een situatie waarin wonen en werken in een stad op een goede manier samengaan. Beide functies zijn zeer belangrijk voor Utrecht, maar ook moet voorkomen worden dat milieuhinder van bedrijven een negatieve invloed heeft op de woonomgeving en andere gevoelige functies, of dat omgekeerd de milieubelastende activiteiten waaronder bedrijvigheid, wordt belemmerd door de aanwezigheid van woningen en andere gevoelige functies in de directe nabijheid. Dit kan door voldoende afstand te houden tussen milieubelastende activiteiten en gevoelige functies.
De VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een algemeen geaccepteerd hulpmiddel in de ruimtelijke ordening. In 2024 is een geactualiseerde editie hiervan gepubliceerd. Binnen de gemeente Utrecht is deze geactualiseerde versie nog geen algemeen geaccepteerd hulpmiddel. Daarom wordt teruggevallen op de editie uit 2009. In de publicatie wordt voor verschillende bedrijfstypen per milieucategorie een indicatieve richtafstand aangegeven die aangehouden wordt voor beoordeling bij ruimtelijke ontwikkelingen. Deze afstanden zijn van belang wanneer in de directe nabijheid van bedrijvigheid gevoelige bestemmingen zoals woningen worden gerealiseerd en vice versa. Middels nader onderzoek kan eventueel gemotiveerd afgeweken worden van de richtafstand uit de VNG-publicatie.
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren (gasgeneratoren). Het gaat hierbij om twaalf mtu gas gensets (stroomgeneratoren) van elk 2,5 MWe aan vermogen (wat neerkomt op een totaal van 30 MWe op de locatie Strijkviertel). Voor de situatie van het plangebied wordt uitgegaan van een 'gemengd gebied'.
De verwachting is dat de installatie slechts sporadisch in werking gesteld wordt omdat dit alleen noodzakelijk is bij een hoge vraag op het elektriciteitsnetwerk. Er wordt uitgegaan van een inzet van maximaal 500 uren per jaar, waarvan circa 305 bedrijfsuren in de dagperiode, circa 115 uren in de avondperiode en circa 85 uren in de nachtperiode.
De systematiek van milieucategorieën is niet goed bruikbaar op de te realiseren installaties. Dit is omdat er geen vergelijkbare activiteiten met bijbehorende richtafstanden in de VNG brochure staan. De aspecten stof, geur, en veiligheid zijn niet maatgevend voor deze gasgeneratoren. De grootste hindercontour komt voort uit het aspect geluid en is daardoor maatgevend.
De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie is een bedrijfswoning aan Strijkviertel 74 ten westen van het plangebied. Deze bevindt zich op circa 300 meter van het plangebied. Ten noorden van het plangebied liggen een viertal woningen op circa 650 meter van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de rijksweg A12 bevinden zich tevens een viertal (bedrijfs)woningen. Deze bevinden zich ongeveer tussen de 400 en 550 meter van het plangebied. Om te onderzoeken of wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat is er een geluidsonderzoek uitgevoerd. Hier wordt verder op in gegaan in paragraaf 5.4 Geluidhinder.
De conclusie vanuit het geluidsrapport is dat de berekende geluidsniveaus voor de omliggende milieugevoelige functies als toelaatbaar worden geacht. De systematiek van de Omgevingswet rondom het aspect geluid en de verplichting tot het stellen van GeluidProductiePlafonds (GPP's) rondom het desbetreffende begrensde industrieterrein maakt dat de milieueffecten van de gasgeneratoren niet tot onevenredige milieueffecten leiden.
Conclusie
De bedrijvigheid in en om het plangebied leidt niet tot onevenredige hinder en omgekeerd is de ontwikkeling geen belemmering voor de uitvoering van activiteiten in de omgeving.
Kader
In het kader van het evenwichtig toedelen van functies aan locaties of het wijzigen van geluidsbronnen moet de aanvaardbaarheid beoordeeld worden. Hierbij spelen de regels en normen van het Bkl en het omgevingsplan een cruciale rol. Deze regels zijn er om bij ruimtelijke ontwikkelingen een objectieve afweging te kunnen maken. Hiervoor is veelal gericht geluidsonderzoek nodig. Het (wettelijk) kader wordt voornamelijk gevormd door het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). In het Bkl is geregeld dat je bij het toedelen van functies aan locaties binnen aandachtsgebieden langs of om geluidsbronnen, zoals (spoor)wegen of industrie geluidsonderzoek moet doen en moet toetsen aan de geldende normen en regels.
Omgevingswet
Volgens artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt "het gelijktijdig in
gebruik hebben van een of meer elektromotoren of verbrandingsmotoren met een gezamenlijk
geïnstalleerd motorisch vermogen van 15 MW of meer" aangemerkt als een "activiteit die in
aanzienlijke mate geluid kan veroorzaken". Deze activiteiten worden ook wel 'grote lawaaimakers' genoemd.
In het Bkl artikel 5.78b, lid 2 is aangegeven dat de activiteiten niet gelden als 'activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken' als is gewaarborgd dat het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau LAr,LT van het geluid op een afstand van 50 meter vanaf de begrenzing van de locatie waar de activiteit wordt verricht, niet meer bedraagt dan de standaardwaarden, bedoeld in tabel 5.65.1 van het Bkl. Deze waarden zijn 50, 45 en 40 dB(A) voor respectievelijk de dag, de avond en de nacht op de gevel van een geluidgevoelig gebouw.
Voor activiteiten die worden aangemerkt als 'grote lawaaimaker' moeten in het Omgevingsplan expliciet bepalingen worden opgenomen (artikel 2.11a, Omgevingswet), te weten:
Daarnaast moet een geluidaandachtsgebied worden vastgelegd. De bijbehorende gegevens moeten worden vastgelegd in het geluidregister. Het geluidregister voor industrieterreinen bevat in ieder geval het volgende:
De GPP's hebben betrekking op de gemiddelde geluidniveaus, waarbij ook een jaarmiddeling wordt toegepast. Voor industrieterreinen gelden hierbij normen voor de dosis maten Lden en Lnight.
Bij het vaststellen van een GPP mag het geluid ter plaatse van de gevel van een geluidgevoelig gebouw niet hoger zijn dan de standaardwaarde zoals bedoeld in tabel 3.34, zoals opgenomen in artikel 3.34 van het Bkl. Op grond van artikel 3.35 van het Bkl kunnen, na een onderbouwing, maximaal 10 dB hogere waarden worden vastgesteld.
Tabel 3.34: Standaardwaarde geluid op een geluidgevoelig gebouw per geluidbronsoort
| Geluidbronsoort | Standaardwaarde |
| Provinciale wegen Rijkswegen |
50 Lden |
| Gemeentewegen Waterschapswegen |
53 Lden |
| Lokale spoorwegen Hoofdspoorwegen |
55 Lden |
| Industrieterreinen | 50 Lden |
| 40 Lnight |
Voor onderhavige activiteit gelden de standaardwaarden voor industrieterreinen. Hierbij moet aan zowel de Lden als aan de Lnight waarde voldaan worden. Verder geldt (conform artikel 22.71 van het Omgevingsplan gemeente Utrecht) dat op 50 meter vanaf de begrenzing van de opweklocatie het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ten gevolge van de inrichting niet hoger mag zijn dan de bijzondere waarde uit artikel 22.63 van het Omgevingsplan (45, 40 en 40 dB(A) overdag, avond en nacht). Deze bijzondere waarde geldt onafhankelijk van de geldende achtergrondniveaus ter plaatse van de inrichting. Middels het stellen van nadere voorschriften kan hiervan worden afgeweken.
Laagfrequent geluid
Laagfrequent geluid is geluid met een frequentie beneden de 125 Hz. Geluid met frequenties onder 20 Hz wordt infrageluid genoemd; de waarneming is dan niet als geluid te herkennen maar meer als ‘druk op de oren’ of als trilling.
Voor de beoordeling van laagfrequent geluid bestaat nog geen wettelijke grondslag. In bijzondere gevallen kan bij klachten en bezorgdheid over laagfrequent geluid aansluiting worden gezocht bij de Vercammencurve. De Vercammencurve is een richtlijn voor beoordeling van geluid op basis van (geobjectiveerde) hinder. Dit is echter geen wettelijke norm.
De Vercammencurve sluit aan bij die binnen woningen op grond van de Wet geluidhinder toelaatbare geluidsniveaus. In nagenoeg alle situaties waarin de Vercammencurve wordt gehanteerd, wordt uitgegaan van de curve behorend bij een toelaatbaar binnenniveau van 25 dB(A). Uit jurisprudentie (zie uitspraak 201904537/1/R1 d.d. 13 mei 2020 van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State) volgt dat dit een geaccepteerde methode is om hinder vanwege laagfrequent geluid te beoordelen. In onderstaande tabel worden waarden van de Vercammencurve voor 25 dB(A) weergegeven. Het betreft hier waarden binnen geluidsgevoelige ruimten optredende binnenniveaus.
Plangebied
Er is door Peutz een onderzoek uitgevoerd naar de geluidsniveaus in de omgeving ten gevolge van de voorgenomen ontwikkeling. Dit onderzoek is als Bijlage 5 toegevoegd aan deze motivering. Met dit onderzoek wordt nagegaan of opwek middels gasmotoren van in totaal 3x10 MWe (piekvermogen) mogelijk is op een perceel in Strijkviertel. Gelet op het aanwezige motorisch vermogen (circa 30 MWe) valt de opweklocatie onder 'Activiteiten die in aanzienlijke mate geluid kunnen veroorzaken'. Hierdoor is het noodzakelijk een industrieterrein met bijbehorende GPP's vast te stellen. Op basis van de informatie verstrekt door Stedin is een rekenmodel opgesteld. Met behulp van dit rekenmodel zijn de geluidsniveaus in de omgeving berekend ten gevolge van de opweklocatie. Hieronder zijn de conclusies van dit onderzoek weergeven.
In het onderzoek is ook aandacht besteed aan de laagfrequente geluidsniveaus in woningen. Daarbij is ook rekening gehouden met de beperkte inzetduur, waardoor ook hogere laagfrequente geluidsniveaus toelaatbaar worden geacht. In deze situatie kunnen met name opwekcontainers en spoelen als mogelijke bronnen voor laagfrequent geluid worden aangewezen. Gedetailleerde spectrale informatie betreffende de laagfrequente geluidemissie was echter niet beschikbaar. Bij de berekeningen is uitgegaan van een 'worstcase'-benadering gebaseerd op mogelijk vergelijkbare installaties.
De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft een bedrijfswoning aan Strijkviertel 74 ten westen van het plangebied. Deze bevindt zich op circa 300 meter van het plangebied. Ten noorden van het plangebied liggen een viertal woningen op circa 650 meter van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de rijksweg A12 bevinden zich tevens een viertal (bedrijfs)woningen. Deze bevinden zich tussen de 400 en 550 meter van het plangebied.
Resultaten geluidniveaus
Uit de rekenresultaten blijkt dat de Lden- en Lnight-waarden bij de woningen beperkt blijven tot maximaal respectievelijk 38 dB en 30 dB. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de standaardwaarden uit tabel 3.34 van het Bkl.
Betreffende de laagfrequente geluidsniveaus wordt opgemerkt dat mogelijk tijdens bedrijf met de installaties in een aantal woningen sprake kan zijn van een geringe overschrijding van de Vercammencurve. Een en ander is sterk afhankelijk van het geluidsspectrum van de maatgevende geluidbronnen en de geometrie en opbouw van de betreffende woningen. Gelet op de verwachte geringe overschrijding en de beperkte duur van de inzet van de installaties worden de optredende laagfrequente geluidsniveaus toelaatbaar geacht.
Cumulatie
Daarbij kan worden opgemerkt dat de gecumuleerde geluidniveaus van de opwek met het reeds aanwezige wegverkeerslawaai maximaal 0,11 dB zullen toenemen ten opzichte van de huidige situatie. Dit wordt als verwaarloosbaar aangemerkt.
Representatieve bedrijfsvoering
De hierboven genoemde waarden betreffen jaargemiddelden. Wanneer de opwek in bedrijf is worden gedurende het gehele etmaal, beoordelingsniveaus van maximaal 45 dB(A) bij woningen geconstateerd. Zou dit als representatief bedrijf worden aangemerkt dan wordt in de dag- en avondperiode voldaan aan de standaardwaarden voor activiteiten zoals opgenomen in het omgevingsplan.
In de nachtperiode zou dan echter sprake zijn van een overschrijding van 5 dB. In dit geval zal deze situatie zich weinig tot niet kunnen voordoen en kan daarom niet als representatieve bedrijfsvoering worden gerekend. Gelet daarop kan worden afgeweken van die standaardwaarden en kunnen voor deze incidentele bedrijfsvoering hogere geluidniveaus worden toegestaan. Daarnaast geldt dat het geluid van de in de omgeving gelegen rijkswegen als maatgevend dienen te worden beschouwd. Het gebruik van installaties is beperkt. De berekende geluidniveaus worden toelaatbaar geacht.
Maatregelen
Om aan de bovenstaande geluidsniveaus te kunnen voldoen worden bij de realisatie geluidreducerende maatregelen getroffen. Het gaat hierbij om maatregelen aan de bron (geluidisolerende omkastingen, toepassing geluiddempers en stille installaties). Verdergaande maatregelen worden, zeker gelet op de beperkte duur van optreden en de beperking van het aantal jaren van inzet, niet doelmatig geacht.
Gelet op het feit dat (ruimschoots) voldaan wordt aan de te stellen eisen (jaargemiddelde waarden) en de geluidsniveaus bij woningen acceptabel geacht worden, kan worden gesteld dat de flexopwek inpaspaar is.
Geluidsaandachtsgebied en GPP's
Het geluidaandachtsgebied en de bijbehorende GPP's worden vastgelegd. Conform artikel 22.71 van het omgevingsplan gelden in deze situatie op 50 meter afstand van de activiteit de standaardwaarden zoals opgenomen in tabel 22.63 van het omgevingsplan (50 dB(A) in dagperiode, 45 dB(A) in avondperiode en 40 dB(A) in nachtperiode). Daaraan kan niet worden voldaan wanneer de installaties in bedrijf zijn. In de planregels van dit TAM-omgevingsplan zijn regels gesteld waarin waarden zijn opgenomen die voorrang hebben op de hiervoor genoemde waarden uit het omgevingsplan. Bij het in werking hebben van de installaties dient het geluid op geluidgevoelige gebouwen te voldoen aan de in de planregels opgenomen waarden. Verder gelden ook de waarden van de GPP's.
De grootte van het industrieterrein bepaalt de onderlinge afstand van de geluidreferentiepunten (GRP's) en de afstand tot de grens van het industrieterrein. In dit geval bedraagt de oppervlakte van het industrieterrein circa 4033 m². De afstand van de GRP's tot het industrieterrein bedraagt dan 50 meter. Op onderstaande figuren zijn het geluidsaandachtsgebied en vervolgens de GRP's van de installaties weergeven.
Figuur 9: Aanduiding geluidaandachtsgebied (op basis van 40 dB(A) Lnight geluidcontour op 30m
hoogte)
Figuur 10: Ligging Geluidreferentieposities (GRP's) en begrenzing industrieterrein
In de GRP's worden de geluidproductieplafonds (GPP's) berekend. Deze GPP's zijn vastgelegd in Artikel 12 Geluidproductieplafonds van deze omgevingsplanwijziging.
De betekenis van het geluidaandachtsgebied is dat nieuwe ontwikkelingen (bijvoorbeeld de bouw van geluidgevoelige gebouwen) binnen het geluidaandachtsgebied moeten worden getoetst aan de vastgestelde GPP's. De vastgestelde GPP's gelden overigens ook als maximale waarde voor de activiteiten op het industrieterrein. Daarmee wordt de geluidemissie van het industrieterrein beperkt (alle nieuwe activiteiten zullen moeten worden getoetst aan de GPP's).
Conclusie
Het in werking hebben van de installaties leidt tot een overschrijding van de waarden voor geluidgevoelige gebouwen. Gelet op het feit dat (ruimschoots) voldaan wordt aan de te stellen eisen (jaargemiddelde waarden), de rijkswegen maatgevend zijn en de geluidniveaus bij woningen acceptabel geacht worden, kan worden gesteld dat de flexopwek inpasbaar is. Het TAM-omgevingsplan bevat waarden voor geluid op geluidgevoelige gebouwen waaraan voldaan moet worden bij het in werking hebben van de installaties. De voorgestelde maatregelen zullen worden toegepast bij de realisatie. Verder is er een geluidsaandachtgebied met bijbehorende GPP's vastgelegd. Het aspect Geluid vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
In het plangebied komen geen woningen of andere functies die gevoelig zijn voor trillingen. Omliggende gevoelige functies voor trillingen liggen op ruime afstand van het plangebied, waardoor hinder en verstoring door trillingen op voorhand zijn uitgesloten. Dit aspect is dan ook niet nader onderzocht en vormt geen belemmering voor de realisatie van de stroomgeneratoren.
Kader
Bepaalde bedrijven kunnen geurhinder veroorzaken. Uit artikel 5.92 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) volgt dat in het omgevingsplan rekening gehouden moet worden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Voor een aantal activiteiten is de gemeente verplicht om geurregels op te nemen, namelijk voor rioolwaterzuiveringsinstallaties, het houden van landbouwdieren en andere agrarische activiteiten. Bij rekening houden met geur geldt dat:
Geurgevoelige gebouwen zijn alle gebouwen met woongebruik. Maar ook gevangenissen, hotels, asielzoekerscentra en recreatiewoningen kunnen door de gemeente aangewezen worden als geurgevoelig. Onder een geurgevoelig gebouw vallen ook ruimten met een nevengebruiksfunctie van de woonfunctie.
De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren (gasgeneratoren). Met de voorgenomen ontwikkeling wordt geen activiteit mogelijk gemaakt met een gebruiksruimte in de buurt van geurgevoelige gebouwen. De ontwikkeling laat geen geurgevoelig gebouw toe in de buurt van bestaande activiteiten met geurveroorzakende bedrijven. Nadere toetsing op het aspect geur is niet benodigd.
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Kader
Het werken met, de opslag van en het transport van gevaarlijke stoffen leidt tot veiligheidsrisico's voor omwonenden, bedrijven en passanten.
De norm- en richtwaarden voor het risico van het transport van gevaarlijke stoffen zijn vastgelegd in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Hierin staan twee soorten risico's beschreven waarop norm- en richtwaarden van toepassing zijn. Dit betreft:
Voor het plaatsgebonden risico geldt dat (beperkt) kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties niet binnen een bepaalde afstand mogen komen te liggen van aangewezen activiteiten met externe veiligheidsrisico's. Deze activiteiten en de daarbij behorende geldende afstanden zijn opgenomen in bijlage VII van het Bkl.
Het groepsrisico is relevant als er binnen een aandachtsgebied een ontwikkeling plaatsvindt. Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen die binnenshuis verblijven zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn aandachtsgebieden voor de scenario's voor brand, explosie en voor een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstandenrekenkundig te bepalen.
Voor het groepsrisico geldt geen norm, maar een verantwoordingsplicht. Wanneer in een omgevingsplan een locatie is aangewezen als een (beperkt) kwetsbare, zeer kwetsbare gebouw of (beperkt) kwetsbare locaties binnen in een brand- of explosie aandachtsgebied, moeten we maatregelen overwegen om mensen te schermen tegen de gevaren van een brand, explosie of gifwolk.
Maatregelen die genomen kunnen worden, zijn:
Bouwkundige maatregelen worden verankerd in het omgevingsplan door het aanwijzen van een brand,- of explosievoorschriftengebied. Binnen dit voorschriftengebied gelden voor nieuwbouw de extra bouweisen die in het Bbl staan. Het aanwijzen van een voorschriftengebied is verplicht als er op de locatie zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten.
Voor het verlenen van een omgevingsvergunning zijn de beoordelingsregels uit het Bkl van toepassing. Dit geldt ook voor het thema omgevingsveiligheid. Naast deze beoordelingsregels heeft de gemeente Utrecht ook de Beleidsnota Omgevingsveiligheid Utrecht vastgesteld. Daarin is bijvoorbeeld beleid opgenomen voor het vestigen of uitbreiden van een risicovol bedrijf. In dit omgevingsveiligheidsbeleid wordt expliciet aangegeven dat rekening gehouden moet worden met het beperken van de effecten van een risicovol bedrijf op haar omgeving. De gemeente stuurt hierop door maatregelen te adviseren die leiden tot een beperking van het groepsrisico binnen een aandachtsgebied.
Plangebied
De Omgevingswet beoogt specifiek mensen in gebouwen te beschermen, omdat de meeste mensen zich voor het grootste deel van de dag binnenshuis bevinden.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt voor risico's op branden, rampen en crises als bedoeld in artikel 10, onder a en b, van de Wet veiligheidsregio's, rekening gehouden met het belang (artikel 5.2, Bkl) van:
Enerzijds betreft de voorgenomen ontwikkeling geen risicobron in de zin van omgevingsveiligheid, omdat het geen opslag (zoals gas), productie en/of transport van gevaarlijke stoffen betreft of het in werking hebben van windturbines mogelijk maakt. Er wordt gebruik gemaakt van een lagedruk gasleiding om de toevoer van gas te regelen. Dergelijke lagedrukleidingen zijn niet relevant voor omgevingsveiligheid. Anderzijds worden stroomgeneratoren niet benoemd als een (beperkt) kwetsbaar gebouw in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het wettelijk toetsingskader is daarom niet van toepassing.
Ondanks dat het wettelijke toetsingskader niet van toepassing is, kan de voorgenomen ontwikkeling invloed ondervinden van risicobronnen in de omgeving. Immers, het bezwijken van de stroomgeneratoren op het moment van piekbelasting op het elektriciteitsnet kan als gevolg van falende risicobronnen tot maatschappelijke ontwrichting leiden. Er zijn hiervoor geen wettelijke eisen waaraan voldaan moet worden. Deze risicoafweging is primair aan de initiatiefnemer (Stedin).
Nabij het plangebied liggen een aantal risicobronnen. Ten westen van het plangebied ligt het bedrijf IQatalyst B.V. Dit is een SEVESO inrichting. Het plangebied heeft overlap met het gifwolkaandachtsgebied vanuit dit bedrijf. Ten zuiden van het plangebied ligt de Rijksweg A12. Het zuidelijk deel van het plangebied heeft overlap met het explosieaandachtsgebied van deze risicobron. Tevens ligt het gehele plangebied binnen het gifwolkaandachtsgebied van deze risicobron.
De voorgenomen ontwikkeling maakt geen beperkt kwetsbare, kwetsbare of zeer kwetsbare gebouwen, of beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties mogelijk (artikel 5.3, Bkl). De stroomgeneratoren zijn onbemand. Dit betekent dat er incidenteel mensen bij de installaties aanwezig zijn. Deze aanwezigheid is onder andere voor het beheer, onderhoud, verhelpen van storingen en toezichthouding bij werkzaamheden.
Aanvullende maatregelen rond- of onderzoek naar omgevingsveiligheid is dan ook niet noodzakelijk.
Conclusie
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Kader
In het plangebied worden bodemroerende werkzaamheden uitgevoerd. De Arbeidsomstandighedenwet stelt dat er gezorgd moet worden voor een veilige werkplek. Daarom moet een onderzoek naar de aanwezigheid van Ontplofbare Oorlogsresten (OO) worden uitgevoerd.
Plangebied
Antea Group heeft onderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten. Dit onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6 bij deze motivering.
Het onderzoeksgebied dat centraal staat in dit onderzoek is eerder al onderzocht volgens de WSCS-OCE richtlijn. De onderbouwing van de desbetreffende rapportage voldoet daarmee aan de destijds geldende richtlijnen ten aanzien van het toewijzen van verdacht- en/of onverdacht gebied Ontplofbare Oorlogsresten.
Het onderzochte onderzoeksgebied is als onverdacht aangemerkt. Binnen het onderzoeksgebied hoeft bij de voorgenomen werkzaamheden geen rekening te worden gehouden met het aantreffen van Ontplofbare Oorlogsresten. Mocht echter tijdens werkzaamheden spontaan Ontplofbare Oorlogsresten aangetroffen worden, dan dient het protocol 'Spontaan aantreffen Ontplofbare Oorlogsresten' aangehouden te worden. Ook dit protocol zal als bijlage aan deze motivering worden toegevoegd.
Conclusie
Het aspect ontplofbare oorlogsresten vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Kader
Luchtkwaliteit heeft betrekking op luchtverontreiniging door gasvormige stoffen en verontreiniging van de lucht met fijnstof, door vooral verkeer, maar - naar mate het verkeer schoner wordt - ook door andere bronnen zoals houtstook. De luchtkwaliteit beïnvloedt in belangrijke mate de kwaliteit van de woon- en leefomgeving. Een groot deel van de luchtkwaliteit komt van buiten Utrecht. Wegverkeer, mobiele (bouw)werktuigen en houtstook zijn de belangrijkste lokale bronnen van luchtverontreiniging.
Omdat de gemeente Utrecht een aandachtsgebied is voor zowel stikstofdioxide (NO2) als fijnstof (PM10), moet de luchtkwaliteit getoetst en gemonitord worden. Als een plan in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties NO2 en/of PM10, moet de luchtkwaliteit worden beoordeeld. Dit volgt uit paragraaf 5.1.4.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het beoordelen van de luchtkwaliteit betekent dat het bevoegd gezag motiveert dat:
Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 van het Bkl. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren:
In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Dit moet kwalitatief of kwantitatief aangetoond worden.
Sinds 2017 wordt overal in Utrecht voldaan aan de Rijksomgevingswaarden voor luchtkwaliteit. Eind 2024 zijn nieuwe, aangescherpte Europese grenswaarden vastgesteld. Deze zullen uiterlijk eind 2026 opgenomen worden in landelijke wetgeving. Vanaf 2030 moet voldaan worden aan deze nieuwe grenswaarden. De Wereldgezondheidsorganisatie heeft in 2021 advieswaarden opgesteld voor gezonde lucht. Deze WHO-advieswaarden zijn bedoeld om de gezondheid te beschermen. Deze zijn strenger dan de grenswaarden van de EU.
| Stof |
Omgevings- waarde Bkl |
Grenswaarde EU 2030 |
WHO-advies waarde-2021 |
Toetsingsperiode |
| NO2 (stikstofdioxide) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 10 µg/m3 | Jaargemiddelde |
| PM10 (fijnstof) | 40 µg/m3 | 20 µg/m3 | 15 µg/m3 | Jaargemiddelde |
| PM2,5 (fijnstof) | 25 µg/m3 | 10 µg/m3 | 5 µg/m3 | Jaargemiddelde |
Omgevingswaarden en WHO-advieswaarden en grenswaarden EU voor NO2, PM10 en PM2,5
In januari 2025 is de nieuwe beleidsnota ‘Gezonde lucht voor iedereen’ vastgesteld door de raad, waarin is vastgelegd om toe te werken naar de WHO-advieswaarden-2021. Ook neemt de gemeente Utrecht deel aan het Schone Lucht Akkoord, waarin rijksoverheid, provincies en gemeenten samenwerken aan maatregelen ter verbetering van de luchtkwaliteit.
Plangebied
Omdat het plangebied binnen de gemeente Utrecht ligt, valt het onder een aandachtsgebied voor de monitoring voor luchtkwaliteit voor stikstof (NO2) en fijnstof (PM10). De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren (gasgeneratoren). Om de toename in concentraties te berekenen is het rekenprogramma Geomilieu (versie 2025) gebruikt. Hiermee is de emissie in de gebruiksfase omgezet naar een concentratie op omliggende rekenpunten. Hier is een bijbehorende memo voor opgesteld welke te vinden is in Bijlage 7 van deze motivering.
De dichtstbijzijnde milieugevoelige functie betreft een bedrijfswoning aan Strijkviertel 74 ten westen van het plangebied. Deze bevindt zich op circa 300 meter van het plangebied. Ten noorden van het plangebied liggen een viertal woningen op circa 650 meter van het plangebied. Ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de rijksweg A12 bevinden zich tevens een viertal (bedrijfs)woningen. Deze bevinden zich tussen de 400 en 550 meter van het plangebied.
Er is een ring van rekenpunten om de bron (voorgenomen ontwikkeling) neergelegd op een afstand van 200 meter. Binnen 200 meter is er geen sprake van een middelingstijd die past bij de toets aan een jaargemiddelde omgevingswaarde. De rekenpunten zijn in alle windrichtingen geplaatst.
Uit de berekening met Geomilieu blijkt dat er sprake is van een maximale toename van de concentraties van 0,04 µg/m3. Dit is ruim onder de NIBM-grens van 1,2 µg/m3. De voorgenomen ontwikkeling vormt voor dit aspect dan ook geen hinder voor de omliggende milieugevoelige functies.
Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Kader
Met de Aanvullingswet bodem Omgevingswet en het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet zijn de regels over bodem onderdeel gemaakt van de Omgevingswet. Het kader voor de regels in het Aanvullingsbesluit bestaat uit:
In het Aanvullingsbesluit zijn algemene regels toegevoegd aan het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) voor een aantal milieubelastende activiteiten. Het gaat om activiteiten zoals graven in bodem, saneren van de bodem, opslaan van grond- en baggerspecie, toepassen van bouwstoffen, grond en baggerspecie en het aanbrengen van meststoffen. Ook staan hierin de regels voor voorafgaand bodemonderzoek.
In de Aanvullingswet Bodem moet voor historische verontreinigingen die onder de Wet bodembescherming vielen rekening gehouden worden met het overgangsrecht, en alsmede met verontreinigingen die zijn ontstaan voor inwerkingtreding van de Omgevingswet. Hiervoor worden in artikelen 3.1 en 3.2 van de Aanvullingswet Bodem regels gesteld.
In paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staat dat er rekening gehouden moet worden bij de planvorming met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden moet bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek worden vastgesteld. Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Naast nieuwbouwactiviteiten kan ook aan andere activiteiten gedacht worden waarvoor de bodem geschikt moet zijn, zoals graven, saneren, grondwateronttrekkingen, het toepassen van verontreinigde grond en/of het uitvoeren van milieubelastende activiteiten.
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.
Het Rijk stelt verschillende instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:
Bij het plan wordt getoetst of de bodemkwaliteit geschikt is of geschikt gemaakt kan worden voor de geplande functie(s). Het gemeentelijk bodembeleid gaat uit van de volgende algemene uitgangspunten uit de voormalige Wet bodembescherming (nu: Omgevingswet met daarbij de bijhorende regelgeving met betrekking tot het thema bodem):
Daarnaast gelden er verschillende bruidsschatregels waarmee ook rekening gehouden moet worden. Deze zijn terug te vinden in paragraaf 22.3.7 (Bodembeheer) van het omgevingsplan Utrecht:
Bij een aanvraag van een omgevingsvergunning moet een bodemonderzoek conform de NEN 5740 worden verricht. Op basis van dit onderzoek wordt beoordeeld of de locatie geschikt is voor de geplande functie of dat er nog een nader onderzoek of een bodemsanering noodzakelijk is, voordat de locatie geschikt is voor de geplande functie. Als er voor de bouwwerkzaamheden een grondwateronttrekking nodig is, moet gekeken worden of nabijgelegen grondwaterverontreinigingen hierdoor kunnen verplaatsen, waarbij een saneringsvergunning aangevraagd of melding (eventueel op grond van gebiedsgerichte aanpak Utrecht) gedaan moet worden.
Plangebied
Er is door Antea Group een historisch bodemonderzoek verricht voor de locatie Strijkviertel kavel 9 in Utrecht. Dit onderzoek is als Bijlage 8 toegevoegd aan deze motivering. Het doel van het onderzoek is om te bepalen of er vanuit bodemhygiënisch oogpunt risico's zijn met betrekking tot de voorgenomen ontwikkeling. Hieronder worden de conclusies van het onderzoek weergeven.
De onderzoekslocatie bevindt zich in Utrecht, ten noorden van het Oudenrijnsepad. Verder naar het zuiden gelegen ligt de Oudenrijnsche Wetering en de C.H. Letschertweg. Voor zover bekend is de locatie zelf ook hoofdzakelijk in gebruik geweest als weiland.
Nabij de onderzoekslocatie zijn enkele verkennende onderzoeken uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen sterke verontreinigingen aanwezig zijn in de grond en het grondwater. De locatie is onverdacht ten aanzien van een verontreiniging met asbest. Op basis van de bodemkwaliteitskaart van de RUD wordt niet verwacht dat de grond verontreinigd is met PFAS.
Conclusie
Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Kader
Op grond van de Omgevingswet moeten initiatiefnemers onderzoek doen naar de effecten van hun activiteiten op beschermde dier- en plantensoorten en beschermde gebieden. Bij het vaststellen van een wijziging van het omgevingsplan moet van tevoren duidelijk zijn dat de regels uit de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving niet in de weg staat aan de uitvoering van het plan. Daarnaast kunnen regels gelden op grond van de Omgevingsverordening provincie Utrecht.
Beschermde dier- en plantensoorten
Voorafgaand aan de vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan moet worden onderzocht:
of er sprake is van een Natura-2000-activiteit die vergunningplichtig is op grond van de Omgevingswet en of er een passende beoordeling nodig is op grond van artikel 10.24 Bkl.
Beschermde gebieden
Natura 2000-gebieden
In Nederland zijn ongeveer 160 Natura 2000-gebieden aangewezen, gebieden met een Europese beschermingsstatus. Veel van die gebieden zijn (ook) gevoelig voor stikstofdepositie. Een verdere toename van de stikstofdepositie kan leiden tot 'significante effecten' op de beschermde natuurgebieden.
Op grond van artikel 2.31a lid 1 onder f Omgevingswet (Ow) in samenhang met artikel 10.24 lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) wordt een wijziging van een omgevingsplan alleen vastgesteld als uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied niet zal aantasten. Op basis van artikel 16.53c Ow moet voor de wijziging van een omgevingsplan een passende beoordeling worden gemaakt, wanneer dit afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor het Natura 2000-gebied. Een voortoets geeft inzicht in of significante gevolgen op grond van objectieve gegevens met zekerheid kunnen worden uitgesloten. Wanneer dit niet het geval is, dan is een passende beoordeling nodig. Als er een passende beoordeling nodig is, kan er ook een plan-mer-plicht gelden (artikel 16.36 Ow). Bij de passende beoordeling mag intern salderen en extern salderen als mitigerende maatregelen bij de beoordeling worden betrokken, mits aan het additionaliteitsvereiste wordt voldaan. Op grond van artikel 10.24 lid 2 Bkl kan de wijziging van het omgevingsplan in afwijking van artikel 10.24 lid 1 Bkl, als uit de passende beoordeling de vereiste zekerheid niet is verkregen, toch worden vastgesteld als is voldaan aan de zogenaamde ADC-toets. De ADC-toets houdt in dat:
Als het plan een herhaling of voortzetting is van een plan of project waarvoor al eerder een passende beoordeling is gemaakt, hoeft er niet opnieuw een passende beoordeling te worden gemaakt (voor zover deze redelijkerwijs geen nieuwe gegevens of inzichten kan opleveren over de significante gevolgen ervan).
Nationaal Natuur Netwerk (v.m. EHS) en Groene Contour
In de Omgevingsverordening provincie Utrecht (artikel 6.1 en verder) zijn regels vastgelegd waar (afwijkingen van) een wijziging van het omgevingsplan aan moeten voldoen.
Algemene zorgplicht
Ten slotte gelden voor Natura 2000-activiteiten en Flora- en Fauna-activiteiten de specifieke zorgplichten van de artikelen 11.6 en 11.27 uit het Besluit activiteiten leefomgeving. Degene die een activiteit verricht en weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat die activiteit nadelige gevolgen kan hebben voor het belang van natuurbescherming is verplicht om alle maatregelen te treffen die redelijkerwijs kunnen worden gevraagd om die gevolgen te voorkomen. Als de gevolgen niet kunnen worden voorkomen moet zorggedragen worden voor het zo veel mogelijk beperken of het ongedaan maken van die gevolgen. Als de gevolgen onvoldoende kunnen worden beperkt moet worden bezien of de activiteit achterwege gelaten kan worden, voor zover dit redelijkerwijs van diegene kan worden gevraagd. Daarom moet iemand die een bepaalde activiteit wil verrichten zich vooraf op de hoogte stellen van de aanwezige flora en fauna, de kwetsbaarheid ervan en de mogelijke gevolgen daarvoor van zijn handelen.
Om een juiste invulling te kunnen geven aan de zorgplicht is de Leidraad werken met beschermde flora en fauna van de gemeente Utrecht van toepassing. Voor aanvang van de werkzaamheden moet een ecologisch werkprotocol worden opgesteld door een deskundige.
Utrechtse soortenlijst
Naast de beschermde soorten onder de Omgevingswet geldt binnen de gemeente de Utrechtse soortenlijst. Hierin zijn kwetsbare soorten die voor Utrecht erg belangrijk zijn opgenomen. De Utrechtse Soortenlijst is onderdeel van de Omgevingsvisie.
De gemeenteraad heeft besloten dat bij gemeentelijke ruimtelijke plannen de Utrechtse soortenlijst bij het onderzoek en ontwikkelingen wordt betrokken zodat de soorten zo goed mogelijk beschermd worden.
Bij ruimtelijke plannen van derden beveelt de gemeente nadrukkelijk aan om de Utrechtse soortenlijst mee te nemen in onderzoek en ontwikkelingen. Wanneer de Utrechtse soortenlijst niet wordt meegenomen in het plan of project, dan wordt dit gemotiveerd.
Plangebied
Door Antea Group is in februari 2025 een veldbezoek ten behoeve van de Natuurtoets uitgevoerd. Het onderzoek (d.d. 20-10-2025) heeft als doel om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie en oriënterend terreinbezoek. Op basis hiervan wordt getoetst of op de - in het kader van de Ow beschermde natuurwaarden - als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn. De rapportage van het onderzoek is als Bijlage 9 bij deze motivering gevoegd. Hieronder worden de conclusies uit het onderzoek benoemt.
Beschermde gebieden
Natura 2000
Het plangebied voor de tijdelijk stroomgeneratoren op Strijkviertel ligt niet in een Natura 2000-gebied of in Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Oostelijke Vechtplassen en ligt op circa 8,3 kilometer afstand. Dit gebied is aangewezen op basis van de Habitat- en Vogelrichtlijn.
Natura 2000-gebieden liggen buiten de invloedsfeer van alle storingsfactoren, zoals bijvoorbeeld verdroging of geluid- en lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden, zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten. Om deze reden is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Deze is bijgevoegd als Bijlage 10 bij deze motivering.
Uit het stikstofonderzoek blijkt dat er sprake is van een maximale tijdelijke depositie van 0,02 mol/ha/jaar op het Natura 2000-gebied Oostelijke Vechtplassen. Verder is er een tijdelijke depositie van 0,01 mol/ha/jaar op de Natura 2000-gebieden Naardermeer en Zouweboezem berekend.
In dit kader is een ecologische voortoets uitgevoerd voor dit plan met betrekking tot de stikstofdepositie. De voortoets is als Bijlage 11 bij deze motivering gevoegd. In deze voortoets is onderzocht of de tijdelijke geringe stikstofdepositie significante gevolgen kan hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende Natura 2000-gebieden. De beoordeling is per habitattype uitgevoerd. Hieronder zijn de conclusies uit dit onderzoek weergeven.
Uit de beoordeling blijkt dat de bijdrage voor alle habitattypen en leefgebieden niet leidt tot significante gevolgen. Er is geen sprake van verslechtering van de kwaliteit van habitattypen/leefgebieden en het plan heeft hierdoor geen invloed op de huidige kansen om de instandhoudingsdoelstellingen van stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden te realiseren.
Natuurnetwerk Nederland en Groene Contour
Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde NNN gebied ligt op 3500 meter afstand. Directe effecten op het NNN zijn uit te sluiten en het toetsingskader van het NNN is niet van toepassing. Het plangebied maakt ook geen deel uit van de Groene Contour.
Conclusie
Gezien de aard en het lokale karakter van de ingreep worden effecten op Natura 2000-gebieden, NNN en de Groene Contour niet verwacht. Negatieve effecten op beschermde gebieden zijn uitgesloten.
Beschermde dier- en plantsoorten
Op de onderzoekslocatie is (potentieel) geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Ow) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen:
In onderstaande tabel (afkomstig uit de natuurtoets) zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht.
Verder kunnen voor sommige soorten, afhankelijk van de exacte werkzaamheden en in overleg met de ecoloog, maatregelen worden genomen om een overtreding van verbodsbepalingen door de werkzaamheden te voorkomen. De te nemen maatregelen dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol. In onderstaande tabel zijn de (mogelijke) vervolgstappen aangegeven die volgen uit de natuurtoets.
Houtopstanden
Op de onderzoekslocatie zijn geen bomen aanwezig die onderdeel zijn van een bosschage die een oppervlakte heeft van meer dan 1000 m2 of een rijbeplanting van meer dan 20 bomen, gerekend over het totaal aantal rijen. Daarmee vallen de bomen niet onder de definitie van beschermde houtopstanden Ow. Beschermde houtopstanden Ow zijn daarom niet relevant voor voorliggend planvoornemen. Zie ook paragraaf 5.12 Bomen van deze motivering.
Zorgplicht
Op de onderzoekslocatie kunnen soorten aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in onderstaande tabel.
Invasieve soorten
Tijdens het terreinbezoek zijn geen invasieve soorten aangetroffen. Het is echter niet uitgesloten dat aanwezige invasieve plantensoorten gemist zijn doordat het veldbezoek buiten het groeiseizoen is uitgevoerd. Daarom wordt geadviseerd de locatie tijdens het groeiseizoen en voorafgaand aan de werkzaamheden te controleren op aanwezigheid van invasieve plantensoorten. Daarnaast moet verspreiding van de Amerikaanse rivierkreeft tijdens de werkzaamheden in en aan sloten worden voorkomen.
Conclusie
Het aspect 'natuur en ecologie' levert geen belemmering op voor de ontwikkeling indien rekening gehouden wordt met de te treffen maatregelen.
Voor sommige soorten kunnen, afhankelijk van de exacte werkzaamheden en in overleg met de ecoloog, maatregelen worden genomen om een overtreding van verbodsbepalingen door de werkzaamheden te voorkomen. De te nemen maatregelen dienen vastgelegd te worden in een ecologisch werkprotocol.
Kader
Vanaf 21 november 2018 geldt de herplantplicht bij kapvergunningen. Deze beleidsregel is op 1 februari 2025 geactualiseerd met extra voorwaarden voor te herplanten soorten. Als verplanten of behoud van een boom niet mogelijk is, dan geldt bij compensatie de volgende volgorde: 1e keus herplant op locatie, 2e keus herplant dichtbij locatie, 3e keus herplant elders. Als blijkt dat herplant niet mogelijk is, kan in het uiterste geval worden overgegaan tot financiële compensatie waarbij de inkomsten worden geoormerkt voor het aanplanten van bomen en groen elders in de gemeente Utrecht. De herplantplicht is niet van toepassing op gevallen waarin het college of de raad op basis van een ruimtelijk plan een besluit heeft genomen of omgevingsvergunningen waarvan de aanvraag voor 21 november 2018 is ingediend.
In afdeling 8.1 van het omgevingsplan zijn de regels over het aantasten van bomen of andere houtopstanden opgenomen. In artikel 8.2 is de verbodsbepaling en vergunningsplicht opgenomen en zijn de regels over de 'herplantplicht' geborgd.
Plangebied
Het plangebied betreft een kavel op het weidegebied Strijkviertel. Er zijn geen bomen aanwezig op de kavel en daarom is er geen sprake van kap of herplanting.
Conclusie
Het aspect bomen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Ambities en doelen
In 2050 willen we als Utrecht klimaatbestendig zijn en dus onze kwetsbaarheden hebben aangepakt. Om dit te bereiken hebben we doelen en principes opgesteld waar we naar streven. Ons hoofddoel is dat we maatschappelijke ontwrichting en onomkeerbare schade zoveel mogelijk willen voorkomen. Daarnaast willen we dat Utrecht een aangename stad blijft om te wonen, werken en te verblijven.
Ten eerste willen we de stad zoveel mogelijk vergroenen, met minder tegels en verharding en meer groen. Op die manier kan de bodem als spons werken. Dat voorkomt wateroverlast bij hevige regen en zorgt bij droogte dat bomen langer overleven. Ook zorgt dit voor een prettigere leefomgeving bij hittegolven. We hanteren hierbij het principe 'groen, tenzij'. We willen dan ook minstens 90% van het regenwater benutten en vasthouden. Dat betekent: opvangen in de bodem en niet via het riool afvoeren.
Door klimaatadaptieve maatregelen te nemen, dienen we meerdere doelen zoals groene daken isoleren ook woningen en meer koele groene verblijfsplekken is zowel goed voor de gezondheid als voor meer recreatie. Wat allemaal weer bijdraagt aan gezond stedelijk leven voor iedereen.
Doelen voor overstroming, biodiversiteit en waterkwaliteit werken we later uit, omdat deze nog niet voldoende in beeld zijn. Voor overstroming werken deze regionaal uit als werking van de regionale adaptatie strategie.
We streven ernaar om deze doelen uiterlijk in 2050 te halen. Door deze doelen de komende jaren toe te gaan passen in projecten, ervaren we welke afwegingen met andere doelen in de praktijk gemaakt moeten worden en waar maatwerk met een goede onderbouwing noodzakelijk is.
Aanpak
Het uitgangspunt om Utrecht klimaatbestendig te maken is zoveel mogelijk aan te sluiten bij bestaande programma's. Elk programma moet straks rekening houden met het thema klimaatadaptatie. Als opgave focussen we op het bepalen van ambities en doelen en het borgen hiervan. We gaan klimaatadaptatie zoveel mogelijk combineren met andere werkzaamheden in de openbare ruimte, onder andere om zo de kosten te beperken. Belangrijke opgaven om mee samen te werken zijn de rioolvervangingsopgave, de Schaalsprong Groen in de RSU, de mobiliteitsopgave om van 50 naar 30 km/uur te gaan en ontwikkelend beheer van de openbare ruimte. Dit doen we vooral in de bestaande stad. Voor nieuwbouw- en herinrichtingsprojecten stellen we beleid vast om ervoor te zorgen deze direct klimaatbestendig worden uitgevoerd. Klimaatadaptatie moet het nieuwe normaal worden. Alleen door samenwerking is het mogelijk om integrale afwegingen te maken en tot een gedragen besluitvorming te komen.
Op een aantal thema's hebben we te weinig informatie, zoals droogte en biodiversiteit. Daarom maakt een onderzoeksagenda deel uit van de visie, waarmee we een completer beeld krijgen van wat de mogelijke effecten en gevolgen van een veranderend klimaat zijn, en hoe we dit moeten aanpakken.
Een groot deel (60%) van de oppervlakte van de stad is in eigendom van inwoners en andere stakeholders. Dat betekent dat de klimaatadaptatie-opgave niet alleen in het openbaar gebied opgelost kan worden. Om te zorgen dat ook deze grondeigenaren hun woning, gebouw en omgeving klimaatbestendig maken zetten we onder meer nieuw beleid, subsidies en communicatie in.
We werken samen in onze landelijke netwerken (bijvoorbeeld GNK en KANS), maar ook met onze regionale gebiedspartners in het Netwerk Water en Klimaat om bijvoorbeeld via de impulsregeling klimaatadaptatie van het Rijk subsidie voor maatregelen aan te vragen.
De globale investeringskosten voor het aanpassen van de openbare ruimte tot 2050 worden geschat op 0,5 – 1 miljard euro als we optimaal aansluiten ('meekoppelen', 70% werk-met-werk) bij andere opgaven. Zonder werk met werk maken liggen de verwachte kosten op ruim 2 miljard euro. De maatregelen zijn globaal opgebouwd uit hemelwaterbestendig inrichten, ontharden en vergroenen.
Een deel van de maatregelen, vooral wateroverlast en droogte, zijn te dekken vanuit het programma Openbare Ruimte en Groen, onderdeel water- en rioleringsprogramma. De beschikbare middelen in dit programma komen vanuit de inkomsten uit rioolheffing.
De groene maatregelen en kosten voor klimaatadaptatie die enkel gerelateerd zijn aan hitte kunnen niet worden bekostigd uit het water- en rioleringsprogramma, maar moeten gefinancierd worden uit andere programma's. Er is daar dus een extra budget nodig om bomen te kunnen realiseren en ze te kunnen aanplanten of de groeiplaats te verbeteren. Dit wordt meegenomen in de uitwerking van de groene schaalsprong richting de RSU. De investeringen worden op 1,6 miljard euro geschat.
De opgave klimaatadaptatie en groen vallen ruimtelijk grotendeels in hetzelfde gebied, de bestaande stad. Voor nieuwbouw hanteren we als uitgangspunt dat de kosten worden gedekt vanuit de gebiedsontwikkeling. Dit komt naar verwachting gemiddeld neer op maximaal 2.000 euro per woning. Voor inwoners en bedrijven zijn de kosten nog niet inzichtelijk, omdat we bij bestaande bouw vooralsnog geen bindende maatregelen voorschrijven. De gemeente geeft eerst zelf het goede voorbeeld, door de openbare ruimte en eigen vastgoed klimaatbestendig te maken. De visie wordt in 2024 geëvalueerd, naar aanleiding van de nieuwe stresstesten en KNMI-scenario's.
Hierbij worden ook de opgedane ervaring in projecten en nieuwe inzichten meegenomen en zo nodig worden doelen en visie bijgesteld.
Waterparagraaf regelbaar vermogen elektriciteitsnet Strijkviertel
Door de nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kan het functioneren van het watersysteem worden beïnvloed en onder druk komen te staan. In een waterparagraaf wordt een ruimtelijke motivering gegeven van de huidige en toekomstige waterhuishoudkundige situatie, de 'watertoets'. Door in een vroeg stadium de weging van het waterbelang mee te nemen in de planontwikkeling en af te stemmen met de waterbeheerder(s) wordt voorkomen dat door een ruimtelijke ontwikkeling de kansen voor de waterhuishouding niet worden benut en de bedreigingen niet worden herkend.
Door de bestaande (geo)hydrologische situatie en randvoorwaarden, de geplande ontwikkeling en de ruimtelijke consequenties ten aanzien van de waterhuishouding te analyseren, kan het streven naar een duurzaam en robuust watersysteem tijdig in het ontwerpproces worden geïntegreerd. Met ingang van de Omgevingswet per 1 januari 2024 vervangt het begrip 'weging van het waterbelang' de term watertoets.
De waterparagraaf is opgesteld ter verantwoording en afsluiting van de weging van het waterbelang voor de wijziging van het omgevingsplan regelbaar vermogen elektriciteitsnet Strijkviertel. Hieronder staat het beleid op hoofdlijnen. Daarna wordt ingegaan op het plangebied.
Kader
In het algemeen is het beleid van het Rijk, de provincie Utrecht, de gemeente Utrecht, het waterschap HDSR gericht op een duurzaam en robuust waterbeheer. Bij ruimtelijke ontwikkelingen worden (indien doelmatig) de waterkwaliteitstrits 'gescheiden inzamelen-gescheiden afvoeren-gescheiden verwerken' en de waterkwantiteitstrits 'water vasthouden-bergen-vertraagd afvoeren' gehanteerd. Dit beleid is per overheidsniveau in de onderstaande beleidsdocumenten verankerd:
In deze paragraaf zijn het beleid, de richtlijnen en de eisen uit bovengenoemde beleidsdocumenten verder uitgewerkt en toegepast op het plangebied.
De ambitie van de gemeente Utrecht is het gezond houden, robuust maken en toekomstbestendig maken van het water- en rioleringssysteem, voor iedereen. Daarbij wordt bijgedragen aan de volgende opgaven voor de stad:
Oppervlaktewaterkwaliteit
De gemeente streeft in overeenstemming met het beleid van de Europese Kaderrichtlijn Water samen met de waterbeheerder naar een goede ecologische en chemische kwaliteit van het oppervlaktewater. Dit betekent dat de waterkwaliteit veerkrachtig is, ook bij extreem weer en lange termijn klimaateffecten. Dit sluit aan bij de ambitie vastgesteld door de Gemeente Utrecht in regionaal (Winnet) verband (regionaal afvalwaterketen beleid, 2014). Deze zegt dat de waterkwaliteit van bestaand en nieuw te realiseren open water moet voldoen aan het streefbeeld zichtbaar.
Afvalwater
Het ontstaan van afvalwater wordt zoveel mogelijk voorkomen of beperkt. Als afvalwater toch ontstaat, wordt het zo min mogelijk verontreinigd. Afvalwaterstromen worden daarom gescheiden gehouden, behalve als door het samenvoegen van de stromen de verwerking geen problemen ondervindt.
Binnen de bebouwde kom moet huishoudelijk afvalwater op de riolering worden geloosd. Ook bedrijfsafvalwater wordt op deze manier ingezameld, tenzij dit ten koste gaat van het doelmatig functioneren van de riolering of de rioolwaterzuivering. In dat geval moet de eigenaar zelf de behandeling van het afvalwater verzorgen.
Buiten de bebouwde kom geldt hetzelfde, tenzij de capaciteit van het openbare vuilwaterriool niet toereikend is of een decentrale zuiveringstechniek een beter resultaat geeft dan de centrale zuivering van het waterschap.
Hemelwater
Een combinatie van groen, water, slimme kavelinrichting en ontwerp van de toekomstige gebouwen kan ingezet worden om wateroverlast en calamiteiten in de toekomst te voorkomen. Het gebied moet zo ingericht worden dat zelfs bij een zeer extreme regenbui er geen schade optreedt. Het Rijk, waterschap en de gemeente stellen hier de volgende eisen aan.
Klimaatdoelen Wet Milieubeheer
Om de klimaatdoelen te behalen, is in de Wet Milieubeheer in artikel 10.29a ingegaan op de voorkeursvolgorde hoe met hemelwater om te gaan. In de weging van het waterbelang is dit op het projectgebied toegepast en geconcretiseerd. De voorkeursvolgorde is:
Waterschapsbeleid
In het waterhuishoudingsplan moet worden aangegeven of al het regenwater in het plangebied geborgen kan worden of dat een overloopvoorziening richting oppervlaktewater of hemelwaterstelsel zal worden aangebracht. Vanaf stap 4 van de voorkeursvolgorde moet onderbouwd worden waarom de stappen met meer voorkeur niet haalbaar zijn. Dit zijn namelijk vormen van het afwentelen van de wateropgave op de omgeving.
Rechtstreekse afvoer van hemelwater naar oppervlaktewater is vergunning- of meldingsplichtig in het kader van de Omgevingswet. Om vervuiling van afstromend hemelwater en verslechtering van de waterkwaliteit te voorkomen, is het niet toegestaan om uitlogende bouwmaterialen (zoals zink, lood en koper) zonder KOMO-keurmerk toe te passen voor dak, dakgoot en regenpijp als het hemelwater vanaf deze oppervlakken direct afvoert naar het oppervlaktewater.
Uitgangspunten in de Visie Water en Riolering
Grondwater
Bij nieuwbouw mag de bestaande geohydrologische situatie niet wijzigen. De grondwaterstanden mogen niet negatief worden beïnvloed (geen grondwaterstandverlaging).
Verhoging van de grondwaterstand is wel toegestaan voor zover dit aan de grond gegeven bestemming waar de grondwaterstand wordt verhoogd deze niet wordt belemmerd.
Het is de verantwoordelijkheid van de perceeleigenaar dat een hoge of een lage grondwaterstand geen problemen veroorzaakt op het perceel. Uitgangspunt hiervoor zijn de Representatieve Hoge en Lage Grondwaterstand (RHG/RLG).
Minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag infiltreert in de bodem. Het doel is enerzijds het in stand houden van de huidige geohydrologische situatie, anderzijds het voorkomen van verdroging door klimaatverandering.
Onttrekking en lozing van grondwater
Tijdelijke onttrekking van grondwater tijdens de bouwfase is vergunningplichtig en onder voorwaarden toegestaan, evenals tijdelijke lozing van bemalingswater op het oppervlaktewater. Nader onderzoek naar de kwantiteit en kwaliteit van het grondwater is noodzakelijk om na te gaan of er een lozingsvergunning nodig is om overtollig water te onttrekken en af te voeren.
Voor alle onderbemalingen, bronneringen en andere grondwateronttrekkingen moet een vergunning worden aangevraagd via het omgevingsloket. Als de grondwateronttrekking bij deze criteria onder de grenswaarden blijft, kan volstaan worden met een melding. Een (tijdelijke) lozing van grondwater op de openbare riolering is niet toegestaan, tenzij bij Algemene maatregel van bestuur (lozingsbesluiten) of bij maatwerkvoorschrift als bedoeld in de Wet Milieubeheer anders is bepaald.
Werkzaamheden in of aan watergangen, waterkeringen en beschermingszones
Voor het dempen en graven, aanleggen van vlonders en steigers, bouwen in en langs water en uitvoeren van HDD boringen onder watergangen, waterkeringen, kunstwerken en peilscheidingen door, is een watervergunning van de beheerder(s) (HDSR/Rijkswaterstaat) noodzakelijk. Alle wateraspecten worden in de watervergunning geregeld.
Hittestress
Hittestress wordt vooral bepaald door de gevoelstemperatuur. Dit is, naast luchttemperatuur, gebaseerd op factoren zoals luchtvochtigheid, de aanwezigheid van wind en de straling van de zon en omliggende gebouwen. Om hittestress tegen te gaan kan worden ingezet op de volgende maatregelen:
Plangebied
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren. Het plangebied bevindt zich binnen de grenzen van Kavel 9 van het toekomstige circulair Bedrijvenpark Strijkviertel waarvan het bestemmingsplan is vastgesteld op 02-10-2025. Voor het desbetreffende bestemmingsplan is een watertoets uitgevoerd ten behoeve van het aspect water en klimaatadaptatie. Hieruit is naar voren gekomen dat het aspect geen belemmering vormt voor het uitvoeren van het desbetreffende plan. De watertoets behorende bij het bestemmingsplan van het Bedrijvenpark is tevens toegevoegd aan de bijlage van deze motivering als Bijlage 12.
De kavel voor het plangebied van de stroomgeneratoren wordt bouwrijp opgeleverd door de gemeente in verband met het te realiseren Bedrijvenpark. Dit gebeurt voordat er gestart wordt met het realiseren van de stroomgeneratoren. Aangezien deze bouwrijpe oplevering voor het aspect water is getoetst middels de ruimtelijke procedure voor het circulaire bedrijvenpark Strijkviertel, hoeven er geen maatregelen getroffen te worden voor de voorgenomen ontwikkeling omtrent dit aspect. Dit geldt tevens voor klimaatadaptatie. De voorgenomen ontwikkeling zal daarom tevens niet leiden tot demping van sloten of een toename van verharding op het perceel (ten opzichte van de situatie waar vanuit is gegaan in de watertoets van het bedrijvenpark).
De conclusies en inzichten uit de watertoets voor het bestemmingsplan circulair Bedrijvenpark Strijkviertel blijven dus gehandhaafd. Ook wanneer het nieuwe beleid van het HDSR (wordt vastgesteld in januari 2026) in werking treed wordt er voldoende water geborgd.
Wateropgave zonder Bedrijvenpark
Mocht het Bedrijvenpark Strijkviertel onverhoopt geen doorgang vinden, dan vormt het aspect ook geen belemmering voor deze ontwikkeling. Het gehele gebied Strijkviertel (waar het plangebied onderdeel van uit maakt) is onderdeel van het watersysteem Leidsche Rijn, waar maatregelen worden uitgevoerd voor het gebied als geheel, maar niet specifiek per deelgebied. Het gebied moet dus als één geheel worden bekeken. Zo zijn de plassen Veldhuizen, Vleuterweide en Haarrijnseplas als waterberging aangewezen. Deze plassen hebben dus een deelgebied-overstijgende rol wat betreft waterberging. De berging in oppervlaktewater komt overeen met 33 mm over het verhard oppervlak. Er is afgesproken om op land nog 15 mm over het verhard oppervlak te bergen. In plaats van het vertraagd afvoeren naar oppervlaktewater wordt dit in het kader van tegengaan van verdroging dit water geïnfiltreerd (gemeentelijke eis om minimaal 90% van de jaarlijkse neerslag afvangen en infiltreren).
De deelgebieden Rijnvliet (woonwijk) en Strijkviertel (bedrijventerrein) worden gezamenlijk bekeken met betrekking tot het realiseren van oppervlaktewater. Voor het gebied Rijnvliet + Sportpark + Strijkviertel moet in het totaal 9 ha oppervlaktewater worden aangelegd (zie voor de onderbouwing ook het rapport ‘Actualiseren watersysteem Leidsche Rijn - Hydraulische toetsing van de voorkeursvariant en een scenarioanalyse’ Wareco, kenmerk KM34B RAP20141208, status concept, datum 17-12-2014).
Volgens de waterparagraaf behorende bij het Circulair Bedrijvenpark Strijkviertel wordt voor Rijnvliet, inclusief het sportpark, op basis van de laatste ontwerpen van de openbare ruimte, een totaal van 7,07 ha oppervlaktewater gerealiseerd. Voor het Bedrijvenpark is gepland om 4,23 ha oppervlakte te realiseren (één-op-één terugbrengen gedempt oppervlaktewater). In totaal komt dit neer op een wateropgave van 11,30 ha, waar 9 ha de minimum eis is. Een overschot van 2,30 ha.
Gezien de wateropgave voor het Bedrijvenpark één-op-één wordt teruggebracht, houdt in dat een overschot van 2,30 ha aan wateropgave gerealiseerd is middels de ontwikkeling Rijnvliet. Dit geldt dus voor het gehele watersysteem Leidsche Rijn.
De voorgenomen ontwikkeling bedraagt 4,033 m2. Gezien het onderdeel uitmaakt van het watersysteem Leidsche Rijn, kan het overschot aan wateropgave welke is gerealiseerd met de ontwikkeling Rijnvliet, worden meegenomen in de ontwikkeling van de stroomgeneratoren. Dit betekent dat er voor de stroomgeneratoren geen wateropgave resteert. Ook wanneer het nieuwe beleid van het HDSR (dit wordt vastgesteld in januari 2026) in werking treedt wordt er voldoende water geborgen vanwege dit overschot.
Tevens heeft de voorgenomen ontwikkeling geen invloed op de aanleg van oppervlaktewater of de grondwaterstand. Ook wordt er geen riolering aangelegd ten behoeve van de voorgenomen onwikkeling.
Voor klimaatadaptatie betekent het dat een bui van 80 mm in één uur geen problemen oplevert in de huidige situatie. In de toekomstige situatie rekening mee gehouden dat een dergelijke bui geen schade aan de bouwwerken oplevert. Tevens behoort een overstroming van de Lek tot een mogelijkheid in verband met klimaatverandering. Het voorkomen van dit scenario is in de huidige situatie ongeveer eens in de 300 jaar en wordt ongeveer eens in de 10.000 jaar na uitvoering van het versterkingsprogramma (2020-2028). Voor de stroomgeneratoren worden dan gepaste maatregelen (verhoging) getroffen om de installaties zo lang mogelijk te laten functioneren.
Conclusie
Het aspect water en klimaatadaptatie vormen geen belemmering voor het planvoornemen.
Kader
In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Een van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in de bodem bewaard moeten blijven. Alleen als dat niet kan, is behoud door middel van opgraven en bewaren in depot een optie. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium moet plaatsvinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek moeten worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed.
De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.
Het omgevingsplan van de gemeente Utrecht
In het omgevingsplan zijn regels voor de bescherming van archeologie opgenomen in het hoofdstuk grondwerk. Met grondwerk worden de activiteiten die de bodem verstoren bedoeld.
Op basis van onderzoek heeft de gemeente vastgesteld hoe groot de kans is dat op een locatie archeologische resten gevonden kunnen worden. Op basis van de trefkans is aan locaties een verwachtingswaarde toegekend. Een locatie met een grote trefkans heeft verwachtingswaarde WA1, een locatie met de laagste trefkans heeft verwachtingswaarde WA6. Op een locaties waar de trefkans zeer klein is of waar bekend is dat er geen archeologisch resten zijn op een locatie, is geen verwachtingswaarde opgenomen en gelden dus ook geen regels. De locaties met de diverse archeologische verwachtingswaarde zijn zo in het omgevingsplan opgenomen, dat bij een klik op de kaart zichtbaar is of er een waarde geldt, welke waarde dat dan is en welke regel van toepassing is.
Plangebied
Binnen het plangebied zijn geen archeologische rijksmonumenten aanwezig. Volgens de Archeologische Waardenkaart van de gemeente Utrecht ligt het plangebied in 'Gebieden met een lage archeologische verwachting' (WA6) (zie ook onderstaande figuur). Het gehele plangebied bestaat uit gebieden met een lage archeologische verwachting omdat deze gebieden vanwege hun lage ligging niet geschikt waren voor bewoning.
In dit geval betekent dit dat een plan zonder vergunning gerealiseerd mag worden onder de voorwaarde dat bodemingrepen de maximale oppervlakte van maximaal 5000 m2 niet overschrijdt én geen verstoring veroorzaakt dieper dan 50 cm onder het maaiveld. De voorgenomen ontwikkeling betreft het bovengronds plaatsen van stroomgeneratoren, welke in totaal een oppervlakte van minder dan 5.000 m2 beslaan.
De voorgenomen ontwikkeling van het plangebied overschrijdt de vrijstellingsgrenzen (oppervlakte en diepte) niet en is daarmee niet vergunningsplichtig.
Figuur 11: Archeologische verwachtingswaarde vanuit het omgevingsplan Utrecht in relatie tot de ligging van het plangebied (rood omlijnd).
Conclusie
Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Kader
De aanwezige kabels en leidingen in het plangebied zijn inzichtelijk gemaakt via een Klic-melding.
Plangebied
Voor het plangebied is een oriënterende KLIC-melding uitgevoerd. Hieruit blijkt dat er geen (relevante) kabels en leidingen binnen het plangebied aanwezig zijn en dat er geen sprake is van drukte in de ondergrond door kabels en leidingen. Tevens is op de KLIC-melding géén sprake van een Eis Voorzorgsmaatregel.
Voor de aanleg van benodigde kabels ten behoeve van de installaties binnen het plangebied worden tevens geen knelpunten verwacht vanuit dit aspect.
Conclusie
Voor aanvang van de werkzaamheden dient nog een KLIC melding te worden gemaakt (graafmelding, het graven van proefsleuven en inmeting aan het rijksdriehoeknet). Eventuele knelpunten dienen te worden afgestemd met de betreffende eigenaar en/of beheerder van de netten. Het aspect kabels- en leidingen vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Kader
In onderstaande tabel staan de belangrijkste energiedoelstellingen van de gemeente Utrecht.
| Doelstellingen/visies | Gemeentelijke document |
| Netbewust bouwen om elektriciteitsvraag op pieken te verlagen, o.a. door energie op te slaan of vraag te verplaatsen. Netbewust laden als eis bij openbare laadpalen (buiten piektijden, geen vaste tijden) Plaatsing van traforuimtes heeft een minimale impact op de kwaliteit van de openbare ruimte ('Inpandig, tenzij'). |
Uitvoeringsprogramma elektriciteits- infrastructuur en netcongestie 2023-2026 |
|
Netcongestie in Utrecht
Op 12 oktober 2021 kondigde TenneT netcongestie af voor het terug leveren van duurzaam opgewekte elektriciteit op het netwerk in de provincies Utrecht, Flevoland en Gelderland. Op 17 november 2022 gaf TenneT een nieuwe vooraankondiging van congestie voor dit gebied; het elektriciteitsnet heeft zijn maximale capaciteit bereikt ook voor het afnemen van elektriciteit. Dit betekent dat het stroomnetwerk hier op piekmomenten vol is in twee richtingen. Naast de knelpunten op het hoogspanningsnet zijn er ook knelpunten op het net van Stedin. Dit betekent concreet dat nieuwe grootverbruikers met een aansluitcapaciteit vanaf 3x80 Ampère niet in hun elektriciteitsbehoefte kunnen worden voorzien, totdat het elektriciteitsnet is uitgebreid. Bovendien geven de netbeheerders aan dat in de provincie Utrecht de groei van kleinverbruik vanaf 2026 de daarvoor gereserveerde ruimte op het net kan overschrijden en dit noopt tot (extra) maatregelen. Voor het eerst kunnen daardoor ook kleinverbruikers, zoals huishoudens en het MKB, door netcongestie worden geraakt. |
Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023-2026
Voor de groei en verduurzaming van de stad is stroom nodig. Met het Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie draagt de Gemeente Utrecht structureel bij aan het oplossen van knelpunten op het elektriciteitsnet, en aan spitsmijding door de gebruikers van dat net.
Er zijn een paar 'knoppen om aan te draaien' om de knelpunten op het elektriciteitsnet op te lossen:
A. Versnellen van netuitbreidingen om de schaarste aan transportcapaciteit structureel te verhelpen en betere benutting van de bestaande netcapaciteit;
B. Het verlagen van de piekvraag naar elektriciteit ('spits mijden') en toevoegen van flexibiliteit. Hieronder vallen maatregelen als
C. Tijdelijk prioriteren van ontwikkelingen en omgaan met schaarste;
D. Langetermijn planning / programmeren van de elektriciteitsinfrastructuur om knelpunten na 2030 zo veel mogelijk te voorkomen.
Een belangrijk spoor voor nieuwbouw (onderdeel van knop B) is netbewust ontwerpen en bouwen. Als Utrecht wil blijven groeien in balans, dan is balans op het elektriciteitsnetwerk een voorwaarde. Dit betekent dat piekbelasting vermeden moet worden, zowel bij de teruglevering van stroom als bij de afname. De vanzelfsprekendheid van netgebruik wanneer je wil en hoeveel je wil is voorbij. De toekomst is aan de netbewuste stad, waarin de netbelasting via een combinatie van organisatorische en technische maatregelen gelijkmatiger verspreid wordt over de dag.
Plangebied
In de huidige situatie is er geen elektriciteitsinfrastructuur aanwezig in het plangebied. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van tijdelijke flexibele opwek van elektriciteit in de vorm van stroomgeneratoren (gasgeneratoren). De voorgenomen ontwikkeling is op deze manier direct onderdeel van het Uitvoeringsprogramma elektriciteitsinfrastructuur en netcongestie 2023-2026. De voorgenomen ontwikkeling draagt bij aan het verlagen van de piekvraag naar elektriciteit ('spits mijden') en toevoegen van flexibiliteit ('knop B').
Conclusie
Uit de beschouwing van de onderzoeken en randvoorwaarden in dit hoofdstuk blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de realisatie van het beoogde plan.
Overheden dragen zorg voor de fysieke leefomgeving. Zij dienen deze leefomgeving te beschermen. Tegelijkertijd dienen zij het gebruik daarvan mogelijk te maken. Bij het vinden van deze balans speelt het komen tot ‘een evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (ETFAL) een belangrijke rol.
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van tijdelijk flexibel vermogen in de vorm van stroomgeneratoren ter ondersteuning van het Utrechtse elektriciteitsnet. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het Omgevingsplan nodig met bijbehorende regels en motivering. Een dergelijk wijziging van het omgevingsplan kan alleen mogelijk worden gemaakt wanneer is aangetoond dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In de voorgaande hoofdstukken 2, 4 en 5 en bijbehorende paragrafen is beschreven hoe de voorgenomen ontwikkeling ter plaatse van het plangebied past binnen het beleid. Daarnaast is aangetoond met de toetsing aan de omgevingsaspecten dat de ontwikkeling geen negatieve effecten op milieu- en/of omgevingsaspecten heeft. Op basis van voorliggende motivering kan worden geconcludeerd dat met de voorgenomen ontwikkeling sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Inleiding
Deze wijzing van het omgevingsplan ziet op de gebiedsontwikkeling van het plangebied. Deze wijziging van het omgevingsplan maakt de ontwikkeling van stroomgeneratoren ten behoeve van tijdelijke flexibele electriciteitsopwek binnen het plangebied mogelijk.
Financiële uitvoerbaarheid
Stedin neemt bouwrijpe bedrijfsgrond af van de gemeente. Hiermee zijn de kosten van de ontwikkeling van het gebied afgedekt voor de gemeente en is er geen noodzaak voor het sluiten van een anterieure overeenkomst.
Voor de ontwikkeling van dit plangebied is wel een nadeelcompensatie overeenkomst gesloten met de initiatiefnemer en grondeigenaar van het plangebied. Dit is al door beide partijen ondertekend.
Met de afspraken in de nadeelcompensatie overeenkomst is de financiële uitvoerbaarheid van deze wijziging omgevingsplan voldoende aannemelijk gemaakt.
Economische uitvoerbaarheid
Het hoofddoel van deze wijziging van het omgevingsplan is de gewenste toekomstige situatie planologisch-juridisch vast te leggen. De financiële risico's van de voorgenomen ontwikkeling zijn voor de initiatiefnemer. Het plan wordt daarom economisch uitvoerbaar geacht te zijn.
Het plan is aan een aantal organisaties toegezonden voor reactie als bedoeld in artikel 2.2 Omgevingswet.
Provincie Utrecht
De provincie Utrecht heeft aangegeven geen opmerkingen te hebben op het voorontwerp TAM-omgevingsplan.
Veiligheidsregio Utrecht
De veiligheidsregio heeft niet gereageerd op het voorontwerp TAM-omgevingsplan.
Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
Reactie:
Dit is toegevoegd aan paragraaf 5.13 van de motivering van dit plan.
Reactie:
Hier wordt in voorzien met de voorgenomen ontwikkeling.
Reactie:
In de bestaande situatie ligt het weiland (kavel 9) op 0 NAP. Bij het bouwrijp opleveren van kavel 9 wordt de grond met 1,5 meter opgehoogd, waardoor dit op +1,5 meter NAP komt te liggen. Hierdoor komt de kavel en komen dus ook de installaties hoger te liggen, dan in de bestaande situatie het geval zou zijn. Het plan voor het ophogen van de grond van circulair bedrijventerrein Strijkviertel is afgestemd met het HDSR.
Voor de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het project is afstemming gezocht tussen de gemeente en Stedin, waarbij Stedin het voortouw heeft genomen in het participatieproces. In lijn met het participatiebeleid van de gemeente Utrecht, heeft Stedin als initiatiefnemer het participatieproces in een vroeg stadium opgezet.
Om de omgeving te betrekken bij de voorgenomen ontwikkeling, heeft Stedin op 29 augustus 2025 een brief gestuurd naar omwonenden en grondeigenaren. In deze brief werd een toelichting gegeven op de ontwikkeling en werd er de mogelijkheid gegeven om verdere uitleg te krijgen. Deze brief is als Bijlage 13 bij deze motivering gevoegd.
Tevens heeft Stedin een project website opgezet waar informatie over de voorgenomen ontwikkeling te vinden is: https://www.stedin.net/over-stedin/wat-doet-stedin/projecten-in-uw-regio/strijkviertel
In november 2025 is een tweede brief naar direct omwonenden en de verder gelegen wijk Rijnvliet gestuurd met meer informatie over het voornemen en de informatieavond. Op 10 december 2025 is een informatieavond in de Metaal Kathedraal (aan de Rijksstraatweg 20 in Utrecht) gehouden. Hier zijn zeven omwonenden naar toegekomen. Zes komen uit de wijk Rijnvliet en één bezoeker is eigenaar van een bedrijf op Strijkviertel. Eén bewoner had zorgen over de luchtkwaliteit en er werden vragen gesteld over geluid. De meeste bewoners vonden het project op voldoende afstand van hun woning gelegen en vergeleken hierbij ook de afstand tot de snelwegen. Deze brief is als Bijlage 14 bij deze motivering gevoegd.
Dit plan is een onderdeel van het omgevingsplan van Utrecht. Het omgevingsplan bestaat uit een definitief deel en een tijdelijk deel. Met het definitieve deel wordt het omgevingsplan bedoeld dat inhoudelijk en digitaal is opgebouwd op de manier die de Omgevingswet voorschrijft. Definitief betekent dus niet dat de regels niet gaan veranderen. Het tijdelijke deel van het omgevingsplan bestaat uit de bestemmingsplannen die zijn vastgesteld op grond van de Wet ruimtelijke ordening of de Wet op de Ruimtelijke Ordening. De regels van het plan vullen de regels van het definitieve deel van het omgevingsplan aan. De regels van het definitieve omgevingsplan zijn dus ook van toepassing op het plangebied van dit plan. Als dat niet zo is, dan is dat expliciet aangeven in de regels. In het omgevingsplan staat bijvoorbeeld dat je niet mag bouwen zonder omgevingsvergunning (artikel 4.5 van het omgevingsplan). Die vergunningplicht geldt dan ook voor dit plangebied. Als in de regels staat dat een gebouw niet hoger mag zijn dan 10 meter, dan is dat een aanvulling op het omgevingsplan en zal een vergunningaanvraag voor het bouwen getoetst worden aan de regel over de bouwhoogte (artikel 4.16, vijfde lid, van het omgevingsplan).
De samenhang met het tijdelijke deel van het omgevingsplan is niet anders. De regels van dit plan vullen de regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan aan. Daarnaast wordt in de regels aangegeven als van de regels van het tijdelijk deel van het omgevingsplan wordt afgeweken dan wel als de regels voorrang hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
In hoofdstuk 1 van de regels staat beschreven hoe de regels samenhangen met het omgevingsplan (zie de volgende paragraaf).
In hoofdstuk 2 staan de regels die aangeven welke activiteiten binnen het plangebied zijn toegestaan en welke voorwaarden aan die activiteiten gesteld worden.
Het gebruik van het woord 'of' in de regels
Wanneer in de regels van dit plan in een opsomming van gevallen het woord 'of' wordt gebruikt, is daaronder mede begrepen de situatie dat meer dan een van de genoemde gevallen zich tegelijk voordoen. Onder 'of' wordt een combinatie van opties niet uitgesloten.
Artikel 1 Werking van dit plan
In artikel 1 zijn de regels opgenomen die laten zien hoe de samenhang van dit plan met het omgevingsplan van Utrecht is. Daarnaast is in artikel 1 de tijdelijke werking van het plan geregeld.
In lid 1.1 is het plangebied beschreven. Het werkingsgebied van de regels valt, uitzondering daargelaten, samen met het plangebied.
Sub 1 van lid 1.2 maakt duidelijk dat dit plan het omgevingsplan aanvult.
In sub 2, sub 3 en sub 4 is verwoord wat in paragraaf 7.1 al is uitgelegd: de regels vullen het tijdelijk deel van het omgevingsplan aan, gelden in afwijking of in voorrang op de regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
In de onderdelen 5, 6, 7 en 8 is tevens de tijdelijke werking van de regels in dit plan geregeld. Het regelbaar vermogen zal voor een duur van 10 jaren worden toegestaan. Dit betekent dat activiteiten, die op grond van dit plan zijn toegestaan, voor een duur van 10 jaar zijn toegestaan. Nadat de termijn van 10 jaar is verstreken, gelden de overige binnen het werkingsgebied geldende regels uit het omgevingsplan. De bouwwerken die conform dit TAM-omgevingsplan zijn gebouwd, dienen te worden verwijderd en verwijderd te blijven.
Functieregels zijn regels die in hoofdstuk 2 van dit plan of in hoofdstuk 3 van het omgevingsplan staan. De functieregels geven aan waar een locatie voor bedoeld is. Op grond van lid 1.3 zijn de regels van het definitieve omgevingsplan die over functieregels gaan van toepassing. De regels van dit plan vullen de regels van het omgevingsplan aan.
In lid 1.4 zijn de begrippen opgenomen die wel in dit plan maar niet in het definitieve omgevingsplan voorkomen.
De standaardregels van bestemmingsplannen, zoals de wijze van meten, zijn niet in dit plan opgenomen, omdat die al in het definitieve omgevingsplan staan. Dat geldt ook voor het overgangsrecht.
Artikel 2 Regelbaar vermogen elektriciteitsnet
De onderhavige ontwikkeling is in het plangebied gedurende 10 jaar toegestaan. Dit betekent dat gedurende deze termijn de locatie met de aanduiding 'overige zone - regelbaar vermogen', naast de activiteiten die conform het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn toegestaan, bedoeld is voor gebruiksactiviteiten in de vorm van installaties voor regelbaar vermogen waarbij gasmotoren worden toegepast en met in totaal maximaal 30 MWe. Dit regelbaar vermogen dient ten behoeve van het stroomnet te zijn en mag niet meer dan 500 uur per jaar vollast (vanwege stikstofdepositie) of een equivalent daarvan in werking zijn. De ontwikkeling leidt tot een activiteit die een aanzienlijke mate van geluid kan veroorzaken zoals bedoeld in artikel 5.78b van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op grond van het tijdelijk deel van het omgevingsplan zijn dergelijke activiteiten niet toegestaan op de gronden.
Artikel 3 Aanvullende bepaling
Dit artikel regelt dat artikel 2 een aanvulling is op artikel 4 lid 4.2 van het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel'.
Artikel 4 Begrenzing industrieterrein
Voor een activiteit die een aanzienlijke mate van geluid kan veroorzaken, moeten op grond van artikel 2.11a van de Omgevingswet in het omgevingsplan geluidproductieplafonds als omgevingswaarden worden opgenomen. Op grond van artikel 5.78e Bkl moet in het omgevingsplan een begrenzing worden opgenomen van het industrieterrein waarvoor geluidproductieplafonds worden vastgesteld. Dit artikel geeft uitvoering aan de verplichting die in het Bkl is gesteld.
Artikel 5 Aanvullende bepaling
Dit artikel regelt dat artikel 4 een aanvulling is op artikel 4 lid 4.2 van het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel'.
In artikel 6 zijn geluidregels opgenomen waaraan de activiteit moet voldoen bij het in werking hebben van installaties voor regelbaar vermogen. Lid 2 bepaalt dat de installatie in de nachtperiode maximaal 85 uur per jaar daarvan in werking mag zijn en dat in afwijking van de waarden uit artikel 22.63 een momentaan geluidniveau van 45 dB(A), gemeten over 1 minuut, geldt op de gevel van geluidgevoelige gebouwen.
Dit artikel regelt dat artikel 6 voorrang heeft op artikel 22.71 van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht dat onderdeel is van het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Artikel 22.71 bepaalt waar waarden gelden voor een activiteit op een gezoneerd industrieterrein.
Artikel 8 Beoordelingsregels voor het bouwen
Voor de installaties zijn in artikel 8 afzonderlijke beoordelingsregels voor het bouwen opgenomen. Tijdens het gebruik van de gronden voor het regelbaar vermogen is het toegestaan om bouwwerken, met een bouwhoogte van 12 meter te bouwen. Voor erf- en terreinafscheidingen is in onderdeel 2 een afwijkende bouwhoogte opgenomen. Hiervoor geldt de bouwhoogte van 12 meter niet.
De regels uit artikel 8 zijn de beoordelingsregels van de in artikel 4.5 van het omgevingsplan van de gemeente Utrecht opgenomen vergunningplicht.
Dit artikel bepaalt de verhouding tussen artikel 8 en het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Voor het bouwen van bouwwerken is conform artikel 4.5 van het omgevingsplan een omgevingsvergunning vereist. Dit betreft een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit zoals bedoeld in artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet.
In artikel 4 lid 4.3 van het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel' is opgenomen dat de omgevingsvergunning uit artikel 4.5 van het omgevingsplan wordt verleend als, in aanvulling op hetgeen is opgenomen in het omgevingsplan, aan de beoordelingsregels van lid 4.4 van het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel' wordt voldaan. Indien er sprake is van strijd tussen de regels uit het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel' en de algemene regels uit het omgevingsplan, gaan de regels uit het bestemmingsplan voor.
In artikel 9 is geregeld dat de beoordelingsregels uit artikel 8 voorrang hebben op de regels in artikel 4 lid 4.4.1 sub 2, 3, 4, 5, 6, artikel 4 lid 4.4.2, artikel 4 lid 4.4.3, artikel 4.6 lid 4.6.1 en artikel 4 lid 4.6.2 van het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel'. Dit betekent dat de omgevingsvergunning uit artikel 4.5 van het omgevingsplan kan worden verleend als wordt voldaan aan de regels in artikel 8 én de regel uit artikel 4 lid 4.4.1 sub 1 van het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel'. In het geval strijdigheid bestaat tussen de regels van dit TAM-omgevingsplan en de regels van het omgevingsplan, gaan de regels in dit TAM-omgevingsplan als gevolg van artikel 4 lid 4.3 van het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel' voor.
Dit betekent dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, welke ten behoeve van de installaties zoals bedoeld in artikel 2 wordt gebouwd, kan worden verleend als binnen het bouwvlak wordt gebouwd, de bouwhoogte van een bouwwerk niet meer bedraagt dan 12 meter en de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer bedraagt dan 2,5 meter. Het bouwvlak is opgenomen in bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel' en bestaat uit het volledige plangebied.
Artikel 10 Voorwaardelijke verplichting aarden wal
In artikel 10 is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren van een aarden wal. Deze aarden wal moet één maand na ingebruikname van de bouwwerken zijn gerealiseerd. Deze aarden wal wordt gerealiseerd conform Bijlage 1. Daarnaast moet de aarden wal in stand worden gehouden zolang de er bouwwerken binnen de aanduiding 'overige zone - regelbaar vermogen' staan.
Artikel 11 Vergunningvoorschrift verwijderen bouwwerken
Het gebruik dat wordt toegestaan conform dit TAM-omgevingsplan wordt voor 10 jaar toegestaan. Dit betekent dat bouwwerken die worden geplaatst ook na 10 jaar moeten worden verwijderd. Om dit te borgen verbindt het bevoegd gezag aan de omgevingsvergunning voor het bouwen het voorschrift dat binnen een in de omgevingsvergunning gestelde termijn de bouwwerken worden verwijderd.
Artikel 12 Geluidproductieplafonds
Voor activiteiten die een aanzienlijke mate van geluid kunnen veroorzaken, zoals bedoeld in artikel 5.78b Bkl, moeten omgevingswaarden worden vastgesteld. Deze omgevingswaarden worden conform artikel 2.11a van de Omgevingswet in de vorm van geluidproductieplafonds vastgesteld in het omgevingsplan. In dit artikel zijn deze omgevingswaarden opgenomen.
Artikel 13 Aanvullende bepaling
Dit artikel bepaalt dat artikel 12 in aanvulling van artikel 4 van het bestemmingsplan 'circulair Bedrijvenpark Strijkviertel' geldt.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet maken de bruidsschatregels op grond van artikel 22.2 van de Omgevingswet van rechtswege onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschatregels staan in hoofdstuk 22. In de bruidsschatregels staan bijvoorbeeld voormalige Rijksregels uit het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Bouwbesluit. De gemeenteraad is bevoegd om de bruidsschatregels te schrappen, te wijzigen of ongewijzigd over te nemen in het omgevingsplan. Inmiddels maakt een aantal voormalige bruidsschatregels onderdeel uit van het definitieve deel van het omgevingsplan. Voor deze bruidsschatregels is al een afweging gemaakt voor Utrecht om deze gewijzigd of ongewijzigd in het definitieve deel van het omgevingsplan over te zetten. Indien relevant gelden deze ook voor dit plangebied, bijvoorbeeld de regels over vergunningvrij bouwen. Daarnaast maakt een deel van de bruidsschat nog onderdeel uit van hoofdstuk 22. Ook deze regels zijn, voor zover relevant, voor dit plangebied van toepassing. In artikel 7 is een uitzondering hierop gemaakt met betrekking tot geluid. Met deze ontwikkeling wordt tijdelijk regelbaar vermogen binnen het werkingsgebied toegestaan waardoor het niet nodig is om, naast artikel 22.71, nog extra bruidsschatregels aan te passen. Daarnaast wordt in artikel 6 lid 2 van artikel 22.63 van het omgevingsplan afgeweken van de waarde voor de nachtperiode. Er is op grond van dit artikel voor maximaal 85 uur per jaar in de nachtperiode een momentaan geluidniveau van 45 dB(A) toegestaan in plaats van 40 dB(A).
Doel handhavend optreden
Toezicht en handhaving van de regels in het omgevingsplan draagt bij aan een veilige, gezonde, duurzame, bereikbare en leefbare fysieke leefomgeving. Handhaving bestaat uit controle (toezicht en opsporing) en uit het opleggen van bestuursrechtelijke sancties.
De gemeente handhaaft de regels van het omgevingsplan, zoals de regels over het bouwen, over het gebruik van gebouwen en milieuregels. Voor sommige activiteiten is er een vergunningplicht opgenomen in het omgevingsplan. Controle op de regels vindt dan vooraf plaats, via het beoordelen van een aanvraag voor een vergunningplichtige activiteit, bijvoorbeeld voor het kappen van bomen.
Er zijn daarnaast ook activiteiten waarvoor geen vergunningplicht geldt, maar waarvoor algemene regels zijn opgenomen in het omgevingsplan. De gemeente houdt toezicht op de naleving van deze algemene regels en treedt handhavend op tegen het illegale gebruik van bouwwerken en percelen. Bijvoorbeeld bij het verhuren van opslagruimte ten behoeve van de stalling van caravans of bij het gebruik van een winkel als café.
De gemeente houdt ook toezicht op bedrijven. In het omgevingsplan kunnen toelatingsregels opgenomen worden voor nieuwe bedrijven. Deze regels richten zich op het evenwichtig toedelen van functies aan locaties en zorgen ervoor dat het bedrijf geen onaanvaardbare hinder veroorzaakt voor de omgeving. Bijvoorbeeld door geluid, externe veiligheid of geur.
Door te handhaven op de regels in het omgevingsplan, zorgt de gemeente ervoor dat de regels nageleefd worden en de leefomgeving veilig, gezond, duurzaam, bereikbaar en leefbaar blijft.
Wijze van handhaven
Op grond van de Algemene wet bestuursrecht kan het college de regels van het omgevingsplan op verschillende manieren handhaven: via bestuursdwang, met een dwangsom of met een bestuurlijke boete.
Bij het toepassen van bestuursdwang wordt de overtreding (het illegale bouwwerk of de illegale activiteit) ongedaan gemaakt op kosten van de overtreder. Dat kan betekenen dat een bouwwerk door de gemeente wordt afgebroken en de kosten van bijvoorbeeld de aannemer op de overtreder worden verhaald.
Bij het opleggen van een last onder dwangsom moet het illegale gebruik worden gestaakt binnen een door het college gestelde termijn. Overschrijdt men de termijn, dan zal de dwangsom in rekening worden gebracht bij de overtreder. De dwangsom is bedoeld om de overtreder te stimuleren om de overtreding te stoppen. Een dwangsom kan bijvoorbeeld opgelegd worden aan een horecaonderneming die geurhinder veroorzaakt omdat er geen ontgeuringsinstallatie is.
Een bestuurlijke boete is een straf die de overheid kan opleggen als iemand de wet overtreedt, waarbij de overtreder een geldboete moet betalen. Het is dus een zogenaamde 'bestraffende sanctie', bedoeld om pijn te doen ('leed toe te voegen'). Het opleggen van een bestuurlijke boete is bijvoorbeeld mogelijk bij overtreding van regels in een omgevingsplan over het gebruik of de staat van open erven of terreinen of het gebruik van gebouwen, of over het tegengaan van hinder.
Het opleggen van sancties helpt ook om overtredingen te voorkomen: doordat de overtreder de kosten van de bestuursdwang, de dwangsom of de bestuurlijke boete moet betalen, kan daarvan een afschrikwekkende werking uitgaan. Dat zal voor een aantal burgers en bedrijven voldoende reden zijn de gedraging niet meer te verrichten.
De gemeente werkt bij het toezicht en handhaving (inclusief sanctionering) volgens de Algemene Handhavingsstrategie Openbare ruimte en Bebouwde omgeving gemeente Utrecht. Deze Algemene Handhavingstrategie is de Utrechtse aanvulling op de Landelijke Handhavingstrategie Omgevingsrecht (LHSO). Samen vormen ze de basis voor de manier waarop de gemeente Utrecht het toezicht en de handhaving in de stad Utrecht uitvoert.