direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c, Kanaalzone - Medel afronding 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0281.TAM03-va01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding van de wijziging

Binnen de gemeente Tiel is het bedrijvenpark Medel gelegen, dat zich in de afgelopen jaren heeft ontwikkeld tot een hoogwaardig en strategisch bedrijventerrein met een duidelijke focus op arbeidsintensieve logistieke en logistiek ondersteunende bedrijvigheid. Door de centrale ligging in Nederland en de uitstekende bereikbaarheid via de A15, de Waal en het Amsterdam-Rijnkanaal, is het terrein bijzonder aantrekkelijk gebleken voor logistieke dienstverleners. Deze bedrijven hebben doorgaans behoefte aan ruime kavels en een robuuste infrastructuur.

Op 13 oktober 2021 is het bestemmingsplan “Kanaalzone – Medel afronding 2020” vastgesteld. Hiermee werd circa 50 hectare aan nieuw bedrijventerrein toegevoegd aan het bestaande bedrijvenpark. Twee percelen binnen het plangebied zijn destijds buiten de vaststelling gebleven, vanwege het ontbreken van een toereikende stikstofonderbouwing. Voorliggende TAM-IMRO omgevingsplanwijziging heeft tot doel deze twee deelgebieden alsnog planologisch mogelijk te maken, zodat ook deze gronden kunnen worden benut voor de beoogde bedrijvigheid.

1.2 Gekozen planopzet

De gemeente Tiel beoogt een TAM-IMRO omgevingsplan vast te stellen. Dit instrument is geschikt omdat het gemeentelijke omgevingsplan nog onvoldoende concreet is om een reguliere wijzigingsprocedure te doorlopen. Een TAM-IMRO omgevingsplan biedt een volledig juridisch en planologisch kader, dat voldoet aan de eisen van de Omgevingswet. Daarnaast biedt het TAM-IMRO omgevingsplan een efficiënte procedure met één beroepsmogelijkheid. De motivering beschrijft of de ontwikkeling in overeenstemming is met de “evenwichtige toedeling van functies aan locaties”.

1.3 Ligging plangebied

Het plangebied bestaat uit twee percelen binnen het bedrijventerrein Medel, gelegen in het gebied 'Kanaalzone'. Het bedrijventerrein ligt direct ten oosten van het Amsterdam-Rijnkanaal. Eén perceel bevindt zich aan de noordkant van het bedrijventerrein, het andere perceel aan de zuidkant. Beide percelen liggen tussen de Medelsestraat-Oost en de Broekdijksestraat en sluiten aan op de interne hoofdstructuur van Medel. Op de plankaart zijn de naastgelegen bedrijfspercelen bestemd als "Bedrijventerrein" met een maximale milieucategorie van 3.2, een bebouwingspercentage van 80% en een maximale bouwhoogte van 16 meter. In figuur 1.3 is een luchtfoto te zien van het plangebied met daarop de twee percelen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.TAM03-va01_0001.png"

Figuur 1.1: Globale ligging plangebied

1.4 Vigerende (project)bestemmingsplan(nen)

1.4.1 Omgevingsplan Tiel - tijdelijk deel

Sinds 1 januari 2024 geldt in de gemeente Tiel het omgevingsplan (van rechtswege) tijdelijk deel. Dit is op 17 juli 2024 in werking getreden als geconsolideerd omgevingsplan, waarin de geldende bestemmingsplannen, gemeentelijke verordeningen en de zogenoemde 'bruidschat' zijn opgenomen. Hieronder worden de plannen nader toegelicht die onderdeel uit maken van het omgevingsplan tijdelijk deel.

1.4.2 Bestemmingsplan Kanaalzone - Medel afronding 2020

Het bestemmingsplan Kanaalzone – Medel afronding 2020 maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In dit plan is de uitbreiding van bedrijventerrein Medel juridisch vastgelegd. De twee percelen waarop deze ontwikkeling ziet, zijn destijds echter niet meegenomen. Het noordelijke perceel heeft op basis van dit plan de bestemming 'Groen' en het zuidelijke perceel de bestemming 'Agrarisch' met een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch monument'. Hierdoor ontbreekt voor deze gronden een actuele bouwtitel voor de beoogde bedrijfsontwikkeling. Deze TAM-IMRO voorziet in de benodigde regeling binnen het omgevingsplan om dit alsnog mogelijk te maken.

1.4.3 Paraplubestemmingsplan parkeren (vastgesteld op 17 oktober 2018)

Het paraplubestemmingsplan parkeren vormt het kader voor het toetsen van parkeerbehoefte bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het plangebied. Een omgevingsvergunning voor het bouwen, uitbreiden of wijzigen van de functie van gebouwen en gronden wordt uitsluitend verleend indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Deze toetsing vindt plaats conform de geldende beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals beschreven in de Nota Parkeernormen Tiel 2022. Hiermee wordt geborgd dat nieuwe ontwikkelingen niet leiden tot een toename van parkeerdruk in de openbare ruimte en dat een goede ruimtelijke ordening wordt gewaarborgd.

1.4.4 Parapluherziening zonering industrielawaai Medel (vastgesteld op 17 juni 2020)

De parapluherziening vormt het toetsingskader voor gezoneerd industrielawaai. Rond bedrijventerrein Medel is een geluidzone vastgesteld waarbuiten de gecumuleerde geluidsbelasting van alle inrichtingen niet hoger mag zijn dan 50 dB(A). Binnen deze zone is de beschikbare geluidsruimte juridisch verdeeld over het bestaande terrein en de uitbreidingslocaties, waaronder de twee percelen waarop deze ontwikkeling ziet. Nieuwe initiatieven dienen aan te tonen dat zij binnen de beschikbare geluidsruimte passen. Bij de beoordeling van omgevingsvergunningen wordt getoetst of de geluidsproductie de grenswaarden buiten de zone niet overschrijdt. Monitoring en beheer zijn geborgd, zodat een goede ruimtelijke ordening en bescherming van de leefomgeving worden gewaarborgd.

1.4.5 Planologische strijdigheid

Het noordelijke perceel heeft momenteel de bestemming 'Groen' en het zuidelijke perceel 'Agrarisch' met een dubbelbestemming 'Waarde - Archeologisch monument'. De voorgenomen ontwikkeling tot bedrijventerrein is daarmee strijdig met het geldende planologische regime. Met deze TAM-IMRO omgevingsplanwijziging wordt voorzien in passende bouw- en gebruiksregels, waarmee de toekomstige bestemming mogelijk wordt gemaakt binnen het omgevingsplan.

Het uitgangspunt onder de Omgevingswet is dat voor het wijzigen van het omgevingsplan de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) geldt. De aanvraag tot wijziging van het omgevingsplan valt onder de werking van artikel 16.30, lid 1 van de Omgevingswet. In overeenstemming met afdeling 3.4 van de Awb wordt het ontwerpwijzigingsbesluit ter inzage gelegd en kunnen zienswijzen worden ingediend.

1.5 Leeswijzer

Het TAM-omgevingsplan bestaat uit regels, een verbeelding, een motivering en onderzoeken als bijlagen. De motivering bestaat uit acht hoofdstukken. In hoofdstuk 2 staat een beschrijving van de huidige situatie op de locatie van het planvoornemen. In hoofdstuk 3 wordt een beschrijving van de toekomstige ontwikkeling gegeven. In hoofdstuk 4 wordt vervolgens het planvoornemen getoetst aan het relevante Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Een toets aan de verschillende omgevingsaspecten is terug te vinden in hoofdstuk 5, waarna in hoofdstuk 6 het kostenverhaal wordt beschreven, in hoofdstuk 7 de participatie en in hoofdstuk 9 de uitwerking in het omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Ontstaansgeschiedenis

Het plangebied maakt deel uit van het mozaïek van rivierafzettingen, hetgeen geresulteerd heeft in vruchtbare rivierkleigronden. De hoger gelegen oeverwallen evenwijdig aan de rivier zijn reeds eeuwenlang in gebruik. De aanwezigheid van goede landbouwgrond, een rivier vol vis en goede vaarverbindingen naar zee en tot ver landinwaarts maakten het rivierengebied een voor de hand liggende vestigingsplaats, met Tiel als een van de oudste steden van Nederland. Het plangebied is nog steeds gelegen op het knooppunt van wegen (A15, N323) en waterwegen (Waal, Amsterdam-Rijnkanaal) en is daarom al decennialang een vestigingsplaats voor bedrijvigheid.

Medel (oorspronkelijke betekenis: 'maai- en/of weiland') is van oudsher een buurtschap. In 1840 bestond het buurtschap Medel uit 29 huizen met 268 inwoners. Eén van de huizen was het versterkte Huis Medel. Het Huis Medel heeft altijd veel in contact gestaan met andere versterkte huizen in de omgeving zoals het Huis te Ooy bij Echteld en het Huis Latensteijn. In de huidige situatie bestaat Huis Medel niet meer. Op die plaats is later een boerderij gebouwd, welke inmiddels weer heeft plaatsgemaakt voor een modern boerenbedrijf. Alleen de originele ijzeren toegangshekken herinneren nog aan het voormalige Huis Medel. De Medelsestraat Oost en de Oude Medelsestraat herinneren nog aan het oude buurtschap. De gronden in en rond Medel waren zeer geschikt voor de landbouw en waren derhalve ook als zodanig in gebruik.

2.2 Ruimtelijke en functionele kenmerken

De bedrijventerreinen (Medel en Kellen) ten noorden van de A15 worden gescheiden door het Amsterdam-Rijnkanaal. Dit kanaal is in 1952 geopend en beslaat een lengte van 72 kilometer via de route Amsterdam – Utrecht – Wijk bij Duurstede – Tiel. Het kanaal verbindt de Amsterdamse haven met het Ruhrgebied en is het drukst bevaarde kanaal ter wereld. Tussen 1965 en 1981 werd het kanaal verbreed tot 100 à 120 meter; dit is nog altijd de huidige breedte. Vanaf midden jaren 1970 is langs het Amsterdam-Rijnkanaal het bedrijventerrein Kellen tot ontwikkeling gekomen. Het bedrijventerrein heeft zich van zuid naar noord ontwikkeld en is intensief in gebruik. Het centrale gedeelte op bedrijventerrein Kellen is als gebied met watergebonden bedrijvigheid ontwikkeld langs het Amsterdam-Rijnkanaal.

Medel is vanaf eind jaren 1990 ontwikkeld als bedrijvenpark aan de hand van een beeldkwaliteitsplan. Het bedrijventerrein is grootschaliger van opzet dan het oudere bedrijventerrein Kellen, dat een klassieke orthogonale opzet heeft

Het bedrijventerrein Medel ligt in de oksel van de A15, de Betuweroute en het Amsterdam-Rijnkanaal en heeft een grootschalige opzet met brede profielwegen, begeleidende groenstroken en een centrale singel (De Geer – De Passen) die zicht en samenhang geeft. De historische lintstructuren (o.a. Medelsestraat) dienen als een langzame verkeersroute en ruimtelijke drager en sluiten aan op de hoofdroutes De Prinsenhof en Lingewei. In het omliggende landschap bepalen het Lingedal, oude rivierlopen, oeverwallen en komgronden de overgang naar het buitengebied. De randen hebben een groen-blauwe opbouw met water en beplanting die zorgen voor landschappelijke overgang en kwaliteitsaccent langs de hoofdontsluiting. 

Daarnaast kent het gebied een archeologische waarde. Deze waarde betreft met name de oostelijke rand van het plangebied en blijft als ruimtelijke drager herkenbaar.

Functioneel is Medel een logistieke hotspot door de directe ligging aan de A15 en de aanwezigheid van een containeroverslaghaven aan het Amsterdam-Rijnkanaal, waardoor water- en wegvervoer efficiënt zijn verweven met de interne hoofdstructuur. De bestaande bedrijvenmix is hoofdzakelijk logistiek en distributie-georiënteerd, aangevuld met productie, handel en nijverheid.

Hoofdstuk 3 Toekomstige situatie

3.1 Ruimtelijke hoofdopzet en inpassing

Met het toevoegen van twee bedrijfspercelen aan het bedrijventerrein Medel, wordt dit planologisch afgerond. De ruimtelijke hoofdstructuur van Medel, met ontsluiting via De Prinsenhof en de interne wegen, wordt doorgezet zodat de nieuwe kavels logisch aansluiten op de bestaande verkaveling. De ligging aan de oostzijde van het terrein maakt dat de groen-blauwe rand richting het buitengebied behouden blijft als landschappelijke overgang. De toekomstige situatie is daarmee vooral een voortzetting van het bestaande stedelijk weefsel, zonder nieuwe stedelijke functies of afwijkende bouwvormen. De inrichting volgt de bestaande structuur van brede profielen, groenstroken en waterlopen, waarbij de landschappelijke elementen in de randen zichtbaar blijven.

Voor een uitgebreide beschrijving van de voorgenoemde (en andere) beeldkwaliteitsaspecten wordt kortheidshalve verwezen naar het beeldkwaliteitsplan, dat als bijlage 13 bij de toelichting is gevoegd.

3.2 Functionele invulling en randvoorwaarden

De bedrijfsbestemming voor de twee percelen wordt één-op-één overgenomen uit het geldende bestemmingsplan voor de overige gronden binnen bedrijventerrein Medel. Functioneel wordt bedrijvigheid toegestaan tot en met milieucategorie 3.2, in lijn met het profiel van Medel als logistieke hotspot met directe aansluiting op de A15 en de containeroverslaghaven aan het Amsterdam-Rijnkanaal. Binnen de bouwvlakken geldt een maximaal bebouwingspercentage van 80% en een maximale bouwhoogte van 16 meter. De oriëntatie van gebouwen is gericht op de hoofdontsluiting, waarbij parkeren op eigen terrein plaatsvindt en laad- en loszones landschappelijk worden ingepast. Specifieke functies die niet passen binnen het profiel van het bedrijventerrein, zoals zelfstandige detailhandel en zelfstandige kantoren, worden uitgesloten. De toevoeging van deze twee percelen verandert de logistieke hoofdstructuur niet, maar draagt bij aan een ruimtelijk-logische afronding van het terrein. De ontwikkeling kan gefaseerd plaatsvinden, waarbij grotendeels gebruik wordt gemaakt van bestaande infrastructuur en voorzieningen. Hierdoor is de ingreep beperkt in impact.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling getoetst aan het relevante beleid en instructieregels van het Rijk en van de provincie. Ook de Ladder voor duurzame verstedelijking wordt hier toegelicht.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)

Algemeen

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige inrichting en ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen we staan, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke keuzes we maken en welke richting we meegeven aan decentrale keuzes. Die keuzes hangen samen met de toekomstbeelden van de fysieke leefomgeving, de maatschappelijke opgaven en economische kansen die daarbij horen. Met de Nationale Omgevingsvisie geeft het Rijk een langetermijnvisie om de grote opgaven aan te pakken. Om samen ons land mooier en sterker te maken en daarbij voort te bouwen op het bestaande landschap en de (historische) steden. De NOVI is tot stand is gekomen in nauwe samenwerking met provincies en gemeenten, waterschappen, maatschappelijke partijen en burgers.

Het versterken van de omgevingskwaliteit staat in de NOVI centraal. Dat wil zeggen dat alle plannen met oog voor de natuur, gezondheid, milieu en duurzaamheid gemaakt moeten worden. De NOVI maakt bij het maken van keuzes gebruik van drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

In de NOVI zijn belangrijke keuzes beschreven, te weten:

  • Een klimaatbestendige inrichting van Nederland. Dat betekent dat Nederland zo wordt ingericht dat het de klimaatveranderingen aankan. Daarvoor is nodig dat functies meer in evenwicht met natuurlijke systemen (bodem en water) worden ingepast; 
  • De verandering van de energievoorziening. Duurzame energie inpassen met oog voor omgevingskwaliteit;
  • De overgang naar een circulaire economie, waarbij tegelijk een concurrerend en aantrekkelijk vestigingsklimaat wordt geboden; 
  • De ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. Hiermee wordt gestuurd op een goed bereikbaar netwerk van steden. Voorbeelden zijn de verstedelijkingsstrategieën, waarin vooruitgekeken wordt hoe verschillende ruimtelijke functies in en rondom steden het beste ingepast kunnen worden; 
  • Het bij elkaar plaatsen van zogenaamde logistieke functies (bijvoorbeeld distributiecentra, datacenters) om hiermee de openheid en de kwaliteit van het landschap te behouden. Daarbij wordt gebruik gemaakt van een voorkeursvolgorde logistieke functies; 
  • Het toekomstbestendig maken van het landelijk gebied in goed evenwicht met de natuur en landschap.

Bij de NOVI hoort een Uitvoeringsagenda. Hierin staat hoe het Rijk samen met medeoverheden en de samenleving uitvoering geeft aan de NOVI. In de Uitvoeringsagenda staat een overzicht van instrumenten voor de verschillende beleidskeuzes uit de NOVI. Het Rijk werkt de NOVI uit in algemene rijksregels, bestuurlijke afspraken, beleidsprogramma's, inzet van financiële middelen en kennisontwikkeling en werkt gebiedsgericht met Omgevingsagenda's Provinciaal beleid.

Planspecifiek

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel zorgt voor een concentratie van logistieke functies op een strategische locatie langs de A15 en het Amsterdam-Rijnkanaal. Dit draagt bij aan het behoud van open landschap en een efficiënte toedeling van functies aan locaties. Binnen het bedrijventerrein is aandacht voor duurzaamheid, met onder andere ruimte voor ecologische verbindingen, waterinpassing, fiets- en wandelroutes en compact grondgebruik.

Via de Uitvoeringsagenda van de NOVI werkt het Rijk samen met gemeenten en provincies aan gebiedsgerichte ontwikkeling. De uitbreiding van Medel is een voorbeeld van zo’n gebiedsgerichte aanpak, waarbij ruimtelijke en economische opgaven worden gecombineerd. Het plan sluit aan bij de NOVI-keuzes voor een klimaatbestendige inrichting, duurzame energievoorziening en het versterken van het stedelijk netwerk.

Conclusie

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel sluit aan bij de uitgangspunten van de NOVI en vormt een passende invulling van de ruimtelijke opgaven.

4.1.2 Instructieregels Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Algemeen

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een algemene maatregel van bestuur onder de Omgevingswet en richt zich op bestuursorganen. Het bevat inhoudelijke normen voor de uitoefening van hun taken en bevoegdheden.

Het Bkl bevat onder andere instructieregels voor omgevingsplannen. Deze instructieregels zijn opdrachten aan gemeenten over hoe zij bepaalde onderwerpen in het omgevingsplan moeten regelen. Ze kunnen worden opgevat als de minimale vereisten waaraan een omgevingsplan moet voldoen in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De instructieregels hebben bijvoorbeeld betrekking op milieuaspecten zoals geluid, veiligheid en geur.

De instructieregels voor omgevingsplannen zijn opgenomen in hoofdstuk 5 van het Bkl. Er zijn drie typen instructieregels, die ieder iets zeggen over de mate waarin de gemeente afwegingsruimte heeft bij het opstellen van het omgevingsplan:

  • 'Betrekken bij': deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een grote bestuurlijke afwegingsruimte heeft. Deze instructieregel geeft de opdracht aan de gemeente om bepaalde (verwachtingen van) feiten te betrekken bij de besluitvorming.
  • 'Rekening houden met': deze instructieregel geeft aan dat de gemeente een bestuurlijke afwegingsruimte binnen de bandbreedte van de instructieregel. Er geldt een standaardwaarde waarvan kan worden afgeweken. Die afwijking moet worden gemotiveerd. 
  • 'In acht nemen': deze instructieregel geeft aan dat de gemeente geen afwegingsruimte heeft en dat de gemeente aan deze instructieregel moet voldoen. 

Planspecifiek

De instructieregels die in het Bkl voor omgevingsplannen zijn gesteld, hebben betrekking op verschillende onderwerpen. Voor het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen vanuit het Bkl met instructieregels van toepassing: 

  • Gebieden waar windturbines het militaire radarbeeld kunnen verstoren;
  • Uitsluitingsgebieden hyperscale datacenters.

Het planvoornemen betreft geen ontwikkeling van een hyperscale datacenter of windturbines. De instructieregels uit het Bkl zijn niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling.

Conclusie

De instructieregels uit het Bkl vormen geen belemmering voor de uitvoering van het planvoornemen binnen het plangebied.

4.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

Algemeen

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instrument dat zorgvuldig ruimtegebruik bevordert en leegstand tegengaat. Het is opgenomen in artikel 5.129g van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en geldt bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen in het omgevingsplan.

Een stedelijke ontwikkeling wordt in het Bkl gedefinieerd als een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, is het plan Ladderplichtig.

De Ladder bestaat uit drie treden:

  • 1. Behoefte: is er een aantoonbare behoefte aan de ontwikkeling?
  • 2. Bestaand stedelijk gebied: kan de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvinden?
  • 3. Bereikbaarheid en locatiekeuze: is de locatie passend en goed ontsloten?

Planspecifiek

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel betreft een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 5.129g Bkl. Het plan maakt nieuwe bebouwing mogelijk op gronden die in het vigerende bestemmingsplan zijn bestemd als 'Agrarisch' en 'Groen'. Daarmee is sprake van een functiewijziging van substantiële omvang en is het plan Ladderplichtig. De laddertoets is toegevoegd aan bijlage 1.

De ontwikkeling vindt plaats buiten bestaand stedelijk gebied, waardoor een aanvullende motivering vereist is. Het plangebied ligt aan de rand van het bestaande bedrijventerrein Medel, maar is zelf niet als stedelijk gebied aan te merken. De gronden hebben geen stedelijke functie en zijn niet opgenomen in het stedenbouwkundig samenstel van bebouwing en voorzieningen.

Voor de Laddertoets is het ruimtelijk verzorgingsgebied bepaald op de regio Rivierenland. Binnen deze regio is sprake van een structurele behoefte aan grootschalige bedrijfskavels, met name voor de doelgroep XXL-logistiek. Uit provinciale ramingen blijkt dat de vraag in de periode 2025–2034 voor deze doelgroep ligt tussen de 33 en 71 hectare netto. Het beschikbare aanbod in de regio is beperkt en grotendeels onder optie of reeds uitgegeven.

De beoogde uitbreiding van circa 9 hectare voorziet in een resterende behoefte aan grootschalige kavels en draagt bij aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Er is geen sprake van onaanvaardbare ruimtelijke effecten of overcapaciteit. De ontwikkeling sluit aan op het bestaande bedrijventerrein en is goed ontsloten via de A15 en het Amsterdam-Rijnkanaal. Daarmee voldoet het plan aan de drie treden van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Conclusie

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel voorziet in een aantoonbare behoefte aan grootschalige bedrijfskavels binnen de regio Rivierenland. Er zijn geen reële alternatieven binnen bestaand stedelijk gebied beschikbaar. De ontwikkeling leidt niet tot onaanvaardbare ruimtelijke effecten en voldoet aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking.

4.2 Provinciaal beleid

4.2.1 Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

Algemeen

In december 2018 stelden Gedeputeerde Staten van Gelderland de provinciale omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vast, die op 1 maart 2019 in werking is getreden. Het document is de provinciale langetermijnvisie op de fysieke leefomgeving. De visie richt zich op een gezonde, veilige, duurzame en economisch sterke provincie. Gelderland wil zich ontwikkelen tot een verbonden regio met ruimte voor energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid en een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. De provincie zet in op concentratie van economische activiteiten, zorgvuldig ruimtegebruik en versterking van ruimtelijke kwaliteit.

Planspecifiek

De uitbreiding van bedrijventerren Medel draagt bij aan een duurzame economische structuur door ruimte te bieden aan grootschalige logistieke functies op een strategische en bereikbare locatie. Binnen het plan is aandacht voor zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en duurzame inrichting, waarmee wordt aangesloten op de provinciale ambities voor ruimtelijke kwaliteit en economische ontwikkeling.

Conclusie

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel sluit aan bij de doelstellingen van de provinciale omgevingsvisie Gaaf Gelderland en ondersteunt de provinciale inzet op duurzame, geconcentreerde en kwalitatieve gebiedsontwikkeling.

4.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Algemeen

Op 24 september 2025 is de Omgevingsverordening Gelderland in werking getreden. Deze verordening bundelt alle provinciale regels voor de fysieke leefomgeving in één juridisch document en sluit aan op het stelsel van de Omgevingswet. De verordening bevat drie typen regels:

  • Algemene regels en vergunningstelsels voor inwoners en bedrijven;
  • Regels gericht op bestuursorganen, zoals omgevingswaarden en beoordelingsregels;
  • Instructieregels voor gemeenten en waterschappen.

De verordening ziet op alle aspecten van de fysieke leefomgeving, waaronder bouwen, infrastructuur, water, bodem, lucht, landschap, natuur en cultureel erfgoed. Er zijn tevens regels opgenomen ter voorkoming en beperking van luchtverontreiniging, met het oog op een goede luchtkwaliteit en bescherming van de volksgezondheid.

In artikel 5.70 van de Omgevingsverordening is bepaald dat een omgevingsplan een uitbreiding of wijziging van een bestaande werklocatie of een nieuwe werklocatie alleen toestaat indien deze ontwikkeling past binnen het vastgestelde Regionaal Programma Werklocaties (RPW). Voor Rivierenland is dit programma opgesteld in samenwerking tussen gemeenten en provincie, en bevat het afspraken over economische ontwikkeling, het voorkomen van overcapaciteit en het zorgvuldig afstemmen van vraag en aanbod.

Daarnaast zijn in de verordening diverse gebiedsaanwijzingen opgenomen met bijbehorende instructieregels. Die zijn als volgt:

  • Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard;
  • Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied;
  • Intrekgebied;
  • Peilbesluitgebied;
  • Werkgebied van de faunabeheereenheid Gelderland.

Planspecifiek

Van de genoemde gebiedsaanwijzingen met instructieregels is uitsluitend de Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard relevant voor de ontwikkeling van de twee percelen in Medel. De instructieregels zijn opgenomen in artikel 5.35 en luidt als volgt: Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek Betuwe en Tielerwaard.

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel zorgt ervoor dat het vigerende plan ''Kanaalzone - Medel afronding'' compleet is. Dit sluit aan bij de instructieregel, doordat het voorziet in landschappelijke inpassing van bebouwing en infrastructuur. De oriëntatie van gebouwen is afgestemd op de hoofdontsluiting, met parkeren op eigen terrein en visuele afscherming van laad- en loszones. Hierdoor wordt het ruimtelijk beeld niet aangetast en blijft het karakter van de streek behouden.

De overige gebiedsaanwijzingen zijn formeel van toepassing, maar hebben geen directe doorwerking op het planvoornemen. Er worden geen glastuinbouwactiviteiten gerealiseerd, er is geen impact op het peilbeheer, en de faunabeheereenheid heeft geen belemmerende instructieregels voor deze locatie.

Tot slot voldoet de uitbreiding aan artikel 5.70 van de Omgevingsverordening, doordat het plan past binnen het RPW voor Rivierenland. Industrieterrein Medel wordt in het RPW expliciet aangewezen als logistieke toplocatie binnen Rivierenland, met een centrale rol in de regionale en (inter)nationale logistieke draaischijf. Het RPW stelt dat uitbreiding van bedrijventerreinen alleen wordt gefaciliteerd als deze aantoonbare regionale meerwaarde oplevert, zoals het versterken van de speerpuntsectoren logistiek, agribusiness en maakindustrie. Medel voldoet hieraan door goede bereikbaarheid via weg en water, de aanwezigheid van een containerterminal en industriehaven, en de mogelijkheid om ruimte te bieden aan grootschalige, regionaal gebonden logistiek. Daarnaast sluit een uitbreiding aan bij de ambitie om bedrijventerreinen toekomstbestendig te maken, met aandacht voor duurzaamheid, energietransitie (zoals de Smart Energy Hub op Medel), en efficiënt ruimtegebruik. Daarmee draagt uitbreiding van Medel direct bij aan de economische structuur, werkgelegenheid en de transitieopgaven van de regio, geheel in lijn met de uitgangspunten en toetsingscriteria van het RPW.

Conclusie

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel voldoet aan de instructieregels uit de Omgevingsverordening Gelderland. Zowel de landschappelijke inpassing als de aansluiting op het Regionaal Programma Werklocaties zijn in overeenstemming met de provinciale regels, waardoor het plan past binnen het juridisch kader van de fysieke leefomgeving.

4.3 Gemeentelijk beleid

4.3.1 Omgevingsvisie Tiel

Algemeen

De omgevingsvisie vormt, naast het omgevingsplan, één van de twee centrale instrumenten onder de Omgevingswet. Het betreft een strategisch beleidsdocument waarin de gemeente haar langetermijnambities formuleert op het gebied van onder meer wonen, werken, duurzaamheid, mobiliteit en leefkwaliteit.

De gemeente Tiel is momenteel bezig met het opstellen van haar omgevingsvisie. In “Typisch Tiel – Startnotitie Omgevingsvisie Tiel” zijn, op basis van gesprekken met inwoners en andere belanghebbenden, de belangrijkste maatschappelijke opgaven voor de toekomst geïnventariseerd. Deze opgaven dienen als inhoudelijke basis voor de verdere uitwerking van de omgevingsvisie. De opgaven zijn thematisch geordend en worden als volgt benoemd:

  • Wonen: blijven investeren in aantrekkelijke wijken en dorpen, met ruimte voor diversiteit, verjonging, ontmoeting en zelfstandig wonen;
  • Voorzieningen: Tiel moet blijven inzetten op het aanbieden van voorzieningen op verschillende niveaus;
  • Water & Groen: uitbouwen en benutten van de aanwezige kwaliteiten op het gebied van groen en water, met meer aandacht voor onderhoud en veiligheid;
  • Bereikbaarheid: blijven investeren in bereikbaarheid, zowel over de weg als het spoor;
  • Duurzaamheid: verder werken aan een duurzame gemeente;
  • Bedrijvigheid: voldoende ruimte bieden voor gevarieerde bedrijvigheid op vitale en toekomstbestendige bedrijventerreinen.

Planspecifiek

De uitbreiding van het bedrijventerrein Medel draagt bij aan de ambities zoals verwoord in de opgaven van de omgevingsvisie. Deze ontwikkeling draagt bij aan de versterking van de regionale economie door het industrieterrein uit te breiden en daarmee de bedrijvigheid te stimuleren. Bovendien is het terrein strategisch gelegen op een goed bereikbare locatie, wat de aantrekkelijkheid voor ondernemers vergroot en de logistieke efficiëntie bevordert.

Conclusie 

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel sluit aan bij de ambities zoals verwoord in de omgevingsvisie van de gemeente Tiel. Het plan draagt bij aan een toekomstbestendige economische ontwikkeling en versterkt de bereikbaarheid en vestigingskwaliteit van het gebied.

4.3.2 Omgevingsplan Tiel

Algemeen

Het omgevingsplan vormt, naast de omgevingsvisie, één van de twee centrale instrumenten onder de Omgevingswet. Het betreft een juridisch bindend document waarin de regels voor de fysieke leefomgeving zijn vastgelegd. Het tijdelijke omgevingsplan van de gemeente Tiel is op 1 januari 2024 van rechtswege ontstaan en bestaat uit de verzameling van geldende bestemmingsplannen, gemeentelijke verordeningen en rijksregels. Nieuwe ontwikkelingen, zoals de uitbreiding van bedrijventerrein Medel, moeten binnen dit plan passen of via een wijzigingsprocedure worden opgenomen.

Planspecifiek

Voor de percelen in Medel geldt dat de huidige bestemming nog niet voorziet in een bedrijfsfunctie. De uitbreiding vereist daarom een planologische wijziging binnen het omgevingsplan. Daarbij moet worden voldaan aan de instructieregels uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, de provinciale Omgevingsverordening en het Regionaal Programma Werklocaties. De ontwikkeling van Medel sluit aan bij de gemeentelijke ambitie om ruimte te bieden aan toekomstbestendige bedrijvigheid en draagt bij aan een zorgvuldig ingerichte fysieke leefomgeving.

Conclusie

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel vereist een wijziging van het omgevingsplan, maar sluit aan bij de relevante beleidskaders en ambities. Daarmee is het plan juridisch en beleidsmatig goed inpasbaar binnen het stelsel van de Omgevingswet.

4.3.3 Toekomstvisie Tiel (2019)

Algemeen

De Toekomstvisie Tiel vormt een strategisch beleidsdocument waarin de gemeente haar langetermijnkoers tot 2035 heeft vastgelegd. De visie is gebaseerd op een uitgebreide analyse van maatschappelijke trends, demografische ontwikkelingen en regionale verhoudingen. Centraal staan vijf rode draden: disbalans tussen draagkracht en voorzieningen, een onduidelijk profiel van Tiel, het ontbreken van regionale samenhang, het ontbreken van een langetermijnvisie en de noodzaak tot investeren met beperkte middelen. Tiel wil zich profileren als een eigentijdse, kleurrijke Hanzestad in het centrum van de Betuwe, met een sterke rol op het gebied van logistiek, handel, toerisme en sociaal-maatschappelijke voorzieningen.

Planspecifiek

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel draagt direct bij aan de ambitie van Tiel om zich te profileren als een Hanzestad met een sterke logistieke functie in de regio. Door de versterking van het logistieke cluster op Medel wordt invulling gegeven aan de langetermijnkoers uit de Toekomstvisie Tiel, waarin economische groei en regionale samenwerking centraal staan.

Conclusie

De uitbreiding van bedrijventerrein Medel sluit aan bij de strategische doelen uit de Toekomstvisie Tiel en ondersteunt de gewenste economische en ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente.

Hoofdstuk 5 Beoordeling aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Met de Omgevingswet komen alle aspecten van de fysieke leefomgeving samen. In dit hoofdstuk worden de verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving en de mogelijke gevolgen daarop door de beoogde ontwikkeling beschreven.

Uitsluitend aspecten die voor de wijziging van het omgevingsplan relevant zijn, zijn opgenomen en beschrijven op welke wijze deze doorwerken in het omgevingsplan.

5.1 Milieueffectrapportage

Toetsingskader

De wetgeving over de millieueffectrapporttage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet.

Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een mer-procedure verplicht is.

Voor plannen die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-mer-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-mer alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-mer-beoordeling is ook van toepassing op plannen die een kader vormen voor mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.

De plan-mer-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met aanzienlijke milieugevolgen.

De ontwikkeling van bedrijvenpark Medel en mer-plicht

In het geval van de ontwikkeling van bedrijvenpark Medel door middel van uitbreiding met twee percelen, geldt dat een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk is om richting te geven aan het toekomstige gebruik. Gezien de aard van het plan – de (toekomstige) inrichting van de twee percelen als bedrijfslocatie – wordt dit plan aangemerkt als een industrieterrein (J10) zoals opgenomen in bijlage V van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Daarom wordt (kadertellend voor de omgevingsvergunning, maar ook wordt deels bij recht een industrieterrein toegestaan) het omgevingsplan project-mer-beoordelingsplichtig als (zekerheidshalve) een plan-mer-beoordelingsplichtig omgevingsplan aangemerkt. Er is in dit geval sprake van een plan-mer-beoordeling in plaats van een directe plan-mer-plicht, omdat er hier sprake is van bovengenoemde uitzondering, namelijk: de gemeente Tiel is het bevoegde gezag en de ‘kleine gebieden regeling’ is van toepassing. Om te kunnen spreken van een ‘klein gebied op lokaal niveau’ moet het namelijk gaan om een gebied dat qua omvang in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is. De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling of ABRS) van 21 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3910, maakt duidelijk dat volgens de Afdeling in ieder geval sprake is van een 'klein gebied' indien het plan betrekking heeft op een grondgebied van circa 1% van het grondgebied van de betrokken gemeente. Zie ook ABRS 19 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1183 (Hattem). Het onderhavige omgevingsplan dat voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein Medel heeft betrekking op een gebied dat veel minder groot is dan 1% van het gemeentelijke grondgebied en derhalve kan (in eerste instantie) worden volstaan met een plan-mer-beoordeling. Het Omgevingsbesluit bevat in bijlage V een lijst van gevallen waaruit kan worden opgemaakt welke plannen mer-(beoordelings)plichtig zijn. Het beoogde plan valt onder de volgende categorie van bijlage V bij het Omgevingsbesluit:

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.TAM03-va01_0002.png"

Voor het omgevings als bedoeld in J10 geldt er dus een project-mer-beoordelingsplicht bij de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein, nu het plan in ieder geval deels bij recht voorziet in een industrieterrein. Nu het plan tevens kaderstellend is voor de omgevingsvergunning, wordt zekerheidshalve ervan uitgegaan dat het omgevingsplan tevens plan-mer-(beoordelings)plichtig is. Daarbij geldt er geen directe plan-mer-plicht, nu in dit geval sprake is van een plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden op lokaal niveau. Omdat een interne salderingsmaatregel bij een plan sinds de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 18 december 2024 naar verwachting aangemerkt moet worden als mitigerende maatregel die niet in de voortoets, maar in de passende beoordeling moet worden toegepast, is zekerheidshalve voor het omgevingsplan een passende beoordeling als bedoeld in artikel 16.53c lid 1 Omgevingswet opgesteld. In het stikstofonderzoek wordt namelijk als interne salderingsmaatregel rekening gehouden met de beëindiging van de huidige planologisch legale bemesting op het zuidelijk gelegen agrarische perceel (kavel De Hoge Hof) dat een functie bedrijventerrein krijgt. Om die reden is het omgevingsplan vanwege artikel 16.36 lid 2 en lid 3 Omgevingswet tevens plan-mer-beoordelingsplichtig.

Dus het omgevingsplan dat voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein Medel is zowel project-mer-beoordelingsplichtig als plan-mer-beoordelingsplichtig. Dit wordt uitgevoerd in de vorm van een gecombineerde plan- en project-mer-beoordeling.

Onderzoeksresultaten

Voor het planvoornemen is een gecombineerde plan- en project-mer-beoordeling uitgewerkt. Deze is toegevoegd aan bijlage 2. In dit rapport is een beschouwing gegeven van de kenmerken van het plan, de omgeving van het plan en de mogelijke gevolgen van het plan op het milieu en de in de omgeving aanwezige waarden. Deze beschouwing geeft het bevoegd gezag van de Gemeente Tiel, de nodige informatie waarmee zij een afweging kan maken of zij het opstellen van een milieueffectrapport (MER) noodzakelijk acht. In de beoordeling van de milieugevolgen is aangesloten bij Bijlage III van de Europese richtlijn MER. In hoofdstuk 2.1 zijn de kenmerken van het plan (criterium 1) beschouwd. Daaruit volgt dat de voorgenomen activiteit beperkt is tot het plangebied en er geen invloeden zijn op de omgeving. Hoofdstuk 2.2 beschrijft de plaats van het project (criterium 2). In hoofdstuk 2.3 zijn de kenmerken van de effecten beschreven (criterium 3). Hoofdstuk 3 vormt de onderbouwing voor de samengevatte effecten in hoofdstuk 2.2. Uit de voorgaande hoofdstukken komt naar voren wat de kenmerken van het planvoornemen zijn en wat de kenmerken van de omgeving en de te verwachten milieueffecten zijn. Over het geheel gezien kan worden geconcludeerd dat met wijziging van het omgevingsplan aanzienlijke milieugevolgen op de beschouwde milieuthema’s uit te sluiten zijn. Wel wordt nog aanvullend onderzoek geadviseerd voor de milieuthema’s natuur (soortenbescherming) en bodemkwaliteit, waarvan de borging ook plaats vindt in separate wet- en regelgeving. De archeologische verwachtingswaarden zijn hoog en met name het zuidelijke perceel heeft beperkingen vanwege het archeologisch monument. Door middel van vervolgonderzoek (archeologische begeleiding en zo nodig opgravingen) worden aanzienlijke milieueffecten voorkomen.

Conclusie

Het toevoegen van twee percelen aan bedrijvenpark Medel leidt naar verwachting tot lokale en goed mitigeerbare effecten. Uit een integrale beoordeling van de milieueffecten gelet op het voorliggende plan en de selectiecriteria uit bijlage III m.e.r.-richtlijn (in onderlinge samenhang beschouwd) wordt geconcludeerd dat het voorgenomen Omgevingsplan dat voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein Medel met twee kavels niet leidt tot aanzienlijke milieueffecten. Het opstellen van een project-milieueffectrapportage is daarom niet noodzakelijk. Dit betekent ook dat nu sprake is van een lokaal plan dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden, er vanwege de criteria uit bijlage II bij de smb-richtlijn er eveneens geen sprake is van aanzienlijke milieueffecten. Ook een plan-milieueffectrapportage is niet aan de orde. Er wordt geconcludeerd dat geen sprake is van aanzienlijke milieugevolgen gelet op de te treffen mitigerende maatregelen. Op basis van alle informatie uit deze aanmeldingsnotitie neemt het bevoegd gezag na de te verrichten integrale beoordeling aan de relevante selectiecriteria een gecombineerd plan- en project-mer-beoordelingsbesluit, waarin zij definitief aangeeft of een volledige project- en/of plan-mer-procedure niet nodig is. Het besluit wordt medegedeeld aan initiatiefnemer en ook gepubliceerd.

5.2 Archeologie

Toetsingskader

Bij de beoordeling van archeologie wordt getoetst aan de Erfgoedwet, de Omgevingswet (inclusief het omgevingsplan), het Provinciaal Archeologiebeleid (verankerd in de Omgevingsverordening Gelderland) en het gemeentelijk archeologiebeleid.

Erfgoedwet

De Erfgoedwet (2016) regelt de algemene zorg voor het archeologisch erfgoed in Nederland. De wet bepaalt onder andere de verantwoordelijkheden voor het behoud van archeologische vondsten, de certificering van archeologische bedrijven en het toezicht op de uitvoering van archeologisch onderzoek. De Erfgoedwet werkt aanvullend op de Omgevingswet en blijft van kracht voor de algemene bescherming van archeologisch erfgoed.

Omgevingswet en Omgevingsplan Tiel

Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn de regels voor de bescherming van archeologie in de fysieke leefomgeving opgenomen in het Omgevingsplan van de gemeente Tiel. Het Omgevingsplan vervangt het bestemmingsplan en bevat nu ook de regels uit het voormalige paraplubestemmingsplan ‘Archeologie’. Gemeente Tiel heeft haar archeologische beleidskaarten en verwachtingskaarten geïntegreerd in het Omgevingsplan. Hierin zijn zones aangewezen waar archeologisch onderzoek verplicht is bij ruimtelijke ingrepen, met bijbehorende vrijstellingsgrenzen (bijvoorbeeld minimale oppervlakte of diepte van bodemingrepen). De gemeente streeft naar een gebiedsgerichte benadering, waarbij archeologie onderdeel is van de bredere cultuurhistorie en ruimtelijke kwaliteit.

Archeologiebeleid provincie Gelderland

De provincie is verantwoordelijk voor het behoud, onderzoek en de toegankelijkheid van archeologische bodemvondsten. Deze verantwoordelijkheid is wettelijk verankerd in de Erfgoedwet en de Omgevingswet, die sinds 1 januari 2024 gezamenlijk het juridische kader vormen voor archeologie in Nederland. Archeologische vondsten uit Gelderland worden centraal beheerd via het Archeologisch Depot Gelderland. In het kader van dit TAM-IMRO-plan dient getoetst te worden of het voornemen archeologische waarden kan aantasten en of aanvullende maatregelen, zoals archeologisch onderzoek of behoud in situ, noodzakelijk zijn.

Gemeentelijk archeologiebeleid

De gemeente Tiel heeft haar ambities en beleidsvoornemens met betrekking tot archeologie vastgelegd in de “Kadernota cultuurhistorie Voortbouwen op Fundamenten”. De gemeente streeft naar een gebiedsgerichte benadering, waarbij archeologie onderdeel is van de bredere cultuurhistorie. De beleidskaarten en verwachtingskaarten zijn onderdeel van het Omgevingsplan.

Onderzoeksresultaten

Het plangebied is gelegen in een archeologisch zeer rijk gebied. In het plangebied hebben tussen 2005 en 2014 verschillende archeologische onderzoeken (bureauonderzoek, booronderzoeken en proefsleuvenonderzoeken) plaatsgevonden. In bijlage 3 is het afwegingsdocument voor de archeologische vindplaatsen binnen de planlocatie Medel Afronding toegevoegd. Voor het bestemmingsplan 'Kanaalzone - Medel afronding 2020' is een overzichtskaart met de behoudenswaardige vindplaatsen uit het proefsleuvenonderzoek gemaakt, (figuur 5.1). In de directe omgeving van het plangebied van 'Medel afronding' liggen vindplaatsen 3, 5ab en 9. Uitsluitend vindplaats 9 ligt in het plangebied. Voor de volledigheid worden ook vindplaatsen 3 en 5ab beschreven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.TAM03-va01_0003.png"

Figuur 5.1: Behoudenswaardige vindplaatsen

In de tabel hieronder (tabel 5.1) is de waardering van de vindplaatsen uiteengezet op basis van de richtlijnen van de KNA. Hieruit blijkt dat de vindplaatsen in het plangebied allemaal behoudenswaardig zijn.

Nr   Vindplaats   Periode   Fysieke kwaliteit   Inhoudelijke kwaliteit   Behoudenswaardig  
3   Nederzetting   IJzertijd en Romeinse tijd   6   8   Ja  
5a   Nederzetting   Nieuwe Steentijd   4   9   Ja  
5b   Nederzetting met twee grafheuvels   laat Neolithicium t.e.m. Bronstijd   6   9   Ja  
9   Bekende vindplaats 'Hoge Hof'   Romeinse tijd t.e.m. Middeleeuwen   5   9   Ja  

Tabel 5.1: Waardering vindplaatsen

De wijze van behouden is als volgt bepaald:

  • Vindplaats 1, 3 en 5ab opgraven (conform de uitgangspunten in het Afwegingsdocument);
  • Vindplaats 9 noordelijk deel opgraven (conform de uitgangspunten in het Afwegingsdocument);
  • Vindplaats 9 zuidelijk deel in situ behouden (conform de uitgangspunten in het Afwegingsdocument). Geen ontwikkelingen toestaan, die ernstige negatieve effecten kunnen hebben op de archeologische waarden aldaar.

Conclusie

De vindplaatsen 1, 3 en 5ab liggen buiten het plangebied van dit plan, maar bevinden zich wel in de directe omgeving. Archeologische waarden worden bij voorkeur in situ (in de grond waar zij zich bevinden en zonder aantasting) behouden. Er kan worden gesteld dat er zeer belangwekkende archeologische resten in het plangebied zijn gelegen en dat het ruimtelijk integraal incorporeren van de vindplaatsen binnen het bedrijventerrein Medel afronding geen realistische optie is. Het behoud in

situ is voor drie van de vier behoudenswaardige terreinen binnen de huidige plannen niet mogelijk, te weten nr. 1, 3, 5ab en het noordelijke deel van vindplaats 9. Voor het zuidelijke terreindeel van vindplaats 9 is behoud in situ wel mogelijk.

Op grond van het genomen selectiebesluit zijn de aanwezige archeologische waarden ter plaatse van de vindplaatsen 1, 3, 5ab en het noordelijke gedeelte van vindplaats 9, voorafgaand aan

verdere ontwikkeling. De initiatiefnemer heeft in 2016-2017 een archeologische opgraving ter

plaatse van het noordelijk deel van voorgenoemde vindplaatsen laten uitvoeren. Bij de archeologische opgravingen zijn objecten uit de Romeinse tijd ontdekt.

Het zuidelijk gedeelte van vindplaats nr. 9 is in het voorliggende TAM-IMRO omgevingsplan voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologisch monument’. Het zorgvuldig en wetenschappelijk hoogwaardig opgraven en documenteren (verslagleggen) van geselecteerde behoudenswaardige resten van deze vindplaatsen die specifiek meerwaarde hebben zullen leiden tot een integrale kennisvermeerdering aangaande de desbetreffende bewoningsperioden en het landschapsgebruik in het rivierengebied. Daarnaast wordt als gevolg van de opgraving een deel van de archeologische resten bewaard (ex situ).

5.3 Cultuurhistorie

Toetsingskader

Ter beoordeling van cultuurhistorie wordt getoetst aan Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter', Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland en Gemeentelijke cultuurhistoriebeleid.

Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' (juni 2011)

In de Visie erfgoed en ruimte 'Kiezen voor karakter' zet het Rijk uiteen hoe cultureel erfgoed wordt geborgd in de ruimtelijke ordening voor de periode 2011-2015. De moderne monumentenzorg is ontwikkelings- en gebiedsgericht. Bovendien vindt het Kabinet samenwerking met publieke en private partijen van belang.

In de Visie wordt het karakter van Nederland gevat in vier kenmerkende eigenschappen: waterland, stedenland, kavelland en vrij land. De gebiedsgerichte omgang met erfgoed vergt dat deze karakteristieken worden verbonden met opgaven uit andere sectoren en dat de economische, sociaal-culturele en ecologische kracht van het erfgoed beter wordt uitgebaat.

Veranderingen in de monumentenzorg en de ruimtelijke ordening geven burgers en bedrijven meer ruimte en geven decentrale overheden meer vrijheden en verantwoordelijkheden. Iedere overheidslaag staat voor de taak zijn belangen zo veel mogelijk vooraf kenbaar te maken en waar nodig met regels te borgen. Het rijk is daarnaast verantwoordelijk voor een goed functionerend stelsel. Provincies krijgen een centrale rol in de gebiedsgerichte belangenafweging en gemeenten verbinden gevolgen aan een gebiedsgerichte analyse van erfgoedwaarden bij het opstellen van ruimtelijke plannen.

Cultuurhistorische Waardenkaart Gelderland

De provincie Gelderland heeft een cultuurhistorische waardenkaart waarin de belangrijke archeologische en cultuurhistorische objecten en structuren van de provincie zijn weergegeven. De provincie beoogt hiermee de identiteit van de Gelderse regio’s te behouden door cultuurhistorische elementen herkenbaar te maken en in stand te houden. Daarnaast zet ze in op een constante ontwikkeling van de aanwezige cultuurhistorische waarden door uitvoering te geven aan programma’s en projecten.

Gemeentelijk cultuurhistoriebeleid

De gemeente Tiel heeft een missie geformuleerd voor integraal cultuurhistorisch beleid, in de

kadernota cultuurhistorie. Deze nota heeft de volgende doelstellingen:

  • Cultuurhistorie maakt integraal onderdeel uit van de identiteit en de ontwikkeling van Tiel;
  • Het erfgoed is van ons allemaal en Tiel laat haar geschiedenis zien;
  • Behoud door ontwikkeling maakt het mogelijk cultuurhistorie als toegevoegde waarde en niet als beperking te ervaren;
  • Cultuurhistorie wordt vroegtijdig ingezet in de ontwikkelingen.

Met voornoemde kadernota cultuurhistorie geeft de gemeente Tiel aan te streven naar een gebiedsgerichte benadering met archeologie als onderdeel van de cultuurhistorie. Zij wil de identiteit van de gemeente benutten en vanuit cultuurhistorisch perspectief versterken. De gemeente zorgt ervoor dat het archeologisch erfgoed volwaardig deel uitmaakt van de ruimtelijke ordening in het bijzonder en het gemeentelijk beleid in het algemeen. In dit kader is een beleidsadvieskaart archeologie opgesteld. Het doel van deze kaart is de archeologische verplichting te reguleren op basis van archeologische verwachtingen en de aanwezigheid van bekende archeologische waarden. De mate en noodzaak tot onderzoek hangt daarmee af van de verwachte kans op het voorkomen van archeologische relicten in de bodem.

Onderzoeksresultaten

In figuur 5.3 is een kaartuitsnede van de cultuurhistorische waardenkaart van Gelderland te zien. Hierop is een historisch-geografisch lijnelement en een historisch gebouw te zien. Onder historische geografie en historische gebouwen wordt hier verder op ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.TAM03-va01_0004.png"

Figuur 5.2: Cultuurhistorische waardenkaart Gelderland.

Historische geografie

Historisch kaartmateriaal toont aan dat het plangebied in de 20e eeuw landschappelijk sterk is veranderd, vooral door grootschaliger verkaveling. Toch zijn enkele historische elementen nog goed herkenbaar, zoals de Medelsestraat Oost. Ook de centrale groene watergang langs het bestaande bedrijventerrein heeft een oorsprong die teruggaat tot 1890. Op de provinciale cultuurhistorische waardenkaart is de Medelsestraat Oost aangeduid als een historisch-geografisch lijnelement, zie figuur 5.3. De nieuwe bedrijfsverkaveling leidt tot het verdwijnen van de oorspronkelijke verkaveling van het stroomruggebied, maar dit effect is beperkt doordat het gebied al eerder is aangepast.

Historische gebouwen

Aan de Medelsestraat Oost bevond zich een boerderij uit 1850, aangemerkt als gemeentelijk monument. Dit is in figuur 5.3 aangeduid met een groene stip. Om dit erfgoed te behouden, is de boerderij zorgvuldig gedemonteerd en verplaatst naar een locatie in Neder-Betuwe. Daarnaast zijn langs de Medelsestraat Oost een kade en een wetering aanwezig, die samen met de straat zijn gewaardeerd als historisch-geografische lijn en drager van regionale identiteit.

Conclusie

Gelet op de beperkte aanwezigheid van cultuurhistorische waarden en het behoud van de belangrijkste elementen, vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de planvorming. Een aanvullende beschermende regeling is niet noodzakelijk.

5.4 Weging van het waterbelang

Toetsingskader

Bij de beoordeling van water in ruimtelijke plannen wordt getoetst aan Europees, nationaal, provinviaal, regionaal en gemeentelijk beleid.

Europees beleid

Het Europees waterbeleid is vastgelegd in de Europese Kaderrichtlijnwater (KRW). De KRW heeft als doel de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater in Europa te waarborgen. De richtlijn bepaalt dat de wateren een goed leefgebied vormen voor de planten en dieren die er thuishoren. Voor grote wateren of watersystemen, de zogenaamde KRW-richtlijnen, zijn hiertoe doelen opgesteld. De (bindende) maatregelen om de doelen te bereiken zijn vastgelegd in de stroomgebiedsplannen. voor de overige wateren geldt minimaal het stand-still principe. Waterbeheerders mogen hiervoor zelf aanvullende doelen opstellen. De Ooijsche Wetering is onderdeel van het KRW-waterlichaam Linge en de kanalen NederBetuwe en is geclassificeerd als type M6a: Grote ondiepe kanalen zonder scheepvaart. In aanvulling op de KRW zijn in de Grondwaterrichtlijnen chemische aspecten verder gespecificeerd, het doel van de richtlijn is het beschermen van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand.

Rijksbeleid

Het nationale waterbeleid is vastgelegd in de Omgevingswet, de Waterwet, het Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW), de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie en het Nationaal Waterprogramma 2022–2027. De Omgevingswet vormt sinds 2024 het juridische kader voor de fysieke leefomgeving en verplicht initiatiefnemers tot het expliciet meenemen van waterhuishoudkundige belangen in ruimtelijke plannen. De Waterwet regelt het beheer van waterlichamen en kent zorgplichten toe aan gemeenten voor hemelwater, grondwater en afvalwater. Het NBW en het Nationaal Waterprogramma hanteren het principe van vasthouden, bergen en afvoeren als leidraad voor het voorkomen van wateroverlast en het duurzaam omgaan met grond- en oppervlaktewater. De Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie stelt als ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is ingericht. In het kader van deze beleidsstukken wordt gestuurd op het afkoppelen van hemelwater, het compenseren van verhard oppervlak met oppervlaktewater en het voorkomen van schade door extreme neerslag.

Provinciaal beleid Gelderland

De provincie Gelderland heeft haar visie op water vastgelegd in het Regionaal Waterprogramma 2021–2027 en de Omgevingsverordening Gelderland 2025. In het Regionaal Waterprogramma beschrijft de provincie hoe zij uitvoering geeft aan Europese richtlijnen, zoals de Kaderrichtlijn Water (KRW), en hoe zij invulling geeft aan provinciale ambities op het gebied van waterkwaliteit, waterveiligheid en zoetwatervoorziening. De provincie streeft naar een robuust watersysteem dat bestand is tegen extreme neerslag en droogte, en dat de functies wonen, werken en landbouw adequaat ondersteunt. In stedelijke gebieden geldt dat nadelige effecten op de waterhuishouding zoveel mogelijk moeten worden voorkomen. De Omgevingsverordening bevat regels over de fysieke leefomgeving en vormt het toetsingskader voor provinciale belangen bij ruimtelijke ontwikkelingen.

Regionaal beleid Waterschap Rivierenland

Waterschap Rivierenland heeft zijn beleid vastgelegd in het Waterbeheerplan 2022–2027, de Waterschapsverordening 2024 en bijbehorende beleidsregels. Het Waterbeheerplan beschrijft de strategie voor het uitvoeren van kerntaken zoals waterveiligheid, waterkwaliteit en voldoende water voor landbouw en natuur. De Waterschapsverordening vervangt de eerdere Keur en Algemene Regels en bevat bepalingen voor ingrepen in waterstaatswerken, zoals het dempen of graven van watergangen. De beleidsregels geven nadere invulling aan de zorgplicht bij activiteiten in de nabijheid van waterlichamen, waterkeringen en wegen in beheer bij het waterschap. Sinds de invoering van de Omgevingswet is de digitale watertoets vervangen door het wateradvies, dat als instrument dient om waterbelangen vroegtijdig en integraal mee te nemen in ruimtelijke planvorming. Daarnaast is de Beleidsnota Vergunningen, Toezicht en Handhaving 2022–2027 van toepassing, waarin het waterschap zijn koers voor vergunningverlening en toezicht heeft vastgelegd.

Gemeentelijk beleid Tiel

De gemeente Tiel heeft samen met Waterschap Rivierenland het Integraal Waterplan Tiel vastgesteld, dat gericht is op het realiseren van een gezond en veerkrachtig stedelijk watersysteem. Dit plan bestaat uit een strategisch document, een technisch achtergrondrapport en een uitvoeringsplan dat periodiek wordt geëvalueerd. Het Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2015–2018 beschrijft het beleid en de verantwoordelijkheden voor riolering en waterbeheer, waaronder de verwerking van hemelwater en het voorkomen van grondwaterproblemen. Met de invoering van de Omgevingswet zijn deze zorgplichten geïntegreerd in de omgevingsvisie, het programma Water en het omgevingsplan van de gemeente. De Omgevingsvisie Tiel 2024 legt de lange termijn ambities van de gemeente vast voor de fysieke leefomgeving, waaronder waterveiligheid, klimaatadaptatie en duurzame inrichting.

Onderzoeksresultaten

De weging van het waterbelang is toegevoegd aan bijlage 4 van de motivering. Hieronder worden de belangrijkste zaken samegevat uit dit rapport.

Hydrologische context

Voor de uitbreiding van Bedrijvenpark Medel is een uitgebreide analyse uitgevoerd van de waterhuishoudkundige situatie binnen het plangebied. Het totale plangebied beslaat circa 73,8 hectare, waarvan de uitbreiding met twee kavels ongeveer 9 hectare betreft. De maaiveldhoogte varieert tussen NAP +4 m en +6 m. De ondergrond bestaat uit een afwisseling van klei en zand, met meerdere watervoerende pakketten. De bovenste laag betreft de Holocene deklaag tot circa 10 meter beneden maaiveld, gevolgd door grof zand met grindlagen, die fungeren als eerste watervoerend pakket. De gemiddelde freatische grondwaterstand ligt rond NAP +4 m, met een fluctuerende bandbreedte van circa 1,25 m. In het gebied is sprake van lichte kwel tot wegzijging, afhankelijk van het seizoen. Het plangebied ligt buiten waterwingebieden en grondwaterbeschermingsgebieden, wat de planologische mogelijkheden vergroot.

Bestaande waterstructuur en kwaliteit

De bestaande waterstructuur binnen het bedrijvenpark wordt gevormd door de Ooijsche Wetering en de kwelsloot langs het Amsterdam-Rijnkanaal. Beide watergangen voeren af richting de Linge en vervullen tevens een functie als waterberging. De watergangen zijn verbonden via duikers en stuwen, die het waterpeil reguleren. De waterkwaliteit van de Ooijsche Wetering is matig; er zijn overschrijdingen van normen voor metalen zoals koper, zink, beryllium en thallium. Deze stoffen zijn afkomstig uit industriële toepassingen en veevoeradditieven. De aanwezigheid van deze stoffen is relevant voor toekomstige lozingsroutes en het beheer van hemelwaterafvoer.

Toename verhard oppervlak en bergingsopgave

De uitbreiding van het bedrijvenpark leidt tot een toename van het verhard oppervlak. In het zuidelijke deel van het TAM-IMRO plangebied wordt circa 3,7 hectare verharding toegevoegd, waarvoor een aanvullende waterbergingsopgave ontstaat. De benodigde berging is berekend op basis van de ontwerpbui T10+10% en bedraagt 1.635 m3. In het plan is 1.177 m3 aan waterberging voorzien, wat, na aftrek van de in 2016 aangelegde overcompensatie van 270 m3, leidt tot een tekort van 188 m3.

Afwatering en riolering

De afwateringsstructuur van het bedrijvenpark blijft grotendeels intact. Alleen enkele doodlopende kavelsloten worden gedempt. Nieuwe watergangen worden via duikers verbonden met het bestaande watersysteem, waardoor de doorstroming behouden blijft. De riolering wordt uitgevoerd als een verbeterd gescheiden stelsel, waarbij hemelwater via aparte leidingen wordt afgevoerd naar het oppervlaktewater. Het van het dak afstromend hemelwater wordt met een apart schoon hemelwaterstelsel naar het oppervlaktewater afgevoerd. Hemelwater dat vanuit de straat en parkeerterreinen etc. wordt opgevangen in het hemelwaterriool wordt gezuiverd. Berging vindt plaats op straatniveau, op daken en in de riolering zelf. De maximale afvoer uit het plangebied bedraagt 1,5 liter per seconde per hectare, conform de richtlijnen van Waterschap Rivierenland.

Conclusie

De weging van het waterbelang toont aan dat de uitbreiding van Bedrijvenpark Medel waterhuishoudkundig haalbaar is. Het plangebied omvat een noordelijk en een zuidelijk gebied. De watercompensatie van het noordelijk gebied is meegenomen in het bestemmingsplan “Kanaalzone – Medel afronding 2020”. Het zuidelijke gebied is hierin meegerekend als onverhard.

Met de verharding van het zuidelijke gebied van TAM-IMRO omgevingsplanwijziging is er een netto watercompensatie tekort van 188 m3 in NDB123-1888. Hiervoor is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Als de definitieve locatie bekend is zal in afstemming met het Waterschap een hydrologische toetsing van de locatie plaatsvinden.

5.5 Verkeer en parkeren

Toetsingskader

Bij het beoordelen van het aspect verkeer wordt aangesloten bij het juridisch en beleidsmatig kader zoals opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), de Omgevingsvisie Gelderland, het Regionaal Programma Werklocaties Rivierenland en de gemeentelijke Structuurvisie Tiel 2030. Deze kaders stellen dat een goede ontsluiting, verkeersveiligheid en bereikbaarheid van bedrijventerreinen essentieel zijn voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Het Bkl vereist dat bij het toelaten van nieuwe functies wordt beoordeeld of de bestaande infrastructuur voldoende capaciteit heeft om de extra verkeersstromen af te wikkelen, zonder dat dit leidt tot knelpunten of een verslechtering van de verkeersveiligheid. Daarnaast moet worden beoordeeld of de ontwikkeling multimodaal ontsloten is en of de verkeersstructuur logisch aansluit op bestaande wegen.

Bij het bouwen, uitbreiden of wijzigen van de functie van gebouwen en gronden, wordt alleen een omgevingsvergunning verleend indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein. Deze toetsing vindt plaats conform de geldende beleidsregels met betrekking tot parkeren, zoals beschreven in de Nota Parkeernormen Tiel 2022.

Onderzoeksresultaten

Voor de beoordeling van het aspect verkeer is gebruik gemaakt van de “Notitie Actualisatie wegverkeer industriegebied Medel”, toegevoegd in bijlage 5 In dit onderzoek zijn de effecten van de ontwikkeling van twee nieuwe kavels op het bestaande verkeersmodel Rivierenland doorgerekend voor het prognosejaar 2036.

De belangrijkste bevindingen zijn als volgt:

  • De ontwikkeling leidt tot een toename van circa 900 motervoertuigen per etmaal, waarvan circa 260 verkeersbewegingen van vrachverkeer;
  • De grootste absolute toename is op de Merchant met een toename van 500 motervoertuigen per etmaal (stijging van 8,6%);
  • De overige wegen kennen een marginale toename, waaronder De Diepert, de Grotebrugse Grintweg, Beldertseweg en Spoortstraat;
  • Kruispuntberekeningen tonen aan dat de verkeersafwikkeling op de rotonde Biezenwei – De Diepert goed blijft met een een IC-waarden onder de 0,7;
  • Ook de verkeerslichten bij aansluiting A15 (Echteld) blijven binnen de norm, de cyclustijden en wachtrijen veranderen nauwelijks;
  • Er is geen sprake van knelpunten of overbelasting op de onderzochte kruispunten;
  • De verkeersstructuur sluit aan op bestaande wegen en zorgt voor een logische spreiding van verkeersstromen richting de A15.

Voor de uitbreiding van bedrijventerrein Medel betekent dit dat bij de ontwikkeling van de twee percelen moet worden aangetoond dat voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd. De Nota Parkeernormen Tiel 2022 is hierbij het toetsingskader. Gezien het logistieke karakter van Medel en de aard van de beoogde bedrijvigheid, is het uitgangspunt dat parkeren volledig op eigen terrein plaatsvindt. Hiermee wordt voldaan aan de provinciale en gemeentelijke beleidsdoelstellingen ten aanzien van parkeerdruk en ruimtelijke kwaliteit.

Conclusie

De planontwikkeling leidt tot een beperkte toename van verkeersintensiteiten, die grotendeels wordt opgevangen door bestaande infrastructuur. De verkeersafwikkeling blijft binnen acceptabele normen en er ontstaan geen knelpunten. De situatie is aanvaardbaar en voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.6 Geluid

Toetsingskader wegverkeer

Op grond van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is een akoestisch onderzoek naar het geluid van wegverkeer noodzakelijk bij de aanleg of wijziging van wegen en bij het toelaten van nieuwe geluidgevoelige gebouwen, zoals woningen, in de buurt van wegen.

In voorliggende situatie is dit niet aan de orde. Vanwege de uitbreiding van het bedrijventerrein kan wel sprake zijn van wat in het Bkl ‘indirecte akoestische effecten van veranderend verkeer’ wordt genoemd. Als een plan tot gevolg heeft dat het geluid van bestaande wegen toeneemt als gevolg van een toename van het verkeer, dienen daarvoor geluidbeperkende maatregelen te worden afgewogen. Dat hoeft alleen als het extra verkeer als gevolg van het plan zorgt voor een geluidstoename van meer dan 1,5 dB bij bestaande geluidgevoelige gebouwen. Een dergelijke toename van het geluid wordt bereikt als de hoeveelheid verkeer toeneemt met meer dan 40%. Op voorhand kan worden uitgesloten dat deze ontwikkeling leidt tot een toename van de hoeveelheid verkeer met 40% op nabijgelegen wegen. Een akoestisch onderzoek voor wegverkeer is op grond van het Bkl niet verplicht.

Toetsingskader industrielawaai

Voor de noordelijke kavel, gelegen op het gezoneerde industrieterrein Medel, geldt dat nieuwe milieubelastende activiteiten worden getoetst aan de geluidzone volgens de Wet geluidhinder. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (Lden) op de zonegrens mag maximaal 50 dB(A) bedragen. Het totaal aan geluid van alle toegelaten activiteiten op het terrein, inclusief de nieuwe ontwikkeling, mag deze waarde niet overschrijden. Zolang aan de geluidzone wordt voldaan, is het vaststellen van nieuwe hogere grenswaarden voor geluidgevoelige gebouwen binnen de zone niet aan de orde. Voor piekgeluiden wordt aanvullend getoetst aan de bruidschatregels uit het omgevingsplan.

Voor de zuidelijke kavel, buiten het gezoneerde industrieterrein, zijn de instructieregels uit paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl van toepassing. Hierin zijn standaardwaarden opgenomen voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (50 dB(A) overdag, 45 dB(A) in de avond, 40 dB(A) 's nachts) en voor het maximale geluidniveau (65-70 dB(A), afhankelijk van het type piekgeluid en tijdvak) op geluidgevoelige gebouwen. Hogere waarden kunnen onder voorwaarden worden toegestaan, mits de grenswaarden uit het Bkl niet worden overschreden.

Onderzoeksresultaten industrielawaai

Voor de twee kavels is een onderzoek uitgevoerd naar industrielawaai. Dit rapport is toegevoegd aan bijlage 6 van de motivering. Zowel voor het noordelijke als het zuidelijke kavel blijkt uit het onderzoek dat geluid geen belemmering vormt voor de ontwikkeling. Voor het noordelijke kavel blijft het berekende geluidniveau met maximaal 49,6 dB(A) onder de norm van 50 dB(A) op de zonegrens van het gezoneerde industrieterrein, waarbij uitsluitend een deel van de strategische geluidreserve is benut en geen effect optreedt op het gecumuleerde geluid bij omliggende woningen; ook aan de regels voor piekgeluid uit het omgevingsplan wordt ruimschoots voldaan. Het hoogst berekende maximale geluidniveau (piekgeluid) bedraagt 45 dB(A), waarmee ruimschoots wordt voldaan aan de relevante normen. Voor de zuidelijke kavel is de geluidbelasting op de omliggende geluidgevoelige gebouwen maximaal 36 dB(A) Lden (langtijdgemiddeld) en het maximale geluidniveau bedraagt maximaal 37 dB(A). Beide waarden liggen ruim onder de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving. Op basis hiervan valt te stellen dat het geluid van activiteiten op het zuidelijk perceel geen significante bijdrage levert aan het gecumuleerd geluid.

Geluid vormt daarmee geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen op beide kavels en aanvullende maatregelen zijn niet noodzakelijk.

Conclusie

Uit de rekenresultaten blijkt dat het noordelijke kavel inpasbaar is binnen de vigerende geluidzone. De

zuidelijke kavel voldoet aan de standaardwaarden uit het Besluit kwaliteit leefomgeving, zowel voor het

langtijdgemiddelde beoordelingsniveau als het maximale geluidniveau. De ontwikkelingen hebben geen

significant effect op het (gecumuleerde) geluid bij de geluidgevoelige gebouwen in de omgeving. Activiteiten tot en met milieucategorie 3.2 zijn daarmee inpasbaar voor wat betreft milieuaspect geluid op beide kavels. Het aspect geluid vormt dus geen belemmering voor het planvoornemen.

5.7 Omgevingsveiligheid

Toetsingskader 

Onder de Omgevingswet is de wetgeving omtrent externe veiligheid vastgeled in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De toetsingscriteria zijn het plaatsgebonden risico (PR) en de aandachtsgebieden. Verder biedt het Bkl gemeenten de mogelijkheid om een zogenoemd risicogebied vast te leggen.

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een persoon overlijdt ten gevolge van een ongeval veroorzaakt door een risicovolle milieubelastende activiteit (MBA). Deze kans geldt in de situatie dat de persoon zich permanent en onbeschermd in de nabijheid van deze risicovolle MBA bevindt. In een omgevingsplan wordt een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico van een activiteit in acht genomen. Dit betreft een PR van ten hoogste 1 op de één miljoen per jaar (PR 10-6). Binnen de PR10-6 zijn beperkt kwetsbare, kwetsbare, en zeer kwetsbare gebouwen en locaties uitgesloten. Alleen onder strikte voorwaarden kunnen gemeenten van deze grenswaarden afwijken voor (beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties.

Risicogebied

Het Bkl (Artikel 5.16) biedt gemeenten de mogelijkheid om rond meerdere risicovolle MBA's (niet infrastructuur zijnde) een zogenoemd risicogebied vast te leggen. Het risicogebied biedt groeiruimte voor bedrijven binnen een vastgesteld gebied. Het risicogebied kan gezien worden als een soort maximale PR10-6 per jaar contour.

Aandachtsgebieden

Het groepsrisico wordt kwalitatief benaderd en inzichtelijk gemaakt door het gebruik van aandachtsgebieden. Afhankelijk van het type risicovolle MBA's gelden voor de aandachtsgebieden vaste afstanden of moeten deze worden berekend conform bijlage VII van het Bkl. Deze aandachtsgebieden kunnen een brandaandachtsgebied en/of een explosieaandachtsgebied en/of een gifwolkaandachtsgebied betreffen. Binnen deze aandachtsgebieden moet aandacht worden besteed aan de betreffende risico's en bijbehorende effecten. Volgens artikel 5.15, Bkl dient het bevoegd gezag binnen aandachtsgebieden het groepsrisico te beschouwen.

Lokaal beleidskader

Naast de landelijke toetsingscriteria uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), is het lokale beleidskader van de gemeente Tiel bepalend voor de beoordeling van omgevingsveiligheid. In 2024 heeft de gemeente Tiel een eigen beleidsvisie externe veiligheid vastgesteld, die als bouwsteen dient voor het omgevingsplan en de omgevingsvisie. Dit beleid bevat twaalf ambities en beoordelingsprincipes, waaronder het vroegtijdig meenemen van externe veiligheidsrisico’s in het ruimtelijk ordeningsproces, het betrekken van EV-specialisten bij ruimtelijke besluiten, en het stellen van eisen aan ontwikkelingen binnen aandachtsgebieden. Het plangebied ligt binnen het gebiedstype 'bedrijventerrein A', waarvoor een 'nee, tenzij'-benadering geldt bij het toelaten van kwetsbare gebouwen.

Het lokale beleidskader schrijft bovendien participatie en communicatie met belanghebbenden voor, en vraagt om het treffen van beschermende maatregelen zoals schuil- en vluchtmogelijkheden. Bij de beoordeling van het planvoornemen wordt expliciet getoetst aan deze lokale ambities en principes, waarmee het beleid van de gemeente Tiel richtinggevend is voor een evenwichtige en veilige toedeling van functies aan locaties.

Onderzoeksresultaten

Het onderzoek naar omgevingsveiligheid is toegevoegd aan bijlage 7 van de motivering. Het planvoornemen vormt geen risico voor de omgeving omdat er geen risicovolle activiteiten mogelijk

gemaakt worden. Het planvoornemen maakt (beperkt) kwetsbare gebouwen mogelijk. Hiermee is het

planvoornemen relevant in het kader van omgevingsveiligheid. Vanuit de beleidsvisie externe veiligheid

gemeente Tiel 2024 blijkt, dat het planvoornemen binnen het gebiedstype: bedrijventerrein A ligt. Dit

betekent dat beperkt kwetsbare gebouwen toegestaan zijn. Kwetsbare gebouwen zijn in principe niet

toegestaan, mits er sprake is van een zwaarwegend belang en het college of een wethouder hier een

besluit over neemt.

Beoordeling van de relevante risicovolle activiteiten

Voor het planvoornemen zijn de volgende risicovolle activiteiten relevant:

  • Agro Buren B.V.
  • Axalta Coating Systems Benelux B.V.
  • Kuehne en Nagel Logistics B.V.
  • Arvato Netherlands B.V.

Plaatsgebonden risico

De PR10-6 per jaar contour van de bovengenoemde activiteiten ligt niet over het planvoornemen. Dit betekent dat het plaatsgebonden risico geen belemmering vormt voor het planvoornemen. Tevens liggen de PR 10-8 contouren niet over de percelen heen.

Aandachtsgebieden

Het plangebied ligt binnen het gifwolkaandachtsgebied van de bovengenoemde activiteiten. Binnen de gifwolkaandachtsgebieden dient het groepsrisico te worden beoordeeld. Vanuit de beleidsvisie van de gemeente moet voldaan worden aan ambitie 9. Dit houdt in dat er gekeken moet worden naar beschermende maatregelen en dat er vroegtijdig participatie moet plaatsvinden met belanghebbenden. Het planvoornemen voegt personen toe aan de huidige populatie. Het groepsrisico neemt niet significant

toe omdat het planvoornemen buiten de PR10-8 contouren ligt. In afstemming met de veiligheidsregio

kunnen er mitigerende maatregelen worden getroffen.

Voorschriftengebieden

Conform het Bkl kunnen er binnen een gifwolkaandachtsgebied geen voorschriftengebied worden aangewezen.

Conclusie

Het planvoornemen maakt geen risicovolle activiteiten mogelijk en ligt buiten de PR10-6-contouren van omliggende bedrijven. Wel ligt het zuidelijke perceel binnen een gifwolkaandachtsgebied, waarvoor het groepsrisico is beschouwd. De toename van het groepsrisico is niet significant en kan worden geaccepteerd of gemitigeerd. Daarmee is de situatie aanvaardbaar en voldoet het plan aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Luchtkwaliteit

Toetsingskader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring van de kwaliteit van de leefomgeving.

Het Bkl biedt de volgende grondslagen voor de onderbouwing dat een plan of project voldoet aan de wet- en regelgeving voor luchtkwaliteit:

  • 1. De projectlocatie bevindt zich niet binnen een aandachtsgebied voor NO2 of PM10. De beoordeling van de luchtkwaliteit is beperkt tot deze aandachtsgebieden, omdat er buiten de aandachtsgebieden geen sprake is van een dreigende overschrijding van NO2 en PM10 (art. 5.51 Bkl);
  • 2. Het plan of project leidt niet tot overschrijding van (rijks)omgevingswaarden zoals vastgelegd in paragraaf 2.2.1 van het Bkl;
  • 3. Het plan of project draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit (art. 5.53 en 5.54 Bkl).

Wanneer een plan voldoet aan één van bovenstaande grondslagen, kan het wat luchtkwaliteit betreft doorgang vinden.

Onderzoeksresultaten

Voor de uitbreiding van het bedrijvenpark Medel is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd, waarbij de effecten op de concentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en fijnstof (PM2,5) zijn beoordeeld. Dit rapport is toegevoegd aan bijlage 8 van de motivering. Het onderzoek richt zich op de wegen waar een significante toename van het aantal verkeersbewegingen wordt verwacht door de realisatie van de twee nieuwe bedrijfskavels, evenals op de woningen langs deze infrastructuur en in de nabijheid van het bedrijventerrein. De berekeningen zijn uitgevoerd voor de huidige situatie (2025), de autonome referentiesituatie (2026 en 2035) en de plansituatie na realisatie van de kavels (2026 en 2035).

Uit de resultaten blijkt dat de concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 in het studiegebied toenemen als gevolg van de uitbreiding, met een maximale toename van respectievelijk 1,0 µg/m³ voor NO2, 0,2 µg/m³ voor PM10 en 0,1 µg/m³ voor PM2,5 in zowel het zichtjaar 2026 en 2035. Deze toenames zijn voornamelijk toe te schrijven aan de industriële emissies van de nieuwe bedrijven en in mindere mate aan het extra verkeer. Op alle toetspunten blijven de jaargemiddelde concentraties van NO2, PM10 en PM2,5 in zowel 2026 als 2035 onder de wettelijke grenswaarden zoals vastgelegd in het Bkl. Ook de EU-grenswaarden die vanaf 2030 gelden voor PM10 en PM2,5 worden niet overschreden. De aangescherpte EU-grenswaarde voor NO2 wordt in 2026 wel overschreden, zowel in de plansituatie als in de referentiesituatie. Deze grenswaarde is echter nog niet geïmplementeerd in de nationale wetgeving en maakt daarmee op dit moment geen onderdeel uit van het toetsingskader. De advieswaarden van de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) worden in beide jaren overschreden, maar deze waarden zijn niet wettelijk verplichtend en gelden als gezondheidskundige richtlijn.

Conclusie

Op basis van het uitgevoerde luchtkwaliteitsonderzoek kan worden geconcludeerd dat de uitbreiding van het bedrijvenpark Medel niet leidt tot overschrijding van de wettelijke grenswaarden voor NO2, PM10 en PM2,5, zoals vastgelegd in het Bkl. De projectlocatie bevindt zich bovendien niet binnen een aandachtsgebied voor NO2 of PM10, waardoor er geen sprake is van een dreigende overschrijding. Het plan draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit en voldoet daarmee aan de relevante wet- en regelgeving. Hoewel de toekomstige EU-grenswaarde voor NO2 en de WHO-advieswaarden worden overschreden, bestaat hiervoor op dit moment geen juridische verplichting. Daarmee kan het plan, wat betreft luchtkwaliteit, doorgang vinden.

5.9 Bodem

Toetsingskader

Omgevingswet

De Omgevingswet vormt het centrale juridische kader voor de fysieke leefomgeving, waaronder de bodem. De wet kent een algemene zorgplicht (art. 1.6 en 1.7 Ow) en een specifieke zorgplicht voor activiteiten die risico’s voor de bodem met zich meebrengen. Bij bodemverontreiniging moet de veroorzaker maatregelen treffen om schade te beperken en waar mogelijk ongedaan te maken.

Besluit kwaliteit leefomgeving

Het Bkl (paragraaf 5.1.4.5) geeft instructieregels over het toelaten van bodemgevoelige gebouwen op bodemgevoelige locaties. Het Bkl bepaalt dat het omgevingsplan de waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem moet bevatten. Daarnaast bepaalt het Bkl dat er geen bodemgevoelige gebouwen (op bodemgevoelige locaties) toe worden gelaten waar de kwaliteit van de bodem ongeschikt is. In het omgevingsplan kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillende waarden voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties bevatten. Bij het vaststellen van de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van bodemgevoelige locaties wordt rekening gehouden met de interventiewaarden bodemkwaliteit, die op zijn genomen in het bijlage IIA bij het Bal. Door het overnemen van deze interventiewaarden wordt in ieder geval voorzien in een aanvaardbare situatie.

Besluit activiteiten leefomgeving

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn rechtstreeks werkende rijksregels gesteld over bodemhandelingen. Het gaat onder meer om graven in de bodem en het toepassen van grond of baggerspecie. Voor deze activiteiten bevat het Bal rechtstreeks geldende rijksregels (hoofdstuk 4 van het Bal). De gemeente kan afwijken van deze regels door maatwerkregels op te nemen in het omgevingsplan. Buiten het omgevingsplan kunnen maatwerkvoorschriften gesteld worden op grond van het Besluit activiteiten leefomgeving. Dit heeft dan het karakter van een beschikking.

Omgevingsverordening provincie Gelderland

De provincie Gelderland heeft in haar Omgevingsverordening aanvullende regels opgenomen voor activiteiten in of op verontreinigde bodem, met als doel het voorkomen van verspreiding van verontreinigingen naar het grondwater. Deze regels gelden aanvullend op de landelijke kaders afkomstig uit het Bkl en het Bal.

Bij bodemverstorende activiteiten in bodem met een kwaliteit boven de interventiewaarde, zoals saneringen of graafwerkzaamheden, gelden de volgende verplichtingen:

  • Artikel 4.50: Sanering of graafwerk in verontreinigde bodem is toegestaan, mits verspreidingsrisico’s naar het grondwater worden voorkomen. Tijdelijk uitnemen van grond is uitgezonderd van deze verplichting.
  • Artikel 4.51: Indien bij bodemonderzoek signaleringsparameters of het Indicatief Niveau voor Ernstige Verontreiniging (INEV) worden overschreden, moet aanvullend onderzoek worden uitgevoerd naar de relatie tussen de verontreiniging in het grondwater en de bron in de vaste bodem. Daarbij moet ook worden beoordeeld of er risico’s zijn voor kwetsbare objecten, zoals drinkwaterwinningen of Natura 2000-gebieden.
  • Artikel 4.52: Als uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van een onaanvaardbaar risico, moet de bron in de vaste bodem worden gesaneerd conform artikel 4.1242 van het Bal. Ook verontreiniging boven het INEV moet worden verwijderd.
  • Artikel 4.53: Gedeputeerde Staten moeten ten minste vier weken voorafgaand aan de sanering worden geïnformeerd over de resultaten van het uitgevoerde onderzoek en de geplande startdatum voor de sanering.

Onderzoeksresultaten

Voor het bestemmingsplan ''Kanaalzone – Medel afronding 2020'' is toentertijd een historisch bodemonderzoek uitgevoerd, zie hiervoor bijlage 9. Voor de toevoeging van de twee percelen kan dit onderzoek als indicatie worden gebruikt.

Uit het historisch bodemonderzoek blijkt dat over het algemeen maximaal licht verhoogde gehalten aan diverse parameters zijn gemeten. Voor enkele locaties bevat de grond matig tot sterke verontreiniging, welke dan al niet zijn afgeperkt, waarbij geadviseerd wordt om een nader onderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van de verontreiniging. In het grondwater worden in het algemeen licht verhoogde concentraties aan hoofdzakelijke zware metalen gemeten.

Op basis van de verzamelde informatie zijn deellocaties onderscheiden waar (aanvullend) bodemonderzoek noodzakelijk is. De locaties zijn enerzijds nog niet eerder onderzocht, anderzijds is sprake van resultaten van voorgaand onderzoek die aanleiding geven voor vervolgwerkzaamheden (onderzoek en/of sanering. Ook zijn er locaties waar na sloop van de opstallen, conform de eisen van gemeente Tiel, ter plaatse van de voormalige bebouwing een bodem- en asbestonderzoek dient te worden uitgevoerd. De deellocaties waar (aanvullend) bodemonderzoek noodzakelijk is, zijn benoemd in het historische bodemonderzoek. De overzichtstekening met de ligging van de te onderzoeken deellocaties is opgenomen in bijlage 6 van dit historisch bodemonderzoek. Hieronder is een uitsnede hiervan opgenomen. De te onderzoeken deellocaties F, M, R, C, H en W liggen binnen het plangebied van dit TAM-IMRO omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.TAM03-va01_0005.png"

Figuur 5.3: Situatietekening met te onderzoeken locaties (in groen aangegeven)

Voor de voorgenomen omgevingsplanwijziging is het voorliggende historisch onderzoek voldoende, voor de later aan te vragen omgevingsvergunning voor het bouwen dient een verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd, met inachtneming van de genoemde deellocaties die nog onderzocht moeten worden. Tevens dient hierbij rekening te worden gehouden met de voorgaande bodemonderzoeken waarvan de onderzoeksresultaten zijn verouderd.

Geadviseerd wordt om voorafgaande aan de uitvoering van het bodemonderzoek, in overleg met het bevoegd gezag, de uiteindelijke onderzoeksopzet vast te stellen. Voornoemde conclusies zijn gebaseerd op het uitgevoerde vooronderzoek.

Conclusie

Het aspect bodem leidt niet tot belemmeringen. Bij verdere ontwikkeling zal middels een verkennend bodemonderzoek de kwaliteit van de bodem op de nog niet onderzochte delen (groen aangegeven in figuur 5.3) nader moeten worden bepaald. Eventueel nog aan te treffen verontreinigingen zullen bij de verdere planontwikkeling worden gesaneerd.

5.10 Flora & fauna

Toetsingskader

Omgevingswet 

In de Omgevingswet zijn alle wetten voor de fysieke leefomgeving geïntegreerd. Hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) bevat regels voor de bescherming van natuurgebieden, in het wild levende dier- en plantensoorten en houtopstanden. Het uitgangspunt is het behoud en herstel van biodiversiteit, mede vanwege de intrinsieke waarde van natuur, zonder onnodige lasten te veroorzaken.

De provincies zijn doorgaans het bevoegde gezag voor vergunningverlening op grond van de Omgevingswet. Bij ingrepen met nationale belangen, zoals gaswinning of snelwegaanleg, is het Rijk bevoegd gezag. Voor dit project is provincie Gelderland het bevoegde gezag. Naast de specifieke zorgplicht (Bal art. 11.27) zijn drie onderdelen van de Omgevingswet relevant voor dit project en worden onderstaand toegelicht. De wet schrijft voor dat nadelige gevolgen voor planten en dieren zoveel als redelijkerwijs mogelijk is moeten worden voorkomen, ongeacht of deze soorten beschermd zijn.

Soortenbescherming

Soorten (Bal paragraaf 11.2)

Paragraaf 11.2 van het Bal kent drie beschermingsregimes:

  • Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn (Bal 11.2.2). Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn);
  • Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn (Bal 11.2.3). Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV bij de Habitatrichtlijn, Bijlage I of II bij het Verdrag van Bern en Bijlage II bij het Verdrag van Bonn.
  • Beschermingsregime andere soorten (Bal 11.2.4). Dit zijn soorten die genoemd zijn in bijlage IX onder A en B van de Bal Ow. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten die van nature voorkomend in Nederland.

Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen. Zo is het verboden om nesten van vogels te vernielen, of te beschadigen en is het verboden om soorten die vallen onder de Habitatrichtlijn te verstoren. De bepalingen in paragraaf 11.2.4 van het Bal zien toe op de 'nationale' andere soorten die zijn genoemd in de bijlage IX onder A en B. Hiervoor geldt een kleiner aantal verbodsbepalingen. In beginsel moet met voorzorgsmaatregelen ervoor worden gezorgd dat de functionaliteit van het leefgebied niet wordt aangetast. Lukt dat niet en worden verbodsbepalingen overtreden, dan is een omgevingsvergunning nodig. Voor de 'andere soorten' van artikel 11.2.4 kunnen provincies en het ministerie van LVVN een algemene vrijstelling van de vergunningsplicht vaststellen middels een verordening. De lijst met vrijgestelde soorten kan daardoor per provincie verschillen. Voor dit project is de provincie Gelderland het bevoegd gezag.

In tegenstelling tot de Wet natuurbescherming is in de Omgevingswet de specifieke zorgplicht opgenomen waarbij specifiek dieren en planten van de rode lijst soorten worden benoemd. In de Omgevingswet is opgenomen dat er op basis van objectieve gegevens vastgesteld moet worden of er nadelige gevolgen kunnen optreden voor dieren van die soorten, hun nesten, hun foerageerplaatsen, hun voortplantingsplaatsen, hun rustplaatsen en hun eieren. Indien dit het geval is dienen passende preventieve maatregelen getroffen te worden om nadelige gevolgen te voorkomen.

Gebiedsbescherming

Natura 2000-gebieden (Bal paragraaf 11.1)

Op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn moeten Natura 2000-gebieden aangewezen worden om habitats en soorten van Europees belang te beschermen. Deze gebieden zijn geselecteerd op grond van het voorkomen van soorten en habitattypen die vanuit Europees oogpunt bescherming nodig hebben. In totaal zijn er ruim 160 Natura 2000-gebieden aangewezen. Voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor soorten en/of habitattypen. Per soort en/of habitattype is aangegeven of behoud van de huidige aantallen/arealen voldoende is of dat uitbreiding dan wel verbetering nodig is. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren dat significante gevolgen kan hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van (de aangewezen habitattypen en -soorten van) een Natura 2000-gebied.

Gelders Natuurnetwerk

Het ruimtelijk beleid voor het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van natuurgebieden, en op het functioneren van ecologische verbindingszones. Bescherming vindt plaats via het “nee, tenzij”-regime uit de Provinciale Omgevingsverordening: nieuwe plannen zijn niet toegestaan bij significante negatieve effecten, tenzij sprake is van een groot openbaar belang zonder reële alternatieven. In dat geval zijn mitigerende en compenserende maatregelen verplicht, en is goedkeuring van Gedeputeerde Staten vereist. De natuurdoelen zijn gekoppeld aan de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN en uitgewerkt in het provinciale Natuurbeheerplan en aanvullende documenten. Voor het GNN geldt geen externe werking.

Houtopstanden (Bal paragraaf 11.3)

Het is verboden om een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen zonder een melding te doen bij gedeputeerde staten. Indien een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld moet er herplant plaatsvinden van de gevelde houtopstand. De provincie hebben regels opgesteld over de herplant. Onder een houtopstand wordt verstaan: een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend. Er zijn een aantal uitzonderingen, zoals houtopstanden op erven of in tuinen, kweekbomen en populieren en wilgen als wegbeplanting.

Onderzoeksresultaten

Voor het plangebied is een ecologische quickscan uitgevoerd (zie bijlage 10, waarin de effecten van de voorgenomen ontwikkeling op natuurwaarden zijn beoordeeld conform de Omgevingswet en het provinciaal beleid van de provincie Gelderland.

Soortenbescherming

Toetsing soortenbescherming

Op basis van verspreidingsgegevens van beschermende soorten uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) en veldonderzoek is vastgesteld welke beschermende soorten aanwezig zijn in het projectgebied. In tabel 1 wordt per mogelijk voorkomende soort aangegeven wat het leefgebied is, wat de tijdelijke en/of permenante effecten zijn voor de ontwikkeling en wat de mogelijke overtreding verbodsbepaling van de omgevingswet, zoals beschreven in Bal is. Vervolgens worden de vervolgstappen per soort benoemd.

Mogelijk voorkomende soorten    Leefgebied    Tijdelijke en permanente effecten    Mogelijke overtreding verbodsbepalingen Ow    Vervolgstappen   
Kleine wolfsmelk    Graslanden / braakliggend terrein    Vernietiging van groeiplaatsen (permanent effect).    Artikel 11.54    Nader onderzoek: juli-september (2 bezoeken). Mogelijk omgevingsvergunning natuur benodigd.   
Diverse soorten vleermuizen    Foerageergebied     Vernietiging foerageergebied en verstoring door verlichting en menselijke aanwezigheid tijdens verbouwingsfase (tijdelijk).    Te voorkomen door maatregelen    Toepassen maatregelen in het kader van de (algemene) zorgplicht.   
Steenuil    Graslanden    Vernietiging foerageergebied (permanent) en verstoring door verlichting en menselijke aanwezigheid tijdens verbouwingsfase (tijdelijk).    Artikel 11.37    Nader onderzoek: februari t/m april (3 bezoeken). Mogelijk omgevingsvergunning natuur benodigd.   
Algemene broedvogels    Graslanden, wateren en oevers.    Vernietiging nesten (permanent) en verstoring door verlichting, geluid en menselijke aanwezigheid tijdens verbouwingsfase (tijdelijk).    Te voorkomen door maatregelen    Toepassen maatregelen in het kader van de (algemene) zorgplicht.   
Grote modderkruiper    Wateren    Vernietiging voortplantingsplaatsen (permanent).    Artikel 11.54    Nader onderzoek: e-DNA en mogelijk schepnet/fuiken (2 bezoeken). Mogelijk omgevingsvergunning natuur benodigd.   
Poelkikker    Niet-droogvallende wateren    Vernietiging voortplantingsplaatsen (permanent) en verstoring door verlichting, geluid en menselijke aanwezigheid tijdens verbouwingsfase (tijdelijk).    Artikel 11.46    Nader onderzoek: mei - juli (2 bezoeken). Mogelijk omgevingsvergunning natuur benodigd.    
Rugstreeppad    Wateren (droogvallend) en tijdelijke plassen/poeltjes    Vernietiging voortplantingsplaatsen (permanent) en verstoring door verlichting, geluid en menselijke aanwezigheid tijdens verbouwingsfase (tijdelijk).    Artikel 11.46    Nader onderzoek: half april - juli (3 bezoeken). Mogelijk omgevingsvergunning natuur benodigd.   

Tabel 1: Overzichtstabel soortenbescherming

Vrijgestelde soorten (Omgevingsverordening Gelderland)

Op basis van de provinciale verordening zijn de volgende soorten vrijgesteld van vergunningplicht bij ruimtelijke ingrepen, mits de zorgplicht wordt nageleefd:

  • Zoogdieren: egel, haas, veldmuis, woelrat, konijn, vos, ree, wild zwijn, diverse spitsmuizen en woelmuizen.
  • Amfibieën: bruine kikker, bastaardkikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker.
  • Vissen: stekelbaars, blankvoorn.

Voor deze soorten is geen ontheffing nodig, maar verstoring moet zoveel mogelijk worden voorkomen. Dit gebeurt via maatregelen zoals werken bij daglicht, beperken van lichtuitstraling, en het opstellen van een ecologisch werkprotocol.

In de natuurtoets is geconcludeerd dat het planvoornemen mogelijk leidt tot een overtreding van de Omgevingswet ten aanzien van kleine wolfsmelk, grote modderkruiper, poelkikker en

rugstreeppad (de aanwezigheid van de oeverzwaluw is inmiddels uitgesloten). Om die reden wordt er in 2026 voor deze soorten soortgericht onderzoek uitgevoerd. Echter is voorliggend plan al voor uitvoering van het nader soortgericht onderzoek vastgesteld. In de memo in bijlage 12 is gemotiveerd dat het onderdeel soortenbescherming van de Omgevingswet de vaststelling van het plan (vooruitlopend op de resultaten van de soortgerichte onderzoeken) niet belemmert.

Gebiedsbescherming

Toetsing Natura 2000-gebieden

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken (deelgebied de Waal), gelegen op circa 1,4 kilometer van het projectgebied. Gezien deze afstand en het tussenliggende landgebruik zijn indirecte effecten zoals geluid, licht, trillingen en optische verstoring uitgesloten. Wel dient rekening te worden gehouden met mogelijke verzuring en vermesting als gevolg van stikstofdepositie. Deze effecten kunnen optreden in zowel de aanlegfase, door het gebruik van machines, als in de gebruiksfase, door verkeersbewegingen en bedrijfsactiviteiten.

Voor de beoogde ontwikkeling van twee nieuwe kavels op het bedrijvenpark Medel zijn stikstofberekeningen uitgevoerd. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd aan bijlage 11 van de motivering. Er zijn drie berekeningen uitgevoerd: eerst een berekening van het planeffect, daarna een verschilberekening van het planeffect minus het effect van interne saldering en tot slot een verschilberekening van het effect in de bouwfase. In de stikstofberekeningen is intern gesaldeerd met de beëindiging van de bemesting op 4,71 ha agrarische gronden gelegen in het plangebied. Geconcludeerd is dat het additionaliteitsvereiste niet in de weg staat om dit gebruik dat onderdeel uitmaakt van de referentiesituatie als interne salderingsmaatregel in de passende beoordeling te betrekken.

Uit de stikstofberekeningen volgt dat per saldo geen sprake is van een toename in

stikstofdepositie op stikstofgevoelige habitats in omliggende Natura 2000-gebieden. De berekende

stikstofdepositie is op geen enkel relevant hexagoon hoger dan 0,00 mol/ha/jaar. Uitgesloten is

dan ook dat de natuurlijke kenmerken van deze Natura 2000-gebieden door het plan worden

aangetast.

Toetsing Gelders Natuurnetwerk (GNN)

Het projectgebied ligt buiten de begrenzing van het GNN en ook buiten de groene ontwikkelingszones. Negatieve effecten op het GNN zijn uitgesloten. Er zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.

Houtopstanden

Toetsing houtopstanden

In het projectgebied is slechts één boom aanwezig. Deze valt niet onder de definitie van een houtopstand zoals bedoeld in de Omgevingswet. Er is geen kapmelding vereist. Wel kan gemeentelijk beleid aanvullende eisen stellen.

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling binnen het bedrijventerrein Medel heeft ecologische aandachtspunten die grotendeels beheersbaar zijn. Voor soortenbescherming is voor enkele soorten, waaronder kleine wolfsmelk, grote modderkruiper, poelkikker, rugstreeppad en oeverzwaluw, aanvullend onderzoek noodzakelijk om mogelijke overtredingen van de Omgevingswet uit te sluiten. Dit onderzoek wordt uitgevoerd voor vastelling van het TAM-IMRO omgevingsplan. Voor overige soorten geldt de zorgplicht, waarbij mitigerende maatregelen getroffen moeten worden om negatieve effecten te voorkomen.

Voor gebiedsbescherming zijn geen belemmeringen aan te merken. Het projectgebied ligt buiten het Gelders Natuurnetwerk en de stikstofdepositie als gevolg van de ontwikkeling blijft binnen de wettelijke grenzen. Door interne saldering is geen sprake van een toename van stikstof op stikstofgevoelige habitats en vormt daarmee geen belemmering.

Het plangebied bevat geen beschermde houtopstanden.

De ecologische situatie is aanvaardbaar en voldoet aan het criterium van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.11 Gezondheid

Toetsingskader

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet is een gezonde fysieke leefomgeving. De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Binnen de kaders van de Omgevingswet kunnen overheden eigen gezondheidsambities vastleggen en uitwerken. In artikel 2.1, lid 4 van de Omgevingswet staat dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Belangrijk voor een gezonde leefomgeving zijn onder meer een leefomgeving die uitnodigt tot bewegen, ontmoeten en ontspannen, een goede milieukwaliteit en klimaatbestendigheid.

Onderzoeksresultaten

Uit de uitgevoerde onderzoeken van geluid en luchtkwaliteit blijkt dat de ontwikkeling van het plangebied slechts beperkte invloed heeft op de bestaande situatie. De toename blijft binnen de geldende juridische normen en leidt niet tot significante verslechtering van de leefomgeving. Zowel de geluidsbelasting als de concentraties van luchtverontreinigende stoffen blijven onder de wettelijke grenswaarden. Op basis van deze resultaten kan worden geconcludeerd dat de ontwikkeling geen negatieve gevolgen heeft voor de gezondheid van omwonenden of toekomstige gebruikers van het gebied. Het aspect gezondheid vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

Conclusie

De uitbreiding van het bedrijventerrein passen binnen de gezondheidsambities zoals beschreven in de Omgevingswet.

5.12 Omgevingskwaliteit (duurzaamheid)

Toetsingskader

Een duurzame ontwikkeling van nieuwe ruimtelijke initiatieven wordt door meer en meer partijen belangrijk gevonden. Ook de Omgevingswet legt nadruk op het onderbouwen van duurzaamheid in het omgevingsplan.

Nationaal klimaatbeleid

Om de internationale klimaatdoelstellingen, zoals vastgelegd in het Kyoto-protocol, te realiseren heeft de Nederlandse overheid nationaal beleid opgesteld. In de periode 2008–2012 was het doel om de uitstoot van broeikasgassen met 6% te verminderen ten opzichte van het niveau in 1990. Voor de langere termijn streeft Nederland naar een duurzame energiehuishouding, met als doel 20% duurzame energie in 2020 en een reductie van CO2-uitstoot met 30% ten opzichte van 1990. Deze ambities zijn verankerd in het vierde Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4). De helft van de benodigde emissiereductie wordt behaald via binnenlandse maatregelen, de andere helft via internationale samenwerking en flexibele instrumenten uit het Kyoto-protocol.

Duurzaam bouwen

Duurzaam bouwen betekent het ontwikkelen en beheren van de gebouwde omgeving met respect voor mens en milieu. Het uitgangspunt is dat de huidige generatie in haar behoeften kan voorzien, zonder de mogelijkheden van toekomstige generaties te beperken. Daarmee draagt duurzaam bouwen bij aan de kwaliteit van de leefomgeving en vormt het een essentieel onderdeel van een toekomstbestendige ruimtelijke ontwikkeling.

Onderzoeksresultaten

Stedenbouwkundige duurzaamheid

De uitbreiding van het bedrijventerrein Medel is ontworpen met aandacht voor een duurzame ruimtelijke structuur. Dit uit zich in het zorgvuldig integreren van bestaande landschappelijke elementen, het aanleggen van fiets- en wandelroutes voor werknemers, het inbedden van water en groen, en het realiseren van een duurzaam watersysteem en ecologische verbindingen. Daarnaast wordt ingezet op efficiënt grondgebruik door compacte, aaneengesloten bebouwingsgebieden, veilige routes en goed toegankelijke terreinen.

Energie en klimaatadaptatie

De energievraag van toekomstige bedrijven zal voornamelijk bestaan uit verwarming en koeling. Daarom worden innovatieve oplossingen onderzocht om deze vraag te reduceren, zoals passieve koeling, bodem- en grondwaterkoeling, en vegetatiedaken. De locatie biedt bovendien goede mogelijkheden voor het opwekken van duurzame energie, bijvoorbeeld via zonnepanelen op bedrijfsdaken.

Groene bouwoplossingen

De daken van de bedrijven vormen samen een daklandschap. In plaats van conventionele dakbedekking wordt ingezet op vegetatiedaken, zoals sedum, die bijdragen aan ecologische waarde en het beperken van opwarming van gebouwen. Dit verlaagt de energiebehoefte voor koeling.

Conclusie

De afronding van het bedrijventerrein Medel heeft potentie om uit te groeien tot een duurzaam bedrijventerrein. Zowel op stedenbouwkundig niveau als op het niveau van bebouwing en energievoorziening worden maatregelen getroffen die bijdragen aan klimaatadaptatie, energie-efficiëntie en ecologische versterking. De integratie van groen, water, duurzame mobiliteit en innovatieve energieoplossingen sluit aan bij de ambitie om een toekomstbestendig en gezond werklandschap te realiseren. Deze duurzame aanpak vormt een versterking van de ruimtelijke kwaliteit en draagt bij aan een robuuste en aantrekkelijke werkomgeving.

Hoofdstuk 6 Kostenverhaal

Het kostenverhaal is bedoeld om kosten die de overheid maakt bij ruimtelijke ontwikkeling te verrekenen met private initiatiefnemers. In dit geval neemt het Industrieschap Medel zelf het initiatief voor de ontwikkeling van het bedrijventerrein. Er is momenteel geen derde partij om kosten op te verhalen. Er is dan ook geen verplichting tot het opstellen van kostenverhaalregels in het omgevingsplan.

Hoofdstuk 7 Participatie

In het kader van de voorbereiding van dit plan is invulling gegeven aan het participatievereiste zoals bedoeld in de Omgevingswet. Het Industrieschap Medel heeft de voorgenomen ontwikkeling afgestemd met de eigenaren van de aangrenzende percelen.

Daarnaast zijn bewoners en ondernemers in de directe omgeving van het plangebied geïnformeerd over de ontwikkeling. Op 3 november 2025 is namers het Industrieschap Medel een schriftelijke uitnodiging verstuurd aan bewoners en ondernemers aan de Medelsestraat, Broekdijksestraat, Bredesteeg en Oude Broekdijk. In deze brief is informatie verstrekt over de ontwikkeling van de twee bedrijfskavels en is uitgenodigd voor een participatiemoment op 24 november 2025. Tijdens dit moment is informatie verstrekt over het plan en kregen bewoners en ondernemers de gelegenheid om vragen te stellen.

Naast de afstemming met bewoners en ondernemers heeft overleg plaatsgevonden met het Waterschap Rivierenland. Het waterschap is inhoudelijk betrokken bij de planvorming, onder meer door een locatiebezoek, en heeft de gelegenheid gehad om te reageren op het conceptrapport weging van het waterbelang.

Op basis van het bovenstaande is voldaan aan het participatievereiste zoals bedoeld onder de Omgevingswet. Belanghebbenden zijn geïnformeerd en in de gelegenheid gesteld om mee te denken en te reageren in het kader van de voorbereiding van het plan.

Het plan heeft zes weken ter inzage gelegen van 17 december 2025 tot en met 27 januari 2026. Tijdens deze periode zijn er zienswijzen ingediend. In de zienswijzennota worden de zienswijzen beantwoord. De nota is toegevoegd aan bijlage 14.

Hoofdstuk 8 Uitwerking in het omgevingsplan

De wijziging van het omgevingsplan voor Kanaalzone - Medel afronding 2 gebeurt conform de TAM-IMRO methode. De tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) vormt een alternatieve mogelijkheid voor gemeenten om het omgevingsplan te wijzigen, wanneer zij dit nog niet via de nieuwe standaarden van de Omgevingswet kunnen doen. Het TAM-omgevingsplan vormt het toetsingskader voor bouwplannen binnen het plangebied en is tevens een bindend kader voor het gebruik van gronden in het plangebied.

Dit TAM-IMRO omgevingsplan betreft geen tijdelijk omgevingsplan. De regels van het nu van rechtswege geldende (tijdelijke) omgevingsplan worden permanent gewijzigd. De nieuwe regels van dit omgevingsplan gaan voor op de bestaande regels. In artikel 1.3 van de planregels is bepaald dat deze planregels voorrang hebben boven de bestaande artikelen. Verder is in artikel 1.3 ook bepaald dat de regels van dit omgevingsplan voorgaan op de regels uit het omgevingsplan van rechtswege (waaronder de bruidsschat) voor zover sprake is van strijdigheid tussen beide bepalingen.

Het TAM-omgevingsplan maakt juridisch gezien deel uit van het omgevingsplan, maar kent nog het format zoals bekend uit de Wet ruimtelijke ordening.

De planregels zijn onderverdeeld in 4 hoofdstukken, te weten:

  • 1. Algemene bepalingen
  • 2. Specifieke regels voor functies en activiteiten
  • 3. Algemene regels over functies
  • 4. Regels ter bescherming van waarden en objecten

8.1 Algemene bepalingen

In de algemene bepalingen staat de toepassing en interpretatie van het TAM-omgevingsplan beschreven om misverstanden te voorkomen. De algemene bepalingen zijn onderverdeeld in:

Artikel 1 Toepassingsbereik

In dit artikel staan de toepassing en het toepassingsbereik van het planvoornemen.

Artikel 2 Begripsbepalingen

De begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij

het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het

Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling gelden automatisch voor dit plan. Alleen

wanneer in het plan zelf expliciet van deze definities wordt afgeweken, geldt die afwijking in plaats van

de standaarddefinitie.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

Hierin zijn begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de

uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moet worden. Evenals

de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de

toepassing van de planregels.

8.2 Specifieke regels over functies en activiteiten

In de regels voor functies en activiteiten is juridisch vastgelegd welke functies en activiteiten zijn toegestaan binnen het plangebied. Binnen het plangebied komen de volgende functies voor:

Artikel 5 Bedrijventerrein

Dit artikel bepaalt dat gronden bestemd zijn voor bedrijven in milieucategorie 3.1 en 3.2, met uitsluiting van risicovolle inrichtingen en opslag van professioneel vuurwerk. Bouwpercelen moeten minimaal 3 hectare groot zijn en mogen ondergeschikte functies bevatten zoals detailhandel, kantoren (max. 1.500 m²), groen, wegen en nutsvoorzieningen. Gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd, met inachtneming van maximale bouwhoogte, bebouwingspercentage en minimaal 5 m afstand tot perceelgrenzen. Voor bouwwerken gelden specifieke hoogtes (bijv. vlaggenmasten max. 6 m). Een lichtplan conform de richtlijnen voor lichthinder is verplicht. Afwijkingen zijn mogelijk via omgevingsvergunning, bijvoorbeeld voor hogere bouwhoogtes, kleinere percelen of extra kantoorruimte, mits geen onevenredige aantasting van veiligheid, milieu of straatbeeld optreedt. Gebruik in strijd met de bestemming omvat zelfstandige kantoren, detailhandel (anders dan nevenactiviteit), functies voor kwetsbare groepen en aansluiting op het gastransportnet. Opslag van materialen of goederen is beperkt tot achter de voorste bouwgrens, max. 2 m hoog en minimaal 6 m van de zijdelingse grens.

Artikel 6 Groen

Dit artikel bepaalt dat de gronden zijn aangewezen voor groenvoorzieningen, waterbeheer (zoals waterpartijen en waterlopen) en ontsluitingen en parkeervoorzieningen voor aangrenzende bedrijven. Ondergeschikt zijn kunstwerken en nutsvoorzieningen toegestaan, evenals paden, bruggetjes en bijbehorende bouwwerken. Voor gebouwen geldt dat deze uitsluitend voor nutsvoorzieningen mogen worden opgericht, met een maximale inhoud van 50 m³ en een bouwhoogte van 3 m. Voor overige bouwwerken geldt: erfafscheidingen maximaal 1 m hoog, speelvoorzieningen maximaal 6 m en andere bouwwerken maximaal 3,5 m.

Artikel 7 Water

Dit artikel bepaalt dat de gronden zijn aangewezen voor waterbeheer, waaronder waterpartijen en waterlopen, alsmede verkeer en recreatie te water. Ondergeschikt zijn aanlegplaatsen, taluds, wegen, paden, groenvoorzieningen, speelvoorzieningen en nutsvoorzieningen toegestaan, met bijbehorende bouwwerken zoals bruggen, sluizen, dammen en duikers. Gebouwen mogen per stuk maximaal 50 m³ inhoud hebben en niet hoger zijn dan 3 m. Voor overige bouwwerken geldt een maximale bouwhoogte van 6 m, met uitzondering van uitstekende delen van laad- en losvoorzieningen voor aangrenzende bestemmingen.

8.3 Algemene regels over functies

Naast de specifieke regels zijn een aantal algemene regels opgenomen, te weten:

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

In deze bepaling is vastgelegd dat grond die in aanmerking moest worden genomen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, waarvan de uitvoering heeft plaatsgevonden of alsnog kan plaatsvinden, bij de beoordeling van een andere aanvraag om omgevingsvergunning niet opnieuw in beschouwing mag worden genomen.

Artikel 9 Algemene bouwregels

In dit artikel zijn de algemene bouwregels opgenomen.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

Dit artikel bevat de algemene gebruiksregels. Het gebruik van gronden en bouwwerken in strijd met de planregels is verboden, waarbij prostitutie expliciet als strijdig gebruik wordt aangemerkt. Verder geldt dat bebouwing alleen is toegestaan als op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid en laad- en losvoorzieningen worden gerealiseerd en behouden, conform de nota Parkeernormen Tiel 2022 (of latere wijzigingen). Ook het gebruik van gronden of bouwwerken zonder deze voorzieningen wordt als strijdig beschouwd. Afwijking van deze regels kan bij omgevingsvergunning worden toegestaan bij bijzondere omstandigheden, mits alsnog aan de parkeernormen wordt voldaan.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

Dit artikel biedt de algemene afwijkingsmogelijkheden via omgevingsvergunning, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van straatbeeld, woonsituatie, milieu, verkeers- en sociale veiligheid of gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden. Afwijkingen kunnen betrekking hebben op: kleine aanpassingen in wegenprofiel of aansluitingen bij verkeerskundige noodzaak; overschrijding van bouwgrenzen door meetverschillen; verhoging van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot maximaal 40 m voor kunstwerken en zend- of sirenemasten; en plaatselijke verhogingen op gebouwen (zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen) mits deze niet meer dan 25% van de gebouwoppervlakte beslaan en de hoogte maximaal 1,25 keer de toegestane bouwhoogte bedraagt, met een maximum van 4 m.

Artikel 12 Aanvraagvereisten

Hierin is aangegeven dat de aanvraagvereisten overeenkomstig van toepassing zijn op een vereiste omgevingsvergunning op grond van de algemene regels.

8.4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 13 Waarde - Archeologisch monument

Dit artikel regelt dat gronden met deze bestemming primair bedoeld zijn voor het behoud van archeologische waarden. Bouwactiviteiten zijn in principe verboden, tenzij vooraf archeologisch onderzoek aantoont dat waarden niet worden verstoord of passende maatregelen worden getroffen (zoals behoud in situ of opgravingen). Voor kleine bouwwerken zonder diepe grondverstoring en het uitvoeren van archeologisch onderzoek geldt een uitzondering. Ook voor werkzaamheden zoals grondverzet, leidingen leggen of heiwerk is een omgevingsvergunning vereist vanaf 30 cm diepte, tenzij het gaat om normaal onderhoud of reeds vergunde activiteiten. Vergunningverlening is alleen mogelijk als archeologische waarden voldoende zijn vastgesteld en veiliggesteld, eventueel onder voorwaarden zoals technische maatregelen, opgravingen of begeleiding door een erkend archeoloog. Bij uitzonderlijk maatschappelijk belang of veiligheidsredenen kan het bevoegd gezag afwijken, mits onderbouwd met een rapport.