direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c, Kanaalzone - Medel afronding 2
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0281.TAM03-va01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een gebiedsontwikkeling op de locatie

'Kanaalzone - Medel afronding 2' en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22c) van het

omgevingsplan van de gemeente Tiel. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van

het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke

voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk

conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel)

weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22c van het

omgevingsplan van de gemeente Tiel. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen

moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22c' gelezen worden. In de

kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie

en direct voor het nummer van de bijlage '22c' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Tiel

Dit plan wijzigt het omgevingsplan gemeente Tiel in die zin dat na hoofdstuk 22 een hoofdstuk 22c Kanaalzone - Medel afronding 2 wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i,

j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in 1.4.

1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van de regels van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn

niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit plan.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk 22c zijn van toepassing op de locatie Kanaalzone - Medel afronding 2 waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer

NL.IMRO.0281.TAM03-va01.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 Van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij

het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het

Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit plan, tenzij hierna van

deze artikelen wordt afgeweken.

Artikel 3 Aanvullende begripsbepalingen

3.1 plan

Het TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22c, Kanaalzone - Medel afronding 2 van gemeente Tiel met identificatienummer NL.IMRO.0281.TAM03-va01 ;

3.2 TAM-omgevingsplan

De geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer

NL.IMRO.0281.TAM03-va01 met de bijbehorende regels;

3.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de planregels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

3.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

3.5 archeologisch onderzoek

onderzoek dat wordt verricht door een dienst, bedrijf of instelling dat werkt conform de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA);

3.6 archeologische waarde

de aan een gebied toegekende waarde in verband met de in dat gebied voorkomende (dan wel te verwachten) zichtbare en/of onzichtbare sporen van menselijke aanwezigheid of activiteit uit het verleden;

3.7 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

3.8 bebouwingspercentage

Een percentage dat aangeeft hoeveel van het oppervlak van een bestemmingsvlak door gebouwen mag worden ingenomen;

3.9 bedrijfsgebouw

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

3.10 bedrijfsmatige activiteiten

een activiteit, gericht op het bedrijfsmatig voortbrengen, vervaardigen, bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen dan wel het bedrijfsmatig verlenen van diensten, aan huis verbonden beroepen daaronder niet begrepen;

3.11 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

3.12 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

3.13 bodemverstoring

alle grondwerkzaamheden/activiteiten die een effect hebben op het voortbestaan van archeologische waarden of verwachtingen in de bodem;

3.14 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk;

3.15 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

3.16 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

3.17 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel;

3.18 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

3.19 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden;

3.20 consumentenvuurwerk

vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik;

3.21 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

3.22 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, met de daarbij behorende en daaraan ondergeschikte horeca;

3.23 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

3.24 kantoor

het bedrijfsmatig verlenen van diensten waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;

3.25 kunstwerk

een civieltechnisch bouwwerk, zoals sluizen, viaducten en dergelijke, met uitzondering van een beeldend kunstwerk, waaronder verstaan wordt een uiting van beeldende kunsten;

3.26 niet-zelfstandige kantoren

een kantoor als onderdeel van een bedrijf, dat andere bedrijfsactiviteiten als inkomstenbron heeft en waarvoor het kantoor uitsluitend een ondersteunende functie heeft;

3.27 normale onderhoudswerkzaamheden

werkzaamheden die regelmatig noodzakelijk zijn voor een goed beheer van de gronden en bouwwerken;

3.28 nutsvoorzieningen

Voorzieningen ten behoeve van het openbaar nut, zoals transformatorhuisjes, schakelhuisjes, duikers, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, etc;

3.29 overkapping

een bouwwerk op het erf van een gebouw of standplaats, dat strekt tot vergroting van het genot van het gebouw of de standplaats en dat, voor zover gebouwd vóór (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, geen tot de constructie zelf behorende wanden heeft en, voor zover gebouwd achter (het verlengde van) de voorgevel van een gebouw, maximaal drie wanden heeft waarvan maximaal twee tot de constructie behoren. In het kader van deze regels wordt onder overkappingen uitsluitend verstaan overkappingen die expliciet in de regels als zodanig zijn opgenomen;

3.30 professioneel vuurwerk

vuurwerk dat is bestemd voor gebruik door personenen met gespecialiseerde kennis en een vergunning, zoals bedoeld in de categorieën F3 en F4 van Richtlijn 2013/29/EU betreffende pyrotechnische artikelen;

3.31 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

3.32 recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van het bestemmingsvlak waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

3.33 staat van bedrijfsactiviteiten

de als Staat van Bedrijfsactiviteiten opgenomen standaard milieucategorisering van bedrijvigheid.

Artikel 4 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige

toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in m, m2 of m3 zijn uitgedrukt, voor zover

hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel.

4.1 De afstand tot een bouwperceelgrens

De kortste afstand van een bouwperceelgrens tot enig punt van het op dat bouwperceel voorkomend bouwwerk.

4.2 Het bebouwingspercentage

Een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het bouwperceel aangeeft dat maximaal met bouwwerken mag worden bebouwd.

4.3 De goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

4.4 De dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

4.5 De inhoud van een bouwwerk

Tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

4.6 De bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een overig bouwwerk met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

4.7 De horizontale diepte van een gebouw

De lengte van een gebouw, gemeten loodrecht vanaf de naar de weg gekeerde gevel.

4.8 De oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

4.9 Peil
  • a. Voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. Voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse van de hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
4.10 Ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouw-, c.q. bestemmingsgrenzen niet meer dan 1 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 Specifieke regels over functies en activiteiten

Artikel 5 Bedrijventerrein

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bedrijventerrein' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. bedrijfsmatige activiteiten in de categorieën 3.1 en 3.2 van de van deze regels deeluitmakende Staat van bedrijfsactiviteiten ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2';

met inachtneming van het volgende:

    • 1. bedrijven ten behoeve van de opslag van:
      • professioneel vuurwerk zijn niet toegestaan;
      • consumentenvuurwerk zijn toegestaan mits de veiligheidsafstand zoals bedoeld in het Vuurwerkbesluit binnen het eigen bouwperceel valt, dan wel uitsluitend over openbaar gebied, waar geen kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten aanwezig zijn, dan wel mogen worden gerealiseerd, is gelegen;
    • 2. risicovolle inrichtingen zijn niet toegestaan;
    • 3. de oppervlakte van een bouwperceel bedraagt minimaal 3 hectare;

met daaraan ondergeschikt:

  • b. detailhandel als nevenactiviteit;
  • c. bij de onder a genoemde functies behorende ondergeschikte kantoren tot een maximum van 1.500 m2 b.v.o.;
  • d. wegen en paden;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder waterpartijen en waterlopen;

met de daarbij behorende:

  • i. tuinen, erven en terreinen;
  • j. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. gebouwen mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' is weergegeven;
  • c. voor zover een bebouwingspercentage is opgenomen, mag de gezamenlijke oppervlakte van bebouwing niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bebouwingspercentage';
  • d. de afstand van gebouwen tot de zijdelingse en achterste bouwperceelgrens bedraagt minimaal 5 m.
5.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van vlaggenmasten en lichtmasten mag niet meer dan 6 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 2 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag binnen het bouwvlak niet meer dan de maximaal toegestane bouwhoogte voor gebouwen bedragen;
  • d. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag buiten het bouwvlak niet meer dan 3,5 m bedragen.
5.2.3 Voorwaardelijke verplichting lichtplan
  • a. Een omgevingsvergunning voor de in artikel 5.1 sub a. genoemde activiteiten kan alleen worden verleend indien een lichtplan wordt overlegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit de richtlijnen voor lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (omgevingszones E2 en/of E4), Deel 3 Aanstraling van gebouwen en objecten buiten (HI-105)[A2];
  • b. Het gebruik van gronden overeenkomstig artikel 5 is alleen toegestaan indien een lichtplan wordt overlegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit de richtlijnen voor lichthinder van de Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (omgevingszones E2 en/of E4), Deel 3 Aanstraling van gebouwen en objecten buiten (HI-105)[A2].
5.3 Afwijken van bouwregels
  • a. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2.1 sub a. en kan worden toegestaan dat een gebouw wordt gebouwd buiten het bouwvlak, waarvan de maximum hoogte niet meer mag bedragen dan de maximum hoogte in het aangrenzende bouwvlak, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de waterhuishoudkundige situatie;
    • 5. de milieusituatie; en
    • 6. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
  • b. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2.1 sub b. voor het overschrijden van de toegestane bouwhoogte ten behoeve van een schoorsteen en andere ondergeschikte technische installaties, mits:
    • 1. de bouwhoogte maximaal 3 keer de toegestane bouwhoogte van bedrijfsgebouwen ter plaatse bedraagt;
    • 2. de doorsnede, gemeten boven de ter plaatse toegestane bouwhoogte van gebouwen, maximaal 3 m bedraagt;
    • 3. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld.
  • c. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2.2 sub a. en een bouwhoogte worden toegestaan tot maximaal 15 m, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de (woon)situatie van de (woon)omgeving.
  • d. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.2.2 sub d. en een bouwhoogte worden toegestaan tot maximaal de maximum hoogte van gebouwen op het bouwperceel voor een overig bouwwerk, geen gebouw zijnde, mits geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. het straat- en bebouwingsbeeld;
    • 2. de verkeersveiligheid;
    • 3. de sociale veiligheid;
    • 4. de milieusituatie; en
    • 5. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.
  • e. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaald in artikel 5.1 sub a. onder 3 voor het toestaan van bouwpercelen kleiner dan 3 hectare, tot een maximum van 15% van het uitgeefbaar gebied.
5.4 Specifieke gebruiksregels
5.4.1 Strijdig gebruik

Onder gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gebouwen en gronden als zelfstandige kantoren en het gebruik van gebouwen en gronden ten behoeve van detailhandel, anders dan als nevenactiviteit.

5.4.2 Opslag

Opslag is uitsluitend toegestaan voor opslag van materialen of goederen, met dien verstande dat:

  • a. opslag uitsluitend is toegestaan achter de naar de wegzijde gekeerde (voorste) bouwgrens of het denkbeeldige verlengde daarvan;
  • b. de hoogte van opslag mag niet meer dan 2 m bedragen;
  • c. de afstand van opslag tot de zijdelingse bouwperceelgrens bedraagt minimaal 6 m.
5.4.3 Uitsluiting kwetsbare groepen

Onder gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan het gebruik van gronden of gebouwen ten behoeve van een functie voor groepen verminderd of niet-zelfredzame personen (bijvoorbeeld een kinderdagverblijf).

5.4.4 Gastransportnet

Bedrijven als bedoeld in artikel 5.1 mogen niet aansluiten op het gastransportnet zoals bedoeld in de Gaswet.

5.4.5 Voorwaardelijke verplichting water

De bouw en ingebruikname van een bedrijventerrein op de gronden met de functieaanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – waterberging' overeenkomstig de in artikel 5.1 opgenomen bestemmingsomschrijving is alleen toegestaan indien binnen het zoekgebied, zoals met groen weergegeven op de kaart zoals opgenomen in Bijlage 2 van de regels, 188 m3 additionele waterberging voor hemelwater is gerealiseerd met een wateroppervlakte van 940 m2.

5.4.6 Geluidwaarden

Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf – geluid' geldt dat de activiteiten van het ter plaatse aanwezige bedrijf op een geluidgevoelig gebouw moeten voldoen aan de waarden zoals opgenomen in onderstaande tabel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0281.TAM03-va01_0006.png"

5.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.1 sub a. voor een bedrijf in een categorie hoger dan de maximaal toegestane categorie, alsmede voor bedrijven die niet zijn opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, mits deze bedrijfsactiviteiten qua hinder en overlast voor de omgeving - blijkens een door aanvrager te overleggen onafhankelijk deskundig onderzoeksrapport - gelijkgesteld kan worden met een bedrijf in de toegestane categorie en mits is aangetoond dat de emissie NOx én de emissie NH3 afkomstig vanuit de bedrijfsactiviteiten met uitzondering van het bezoekende verkeer door het gebruik van de betreffende gronden en bouwwerken maximaal 49,9 kg NOx per ha per jaar en maximaal 6,0 kg NH3 per ha per jaar bedraagt;
  • b. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.1 sub a. onder 2 voor het toestaan van een risicovolle inrichting, mits dat uit het oogpunt van externe veiligheid mogelijk is, waarbij geldt dat:
    • 1. de contour voor het plaatsgebonden risico van 10-6/jaar vanwege de inrichting de grens van het bouwperceel niet mag overschrijden, met dien verstande dat deze bepaling niet geldt voor zover de overschrijding betrekking heeft op de bestemmingen 'Groen' en 'Water';
    • 2. het brandaandachtsgebied, het explosieaandachtsgebied en het gifwolkaandachtsgebied de grens van het bouwperceel niet mag overschrijden met dien verstande dat deze bepaling niet geldt voor zover de overschrijding betrekking heeft op de bestemmingen 'Groen', 'Verkeer' of 'Water';
  • c. Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 5.4.2 sub c. voor het toestaan van opslag op minder dan 6 m van de zijdelingse bouwperceelsgrens mits er in elk geval geen bezwaren bestaan vanuit het oogpunt van brandveiligheid en bereikbaarheid.

Artikel 6 Groen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder waterpartijen en waterlopen;
  • c. ontsluitingen en parkeervoorzieningen ten behoeve van aanliggende bedrijven;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. beeldende kunstwerken;
  • e. nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • f. paden en bruggetjes;
  • g. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen

Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ten behoeve van de in lid 6.1 sub e. genoemde functies en hiervoor gelden de volgende regels:

  • a. de inhoud van gebouwen mag niet meer dan 50 m3 bedragen;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer dan 3 meter bedragen.

6.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen mag niet meer dan 1 m bedragen;
  • b. de bouwhoogte van speelvoorzieningen mag niet meer dan 6 m bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 3,5 m bedragen.

Artikel 7 Water

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. waterhuishoudkundige doeleinden, waaronder waterpartijen en waterlopen;
  • b. het verkeer te water;
  • c. recreatie te water;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. aanleggelegenheden;
  • e. taluds;
  • f. wegen en paden;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. speelvoorzieningen;
  • i. nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • j. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder bruggen, sluizen, dammen en/of duikers.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de inhoud van een gebouw mag per gebouw niet meer dan 50 m3 bedragen;
  • b. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer dan 3 m bedragen.
7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
  • a. Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte niet meer dan 6 m mag bedragen;
  • b. In afwijking van het bepaalde in sub a. zijn uitstekende delen van laad- en losvoorzieningen ten behoeve van aangrenzende bestemmingen toegestaan.

Hoofdstuk 3 Algemene regels over functies

Artikel 8 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 9 Algemene bouwregels

Indien een gebouw met een kap is afgedekt mag de dakhelling niet meer dan 65º bedragen.

Artikel 10 Algemene gebruiksregels

10.1 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden de in dit plan begrepen gronden en de daarop voorkomende bouwwerken te gebruiken of te laten gebruiken voor een doel of op een wijze strijdig met het in dit plan bepaalde.

10.2 Specifiek gebruiksverbod

Onder gebruik in strijd met alle bestemmingen wordt in ieder geval verstaan gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van prostitutie, tenzij dit gebruik middels deze regels is toegestaan.

10.3 Parkeren
10.3.1 Bouwregels
  • 1. De gronden zoals aangewezen in de verschillende bestemmingen mogen slechts worden bebouwd onder de voorwaarde dat op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede dat voor het laden en lossen van goederen voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein.
  • 2. Bij omgevingsvergunning om te bouwen wordt aan de hand van de nota ''Parkeernormen Tiel 2022" (in werking getreden op 1 januari 2022) bepaald of sprake is van voldoende parkeergelegenheid met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, aan de hand van die nieuwe beleidsregels wordt bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid.
10.3.2 Gebruiksregels

Als gebruik in strijd met het bestemmingsplan geldt het (veranderen van het) gebruik van gronden of bouwwerken, indien niet in voldoende mate parkeergelegenheid op eigen terrein wordt gerealiseerd en in stand wordt gehouden, alsmede voor het laden en lossen van goederen niet voldoende voorzieningen worden getroffen op eigen terrein, een en ander volgens de nota 'Parkeernormen Tiel 2022', met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, voldaan moet worden aan die nieuwe beleidsregels.

10.3.3 Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid

Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de artikelen 10.3.1 en 10.3.2 indien het voldoen aan die bepalingen door bijzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit en mits wordt voldaan aan de nota 'Parkeernormen Tiel 2022', met dien verstande dat indien voornoemde beleidsregels gedurende de planperiode worden gewijzigd, voldaan moet worden aan die nieuwe beleidsregels.

10.4 Borging interne saldering

Het gebruiken van gronden ten behoeve van de in hoofdstuk 2 toegelaten functies is uitsluitend toegestaan, indien de agrarische activiteiten (waaronder het bemesten) ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf - saldering' blijvend gestaakt is.

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

Bij omgevingsvergunning kan, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, worden afgeweken van:

  • a. de bestemmingsregels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of -intensiteit daartoe aanleiding geven;
  • b. de bestemmingsregels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft;
  • c. de bestemmingsregels ten aanzien van de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, en ten behoeve van zend-, ontvang- en/of sirenemasten, wordt vergroot tot niet meer dan 40,00 m;
  • d. het bepaalde ten aanzien van de maximum bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers en lichtkappen, mits:
    • 1. de oppervlakte van de verhoging niet meer dan 25% van de oppervlakte van het gebouw bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte niet meer dan 1,25 maal de maximum bouwhoogte van het betreffende gebouw bedraagt met een maximum van 4 m.

Artikel 12 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van gemeente Tiel, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 13 Waarde - Archeologisch monument

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Waarde - Archeologisch monument' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor doeleinden ter bescherming en veiligstelling van de archeologische waarden.

13.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en) mag niet worden gebouwd.

13.2.1 Vaststelling archeologische waarde

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning wordt door de aanvrager een rapport overlegd waarin de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag zullen worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate zijn vastgesteld.

13.2.2 Voorwaarden

Indien uit het archeologisch rapport zoals bedoeld onder 13.2.1 blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de bouwvergunning kunnen worden verstoord, verbinden burgemeester en wethouders een of meerdere van de volgende voorwaarden aan de omgevingsvergunning:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen.
13.2.3 Uitgezonderde bouwwerkzaamheden

Het onder 13.2.1 bepaalde is niet van toepassing in geval van een aanvraag om omgevingsvergunning voor:

  • a. de bouw van bouwwerken, waarbij geen grondwerk wordt verricht op een diepte van meer dan 0,30 meter onder het maaiveld;
  • b. een bouwwerk dat uitsluitend voor archeologisch onderzoek is bestemd.
13.2.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd nadere eisen te stellen ten aanzien van de situering, de inrichting en het gebruik van de gronden aangewezen voor 'Waarde - Archeologisch monument', indien uit onderzoek is gebleken dat ter plaatse archeologische waarden aanwezig zijn.

13.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
13.3.1 Verbod

Het is verboden op of in de als 'Waarde - Archeologisch monument' aangewezen gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning vanaf een diepte van 30 cm onder maaiveld de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het tot stand brengen of in exploitatie nemen van boor- en pompputten;
  • b. het ontginnen, het ophogen, het egaliseren en het vergraven;
  • c. het bodemverlagen en het afgraven;
  • d. het aanleggen en verbreden van sloten, vijvers en andere watergangen;
  • e. het scheuren van grasland anders dan ten behoeve van het inzaaien van gras;
  • f. het verlagen of verhogen van het grondwaterpeil;
  • g. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie- en andere leidingen en daarmee verband houdende constructies;
  • h. het bebossen van gronden of aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplanting;
  • i. het rooien van bos of boomgaarden;
  • j. het aanleggen, verbreden en (half)verharden van wegen en paden en andere oppervlakte-verhardingen;
  • k. het uitvoeren van heiwerken en/of het indrijven van scherpe voorwerpen in de bodem.
13.3.2 Uitgezonderde werkzaamheden

Het verbod als bedoeld in lid 13.3.1 is niet van toepassing voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en beheer betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip waarop het plan rechtskracht verkrijgt;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een verleende vergunning.
13.3.3 Omgevingsvergunning
  • a. indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond, dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden niet onevenredig (kunnen) worden geschaad;
  • b. In afwijking van a. kan het bevoegd gezag de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.3.1 verlenen, indien bij een aanvraag door de aanvrager een rapport wordt overlegd waaruit blijkt dat:
    • 1. de werkzaamheden onder geen enkele omstandigeheid elders kunnen worden gerealiseerd en
    • 2. de werkzaamheden van uitzonderlijke maatschappelijk belang zijn en/of
    • 3. de werkzaamheden dienen te worden uitgevoerd vanwege de algemene veiligheid.
13.3.4 Vaststelling archeologische waarde

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.3.1 kan slechts worden verleend indien de aanvrager een rapport heeft overlegd, waarmee is aangetoond dat de archeologische waarde van het terrein naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is veiliggesteld.

13.3.5 Voorwaarden

Het bevoegd gezag kan aan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 13.3.1 een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische monumenten in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting tot het doen van opgravingen, of;
  • c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de omgevingsvergunning te stellen kwalificaties.