direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Armgardstraat 2a Doesburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het initiatief

Conform de uitgangspunten uit de vastgestelde strategische koers en het uitvoeringsprogramma vastgoed Doesburg is de gymzaal aan de Armgardstraat medio 2021 buiten gebruik gesteld. De gymzaal wordt gesloopt en er wordt een nieuw wooncomplex gebouwd waar ook een bepaalde mate van zorg geboden kan worden.

Omdat deze ontwikkeling niet past in het omgevingsplan van de gemeente Doesburg maar dit initiatief wel wenselijk is, wordt middels voorliggende wijziging van het omgevingsplan (middels TAM-IMRO) medewerking verleend aan de voorgenomen activiteit. In dit document wordt toegelicht waarom er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (etfal) conform de Omgevingswet.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Armgardstraat 2a in de bebouwde kom van Doesburg. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01_0002.png"

Globale ligging plangebied in omgeving (bron: OpenStreetMap)

1.3 Het tijdelijke omgevingsplan

De gemeente Doesburg beschikt nog niet over een omgevingsplan dat is opgesteld op grond van de Omgevingswet. Daarom is voorliggend initiatief getoetst aan het geldende, tijdelijke deel van het omgevingsplan. Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Molenveld en De Ooi' vastgesteld op 30 maart 2017 door de raad van de gemeente Doesburg.

Het plangebied heeft de bestemming 'Sport'. Op het perceel is een bouwvlak aanwezig, de maximaal toegestane goot- en bouwhoogte is 7 meter. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van het bestemmingsplan opgenomen met het plangebied rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01_0003.png"

Uitsnede bestemmingsplan "Buitengebied Doesburg" (bron: omgevingswet.overheid.nl)

Naast het bestemmingsplan Buitengebied gelden hier ook de bestemmingsplannen:

  • Archeologie Doesburg 2009 (vastgesteld d.d. 28-01-2010)
  • Parapluplan parkeren (vastgesteld d.d. 28-06-2018)

Strijdigheden initiatief in relatie tot omgevingsplan

Het perceel wat nu de bestemming Sport heeft zal in de toekomst herontwikkeld worden naar een woonzorgfunctie. Dit kan niet binnen de regels op grond van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. Voorliggend TAM-omgevingsplan is opgesteld om de bouw van woningen mogelijk te maken.

1.4 Leeswijzer

Deze motivering gaat in op dat deel van het besluit waar het gaat over een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Hoofdstuk 2 geeft de beschrijving van de huidige situatie, gevolgd door een beschrijving van de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 gaat in het relevante beleid van Rijk, provincie, regio en gemeente. In hoofdstuk 4 wordt getoetst aan aspecten m.b.t. de fysieke leefomgeving. In hoofdstuk 5 volgt de juridische planbeschrijving. Daarna wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de uitvoerbaarheid.

Alléén relevante onderwerpen

Deze motivering gaat in lijn met de Memorie van Toelichting van de Omgevingswet, in op de regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor het project, het effect van het project op de omgeving. Onderwerpen die niet relevant zijn worden dientengevolge niet behandeld. Deze zijn daarmee niet vergeten noch onbelangrijk, maar slechts niet relevant voor het besluit.

Hoofdstuk 2 Gebiedsvisie

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied is gelegen in Doesburg aan de Armgardstraat 2a. In de omgeving van het plangebied bevinden zich voornamelijk woningen. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een kantoorpand. Ter plekke staat een gymzaal. Deze gymzaal is sinds 2021 niet meer in gebruik. Onderstaand een luchtfoto van de gymzaal.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01_0004.png"

Luchtfoto van het plangebied waarbij het plangebied rood is omkaderd (bron: Pdok)

2.2 Toekomstige situatie

In de toekomstige situatie wordt de gymzaal gesloopt waarna de locatie herontwikkeld wordt tot een wooncomplex waar ook een bepaalde mate van zorg geboden kan worden. In de Woonzorgwelzijnsvisie is aangegeven dat er in Doesburg behoefte is aan deze woonvorm (zie paragraaf 3.3.2) .

Om inzicht te krijgen in de mogelijkheden op het perceel zijn stedenbouwkundige uitgangspunten opgesteld voor de herontwikkeling van de locatie. Op basis van de structuur van de locatie en de omgeving worden zijn de stedenbouwkundige randvoorwaarden aan de ontwikkeling gesteld. Deze zijn:

  • Het woonzorggebouw moet in één bouwmassa gerealiseerd worden;
  • Maximaal 3 bouwlagen;
  • Parkeren achter op het eigen terrein;
  • De rooilijn van de nieuwe bebouwing loopt gelijk aan de zijgevels van de woningen aan de Van Ubelstraat (verder naar achteren mag ook, maar niet dichter op de Armgardstraat);
  • Bestaand groen zo veel mogelijk behouden;
  • Ontsluiting via de Armgardstraat.

Het bouwvolume (oppervlakte en hoogte) is vastgelegd, maar daarbinnen is het aantal te realiseren appartementen/studio's en de grootte ervan vrij. Bij studio's van ca. 30 m2 kunnen maximaal ca. 22 wooneenheden worden gerealiseerd. Als de appartementen iets groter worden, of er wordt bijvoorbeeld een gezamenlijke huiskamer in het plan opgenomen, neemt het aantal appartementen af. Binnen het bouwvolume zijn bijvoorbeeld ook 14 appartementen van 60 m² mogelijk.

Daarnaast speelt de parkeernorm een rol in het aantal wooneenheden dat gerealiseerd kan worden. Het parkeren moet worden ingericht op eigen terrein (zie ook paragraaf 4.1 Verkeer & Parkeren).

Onderstaande afbeeldingen geven een idee van een mogelijke inrichting van het plangebied. Later, bij de uitwerking in een omgevingsvergunningaanvraag voor het bouwen zal het definitieve (eind)plan uitgewerkt worden, passend binnen de kaders die in dit stuk neergelegd zijn.

Bij onderstaande voorstellen is ook rekening gehouden met de afstanden tot omliggende woningen. De woningen aan Loddero aan de westkant van het plangebied hebben achtertuinen tot wel 30 meter diep en een garage/bijgebouw aan het achterpad staan. Aan de oostzijde bedraagt de afstand tussen de bestaande woningen aan de Van Ubelstraat en het nieuwe woongebouw meer dan 20 meter. Deze afstanden zijn groot genoeg om onevenredige schaduwwerking te voorkomen en de privacy van omliggende woningen te waarborgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01_0005.png"

Voorstel: 14 appartementen van 50 m² in 3 bouwlagen, waarvan max. 4 appartementen op de 3e bouwlaag, bergingen inpandig (ontwerp: Buro SRO)

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01_0006.png"

Voorstel: 22 studio's van 30 m² in drie bouwlagen, waarvan 6 op de 3e bouwlaag en gezamenlijke, inpandige berging en16 parkeerplaatsen (ontwerp: Buro SRO)

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01_0007.png"

Voorbeeldinrichting (ontwerp: Buro SRO)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan beleid en regelgeving. Er wordt ingegaan op geldend beleid en regelgeving op Rijks-, provinciaal-, regionaal en gemeentelijk niveau. Vervolgens wordt het beoogde initiatief daaraan getoetst.

3.1 Rijksbeleid en rijksregels

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Per februari 2021 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) van kracht. De NOVI biedt een langetermijnperspectief op de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland tot 2050. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van Nederland de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving.

Met de NOVI benoemt het Rijk nationale belangen, geeft het richting op de vier prioriteiten en helpt keuzes maken waar dat moet. Want niet alles kan overal. Deze visie is ontwikkeld in nauwe samenwerking met provincies, gemeenten, waterschappen, maatschappelijke instellingen en burgers.

Gebiedsgericht

De NOVI benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen.

3.1.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan regels over omgevingswaarden, instructieregels, beoordelingsregels en regels voor monitoring. Het Bkl geldt voor het Rijk en decentrale overheden en heeft geen directe uitwerking op de fysieke leefomgeving. Bij een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moeten de verschillende instructieregels en geformuleerde omgevingswaarden in acht genomen worden.

Het gaat hierbij over de instructieregels met het oog op:

  • 1. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties;
  • 2. Het behoud van werelderfgoed en cultureel erfgoed;
  • 3. Natuurbescherming.

Daarnaast gaat het om de volgende omgevingswaarden

  • 4. Veiligheid primaire waterkeringen;
  • 5. Veiligheid andere dan primaire waterkeringen in beheer bij het Rijk;
  • 6. Kwaliteit van de buitenlucht;
  • 7. Waterkwaliteit;
  • 8. Kwaliteit van de zwemlocatie.

Artikel 5.129g van het Bkl bepaalt dat de Ladder betrekking heeft op een stedelijke ontwikkeling die voldoende substantieel is. De aard en omvang van het woningbouwplan in relatie met de omgeving bepaalt of het plan voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Laddertoets moet alleen worden uitgevoerd wanneer de stedelijke ontwikkeling 'nieuw' is.

3.1.3 Toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Het plangebied ligt niet in één van de aangewezen beschermde gebieden uit de NOVI of het Bkl. Het initiatief heeft daarmee op voorhand geen effect op één of meerdere aspecten met een nationaal ruimtelijk belang.

Voor de Laddertoets wordt verwezen naar Paragraaf 4.13 waar onderbouwd wordt of er sprake is van zorgvuldig ruimtegebruik.

De toetsing aan de eventueel van toepassing zijnde omgevingswaarden vindt plaats in hoofdstuk 4.

3.2 Provinciaal beleid en provinciale regels

3.2.1 Provinciale omgevingsvisie

Omgevingsvisie Gaaf Gelderland

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland (december 2018) staan de hoofdlijnen van het provinciale ruimtelijk beleid. De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland gaat in de breedte over het beleid van de provincie voor de fysieke leefomgeving. De visie integreert een vijftal beleidsterreinen: ruimte, natuur, water, milieu en verkeer en vervoer.

De provincie wil de focus leggen op een duurzaam, verbonden en een economisch krachtig Gelderland. Door daarin te investeren wil de provincie werken aan een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. Om dat te bereiken wordt de focus gelegd op zeven ambities op het gebied van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, vestigingsklimaat en woon- en leefomgeving. Deze ambities worden hieronder kort samengevat:

  • Een versnelde energietransitie, gericht op forse vergroting van het aandeel duurzame energie en passend bij de Gelderse kwaliteiten;
  • Een op de toekomst toegerust beschermend klimaatbeleid;
  • Een voortvarend en innovatief circulair beleid;
  • Een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit;
  • Efficiënte, duurzame en innovatieve bereikbaarheid, toegesneden op de veranderende vraag;
  • Een duurzaam, dynamisch en toegankelijk economisch vestigingsklimaat, waar voor ondernemers en inwoners een sterke aantrekkingskracht vanuit gaat;
  • Een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen.

Naast deze zeven ambities blijft het beleid uit de Omgevingsvisie uit 2014 gelden. Het gaat om de aanwijzing van functies van regionale oppervlaktewateren, van gebieden waar milieukwaliteit bijzondere bescherming behoeft, van Natura 2000-gebieden en van bijzondere natuurgebieden.

3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Op 24 september 2014 is door Provinciale Staten van Gelderland de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Deze wordt regelmatig op onderdelen is geactualiseerd. De Omgevingsverordening is een uitwerking van de Omgevingsvisie en stelt regels waaraan ruimtelijke plannen moeten voldoen.

De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van instructieregels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen uit het Bkl.

Klimaatadaptatie

De provinciale omgevingsverordening bevat de instructieregel klimaatadaptie (artikel 5.85). Voor zover een plan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, moet op basis van deze instructieregel de onderbouwing een beschrijving bevatten van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. In die beschrijving moeten in ieder geval de volgende aspecten worden betrokken: waterveiligheid, wateroverlast, droogte en hitte. In paragraaf 4.12 is invulling gegeven aan de wijze waarop in dit plan is omgegaan met het voorkomen en/of beperken van de risico's van klimaatverandering.

3.2.3 Toetsing van het initiatief aan het provinciale beleid

Voorliggend plan betreft het herontwikkelen van een plangebied met een gymzaal naar een woonbestemming met een maatschappelijke component. Dit past binnen het beleid voor zuinig ruimtegebruik; het herbenutten van vrijkomende locaties binnen stedelijk gebied. De omgevingsvisie of -verordening stellen verder geen specifieke eisen aan de locatie.

De activiteit past binnen het beleid en regels van de provincie Gelderland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Doesburg 2030

De ruimtelijke hoofdstructuren binnen de gemeente Doesburg zijn reeds uitgekristalliseerd. Hierin zullen tot 2030 geen grote wijzigingen plaatsvinden. Binnen de hoofdstructuur liggen echter nog diverse mogelijkheden en opgaven voor verbetering en verduurzaming. Kern van de structuurvisie is dan ook het verbeteren en verduurzamen van locaties in en om de stad Doesburg rond de thema's wonen, werken, voorzieningen en recreëren. De structuurvisie richt zich voornamelijk op een tiental specifieke locaties, waarvoor specifieke doelen zijn benoemd. De structuurvisie is vastgesteld in 2016.

3.3.2 Woonzorgwelzijnvisie Doesburg 2024-2028

De gemeenteraad van Doesburg heeft in zijn vergadering van 4 juli 2024 de Woonzorgwelzijnvisie Doesburg 2024-2028 vastgesteld. De bevolking van Doesburg vergrijst en ontgroent sterker dan het landelijk gemiddelde. De verwachting is dat in de periode tot 2040 het aantal 75-plussers in de gemeente verdubbelt. Daarmee neemt ook de zorgvraag toe; zorg die geleverd moet worden vanuit verpleeghuizen en aan huis. Naast een groeiende vraag naar geclusterd wonen voor ouderen zal ook de vraag naar geclusterde woningen met zware (Wlz-)zorg groeien. Idealiter zou onze bestaande capaciteit aan verpleeghuisplaatsen tot 2040 verdubbeld moeten worden.

De visie laat dan ook zien dat de gemeente, naast goede levensloopbestendige woningen voor ouderen, ook de taak heeft om te zorgen voor voldoende geschikte woningen voor mensen met een verstandelijke en/of lichamelijke beperking. Ook zal aandacht uitgaan naar mensen met psychische problematiek die uitstromen uit een beschermde woonvoorziening, én naar kwetsbare jongeren die moeite hebben geheel zelfstandig te wonen en soms uit een jeugdverblijfsvoorziening komen. Voor al deze groepen is de woonomgeving en de mogelijkheden voor ondersteuning (professioneel en informeel) cruciaal.

Doelgroepen

Op basis van het behoefteonderzoek uit de Woonzorgwelzijnvisie zijn er twee doelgroepen waar specifiek behoefte is aan uitbreiding van het woonaanbod. Dat betreft woonruimte voor mensen met een verstandelijke beperking en beschermd wonen.

De woonvormen van de doelgroep Verstandelijk Gehandicaptenzorg (VG) lopen uiteen van groepswonen en thuiswonen tot studio's en appartementen in geclusterde of gespikkelde vorm. Deze doelgroep heeft “levenslang en levensbreed” ondersteuning nodig, thuis of in een zorginstelling en blijkt doorgaans graag te willen wonen in kleine overzichtelijke kamerappartementen met eigen voorzieningen (badkamer, WC, keukenblok). Een ruime studio met eigen voorzieningen volstaat daarbij vaak ook. Deze eigen voorzieningen geeft hun het gevoel van zelfstandigheid en het biedt de mogelijkheid om er meer een eigen ritme op na te houden. Bij zwaardere zorg- of ondersteuningsvragen woont hij/zij in een zorginstelling.; dat zijn mensen die “levenslang en levensbreed” ondersteuning nodig hebben, thuis of in een zorginstelling.

In Doesburg is op dit moment beperkt woonaanbod voor deze doelgroep beschikbaar. In het behoefteonderzoek wordt gesproken over het toevoegen van 40 tot 60 plaatsen tot 2040, waarvan 30 tot 40 in geclusterde vorm.

Naast behoefte aan woonruimte voor mensen met een verstandelijke beperking, is er behoefte aan woonruimten voor mensen die niet zelfstandig kunnen wonen vanwege psychische en/of psychosociale problematiek. Hiervoor bestaat de woonvorm Beschermd Wonen (BW). Mensen die in een voorziening voor BW wonen hebben vaak intensievere begeleiding nodig die valt onder de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De meeste BW-cliënten geven de voorkeur aan een eigen appartement met aparte slaapkamer en sanitaire voorziening.

In Doesburg gaat het nu om slechts een enkele bewoner met een BW-indicatie. Verwachting is dat, als gevolg van gewijzigde regelgeving rondom BW en financiering, Doesburgse ingezetenen die nu in centrumgemeente Arnhem verblijven naar Doesburg zullen terugkeren. Een voor Doesburg doorgerekend scenario laat zien dat het huidige aantal van BW-plekken gestaag zal groeien naar 30 in 2040.

3.3.3 Nota ruimtelijke kwaliteit Doesburg 2017

De Nota ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Doesburg vormt de basis voor het kwaliteitsbeeld van de gemeente voor de publieke ruimte. Binnen deze Nota wordt onderscheid gemaakt tussen verschillende deelgebieden in de kern. Het plangebied valt in het deelgebied "Molenvelden". Hieronder worden de algemene ambities en ambities voor de straten en bebouwing opgesomd.

Het stratenpatroon van het Zuidelijk Molenveld heeft een traditionele stedenbouwkundige opzet met korte straatjes, die samenkomen op kleine pleintjes of plantsoenen. De kernkwaliteiten van het gebied zijn:

  • Knus wonen aan straatjes dichtbij de oude stad
  • Wijk omgeven door monumentaal groen
  • Kraakselaan als historische route
  • Mix aan voorzieningen in de wijk
3.3.4 Strategische Koers Vastgoed

In 2020 heeft de gemeente Doesburg een Strategische Koers Vastgoed vastgesteld, waarin een afwegingskader is gemaakt hoe beleidsmatig en financieel afwegingen gemaakt kunnen worden rondom gebouwen en benodigde investeringen. De publieke functies waren daarbij nog verspreid over de stad en niet voldoende bereikbaar en toegankelijk.

3.3.5 Toetsing van het initiatief aan het gemeentelijk beleid

De ontwikkeling is niet opgenomen in de Structuurvisie Doesburg, omdat destijds (in 2016) de sluiting van de gymzaal nog niet was voorzien. Naar aanleiding van de Strategische Koers Vastgoed is de gymzaal buiten gebruik gesteld. Uit de Woonzorgwelzijnsvisie komt de behoefte aan woon-zorgfuncties naar voren. De locatie aan de Armgardstraat wordt daarvoor geschikt geacht.

Met de herontwikkeling krijgt deze binnenstedelijke locatie een nieuwe invulling, zonder hierbij de kernkwaliteiten van het gebied aan te tasten. De ontwikkeling past binnen de doelstellingen en het beleid van de gemeente.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt inzicht gegeven in de aspecten die samen bepalend zijn voor de vraag of met de voorgenomen ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ontstaat en behouden blijft voor nu en in de toekomst.

4.1 Verkeer & Parkeren

Een ruimtelijke ontwikkeling zorgt vaak voor een verandering van het aantal verkeersbewegingen. Bij het toelaten van een nieuwe functie moet daarom worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto's (en evt. ook fietsen en/of scooters). Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn.

De gemeente stelt parkeerbeleid op met daarin parkeernormen waaraan nieuwe ontwikkelingen moeten voldoen. De activiteit dient dus aan het gemeentelijk beleid getoetst te worden.

Planspecifiek

Verkeersgeneratie

De verkeersaantrekkende werking neemt door voorliggend plan (planologisch) beperkt toe. De exacte toename van verkeerbewegingen is afhankelijk van de uiteindelijke invulling van het plangebied. De onderstaande tabel geeft een indicatie van verkeersaantrekkende bewegingen voor invullingen met verschillende woningtypen.

Woningtype   Verkeersbewegingen (mvt/etmaal)   Aantal woningen   Totaal aantal mvt/etmaal  
Koop, appartement, <75 m2   4,9   14   69  
Huur, appartement, vrije sector, <75 m2   3,1   14   44  
Huur, appartement, sociale huur <75m2   2,7   14   38  
Huur, studio, <30 m2   1,7   22   38  
Aanleunwoning   2,5   22   55  
Verpleeg- en verzorgingstehuis   2,5   22   55  

Berekende verkeersgeneratie voor verschillende woningtypen op basis van Parkeerkencijfers 2024 (CROW)

Dit komt neer op een maximale verkeersgeneratie van 69 verkeersbewegingen per dag. Het plangebied wordt ontsloten via de Armgardstraat en vanaf daar vervolgt het verkeer zijn weg via de Molenveldsingel, Loddero of de Van Brakellaan. Deze wegen hebben voldoende capaciteit om het verkeer te verwerken.

Ter vergelijking: volgens de Parkeerkencijfers 2024 van het CROW bedraagt de verkeersgeneratie van een sportzaal ca. 8,3 verkeersbewegingen per 100 m² bvo (bruto vloeroppervlak). De gymzaal heeft een bebouwd oppervlak van ca. 480 m², wat neerkomt op ca. 40 verkeersbewegingen per etmaal, die met voorliggende ontwikkeling vervallen.

Parkeren

Als gevolg van het initiatief neemt ook de vraag naar parkeervoorzieningen in het plangebied toe. De gemeente Doesburg hanteert parkeernormen voor verschillende woningtypen, zoals weergegeven in de tabel hieronder. Het exact aantal parkeerplaatsen dat nodig is binnen het gebied hangt af van de definitieve invulling van het gebied. De onderstaande tabel geeft een indicatie van de benodigde parkeerplaatsen voor verschillende invullingen.

Dit komt neer op een maximaal aantal parkeerplaatsen van 21. In deze parkeerbehoefte kan op eigen terrein voorzien worden, zie daartoe de voorbeelduitwerkingen in par. 2.2.

Woningtype   Parkeernorm   *waarvan bezoekers   Aantal woningen   Aantal parkeerplaatsen  
Koop, appartement, <75 m2   1,5   0,2   14   21  
Huur, appartement, vrije sector, <75 m2   1,1   0,2   14   16  
Huur, appartement, sociale huur <75m2   1,0   0,2   14   14  
Huur, studio, <30 m2   0,7   0,2   22   16  
Aanleunwoning   0,8   0,2   14   12  
Verpleeg- en verzorgingstehuis   0,6   0,4   22   14  

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in Paragraaf 4.15.

4.2 Bodem

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn er voor het aspect bodemkwaliteit instructieregels opgenomen in het Bkl. De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • de bodem te beschermen tegen nieuwe verontreinigingen en aantastingen;
  • te zorgen voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • de resterende historische verontreinigingen en aantastingen duurzaam en doelmatig te beheren.

Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast (bodemkwaliteitskaart) en neemt dit op in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

Planspecifiek

Er is in dit geval sprake van de voorgenomen bouw van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. Er is ten behoeve van voorliggende ontwikkeling een voorafgaand bodemonderzoek uitgevoerd, opgenomen in bijlage 2. Uit de resultaten van het onderzoek komt naar voren dat er onder een asfaltlaagje sprake is van een plaatselijke verontreiniging naar voren met minerale olie en PAK tot boven de interventiewaarde bodemkwaliteit. Een nader bodemonderzoek moet vaststellen of sprake is van overschrijding de toelaatbare kwaliteit en in welke omvang.

Het nader bodemonderzoek is opgenomen in bijlage 7. Omdat bij het nader onderzoek geen gehalten voor PAK en minerale olie meer zijn aangetoond boven de interventiewaarde bodemkwaliteit is de conclusie dat er geen sprake is van overschrijding van de toelaatbare kwaliteit bodem (en daarmee geen saneringsnoodzaak).

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in Paragraaf 4.15.

4.3 Geluid

Veel functies in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid. Ze maken geluid of ze worden eraan blootgesteld. De regels van het Bkl over geluid gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige functies. In het Bkl zijn instructieregels opgenomen hoe om te gaan met geluid m.b.t. geluidgevoelige functies en stiltegebieden. Bij geluidgevoelige functies gaat het om gebouwen ten behoeve van functies zoals wonen, onderwijs of zorg. Voor andere gebouwen (functies) of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In de bruidsschat is het onderdeel geluid geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig functie die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden).

Het Bkl bevat standaardwaarden en grenswaarden voor geluid en staan in de volgende tabel.

Geluidbronsoort   Standaardwaarde, in dB.   Grenswaarde, in dB.  
Rijks- en provinciale wegen. In Lden   50   60  
Gemeente- en waterschapswegen. In Lden   53   70  
Hoofd- en lokale spoorwegen. In Lden   55   65  
Industrieterrein   Lden   50   55  
  Lnight   40   45  

Standaardwaarde en grenswaarde op de gevel van een geluidgevoelig gebouw bij toelaten geluidbron, Tabel 3.34 en.3.35 Bkl

Het bevoegd gezag moet voorzien in een aanvaardbaar geluidsniveau door een lokale (spoor)weg op een geluidgevoelig gebouw (artikel 5.78l, lid 2 Bkl). De kans op gezondheidsschade is klein als het geluid voldoet aan de standaardwaarde. Minder geluid dan de standaardwaarde of het geluid op het tijdstip van de wijziging van het omgevingsplan, is aanvaardbaar (artikel 5.78m, lid 1 en lid 2 Bkl). Het bevoegd gezag mag meer geluid dan de standaardwaarde als aanvaardbaar beoordelen. Het besluit moet dan voldoen aan de eisen uit de instructieregels (artikelen 5.78m tot en met 5.78q Bkl). Op grond van artikel 5.78, lid 3 Bkl bepaalt het omgevingsplan dat de waarden gelden:

  • op een aangewezen geluidgevoelig gebouw:
    • 1. op de gevel, als het gaat om een aanwezig geluidgevoelig gebouw
    • 2. op de locatie waar een gevel mag komen, als het gaat om een nieuw te bouwen geluidgevoelig gebouw
  • op de begrenzing van de locatie voor het plaatsen van een woonschip of woonwagen
  • in geval van een binnenwaarde, in een geluidgevoelige ruimte.

De geluidsregels van het Bkl zijn alleen van toepassing bij het realiseren van geluidgevoelige functies binnen een geluidsaandachtsgebied. Dit omvang van dit aandachtsgebied is afhankelijk van de verkeerdrukte, rijsnelheid, afstand van de locatie tot de weg en eventuele afschermende bebouwing.

Geluidsaandachtsgebied   Breedte (m)  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid 30 km/u of minder   100  
Weg bestaande uit 1 of 2 rijstroken, snelheid meer dan 30 km/u   200  
Weg bestaande uit 3 of meer rijstroken   350  
Lokale spoorweg bestaande uit 1 of 2 sporen   200  
Lokale spoorweg bestaande uit 3 of meer sporen   350  

Tabel: Breedte van het geluidaandachtsgebied vanaf de rand van de weg of de buitenste spoorstaaf, artikel 17.5 omgevingsregeling

Gemeentelijk geluidbeleid

De gemeente is verantwoordelijk voor het geluidbeleid. De belangrijkste doelstelling van het geluidbeleid is het realiseren van een passende geluidkwaliteit per gebied. Geluid heeft immers invloed op de kwaliteit van de leefomgeving.

De hoofdlijnen van het gemeentelijk geluidbeleid zijn vastgesteld in de Nota algemeen geluidbeleid gemeente Doesburg. De belangrijkste doelstelling van het geluidbeleid van de gemeente is het realiseren van een passende geluidkwaliteit per gebied. Want geluid is van invloed op de algehele kwaliteit van de leefomgeving.

Daarnaast is in een tweetal aanvullende nota's aangegeven hoe de gemeente Doesburg in specifieke situaties omgaat met geluid, te weten:

1. Nota hogere grenswaarden

2. Nota bedrijven en geluid

Naar aanleiding van de Omgevingswet die op 1 januari 2024 in werking is getreden, zijn enkele figuren met geluidsklassen uit het geluidsbeleid en bijbehorende nota's aangepast. De wijzigingen zijn verwerkt in een addendum: aanpassing Geluidsbeleid Omgevingswet.

Planspecifiek

Voorliggend plan maakt nieuwe (zorg)woningen mogelijk wat geluidgevoelige bebouwing is. Daarom is getoetst aan de regels uit het Bkl. In het kader van voorliggende ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 3. Uit het onderzoek komt naar voren dat de geluidbelasting op de gevel aan de Armgardstraat 49 dB bedraagt. Bij de andere gevels is dit maximaal 46 dB. De standaardwaarde van 53 dB uit het Bkl wordt derhalve nergens overschreden.

De geluidbelasting van 49 dB op de voorgevel valt net buiten de klasse "rustig" uit het gemeentelijk geluidbeleid (43-48 dB). Het wordt beoordeeld als "redelijk rustig".

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.15.

4.4 Luchtkwaliteit

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl en zijn de 'omgevingswaarden richtlijn luchtkwaliteit' opgenomen in paragraaf 2.2.1.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).

Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een resultaatverplichting;
  • het initiatief leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het initiatief draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Niet in betekenende mate (NIBM)

Voor een activiteit die niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een initiatief niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een initiatief binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het initiatief binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een initiatief binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een initiatief de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Veel mensen bepalen met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier of een initiatief in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBM-tool.

Aandachtsgebieden

Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 (aandachtsgebieden voor zowel stikstofdioxide als fijnstof) en lid 3 (aandachtsgebieden voor fijnstof) Bkl. De gemeente Doesburg ligt niet in een aandachtsgebied.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Het dichtstbijzijnde toetspunt voor luchtkwaliteit bij het plangebied is de receptor wegverkeer 51468751_15568357 aan de N317 op circa 280 meter van het plangebied. In de tabel hieronder zijn de totale concentraties van stikstofdioxide, fijnstof en de fijnere fractie van fijnstof weergeven.

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3)   11,1 µg/m3   14,4 µg/m3   8,0 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage van het initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%, 1.500 woningen). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het initiatief is te concluderen dat dit initiatief 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof kan daarom achterwege blijven.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in Paragraaf 4.15.

4.5 Bedrijven en milieuzonering

Bedrijven (die milieubelastende activiteiten uitvoeren/ ondernemen) kunnen niet zomaar naast een gevoelige functie, zoals een woning, gerealiseerd worden. Ook andersom moet er zorgvuldig gemotiveerd worden dat een nieuwe gevoelige functie nabij bestaande bedrijven gerealiseerd kan worden.

Milieuzonering is het aanbrengen van een noodzakelijke ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies ter bescherming of vergroting van de leefkwaliteit. Ook zorgt dit ervoor dat (bestaande) bedrijven niet onevenredig in hun belangen worden geschaad. De publicatie “Bedrijven Milieuzonering” van de VNG is, zeker ook gezien jurisprudentie, een goed houvast hierbij. De in deze publicatie genoemde richtafstanden tussen gevoelige functies en milieubelastende activiteiten gelden voor gemiddelde situaties. Er kunnen omstandigheden zijn waarom er toch van een andere afstanden uitgegaan kan of moet worden.

Op weg naar de inwerkingtreding van de Omgevingswet is door de VNG een nieuwe publicatie uitgegeven: Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2023. Kern van deze publicatie is om de toelating van bedrijven te reguleren op basis van een beschikbaar gestelde milieuruimte per bedrijf, aan de hand van concrete milieunormen. In de nieuwe systematiek wordt de toelating van activiteiten niet meer gekoppeld aan een bij de regels behorende Staat van bedrijfsactiviteiten met milieucategorieën. Dit maakt het ook niet mogelijk de ontwikkeling van nieuwe gevoeligere objecten te toetsen aan bestaande bedrijven. Om die reden wordt voor de beoordeling van de omliggende activiteiten/ functies nog aangesloten bij de richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'.

Planspecifiek

Voorliggend plan maakt nieuwe woon(zorg)eenheden mogelijk. Dit zijn nieuwe milieugevoelige objecten. In de onderstaande tabel zijn de omliggende milieubelastende activiteiten en de bijbehorende richtafstanden uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' weergegeven. Geurhinder van veehouderijen blijft in deze paragraaf buiten beschouwing. Dit wordt behandeld in paragraaf 4.10.

Functie (adres)   Milieucategorie   Grootste richtafstand (maatgevend aspect)   Feitelijke afstand tot plangebied  
Kantoor   1   10 m   0 m  

Uit voorgaande tabel is op te maken dat de kantoorfunctie zich niet op voldoende afstand bevindt tot de milieugevoelige objecten in het plangebied. Dit geldt echter alleen als van perceelsgrens tot perceelgrens wordt gemeten. De nieuwe woningen en het kantoorpand worden door zowel de parkeerplaats van het kantoorpand als de parkeerplaatsen van de nieuwe woningen gescheiden van elkaar. De afstand tussen de nieuwe woningen en de perceelsgrens met het kantoor zal circa 13 meter bedragen, tot het kantoorpand zelf ruim 20 meter. Er zal daarom sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat en een veilige en gezonde fysieke leefomgeving ter plaatse van het nieuwe woongebouw. Ook kan er op voorhand gesteld worden dat er geen bedrijven belemmerd worden in de bedrijfsvoering.

Andersom kan een zorginstelling een effect hebben op de omgeving. Volgens de handreiking geldt voor verpleeghuizen een richtafstand van 10 meter vanwege geluid (i.e. afkomstig van het verkeer), maar is het ook een functie die goed inpasbaar is in een woonomgeving. Voorliggend plan hoeft vanwege het beperkte aantal woonzorgeenheden dat wordt gerealiseerd niet gelijk gesteld worden met een verpleeghuis. Gelet op de kleinschaligheid heeft dit woonzorgcomplex geen andere uitstraling op de omgeving dan reguliere appartementen. Het plan is derhalve goed inpasbaar in de woonomgeving.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in Paragraaf 4.15.

4.6 Externe veiligheid

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Hierbij gaat het om de kans per jaar dat tien of meer personen overlijden als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval binnen een aandachtsgebied. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Dit zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM). Aandachtsgebieden zijn er voor de scenario's brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl). Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden er dus altijd aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning voor het bouwen.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen. Uitgangspunt is dat personen buiten een aandachtsgebied in een gebouw (dat voldoet aan de eisen uit het BBL) voldoende zijn beschermd tegen de mogelijke effecten van een grootschalig ongeval met gevaarlijke stoffen bij de risicobron.

Planspecifiek

Via de website atlasleefomgeving.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en/of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de omgevingsveiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website. Het plangebied is hier globaal aangegeven met een rode cirkel.

afbeelding "i_NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01_0008.png"

Uitsnede risicokaart (bron: atlasleefomgeving.nl)

Op de risicokaart is te zien dat het plangebied zich niet in een risicocontour en/of aandachtsgebied bevindt. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee niet nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in Paragraaf 4.15.

4.7 Waterhuishouding

Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem.

De verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de omgevingswaarden ten aanzien van water zijn als volgt onderverdeeld:

  • Rijk: omgevingswaarden voor (1) waterkwaliteit, (2) zwemwaterkwaliteit, (3) veiligheid van primaire waterkeringen en (4) de veiligheid van andere dan primaire waterkeringen, voor zover die in het beheer zijn bij het rijk (2.15 Ow);
  • Provincie: omgevingswaarden voor de veiligheid van (1) bij de omgevingsverordening aangewezen andere dan primaire waterkeringen die niet bij het rijk in beheer zijn en (2) de gemiddelde overstromingskans per jaar van bij de omgevingsverordening aangewezen gebieden met oog op de bergings- en afvoercapaciteit waarop (niet bij het rijk in beheer zijnde) regionale wateren moeten zijn berekend (2.13 Ow);
  • Gemeente: gemeenten kunnen ook zelf besluiten om omgevingswaarden vast te stellen. Indien hiervan sprake is dient ook aan deze omgevingswaarde getoetst te worden.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de eerdere, verplichte watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven. In elk geval worden de wateraspecten beschreven en wordt aangegeven welke waterhuishoudkundige maatregelen voor de ontwikkeling moeten worden getroffen. Over het initiatief wordt advies gevraagd aan de betrokken waterbeheerder.

Beleid waterschap Rijn en IJssel

Het waterschap Rijn en IJssel draagt zorg voor het water in en rond het plangebied van dit Omgevingsplan. Vanuit het leidend principe 'Water en mens in hun element' draagt het waterschap bij aan ruimtelijke kwaliteit en een duurzame leefomgeving. De zorg voor waterveiligheid, schoon water en voldoende water vraagt structureel aandacht. Dat geeft het waterschap door het (grond)waterpeil te beheren, rioolwater te zuiveren en te zorgen voor schoon water in beken, sloten en rivieren en te zorgen voor stevige dijken.

De fysieke leefomgeving en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Veranderingen in ruimtegebruik hebben gevolgen voor het waterbeheer. Daarnaast wordt onze leefomgeving en het waterbeheer sterk beïnvloed door de klimaatverandering. Er is meer ruimte nodig voor water, omdat klimaatverandering zorgt voor hoge piekafvoeren in de zomer en een gemiddeld hogere waterafvoer in de winter. Het gaat ook om langduriger periodes van droogte en om extreem warm weer, waar vooral stedelijk gebied last van kan hebben.

Als belangrijkste speerpunt voor de periode 2022-2027 ziet het waterschap de opgave om zijn gebied veerkrachtiger te maken tegen klimaatverandering. Hiervoor werkt het waterschap toe naar een andere balans van vasthouden-bergen-afvoeren (voorraadbeheer), rekening houdend met de meest recente inzichten over de snelheid van klimaatverandering.

In het waterbeheerprogramma 2022-2027 heeft het waterschap zijn doelen en werkzaamheden weergegeven in vier thema's:

  • Klimaatrobuust gebied: Het doel is het beheer, het onderhoud en de inrichting van het regionaal watersysteem zodanig te invullen, dat jaarrond een optimale balans tussen te nat en te droog wordt bereikt en tegelijkertijd inwoners, bedrijven en medeoverheden voldoende weerbaar zijn tegen de onvermijdelijke gevolgen van extreem weer.
  • Veilig gebied: Het waterschap zorgt voor veilige dijken, nu en in de toekomst. Onze ambitie is dat in 2050 de waterkeringen voldoen aan de nieuwe normen voor waterveiligheid, en dat we daarbij wendbaar inspelen op ontwikkelingen. We voeren ons beheer op een duurzame wijze uit en werken aan behoud en verhoging van de biodiversiteit van de dijken.
  • Circulaire Economie en Energietransitie: Het waterschap wil in het uitvoeren van zijn primaire taak zoveel mogelijk bijdragen aan het beperken van klimaatverandering. Daarbij willen we in 2050 onderdeel zijn van een 100% circulaire economie waarin we onze taken klimaatneutraal uitvoeren.
  • Gezonde leefomgeving: Als waterschap zorgen we voor een schoon en gezond watersysteem voor de mensen en de natuur in het gebied. Wij streven ernaar dat het water in onze leefomgeving geschikt is voor verschillende maatschappelijke functies en dat het geen risico's oplevert voor de volksgezondheid. Ons doel is een oppervlaktewatersysteem te bereiken dat optimaal is voor ecologisch functioneren en biodiversiteit en natuurwaarden daarbinnen en -buiten bevordert.

De samenhang van de wateropgaven met andere opgaven in het gebied vraagt om nauwe samenwerking met gemeenten, provincies, inwoners en bedrijven.

Het waterschap heeft "Uitgangspunten voor waterneutraal bouwen" geformuleerd (juni 2021) waarmee kan worden bepaald voor welke plannen en in welke mate het waterschap betrokken dient te worden bij het opstellen van een waterparagraaf.

Bij plannen in het landelijk gebied met een verhard oppervlak kleiner dan 500 m² in de nieuwe situatie hoeft geen berging gerealiseerd te worden. Bij plannen met een toename van het verhard oppervlak meer dan 500 m² geldt een bergingseis van 55 mm. Hiervoor kan de volgende berekening worden gehanteerd:

Benodigde compensatie (in m³) = Toename verhard oppervlak (in m²) * 0,055

Planspecifiek

Beschermingszones en waterkeringen

Binnen het plangebied zijn geen (beschermingszones van) beschermde waterkeringen/watergangen aanwezig.

Wateradvies
Voor onderhavig initiatief is een wateradvies doorlopen. Hieruit volgt de normale procedure. Er dient rekening gehouden te worden met de afvalwaterketen. Hierbij is het streven zo min mogelijk hemelwater afgevoerd wordt naar de afvalwaterzuivering, zodat meer water in de bodem kan infiltreren. Ook dient er in het ontwerp van het plan rekening gehouden te worden met klimaatadaptatie. Dit wordt nader toegelicht in paragraaf 4.12.

Waterberging

In beginsel moet hemelwater op eigen terrein worden geborgen. Op basis van de schetsontwerpen in paragraaf 2.2 bedraagt de oppervlakte van de bebouwing maximaal 400 m². Daarbij komt de verharding voor de ontsluiting en het parkeren (ca. 500 m²). De bergingseis bedraagt in dat geval (900 x 0,55) = 49,5 m3. Dit kan verlaagd worden als bijvoorbeeld de parkeerplaatsen in waterdoorlatende verharding wordt uitgevoerd.

Er is nog geen bouwplan en ook de toekomstige terreininrichting is nog niet bekend. Bij de uitwerking op bouwplanniveau wordt dit aspect verder ingevuld. Om te zorgen dat het afstromende hemelwater schoon blijft is mogen geen uitlogende bouwmaterialen worden gebruikt.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.15

4.8 Ecologie

De Wet natuurbescherming (Wnb) is opgenomen in de Omgevingswet: de Aanvullingswet natuur, het Aanvullingsbesluit natuur en de Aanvullingsregeling natuur. Er is sprake van een beleidsneutrale overgang. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling voor het natuurbeschermingsrecht blijven ongewijzigd. Uitgezonderd van de toets ten aanzien van stikstof. Het beoordelen van de effecten van een planontwikkeling op beschermde gebieden is geregeld in artikel 11.6 van het Besluit activiteiten leefomgeving. De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de nog te bepalen datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de huidige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een ruimtelijk besluit in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.

Soortenbescherming

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, en op bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

Planspecifiek

Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een onderzoek gedaan naar deze aspecten, waarvan het rapport is opgenomen in bijlage 4. De belangrijkste conclusies zijn in het vervolg van voorliggende paragraaf opgenomen.

Gebiedsbescherming

De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie. Het perceel ligt op circa 550 m afstand tot het Natura 2000-gebied Rijntakken. Gezien de afstand tot dit gebied zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie op voorhand niet uit te sluiten. Hiertoe is een voortoets stikstof uitgevoerd, zie bijlage 5. De conclusie is dat er geen depositie optreedt in noch de aanleg noch de gebruiksfase. Gezien de aard, omvang en afstand van de ontwikkeling tot het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is er ook geen sprake van overige effecten (geluid, optische verstoring, licht, trillingen).

Soortenbescherming

Uit de quickscan natuurtoets blijkt dat voor de geplande flora- en fauna-activiteit, bestaande uit de sloop van de huidige bebouwing en de ontwikkeling van nieuwe appartementen/woningen, aanvullend onderzoek naar verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuissoorten in het kader van de Omgevingswet noodzakelijk is.

Het aanvullend vleermuisonderzoek is opgenomen in bijlage 8. Er zijn twee zomerverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis vastgesteld in het plangebied. Deze verblijfplaatsen kunnen niet worden behouden tijdens de geplande sloopwerkzaamheden. Daarom is er sprake van een Flora- en fauna-activiteit en is het aanvragen van een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Buiten het plangebied is nog een zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis vastgesteld. Deze verblijfplaats bevindt zich op zodanige afstand dat de onderhavige werkzaamheden geen invloed hebben op de functionaliteit van de verblijfplaatsen. De kraamverblijfplaats van de laatvlieger in 2024 is niet opnieuw vastgesteld tijdens dit onderzoek. Omdat deze verblijfplaats nog wel gebruikt kan worden is er sprake van een Flora- en fauna-activiteit en is het aanvragen van een Omgevingsvergunning noodzakelijk. Er zijn geen essentiële functies van het leefgebied van de andere vleermuissoorten en steenmarter aangetroffen in het plangebied. Negatieve effecten op steenmarter en gebouwbewonende vleermuizen, met uitzondering van gewone dwergvleermuis, kunnen daarom op voorhand worden uitgesloten en het aanvragen van een Omgevingsvergunning in het kader van een Flora- en fauna-activiteit is daarom niet noodzakelijk voor deze soorten.


Omdat er sprake is van verblijfplaatsen van de beschermde vleermuissoort laatvlieger in de gymzaal, is het aanvragen van een vergunning en de realisatie van verblijfplaatsen ter compensatie van de te verliezen verblijfplaatsen noodzakelijk. Het proces vindt plaats conform het landelijke kennisdocument voor de laagvlieger. Een kennisdocument geeft een overzicht van maatregelen die genomen kunnen worden als een beschermde soort aanwezig is in of nabij een gebied waar ruimtelijke activiteiten gaan plaatsvinden. Hiermee wordt gewaarborgd dat voldaan wordt aan de wettelijke zorgplicht.

Voor wat betreft andere beschermde planten- of diersoorten is geconcludeerd dat deze hier niet voorkomen dan wel dat het plangebied geen geschikt of essentieel leefgebied is.

Voor elke flora- en fauna-activiteit geldt de specifieke zorgplicht. In het kader hiervan moet voor het plangebied rekening gehouden worden met eventuele broedvogels. Overtredingen ten aanzien van algemene broedvogels kan worden voorkomen door de locatie buiten het broedseizoen bouwrijp te maken.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.15.

4.9 Archeologie & cultuurhistorie

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van projecten onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.

De Erfgoedwet en de Omgevingswet vormen samen het fundament voor de duiding en de bescherming van het cultureel erfgoed. De vuistregel voor de verdeling tussen Erfgoedwet en Omgevingswet is als volgt: de duiding van cultureel erfgoed en de zorg voor cultuurgoederen in overheidsbezit staat in de Erfgoedwet; de omgang met het cultureel erfgoed in de fysieke leefomgeving is geregeld in de Omgevingswet.

Voor gebouwde of aangelegde monumenten betekent dit dat de vergunningverlening voor het wijzigen van rijksmonumenten is geregeld via de Omgevingswet. Ook aanwijzing en omgang met beschermde stads- en dorpsgezichten gebeurt op grond van de Omgevingswet. Datzelfde geldt voor de omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving (vergunningverlening en integratie in de planvorming).

Besluit kwaliteit leefomgeving

In het Bkl is ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Doesburg

Doesburg heeft een rijke historie en kent mede daarom een rijke archeologische historie. Vanuit het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) en vanuit de Monumentenwet heeft Doesburg archeologisch beleid gemaakt. Dit is uitgewerkt in de notitie "De archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart voor de gemeente Doesburg" die op 29 mei 2008 is vastgesteld. Deze beleidsnota vormde de onderlegger voor het bestemmingsplan over archeologie dat op 29 oktober 2009 is vastgesteld.

Planspecifiek

Cultuurhistorie en landschap

Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig. Ten westen van het plangebied zijn de woningen aan de Loddero 10-12 aangewezen als gemeentelijk monument. Voorliggend plan heeft daar geen invloed op, aangezien deze aan de achterzijde van de (diepe) percelen grenst. De aangrenzende bijgebouwen hebben geen cultuurhistorische waarde.

De bomen langs de Armgardstraat zijn belangrijk voor het groene beeld van de straat. Deze bomen blijven in voorliggend plan behouden.

Archeologie

In het geldende parapluplan 'Archeologie Doesburg 2009' heeft het gebied de gebiedsaanduiding 'specifieke vorm van waarde: archeologische verwachtingswaarde middelhoog'. Archeologisch onderzoek is nodig als nieuwe ontwikkelingen bouwwerken mogelijk maken groter dan 500 m² en grondwerkzaamheden dieper dan 50 cm onder maaiveld. Omdat er reeds bebouwing op het terrein aanwezig is, is een deel van het terrein reeds verstoord. Het overschrijden van de grenswaarden is gezien het beoogde plan en het opgenomen bouwvlak niet voorzien. De regeling ter bescherming van archeologische waarde conform het bestemmingsplan 'Archeologie' blijft van toepassing en is overgenomen in dit plan. Mocht op grond van het uitgewerkte bouwplan de drempel van 500 m² toch worden overschreden dan is op basis van deze regeling uit het archeologisch onderzoek nodig.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.15.

4.10 Geur

In de regelgeving is bepaald dat een omgevingsplan erin voorziet dat de geur van een activiteit op een geurgevoelig gebouw (artikel 5.91 Bkl) aanvaardbaar moet zijn (artikel 5.92, tweede lid, Bkl). In artikel 5.91 van het Bkl is de definitie van een geurgevoelig gebouw opgenomen. Het gaat dan in ieder geval om woningen, onderwijsinstellingen, gebouwen met gezondheidszorgfuncties en kinderopvang met bedgebied (wat inhoudt dat er slaapgelegenheid is). Dit betekent dat de gemeente moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. De gemeente moet onder de Omgevingswet rekening houden met mogelijke cumulatie van geur door meerdere activiteiten.

De activiteiten dienen te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 BS);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 BS);

Voor geur zijn er voor dierenverblijven voor landbouwhuisdieren specifieke instructieregels waar de gemeente zich aan moet houden. In deze instructieregels zijn voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor, twee typen normen opgenomen: standaardwaarden en grenswaarden. In een omgevingsplan kan de gemeente afwijken van deze standaardwaarden, zolang dit onder de gestelde grenswaarden blijft.

Geurgevoelig gebouw   Standaardwaarde   Grenswaarde  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   2,0 ouE/m3   8,0 ouE/m3  
Gelegen binnen de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   3,0 ouE/m3   14,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en buiten een concentratiegebied   8,0 ouE/m3   20,0 ouE/m3  
Gelegen buiten de bebouwingscontour geur en binnen een concentratiegebied   14,0 ouE/m   35,0 ouE/m3  

Tabel Standaardwaarde en grenswaarde toelaatbare geur (ouE/m3 als 98-percentiel) door houden landbouwhuisdieren met geuremissiefactor op een geurgevoelig gebouw

In het Bkl wordt onderscheid gemaakt tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden en binnen en buiten de bebouwingscontour. Het onderscheid tussen concentratiegebieden en niet-concentratiegebieden valt terug te voeren op een verschil in de relatie tussen geurbelasting en geurhinder. Het RIVM geeft aan dat er geen gezondheidskundige grenswaarden zijn voor geurbelasting of geurhinder. Welk percentage door geur gehinderde omwonenden aanvaardbaar is, is een beleidsmatige keuze.

Voor dieren waarvoor in de Omgevingsregeling geen omrekeningsfactoren zijn vastgesteld, zoals melkrundvee, vrouwelijk jongvee en paarden gelden afstandseisen. De minimaal aan te houden afstand bedraagt 50 meter tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Deze afstanden gelden ongeacht het aantal dieren dat er gehouden wordt en worden gemeten vanaf het dichtstbijzijnde emissiepunt van een stal waarin de betreffende dieren worden gehouden.

Daarnaast moet de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf (onafhankelijk van de diersoort die er gehouden wordt) minimaal 25 meter bedragen tot een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom en 50 meter bedragen tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom (gevel-gevel afstand).

Planspecifiek

Voorliggend initiatief voorziet in het realiseren van nieuwe (zorg)woningen die aangemerkt kunnen worden als geurgevoelige gebouwen. In de omgeving van het plangebied zijn geen intensieve veehouderijen aanwezig. Daarnaast kan op voorhand worden gesteld dat er geen veehouderijen worden belemmerd in hun bedrijfsvoering en ontwikkelingsmogelijkheden door voorliggend initiatief.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.15.

4.11 Trilling

Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. De Omgevingswet beschermt (delen van) gebouwen. Trilling wordt gezien als een milieubelastende activiteit. In het omgevingsplan neemt de gemeente regels op voor trillingen door milieubelastende activiteiten. Vastgelegd wordt welke trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Hiervoor gelden de instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen in het Bkl.

Een trillinggevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw met een:

  • a. woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • b. onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • c. gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • d. bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.

Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen trillingen. Het onderdeel Trillingen is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 22.87a van de Bruidsschat.

Planspecifiek

In de ruime omgeving van het plangebied zijn geen activiteiten aanwezig die trillingen kunnen veroorzaken zoals grote wegen, spoorlijnen en/of industriële machines.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.15.

4.12 Duurzaamheid & klimaatadaptatie

Het klimaat verandert en steeds vaker worden we geconfronteerd met de gevolgen, zoals hitte, droogte, extreme neerslag en overstromingen. Klimaatverandering is in een vergaand stadium en de effecten en risico's voor onze samenleving worden steeds groter. Aan de ene kant moeten we de uitstoot van broeikasgassen verminderen, zodat de opwarming beperkt blijft. Aan de andere kant is het noodzakelijk om ons als samenleving aan te passen en voor te bereiden op de reeds ingezette klimaatveranderingen en de gevolgen daarvan. Niet alleen om schade te beperken, maar ook om kansen te benutten.

De nationale opgave voor klimaatadaptatie is beschreven in het Bestuursakkoord Klimaatadaptatie en het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie met daarin een prominente rol voor gemeenten. Lokale gevoeligheden voor klimaatverandering moeten in kaart worden gebracht en als integraal onderdeel van beleid daadkrachtig worden aangepakt. Daarbij is het van belang zowel te kijken naar aanpassingen aan de bestaande openbare ruimte als naar nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

Planspecifiek

Op basis van de klimaateffectatlas is in beeld gebracht welke risico's zich kunnen voordoen in het plangebied als gevolg van klimaatverandering.

Wateroverlast

Uit de kaartbeelden die horen bij het onderdeel wateroverlast is op te maken dat er bij een korte of lange extreme bui wateroverlast kan ontstaan, met name aan de zuidoostzijde van het perceel. Om te voorkomen dat het water het gebouw instroomt, kan het nodig zijn om de gronden op te hogen. Enige hinder door water op het parkeerterrein is aanvaardbaar.

Volgens de klimaateffectatlas kan er in 2050 een lichte verhoging van de grondwaterstand worden verwacht (0,25 - 1m). Ten aanzien van de grondwaterstand worden geen problemen verwacht, aangezien de gemiddelde hoogste grondwaterstand (GHG) hier vrij diep ligt (1,5 - 2m).

Hittestress

Door klimaatverandering worden in Nederland meer tropische dagen en langere periodes van hitte verwacht. De geplande nieuwbouw is goed geïsoleerd conform de huidige normen. Daarmee voldoen de woningen aan de toegenomen koelbehoefte die kan ontstaan als een gevolg van hittestress. Door de buitenruimte op het terrein groen in te richten met zo min mogelijk verharding, kan verdere hittestress worden voorkomen.

Droogte

De bijbehorende kaartbeelden laten zien dat in heel Nederland een hoger neerslagtekort verwacht kan worden. Dit heeft gevolgen voor de grondwaterstanden en droogtegevoeligheid van het gebied. Door het hemelwater binnen het projectgebied te bergen en te laten infiltreren blijft het hemelwater ook in het gebied zelf. De kans op natuurbranden bij langdurige droogte blijft in de toekomst gelijk aan de huidige situatie.


Overstroming

De klimaateffectatlas laat zien dat het plangebied op enige afstand tot de grote rivier IJssel is gelegen. Het plangebied ligt op het hogere deel van de stad Doesburg. Mochten ergens de dijken bezwijken dan is er slechts een kleine kans (1/300 tot 1/3.000 per jaar) dat het plangebied overstroomt.

Hiermee bestaat er voldoende inzicht in dit aspect dat wordt meegewogen in paragraaf 4.15

4.13 Zorgvuldig ruimtegebruik

De Ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Bkl regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist.

Artikel 5.129g Bkl geeft geen ondergrens aan. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn hiervoor lijnen uitgezet. Bij woningbouw is vanaf 12 woningen sprake van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is. De Raad van State heeft ook aangegeven dat geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van minder dan 500 m² of een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m².

De Ladderonderbouwing beschrijft de behoefte aan de ontwikkeling. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. De aard en omvang van de ontwikkeling bepalen het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte wordt afgewogen.

Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van ten minste 14 woningen. Daarom wordt het plan getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

  • 1. Stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte

Voor de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt verwezen naar paragraaf 3.3.2 waarin het beleid vanuit de Woonzorgwelzijnsvisie is beschreven. Hierin staat er tot 2040 behoefte is aan toevoeging van 40 tot 60 plaatsen voor mensen met een verstandelijke beperking. Voor de woonvorm Beschermd Wonen wordt een groei voorzien van circa 30 plekken tot 2040.

  • 2. Realiseren in bestaand stedelijk gebied

Voorliggend initiatief maakt een ontwikkeling mogelijk binnen een bestaande woonwijk in Doesburg. Het is een herontwikkeling van een locatie binnen het bestaande stedelijk gebied.

  • 3. Conclusie

Geconcludeerd wordt dat het plan voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve (zorg)woningbehoefte, die ook regionaal is afgestemd. De woningbouwopgave wordt gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied. Het plan voldoet aan de eisen van de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.14 M.e.r. beoordeling

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit.

In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval wordt verstaan een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMB-richtlijn.

Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije m.e.r-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één m.e.r.-beoordelingsprocedure. Beoordeling of een m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordeling plaats moet vinden volgt uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

  • 1. De eerste stap is te kijken of het project past binnen de omschrijving van een project in kolom 1.
  • 2. Vervolgens moet gekeken worden of in kolom 4 'de omgevingsvergunning' of 'het omgevingsplan' staat. Het omgevingsplan is relevant als in het plan vergunningplichtige activiteiten worden aangewezen.
  • 3. Als bovenstaande stappen van toepassing zijn op het project, moet bepaald worden of voor het project een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt. Dit gebeurt door te kijken naar de kolommen 2 en 3.

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 2? Dan geldt voor het project een 'project-mer-plicht'.

Voldoet het project aan de voorwaarden van kolom 3? Dan geldt voor het project een 'project-mer-beoordelingsplicht'.

Als er voor het project een omgevingsvergunning wordt aangevraagd voor een omgevingsplanactiviteit, dan wordt die omgevingsvergunning aangemerkt als het besluit in plaats van het besluit tot vaststelling van een omgevingsplan. Dit volgt uit artikel 11.8 onder 3 van het Omgevingsbesluit. Daarmee geldt er dus ook voor omgevingsvergunningaanvragen die niet in kolom 4 staan wel de m.e.r.-(beoordelings)plicht.

Planspecifiek

Het onderhavige initiatief behelst de ontwikkeling van nieuwe (zorg)woningen aan de Armgardstraat 2a in Doesburg. Dit valt onder een stedelijk ontwikkelingsproject (categorie J11 Bijlage V Omgevingsbesluit). Daarom is er een m.e.r.-beoordelingsnotitie opgesteld. Deze is opgenomen in bijlage 6. De conclusie hiervan is dat het plan een beperkte omvang heeft, niet in een kwetsbaar gebied ligt en geen ontwikkeling mogelijk maakt waarbij aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden.

4.15 Conclusie evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Artikel 1.3 van de Omgevingswet, “maatschappelijke doelen van de wet”, bepaalt het volgende:

“Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • 1. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur, en
  • 2. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.”

De Memorie van toelichting licht dit verder toe:

Met behulp van de wet moet de samenleving in staat zijn om de fysieke leefomgeving op de gewenste kwaliteit te brengen, te houden én tegelijkertijd voldoende ruimte te laten voor activiteiten van burgers en bedrijven. Centraal staat de samenhangende zorg voor de fysieke leefomgeving welke integrale oplossingen moet bevorderen. Integraal betekent niet dat er geen sectorale beleidsdoelen meer zullen zijn. Zo zullen er doelen en randvoorwaarden blijven op het gebied van veiligheid, gezondheid, kwaliteit van ecosystemen, beschikbaarheid van hulpbronnen en behoud van cultureel erfgoed. Het is voor een goede integratie van belang dat sectorale doelen en randvoorwaarden helder en eenduidig zijn, omdat deze het uitgangspunt vormen voor de integrale zorg voor de fysieke leefomgeving. Mocht het zo zijn dat er in een bepaald geval een norm wordt overschreden dan is er de bestuurlijke afwegingsruimte. Die ruimte kan nodig zijn om (gemotiveerd) af te wijken van een norm in verband met bijvoorbeeld (bijzondere) lokale situaties, complexe gebieden of gebiedsoverstijgende belangen.

Om een omgevingsplan te kunnen wijzigen dient het te voldoen aan de wettelijk eis dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om deze vraag te beantwoorden is een afweging nodig tussen alle aspecten met betrekking tot het plan. Van belang daarbij is dat voldaan wordt aan de eisen voor gezondheid en veiligheid. Dit is van belang omdat hiervoor niet één algemene norm is maar dit tot stand komt als optelsom – en – weging van het totaal. Het kan gewenst zijn af te wijken van een, of meerdere, sectorale aspecten om uitvoering van een maatschappelijk gewenste activiteit of maatwerk in het individuele geval mogelijk te maken. Op deze manier kan afgewogen worden waarom een ontwikkeling bijdraagt aan de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Aan de hand van een voorbeeld is dit makkelijk duidelijk te maken: dat een woning meer geluid ontvangt van wegverkeer dan gewenst maakt nog niet dat het onaanvaardbaar is. Dat geldt voor veel woningen waar mensen gezond en veilig wonen. Dat geldt ook voor geur, omgevingsveiligheid, trilling, luchtkwaliteit of bodemkwaliteit. Maar als álle zes deze aspecten wat hoger zijn, of drie flink hoger of twee heel hoog – maar binnen de maximale norm – dan kan de conclusie anders zijn.

In voorgaande hoofdstukken is ingegaan op die regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten die relevant zijn voor de beoordeling of bij dit plan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Overige regels, beleidsonderwerpen en onderzoeksaspecten zijn niet relevant voor de beoordeling van dit plan en daarom niet beschreven. Dit is in lijn met de Memorie van toelichting paragraaf 2.2 en 4.16.4.

Planspecifiek

Uit hoofdstuk 4 blijkt dat er ten aanzien van de meeste aspecten geen belemmeringen zijn voor de gewenste ontwikkeling. Weliswaar zijn er aanvullende onderzoeken vereist naar de bodemkwaliteit en naar vleermuizen, maar de verwachting is dat eventueel benodigde maatregelen (sanering, mitigerende maatregelen) uitvoerbaar zijn. De geluidbelasting op de voorgevel ligt met 49 dB net 1 dB hoger dan het gemeentelijk geluidbeleid kwalificeert als "rustig", maar valt wel ruim onder de standaardwaarde van 53 dB die in het Bkl wordt gehanteerd. Uit oogpunt van luchtkwaliteit, milieuzonering, externe veiligheid, geur en trillingen worden geen normen overschreden of bijna overschreden. Dat laatste is van belang omdat bij gezondheid en veiligheid juist de cumulatieve beoordeling van deze sectorale aspecten van belang is. Ook uit oogpunt van aspecten als inpassing in de omgeving, water, verkeer, cultuurhistorie en duurzaamheid en klimaatadaptatie kan worden gesteld dat er met dit plan sprake is van een goede omgevingskwaliteit. Van belang is bovendien dat het hier gaat om de herontwikkeling van een bestaand bouwperceel binnen het stedelijke gebied, en dat de locatie geschikt wordt bevonden voor een bijzondere doelgroep.

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat met de ontwikkeling een veilige en gezonde fysieke leefomgeving kan worden gewaarborgd en dat daarmee sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Inleiding

Het TAM-IMRO omgevingsplan is een tijdelijke alternatieve maatregel (TAM) voor gemeenten die in de beginperiode van de Omgevingswet om enige reden nog niet in staat zijn om een omgevingsplan in STOP/TPOD op te stellen of te wijzigen. De TAM is primair bedoeld om urgente gebiedsontwikkeling te kunnen blijven faciliteren. Kort gezegd houdt TAM-IMRO omgevingsplan in dat de oude IMRO-standaard voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet (nieuw juridisch kader, oude techniek).

5.2 Juridische systematiek

Hoewel onderhavig initiatief gebruik maakt van bestaande techniek, wordt juridisch wel voldaan aan de regels van de Omgevingswet. De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld in lijn met de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP).

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. De regels zijn onderverdeeld in een preambule en vier hoofdstukken:

  • Preambule;
  • Hoofdstuk 1: Inleidende regels;
  • Hoofdstuk 2: Functieregels;
  • Hoofdstuk 3: Algemene regels;
  • Hoofdstuk 4: Regels ter bescherming van waarden en objecten;
  • Hoofdstuk 5: Overgangsregels.

5.3 Toepassingsbereik TAM-Omgevingsplan

Dit TAM-omgevingsplan (hierna: plan) wijzigt het omgevingsplan in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan een [hoofdstuk 22e] wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan. De hoofdstukken in de regels moeten gelezen worden als paragrafen van [hoofdstuk 22e] van het omgevingsplan Doesburg. Dit plan komt in het tijdelijke deel van het omgevingsplan. In de regels staat de verhouding tot de rest van het tijdelijke deel van het omgevingsplan beschreven.

De regels van het geldende bestemmingsplan 'Molenveld en De Ooi' vervallen op de locatie van voorliggend plan bij vaststelling van onderhavig TAM-omgevingsplan.

5.4 Beschrijving per functie

Het plangebied kent twee functies:

  • Wonen: het perceel krijgt een woonfunctie met een aanduiding 'maatschappelijk'. Met deze aanduiding wordt aangegeven dat er specifiek ook zorgwoningen zijn toegestaan, waarbij een zorgwoning is gedefinieerd als "een woning bestemd voor het al dan niet zelfstandig wonen voor mensen die in lichte dan wel overwegende mate hulpbehoevend zijn". Zwaardere vormen van 24-uursopvang zijn specifiek uitgesloten (artikel 9.2). Met een bouwvlak is aangegeven waar het toekomstige gebouw kan worden gesitueerd. Er is nog geen bouwplan beschikbaar. Met een modellenstudie is geanalyseerd wat qua afmetingen (breedte, diepte en hoogte van het gebouw) stedenbouwkundig aanvaardbaar is. Het bouwvlak geeft de maximale mogelijkheden weer. Binnen het bouwvlak zijn er verschillende mogelijkheden, het betekent niet dat het bouwvlak geheel volgebouwd gaat worden. Daarbij geldt de voorwaarde dat het parkeren ten behoeve van de woonfunctie ook moet worden ingericht op eigen terrein (artikel 10.2). Dat kan van invloed zijn op de bouwmogelijkheden.
  • Tuin: de functie Tuin is toegekend aan een de gronden aan de voorzijde van het gebouw aan de Armgardstraat. Binnen de functie Tuin mag niet worden gebouwd, er is alleen een erfafscheiding van maximaal 1 meter hoog toegestaan.

Voor de regeling voor het parkeren in artikel 10.2 is aangesloten bij de regels van het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22b Parkeernormen Doesburg.

Voorts is in artikel 11 de regeling voor de bescherming van de Waarde - Archeologie opgenomen, overeenkomstig de regels uit het bestemmingsplan 'Archeologie Doesburg 2009'.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

Behalve de beoordeling of er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, dient ook ingegaan te worden op de aspecten participatie en kostenverhaal. In dit hoofdstuk worden deze aspecten behandeld om te kunnen beoordelen of het plan maatschappelijk en economisch uitvoerbaar is.

6.1 Economische uitvoerbaarheid

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Voor het verlenen van de dienst om stukken te beoordelen en samen met de initiatiefnemer uit te werken worden op basis van de legesverordening leges geheven. Maar het verhaal van te maken overheidskosten heeft ook betrekking op werken, werkzaamheden en maatregelen zoals bijvoorbeeld kosten voor het aanleggen van openbare voorzieningen zoals wegen, parkeren, civiele voorzieningen etc.. Dit kostenverhaal kan publiekrechtelijk vormgegeven worden via het Omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Overheid en initiatiefnemer kunnen een overeenkomst sluiten over kostenverhaal voorafgaand aan het besluit dat de aangewezen activiteit mogelijk maakt: de 'anterieure overeenkomst'. De Omgevingswet biedt daarvoor een grondslag in paragraaf 13.6.2 van de Omgevingswet. Onderdeel van deze overeenkomst is ook dat hier wordt vastgelegd op welke wijze omgegaan wordt met de nadeelcompensatie.

Nota grondbeleid Doesburg 2024

De Nota Grondbeleid is een richtinggevend document voor de manier waarop de gemeente Doesburg de komende periode haar ruimtelijke en maatschappelijke doelstellingen wil realiseren door middel van het voeren van grondbeleid. De nota bepaalt de koers van het grondbeleid van de gemeente Doesburg en beschrijft op welke wijze de gemeente de grondbeleidsinstrumenten toepast. De doelstellingen van de Nota Grondbeleid kunnen als volgt worden omschreven:

  • het door de gemeente kenbaar maken van het door haar te hanteren grondbeleid, zowel naar de interne organisatie als naar externen;
  • het vaststellen van een beleid waar ambtelijk en bestuurlijk aan kan worden getoetst;
  • het creëren van een kader voor ruimtelijke ontwikkelingen die door het voeren van grondbeleid worden gerealiseerd;
  • het verhelderen van de verhouding tussen college en gemeenteraad voor bevoegdheden ten aanzien van het grondbeleid;
  • het geven van een interne instructie aan betrokken medewerkers, hoe grondbeleid toe te passen.

Planspecifiek

De gemeentelijke kosten worden gedekt door de verkoopwaarde van de gronden. In de overeenkomst wordt vastgelegd dat eventuele nadeelcompensatie voor rekening van koper is.

6.2 Participatie

Onder de Omgevingswet is het belang van participatie toegenomen. Bij de terinzagelegging van het ontwerp van het TAM-omgevingsplan zullen de omwonenden worden geïnformeerd, waarbij het plan, het ontwerp en de ruimtelijke gevolgen worden toegelicht. Bij de verdere uitwerking van het bouwplan zullen omwonenden ook actief betrokken worden.

6.3 Overleg

In het kader van bestuurlijk vooroverleg is overleg gevoerd met de belanghebbende instanties. Vanuit de provincie zijn geen opmerkingen ontvangen over het planvoornemen. Voor het waterschap zijn geen belangen in het geding.

6.4 Zienswijzen

Het ontwerp-TAM-omgevingsplan heeft vanaf 18 december 2025 tot en met 28 januari 2026 ter inzage gelegen. Tijdens de termijn zijn twee zienswijzen ingediend. In de Nota zienswijzen, opgenomen in bijlage 9, zijn de zienswijzen samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. Naar aanleiding van de zienswijzen is de Voortoets stikstofdepoditie aangepast en geactualiseerd, dit leidt echter niet tot andere conclusies. Voor een volledig verslag van de zienswijzen wordt verwezen naar bijlage 9.

Ambtshalve aanpassingen

Daarnaast zijn er enkele ambtshalve aanpassingen gedaan ten opzichte van het ontwerp:

  • het nader bodemonderzoek is als bijlage 7 bij de motivering gevoegd en de uitkomst is verwerkt in paragraaf 4.2;
  • het aanvullend soortgericht onderzoek naar vleermuizen is als bijlage 8 bij de motivering gevoegd en de uitkomst is verwerkt in paragraaf 4.8.