direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Armgardstraat 2a Doesburg
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van een ontwikkeling op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Armgardstraat 2a Doesburg en is als een nieuw hoofdstuk 22e opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Doesburg. Dit hoofdstuk 22e is op grond van artikel 11.1 van het Besluit electronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk 22e conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22e van het omgevingsplan van de gemeente Doesburg. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22e' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage '22e' gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

1.1 Omgevingsplan Doesburg

Dit plan wijzigt het omgevingsplan Doesburg in die zin dat na hoofdstuk 22 van het omgevingsplan Doesburg een hoofdstuk 22e wordt ingevoegd, bestaande uit de regels van dit plan.

1.2 Tijdelijk omgevingsplan - bestemmingsplan
  • 1. De besluiten als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in lid 1.4.
1.3 Tijdelijk omgevingsplan - bruidsschat

De regels in afdeling 22.2 met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in artikel 1.4, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk 22e.

1.4 Verwijzing naar verbeelding

De regels in dit hoofdstuk 22e zijn van toepassing op de locatie TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Armgardstraat 2a Doesburg waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01 zoals vastgelegd op www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

2.1 van toepassing verklaring

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Omgevingsplan gemeente Doesburg, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk 22e.

2.2 aanvullende begrippen

in aanvulling op het bepaalde in 2.1 worden voor de toepassing van de regels in dit hoofdstuk 22e de

begrippen als bedoeld in 2.3 tot en met 2.50 gehanteerd.

2.3 plan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22e Armgardstraat 2a Doesburg met identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01 van de gemeente Doesburg bestaande uit de geometrisch bepaalde planobjecten zoals vervat in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01

met de in dit plan opgenomen regels en de daarbij behorende bijlagen.

2.4 locatievlak

een geometrisch bepaald vlak die is aangewezen voor een gebruiksdoel.

2.5 aan huis gebonden beroep

een beroep op zakelijk, maatschappelijk, juridisch, medisch, (ontwerp)technisch of kunstzinnig gebied, dat door de gebruiker van een woning in die woning of een bijbehorend bijgebouw wordt uitgeoefend, waarbij de woning in hoofdzaak de woonfunctie behoudt.

2.6 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.7 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.8 ander werk

een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid.

2.9 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.10 bed & boterham

een kleinschalige vorm van logiesaccommodaties, waarbij één of meerdere gastenkamers aanwezig zijn en waarbij de gastenkamers geen eigen kookgelegenheid hebben en waarbij er een gemeenschappelijke ruimte is waar gasten een door de ondernemer bereide maaltijd (ontbijt) kunnen nuttigen.

2.11 bedrijf

het bedrijfsmatig vervaardigen en/of bewerken, opslaan, installeren en/of herstellen van goederen.

2.12 begane grondbouwlaag

de onderste bouwlaag van een gebouw, niet zijnde een kelder.

2.13 begane grondvloer

de vloer van een gebouw niet zijnde een keldervloer op het peilniveau.

2.14 bestaand
  • bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een vergunning;
  • bij gebruik: het legale gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.

2.15 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak.

2.16 bijgebouw

een al dan niet vrijstaand gebouw, dat architectonisch zowel als functioneel ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw en ten dienste staat van dat hoofdgebouw.

2.17 bouwactiviteit

een activiteit bestaand uit bouwen.

2.18 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk.

2.19 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

2.20 bouwlaag

het geheel van op gelijke of nagenoeg gelijke vloerhoogte gelegen ruimten in een gebouw uitgezonderd kelders.

2.21 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Bij woningen betreft dit ook de tuinfunctie behorende bij de op de aangrenzende grond gelegen woning.

2.22 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel.

2.23 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

2.24 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond, bedoeld om ter plaatse te functioneren.

2.25 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw.

2.26 erfontsluitingsweg

gedeelte op het perceel tussen de zijgevelrooilijn van het hoofdgebouw en de zijdelingse perceelgrens dat het achtererfgebied ontsluit.

2.27 functiegrens

de grens van een functievlak.

2.28 functievlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

2.29 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.30 gestapelde woning

geheel of gedeeltelijk boven en/of onder elkaar gelegen woningen in een gebouw of gebouwcomplex.

2.31 hoofdgebouw

gebouw, of bouwkundig en functioneel te onderscheiden gedeelte daarvan, dat noodzakelijk is voor het verrichten van andere activiteiten dan bouwactiviteiten die op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het perceel zijn toegestaan en, als er meer gebouwen op het perceel aanwezig zijn, gelet op die toegestane activiteiten het belangrijkst is.

2.32 huishouden

persoon of groep personen die een huishouden voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuïteit in de samenstelling ervan, die binnen een woning gebruik maakt van dezelfde voorzieningen.

2.33 kap

een dakconstructie van een gebouw gevormd door ten minste twee dakschilden met een geheel of gedeeltelijk hellend dakvlak van elk tenminste 15° en ten hoogste 75°.

2.34 laden en lossen

onmiddellijk nadat het voertuig tot stilstand is gebracht bij voortduring inladen of uitladen van goederen van enige omvang of enig gewicht, gedurende de tijd die daarvoor nodig is.

2.35 levensloopbestendig

een woning die geschikt is voor bewoning in alle levensfasen en waarbij alle primaire leefruimten (woonkamer, keuken, badkamer en minimaal 1 slaapkamer) gelijkvloers zijn gerealiseerd, en waarbij al deze ruimtes rolstoeltoegankelijk zijn zonder trappen of treden.

2.36 nutsvoorziening

een voorziening ten behoeve van het openbare nut zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling onder peil en apparatuur voor telecommunicatie.

2.37 ondergeschikte bouwdelen

ondergeschikte delen aan een gebouw zoals, trappen, bordessen, funderingen, kelderingangen, overstekende daken, goten, luifels, balkons, balkonhekken, schoorstenen, liftopbouwen en naar aard en omvang daaraan gelijk te stellen bouwonderdelen.

2.38 ondergeschikte functie

een functie welke dient ter ondersteuning van de hoofdfunctie en daar onderdeel van uitmaakt, waarbij de functie qua oppervlakte, aard en ruimtelijke uitstraling ondergeschikt is aan de hoofdfunctie, de functie uitsluitend te bereiken is via de entree van de hoofdfunctie en de openingstijden van de functie niet afwijken van de openingstijden van de hoofdfunctie.

2.39 overkapping

een bouwwerk met een draagconstructie niet door wanden van zichzelf omsloten op een bouwperceel.

2.40 parkeereis

parkeereis als bedoeld in de beleidsregel 'Nota Parkeernormen Doesburg 2025', waarbij rekening wordt gehouden met wijzigingen op de nota.

2.41 parkeervoorzieningen

parkeerplaatsen t.b.v. (vracht)auto's en overige verkeersvoertuigen waarbij voldaan dient te worden aan het gemeentelijke parkeerbeleid en, voor zover van toepassing, mede dient te worden voldaan aan de eisen t.b.v. de ontsluiting en bevoorrading als opgenomen in het gemeentelijke beleid. Indien het gemeentelijke beleid over een bepaald onderwerp geen (volledig) beeld geeft gelden de normen van het CROW als beleidsdocument.

2.42 parkeren

parkeren als bedoeld in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

2.43 peil
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aan het bouwwerk aansluitende afgewerkte terrein, voor aanvang van de bouwwerkzaamheden, het bestaande maaiveld.

2.44 prostitutiebedrijf

een inrichting of instelling gericht op het tegen betaling doen plaatsvinden van seksuele omgang met prostituees op een naar buiten toe kenbare wijze, zoals een bordeel of escortservice.

2.45 seks- en/of pornobedrijf

een inrichting of instelling gericht op het doen plaatsvinden van voorstellingen en/of vertoningen van erotische en/of pornografische aard dan wel voor detailhandel in seks- en/of porno-artikelen, zoals een seksbioscoop, seksclub, seksautomaat of sekswinkel.

2.46 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden, waaronder in ieder geval worden verstaan een prostitutiebedrijf, een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.47 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt.

2.48 voorgevelrooilijn

de lijn die gelijk loopt aan voorgevel(s) van het hoofdgebouw en het verlengde daarvan.

2.49 wonen

het gehuisvest zijn in een woning/wooneenheid.

2.50 woning

een complex van ruimten, geschikt en bestemd voor de permanente huisvesting van niet meer dan één huishouden, waaronder begrepen eventueel gemeenschappelijk gebruik van bepaalde ruimten.

2.51 wooneenheid

een woning.

2.52 zorgwoning

een woning bestemd voor het al dan niet zelfstandig wonen voor mensen die in lichte dan wel overwegende mate hulpbehoevend zijn.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

3.1 meetbepalingen

In aanvulling op en indien van toepassing in afwijking van het bepaalde in artikel 22.24 van dit

omgevingsplan, gelden de volgende meetbepalingen:

3.2 bebouwingspercentage

het deel van het bouwperceel uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden, tenzij in de regels anders is vermeld.

3.3 bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.4 goothoogte van een bouwwerk

van de bovenkant van de goot dan wel de druiplijn, het boeiboord of een gelijk daaraan te stellen constructiedeel, tot aan de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte terrein ter plaatse. Bij toepassing van het meten van de goothoogte van een bouwwerk worden dakkapellen buiten beschouwing gelaten, behoudens dakkapellen waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de breedte van het betreffende dakvlak. De goothoogte wordt dan gemeten vanaf het peil tot aan de goot van de dakkapel.

3.5 inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen en met uitzondering van ondergrondse bouwwerken.

3.6 oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.7 de oppervlakte van een overkapping

tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping.

3.8 dakhelling

de hoek die het dakvlak maakt ten opzichte van het horizontale vlak.

3.9 uitzonderingen

bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen, als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, liftschachten, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding van bouwgrenzen niet meer dan 1 m bedraagt.

3.10 werking van bouwgrenzen

De bouwgrenzen mogen in afwijking van de verbeelding en het bepaalde in Hoofdstuk 2 van deze regels uitsluitend worden overschreden door tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen, hellingbanen, funderingen en andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,5 m.

Hoofdstuk 2 Functieregels

Artikel 4 Tuin

4.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met

identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin.

4.2 Functieomschrijving Tuin

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Tuin heeft de volgende functies:

  • a. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen;
  • b. erfontsluitingswegen;
  • c. parkeervoorzieningen, uitsluitend op de erfontsluitingsweg;
  • d. voorzieningen ten behoeve van elektrisch laden van voertuigen;

met daarbij behorende bouwwerken, voorzieningen en onbebouwde gronden.

4.3 Bouwactiviteiten - algemeen

Bouwwerken zijn alleen toegestaan als zij ten dienste staan van de functies genoemd in lid 4.2.

4.4 Bouwactiviteit - gebouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

4.5 Bouwactiviteiten - bouwwerken, geen gebouwen zijnde
4.5.1 Beoordelingsregels

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de maximum bouwhoogte vóór (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw is maximaal 1 m;
  • b. de maximum bouwhoogte achter (het verlengde van) de naar de weg gekeerde gevel(s) van het hoofdgebouw is 2,7 m.

Artikel 5 Wonen

5.1 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met

identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01 is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen.

5.2 Functieomschrijving Wonen
5.2.1 Algemeen

Een locatie die is aangewezen voor het gebruiksdoel Wonen heeft de volgende functies:

  • a. wonen;
  • b. zorgwoningen ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' zoals bepaald in lid 5.3.1;
  • c. tuinen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen woningen;
  • d. aan huis gebonden beroepen;
  • e. ecologische voorzieningen;
  • f. voorzieningen ten behoeve van elektrisch laden van voertuigen;
  • g. erfontsluitingswegen;
  • h. parkeervoorzieningen;

met daarbij behorende bouwwerken, voorzieningen en onbebouwde gronden.

5.3 Gebruiksacticiteit - nadere regels
5.3.1 Maatschappelijk

Ter plaatse van de aanduiding 'maatschappelijk' zijn zorgwoningen toegestaan bestemd voor het al dan niet zelfstandig wonen van mensen die in lichte dan wel overwegende mate hulpbehoevend zijn, met daarbij behorende gemeenschappelijke en bijbehorende ruimten.

5.3.2 Aan huis gebonden beroep

het ten behoeve van het aan huis gebonden beroep in gebruik te nemen vloeroppervlak bedraagt maximaal 40% van de gezamenlijke oppervlakte van het hoofdgebouw en de bijgebouwen met een maximum van 50 m2.

5.4 Bouwactiviteit - algemeen
5.4.1 Functionele relatie

Bouwwerken zijn alleen toegestaan indien zij ten dienste staan van de functies genoemd in lid 5.2.

5.5 Bouwactiviteit - hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels:

  • a. hoofdgebouwen zijn alleen toegestaan binnen een bouwvlak;
  • b. woningen worden uitsluitend gestapeld gebouwd;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'.
5.6 Bouwactiviteit - bouwwerken, geen gebouw zijnde
5.6.1 Beoordelingsregels

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de hoogte van erf- en terreinafscheidingen mag maximaal 2 m bedragen, met dien verstande dat de hoogte van erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor (het verlengde van) de voorgevelrooilijn maximaal 1 m mag bedragen;
  • b. de hoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 2,7 m bedragen.
5.7 Bouwactiviteit - vergunningvoorschrift
5.7.1 Bijbehorende bouwwerken

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in 5.5 onder a. voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken buiten een bouwvlak als aan de volgende regels wordt voldaan:

  • a. de bouwhoogte van bijbehorende bouwwerken is maximaal 3 meter;
  • b. het bebouwingspercentage van het bouwperceel is maximaal 50%;
  • c. gebouwd op minimaal 3,0 meter achter de voorgevelrooilijn van het hoofdgebouw.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

De regels van dit hoofdstuk zijn van toepassing binnen het plangebied zoals opgenomen in het GML-bestand met identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01.

Artikel 6 Aanvraagvereisten

  • 1. De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit plan. In het bijzonder geldt dat:
    • a. het bepaalde in artikel 22.284 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een aanlegactiviteit in dit plan;
    • b. het bepaalde in artikel 22.285 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een sloopactiviteit in dit plan; en
    • c. het bepaalde in 22.286 van toepassing is op een aanvraag om omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit in dit plan.
  • 2. In aanvulling op het bepaalde onder 1 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels.

Artikel 7 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 8 Bouwactiviteit - algemeen

8.1 Bouwactiviteit - vergunningvoorschrift

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde elders in dit hoofdstuk 22e voor het overschrijden van bouwgrenzen voor:

  • a. toegangsbruggen en funderingen, waarbij de grens van de weg niet wordt overschreden;
  • b. plinten, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen, wanden voor ventilatiekanalen en schoorstenen, indien de overschrijding van de bouwgrens, waaraan de voorgevel gelegen is, niet meer dan 120 cm bedraagt en daarbij de grens van de weg niet wordt overschreden;
  • c. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken, overbouwingen, bloemenkozijnen, balkons, galerijen en luifels, mits zij de bouwgrens, waaraan de voorgevel gelegen is, met niet meer dan 50 cm overschrijden en niet lager zijn aangebracht dan:
    • 1. 4,20 m boven een rijbaan of boven een strook ter breedte van 1,50 m langs een rijbaan;
    • 2. 2,20 m boven een voetpad, voor zover dit voetpad geen deel uitmaakt van de genoemde strook;
  • d. funderingen en bouwwerken onder peil, voor zover deze de bouwgrens met niet meer dan 1 m overschrijden en daarbij de grens van de weg niet wordt overschreden;
  • e. goten en afvoerleidingen en inrichtingen voor de verzameling van water en rioolstoffen;
  • f. hijsinrichtingen aan tot bewoning bestemde gebouwen, voor zover deze hijsinrichtingen in geen enkele stand de bouwgrens, waaraan de voorgevel gelegen is, met meer dan 1 m overschrijden en voor zover zij de grens van de weg niet overschrijden en niet lager zijn geplaatst dan 4,20 m boven de hoogte van de rijbaan.
8.2 Specifieke beoordelingsregels - afwijken van de regels

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd om met een omgevingsvergunning af te wijken van de regels ten behoeve van:

  • a. in het plan genoemde goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 10% van de goothoogten, bouwhoogten, oppervlakte- en inhoudsmaten, percentages en afstandseisen;
  • b. de regels en toestaan dat bouwgrenzen worden overschreden, waarbij een overschrijding is toegestaan tot maximaal 2,5 m, en deze noodzakelijk is in verband met de uitmeting van het terrein of uit een oogpunt van doelmatig gebruik van de gronden en/of de bebouwing;
    • 1. het afwijken als bedoeld onder sub a en b kan alleen als: de stedenbouwkundige opzet van het plan niet wezenlijk wijzigt
    • 2. de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad;
    • 3. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen niet onevenredig worden geschaad.
8.3 Bouwactiviteit - omgevingskwaliteit
8.3.1 Algemeen

Het bepaalde in 8.3 geldt in plaats van het bepaalde in artikel 22.29 lid 1 onder b en lid 2 en artikel 22.35 sub i van dit omgevingsplan.

8.3.2 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt alleen verleend als het uiterlijk en de plaatsing van het bouwwerk, met uitzondering van een tijdelijk bouwwerk dat geen seizoensgebonden bouwwerk is, zowel op zichzelf beschouwd als in verband met de omgeving of de te verwachten ontwikkeling daarvan, geen onaanvaardbare afbreuk doet aan een goede omgevingskwaliteit.
  • b. Het eerste lid is niet van toepassing als het bevoegd gezag van oordeel is dat de omgevingsvergunning toch moet worden verleend.
  • c. Of sprake is van een onaanvaardbare afbreuk aan een goede omgevingskwaliteit als bedoeld in het eerste lid, wordt beoordeeld volgens de criteria van de beleidsregels, bedoeld in artikel 4.19 van de Omgevingswet.

8.3.3 Vergunningvoorschriften

Aan een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken kunnen met betrekking tot het uiterlijk van bouwwerken voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op het in het eerste lid 8.3.2 genoemde belang.

8.3.4 Aanvraagvereisten

Bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken worden de volgende gegevens en bescheiden verstrekt voor de toetsing aan het bepaalde in 8.3.2:

  • a. tekeningen van alle gevels van het bouwwerk, inclusief de gevels van belendende bebouwing, waaruit blijkt hoe het geplande bouwwerk in de directe omgeving past;
  • b. principedetails van gezichtsbepalende delen van het bouwwerk;
  • c. kleurenfoto's van de bestaande situatie en de omliggende bebouwing; en
  • d. een opgave van de toe te passen bouwmaterialen in de uitwendige scheidingsconstructie en de kleur daarvan, waaronder in ieder geval het materiaal en de kleur van de gevels, het voegwerk, kozijnen, ramen en deuren, balkonhekken, dakgoten, boeidelen en de dakbedekking;
  • e. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een eventueel benodigde toetsing aan dit omgevingsplan.

Artikel 9 Gebruiksactiviteit - algemeen

9.1 Algemeen verboden gebruik

Het is verboden om gronden en bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan de locatie toegedeelde functies.

9.2 Specifiek verboden gebruik

Het is in ieder geval verboden om:

  • a. onbebouwde grond te gebruiken als stort- en opslagplaats van aan het gebruik onttrokken goederen en materialen, anders dan als tijdelijke opslag ten behoeve van het normale gebruik en onderhoud;
  • b. grond en bebouwing te gebruiken ten behoeve van een seks- en/of pornobedrijf en/of prostitutiebedrijf;
  • c. grond en bebouwing te gebruiken voor kamerbewoning / kamerverhuur;
  • d. grond en bebouwing te gebruiken voor de 24-uursopvang van dak- en thuislozen met een verslavingsproblematiek of justitieel verleden.
9.3 Maatwerkvoorschrift

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in 9.1 en 9.2 indien strikte

toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door

dringende redenen gerechtvaardigd wordt.

Artikel 10 Beoordelingsregels - algemeen

Het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ter plaatse van het besluitgebied, is alleen toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:

10.1 Voorwaardelijke verplichting hemelwater
10.1.1 Beoordelingsregels

Het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken overeenkomstig het bepaalde in Hoofdstuk 2 is alleen toegestaan als:

  • a. is voorzien in de opvang en afvoer van hemelwater volgens de formule: Benodigde compensatie (m3) = Toename verhard opp. (in m²) * 0,055.
  • b. de waterberging in stand wordt gehouden.

10.1.2 Maatwerkvoorschrift

Met een maatwerkvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in 10.1.1 indien strikte

toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door

dringende redenen gerechtvaardigd wordt en waarbij een naar aard en omvang gelijkwaardige voorziening wordt getroffen die voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

10.2 Voorwaardelijke verplichting parkeren
10.2.1 Algemeen

Een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken wordt alleen verleend als aan de parkeereis op eigen bouwperceel wordt voldaan.

10.2.2 Beoordelingsregels

Of wordt voldaan aan de parkeereis wordt beoordeeld volgens:

  • a. De parkeernormen in Bijlage 1 Parkeernormen waarbij de normen gelden zoals opgenomen in de kolom 'Rest bebouwde kom'.
  • b. De beleidsregel 'Nota Parkeernormen Doesburg 2025', waarbij rekening wordt gehouden met wijzigingen op de nota.

10.2.3 Vergunningvoorschriften

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 10.2.1 indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen gerechtvaardigd wordt, waarbij een naar aard en omvang gelijkwaardige voorziening wordt getroffen die voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

10.2.4 Aanvraagvereisten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.35 en paragraaf 22.5.2 worden bij een aanvraag om een omgevingsvergunning als bedoeld onder 10.2.1 voor de toetsing aan dit omgevingsplan in ieder geval de volgende gegevens en bescheiden verstrekt:

  • a. een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop:
    • 1. de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak;
    • 2. de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde;
    • 3. de wijze waarop de locatie wordt ontsloten;
    • 4. de aangrenzende locaties en de daarop voorkomende bebouwing; en
    • 5. het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk;
  • b. de inrichting van parkeervoorzieningen;
  • c. overige gegevens en bescheiden die samenhangen met een toetsing aan de beoordelingsregels genoemd in 10.2.2.
10.3 Voorwaardelijke verplichting laden/lossen
10.3.1 Algemeen

Indien de functie van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen met bijbehorende voorzieningen, wordt een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit voor het oprichten van gebouwen en/of gebruiken en/of laten gebruiken van gronden en bouwwerken alleen verleend als op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen.

10.3.2 Beoordelingsregels

Of wordt voldaan aan op eigen terrein voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen wordt beoordeeld volgens de richtlijnen van de CROW.

10.3.3 Vergunningvoorschriften

Met een vergunningvoorschrift kan worden afgeweken van het bepaalde in 10.3.1 indien strikte toepassing van dit voorschrift leidt tot een beperking van het meest doelmatige gebruik, die niet door dringende redenen gerechtvaardigd wordt, waarbij een naar aard en omvang gelijkwaardige voorziening wordt getroffen die voldoet aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

10.3.4 Aanvraagvereisten

In aanvulling op het bepaalde in paragraaf 22.5.2 worden bij de aanvraag om omgevingsvergunning die gegevens en bescheiden overlegd die naar het oordeel van het bevoegde gezag noodzakelijk zijn voor een toets aan de beoordelingsregels genoemd in 10.3.2.

Hoofdstuk 4 Regels ter bescherming van waarden en objecten

Artikel 11 Waarde - Archeologie

11.1 Voorrangsregeling

De regels in dit artikel hebben voorrang op de regels in hoofdstuk 2 en 3.

11.2 Toepassingsbereik

De regels van dit artikel zijn van toepassing op de locatie die in het GML-bestand met

identificatienummer NL.IMRO.0221.TAM22EHMO-VA01 is aangewezen voor Waarde - Archeologie.

11.3 Functieomschrijving

Een locatie die is aangewezen als Waarde - Archeologie heeft mede als functie de bescherming van de archeologische verwachting en de archeologische waarden.

11.4 Omgevingsplanactiviteit voor werken en werkzaamheden
11.4.1 Vergunningplicht
  • a. Ter plaatse van de volgende aanduidingen is het verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning een bodemingreep uit te voeren of te laten uitvoeren:
    • 1. 'overige zone - bekende archeologische waarden binnenstad middelhoog' voor bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 2. 'overige zone - bekende archeologische waarden binnenstad hoog' voor bodemingrepen groter dan 25 m2 en dieper dan 0,3m;
    • 3. 'overige zone - bekende archeologische waarden binnenstad zeer hoog' voor bodemingrepen groter dan 10 m2 en dieper dan 0,3m;
    • 4. 'overige zone - bekende archeologische waarden buitengebied middelhoog' voor bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 5. 'overige zone - bekende archeologische waarden buitengebied hoog' voor bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 6. 'overige zone - archeologische verwachtingswaarde middelhoog' voor bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 7. 'overige zone - archeologische verwachtingswaarde hoog' voor bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 0,5m;
    • 8. 'overige zone - archeologische verwachtingswaarde historische ijssellopen' voor bodemingrepen groter dan 1.000 m2 en dieper dan 7,5m + NAP;
  • b. indien geen aanduiding is opgenomen geldt dat het verboden is om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning werken of werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren voor bodemingrepen groter dan 10,000 m2 en dieper dan 0,5m.
  • c. Het verbod als bedoeld onder a. geldt niet voor werken en werkzaamheden:
    • 1. in het kader van het normale beheer en onderhoud, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen;
    • 2. in het kader van het normale agrarische gebruik;
    • 3. binnen een afstand van maximaal 2,5 m uit een bestaande fundering van een bestaand bouwwerk;
    • 4. voor werken en werkzaamheden in de bodem waarvoor ten tijde van het van kracht worden van dit artikel een aanlegvergunning of omgevingsvergunning in dit kader is verleend.

11.4.2 Aanvullende aanvraagvereisten

Om de aanvraag voor een omgevingsvergunning als bedoeld onder 11.4.1 goed te kunnen beoordelen kan het noodzakelijk zijn dat een rapport wordt overgelegd waarin de archeologische waarde van de gronden die blijkens de aanvraag worden verstoord naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

11.4.3 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning mag alleen worden verleend, indien is gebleken dat de in 11.3 en 11.4 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van archeologisch materiaal dan wel dat de verstoring ervan redelijk is in relatie tot het belang van de te verrichten werken en het archeologische belang daarbij voldoende is gewaarborgd.

11.5 Maatwerkvoorschrift
  • a. Burgemeester en wethouders kunnen de volgende nadere eisen stellen aanvullend aan het bepaalde in lid 11.4 ten behoeve van de bescherming van de archeologische verwachting en de archeologische waarden:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; of
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. de verplichting om de activiteit die tot bodemverstoring leidt te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg;
  • b. Het besluit tot het stellen van maatwerkvoorschriften als bedoeld onder a. moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder geval blijkt dat de voorschriften noodzakelijk zijn voor de bescherming van de archeologische verwachting en de archeologische waarden.


Hoofdstuk 5 Overgangsregels

Artikel 12 Overgangsrecht

12.1 Overgangsrecht bouwwerken
12.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel aanwezig of in uitvoering is, danwel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van dit plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.

12.1.2 Afwijken bij omgevingsvergunning

Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in 12.1.1 een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in 12.1.1 met maximaal 10 %.

12.1.3 Uitzondering

Het bepaalde in 12.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel, maar zijn gebouwd zonder omgevingsvergunning en in strijd zijn met het omgevingsplan zoals dat gold voor inwerkingtreding van dit plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen in het omgevingsplan.

12.2 Overgangsrecht gebruik
12.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

12.2.2 Strijdig gebruik

Het is verboden het met dit plan strijdige gebruik, bedoeld in 12.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dit hoofdstuk strijdige gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

12.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in 12.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van dit artikel voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

12.2.4 Uitzondering

Het bepaalde in, 12.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het omgevingsplan voor inwerkingtreding van dit artikel, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van het omgevingsplan.