direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Eerbeek, Burgersterrein
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan heeft betrekking op het voormalig Burgersterrein in Eerbeek (hierna: plangebied). Het terrein van het voormalig transportbedrijf Burgers is braakliggend. De gemeente Brummen wil in het plangebied maximaal 108 woningen en maximaal 4.500 m2 bedrijfsvloeroppervlak (bvo) aan bedrijfsfuncties realiseren. In de huidige planologische situatie heeft het plangebied een bedrijfsfunctie. Het voornemen is dan ook in strijd met de bouw- en gebruiksregels uit het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Om dit voornemen te kunnen realiseren, moet het omgevingsplan worden gewijzigd.

Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch-planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied bestaat uit de volgende kadastrale percelen: gemeente Hall, sectie E, nummers 3289, 5918, 5919 en 6103.

Afbeelding 1.1 laat de ligging van het plangebied zien. Het plangebied is links aangegeven met een rode ster en rechts met een rood kader. De exacte begrenzing van het plangebied staat op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: OpenStreetMap)  

1.3 Huidig planologisch regime

1.3.1 Geldend omgevingsplan

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Brummen (in werking vanaf 1 januari 2024). Ter plaatse bestaat het omgevingsplan van rechtswege uit de volgende documenten:

  • Bestemmingsplan Eerbeek Zuid 1971;
  • Bestemmingsplan "Mantelzorgwoning" (vastgesteld: 15 oktober 2015);
  • "Paraplubestemmingsplan Parkeren" (vastgesteld: 18 oktober 2018);
  • Bestemmingsplan "Eerbeek" (vastgesteld: 3 september 2020);
  • "Paraplubestemmingsplan Archeologie" (vastgesteld: 15 oktober 2020);

Hierna wordt ingegaan op de regels van de geldende bestemmingsplannen. Omdat deze bestemmingsplannen zijn opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan wordt nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'.

Voor de verbeelding van het geldend planologisch regime is met name bestemmingsplan "Eerbeek" en "Paraplubestemmingsplan Archeologie" relevant. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van deze bestemmingsplannen opgenomen. Het plangebied is met de rode omlijning indicatief aangegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Geldend planologisch regime (Bron: Omgevingsloket)  

Hieronder worden de ter plaatse geldende bestemmingen verder beschreven.

Bestemmingsplan "Mantelzorgwoning"

Een gebruik van woningen voor inwoning ten behoeve van mantelzorg is toegestaan overeenkomstig de inwoonregeling gemeente Brummen (2014). Een bewoning van bijgebouwen of een tijdelijke mantelzorgunit als afhankelijke woonruimte wordt aangemerkt als gebruik in strijd met de bestemming. Onder voorwaarden kan door middel van een omgevingsvergunning worden afgeweken van deze laatste regel.

"Paraplubestemmingsplan Parkeren"

In dit bestemmingsplan staan regels opgenomen over het berekenen van en voorzien in de parkeerbehoefte.

Bestemmingsplan "Eerbeek"

'overige zone - vernietiging plandeel'

Ter plaatse van de aanduiding 'vernietiging plandeel' heeft de Raad van State bij einduitspraak, het vaststellingsbesluit, voorzover betrekking hebbende op de aangeduide bestemmingen en aanduidingen, vernietigd: het plandeel met de bestemming 'Bedrijventerrein' voor het zogenoemde Burgersterrein.

Daarmee zijn alle regels in het paars gekleurde deel van het plangebied (de bestemming 'Bedrijventerrein') komen te vervallen. Wel gelden er nog regels voor de geur- en geluidzone.

'Cultuur en ontspanning'

De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn met name bestemd voor maatschappelijke en culturele voorzieningen. Gebouwen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gebouwd. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' mag de goot- en bouwhoogte van gebouwen niet meer bedragen dan is aangegeven.

'milieuzone - geurzone 2'

Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone – geurzone 2' zijn de gronden, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de aanwezigheid van geurhinderveroorzakende inrichtingen. In afwijking van het bepaalde bij de daar voorkomende bestemmingen, mogen geen nieuwe geurgevoelige objecten van categorie A worden opgericht.

'geluidzone - te verwijderen'

De regels uit artikel 24.2.1 van het bestemmingsplan "Kom Eerbeek" zijn komen te vervallen.

"Paraplubestemmingsplan Archeologie"

'Waarde - Archeologie hoog'

De voor 'Waarde - Archeologie hoog' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.

Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm. Dit verbod geldt ook voor het bouwen van gebouwen met een oppervlakte van meer dan 250 m2.

'Waarde - Archeologie waardevol'

De voor 'Waarde - Archeologie waardevol' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.

Het is verboden om op of in de gronden, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen op een grotere diepte dan 40 cm.

1.3.2 Opheffen strijdigheid

Het voornemen is om maximaal 108 woningen te bouwen en maximaal 4.500 m2 bvo aan lichte bedrijvigheid mogelijk te maken (milieucategorie 1 en 2). Dit is niet in overeenstemming met de geldende bouw- en gebruiksregels van het bestemmingsplan "Eerbeek". Het is daarom nodig de planologische situatie in overeenstemming te brengen met de gewenste situatie, door het omgevingsplan te wijzigen. Dit gebeurt door middel van een TAM-omgevingsplan. Dit staat hieronder verder beschreven.

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in Hoofdstuk 13 nader op ingegaan.

1.4 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en gewenste situatie van het plangebied. In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. In Hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5, 6 en 7 gaan achtereenvolgens in op de aspecten van de omgevingsveiligheid, het waterbelang en de bescherming van de gezondheid en het milieu. In Hoofdstuk 8 komt de bescherming van de natuur aan bod, waarna in Hoofdstuk 9 wordt ingegaan op de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'. Hoofdstuk 10 gaat in op de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Hoofdstuk 11 en Hoofdstuk 12 bevatten de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan. Hierin wordt tevens ingegaan op de participatie. Ten slotte wordt in Hoofdstuk 13 ingegaan op de juridische planverantwoording van het TAM-omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 Huidige en gewenste situatie

2.1 Huidige situatie

Zoals eerder genoemd bestaat het plangebied uit het terrein van het voormalig transportbedrijf Burgers in Eerbeek. Het plangebied ligt naast het centrum van Eerbeek. Het plangebied zelf is geheel braakliggend. De omgeving van het plangebied kan als volgt worden getypeerd:

Aan de noordzijde van het plangebied zijn woningen gelegen aan de Stuijvenburchstraat, met daarachter een woonwijk. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrenst door de Loubergweg, met daarachter verspreide woningen en groen. Aan de zuidwestzijde van het plangebied ligt het museumspoor Apeldoorn-Dieren. Ten zuidwesten van het plangebied liggen enkele grote bedrijven, zoals een machinefabriek. Tot slot is ten noordwesten van het plangebied het centrum van Eerbeek met diverse functies gesitueerd, zoals een supermarkt.

In afbeelding 2.1 staat een luchtfoto van het plangebied (rood kader). Afbeelding 2.2 laat het straatbeeld zien vanaf de spoorwegovergang op de Loubergweg.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01_0003.png"  
Afbeelding 2.1: Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: PDOK)  
afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01_0004.png"  
Afbeelding 2.2: Straatfoto plangebied vanaf de Loubergweg (Bron: Google Maps, september 2023)  

2.2 Het voornemen

Achtergrond

De voorbereiding van de herinrichting van het Burgersterrein is in het najaar 2022 gestart. Het participatietraject is in september 2023 van start gegaan. Ruim 100 belangstellenden bezochten de eerste interactieve participatieavond. Tijdens die avond werd uitgelegd wat de stand van zaken is rond het Burgersterrein en welke plannen de gemeente maakt. Centraal daarin stonden drie varianten waarop woningbouw, groen en eventueel bedrijfsruimte waren ingepast. In december 2023 is door de gemeenteraad ingestemd met de variant waarbij circa 100 woningen in een groene omgeving worden gebouwd. Er is beperkt ruimte voor bedrijvigheid. Dit is ook de uitwerking die tijdens het participatieproces op de meeste steun kon rekenen. Deze variant is in 2024 verder uitgewerkt tot een Voorlopig Ontwerp en Beeldkwaliteitsplan. Na een verdere participatieronde heeft het college op 19 november 2024 een besluit genomen over het Voorlopig Ontwerp en een eerste versie van het Beeldkwaliteitsplan. De raad ging unaniem akkoord met deze beide documenten. In 2025 wordt het ontwerp definitief gemaakt en het Beeldkwaliteitsplan aangescherpt. Daarnaast is begonnen met het opstellen van het TAM-omgevingsplan.

Hieronder staat het voornemen verder in detail uitgewerkt. Voor een verdere toelichting op het participatieproces wordt verwezen naar paragraaf 12.1.

Programma

Het voornemen is om in het plangebied maximaal 108 woningen te bouwen en maximaal 4.500 m2 bvo aan lichte bedrijfsfuncties mogelijk te maken (milieucategorie 1 en 2). Het woningbouwprogramma ziet er als volgt uit:

  • 6 vrijstaande woningen (koop)
  • 12 twee-onder-één-kapwoningen (koop)
  • 14 rijwoningen (koop)
  • 20 rijwoningen (sociale huur)
  • In totaal worden er 56 appartementen gerealiseerd, verdeeld over 6 appartementengebouwen. Er zijn 12 koopappartementen, 28 appartementen middeldure huurwoningen en 16 appartementen in de sociale huursector.

De appartementengebouwen liggen verspreid in het plangebied. De maximale bouwhoogte verschilt per gebouw en bedraagt voor het ene gebouw 13,5 en voor het andere gebouw 15 meter. Dit staat voor elk gebouw aangegeven op de verbeelding die hoort bij deze wijziging van het omgevingsplan.

Naast de woningen komen er drie tot vijf kavels voor lichte bedrijven (milieucategorie 1 en 2). Niet alle bedrijven in deze milieucategorieën zijn wenselijk. Productiegerichte bedrijven zijn niet wenselijk. Perifere detailhandel, een bouwmarkt, tuincentrum en dergelijke zijn wel passend, met uitzondering van een auto-/caravanhandel. Het maximale totale bvo is vastgelegd op 4.500 m2. Voor de bedrijfskavels is de maximale bouwhoogte 10 meter.

Het plangebied wordt groen ingericht met bosstroken. Naast dat de bosstroken dienen als waterberging, is er ook ruimte voor een speelterrein. Op deze manier wordt concreet uitwerking gegeven aan de voorkeur van gemeente én bewoners om een groene woonomgeving te realiseren. Daarnaast worden er enkele paden aangelegd.

Indeling plangebied

In het plangebied zijn twee woonvelden. Het noordelijke woonveld bestaat uit 20 woningen en 28 appartementen. Het zuidelijke woonveld bestaat uit 28 woningen en 32 appartementen. Beide woonvelden worden begrenst door straten. Parkeren gebeurt bij het noordelijke woonveld aan de noordzijde. In het zuidelijke woonveld is er een parkeerhofje in het midden van het woonveld. Aan de straten aan de west- en oostzijde van beide woonvelden is ruimte gereserveerd voor parkeervakken, mocht in de toekomst blijken dat de gerealiseerde parkeerterreinen niet voldoen (qua capaciteit). Beide woonvelden hebben één ontsluiting op de Loubergweg.

Er zijn verschillende categorieën woningen, zowel grondgebonden en/of gestapeld. Op de plankaart bij dit TAM-omgevingsplan is de rooilijn op de kaart aangegeven, omdat de plek van de rooilijn van belang is indien er erkers ontworpen worden.

Er zijn twee galerij-ontsloten woongebouwen met 16 woningen. Voor deze woningen wordt een collectieve fietsenstalling gerealiseerd. Daarnaast zijn er vier portiek-ontsloten woongebouwen met ieder zes woningen. Bij gestapelde woningen is de plaats van de buitenruimten bepaald, om inkijk bij naastgelegen nieuwe of bestaande woningen te voorkomen.

In de toekomst is het voornemen de kruising tussen de Loubergweg en het Soerense Zand Noord opnieuw in te richten. De kruising wordt iets verbreed om een vluchtheuvel te realiseren. Een deel van deze kruising komt dan binnen het plangebied. Vanaf deze kruising komt een fietspad dat aansluit op de Stationstraat. Dit fietspad is geschikt voor hulpdiensten om in een geval van een calamiteit overheen te rijden.

Ten zuiden van dit fietspad liggen de bedrijfskavels. Deze kavels krijgen een eigen ontsluiting op de Loubergweg. De bedrijfskavels zijn geörienteerd richting de bosstroken. Het parkeren voor de bedrijven vindt plaats op de kavels zelf.

Beeldkwaliteitsplan

Een en ander is verder uitgewerkt in het beeldkwaliteitsplan. Dit document is in de toelichting als Bijlage 1 toegevoegd aan voorliggende wijziging van het omgevingsplan. Het beeldkwaliteitsplan is ook toegevoegd aan de regels van dit plan en wordt daarmee door de gemeenteraad vastgesteld. Het beeldkwaliteitsplan beschrijft de gewenste verschijningsvorm van de bebouwing en het openbaar gebied. Denk hierbij aan richtlijnen voor architectuur, materiaalgebruik, gevelopbouw en aansluiting op het omliggende landschap en het bestaande dorp Eerbeek. Het beeldkwaliteitsplan waarborgt een samenhangende en herkenbare identiteit van de nieuwe wijk. Waar het beeldkwaliteitsplan nadere eisen stelt aan de uitstraling van gebouwen, zijn deze gekoppeld aan de regels middels beoordelingscriteria, en vindt borging plaats via het reguliere welstandstoezicht in de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen.

Op de onderstaande afbeelding is een plankaart uit het beeldkwaliteitsplan te zien.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01_0005.png"  
Afbeelding 2.3: Beeldkwaliteitsplan (Bron: Gemeente Brummen)  

2.3 Infrastructuur en openbare ruimte

2.3.1 Algemeen

Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. Daarna wordt ingegaan op het aspect infrastructuur en openbare ruimte.

2.3.2 Verkeer en parkeren

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Voor de berekening van de parkeerbehoefte moeten de normen uit het "Paraplubestemmingsplan parkeren" worden gebruikt. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers 2024, basis voor parkeernormering', publicatie 744 (augustus 2024) van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen.

Verkeersgeneratie en ontsluiting

De volgende uitgangspunten zijn gehanteerd:

  • Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk;
  • Stedelijke zone: het plangebied ligt naast het centrum van Eerbeek. Voor het doen van boodschappen en het bezoeken van andere voorzieningen in het centrum gebruiken de bewoners niet de auto. Daarom kan worden gerekend met de getallen van 'schil centrum';
  • Functie: voor de woningen is uitgegaan van de uitgangspunten zoals ook in paragraaf 2.2 is beschreven. Voor de bedrijven is uitgegaan van een tuincentrum en twee bedrijfsverzamelgebouwen. Dit betreft een hypothetische situatie, omdat niet exact bekend is welk aantal en type bedrijven zich zullen vestigen. Gekozen is voor een functie met een lagere verkeersgeneratie en een functie met een hogere verkeersgeneratie.

In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. In voorliggend geval is van het gemiddelde uitgegaan.

Op basis van de vorenstaande uitgangspunten ontstaat qua verkeersgeneratie als gevolg van het plan het volgende beeld:

Functie   Verkeersgeneratie   Aantal eenheden   Totale verkeersgeneratie  
Koop, huis, vrijstaand   8,1 per woning   6 woningen   48,6  
Koop, huis, twee-onder-een-kap   7,7 per woning   12 woningen   92,4  
Koop, huis, tussen/hoek   7,3 per woning   14 woningen   102,2  
Huur, huis, sociale huur   4,6 per woning   20 woningen   92  
Koop, appartement, 75-100 m2 bvo   5,9 per woning   12 woningen   70,8  
Huur, appartement, vrije sector, 75-100 m2 bvo   3,7 per woning   28 woningen   103,6  
Huur, appartement, sociale huur, 75-100 m2 bvo   3,4 per woning   16 woningen   54,4  
Tuincentrum   13,7 per 100 m2 bvo   1.800 m2 bvo   246,6  
Bedrijfsverzamelgebouw   7 per 100 m2 bvo   2.700 m2 bvo   189  
Totale verkeersgeneratie (naar boven afgerond)   1.000  

De totale verkeersgeneratie in de gebruiksfase komt neer op afgerond 1.000 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Zoals eerder is genoemd hebben de woningen en de bedrijfskavels elk een eigen ontsluiting op de Loubergweg. In een eerder stadium is door Bono Traffics de ontsluiting van het Burgersterrein onderzocht. Het onderzoek staat in Bijlage 2. In dit advies is uitgegaan van een hogere verkeersgeneratie (hoger aantal woningen en meer bvo). Uit het advies blijkt dat de Loubergweg de verkeersgeneratie vlot en veilig kan afwikkelen. De ontsluiting op de Loubergweg is vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid, oversteekbaarheid en leefbaarheid goed inpasbaar.

Parkeerbehoefte

Voor het berekenen van de parkeerbehoefte moeten de parkeernormen uit het "Paraplubestemmingsplan Parkeren" worden gebruikt. Voor het plangebied wordt uitgegaan voor de parkeernormen van het centrum, daarom worden de normen uit artikel 3.5 van het parapluplan aangehouden. Voor appartementen zijn deze normen niet ingedeeld naar oppervlakte klasse, maar naar prijsklasse. Omdat de prijs voor de appartementen niet bekend zijn wordt uitgegaan van dure koop/huur appartementen. Gelet op de verplichting tot betaalbare woningen is dit voor parkeren een conservatief uitgangspunt. Er zijn geen parkeernormen beschikbaar voor sociale huurappartementen. Daarom is aangesloten bij de normen voor goedkope appartementen.

Op basis van de parkeernormen is sprake van de volgende parkeerbehoefte:

Functie   Parkeerbehoefte   Aantal eenheden   Totale parkeerbehoefte  
Koop, vrijstaand   1,8 per woning   6 woningen   10,8  
Koop, twee-onder-een-kap   1,7 per woning   12 woningen   20,4  
Koop, tussen/hoek   1,5 per woning   14 woningen   21  
Huurhuis, sociale huur   1,3 per woning   20 woningen   26  
Koop, etage, duur   1,6 per woning   12 woningen   19,2  
Huur, etage, duur   1,4 per woning   28 woningen   39,2  
Huur, etage, midden/goedkoop   1,1 per woning   16 woningen   17,6  
Totale parkeerbehoefte woningen (naar boven afgerond)   155  
Tuincentrum   2,65 per 100 m2 bvo   1.800 m2 bvo   47,7  
Bedrijfsverzamelgebouw   1,35 per 100 m2 bvo   2.700 m2 bvo   36,45  
Totale parkeerbehoefte bedrijven (naar boven afgerond)   85  

Voor de beide woonvelden geldt een totale parkeerbehoefte van afgerond 155 parkeerplaatsen. In totaal worden er 129 parkeerplaatsen aangelegd, om overmatige verharding zoveel als mogelijk te voorkomen. De onderbouwing hiervoor is dat de vrijstaande en twee-onder-een-kapwoningen op eigen terrein ruimte krijgen voor parkeerplaatsen (28 plekken). Mocht in de toekomst blijken dat sprake is van overmatige parkeerdruk en dus een tekort aan parkeerplaatsen (omdat in het kader van een groene inrichting minder parkeerplaatsen worden aangelegd) is in voorliggende wijziging van het omgevingsplan voldoende ruimte gereserveerd voor het aanleggen van extra parkeervakken. De parkeervakken komen langs de straten aan de west- en oostzijde van de woonvelden in het plangebied. Daarnaast is nu op het parkeerterrein aan de Wasacker voldoende ruimte beschikbaar om te parkeren. Voor de bedrijfskavels is sprake van een parkeerbehoefte van afgerond 85 parkeerplaatsen. Deze parkeerbehoefte kan volledig op eigen terrein worden ingevuld. Het plan voorziet voldoende in de eigen parkeerbehoefte.

2.3.3 Infrastructuur en buitenruimte

Zoals eerder is genoemd worden beide woonvelden ontsloten op de Loubergweg. Ook de bedrijfskavels krijgen een eigen ontsluiting op de Loubergweg. Parkeren gebeurt hoofdzakelijk in parkeerhofjes ten noorden van het noordelijke woonveld en in het midden van het zuidelijke woonveld. Parkeren voor de bedrijven gebeurt op de bedrijfskavels. Aan de straten aan de west- en oostzijde van beide woonvelden is ruimte gereserveerd voor parkeervakken. In de toekomst wordt de kruising tussen de Loubergweg en het Soerense Zand Noord opnieuw ingericht. De kruising wordt iets verbreed om een vluchtheuvel te realiseren. Een stukje van deze kruising komt dan binnen het plangebied. Vanaf deze kruising komt een fietspad die aansluit op de Stationstraat. Dit fietspad is geschikt voor hulpdiensten om in een geval van een calamiteit overheen te rijden. Ook komt er een doorgang voor fietsers en voetgangers naar de Wasacker. Verder worden er diverse wandelpaden en een speeltuin aangelegd in het plangebied. Op onderstaande afbeelding is de infrastructuur in het plangebied zichtbaar.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01_0006.png"  
Afbeelding 2.4: Infrastructuur plangebied (Bron: Gemeente Brummen)  

2.3.4 Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 3 Landschappelijke en stedenbouwkundige waarden

3.1 Wettelijk kader

In artikel 1.3 van de Omgevingswet is het voorzien in 'een goede omgevingskwaliteit' opgenomen in de centrale doelstelling. Dit duidt op het belang van aspecten als erfgoed, architectuur, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van de natuur en het landschap. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken daarom integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld over:

  • Kustbescherming;
  • Waddenzee en Waddengebied;
  • Cultureel erfgoed en werelderfgoed;
  • Landelijke fiets- en wandelroutes;
  • Ladder voor duurzame verstedelijking;

De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de bescherming van de ter plaatse van het plangebied en directe omgeving relevante landschappelijke en stedenbouwkundige waarden.

3.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

3.2.1 Algemeen

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:

  • de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling;
  • bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'bestaand stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'.

Bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

3.2.2 Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling?

Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Op basis van onderstaande uitspraken blijkt dat er voor woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling die Ladderplichtig is.

  • 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921);
  • 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).

Voor bedrijven is 'in beginsel' sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling bij de toevoeging van een gebouw van minimaal 500 m2 bruto vloeroppervlak (ABRvS 28 juni 2017; ECLI:NL:RVS:2017:1724).

Het initiatief is om maximaal 108 woningen te bouwen en maximaal 4.500 m2 aan lichte bedrijfsfuncties mogelijk te maken. Daarmee is sprake van een stedelijke ontwikkeling.

Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?

De Ladder bepaalt verder niet voor welk gebied de behoefte in beeld moet worden gebracht. Het is primair aan het bevoegd gezag om op basis van het ruimtelijk verzorgingsgebied het gebied te bepalen. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepalen op welk niveau de afweging wordt gemaakt.

De woningen zijn met name bedoeld voor de lokale behoefte in de gemeente Brummen. Gelet op de omvang van het plan wordt hieronder getoetst aan de regionale behoefte. Voor de bedrijven geldt dat het beleid hiervoor van de gemeente Brummen nauw is verbonden met regionale afspraken. Daarom is het ruimtelijk verzorgingsgebied voor de bedrijven de regio Stedendriehoek.

Beschrijving behoefte aan voorgenomen ontwikkeling

Uit de Woondeal regio Stedendriehoek blijkt dat sprake is van een grote behoefte aan woningen in de regio Apeldoorn-Deventer-Zutphen. Zo ook in de gemeente Brummen. In paragraaf 4.3.1 wordt verder ingegaan op de Woondeal regio Stedendriehoek. Het Burgersterrein is daarin aangewezen als een woningbouwlocatie. De te realiseren woningen voldoen aan de eis van 73% betaalbare woningen. Daarmee voorziet het plan in de behoefte aan betaalbare woningen.

In paragraaf 4.3.2 staat het Regionaal Programma Werklocaties voor de regio Stedendriehoek. Daaruit blijkt dat in de regio en op lokaal niveau sprake is van een grote behoefte aan locaties voor bedrijven. Als het gaat om reguliere bedrijven is er in de gemeente Brummen geen aanbod om in de groei van lokale bedrijven te voorzien van voldoende ruimte. Het plan voorziet dus in een behoefte aan bedrijfslocaties.

Binnen of buiten bestaand stedelijk gebied

Het doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is dat wordt gestreefd naar een optimale benutting van de ruimte in stedelijk gebied. De voorgenomen ontwikkeling bevindt zich in bestaand stedelijk gebied van de kern Eerbeek. Met deze wijziging van het omgevingsplan wordt een voormalig braakliggend bedrijventerrein (deels) gewijzigd naar een meer passende woonfunctie in een groene omgeving. Hiermee is sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, wat het doel is van de Ladder.

3.2.3 Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de gewenste ontwikkeling in overeenstemming is met de Ladder van duurzame verstedelijking. Het voornemen voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.

3.3 Landschappelijke en/of stedenbouwkundige waarden

Landschappelijke waarden

De gemeente Brummen heeft een biomorfologische kaart opgesteld van de gemeente. Op deze kaart is de gemeente verdeeld in 22 deelgebieden. Voor elk gebied zijn de landschapskenmerken en de waargenomen plant- en diersoorten beschreven. Het plangebied ligt in deelgebied 6: Bedrijventerrein Eerbeek. Hieronder staan de landschapskenmerken van dit deelgebied.

De bedrijventerreinen zijn gelegen op de flank van de Veluwe. Voor 2009 lag aan de Loubergseweg het transportbedrijf Burgers. Na het faillissement is het gebouw gesloopt en nu is het terrein al enige tijd braakliggend. Het terrein is waardevol voor planten en dieren.

Zoals eerder genoemd ligt ten oosten van het plangebied een bosrijk gebied. De aan te leggen bosstroken in het plangebied sluiten qua beeld en ecologisch aan op de bosrijke 'lob' naast het plangebied. De bosstroken worden ingeplant met een variëteit aan inheemse boomsoorten refererend aan de Veluwe en met heesters en ondergroei. De bosstroken dienen tevens als waterberging en als recreatievoorziening (wandelen, spelen, ontmoeten).

Stedenbouwkundige waarden

In het beeldkwaliteitsplan (zie Bijlage 1) zijn de stedenbouwkundige uitgangspunten voor het plan verder uitgewerkt. Het gebied dient van meerwaarde te zijn voor het dorp. Zijn ligging tussen het centrum en de Veluwe en het IJssellandschap maakt dat het opgevat is als schakelgebied. Aan deze zijde van het dorp ligt de kans om het Veluwse Groen ('bosrijke lob') tot diep in het centrum te laten doordringen. Wat ruimtelijk, ecologisch en recreatief waardevol is. Aan de noordzijde (richting centrum en Spoorzone) en aan de zuidzijde (Loubergweg) wordt het gebied stevig aangehecht aan het bestaande dorp. De maat en schaal van bebouwing is afgestemd op de bestaande dorpse variatie: gevariëerd en kleinschalig, gebaseerd op individualiteit van de panden. Daarmee is het in harmonie met de bestaande bebouwing van onder andere de Stuijvenburchstraat en Coldenhovenseweg. Tegenover de gevariëerde bebouwing (in woningtype, rooilijn en architectuur) staat een eenduidige samenhangende openbare ruimte inrichting.

Voor de functionele aspecten betreft de ontwikkeling een verweving van wonen, bosstroken en extensieve recreatie. Waterberging vormt een stevig onderdeel van de groenstroken en wordt geïntegreerd opgenomen. Lange langzaamverkeers- verbindingen verankeren het plangebied in zijn omgeving. De auto is 'te gast' in het gebied, mengen van verkeer waar mogelijk. Langzaam verkeer heeft prioriteit (volgens het zogenaamde STOMP- principe). Het parkeren wordt nagenoeg geheel aan het zicht onttrokken.

Voor de gebouwen en voor de inrichting van de buitenruimte geldt: ingetogen en verzorgd. Het algemene beeld wordt bepaald door de ruimtelijke drager (bosstroken). Woningen worden 'eigentijds dorps'. Er is extra aandacht (oa. middels het beeldkwaliteitsplan voor (kwetsbare) erfscheidingen.
Door het mengen van de diverse woningtypen (appartementenblokken, rijwoningen , vrijstaand etc.) ontstaat er een dorpse menging. De kleinschalige bedrijfsbebouwing wordt opgenomen in het plan. Het ligt straks tussen bestaande industriële bebouwing en de toekomstige woonvelden. Het terrein is ooit een es en daarna deels een papierfabriek geweest. Naar het laatste wordt teruggebracht in details (tramrails en kunstwerk). De bosstroken gaan de herkenbaarheid vormen, naast een eenduidige inrichting van de rijwegen met gebakken klinkers. Door de weelderige aanplant en de extensieve beheervorm zullen flora en fauna (met name vogels) zich kunnen ontwikkelen. De woningen en bedrijven worden natuurinclusief.

Het beeldkwaliteitsplan is opgenomen in de bijlagen van de regels. Zodoende is geborgd dat de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden worden betrokken bij de realisatie van het voornemen.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het Europees, rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio’s
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten komst gaat van die van toekomstige generaties.
4.1.2 Instructieregels Rijk (Amvb's)

Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3.

In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.

4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het rijksbeleid

Bij voorliggende ontwikkeling zijn geen nationale belangen in het geding en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Deze wijziging van het omgevingsplan maakt de bouw van 108 woningen mogelijk. Hiermee wordt voorzien in een actuele behoefte aan nieuwe woningen en is sprake van duurzame verstedelijking. Daarnaast wordt ook ruimte gemaakt voor maximaal 4.500 m2 bvo aan lichte bedrijfsfuncties. Hiermee wordt op planniveau enige mate van functiemenging bereikt. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de NOVI.

In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 is reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening.

4.2.1 Omgevingsvisie
4.2.1.1 Algemeen

De omgevingsvisie gaat over ‘Gaaf Gelderland’. ‘Gaaf’ is een woord met twee betekenissen. ‘Gaaf’ betekent ‘mooi’ en gaat over wat historisch en landschappelijk gezien heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard! Maar ‘Gaaf’ verwijst ook naar dat wat ‘cool’ en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard! Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie. In de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is benoemd wat voor de provincie van waarde is en wat moet worden beschermd. Daarnaast geeft de provincie richting aan wat ze willen en ook moeten veranderen en ontwikkelen.

In de visie staan de volgende begrippen centraal: gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland. Met gezond en veilig worden een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Met schoon en welvarend worden een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen gestimuleerd. Daarmee bereidt de provincie zich voor op het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. Om deze doelen te bereiken moet met name aandacht worden besteed aan het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

4.2.1.2 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie

Zoals eerder gezegd is het voornemen om 108 woningen te bouwen en maximaal 4.500 m2 bvo aan lichte bedrijfsfuncties te realiseren. Het plangebied wordt daarbij groen ingericht. In het plangebied is sprake van een aantrekkelijk woon- en werkklimaat dankzij de groene inrichting. De groene inrichting zorgt er ook voor dat het voornemen klimaatadaptief is. Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsvisie.

4.2.2 Omgevingsverordening
4.2.2.1 Algemeen

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Gelderland.

De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

4.2.2.2 Situatie plangebied

Op het plangebied zijn de volgende gebiedsaanwijzingen van toepassing: 'aandachtsgebied windturbines rondom de Veluwe', 'Gelderse streek IJsselvallei', 'glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied' en 'werkgebied van de Faunabeheereenheid Gelderland'. Gelet op het voornemen zijn met name de regels voor 'Gelderse streek IJsselvallei' relevant, samen met regels over woon- en werklocaties. Het gaat om artikel 5.38, 5.64 en 5.70.

Artikel 5.38 - Beschermen landschap Gelderse streken: IJsselvallei
Voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei wordt bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap als bedoeld in bijlage Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen landschap Gelderse streek IJsselvallei.  

Voor de beschrijving van de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap wordt verwezen naar de bijbehorende bijlage uit de Omgevingsverordening Gelderland.

Artikel 5.64 - Doorwerking regionale woonafspraken (lid 1)
Een omgevingsplan laat nieuwe woningen alleen toe als die ontwikkeling past binnen de regionale woonafspraken.  
Artikel 5.70 - Doorwerking regionaal programma werklocaties (lid 1)
Een omgevingsplan laat een uitbreiding of wijziging van een bestaande werklocatie of een nieuwe werklocatie alleen toe als die ontwikkeling past binnen het vastgestelde regionaal programma werklocaties.  

4.2.2.3 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsverordening

Zoals beschreven in paragraaf 3.3 wordt het plangebied groen ingericht met bosstroken. Daarbij wordt met name aansluiting gezocht bij de landschappelijke kwaliteiten van de Veluwe. Met oog voor de groene ruimten tussen dorpen is verstedelijking langs de oostflank van de Veluwe ('dorpenweg') passend. Het voornemen gaat niet over bouwen buiten bestaand stedelijk gebied. Het plan tast daarmee de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Gelderse streek IJsselvallei niet aan.

In de volgende paragraaf worden de regionale woon- en werkprogramma's toegelicht. Op deze plaats wordt gesteld dat het voornemen in overeenstemming is met deze programma's.

Geconcludeerd wordt dat het plan in overeenstemming is met de provinciale omgevingsverordening.

4.2.3 Conclusie toetsing aan het provinciale beleid

Het plan is in overeenstemming met de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening van de provincie Gelderland.

4.3 Regionaal beleid

Vanuit de provinciale omgevingsverordening moet het voornemen worden getoetst aan het regionaal beleid over woon- en werkgebieden. In dit geval zijn de 'Woondeal regio Stedendriehoek' en het 'Regionaal Programma Werklocaties regio Stedendriehoek'. In de rest van deze paragraaf worden deze beleidsstukken behandeld.

4.3.1 Woondeal regio Stedendriehoek
4.3.1.1 Algemeen

Regio Stedendriehoek bestaat uit de Gelderse gemeenten Apeldoorn, Brummen, Epe, Heerde, Lochem, Voorst en Zutphen en de Overijsselse gemeente Deventer. Gezamenlijk heeft de regio Stedendriehoek een woningbouwopgave van 24.000 woningen tot en met 2030. De gemeenten van Regio Stedendriehoek hebben in 2020 met de provincie Gelderland in het kader van de regionale woonagenda afspraken gemaakt over de kwantitatieve woningbouwprogrammering en het aantal te realiseren woningen. De gemaakte afspraken in deze regionale woondeal sluiten hier op aan. De gemeenten Brummen, Epe en Heerde nemen een extra inspanning op de woningbouw voor hun rekening ten opzichte van de eerder gemaakte afspraken in het kader van de regionale woonagenda. In de gemeente Brummen moeten de komende jaren 1.058 woningen worden gebouwd. Van deze woningen moet 73% uit betaalbare woningen bestaan. Dit gaat verder dan alleen sociale huurwoningen en betreft ook middenhuur en betaalbare koop.

De herontwikkeling van het Burgersterrein is aangewezen als sleutelproject. In de regionale Woondeal is rekening gehouden met de bouw van 105 woningen.

4.3.1.2 Toetsing van het initiatief aan de 'Woondeal regio Stedendriehoek'

Voor het aandeel woningen in voorliggend initiatief geldt dat deze passend is binnen de regionale afspraken voor woningbouw. Gelet op de actuele behoefte is er genoeg behoefte voor het realiseren tot maximaal drie woningen meer dan in de regionale woondeal staat opgenomen. Daarbij worden in totaal 36 sociale huurwoningen gerealiseerd en 28 middeldure huurwoningen. Van de koopwoningen is 28% vrije sector, de overige koopwoningen zijn goedkope en middeldure koopwoningen. In totaal is dus sprake van 73% betaalbare woningen. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de Woondeal regio Stedendriehoek.

4.3.2 Regionaal Programma Werklocaties regio Stedendriehoek
4.3.2.1 Algemeen

In april 2025 is het RPW voor de regio Stedendriehoek vastgesteld. De programmeringsafspraken hebben betrekking op de periode 2025-2028. Uit de nota Ruimtelijk-economische Bouwstenen komen de volgende ambities naar voren:

  • De focus leggen op maakindustrie met ruimte voor hoogwaardige kenniseconomie
  • Werk maken van het doorlopen van transities
  • Primair richten op de lokale en regionale economie
  • Faciliteren van grootschalige ruimtevraag op goed bereikbare plekken
  • Beschermen van ruimte voor werk, economie en inkomen: economische ontwikkeling moet minimaal gelijk opgaan met de groei van het aantal inwoners
  • Extra ruimte voor economie biedt kans voor kwaliteit en betere leefbaarheid

De kwantitatieve regionale behoefte aan nieuwe bedrijfslocaties bedraagt tot 2040 tussen de 89 en 196 hectare. Het bestaande aanbod in de regio bedraagt 26,2 hectare. De kwantitatieve behoefte in de gemeente Brummen ligt in deze periode tussen de 2 en 11 hectare. Op het moment van vaststellen van het RPW zijn er in de gemeente Brummen geen plannen voor het toevoegen van bedrijfslocaties. Het bestaande aanbod (bedrijventerrein Hazenberg) bedraagt 0,3 hectare.

In kwalitatieve zin is gelet op het planvoornemen de behoefte aan reguliere bedrijven het meest relevant. Het reguliere werkmilieu bestaat veelal uit mkb bedrijvigheid met een (boven)lokale oriëntatie. Dit zijn bedrijven die veelal gebonden zijn aan eigen kern en/of gemeente. Kwantitatief voorziet het aanbod in een deel van de vraag in het lage scenario. Echter, dit aanbod is geconcentreerd op een beperkt aantal locaties (en die locaties zijn veelal in optie/ reservering). Er is sprake van een geografische mismatch: gemeenten als Brummen, Lochem, Epe en Voorst beschikken niet of nauwelijks over hard planaanbod om lokale bedrijven in hun groei te voorzien van ruimte.

4.3.2.2 Toetsing van het initiatief aan het 'Regionaal Programma Werklocaties regio Stedendriehoek'

Er is een groot tekort aan ruimte om de behoefte aan werklocaties op te vangen. Dit geldt zowel op regionaal niveau als in de gemeente Brummen. Het voornemen is om lichte bedrijvigheid toe te staan (milieucategorie 1 en 2), het gaat om reguliere bedrijven. Daarmee wordt voorzien in een regionale en lokale behoefte. Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het Regionaal Programma Werklocaties regio Stedendriehoek.

4.4 Gemeentelijk beleid

Het gemeente beleid is verwoord in tal van beleidsplannen op het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema's gekoppeld aan maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de 'Toekomstvisie Brummen 2030', de 'Routekaart Wonen 2.0', het 'Programma economie gemeente Brummen 2030' en de 'Nota Ligt op Groen!'.

4.4.1 Toekomstvisie Brummen 2030
4.4.1.1 Algemeen

De toekomstvisie maakt heldere keuzes voor de toekomst van Brummen en geeft daarmee een duidelijke koers aan richting 2030. De visie geeft richting aan de strategie, het beleid en de plannen die de komende vijftien jaar worden gemaakt. Het is een inspiratiekader, dat laat zien wat en wie Brummen wil zijn in 2030. Het is geen opsomming van beleidskeuzes voor de komende vijftien jaar. De richting is duidelijk. Hoe de gemeente daar komt, wordt de komende jaren ingekleurd door de gemeentelijke politiek, de gemeentelijke organisatie en de inwoners en ondernemers van Brummen.

4.4.1.2 Samen gezond wonen, werken en leven

De gemeente zet in op goede voorzieningen in Eerbeek en Brummen. We gemeente zet energie en middelen vooral in op deze twee dorpskernen, om deze kernen vitaal houden. Een centrum is het hart van een dorp. En dat hart moet kloppen. Levendige centra in Eerbeek en Brummen zijn essentieel voor de levensvatbaarheid van voorzieningen als winkels, restaurants, dienstverlenende bedrijven en instellingen.

De gemeente kiest voor een groene en ruime woon- en leefomgeving. Woonwijken zijn ruim opgezet met grote groenstroken die letterlijk en figuurlijk speelruimte geven aan bewoners. Een groene omgeving draagt bij aan het algemene welbevinden en daarmee aan een gezond en gelukkig leven in Brummen.

De gemeente kiest voor inbreiding op locaties die al bebouwd zijn in plaats van uitbreiding. Bestaande woonwijken worden geherstructureerd, vernieuwd en levensloopbestendig gemaakt. Daarbij maakt de gemeente de openbare ruimte toegankelijk voor ouderen, door bijvoorbeeld trottoirs te verbreden.

4.4.1.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Toekomstvisie Brummen 2030'

Bij voorliggende ontwikkeling wordt gebouwd op een locatie binnen de bebouwde kom van Eerbeek. Met deze ontwikkeling wordt een passend vervolg gegeven aan het braakliggende terrein. In het beeldkwaliteitsplan is bepaald dat het plangebied groen wordt ingericht met ruimte voor wandel- en fietspaden en speelvoorzieningen. Ook is er ruimte voor lichte bedrijvigheid. Omdat het plangebied naast het centrum van Eerbeek ligt wordt gesteld dat de nieuwe woningen zorgen voor een toenemende vraag voor de winkels, restaurants en andere voorzieningen in het centrum. Het voornemen levert dus ook een bijdrage aan de levendigheid in het centrum. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de 'Toekomstvisie Brummen 2030'.

4.4.2 Routekaart Wonen 2.0
4.4.2.1 Algemeen

Brummen staat voor een grote opgave voor woningbouw en versnelling is nodig. Het laatste woningbehoefteonderzoek uit 2018 (geactualiseerd in 2020) liet een opgave zien voor het toevoegen van 900 woningen tussen 2020 en 2030 (dit is ook vastgelegd in de regionale woonagenda). De woningbehoefte is afhankelijk van meerdere factoren en is een dynamisch gegeven. Omdat de woningbehoefte voorlopig niet zal afnemen, heeft het college in september 2022 aan de provincie Gelderland de ambitie uitgesproken om te streven naar de realisatie van 1.250 woningen tot en met 2030. Dit betekent vanaf 2023 dus nog een toevoeging van zo’n 1.050 woningen. Dit aantal is ook opgenomen in de regionale woondeal. De routekaart is ingedeeld in vijf uitvoeringsprogramma’s die acties worden genoemd:

  • 1. versnellen en stroomlijnen;
  • 2. inzetten sturingsinstrumenten;
  • 3. toepassen nieuw Toetsingskader Woningbouw;
  • 4. zoeken naar nieuwe locaties;
  • 5. actief monitoren en bijsturen.

Het Toetsingskader Woningbouw is met name relevant voor de voorliggende wijziging van het omgevingsplan.

4.4.2.2 Toetsingskader Woningbouw

In het Toetsingskader gelden de volgende algemene richtlijnen:

  • Focus op binnenstedelijke verdichting, met name in Brummen (dorp) en Eerbeek.
  • Inbreiding gaat voor uitbreiding, maar prioritering en urgentie maakt een andere volgorde mogelijk. Bij nieuwe ontwikkelingen voor wonen wordt gestreefd naar versterking van de groen-blauwe dooradering. Streven naar een basiskwaliteit natuur bij zowel in- als uitbreiding, zoveel mogelijk gebruik makend van bestaande natuur-en landschapskwaliteiten De bodem- en waterkwaliteiten zijn sturende factoren bij de nieuwe ontwikkeling
  • Focus op de woonvraag van de doelgroep die de druk het meest voelt.
  • Prioriteren op plannen die de grootste bijdrage leveren aan de beleidsdoelen die die de gemeente wil realiseren.

Voor de kernen Brummen en Eerbeek gelden de volgende richtlijnen:

  • Prijsklassen bij ontwikkelingen vanaf 10 woningen:
    • 1. afgerond 30% sociale huurwoningen;
    • 2. afgerond 35% mix van goedkope koop, betaalbare koop en middenhuur (met als streven dat minimaal 20% in de categorie goedkope koop moet vallen);
    • 3. afgerond 35% overige koopwoningen
  • Vanwege inbreidingsvoorkeur en woonopgave en strategisch behoud van groene buitenruimtes is een bepaalde mate van hoogbouw mogelijk. In centrum-dorpse omgevingen kan daarbij sprake zijn van een extra bouwlaag ten opzichte van het heersende stedenbouwkundige beeld
  • behouden en versterken van structurele groenstructuur;
  • het plan heeft een groen inpassingsvoorstel.
4.4.2.3 Toetsing van het initiatief aan de 'Routekaart Wonen 2.0'

In paragraaf 2.2 staat het woonprogramma beschreven van het initiatief. De woningen zijn verdeeld over verschillende segmenten.

  • 34% sociale huurwoningen;
  • 39% mix van goedkope koop, betaalbare koop en middenhuur (met als streven dat minimaal 20% in de categorie goedkope koop moet vallen);
  • 28% overige koopwoningen.

Hiermee wordt voldaan aan de eisen voor betaalbare woningen.

Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Eerbeek, waarmee sprake is van inbreiding. Daarbij wordt het plangebied groen ingericht en wordt aangesloten bij de landschappelijke waarden uit de omgeving (zie paragraaf 3.3). Daarbij is voldoende ruimte voor waterberging. In het plangebied worden zes appartementengebouwen gerealiseerd. De bouwhoogte is echter beperkt (13,5 tot 15 meter). De gebouwen bestaan uit drie bouwlagen en een kap, óf uit vier bouwlagen met een plat dak. Dit sluit aan op de bebouwing ten noordwesten van het plangebied (Wasacker) en is één bouwlaag hoger dan de overige woningen in het plangebied (zie ook Bijlage 1). Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met de 'Routekaart Wonen 2.0'.

4.4.3 Programma economie gemeente Brummen 2030
4.4.3.1 Algemeen

Het Programma Economie is een beleidsinstrument onder de Omgevingswet. Het helpt economische doelen en ambities te realiseren binnen de kaders van de fysieke leefomgeving. Het Programma Economie van de gemeente Brummen richt zich op het versterken en toekomstbestendig maken van de lokale economie. Dit draagt bij aan de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van de gemeente. Economie speelt namelijk een centrale rol in de samenleving. Het biedt werk en inkomen, houdt de leefbaarheid en het voorzieningenniveau op peil en geeft gestalte aan maatschappelijke doelstellingen zoals de energietransitie en de transitie naar een circulaire economie.

Dit Programma Economie bevat de inhoudelijke ambities en maatregelen waar de gemeente de komende jaren samen met belanghebbenden mee aan de slag gaat.

4.4.3.2 Ambities

In kwantitatieve zin is er de komen de jaren een uitbreidingsvraag van 2,5 tot 10,8 hectare. Dat gaat voornamelijk over de autonome1 groei van Brummense bedrijven en reguliere verhuisbewegingen, zoals dat in de afgelopen jaren plaatsvond. Er wordt in deze cijfers al vanuit gegaan dat enkele bedrijven op enig moment Brummen verlaten. Tegelijkertijd beschikt Brummen op dit moment over onvoldoende aanbod om de ruimtevraag te accommoderen. Er is geen uitgeefbaar areaal meer beschikbaar en ook andere belangrijke maatschappelijke thema's zoals wonen, energie en recreëren hebben een ruimtevraag. Dat betekent dat er een opgave ligt in de gemeente.

In het licht van voorgenomen ontwikkeling is met name het thema 'Ruimte voor ondernemerschap op bedrijventerreinen: bestaand en nieuw' relevant. Door voldoende ruimte aan ondernemerschap te bieden, behoudt de gemeente werkgelegenheid en economische waarde. De gemeente zet in op vier sporen:

  • beschermen van ruimte op bedrijventerreinen;
  • beter benutten van de bedrijventerreinen;
  • verplaatsen van lichte bedrijfsactiviteiten en;
  • uitbreiden van de bedrijventerreinen.

Met name het derde spoor is relevant: het verplaatsen van lichte bedrijfsactiviteiten. In samenwerking met de regio onderzoekt de gemeente de mogelijkheden voor het verplaatsen van lichte bedrijfsactiviteiten (milieucategorie 1 en 2) naar de randen van de centra. De bedrijventerreinen zijn in de basis een geschikte huisvestingslocatie voor bedrijven die (enige) hinder (geur en geluid) veroorzaken. Deze activiteiten kunnen niet elders in de gemeente landen. De praktijk leert dat bedrijventerreinen ook bedrijven huisvesten die geen hinder veroorzaken. Dit biedt kansen. Dergelijke bedrijven zijn goed in te passen in het stedelijk weefsel, bijvoorbeeld nabij de centrumgebieden, maar buiten de bedrijventerreinen. Het streven is een optimale toedeling van functies, waarbij de ruimtelijke en planologische mogelijkheden goed worden benut.

4.4.3.3 Toetsing van het initiatief aan het 'Programma economie gemeente Brummen 2030'

Het voornemen is om in het plangebied naast woningen maximaal 4.500 m2 aan bedrijven in milieucategorie 1 en 2 toe te staan. Dit past binnen de lokale behoefte aan ruimte voor bedrijven. De bedrijfskavels liggen als het ware tussen het naastgelegen bedrijventerrein en de woningen in het plangebied in. Daarmee vormen de kavels een overgang. In Hoofdstuk 7 wordt getoetst aan de effecten van de beoogde bedrijven. Hieruit blijkt dat sprake is van een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'. Geconcludeerd wordt dat het voornemen in overeenstemming is met het 'Programma economie gemeente Brummen 2030'.

4.4.4 Nota Ligt op Groen!
4.4.4.1 Algemeen

Het doel van de ruimtelijke ontwikkelingsvisie is sturing te geven aan de ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente Brummen. Er zijn vele kwaliteiten in de gemeente die gezamenlijk de kwaliteit van de gemeente Brummen bepalen. Dé identiteitsdrager van de gemeente is echter de groene kwaliteit; het is wat inwoners bindt aan de gemeente. De stedelijke regio’s Stedendriehoek en KAN liggen weliswaar op korte afstand, maar de gemeente Brummen heeft een duidelijke eigen identiteit en imago. Het Veluwemassief, het aantrekkelijke kleinschalige (agrarische) landschap, de IJssel, de beken, de rust en de ruimte zijn structuurdragers die in belangrijke mate de identiteit van de gemeente bepalen.

De gemeente wil in de toekomst een eigen gemeenschap blijven vormen, fysiek en mentaal op afstand van de steden. Vanuit dat perspectief kiest de gemeente ervoor geen stedelijke band te vormen met de steden (en Zutphen in het bijzonder), en zowel ruimtelijk als functioneel onderscheidend te zijn ten opzichte van deze steden.

De gemeente kiest er nadrukkelijk voor de bestaande ‘groene’ kwaliteiten als maatstaf te nemen voor toekomstige ontwikkelingen. Niet de programmatische wensen, maar de ruimtelijke kwaliteiten worden als vertrekpunt gezien. Nieuwe ontwikkelingen worden ingezet ter versterking van deze groene kwaliteiten. Kiezen voor een groen imago is immers zeker niet hetzelfde als een behoudstrategie.

4.4.4.2 Strategische beleidsuitspraken

Deze hoofdkeuzes zijn vertaald naar strategische beleidsuitspraken. Deze uitspraken zijn voor langere tijd leidend voor het gemeentebestuur. Herziening c.q. afwijking van één van deze uitspraken zal altijd in een gemotiveerd besluit dienen plaats te vinden. Je identiteit is immers wat je bent, dat kan je niet zomaar veranderen. Hieronder wordt op de voor het initiatief relevante aspecten ingegaan.

Natuur en landschap

  • Ook in de kernen zijn groene kwaliteiten van groot belang. Intensivering van het ruimtegebruik mag dan ook niet ten koste gaan van de groene identiteit en nieuwe ontwikkelingen versterken het groene karakter. De bijdrage kan bestaan uit een directe fysieke bijdrage, bijvoorbeeld door een landschappelijke inpassing van een project met bos/natuur, dan wel een financiële bijdrage in een gemeentelijk natuur- en landschapsfonds (financieel afromen van stedelijke bouwprojecten ter uitvoering van landschapsbeleidsplan en groenstructuurplan).
  • Cultuurhistorische kwaliteiten worden benut als ruimtelijke dragers. Te denken valt aan oude linten, de beeldkwaliteit van bebouwing en openbare ruimte, landgoederen, het versterken van landschapstypen, het Apeldoorns kanaal als ontginningsbasis en de sprengen.

Water

  • Het zeer interessante watersysteem in de gemeente (IJsselvallei, beken en het Apeldoorns kanaal) is een natuurlijke kwaliteit die de gemeente zichtbaar wil maken en benutten. In nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt water een belangrijk en zichtbaar onderdeel. Ook in het landschap wordt het watersysteem zichtbaar, waardoor de contrasten in het landschap toenemen.
  • Nieuwe ruimte voor waterberging en ruimte voor rivier worden benut als kans om de groen-blauwe identiteit te versterken. Deze ontwikkelingen worden gecombineerd met andere functies, zoals agrarisch gebruik, recreatie, woningbouw of natuurontwikkeling.

Sociaal-maatschappelijk

  • De strategische visie is er op gericht de gemeente Brummen te maken tot een gemeente waarin het goed leven is. De gemeente wil de inwoners een duurzame omgeving bieden die betekenisvol is en die kansen biedt voor een rijk, pluriform sociaal-maatschappelijk leven.
  • We bevinden ons in een overgangsfase waarbij een veroudering van de bevolking optreedt. De gemeente zoekt naar een duurzaam evenwicht. Het gaat daarbij om het verkrijgen van de juiste woningen en woonomgeving, het juiste werk en de juiste voorzieningen voor de toekomstige bevolking.

Wonen

  • De gemeente kiest er voor om voldoende woningbouw voor de lokale woningbehoefte te realiseren en concentreren deze woningbouw bij de kernen Brummen en Eerbeek. Dit draagt bij aan het draagvlak van de voorzieningen.
  • De kernen Brummen en Eerbeek blijven eigen gemeenschappen met een eigen karakter.
  • Nieuwe woningbouw versterkt de groene kwaliteiten c.q. het groene karakter. De bijdrage kan bestaan uit een directe fysieke bijdrage, bijvoorbeeld door een landschappelijke inpassing van een project met bos/natuur, dan wel een financiële bijdrage in een gemeentelijk natuur- en landschapsfonds (financieel afromen van stedelijke bouwprojecten ter uitvoering van landschapsbeleidsplan en groenstructuurplan).

Werken

  • De economie is van groot belang. De gemeente kiest, behoudens de reeds geplande uitbreiding van Kollergang en Hazenberg, niet voor forse groei van het areaal bedrijventerrein. Daarvoor biedt de regio ruimte. De beschikbare ruimte in de gemeente wordt gereserveerd voor bedrijven. Zo lost de gemeente knelpunten in de kernen en/of het landelijk gebied op en wordt doorontwikkeling van bestaande bedrijvigheid mogelijk gemaakt. Indien de huidige milieuruimte van bedrijven uitbreiding binnen de gemeente onmogelijk maakt, kan een nieuwe locatie op een regionaal bedrijventerrein gevonden worden.
  • De gemeente zet in op het verbeteren en beter benutten van de bestaande terreinen.
4.4.4.3 Toetsing van het initiatief aan de Nota Ligt op groen!

Het voornemen is passend bij de stedelijke en landschappelijke waarden. Dit is beschreven in paragraaf 3.3 en in het Beeldkwaliteitsplan is aandacht besteed aan een groene inpassing (zie Bijlage 1). Daarbij is ook aandacht voor voldoende waterberging (zie paragraaf 6.3). Het woonprogramma bestaat uit een mix van woningtypen. Daarbij worden ook appartementen gerealiseerd. Deze zijn levensloopbestendig. Daarnaast is betaalbaarheid een belangrijk vertrekpunt. Uit paragraaf 4.4.2 blijkt al dat wordt voorzien in een actuele behoefte aan woningen in de gemeente. Tot slot blijkt uit paragraaf 4.4.3 dat ook behoefte is aan ruimte voor bedrijven. Hoewel de voormalige papierfabriek in het plangebied al enige tijd niet meer actief is, blijft een deel van de (voormalige) bedrijfsfunctie in het plangebied behouden. Geconcludeerd wordt dat de verschillende strategische beleidsuitspraken uit de Nota Ligt op groen! een plaats hebben in het plan. Het voornemen is dan ook in overeenstemming met de Nota Ligt op groen!.

4.4.5 Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid

Het plan is in overeenstemming met het gemeentelijk beleid zoals verwoord in de 'Toekomstvisie Brummen 2030', de 'Routekaart Wonen 2.0', het 'Programma economie gemeente Brummen 2030' en de 'Nota Ligt op groen!'.

Hoofdstuk 5 Omgevingsveiligheid

5.1 Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico.

Een gemeente kan binnen een aandachtsgebied voorschriftengebieden aanwijzen. Ze is verplicht een besluit te nemen over het wel of niet aanwijzen van voorschriftengebieden binnen een aandachtsgebied. Dat kan een deel van of het gehele aandachtsgebied zijn. Locaties binnen aandachtsgebieden waar zeer kwetsbare gebouwen zijn toegelaten moeten altijd als voorschriftengebied worden aangewezen. In dit deel van het aandachtsgebied gelden dan aanvullende bouweisen voor nieuwbouw en vervangende nieuwbouw van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen.

5.2 Situatie in en bij het plangebied

5.2.1 Risicobronnen

Aan de hand van de kaart 'Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten' van de Atlas van de Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op deze kaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van bovengenoemde kaart met betrekking tot het plangebied (blauwe ster) en de directe omgeving weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01_0007.png"  
Afbeelding 5.1: Uitsnede kaart veiligheidsinformatie (Bron: Atlas van de leefomgeving)  

Het plangebied ligt op ruim voldoende afstand van risicobronnen in de omgeving.

5.2.2 Onontplofte oorlogsresten

Bij de ontwikkeling van het plangebied zullen bodemingrepen worden verricht. Daarmee is een risico op het aantreffen van onontplofte oorlogsresten uit de Tweede Wereldoorlog. Door Expload is daarom een onderzoek verricht naar de mogelijke aanwezigheid van onontplofte oorlogsresten in de bodem ter plaatse van het plangebied. Het onderzoek staat in Bijlage 3. Hieronder staat de conclusie.

Onderzoek onontplofte oorlogsresten

Uit een inventarisatie en analyse van historisch bronnenmateriaal is geconcludeerd dat er in het plangebied geen sprake is van een aantoonbaar verhoogde kans op aanwezigheid van explosieven.

5.3 Conclusie

Vanuit het aspect externe veiligheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 6 Beschermen van de waterbelangen

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op het effect van de ontwikkeling op de waterhuishouding.

6.1 Beleid waterschap

6.1.1 Blauwe Omgevingsvisie 2050

Met de Blauwe Omgevingsvisie (BOVI) 2050 zet Waterschap Vallei en Veluwe op een geheel nieuwe wijze koers naar een duurzame en waterinclusieve leefomgeving. Het nieuwe waterdenken via de integrale en duurzame benadering (brongericht, gebiedsgericht en co-actorgericht) heeft geleid tot drie generieke waterprincipes, die het waterschap als leidende principes toepast in de BOVI 2050. De ruimtelijke ontwikkeling wordt gedomineerd door de grote vraag naar extra ruimte voor woningbouw, opwekking van duurzame energie en klimaatadaptatie. Het waterschap stelt dat een duurzaam watersysteem een belangrijke drager is van de ruimtelijk-economische ontwikkeling. Het grondwatersysteem is van essentieel belang voor de watervoorziening in het gebied van Vallei en Veluwe. Daarom zet het waterschap zoveel mogelijk in op het schoon- en vasthouden van water en het terugbrengen van water in de bodem. Tot slot wil het waterschap graag met een open en samenwerkingsgerichte houding in gesprek met maatschappelijke partners (publiek en privaat), om gezamenlijk positief bij te dragen aan de ruimtelijke kwaliteit van de leefomgeving.

Het plangebied ligt in het deelgebied 'IJsselvallei en oostflank van de Veluwe'. Meer specifiek gelet op de ligging van het plangebied op de kaart behorend bij het deelgebied is het thema ‘Robuust beekdal' van belang. Het oppervlaktewatersysteem van de toekomst is gebaseerd op het vasthouden, bergen en accepteren van water, en tegelijkertijd op het schoonhouden, scheiden en zuiveren van water in ons gebied. Samen met het diepe grondwatersysteem verbinden de beken en watergangen gebieden met watertekort en wateroverschot in ruimte en tijd. Sponswerking van de bodem is hiervan een integraal onderdeel. Het water krijgt de ruimte, langs de grote rivieren, kanalen, beken en ook in de haarvaten. Het waterschap wil Infiltratiecapaciteit en sponswerking van de bodem vergroten, inzetten op water vasthouden en beken weer zichtbaar maken.

6.1.2 Blauw Omgevingsprogramma 2022-2027

Waterschap Vallei en Veluwe heeft een Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 opgesteld waarin staat beschreven wat de doelen zijn, vertaald in gebiedsgerichte gebiedsprogramma’s. Het waterschap streeft naar veiligheid tegen overstromingen en naar een toekomstbestendig en klimaatrobuust grond- en oppervlaktewatersysteem, dat passend is ingericht naar de veranderende gebiedswensen. Daarnaast wil het waterschap in stedelijk gebied zoveel mogelijk water lokaal vasthouden en infiltreren door vergroening en verblauwing. In het BOP heeft het waterschap ook twee veranderopgaven vastgelegd: in 2050 circulair en energieneutraal zijn.

Het plangebied ligt in het deelgebied ‘IJsselvallei’. Gelet op de ligging van het plangebied op de bijbehorende gebiedskaart, ligt de nadruk op het vasthouden van water in een robuust beekdallandschap en een combinatie van circulaire, natuurinclusieve landbouw en beter vasthouden en schoonhouden van water (klimaatmantels).

6.2 Wateraspecten

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect water. Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. In het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) wordt gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets. In de ruimtelijke motivering van een ontwikkeling dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

6.3 Watertoetsproces en waterhuishouding plangebied

Waterschap Vallei en Veluwe is geïnformeerd over het onderhavige plan via de Digitale Watertoets (www.hetwateradvies.nl). De uitkomst hiervan is opgenomen in Bijlage 4. Hieruit volgt dat sprake is van de normale procedure. Hieronder wordt ingegaan op de van belang zijnde waterhuishoudkundige aspecten voor het plangebied.

Grondwater

Binnen het projectgebied zijn geen gevallen van grondwateroverlast bekend. Bij het bouwplan wordt rekening gehouden met voldoende ontwateringsdiepte zodat de kans op grondwateroverlast minimaal is.

Hemelwater

In het plangebied wordt in de bosstroken waterberging aangelegd. Afstromend hemelwater wordt in deze waterberging opgevangen, zodat het water kan infiltreren in de bodem. Door Van Reden Advies is een notitie gemaakt voor de waterberging in het plangebied. De notitie staat in Bijlage 5. Met het huidig ontwerp is een bui van 80 mm op te vangen. De wadi’s krijgen een diepte van 30 + 10 cm. Voor het IT-riool is op dit moment een doorsnede van 100 cm aangehouden. De buffercapaciteit is daarmee kleiner dan de wens om de capaciteit gelijk te hebben aan de neerslag 80 mm op de aangesloten verharding. De capaciteit van de wadi’s vangen dit tekort op. In de bestekfase wordt berekend welke definitieve diameter het riool krijgt.

Afvalwater

Ten behoeve van het afvoeren van afvalwater wordt riolering aangelegd in het plangebied. Het afvalwater is gescheiden van het hemelwaterriool.

Oppervlaktewater

In de huidige situatie is in het projectgebied geen oppervlaktewater aanwezig en het voornemen voorziet niet in de aanleg van nieuw oppervlaktewater.

6.4 Conclusie

Vanuit het aspect water is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 7 Beschermen van de gezondheid en het milieu

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze bij de activiteit rekening is gehouden met het beschermen van de gezondheid en het milieu. Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen:

  • geluid;
  • bodemkwaliteit;
  • de kwaliteit van de buitenlucht;
  • geur en;
  • trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Tevens worden de aspecten 'gezondheid' en 'duurzaamheid' behandeld.

7.1 Geluid door activiteiten

7.1.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1, lid 3, onder b en c Ow) stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl). Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
  • geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen

De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.20 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.1.2 Situatie plangebied

De beoogde woningen in het plangebied worden aangemerkt als geluidgevoelige gebouwen. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.

7.1.2.1 Wegverkeerslawaai

Het plangebied ligt binnen het geluidaandachtsgebied van de Loubergweg. Door BJZ.nu is daarom een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. Het rapport staat in Bijlage 6. Hieronder staan de conclusies.

Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai

Het geluid ten gevolge van de gemeentewegen bedraagt hoogstens 59 dB Lden. Met deze waarde wordt niet voldaan aan de standaardwaarde uit het Bkl. van 53 dB Lden, maar wel aan de grenswaarde van 70 dB Lden.
Het gezamenlijk geluid bedraagt ten hoogste 59 dB Lden. Er is een gevelwering van minimaal 59-33 = 26 dB benodigd om ter plaatse van alle woningen aan de binnenwaarde van 33 dB te kunnen voldoen. Ten tijde van de toetsing van het voornemen aan het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) dient te worden beoordeeld of sprake is van voldoende gevelwering om ter plaatse van de woningen een binnenniveau van 33 dB te waarborgen.
Ter plaatse van de woningen is tevens sprake van één of meerdere geluidsluwe gevels, waardoor sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen.

7.1.2.2 Railverkeerslawaai en industrielawaai

Het plangebied ligt naast de historische spoorlijn Apeldoorn-Dieren. Spoorlijnen welke niet tot het hoofdspoornet behoren hebben geen geluidproductieplafonds en vastgestelde aandachtsgebieden, maar vallen onder het lokale wegennet, waarvoor de gemeente het aandachtsgebied moet bepalen. Het historische spoorlijntje wordt geëxploiteerd door de Veluwse Stoomtrammaatschappij met een zeer beperkt gebruik. De gemeente Brummen heeft voor deze spoorlijn geen aandachtsgebied vastgesteld. Omdat over de spoorlijn slechts incidenteel treinen rijden wordt gesteld dat ter plaatse van de woningen in het plangebied sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Daarnaast ligt het plangebied niet binnen het geluidaandachtsgebied van een geluidgezoneerd industrieterrein. Onderzoek naar industrielawaai is niet nodig.

7.1.2.3 Solitaire bedrijvigheid

Om geluidhinder van solitaire bedrijvigheid te bepalen kan worden aangesloten bij de systematiek uit de VNG handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' (oktober 2024). Deze handreiking gaat uit van de beschikbare gebruiksruimte om activiteiten uit te voeren. De systematiek uit de VNG publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is opgenomen in veel bestemmingsplannen. Zolang die bestemmingsplannen van kracht zijn – ook na overgang in het tijdelijke omgevingsplan van rechtswege – wordt deze systematiek nog toegepast.

In voorliggend geval wordt voor het plan de systematiek van de uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' aangehouden. Hierna wordt de ontwikkeling op basis hiervan getoetst.

Gebiedstypen

In de VNG-uitgave 'Bedrijven en Milieuzonering' is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. Op basis van de VNG-uitgave wordt het buitengebied gerekend tot een met het omgevingstype 'rustige woonwijk' vergelijkbaar omgevingstype.

Een 'gemengd gebied' is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend.

De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied. Daarbij wordt in de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een aanvaardbaar woon- en leefklimaat noodzakelijk is.

In onderstaande tabel zijn de richtafstanden behorende bij zowel het omgevingstype rustige woonwijk als het gemengd gebied weergegeven.

Milieucategorie   Richtafstanden 'rustige woonwijk'   Richtafstanden 'gemengd gebied'  
1   10 m   0 m  
2   30 m   10 m  
3.1   50 m   30 m  
3.2   100 m   50 m  
4.1   200 m   100 m  
4.2   300 m   200 m  
5.1   500 m   300 m  
5.2   700 m   500 m  
5.3   1.000 m   700 m  
6   1.500 m   1.000 m  

Situatie plangebied

Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft een eerste inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.

Hierbij spelen twee vragen een rol:

  • 1. past de functie in de omgeving? (externe werking);
  • 2. laat de omgeving de functie toe? (interne werking).

Bij externe werking gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast.

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt bedrijven tot en met milieucategorie 2 mogelijk. Hiervoor geldt een richtafstand van 30 meter in het omgevingstype 'rustige woonwijk'. In het omgevingstype geldt 'gemengd gebied' een kleinere richtafstand (10 meter).

De beoogde woningen in het plangebied liggen in ruimte groenstroken en op enige afstand van doorgaande wegen. Daarom kan voor de woningen worden gesteld dat sprake is van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Gemeten vanaf de bouwvlakken van de bedrijfskavels ligt het bouwvlak van de meest nabij gelegen woning op ongeveer 40 meter afstand. Daarmee zorgen de bedrijven voor het aspect geluid niet voor negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de beoogde woningen.

Buiten het plangebied zijn woningen aanwezig. De meest nabijgelegen woning is de Stationstraat 4. Deze woning ligt in het omgevingstype 'gemengd': ten westen van de woning is het centrum van Eerbeek met diverse functies. Aan de overzijde van het spoor Apeldoorn-Dieren ligt bovendien een transportbedrijf. Gemeten vanaf het meest nabijgelegen bouwvlak van de bedrijfskavels ten opzichte van de perceelsgrens van de woning, is sprake van een afstand van ongeveer 15 meter. Daarmee zorgen de bedrijven voor het aspect geluid niet voor negatieve gevolgen voor het woon- en leefklimaat bij de woning aan de Stationstraat 4. Andere woningen liggen op meer dan 30 meter afstand van de bedrijfskavels.

Bij interne werking gaat het om de vraag of de nieuwe functie hinder ondervindt van bestaande functies in de omgeving en andersom of de nieuwe functie(s) de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende bedrijven aantasten.

Onderstaande tabel geeft de omliggende milieubelastende functies weer met de daarbij behorende richtafstanden voor geluid. Voor de werkelijke afstand is telkens gemeten vanaf de milieubelastende inrichting tot de bouwvlakken van de woningen in het plangebied.

Adres   Functie   Richtafstand   Werkelijke afstand  
Stationsstraat 2a   Station   100 meter   65 meter  
Stationsstraat 3   Detailhandel voor zover n.e.g.   10 meter   60 meter  
Stationsstraat 1   Bouwmarkten, tuincentra, hypermarkten   30 meter   70 meter  
Parkeerterrein t.b.v. supermarkt   Autoparkeerterreinen, parkeergarages   30 meter   40 meter  
Stuijvenburchstraat 27   Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen   30 meter   35 meter  
Stuijvenburchstraat 9-11   Detailhandel voor zover n.e.g.   10 meter   15 meter  
Coldenhovenseweg 77   Transportbedrijf - zone categorie 4.1   200 meter   140 meter  
  Transportbedrijf - zone categorie 3.2   100 meter   100 meter  
  Transportbedrijf - zone categorie 3.1   50 meter   90 meter  
Loubergweg 21-23   Drukkerij - zone categorie 4.1   200 meter   200 meter  
  Drukkerij - zone categorie 3.2   100 meter   160 meter  
  Drukkerij - zone categorie 3.1   50 meter   150 meter  

Stationsstraat 2a

Aan de Stationsstraat 2a ligt het station van de Veluwsche Stoomtrein Maatschappij. Het betreft geen regulier station. De meeste dagen van het jaar is het station niet in gebruik. Op het station is daarnaast geen versterkte omroepinstallatie aanwezig. Gesteld wordt dat de richtafstand van 100 meter dan ook niet aansluit bij de feitelijke situatie en dat het station geen negatieve gevolgen heeft voor het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied.

Coldenhovenseweg 77

Het transportbedrijf aan de Coldenhovenseweg 77 is in bestemmingsplan "Eerbeek" voorzien van meerdere milieuzones. De zwaarste milieucategorie betreft 4.1 met een richtafstand van 200 meter. Binnen deze richtafstand liggen meerdere woningen in het plangebied. De milieuzone bestaat uit een deel van het bedrijfsgebouw en een kleine parkeerplaats aan de zijde van de Loubergweg. De geluidproducerende activiteiten vinden dan ook redelijkerwijs plaats in de bedrijfsbebouwing. Binnen een straal van 200 meter vanaf de milieuzone categorie 4.1 liggen meerdere woningen. De meest nabijgelegen woning ligt op ongeveer 95 meter. Gesteld wordt dat het transportbedrijf de nodige maatregelen heeft genomen om de geluidsuitstraling van de bedrijfsbebouwing dusdanig te verminderen dat het woon- en leefklimaat van de bestaande woningen in de omgeving niet wordt aangetast. De beoogde woningen in het plangebied leiden dus niet tot een beperking in de bedrijfsvoering of ontwikkelingsmogelijkheden van het transportbedrijf. Daarbij wordt de conclusie getrokken dat het transportbedrijf niet leidt tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied.

Uit bovenstaande tabel blijkt dat voor de overige functies aan de richtafstanden wordt voldaan. Geconcludeerd wordt dat de omgeving de functie wonen toelaat.

7.1.3 Conclusie

Vanuit de aspecten wegverkeer-, railverkeer- en industrielawaai, evenals geluidhinder van individuele bedrijven is sprake van een goed woon- en leefklimaat. De milieubelastende functies (bedrijven van milieucategorie 2) zorgen niet voor aantasting van het woon- en leefklimaat van de woningen in het plangebied en omliggende milieugevoelige functies. Daarnaast leiden de woningen in het plangebied niet tot beperkingen voor de bedrijfsvoering van omliggende milieubelastende functies.

Met voorliggend wijzigingsbesluit wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect geluid.

7.2 Bodemkwaliteit

7.2.1 Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door het in onderlinge samenhang:

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en -aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:

  • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.
  • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

7.2.2 Situatie plangebied

Door Greenhouse Advies is een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd in het plangebied. Het rapport staat in Bijlage 7. Hieronder staan de conclusies uit het rapport.

Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek

In de recente geschiedenis is de locatie diverse keren onderzocht en zijn twee beperkte bodemsaneringen uitgevoerd.

Uit de analyseresultaten van dit onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd:

  • Uit de toetsing van de analyseresultaten aan het Bal blijkt dat alle onderzochte parameters in zowel de boven- als de ondergrond voldoen aan de interventiewaarden, en niet boven de tussenwaarden zijn aangetoond.
  • Uit de toetsing van de analyseresultaten aan het Bbk blijkt dat de bodemkwaliteit varieert van Landbouw/Natuur tot Matig verontreinigd. Dit betreft een indicatief oordeel.
  • Uit de toetsing van de analyseresultaten van het grondwater aan het Bkl blijkt dat geen van de onderzochte parameters de signaleringsparameter voor beoordeling van grondwatersanering overschrijdt.

Uit het vergelijken van de bodemkwaliteit op de locatie van de opslag van gronddepots blijkt dat alle exotische parameters in zowel 2022 als in 2024 onder de detectielimiet zijn aangetoond. Het individuele gehalte van kwik was in 2022 hoger dan de achtergrondwaarde, en is in 2024 lager dan de achtergrondwaarde. Daar staat tegenover dat het gehalte van PAK in 2022 lager was dan de Achtergrondwaarde, en in 2024 hoger is dan de achtergrondwaarde. Desondanks wordt geconcludeerd dat er geen significante verandering is van de bodemkwaliteit, aangezien dit milieuhygiënisch geen enkele gevolgen heeft.

Naar aanleiding van de analyseresultaten is een nader bodemonderzoek niet noodzakelijk. Het terrein is op basis van de milieuhygiënische kwaliteit geschikt voor het voorgenomen gebruik.

7.2.3 Conclusie

Vanuit het aspect bodem is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.3 Luchtkwaliteit

7.3.1 Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging;

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering komt het NSL na de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook te vervallen.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze ‘standaardgevallen NIBM’ vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
7.3.2 Situatie plangebied

Om te beoordelen of het voornemen 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging is gebruik gemaakt van de NIBM-tool. De NIBM-tool gaat uit van de toename in verkeersbewegingen als gevolg van een ontwikkeling. Voor de berekening van de verkeersgeneratie wordt verwezen naar paragraaf 2.3.2. Voor het vrachtverkeer is daarnaast uitgegaan van een toename van 5% (worst-case).

Onderstaande afbeelding geeft de uitslag van de NIBM-tool weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01_0008.png"  
Afbeelding 7.2: Berekening bijdrage luchtkwaliteit (Bron: NIBM-tool)  

Uit de berekening met de NIBM-tool volgt dat het plan 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan luchtverontreiniging.

7.3.3 Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.4 Geur

7.4.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.

Veehouderijen

In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:

  • Geurnormen in het omgevingsplan
  • Rekenen
  • Afstandseisen
  • Randvoorwaarden
7.4.2 Situatie plangebied

Veehouderijen

De veehouderij die het dichtst bij het plangebied ligt, bevindt zich op ongeveer 1,2 kilometer afstand. Het betreft een rundveehouderij. Hiervoor geldt vanuit de Bruidsschat een vaste afstand van 100 meter tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom. Daar wordt in dit geval ruimschoots aan voldaan. Op een vergelijkbare afstand ligt een schapenhouderij. Voor schapen is een geuremissiefactor bepaald en kunnen geen vaste afstanden worden aangehouden. Voor deze veehouderij (en andere veehouderijen) geldt dat op kortere afstand al bestaande woningen liggen, waarmee vanuit het oogpunt van geurhinder rekening mee moet worden gehouden. De beoogde woningen in het plangebied zorgen dus niet voor een belemmering in de agrarische bedrijfsvoering. Gesteld wordt dat in het plangebied ten aanzien van geur door veehouderijen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

Solitaire bedrijven

Zoals in paragraaf 7.1.2.3 is toegelicht bevinden zich rond het plangebied enkele milieubelastende functies. In onderstaande tabel staan de functies die een richtafstand hebben voor het aspect geur.

Adres   Functie   Richtafstand   Werkelijke afstand  
Parkeerterrein t.b.v. supermarkt   Autoparkeerterreinen, parkeergarages   10 meter   40 meter  
Stuijvenburchstraat 27   Kleine drukkerijen en kopieerinrichtingen   10 meter   35 meter  
Coldenhovenseweg 77   Transportbedrijf   maximaal 30 meter   minimaal 90 meter  
Loubergweg 21-23   Drukkerij   maximaal 30 meter   minimaal 150 meter  

Uit bovenstaande tabel blijkt dat in alle gevallen aan de richtafstanden wordt voldaan.

Daarnaast is een deel van het plangebied aangeduid met 'milieuzone - geurzone 2' (zie paragraaf 1.3.1). Er worden geen woningen gebouwd binnen deze zone. De zone loopt langs de gevels die niet in het achtererfgebied vallen. Hierbij zijn geen vergunningsvrije mogelijkheden voor uitbouw aan het hoofdgebouw.

Voor het aspect geur zijn er geen belemmeringen ten aanzien van het woon- en leefklimaat in het plangebied.

7.4.3 Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.5 Trillingshinder

7.5.1 Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

7.5.2 Situatie plangebied

Het plangebied ligt naast een spoorlijn. Dit betreft echter de museumlijn Apeldoorn-Dieren. Er is geen sprake van regulier treinverkeer en er rijden geen goederentreinen over de spoorlijn. De dichtstbijzijnde reguliere spoorlijn ligt op circa 5,5 kilometer afstand. Van trillingshinder is dan ook geen sprake.

7.5.3 Conclusie

Vanuit het aspect trillingen is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.6 Gezondheid

7.6.1 Algemeen

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect gezondheid. Het gaat om:

  • het beschermen van gezondheid (is er sprake van bijzondere omstandigheden waardoor het verlenen van de vergunning leidt tot ernstige nadelige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de gezondheid?)
  • het bevorderen van de gezondheid, zoals bevorderen sport en ontspanning (positieve gezondheid).

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering van de besluitvorming omtrent verlening van de buitenplanse omgevingsvergunning is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.

7.6.2 Spuitzonering

Er is in Nederland geen wettelijke regeling die ziet op minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen kunnen worden geteeld met daarbij het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en in de buurt gelegen woningen en bijbehorende tuinen. In artikel 2a van de Wet Gewasbeschermingsmiddelen en Biociden is een zorgplicht opgenomen die beschrijft dat iedereen de plicht heeft om zorgvuldig om te gaan met gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

In de praktijk is daarom een vuistregel ontstaan die uitgaat van een afstand van 50 m tussen de betreffende agrarische gronden en woningen. Deze vuistregel is ontstaan vanuit de fruitteelt. Als die afstand wordt aangehouden wordt enerzijds het agrarische bedrijf niet belemmerd en anderzijds het woon- en leefklimaat bij de woningen gegarandeerd. In de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State is deze afstand geaccepteerd (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:RVS:2013:BY8000).

De afstand van 50 meter is een indicatieve afstand. Onder omstandigheden en in een specifiek geval kan ervan worden afgeweken en dus een kortere afstand worden aangehouden. Ook dit is in de vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State geaccepteerd. De afstand die wordt aangehouden in een specifiek geval moet worden onderbouwd met een zorgvuldig locatiespecifiek onderzoek. Hierbij kan geen gebruik worden gemaakt van de modellen van het EFSA, aangezien deze onvoldoende wetenschappelijk onderbouwd zijn.

7.6.3 Situatie plangebied

Agrarische gronden waarop gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is toegestaan liggen op minimaal 60 meter van het plangebied. De afstand tussen de woningen in het plangebied en de gronden is groter. Vanuit het oogpunt van spuitzonering zijn er geen belemmeringen tegen de beoogde ontwikkeling.

Ten aanzien van de bescherming van de gezondheid geldt dat binnen het plangebied en de directe omgeving géén sprake is van bijzondere of belastende milieufactoren (zoals intensieve veehouderij, zware industrie of grootschalige verkeersinfrastructuur) die kunnen leiden tot ernstige of mogelijk ernstige nadelige gevolgen voor de volksgezondheid. Uit akoestisch- en bodemonderzoek (zoals worden beschreven in dit hoofdstuk) is gebleken dat aan de geldende normen wordt voldaan en het plan geen onaanvaardbare risico's voor de gezondheid met zich meebrengt.

Tegelijkertijd draagt het plan in belangrijke mate bij aan het bevorderen van een gezonde leefstijl (positieve gezondheid). Zo wordt de wijk gekenmerkt door veel groen, wandel- en verblijfsruimte, en goede verbindingen naar de omliggende natuur- en woongebieden. Dit stimuleert bewegen, ontmoeting en ontspanning in de openbare ruimte. Daarnaast is het plan levensloopbestendig van opzet, met ruimte voor verschillende doelgroepen en een rustige, groene woonomgeving, die het mentale en sociale welzijn bevordert.

7.6.4 Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

7.7 Duurzaamheid

7.7.1 Algemeen

Het aspect duurzaamheid kent geen directe instructieregel uit het Bkl. De gemeente Brummen is op meerdere vlakken actief om duurzaamheid te bevorderen binnen de gemeente. Dit varieert van een regeling voor afkoppelen van regenwater, beleid over de aanleg van wind- en zonne-energie en de eerder beschreven biomorfologische kaart.

7.7.2 Situatie plangebied

Door middel van de Klimaateffectatlas is een inventarisatie gedaan van het plangebied voor de volgende aspecten:

Wateroverlast

In het plangebied ligt de Gemiddelde Hoogste Grondwaterstand (GHG) op ongeveer 5 meter beneden NAP. Hoewel in de komende decennia de verwachting is dat het GHG met ongeveer 33 centimeter stijgt, zal dit niet leiden tot overlast.

Bij extreme regenval (140 mm/ 2 uur) is op lokale plekken in het plangebied sprake van wateroverlast. In het plangebied wordt op verschillende plekken waterberging aangelegd. Deze waterberging wordt aangelegd met het oog op het voorkomen danwel zoveel mogelijk beperken van wateroverlast bij extreme regenval. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan klimaatadaptatie.

Droogte

Het plangebied ligt niet in een zone met een hoog risico op natuurbranden. Door droogte kan sprake zijn van bodemdaling, maar in het plangebied is geen sprake van significante bodemdaling.

Hitte

Door het stedelijk hitte eiland effect kan de temperatuur ten opzichte van het platteland in steden verder oplopen, wat zorgt voor hittestress. In de huidige situatie blijft het stedelijk hitte eiland effect beperkt tot +0,7°C. Door het toevoegen van verharding (bebouwing, wegen) neemt het stedelijk hitte eiland effect toe. In het plangebied wordt echter ook veel groen aangelegd. De afstand tot koele plekken is daarmee minimaal. Het vele groen zorgt ook voor voldoende schaduw. Daarmee wordt het plangebied klimaatadaptief ingericht.

Overstroming

In het plangebied is geen risico op overstroming.

Geconcludeerd wordt dat met het plan voorziet in goede klimaatadaptatie.

7.7.3 Conclusie

Vanuit het aspect duurzaamheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 8 Bescherming van de natuur

In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

8.1 Gebiedsbescherming

8.1.1 Natura 2000-gebieden

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
8.1.2 Gelders Natuurnetwerk (GNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In voorliggend geval het Gelders Natuurnetwerk (GNN). In het NNN/GNN geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Het NNN/GNN kent geen externe werking.

8.1.3 Situatie plangebied

Natura 2000-gebieden

Het plangebied ligt op circa 1,1 kilometer afstand van het Natura 2000-gebied 'Veluwe'. Het Natura 2000-gebied 'Landgoederen Brummen' ligt op ongeveer 1,9 kilometer afstand. Gezien de afstand van het plangebied tot Natura 2000 en de aard en omvang van voorliggend initiatief wordt geconcludeerd dat er geen sprake is van direct significant negatieve effecten, zoals geluidshinder en lichthinder.

Naast de directe effecten is ook de mogelijke depositie van stikstof van belang. Hiervoor heeft BJZ.nu een AERIUS-berekening (stikstofberekening) uitgevoerd. Het rapport staat in Bijlage 8. Hieronder staat de conclusie opgenomen.

AERIUS-berekening

Geconcludeerd wordt dat voor de aanlegfase en gebruiksfase sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Stikstofdepositie met mogelijk significant negatief effect op Natura 2000-gebieden als gevolg van het voornemen is daarmee niet uit te sluiten. Geadviseerd wordt door middel van een ecologische beoordeling (voortoets stikstof) te onderzoeken of de berekende depositie tot significante negatieve gevolgen leidt voor de aanwezige stikstofgevoelige habitattypen.

Door Kleijberg Ecologie is een voortoets stikstofeffecten uitgevoerd op basis van de uitgevoerde stikstofberekening. Het rapport staat in Bijlage 9. Hieronder staat de conclusie opgenomen.

Voortoets stikstofeffecten

De stikstofemissie als gevolg van de bouw en gebruik van de woningen en lichte bedrijven op het Burgersterrein in Eerbeek leidt tot een geringe toename van de stikstofdepositie in twee Natura 2000-gebieden (Veluwe en Landgoederen Brummen) van maximaal 0,03 mol N/ha/jaar.

De toename van de stikstofdepositie als gevolg van de bouw en het gebruik van de woningen en lichte bedrijven in Eerbeek leidt niet tot meetbare gevolgen voor de samenstelling, structuur en functie van vegetatietypen die behoren tot stikstofgevoelige habitattypen en leefgebiedtypen in deze Natura 2000-gebieden. De hoeveelheid stikstof die als gevolg van het project aan de habitats wordt toegevoegd, is dermate gering dat meetbare veranderingen in biomassa van planten niet op zullen treden. Ook effecten van verzuring die kunnen leiden tot veranderingen in de groei van planten zijn uitgesloten. De soortensamenstelling en structuur van habitattypen zal daardoor niet wijzigen. Daarom zullen er geen veranderingen optreden in de oppervlakte en kwaliteit van de habitattypen en leefgebieden, en voor de daarvan afhankelijke soorten.

Gezien het bovenstaande is uitgesloten dat de bouw en het gebruik van de woningen en lichte bedrijven op het Burgersterrein in Eerbeek leidt tot significante gevolgen voor de Natura 2000-gebieden Veluwe en Landgoederen Brummen, ook niet in cumulatie met andere projecten. Het project kan zonder natuurvergunning worden uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen van de Omgevingswet.

GNN-gebieden

De dichtstbijzijnde gronden die zijn aangemerkt als GNN zijn gelegen op 70 meter afstand ten oosten van het plangebied. Het GNN kent geen externe werking. Gezien het feit dat sprake is van een ontwikkeling buiten het GNN en gezien de aard en omvang van het initiatief wordt geconcludeerd dat er geen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het GNN.

Houtopstanden

In de volgende paragraaf wordt het natuuronderzoek beschreven. Daarin wordt ook het aspect houtopstanden behandeld.

8.2 Soortenbescherming

8.2.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

8.2.2 Situatie plangebied

Door Ecogroen is een natuurtoets uitgevoerd. Het onderzoek staat in Bijlage 10. Hieronder wordt op de conclusie ingegaan.

Onderzoek natuurwaarden

In het plangebied zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Er is geen sprake van aantasting van essentiële vliegroutes en onmisbaar foerageergebied van vleermuizen. Wel vormen de bomenrijen langs de Loubergweg mogelijk een vliegroute voor vleermuizen. Om negatieve effecten op langsvliegende vleermuizen te voorkomen, worden voorwaarden meegegeven.

In het plangebied zijn nesten van enkele algemeen voorkomende broedvogels te verwachten zoals ekster, roodborst, merel, tjiftjaf, houtduif, Turkse tortel en merel.

De werkzaamheden leiden niet tot verlies of verstoring van groei-, nest- en/of verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van flora, overige zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen en ongewervelden, uitgezonderd soorten waarvoor een vrijstelling van vergunningplicht geldt in de provincie Gelderland. Mits voorkomen wordt dat exemplaren opzettelijk worden gedood, geldt dat er voor deze soorten geen vervolgstappen aan de orde zijn. Wel is altijd de specifieke zorgplicht van toepassing.

De bomen in het plangebied maken geen onderdeel uit van een houtopstand zoals beschermd onder de Omgevingswet. Voor de kap van bomen binnen het plangebied gelden alleen de (kap)regels van de gemeente Brummen. In voorliggende situatie is het niet noodzakelijk om een kapvergunning bij de gemeente aan te vragen omdat de bomen geen deel uitmaken van het Wilhelminapark in Eerbeek, niet behoren tot een tuin van een historisch pand en niet op de landelijke lijst staan van monumentale bomen van de Bomenstichting Amsterdam.

8.3 Conclusie

Vanuit het aspect ecologie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 9 Archeologie en cultuurhistorie

9.1 Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland.

Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

9.2 Archeologie

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

Door Greenhouse Advies is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek staat in Bijlage 11. Hieronder staat de conclusie.

Archeologisch onderzoek

Op basis van de resultaten van de vooronderzoeken en het thans uitgevoerde inventariserende veldonderzoek door middel van verkennende boringen, wordt geadviseerd om in de zones met de (restanten van) esdekken geen bodemingrepen uit te voeren die dieper reiken dan dat esdek. Op die plekken geen graafwerkzaamheden tot in het gele zand uit te voeren omdat daarmee een mogelijk aanwezig bodemarchief kan worden verstoord of vernietigd.

Dit komt overeen met een wisselende diepte van zo’n 80 cm -mv (boring 20) tot 170 cm -mv (boring 14). Langs de noordelijke rand bij de bebouwing aan de Stuijvenburchstraat ligt het esdek op een diepte variërend van 90 tot 120 cm -mv13 (of +17,0 m tot +18,0 m NAP) en in het zuidwestelijk deel ligt dit niveau dieper op 115 tot 170 cm -mv (of +16,7 m tot +18,5 m NAP).14 Het strekt tot de aanbeveling om een buffer van 30 cm boven dat niveau aan te houden.

Wanneer hier toch diepe bodemingrepen tot in het ‘gele zand’ (C-horizont) en onder(in) het esdek moeten plaatsvinden ten behoeve van de realisatie van het beoogde ruimtelijke plan, dan wordt geadviseerd dit vooraf te laten gaan door een archeologisch vervolgonderzoek. Dit vervolgonderzoek kan het beste plaatsvinden in de vorm van een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Doel daarvan is het opsporen en zo mogelijk afbakenen en het waarderen van het eventueel aanwezige bodemarchief. Op basis daarvan kunnen de vervolgstappen (= vrijgave, opgraven of planaanpassing) worden bepaald.

afbeelding "i_NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01_0009.png"  
Afbeelding 9.1: Advieskaart op basis van verkennend booronderzoek (Bron: Greenhouse Advies)  

De groene advieszone op afbeelding 9.1 wordt vrijgegeven voor ontwikkeling. Indien de bodemingrepen in de bruine advieszone op figuur 1 beperkt blijven tot 17,30-18,40 m NAP langs de noordelijke rand bij de bebouwing aan de Stuijvenburchstraat, alsook tot 17,00-18,80 m NAP in het zuidwestelijk deel, is verder onderzoek hier niet noodzakelijk in het kader van de omgevingsvergunning. Indien deze grenzen alsnog overschreden worden, is een proefsleuvenonderzoek benodigd, waarvoor een door de gemeente Brummen goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) opgesteld dient te worden alvorens het onderzoek kan plaatsvinden. Dit is verwerkt als voorwaardelijke verplichting in de regels van dit plan door onderzoek verplicht te stellen bij bodemingrepen als de bodemingrepen de genoemde dieptes overschrijdt.

9.3 Cultuurhistorie

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Situatie plangebied

In en om het plangebied liggen geen Rijksmonumenten. In het plangebied bevinden zich ook geen gemeentelijke monumenten. Aan de Stationstraat 2 bevindt zich het station van de Veluwsche Stoomtrein Maatschappij. Dit pand is aangewezen als gemeentelijk monument. Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor dit monument.

Op de cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Gelderland is een deel van de Loubergweg aangewezen als bijzonder lijnelement (Hanzeweg). Het plan heeft geen invloed op de cultuurhistorische waarde en verstoort het lijnelement niet.

Voor het overige zijn er geen bijzondere cultuurhistorische waarden aanwezig.

9.4 Conclusie

Vanuit het aspect archeologie en cultuurhistorie is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 10 M.e.r.-beoordeling

10.1 Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • In kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt;
  • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als Voor plan/ programma een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

10.2 Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van het voornemen wordt de conclusie getrokken dat hier sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld onder J11 in Bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Gezien de omvang betreft het een ontwikkeling die ruim beneden de gevallen/drempelwaarden van de plan m.e.r.-plicht blijft. Door BJZ.nu is een notitie m.e.r.-beoordeling opgesteld. De notitie staat in Bijlage 12.

De m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-MER noodzakelijk maakt.

10.3 Conclusie

Gelet op de beoordeling van de kenmerken van de ontwikkeling en de potentiële effecten, zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 11 Economische uitvoerbaarheid

11.1 Algemeen

In dit hoofdstuk wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

11.2 Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemers van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van een of meer gebouwen met een woonfunctie (zie artikel 8.13 aanhef en sub a Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

11.3 Situatie plangebied

In dit geval is de gemeente Brummen de initiatiefnemer van het plan. Voor voorliggende wijziging van het omgevingsplan en bouwproject is een grondcomplex ingesteld met bijbehorende grondexploitatie. Hierin is de verantwoording van de kosten en opbrengsten opgenomen. De exploitatie is sluitend. Het plan is dan ook economisch uitvoerbaar. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan achterwege kan blijven.

Hoofdstuk 12 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

12.1 Participatie

Participatie is onder de Omgevingswet een belangrijk aspect in de procedure van een ruimtelijke ontwikkeling. Een ontwikkeling heeft namelijk niet alleen invloed op de fysieke leefomgeving, maar ook op de mensen die daar wonen, werken en recreëren. Het is daarom van belang dat deze mensen in een vroeg stadium worden betrokken bij het initiatief.

Zoals in paragraaf 2.2 is beschreven is voorliggend plan een onderdeel van het traject om het voormalige Burgersterrein te herontwikkelen. Een overzicht en beschrijving van het participatietraject staat in Bijlage 13.

12.2 Vooroverleg instanties

Provincie Gelderland: voor de ter inzage ligging van voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt het plan aan de Provincie Gelderland toegestuurd. Wanneer deze met een reactie komt wordt dit hier vermeld.

Waterschap Vallei en Veluwe: uit de digitale watertoets komt de 'normale' procedure. Met het waterschap vindt afstemming plaats. Het resultaat hiervan wordt hier vermeld.

Veiligheidsregio: voor de ter inzage ligging van voorliggende wijziging van het omgevingsplan wordt het plan aan de Veiligheidsregio toegestuurd. Wanneer deze met een reactie komt wordt dit hier vermeld.

12.3 Zienswijzen

De wijziging van het omgevingsplan is voor een periode van zes weken voor eenieder ter inzage gelegd. In deze periode is één zienswijze ingediend. De opgestelde nota beantwoording zienswijze is toegevoegd in Bijlage 14. Naar aanleiding van de ingediende zienswijze is er een onderzoek uitgevoerd naar inschijnende koplampen. Voor het onderzoek wordt eveneens verwezen naar Bijlage 14.

Aan het ontwerp wijziging van het omgevingsplan zijn enkele ambtelijke wijzigingen aangebracht. Hieronder volgt een korte beschrijving per onderdeel.

  • Motivering: sinds de ontwerp wijziging van het omgevingsplan is een nieuwe AERIUS-berekening uitgevoerd en is op basis van deze berekening een voortoets stikstofeffecten uitgevoerd.
  • Regels: in de regels zijn enkele wijzigingen van ondergeschikte aard aangebracht. Enkele voorbeelden zijn het verduidelijken van de regels over balkons en een begripsbepaling toevoegen van een tuincentrum.
  • Verbeelding: op de verbeelding zijn enkele omissies hersteld. Enkele voorbeelden zijn het corrigeren van de bouwhoogte van enkele appartementengebouwen, de uitrit van de toegangsweg van de bedrijven de missende aanduiding 'Verkeer - Verblijfsgebied' herstellen en het fietspad tussen de twee woonvelden met een aanduiding aangeven.

Hoofdstuk 13 Juridische verantwoording

13.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

13.2 Opzet van de regels

13.2.1 Algemeen

Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.

Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-Omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels;
  • Functieregels en gebiedsaanwijzingen;
  • Algemene regels aan activiteiten;
  • Overgangsrecht en slotbepalingen.
13.2.2 Preambule voor hoofdstuk en artikelnummering

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.

Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Burgersterrein, Eerbeek en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22l) van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22l van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22l.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22l.’ gelezen worden.

Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.

13.2.3 Toepassingsbereik van het wijzigingsbesluit

Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk geen gebruik van de technische vereisten van de nieuwe Omgevingswet, maar gebruikt zoals hiervoor beschreven nog de 'oude' standaarden. Om te voorkomen dat voor het gewijzigde deel van het omgevingsplan zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereik opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels. Het toepassingsbereik luidt als volgt.

Artikel 3 (Toepassingsbereik)

1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.

2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Burgersterrein Eerbeek, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.TAMEEKOM3004-va01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

13.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti-dubbeltelregel (Artikel 10): Deze regel is opgenomen om ongewenste verdichting van de bebouwing te voorkomen.
  • Algemene ruimtelijke bouwregels (Artikel 11): Dit artikel bevat algemene regels omtrent het bouwen van bouwwerken.
  • Planologische gebruiksactiviteiten (Artikel 12): Uitgangspunt is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Vanuit deze gedachte is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
  • Parkeeractiviteiten (Artikel 13): In dit artikel zijn parkeernormen opgenomen en regels over laden en lossen. De normen zijn niet als zodanig in een tabel opgenomen, maar zijn toegevoegd als bijlage bij de regels.
  • Overige regels (Artikel 14): Wanneer het aanvragen van een omgevingsvergunning nodig is, op basis van de regels uit hoofdstuk 2, zijn de aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan van toepassing.
13.2.5 Overgangsregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.

NB: Het omgevingsplan bevat in hoofdstuk 23 de slotbepalingen, dus die worden niet in een TAM-omgevingsplan opgenomen.

13.3 Verantwoording van de regels

Het vertrekpunt voor voorliggend TAM-omgevingsplan zijn de relevante bestemmingen uit het bestemmingsplan “Eerbeek”. De regels uit de diverse paraplubestemmingsplannen (zie paragraaf 1.3.1) zijn inhoudelijk overgenomen. In sommige gevallen is gekozen om van deze regels af te wijken. Deze paragraaf licht deze keuzes toe.

In bestemmingsplan "Eerbeek" is de aanduiding 'geluidzone - te verwijderen' opgenomen. Aangezien deze geluidzone niet langer van toepassing is, is ervoor gekozen om deze niet over te nemen in de regels van dit TAM-omgevingsplan.

Bedrijf (Artikel 4)

Het is nog niet bekend welke bedrijven exact zich zullen vestigen. Daarom is gekozen voor het toevoegen van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit bestemmingsplan "Kom Eerbeek" (vastgesteld 28 januari 2010). Uitsluitend bedrijven van milieucategorie 1 en 2 zijn in het plangebied toegestaan. Er zijn geen bouwvlakken opgenomen. In plaats daarvan zijn regels opgenomen over de ligging van de bedrijfsgebouwen en het maximale bebouwingspercentage per perceel. Tot slot mag uitsluitend gebouwd worden volgens het Beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen als bijlage bij de regels.

Groen (Artikel 5)

De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime. In tegenstelling tot de regels uit bestemingsplan "Eerbeek" is ervoor gekozen om parkeerplaatsen en ontsluitingen onder te brengen in de functie Verkeer - Verblijfsgebied.

Verkeer - Verblijfsgebied (Artikel 6)

De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime.

Wonen (Artikel 7)

De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime. Hiervan afwijkend zijn de regels over het bouwen van een mantelzorgunit. In paragraaf 22.2.7.3 in het omgevingsplan (onderdeel van de 'bruidsschat') staat immers al geregeld onder welke voorwaarden een mantelzorgwoning vergunningvrij gebouwd mag worden.

Daarnaast mag binnen de functie Wonen uitslutiend gebouwd worden volgens het Beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen als bijlage bij de regels.

Milieuzone - geurzone 2 (Artikel 8)

De onderliggende regels sluiten aan op de regels uit het huidig planologisch regime.

Overige zone - voorwaardelijke verplichting archeologisch onderzoek (Artikel 9)

Uit het selectiebesluit volgt dat een deel van het plangebied geen archeologische verwachtingswaarde heeft (zie paragraaf 9.2). Voor een ander deel van het plangebied geldt dat bij bodemingrepen dieper dan 17,30-18,40 m NAP langs de noordelijke rand bij de bebouwing aan de Stuijvenburchstraat, alsook tot 17,00-18,80 m NAP in het zuidwestelijk deel proefsleuvenonderzoek noodzakelijk is. In dit geval is al verkennend archeologisch onderzoek gedaan waarin de (verwachtings)waarden vastgesteld zijn. Daarom is ervoor gekozen om geen reguliere archeolgische functie op te nemen, maar een voorwaardelijke verplichting.