direct naar inhoud van Regels
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Eerbeek, Burgersterrein
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01

Regels

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Burgersterrein, Eerbeek en vormt juridisch een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22l) van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22l van het omgevingsplan van de gemeente Brummen. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22l.' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22l.’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 (H. 22a paragraaf 1) Inleidende regels

Artikel 1 Toepassingsbereik

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Burgersterrein, Eerbeek, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.TAMEEKOM3004-va01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 2 Begripsbepalingen

  • 1. Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I van het omgevingsplan, bijlage I van het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling zijn van toepassing op dit hoofdstuk.
  • 2. Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in het eerste lid de volgende begripsbepalingen:
2.1 plan

het TAM-omgevingsplan "TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22l Eerbeek, Burgersterrein", met identificatienummer NL.IMRO.0213.TAMEEKOM3004-va01 van de gemeente Brummen;

2.2 aan-huis-gebonden bedrijf

het bedrijfsmatig verlenen van diensten of het uitoefenen van ambachtelijke bedrijvigheid door middel van handwerk, dat door zijn beperkte omvang in een woning en/of een daaraan verbonden bijbehorend bouwwerk, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend, zoals een bed en breakfast (B&B), schoenmakerij, computerreparatiebedrijf etc.;

2.3 aan-huis-gebonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, niet zijnde een seksinrichting, een escortbedrijf of detailhandel, uitgeoefend in een woning en/of een daaraan verbonden bijbehorend bouwwerk en als functie ondergeschikt aan de woonfunctie;

2.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

2.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.6 achtererfgebied

het gebied zoals bepaald in Bijlage 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

2.7 ambulante handel

elke verkoop, te koop aanbieding of uitstalling met het oog op de verkoop van producten aan de consument, door een handelaar buiten de vestigingen vermeld in zijn inschrijving in het handelsregister of door een persoon die niet over een dergelijke vestiging beschikt;

2.8 antenne-installatie

installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meerdere techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie;

2.9 antennedrager

antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne;

2.10 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

2.11 bebouwingsgebied

achtererfgebied alsmede de grond onder het hoofdgebouw, uitgezonderd de grond onder het oorspronkelijk hoofdgebouw;

2.12 bebouwingspercentage

het percentage van de oppervlakte van een bouwperceel, dat mag worden bebouwd;

2.13 bed- en breakfast

een voorziening gericht op het bieden van de mogelijkheid tot overnachting en het serveren van ontbijt, als toeristisch-recreatieve activiteit, ondergeschikt aan de woonfunctie. Onder een bed- en breakfast-voorziening wordt niet verstaan overnachting in verband met het verrichten van tijdelijke of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid;

2.14 bedrijf

elke onderneming of gedeelte van een onderneming, welke een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en als zodanig gericht is op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten; organisatorisch zelfstandige eenheden als hier bedoeld, welke door of vanwege de overheid worden geleid, worden voor de toepassing van deze planregels eveneens als bedrijf aangemerkt;

2.15 bedrijfsgebouw

een gebouw dat noodzakelijk is voor de uitoefening van ter plaatse toegestane (bedrijfs)activiteiten, hieronder wordt geen bedrijfswoning verstaan;

2.16 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de functie van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

2.17 bedrijfsmatige activiteiten

bedrijfsmatige activiteiten - geen dienstverlening zijnde - en ambachtelijke bedrijvigheden, geheel of overwegend door middel van handwerk;

2.18 bestaand
  • bij bouwwerken: bestaande bouwwerken, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig waren of krachtens een verleende bouwvergunning en/of omgevingsvergunning worden of mogen worden gebouwd;
  • bij gebruik: bestaand gebruik dat bestond op het tijdstip ten tijde van de inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan;
2.19 bevoegd gezag

bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning;

2.20 bijbehorend bouwwerk

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak, niet zijnde een overkapping. Binnen aangebouwde bijbehorende bouwwerken bij een woning is eveneens gebruik ten behoeve van de woonfunctie inbegrepen;

2.21 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen;

2.22 bouwlaag

een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met uitzondering van onderbouw en kapverdieping;

2.23 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop, ingevolge de regels, een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

2.24 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten;

2.25 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect, met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

2.26 bouwwerken, geen gebouw en bijbehorend bouwwerk zijnde

een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of bijbehorend bouwwerk is;

2.27 bruto vloeroppervlakte

de totale vloeroppervlakte van gebouwen ten dienste van de bedrijfsactiviteiten, buitenwerks gemeten, met inbegrip van de daartoe behorende opslag en overige dienstruimten;

2.28 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

2.29 daknok

hoogste punt van een schuin dak;

2.30 dakvoet

laagste punt van een schuin dak;

2.31 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en/of (af)leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, dit met uitzondering van perifere detailhandel en de verkoop van lpg;

2.32 dienstverlening

onder dienstverlening wordt verstaan:publieksgerichte dienstverlening en zakelijke dienstverlening;

2.33 druiplijn

onderste horizontale lijn van een dakvlak dat geen goot heeft;

2.34 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, het omgevingsplan die inrichting niet verbiedt;

2.35 gebouw

elk bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

2.36 geurgevoelig object van categorie A

een woning, school, ziekenhuis of een vergelijkbaar geurgevoelig object, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent of een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt, niet zijnde bedrijven, kantoren of vergelijkbare objecten;

2.37 gestapelde woningen

boven elkaar of nagenoeg boven elkaar gebouwde woningen;

2.38 hoofdgebouw

een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van de geldende of toekomstige functie van een perceel en dat, indien op het perceel meerdere gebouwen aanwezig zijn, gelet op die functie het belangrijkst is;

2.39 huishouden:

persoon of groep personen die een huishouding voert waarbij sprake is van een onderlinge verbondenheid en continuiteit in de samenstelling ervan;

2.40 kantoor

gebouw gericht op het verlenen van diensten op administratief, financieel, architectonisch, juridisch of een daarmee naar aard gelijk te stellen gebied, waarbij het publiek niet of slechts in ondergeschikte mate rechtstreeks te woord wordt gestaan en geholpen;

2.41 kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis

de in Bijlage 1 genoemde aan huis verbonden beroepen en kleinschalige bedrijfsactiviteiten aan huis die door de beperkte omvang in of bij een woning met behoud van de woonfunctie kunnen worden uitgeoefend door uitsluitend de bewoner;

2.42 kunstwerk

een civiel technisch bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van wegen en waterlopen, zoals een brug, duiker of viaduct, alsmede:

creatieve voortbrengselen van de beeldende kunst zoals beeldhouwwerken, schilderen en andere kunstzinnige objecten;

2.43 luifel

een uitstekend afdak aan een gebouw;

2.44 mantelzorg

intensieve zorg of ondersteuning aan een hulpbehoevende ten behoeve van zelfredzaamheid en/of participatie, die niet in het kader van een hulpverlenend beroep wordt geboden, maar rechtstreeks voortvloeit uit een tussen personen bestaande sociale relatie, die de gebruikelijke hulp van huisgenoten voor elkaar overstijgt, en waarvan de behoefte met een verklaring van een huisarts, wijkverpleegkundige of andere door de gemeente aangewezen sociaal-medisch adviseur kan worden aangetoond;

2.45 mantelzorgunit

een (tijdelijke) woning bedoeld voor de huisvesting van een huishouden van maximaal twee personen van wie tenminste één persoon zorg verleent aan of ontvangt van een bewoner van de hoofdwoning;

2.46 nutsvoorziening

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen en zendmasten;

2.47 overkapping

een bouwwerk met een dak met ten hoogste twee wanden, al dan niet tot de constructie zelf behorend;

2.48 peil
  • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst de gemiddelde hoogte van het direct aansluitend terrein;
2.49 perifere detailhandel

een vorm van detailhandel die gericht is op het verhandelen van volumineuze of brand- en explosiegevaarlijke stoffen en van ABC-goederen (auto's, boten en caravans), tuincentra, bouwmarkten, grove bouwmaterialen, keukens en sanitair alsmede woninginrichting waaronder meubels, die vanwege de omvang en aard van het productassortiment een groot oppervlak van minimaal 500 m2 bruto vloeroppervlakte per detailhandelsvestiging, nodig hebben voor de uitstalling en goed bereikbaar moeten zijn;

2.50 permanente bewoning

het gebruik van een ruimte, daaronder begrepen kampeermiddelen, chalets, stacaravans en recreatiewoningen, als hoofdverblijf;

2.51 prostitutie

het zich ten behoeve van een ander tegen vergoeding beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele diensten;

2.52 recreatief medegebruik

die vormen van openluchtrecreatie, waarbij vooral het landschap of bepaalde aspecten daarvan worden beleefd, zoals wandelen en fietsen, waarbij relatief weinig recreanten aanwezig zijn per oppervlakte-eenheid. Deze functie is ondergeschikt aan de functie waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

2.53 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden; onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

2.54 staat van bedrijfsactiviteiten

de in Bijlage 2 bij deze planregels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten behorende bij dit plan;

2.55 standplaats

een ruimte op of aan de openbare weg of aan openbaar water, dan wel op een andere - al dan niet met enige beperking - voor het publiek toegankelijke en in de open lucht gelegen plaats, waar het toegestaan is ambulante handel uit te oefenen;

2.56 tuin

een gedeelte van het erf dat geheel of gedeeltelijk is ingericht met gazons, planten en/of bomen;

2.57 tuincentrum

een bedrijf dat binnen een ruimte of op een terrein, al dan niet overdekt, planten en een volledig assortiment aan tuinartikelen en producten uit vooraad aan particulieren aanbied alsmede daarmee rechtstreeks samenhangende artikelen. Tuinartikelen zijn artikelen die dienen voor de aanleg, de inrichting en het onderhoud van en het verblijf in tuinen. Onder volledig assortiment wordt begrepen:

  • Hoofdassortiment: direct voor de aanleg, inrichting en onderhoud van tuinen benodigde artikelen;
  • Bijassortiment: indirect voor de aanleg, inrichting en onderhoud van huis en tuinen benodigde artikelen, alsmede dieren, dierbenodigdheden en -voeding, decoratie en woonaccessoires binnenshuis, tuin en wazkleding, buitenspeelgoed, (buiten)koken en accessoires, verkoop van streekproducten.
2.58 twee-onder-één-kap woning

een woning waarvan het hoofdgebouw aan één zijde is verbonden met het hoofdgebouw van een andere woning;

2.59 voorgevel

de naar de openbare ruimte (weg, voet-/fietspad) gekeerde gevel(s) van een gebouw of, indien een perceel met meerdere zijden aan de openbare ruimte grenst, de als zodanig door het bevoegd gezag aan te wijzen gevel(s);

2.60 voorgevellijn

de lijn waarin de voorgevel van een hoofdgebouw is gelegen, alsmede het verlengde daarvan;

2.61 vrijstaande woning

een woning die niet verbonden is met een andere woning;

2.62 waterhuishoudkundige voorzieningen

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede water aan- en/of afvoer, waterberging en waterkwaliteit;

2.63 wonen

het houden van verblijf, het huren en tevens (laten) bewonen van kamers of het gehuisvest zijn in een huis/woning, evenwel met uitzondering van woonvormen met een maatschappelijk karakter met intensieve begeleiding, met dien verstande dat kamerhuur in een pand beperkt is en blijft tot maximaal vier personen;

2.64 woning of wooneenheid

een gebouw of een gedeelte van een gebouw, krachtens aard en indeling geschikt en/of bestemd voor de huisvesting van één huishouden.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten c.q. gerekend:

3.1 de afstand tot de zijdelingse perceelsgrens

de kortste afstand van het gebouw tot de zijdelingse perceelsgrens;

3.2 het bebouwd oppervlak van een bouwperceel

de oppervlakte van alle op een bouwperceel aanwezige bouwwerken tezamen;

3.3 het bebouwingspercentage

een aangegeven percentage, dat de grootte van het bouwvlak en/of bouwperceel aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de planregels anders is bepaald;

3.4 de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, liftinstallaties en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;

3.5 de breedte, diepte, c.q. lengte van gebouwen

tussen de buitenwerkse (hoofd)gevelvlakken en/of harten van gemeenschappelijke scheidingsmuren;

3.6 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;

3.7 de diepte van een (ondergronds) bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenzijde van de afgewerkte vloer van het ondergrondse (deel van het) bouwwerk;

3.8 de goothoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, wolfseinden en ondergeschikte bouwdelen als goten van dakkapellen niet meegerekend;

3.9 de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;

3.10 de oppervlakte van een bouwwerk:
  • a. tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • b. voor bouwwerken zonder wanden het overdekte en/of bebouwde grondoppervlakte, gemeten loodrecht onder het dakoppervlak en/of bouwwerk;
3.11 maatvoering parkeerruimte

De ruimte voor het parkeren van auto's is afgestemd op gangbare personenauto's waaraan wordt voldaan indien de afmetingen van:

  • a. bedoelde parkeerruimten ten minste 2,5 x 5 meter in geval van kops parkeren en 2 x 6 meter bij langsparkeren bedragen;
  • b. een gereserveerde parkeerruimte voor een gehandicapte, voor zover die ruimte niet in de lengterichting aan een trottoir grenst – ten minste 3, 5 x 6 meter bedragen.
3.12 uitzondering bij wijze van meten
  • a. bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden ondergeschikte bouwonderdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, koelinstallaties, gevel- en kroonlijsten, luifels, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,50 meter bedraagt;
  • b. bij toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen worden liftinstallaties buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 2.00 meter bedraagt.

Hoofdstuk 2 (H. 22a paragraaf 2) Functies en gebiedsaanwijzingen

Artikel 4 Bedrijf

4.1 Functieomschrijving

De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden mogen worden benut voor:

  • a. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten die staan vermeld in de categorieën 1 en 2 van de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in Bijlage 2, met uitzondering van zoneringsplichtige en risicovolle inrichtingen en vuurwerkopslag;

met de daarbij behorende:

  • b. tuinen, erven en terreinen;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. waterlopen en waterpartijen.

4.2 Beoordelingsregels
4.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 4.2 opgenomen beoordelingsregels.

4.2.2 Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bebouwing ten behoeve van de onder artikel 4.1 onder a tot en met g genoemde functies mag uitsluitend worden gerealiseerd en in stand worden gehouden conform het bepaalde in het Beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen als Bijlage 3 bij deze regels;
  • b. de afstand van een gebouw tot de zijdelingse perceelsgrenzen dient minimaal 3 meter te bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw mag niet meer bedragen dan de ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' aangegeven hoogte, ondergeschikte bouwdelen niet meegerekend;
  • d. de maximale bruto vloeroppervlakte (bvo) voor bedrijven binnen deze functie mag niet meer bedragen dan 4.500 m2, waarbij de bebouwde oppervlakte mag per bouwperceel niet meer mag bedragen dan 80%. 
4.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de bouwwerken, geen gebouwen zijnde, inclusief overkappingen zoals genoemd in artikel 4.2.4, niet zijnde erf- en terreinafscheidingen en masten, bedraagt per bouwperceel maximaal 40 m2, met dien verstande dat de bebouwde oppervlakte van het bouwperceelgedeelte achter de voorgevellijn niet meer bedraagt dan 60%;
  • b. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder b mag de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 2 meter bedragen;
  • d. in afwijking van het bepaalde onder b mag de bouwhoogte van antennes, (tuin)verlichting, vlaggenmasten en andere vergelijkbare bouwwerken niet meer dan 8 meter bedragen.
4.2.4 Overkappingen

Voor overkappingen geldt het volgende:

  • a. overkappingen mogen uitsluitend vanaf 3 meter achter de voorgevellijn gebouwd worden;
  • b. het bepaalde in artikel 4.2.3 onder a is van overeenkomstige toepassing;
  • c. de bouwhoogte mag niet meer bedragen dan 3 meter.

4.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • a. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • b. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  • c. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • d. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • e. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • f. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

Artikel 5 Groen

5.1 Functieomschrijving

De voor 'Groen' aangewezen gronden mogen worden benut voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. bermen en beplanting;
  • c. waterlopen en waterpartijen;

met daaraan ondergeschikt:

  • d. voet- en fietspaden;
  • e. recreatief medegebruik;
  • f. straatmeubilair;
  • g. speelvoorzieningen, met uitzondering van jongerenontmoetingsplaatsen;
  • h. kunstwerken;
  • i. nutsvoorzieningen, geen gebouwen zijnde;
  • j. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen;

en de daarbij behorende:

  • k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

5.2 Beoordelingsregels
5.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 5.2 opgenomen beoordelingsregels.

5.2.2 Algemeen

Uitsluitend zijn toegestaan bouwwerken, geen gebouwen zijnde, die ten dienste staan van de in artikel 5.1 omschreven functies.

5.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag niet meer dan 5 meter bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 1 meter mag bedragen;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van lichtmasten niet meer dan 12 meter bedragen.
5.2.4 Overkappingen

Overkappingen zijn niet toegestaan.

5.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • d. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • e. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  • f. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • g. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • h. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • i. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

Artikel 6 Verkeer - Verblijfsgebied

6.1 Functieomschrijving

Gronden binnen de functie 'Verkeer - Verblijfsgebied' mogen worden benut voor:

  • a. wegen, straten en paden;
  • b. parkeervoorzieningen;
  • c. voet- en fietspaden;

met de daarbij behorende:

  • d. nutsvoorzieningen;
  • e. gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. kunstwerken;
  • h. speelvoorzieningen, met uitzondering van een jongerenontmoetingsplaats;
  • i. boven- en/of ondergrondse waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • j. straatmeubilair.

6.2 Beoordelingsregels
6.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 6.2 opgenomen beoordelingsregels.

6.2.2 Gebouwen

Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen zijn toegestaan, waarbij de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 3 meter en de oppervlakte niet meer mag bedragen dan 30 m2.
6.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de maximale bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag 5 meter bedragen;
  • b. in afwijking van het bepaalde in onder a mag de maximale bouwhoogte van een antenne-installatie 15 meter bedragen;
  • c. in afwijking van het bepaalde onder a mag de hoogte van erf- en terreinafscheidingen niet meer dan 1 meter mag bedragen;
  • d. in afwijking van het bepaalde in onder a mag de maximale bouwhoogte van lichtmasten 12 meter bedragen.
6.2.4 Overkappingen

Overkappingen zijn niet toegestaan.

Artikel 7 Wonen

7.1 Functieomschrijving

Gronden binnen de functie 'Wonen' mogen worden benut voor:

  • a. wonen;
  • b. grondgebonden en gestapelde woningen, al dan niet in combinatie met ruimte voor:
    • 1. kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis conform Bijlage 1;
    • 2. bed & breakfast;

met de daaraan ondergeschikt

  • c. inwoning zoals bedoeld in de inwoonregeling gemeente Brummen (2014);

met de daarbij behorende:

  • d. gebouwen, bijbehorende bouwwerken, bouwwerken, geen gebouwen zijnde en overkappingen;
  • e. tuinen en erven;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. voet- en fietspaden;
  • h. openbare nutsvoorzieningen;
  • i. waterhuishoudkundige voorzieningen.

7.2 Beoordelingsregels
7.2.1 Toepassingsbereik

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in artikel 7.2 opgenomen beoordelingsregels.

7.2.2 Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bebouwing voor de onder artikel 7.1 onder a tot en met h genoemde functies mag uitsluitend worden gerealiseerd en in stand worden gehouden conform het bepaalde in het Beeldkwaliteitsplan, dat is opgenomen als Bijlage 3 bij deze regels;
  • b. hoofdgebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; met dien verstande dat:
    • 1. ter plaatse van de aanduiding 'gevellijn' de voorgevel van een hoofdgebouw geplaatst dient te worden in deze opgenomen gevellijn;
    • 2. in afwijking van het bepaalde onder 1, mag de voorgevel overschreden worden door een erker of balkon, met dien verstande dat de diepte daarvan maximaal 1,2 m bedraagt en dat de breedte niet meer bedraagt dan 2/3e van de breedte van de voorgevel van de wooneenheid met een maximum van 4 m;
  • c. het bouwvlak mag volledig worden bebouwd;
  • d. ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' mag het aantal woningen per bouwvlak ten hoogste het in de aanduiding aangegeven aantal bedragen;
  • e. gestapelde woningen zijn uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld' toegestaan;
  • f. de goot- en/of bouwhoogte van gebouwen bedraagt ten hoogste de ter plaatse van de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte' aangegeven hoogte.
7.2.3 Bijbehorende bouwwerken

In het achtererfgebied mogen bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, mits wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • a. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:
    • 1. 5 meter;
    • 2. 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en;
    • 3. het hoofdgebouw;
  • b. voor zover op een afstand van meer dan 4 meter van het oorspronkelijk hoofdgebouw:
    • 1. indien hoger dan 3 meter: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 meter, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 meter en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [meter] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [meter] x 0,47) + 3;
    • 2. voor zover gelegen op twee perceelsgrenzen of op niet meer dan 2 meter van een perceelsgrens en indien hoger dan 3 meter: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 meter, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 meter en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [meter] = (afstand daknok tot de perceelsgrens die evenwijdig loopt aan de daknok [meter] x 0,47) + 3;
    • 3. functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het een aangebouwd bijbehorend bouwwerk betreft dat gelegen is binnen het ter plaatse opgenomen bouwvlak;
  • c. de oppervlakte van al dan niet met vergunning gebouwde bijbehorende bouwwerken, inclusief overkappingen zoals genoemd in artikel 7.2.5, in het bebouwingsgebied bedraagt niet meer dan:
    • 1. in geval van een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m2: 50% van dat bebouwingsgebied, met dien verstande dat er minimaal 40 m2 mag worden gebouwd;
    • 2. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 100 m2 en kleiner dan of gelijk aan 300 m2: 50 m2, vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m2;
    • 3. in geval van een bebouwingsgebied groter dan 300 m2: 90 m2, vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m2, tot een maximum van in totaal 150 m2.

7.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen, geen bijbehorende bouwwerken en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt voor de voorgevellijn ten hoogste 1 meter en achter de voorgevellijn ten hoogste 2 meter;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen bijbehorende bouwwerken zijnde, bedraagt ten hoogste 3 meter met uitzondering van vlaggenmasten, hiervan bedraagt de bouwhoogte ten hoogste 6 meter.
7.2.5 Overkappingen

Voor het bouwen van overkappingen gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. overkappingen mogen uitsluitend achter de voorgevellijn worden gebouwd;
  • b. de bouwhoogte van overkappingen bedraagt ten hoogste 3 meter;
  • c. het bepaalde in artikel 7.2.3 onder c is van overeenkomstige toepassing.

7.3 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing:

  • d. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de gebruiksmogelijkheden en het woon- en leefklimaat van aangrenzende gronden en bouwwerken;
  • e. ter voorkoming van onevenredige aantasting van de parkeermogelijkheden in de naaste omgeving;
  • f. ter waarborging van de stedenbouwkundige kwaliteit en beeldkwaliteit van de naaste omgeving;
  • g. ter waarborging van de verkeersveiligheid;
  • h. ter waarborging van de sociale veiligheid;
  • i. ter waarborging van de brandveiligheid en rampenbestrijding.

7.4 Verboden gebruiksactiviteiten

Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het plan wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van kleinschalige beroeps- en bedrijfsmatige activiteiten aan huis, indien:
    • 1. de kleinschalige beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteit niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning;
    • 2. de kleinschalige beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteit een onevenredige parkeerdruk met zich meebrengt, casu qua niet onevenredig veel extra verkeer wordt aangetrokken en casu quo primair op eigen terrein moet worden geparkeerd door bezoekers en gebruikers;
    • 3. de kleinschalige beroeps- en/of bedrijfsmatige activiteit afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van de buurt;
    • 4. de bruto vloeroppervlak voor beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten in de woning en de bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan 30%;
    • 5. de bruto vloeroppervlak voor beroeps- en/of bedrijfsactiviteiten in de woning en de bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan 50 m2;
    • 6. een reclame- en/of naambord aan de gevel of op het bouwperceel groter is dan 0,2 m2;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel en/of kappersbedrijven.
  • c. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een bed- en breakfast, indien:
    • 1. de bed- en breakfast niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van de woning;
    • 2. de bed- en breakfast een onevenredige parkeerdruk met zich meebrengt;
    • 3. de bed- en breakfast afbreuk doet aan het woon- en leefklimaat van de buurt;
    • 4. het oppervlak ten behoeve van de bed- en breakfast in de woning en de bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan 30%;
    • 5. het oppervlak ten behoeve van de bed- en breakfast in de woning en de bijbehorende bouwwerken meer bedraagt dan 50 m2;
    • 6. per bedrijfsuitoefening meer dan één reclame- en/of naambord aan de gevel of op het bouwperceel voorkomt;
    • 7. een reclame- en/of naambord aan de gevel of op het bouwperceel groter is dan 0,5 m2;
    • 8. er meer dan vier personen op een kamer verblijven;
    • 9. per kamer niet 1 extra parkeergelegenheid op eigen terrein gerealiseerd kan worden;
    • 10. de woonfunctie niet in ruimtelijke en visuele zin primair blijft.

Artikel 8 Milieuzone - geurzone 2

8.1 Gebiedsomschrijving

De gronden binnen de gebiedsaanduiding 'Milieuzone - geurzone 2' zijn, behalve voor de daar voorkomende functies, mede aangewezen voor de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de aanwezigheid van geurhinderveroorzakende inrichtingen.

8.2 Vergunningplichtige gebruiksactiviteiten
8.2.1 Geurgevoelige objecten categorie A

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning gebouwen te gebruiken ten behoeve van geurgevoelige objecten categorie A (begripsbepaling 2.36).

8.2.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.2.1 kan worden verleend ten behoeve van:

  • a. het bouwen van vervangende nieuwbouw overeenkomstig de daar voorkomende functies, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarde:
    • 1. vervangende nieuwbouw is alleen toegestaan indien er technische maatregelen ter beperking van geuroverlast worden getroffen aan het geurgevoelige object;
  • b. het bouwen van nieuwe geurgevoelige objecten overeenkomstig de daar voorkomende functies, indien voldaan wordt aan de volgende voorwaarden:
    • 1. er worden compenserende maatregelen getroffen die bestaan uit het verplaatsen van geurgevoelige objecten uit de aanduiding 'milieuzone - geurzone 2' en buiten de aanduiding 'milieuzone - geurzone 1' of;
    • 2. er worden technisch compenserende maatregelen ter beperking van geuroverlast getroffen aan het geurgevoelige object.

Artikel 9 Overige zone - voorwaardelijke verplichting archeologisch onderzoek

9.1 Gebiedsomschrijving

De gronden binnen de gebiedsaanduiding 'Overige zone - voorwaardelijke verplichting archeologisch onderzoek' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede aangewezen voor de instandhouding en bescherming van archeologische waarden.

9.2 Vergunningplichtige activiteiten
9.2.1 Toepassingsbereik

Het is verboden om op of in de gronden bedoeld in artikel 9.1, zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van bevoegd gezag bouwactiviteiten en/of heiwerkzaamheden uitvoeren met bodemingrepen dieper dan 17,30-18,40 m NAP langs de noordelijke rand bij de bebouwing aan de Stuijvenburchstraat, alsook tot 17,00-18,80 m NAP in het zuidwestelijk deel.

9.2.2 Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.2.1 kan worden verleend wanneer:

  • a. aanvrager een proefsleuvenonderzoek heeft laten uitvoeren, waarvoor een door de gemeente Brummen goedgekeurd Programma van Eisen (PvE) opgesteld dient te worden alvorens het onderzoek kan plaatsvinden.
  • b. naar het oordeel van bevoegd gezag uit het proefsleuvenonderzoek als bedoeld in lid a genoegzaam blijkt dat:
    • 1. er geen archeologische waarden kunnen worden geschaad;
    • 2. schade door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het bouwen verbonden voorschriften.
9.2.3 Maatwerkvoorschriften

In de situatie als bedoeld in artikel 9.2.2, onderdeel b, kan bevoegd gezag de volgende voorschriften aan de omgevingsvergunning verbinden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden;
  • b. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
9.2.4 Toepassing maatwerkvoorschrift

Indien het bepaalde in artikel 9.2.3, onderdeel b van toepassing is, wordt in de voorschriften geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

Hoofdstuk 3 (H. 22a paragraaf 3) Algemene regels voor activiteiten

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die in aanmerking genomen moet worden bij een verleende omgevingsvergunning voor bouwen mag, behoudens intrekking van die bouwvergunning, niet nog eens bij de verlening van een nieuwe bouwvergunning in aanmerking worden genomen.

Artikel 11 Algemene ruimtelijke bouwregels

11.1 Bestaande afwijkingen

Een bestaand bouwwerk, waarvan op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van dit TAM-omgevingsplan de feitelijk aanwezige hoogte, oppervlakte of afstand tot een ander gebouw of een grenslijn in strijd is met een in dit TAM-omgevingsplan voorgeschreven maximum dan wel minimum hoogte, oppervlakte of afstand, mag worden gehandhaafd, veranderd en/of vernieuwd, maar niet worden vergroot of anders gesitueerd.

11.2 Ondergeschikte bouwonderdelen

De grenzen van het bouwvlak en/of de grens van een functieaanduiding mogen naar de buitenzijde tot 0,50 meter worden overschreden door ondergeschikte bouwonderdelen zoals plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en airco's.

11.3 Aangrenzende terreinen

Het is verboden enig terrein of bouwperceel zodanig te bebouwen, dat daardoor op een aangrenzend terrein, bouwvlak of bouwperceel een toestand zou ontstaan, die aldaar niet meer met de regels van dit TAM-omgevingsplan zou overeenstemmen, of voor zover er reeds aldaar een afwijking van de regels bestaat, zodanig te bebouwen, dat deze afwijking zou worden vergroot.

Artikel 12 Planologische gebruiksactiviteiten

12.1 Aanwijzing verboden gebruik
  • a. Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.
  • b. Het is verboden bouwwerken, voor het bouwen waarvan op grond van de in dit omgevingsplan besloten regels, bij een omgevingsvergunning is afgeweken, te gebruiken op een wijze of tot een doel strijdig met het doel, waarvoor bij die omgevingsvergunning is afgeweken.

Artikel 13 Parkeeractiviteiten

13.1 Parkeernormen
  • a. Een omgevingsvergunning voor het bouwen en / of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik kan pas worden verleend als is verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende parkeergelegenheid voor motorvoertuigen. Hierbij gelden de normen als opgenomen in Bijlage 4 bij deze regels.
  • b. de onder a. bedoelde parkeerplaatsen voor motorvoertuigen dienen de maatvoering te hebben conform het bepaalde in artikel 3.11.
13.2 Laden en lossen

Indien de functie van een bouwwerk of een terrein aanleiding geeft tot een te verwachten behoefte aan ruimte voor het laden of lossen van goederen met bijbehorende voorzieningen, moet, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen en/of een omgevingsvergunning voor een wijziging van het gebruik, zijn verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen.

13.3 Afwijken van de parkeernormen
13.3.1 Aanwijzing

Het is verboden zonder omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in artikel 13.1 en artikel 13.2.

13.3.2 Beoordelingsregels

Voor de in artikel 13.3.1 bedoelde omgevingsvergunning gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. het voldoen aan de in artikel 13.1 en/of 13.2 bedoelde bepalingen is, gezien het gebruik en/of het bouwplan van het betreffende plangebied, mede gezien de omgeving, niet noodzakelijk en/of stuit overwegende bezwaren, of;
  • b. er wordt op andere wijze in de nodige parkeerruimte voorzien.
13.3.3 Aanvraagvereisten

De aanvraag omgevingsvergunning moet worden voorzien van een motivering waaruit blijkt dat de ruimtelijke kwaliteit gewaarborgd blijft.

13.4 Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften stellen aanvullend aan het bepaalde in artikel 13.1 en 13.2 ten behoeve van het verhogen van de parkeernormen en / of het aanleggen van voorzieningen voor het laden en lossen indien dat nodig is gelet op het gebruik en / of het bouwplan waarbij (het functioneren van) de omgeving mede betrokken wordt. Het besluit tot het stellen van de maatwerkvoorschrift moet worden voorzien van een motivering waaruit in ieder blijkt dat de eis noodzakelijk is om de ruimtelijke kwaliteit te borgen.

Een maatwerkvoorschrift kan tevens gesteld worden bij die (bouw)plannen waarvan de functie niet genoemd wordt in de tabel in Bijlage 4 bij deze regels.

Artikel 14 Overige regels

14.1 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

Hoofdstuk 4 (H. 22a paragraaf 4) Overgangsregels

Artikel 15 Overgangsrecht

15.1 Overgangsrecht bouwwerken
15.1.1 Algemeen

Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van dit TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een bouwvergunning of omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot;

  • a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
  • b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
15.1.2 Afwijking

Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig - in afwijking van artikel 15.1.1 - een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in artikel 15.1.1 met maximaal 10%.

15.1.3 Uitzondering

Artikel 15.1.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

15.2 Overgangsrecht gebruik
15.2.1 Algemeen

Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.

15.2.2 Verbod

Het is verboden het met het TAM-omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld in artikel 15.2.1, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.

15.2.3 Onderbroken gebruik

Indien het gebruik, bedoeld in artikel 15.2.1, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.

15.2.4 Uitzondering

Artikel 15.2.1 is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.