| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Terwoldseweg achter 5-7 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.0200.tam0025-vas1 |
behorende bij TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Terwoldseweg achter 5-7
De gemeente Apeldoorn heeft een groeiende behoefte aan het toevoegen/ realiseren van extra woningen in haar gemeente. Om tot een juiste afweging en woonkwaliteit te komen heeft de gemeenteraad op 16 mei 2024 het 'Wegingskader ruimtelijke initiatieven stad, dorp en buitengebied' vastgesteld evenals het Volkshuisvestingskader 2023-2030 "Ruim en ontspannen Wonen in de hoofdstad van de Veluwe" als onderdeel van de Omgevingsvisie "Woest aantrekkelijk Apeldoorn". In het wegingsmodel wordt een van de hand van een puntensysteem een juiste afweging gemaakt om te bepalen of woningbouwinitiatieven bijdragen aan de ontwikkeling van de stad. Het plan past voldoet en past binnen dit afwegingskader. Vanuit het volkshuisvestingskader vooral aandacht voor behoefte aan goedkope en betaalbare woningen en rekening houden met voortgaande vergrijzing en behoefte aan zorg.
De bestaande plekken die niet langer bijdragen aan de woon- of werkkwaliteiten van de stad kunnen in aanmerking komen voor transformatie. Verwaarloosde of braakliggende plekken in de stad doen afbreuk aan de ruimtelijke kwaliteit en sociale veiligheid. Door het ontwikkelen van deze plekken met een passend (woon-)programma kan worden bijgedragen aan de woonbehoefte van Apeldoorn. Wil Apeldoorn zich blijven profileren als een stad die aantrekkelijk is voor (startende) gezinnen en jong volwassenen dan heeft het toevoegen van met name sociale nieuwbouwwoningen aan de huidige woningvoorraad prioriteit. Daarnaast is er grote behoefte aan woningen in het middeldure segment. Het hier voorliggende plan omvat een woningbouwinitiatief waarbij er 107 woningen worden gerealiseerd, waarvan 83 grondgebonden woningen en 24 gestapeld. Wat betreft de grondgebonden woningen gaat het hierbij om 48 rijenwoningen, 22 half vrijstaande woningen en 13 vrijstaande woningen. De nieuwe woningen worden allemaal gasloos uitgevoerd. Daarnaast wordt in het plangebied de nodige infrastructuur, parkeer- en groenvoorzieningen aangelegd. Het plangebied wordt ontsloten vanaf de Terwoldseweg, aan de noordwestkant begrensd door de tennisvereniging (met inbegrip van de vergunde padelbanen) en aan de zuidkant deels door woonbebouwing en groenvoorzieningen van de Wijk Zevenhuizen.
Grenzend aan het te ontwikkelen woongebied ligt de Tennisvereniging TCS. De tennisvereniging heeft in 2021 vergunning gekregen om een aantal padelbanen aan te leggen.
Vanwege de vergunde padelbanen is de aanleg van een geluidscherm tussen het terrein van de tennisvereniging en het nieuw aan te leggen woongebied het nieuw aan te leggen woongebied noodzakelijk. De vergunde padelbanen zijn tot dusver nog niet vertaald in het omgevingsplan en zullen daarom samen met de rest van het tennispark, gezien de verwevenheid en het te plaatsen geluidscherm met het nieuwe woongebied en het benodigde geluidscherm, alsnog worden meegenomen in dit plan.
Het plangebied ligt als uitloper van de wijk Zevenhuizen vlakbij bij het gebied van de Wellen. Samen met Het Mozaïek en Het Rooster (locatie Zuidbroek) betreft het één van de drie woongebieden in de uitbreidingswijk Zuidbroek. Het nieuwe woongebied wordt begrensd door de A50, de Deventerstraat, Zevenhuizen en Park Zuidbroek aan respectievelijk de oost-, zuid-, west- en noordzijde.
Het plangebied onderscheidt zich van de twee andere woongebieden omgrensd door een 'landelijk karakter'. Het alom aanwezige groen vormt de setting voor verschillende woonbuurten die zorgvuldig zijn ingepast.
Het gebied ten noorden van de Terwoldseweg was in het verleden hoofdzakelijk agrarisch, landelijk gebied met erven met boerderijen, tuinderijen, volkstuinen en delen die in gebruik zijn door de stichtingen 'Stadsakkers'. Pluksgewijs wordt er van oudsher ook al gewoond. Zo is er aan de Terwoldseweg lintbebouwing met vrijstaande woningen en tweekappers. Door het gebied loopt de Terwoldseweg van oost naar west. Deze landweg scheidt het gebied in een noordelijk deel en een zuidelijke deel. Het plangebied is gelegen in het noordelijke deel. Tussen de Terwoldseweg en Park Zuidbroek liggen reeds gerealiseerde ontwikkelgebiedjes 'Erve Bulthuis', 'Erve Sprenkelaer' en 'De Bongerd'. Ook de in aanbouw zijnde 'De Wingerd' is hier gelegen.
Het nu voorliggende plangebied 'Terwoldseweg 5-7' vormt de voorlopig laatste ontwikkeling van het gebied ten noorden van de Terwoldseweg.
Het plangebied is nagenoeg onbebouwd en bestaat voornamelijk uit akkerlandjes en kwekerijgronden. In het noordelijke deel, tegen de achtergrens van de tennisvereniging, ligt een boerderij (Rhapsodiestraat 31). Bijzonder is dat deze boerderij, oorspronkelijk genaamd 'De Sprenkelaar' de oudste bebouwing in dit deel van Apeldoorn is.
Het plangebied ligt haast verscholen in de overgangszone tussen Sprenkelaar (Zevenhuizen) en De Wellen (Zuidbroek) en wordt gedeeltelijk aan twee zijden omgeven door achtertuinen van percelen met vrijstaande woningen.
Het oostelijke deel van het plangebied maakt deel uit van de Groene Mal. Ten oosten van de woonboerderij “Sprenkelaar” (Rapsodiestraat 31) staan een aantal grotere solitair bomen die als uitgangspunt kunnen worden gebruikt voor een verbindende groenstructuur tussen de Nocturnestraat vanuit Zevenhuizen en de laan van Park Zuidbroek.
De voorgenomen ontwikkeling voorziet in het realiseren van in totaal 107 woningen. Het woningbouwprogramma is gevarieerd, zoals weergegeven in onderstaande afbeelding. Daarnaast wordt voorzien in bijbehorende voorzieningen, zoals parkeerplaatsen, ontsluitingswegen en openbare groenvoorzieningen.
Naast het realiseren van de woningbouwontwikkeling, voorziet dit omgevingsplan ook in het planologisch inpassen van de reeds vergunde padelbanen bij de tennisvereniging en het benodigde geluidscherm dat voorziet in geluidswering richting woongebied. T
Het plangebied is een agrarisch gebied, dat de afgelopen decennia steeds meer is ingesloten in de stedelijke uitbreidingen. Het heeft een bijzondere geschiedenis, want hier lag de kern van de eeuwenoude agrarische nederzetting Sprenkelaar. Daar is nu niet zo veel meer van te zien, behalve het oude boerderijgebouw direct ten noorden van het plangebied (Rhapsodiestraat 31) plus enkele landschappelijke relicten.
De landschappelijke relicten die nog resteren van de oude Sprenkelaar, zijn vooral in de landschappelijke structuur te herkennen: het verloop van de Terwoldseweg, het verloop van het laantje ten oosten van het plangebied, het gebogen verloop van het weggetje ten westen van het plangebied, en daarmee in grote lijnen de omvang van het perceel van het plangebied, dat volgens het kadaster van 1832 op dat moment met dennenbos was beplant. Het gebied om de Sprenkelaar heen (bestaande uit boerderij en bijgebouwen, akkers, percelen met opgaand hout en grasland) bestond destijds nog uit natte heide; het bodemniveau van de Sprenkelaar stak daar iets hoger bovenuit, waardoor het beter geschikt was voor akkerbouw.
De landschappelijke waardevolle elementen bevinden zich aan de randen van het plangebied. Deze elementen geven kwaliteit aan het gebied en nemen een belangrijke plek in de beleving van de locatie. Het gaat hier specifiek om:
Het plangebied ligt pal aan Park Zuidbroek en heeft van origine een groen karakter. Door het plangebied aan de noordzijde een groen karakter te geven, wordt Park Zuidbroek het plangebied 'ingehaald'. Aan de oostzijde ligt een vrijliggend fietspad, begeleid door een recent aangelegde bomenlaan. Door met zowel de bebouwing als infrastructuur afstand te houden van dit fietspad, blijft de groene uitstraling ervan gehandhaafd. In het midden van het plangebied ligt een autovrije zone wat het domein zal zijn van de voetganger en waarop volop ruimte is voor 'spelen en ontmoeten'.
Het plangebied is op grond van het in bijage 1 van deze toelichting opgenomen Stedenbouwkundig plan opgedeeld in 5 bouwvelden.
De zuidelijke bouwvelden liggen met de achterkant tegen de bestaande bebouwing aan de Terwoldseweg en Rapsodiestraat aan en creëren voorkanten richting het plangebied. Vervolgens liggen er twee grote bouw velden in het midden van het plangebied. Het gebied tussen deze twee velden is autovrij en zal in het teken staan van 'spelen en ontmoeten'. Het noordelijkste plangebied ligt in het groen en zal qua karakter onderscheidend zijn ten opzichte van de andere bouwvelden. Dit bouwveld zal als een erf ontworpen worden. Het stedenbouwkundig plan onderscheidt zich hiermee van de omliggende buurten in Sprenkelaar-Zevenhuizen en De Wellen-Zuidbroek
Het autoverkeer wordt ontsloten via de Terwoldseweg.
Vanuit daar loopt een door groen gedragen verkeerslus door het plangebied heen. Vanaf deze lus zijn twee parkeerhoven, gesitueerd binnen de centrale bouwvelden, bereikbaar.
Het plangebied betreft een soort overgangsgebied tussen de wijk Zevenhuizen (min of meer een uitloper van de wijk Zevenhuizen) en Zuidbroek. Het plangebied grenst aan de bebouwde kom van Zevenhuizen, deelgebied “De Wellen” in Zuidbroek en aan de zuidkant aan het park Zuidbroek. In dit gebied wordt het autoverkeer ontsloten via de Terwoldseweg de bestaande wijk Zevenhuizen en via de Terwoldseweg/ Viaduct A50 in oostelijke richting over de snelweg. Voor het autoverkeer is er in dit deelgebied op dit moment een nieuwe situatie vergund die gerealiseerd gaat worden.
De verkeersstructuur van de gehele wijk Zevenhuizen Zuidbroek vraagt reeds langere tijd extra de aandacht. De gemeenteraad heeft inmiddels besloten de verkeersstructuur van de wijk te wijzigen. Voor het deelgebied De Wellen houdt dit in dat er voor het autoverkeer een extra verbinding met de Deventerstraat gemaakt moet gaan worden. De realisatie van deze verbinding is nodig bij de verdere ontwikkeling van de deelgebieden in De Wellen, om een te grote verkeersbelasting op de bestaande wegen (Terwoldseweg & De Spinozastraat) te voorkomen. De nieuwe ontsluitingsweg is in ontwikkeling.
Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en liep daarmee vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 januari 2024 van de Omgevingswet. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.
Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit én milieukwaliteit.
De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:
Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:
Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:
Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.
Betekenis voor dit plan
De voorgenomen ontwikkeling is in overeenstemming met de NOVI.
De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.
Betekenis voor dit plan
Voor voorliggende ontwikkeling is de Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking positief doorlopen.
Voorliggende wijziging van het omgevingsplan maakt een woningbouwontwikkeling mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied. Voor de realisatie van woningen ligt, op basis van jurisprudentie, de drempel waarbij wordt gesproken van een nieuwe stedelijke ontwikkeling op 12 woningen. Gezien de omvang van de ontwikkeling, de realisatie van 107 woningen, is daarom in dit geval sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling.
In hoofdstuk twee van deze toelichting is in verschillende paragrafen ingegaan op de behoefte aan de hier voorgenomen woningbouw. Op basis van onder andere paragraaf 3.6.2 (Volkshuisvestingskader 2023 - 2027) kan geconcludeerd worden dat het voorgenomen plan bijdraagt aan de ontwikkelingskoers van gemeente Apeldoorn. Het plan sluit zowel kwantitatief als kwalitatief aan op de vraag in de stad, de behoefte aan middeldure woningen. Daarnaast is de planlocatie gelegen in stedelijk gebied. Deze ontwikkeling voldoet dan ook aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang.
Betekenis voor dit plan
In voorliggende situatie raakt dit omgevingsplan geen van de nationale belangen die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist.
Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.
Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.
Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.
Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.
De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes' – DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN – geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.
Afbeelding 3.1 Gelderse Omgevingsvisie
ambitie klimaatadaptie
Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.
ambitie biodiversiteit
Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, óók buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.
woon- en leefklimaat
Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgas loos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.
cultuurhistorie
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.
archeologie
In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.
Betekenis voor dit plan
Het plan voorziet in de realisatie van 107 woningen met een stevige groene inkleding. In het plangebied is voldoende ruimte voor waterberging. Door de aanleg van groen wordt voorzien in 'koelte', waarmee onnodige verstening wordt uitgesloten en wordt bijgedragen aan het verbeteren van de biodiversiteit. Bestaande landschappelijke en cultuurhistorische waarden in en rond het plangebied worden gerespecteerd.
Bij de bouw van de woningen wordt rekening gehouden met de vraag naar verschillende woningtypen en prijsklassen, passend bij de ambities van de gemeente. De nieuwbouw wordt bovendien aardgas loos gerealiseerd, waarbij geldt dat de daken geschikt zijn voor het leggen van zonnepanelen.
Het initiatief komt overeen met de ambities binnen de Omgevingsvisie en is daarmee in overeenstemming.
Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.
De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.
De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.
Wonen
De verordening bevat de regel dat nieuwe woonlocaties alleen zijn toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten (GS) vastgestelde regionale woonagenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van die regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld een wijziging van het omgevingsplan die de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving, het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid, er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.
Gelderse streek IJsselvallei
De verordening bevat voorts de regel dat voor zover een omgevingsplan van toepassing is op locaties binnen de Gelderse streek IJsselvallei, bij een nieuwe activiteit of ontwikkeling rekening wordt gehouden met de voor die streek vastgestelde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van het landschap. In tabel 3.1 zijn de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen voor de streek IJsselvallei opgenomen.
De begrenzing van de streken is op provinciale schaal bepaald. Daarbij zijn waar mogelijk herkenbare grenzen gehanteerd, zoals de loop van rivieren. Dit betekent dat het in de praktijk kan voorkomen dat een locatie op de grens van twee streken meer kenmerken en kwaliteiten heeft van de streek die naastgelegen is dan die van de streek waar de locatie bij is ingedeeld. In die gevallen moeten de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen die op die locatie het meest van toepassing zijn gehanteerd worden en kunnen bij aantasting van de kernkwaliteiten de bijdragen in de lijn liggen van de daarbij behorende aan de ontwikkeldoelen.
| Kernkwaliteiten | Ontwikkeldoelen |
| 1. De rivier de IJssel, als Rijntak sterk meanderend, met een doorgaand karakter en stromend naar het noorden. Met rijkgeschakeerde open en natuurrijke uiterwaarden (Natura 2000), rivierduinen, richels en geulen, als ecologische verbindingszone tussen Rijn en de Randmeren. Variatie aan dijken met weidse vergezichten. In de uiterwaarden karakteristieke beplantingen: stelsel van hagen, houtsingels en knotwilgen. Relicten van steenfabricage met oude ovens, hoogwatervrije terreinen, droogvelden, kades en smalspoorrelicten. |
Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening met en dragen zo mogelijk bij aan de kernkwaliteiten van de IJsselvallei. Het doorgaande en landschappelijke en parkachtige karakter van de IJssel behouden en versterken. Zorgvuldige versterking van de IJsseldijken, met respect voor en versterking van de ruimtelijke diversiteit en betekenis van de dijk als scenic route. Behouden en ontwikkelen van cultuurhistorische waarden. |
| 2. Sterke landschappelijke contrasten daar waar de IJssel het stuwwalmassief van de Veluwe nadert, nabij Hattem in het noorden en langs Arnhem-Dieren in het zuiden. Bijzondere zichtlijnen. Inclusief stedelijke waterfronten van Hanzesteden Doesburg en Zutphen. | Bij ruimtelijke ontwikkelingen de landschappelijke contrasten zichtbaar en beleefbaar houden. De historische stadsgezichten zoveel mogelijk intact laten door geen storende elementen te plaatsen. Blijvende aandacht voor de ruimtelijke kwaliteit van de ontwikkeling van de stedelijke waterfronten en de relaties met de uiterwaarden. |
| 3. Rivierenlandschap van uiterwaarden, oeverwallen en lagergelegen broekgebieden gecombineerd met het gradiëntrijk flankenlandschap vanaf de Veluwe aan de westkant. Aan de oostkant is de overgang naar het dekzand-landschap van Achterhoek subtiel. | Zoveel mogelijk de landschappelijke gradiënt respecteren, zichtbaar en beleefbaar maken. Streven naar een duurzame en natuurinclusieve vorm van landbouw. Bij inplaatsing van nieuwe functies het kleinschalig landschap versterken. |
| 4. In de zuidelijke IJsselvallei afwatering via sprengen en beken direct op de rivier. Kleinschalig mozaïeklandschap met grote afwisseling van relatief open tot besloten landschap met talrijke landgoederen, weide en akkerland. | De regionale waterhuishouding als basis voor ruimtelijke ontwikkeling. Herstel van de loop en vorm van sprengenbeken in hun cultuur-historische betekenis en haar zichtbaarheid vergroten. Kleinschaligheid van landschap behouden en versterken door aanleg van groene landschapselementen, passende grondgebruiksvormen, zorgvuldige inpassing van energietransitie en verbetering van recreatieve toegankelijkheid. |
| 5. In de noordelijke IJsselvallei afwatering eerst via sprengen en beken, opgevangen via een stelsel van zuid-noord gerichte weteringen. | De regionale waterhuishouding als basis voor ruimtelijke ontwikkeling. Herstel van de loop en vorm van sprengenbeken in hun cultuur-historische betekenis en haar zichtbaarheid vergroten. Geldt ook voor stelsel van weteringen. |
| 6. In de noordelijke IJsselvallei zijn grote open gebieden met noord-zuid gerichte weteringen en fijnmazige, rechthoekige verkaveling. Contrast met de oeverwal aan de oostzijde en de oplopende Veluwe aan de westzijde. | Zoveel mogelijk de karakteristieke verkaveling respecteren. Behoud van de open weidsheid door terughoudendheid te betrachten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Blijvend benutten voor grondgebonden en duurzame veehouderij en mogelijk voor klimaatadaptatie. |
| 7. Polder Nijbroek: markante veertiende-eeuwse verkavelings- en slotenpatroon (slagenverkaveling). | Zorgvuldig omgaan met deze historische verkaveling. Het vergroten van de historische afleesbaarheid. |
| 8. Verstedelijking langs de dorpenweg op de oostflank van de Veluwe en in mindere mate op de oeverwallen. Dorpen (met dorpsfronten) aan de rivier, sterke relatie tussen dorpen en de IJssel. |
De dorpenweg op de flank van de Veluwe is en blijft de ontwikkelings-as, waarbij de versterking van de kruisende groene ruimten (oost-west) van cruciaal belang is voor de landschapskwaliteit. Het koppelen van recreatieve toegankelijkheid aan deze groene wiggen. |
| 9. Langs de rand van de Veluwe een fraai kleinschalig mozaïeklandschap: afwisseling van beken, smeltwater-ruggen, oude bouwlanden (essen), weiden, uitlopers van bossen, bosschages, landgoederen, buurtschappen en verspreide bebouwing. Inclusief Apeldoorns Kanaal als structurerend element met cultuurhistorische ensembles van sluizen, bruggen en bebouwing. | Het parkachtig mozaïeklandschap met haar fijnmazige variatie behouden en versterken door alleen passende ontwikkelingen toe te laten en terughoudend te zijn ten aanzien van te grote ingrepen. Verbeteren van de recreatieve toegankelijkheid. Apeldoorns Kanaal als cultuur-historisch lijnelement in het landschap beter bewaren en benutten. De landgoederenstructuur op de zuidoostflank onder de naam Gelders Arcadië meer herkenbaar en beleefbaar maken. |
| 10. In het midden van de IJsselvallei – het groene hart van de stedendriehoek (Apeldoorn, Zutphen en Deventer (OV) – een parkachtig landschap: afwisseling van landgoederen, waterlopen, recreatiegebieden, natuurterreinen, landbouwgebieden, kleine dorpen en infrastructuur. | Voorkomen dat dit middengebied door mogelijk conflicterende, ruimtelijke ontwikkelingen verrommeld door te sturen op ruimtelijke kwaliteit en in te zetten op aantrekkelijke landschaps-bouw. Zorgvuldige ruimtelijke ordening en ruimtelijke kwaliteit van ontwikkelingen langs Rijksinfrastructuur en opheffen barrièrewerking. |
| 11. Ecologische waarden met name in de Natura 2000 gebieden. Langs de IJssel Natura 2000 gebied Rijntakken met als bijzondere gebieden Hattemerpoort, Wilpse Klei, Ravenswaarden, Cortenoever en Rivierklimaatpark IJsselpoort. En de Natura 2000 gebieden Veluwe met onder andere het Wisselse Veen, en Natura 2000 gebied Landgoederen Brummen met de Empese en Tondense heide en de landgoederen zone. Verder komen ecologische waarden voor in het Soerens beekdal en in andere beken, sprengen en andere watergangen, in landgoederen en in weidevogelgebieden. | Intensief inzetten op het verder aanleggen van ecologische verbindingszones (o.a. vanaf de Veluwe naar de Achterhoek) en behoud en ontwikkeling van weidevogelgebieden. Beschermen van Natura 2000 waarden. Waar mogelijk combineren met klimaatadaptie en recreatieve toegankelijkheid. |
| 12. IJssellinie: (relicten van) een historische verdedigingslinie uit de jaren 50 van de 20e eeuw. | De IJssellinie behouden en markante onderdelen herstellen en recreatief toegankelijk maken en mogelijk benutten van de voormalige inundatievelden voor klimaatadaptatie. |
| 13. Markante IJsselhoeven: beeldbepalende boerderijen in de vallei. | Karakteristieke streekarchitectuur behouden, restaureren en ontwikkelen o.a. door nieuwe functies, passend bij de omgeving. |
Tabel 3.1 overzicht kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen IJsselvallei
Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied
In de verordening zijn ook regels ten aanzien van glastuinbouwbedrijven opgenomen. Er is opgenomen dat er eenmalig een uitbreiding van een glasopstand tot maximaal vijf hectare kan worden toegelaten bij een bestaand glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied. Daarbij dient te worden aangetoond dat de uitbreiding noodzakelijk is voor een doelmatige voortzetting van het bedrijf, verplaatsing naar een glastuinbouwontwikkelingsgebied bedrijfseconomisch niet haalbaar is en deze uitbreiding zich verdraagt met de ter plaatse relevante omgevingskwaliteiten.
Intrekgebied
Op grond van de verordening geldt dat het verboden is in een intrekgebied een mijnbouwwerk aan te leggen en te exploiteren, behalve voor het opsporen of winnen van aardwarmte.
Klimaatadaptatie
Tot slot geldt dat in de verordening is opgenomen dat in de motivering bij het omgevingsplan een beschrijving dient te worden gegeven van de maatregelen die worden genomen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken.
Betekenis voor dit plan
Wonen
De onderhavige woningbouw binnen het plangebied past binnen de afspraken van de vastgestelde regionale woonagenda, zie paragraaf 3.5.1.
Gelderse streek IJsselvallei
Voorliggend plan ligt in het gebied (10) in het midden van de IJsselvallei, het groene hart van de Stedendriehoek. Het plangebied is gelegen in bestaand stedelijk gebied en maakt onderdeel uit van de uitbreidingswijk Zuidbroek. Voorliggend plan voorziet in woningbouw, maar in combinatie met woningbouw wordt gestreefd naar het behoud van de landschappelijke en cultuurhistorische waarden. Zo wordt het plangebied in de groene mal ingepast, blijven de grote solitaire bomen ten oosten van woonboerderij De Sprenkelaar behouden en blijft de woonboerderij behouden. Daarnaast wordt voorzien in de aanplant van nieuwe bomen om de groenstructuur te versterken.
Glastuinbouwbedrijf buiten een glastuinbouwontwikkelingsgebied
Er is in voorliggend plan geen sprake van glastuinbouw of de uitbreiding ervan. Deze regels hebben dan ook geen gevolgen voor dit plan.
Intrekgebied
Bij voorliggend plan worden geen mijnbouwwerken gerealiseerd. De regels ten aanzien van een intrekgebied hebben dan ook geen gevolgen voor deze ontwikkeling.
Klimaatadaptatie
In voorliggende situatie wordt de nieuwbouw aardgas loos ontwikkeld en wordt zoveel mogelijk duurzaam materiaal gebruikt. Per saldo wordt bij deze ontwikkeling het aandeel groen op de locatie uitbreid, dan wel wordt de kwaliteit van het groen verhoogd. Er wordt voorzien in (extra) waterbergingsmogelijkheden door de aanleg van een wadi. Door het nemen van voorgenoemde maatregelen wordt aangenomen dat voldoende rekening wordt gehouden met de aspecten duurzaamheid en klimaatadaptatie.
De 'Woonagenda Cleantech Regio 2018' van de Regio Stedendriehoek (vastgesteld door GS op 11 december 2018) is een uitwerking van de provinciale koers "Ruimte voor goed wonen", waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's "sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland". Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op wonen en zorg.
De Regio zet in op het behouden en versterken van de woonkwaliteit door toevoeging van de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:
Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat, mede door de hoge instroom, de druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.
Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.
De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de "Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024" en het "Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024" van de Regio Stedendriehoek. Na de vaststelling wordt een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.
Betekenis voor dit plan
Apeldoorn heeft na vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 de Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 opgesteld. In 2022 is hieraan een addendum toegevoegd voor de periode 2022-2023.
Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023 - 2027 vastgesteld door de gemeenteraad. Dit beleidsstuk vervangt de Woonagenda en biedt een actueel kader voor het toetsen van woningbouwplannen in de gemeente Apeldoorn. Hiermee heeft Apeldoorn invulling gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt bij de vaststelling van de regionale woonagenda.
Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.
Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan. De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.
De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nóg aantrekkelijker wil worden:
Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.
Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied
Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:
Wonen
Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in één grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).
Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).
Omgevingskwaliteit
Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.
Mobiliteit
De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes.
Economie en recreatie
Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies
De agrarische sector staat voor grote opgaves. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.
Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.
Energie en circulariteit
Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.
Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.
Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.
Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament
De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente.
Dit is als volgt opgebouwd:
Natuur en landschap
De groene mal/ het groen- blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.
Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.
Klimaatadaptatie
Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.
In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.
Milieu en gezondheid
Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.
Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.
Inclusiviteit
Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).
Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:
Afbeelding 3.2 Uitsnede Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.
Uitvoering Omgevingsvisie
Gebiedsprofielen
De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.
Afwegingsmatrix
Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.
Onderzoeken
Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.
Betekenis voor dit plan
Met de ontwikkelingsmogelijkheden binnen het plan wordt voornamelijk bijgedragen aan de ambities 1, 3 en 4. Door de realisatie wordt voorzien in woningbouw in het stedelijk gebied. Voor 1/3 in sociale woningbouw, waar een groot tekort aan is. Bij de realisatie wordt rekening gehouden met klimaatadaptief en natuurinclusief bouwen. Het TAM-omgevingsplan heeft als uitgangspunt wonen in het groen, zodat er voldoende aandacht is voor realisatie van groen van goede kwaliteit. Bovendien is het aantal woningen afgestemd op het landschap. De woongebouwen worden minimaal BENG (Bijna energie neutraal gebouw) uitgevoerd. Deze ontwikkeling past hiermee binnen de ambities van de gemeente, zoals deze in de Omgevingsvisie zijn verwoord.
In de Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn en in de Kadernota Maatschappelijke ontwikkeling staat wat de gemeente belangrijk vindt ten aanzien van wonen en de combinatie wonen en zorg. Dit is verder uitgewerkt in een volkshuisvestingskader.
Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2027, 'Ruim en ontspannen wonen in de hoofdstad van de Veluwe', door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Dit Volkshuisvestingskader omschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities op bovenstaande onderwerpen voor de langere termijn. Het is een kader voor woonprojecten en projecten voor wonen met zorg.
Belangrijke trends en ontwikkelingen zijn:
Het Volkshuisvestingskader gaat in op vier onderwerpen:
Betekenis voor dit plan
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 107 woningen in een landschappelijke- en parkachtige omgeving, in bestaand stedelijk gebied nabij voorzieningen. Er wordt een fijne woonomgeving gecreëerd met veel aandacht voor groen, klimaatadaptatie en duurzaamheid. Door hier aandacht aan te besteden wordt gestreefd naar een veerkrachtige wijk. Van deze maximaal 107 woningen zal 57% in het betaalbare segment vallen. Hiermee wordt stevig invulling gegeven aan de ambities en onderwerpen, zoals omschreven in het volkshuisvestingskader.
Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.
Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.
Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.
Afbeelding 3.3 Kaart Groene Mal
Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.
Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.
Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.
Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.
De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.
In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.
De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:
Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.
In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.
Betekenis voor dit plan
Het oostelijk deel van plangebied ligt in de Groene Mal. Hier worden echter geen groene elementen verwijderd. De solitaire, grote bomen ten oosten van woonboerderij De Sprenkelaar blijven behouden. Er worden circa 20 bomen gekapt. Hiervoor in de plaats worden 58 nieuwe bomen aangeplant, waarmee er per saldo sprake is van het toevoegen van bomen. Al me al wordt geconcludeerd dat het voornemen aan het gemeentelijke groenbeleid voldoet.
Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016 – 2030 (vastgesteld juli 2016). De ambities voor Apeldoorn uit de voormalige structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' zijn in 2016 in de Verkeersvisie uitgewerkt uit voor het onderdeel Mobiliteit. Nu de verkeersvisie nog altijd het vigerende beleid is, is de uitwerking van deze ambities vanuit het thema verkeer nog altijd van toepassing.
Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.
Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.
Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.
Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.
De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:
Kernopgave 1: Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.
Kernopgave 2: Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.
Kernopgave 3: Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.
In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.
Doorwerking in het plan
Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer die wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW publicatie 744, 'Parkeerkencijfers 2024 - Basis voor parkeernormering' kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Voorliggende ontwikkeling richt zich op het bouwen van circa 107 woningen. Gelet op het feit dat het plangebied aansluitend aan het woongebied van Apeldoorn ligt, wordt gesteld dat de kencijfers voor ‘rest bebouwde kom’ aangehouden kunnen worden. De gemeente Apeldoorn wordt, conform CBS-gegevens ten aanzien van de mate van stedelijkheid, gezien als een ‘sterk stedelijk’ gebied. Onderstaande tabel geeft de verkeersgeneratie weer van de beoogde nieuwbouw.
| Kenmerk | aantal | kencijfer | per | gemiddelde verkeersgeneratie |
| Koop, huis, vrijstaand | 13 | 8,2 | woning | 106,6 |
| Koop, huis, twee- onder-één-kap | 22 | 7,8 | woning | 171,6 |
| Koop, huis, tussen/ hoek | 40 | 7,1 | woning | 284 |
| Huur, huis, sociale huur | 20 | 4,3 | woning | 86 |
| Huur, appartement, sociale huur 75 - 100 m2 bvo | 12 | 2,9 | woning | 34,8 |
| Totaal | 683 | |||
Uit de berekening volgt dat de voorgenomen ontwikkeling gepaard gaat met een gemiddelde toename van 683 extra verkeersbewegingen per weekdag. Deze extra verkeersbewegingen worden via de Terwoldseweg, Spinozastraat en de aan te leggen weg op de Deventerstraat afgewikkeld. Deze wegen hebben gezamenlijk voldoende omvang om deze toename veilig en vlot af te wikkelen.
Het autoverkeer wordt ontsloten via de Terwoldseweg. Vanuit daar loopt een door groen gedragen verkeerslus door het plangebied heen. Vanaf deze lus zijn twee parkeerhoven, gesitueerd binnen de centrale bouwvelden, bereikbaar.
Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren 2024 (vastgesteld op 13 juni 2024). Met dit beleid wordt beoogd te sturen op leefbaarheid en bereikbaarheid. Het beleid is een sturingselement bij de ontwikkelingen die Apeldoorn de komende jaren te wachten staat. De insteek bij het parkeren is dat parkeeroverlast - zo veel mogelijk - te voorkomen.
Uitgangspunt is dat de parkeervraag bij ontwikkelingen niet mag worden afgewenteld naar de
openbare weg. Het onderwerp parkeren wordt daarnaast benut in de strategie om Apeldoorn duurzaam en autoluw te ontwikkelen. De nieuw vastgestelde beleidsregels voor parkeren richten zich enerzijds op het geven van een uitleg over hoe de parkeerregeling in het omgevingsplan zal worden toegepast. In de parkeerregeling die is opgenomen in het omgevingsplan (van rechtswege) wordt naar de 'Beleidsregel Parkeren' verwezen. Anderzijds dient deze beleidsregel als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld.
De parkeernormen voor zowel fietsen als auto's zijn vastgelegd in de Beleidsregel Parkeren 2024. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van 'voldoende parkeerruimte voor auto en fiets en voor laden en lossen'. Daarnaast wordt in de beleidsregel ingegaan op deelmobiliteit en hoe deelmobiliteit een rol kan spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.
Doorwerking in het plan
In onderstaande tabel en afbeelding is, op basis van het gemeentelijke parkeerbeleid, weergegeven hoeveel parkeerplaatsen benodigd zijn en waar deze worden gerealiseerd. Uit de parkeerbalans blijkt dat in voldoende mate kan worden voorzien in parkeergelegenheid.
Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.
Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.
Uitgangspunten in ruimtelijke plannen
In paragraaf 4.2 wordt ingegaan op de waterhuishouding.
De kans op het aantreffen van een archeologische vindplaats is afhankelijk van de archeologische (verwachtings)waarde van een gebied én van de omvang van de graafwerkzaamheden die daar plaats gaan vinden. Daarom is aan de verschillende gebiedscategorieën specifiek beleid gekoppeld met ondergrenzen (in oppervlakte en diepte van de geplande verstoring) waarboven archeologisch vooronderzoek is vereist voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning (zie vrijstellingsregels). De indeling in de verschillende beleidscategorieën is gebaseerd op de informatie uit de gemeentelijke archeologische beleidskaart (2024) en is als volgt
De categorie omvat gebieden waar (deels) al archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Het beleid vraagt hier om maatwerk, daarvoor dient contact opgenomen te worden met de Sectie Archeologie van de Gemeente Apeldoorn.
Het betreft archeologische rijksmonumenten. In principe zijn er geen bodemingrepen mogelijk, daarom is er geen vrijstelling van toepassing. Voor grondwerkzaamheden op deze terreinen is een monumentenvergunning vereist.
Op deze terreinen is sprake van bekende, behoudenswaardige archeologische vindplaatsen. Bij bodemingrepen groter dan 50 m2 en dieper dan 35 cm -mv., is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.
Op deze terreinen is de kans zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. Bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 35 cm -mv., is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.
Op deze terreinen is de kans pas groot dat archeologische waarden worden aangetroffen bij omvangrijke(re) bodemingrepen. Bij bodemingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 35 cm -mv., is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.
Op deze terreinen is de kans dat archeologische waarden worden aangetroffen laag/lager, maar niet zondermeer uitgesloten. Bij bodemingrepen groter dan 2500 m2 en dieper dan 35 cm -mv., is het verplicht archeologisch onderzoek uit te voeren.
In gebieden met beleidscategorie 5 wordt in het archeologisch onderzoeksproces meer keuzevrijheid aan de initiatiefnemer gegeven. Enerzijds kan deze kiezen voor het reguliere onderzoekstraject in de vroege fase van de ruimtelijke ontwikkeling, inclusief archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek en eventuele vervolgstappen. Anderzijds kan de initiatiefnemer kiezen voor het regime 'vrijgeven onder voorwaarden'. In dit geval wordt archeologisch onderzoek uitgesteld tot de uitvoeringsfase van het project en uitgevoerd in de vorm van een archeologische begeleiding.
Op deze terreinen is met zekerheid vastgesteld dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn. Het is hier toegestaan de bodem te verstoren zonder archeologisch onderzoek uit te voeren.
Als een gebied waar verstoringen gepland staan in meerdere categorieën valt, dan gelden de voorwaarden van de categorie met het laagste nummer voor het gehele gebied (strengste categorie). In paragraaf 4.4 wordt nader ingegaan op de in het plangebied aanwezige archeologische waarden.
De Cultuur- en Erfgoednota Apeldoorns Karakter! is door de gemeenteraad vastgesteld op 25 juni 2020. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Erfgoed wordt ingezet om de kwaliteit van de leefomgeving en de herkenbaarheid van deelgebieden in stad, dorpen en buitengebied te vergroten. Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.
Bij de hierboven genoemde nota hoort een cultuurhistorische beleidskaart (vastgesteld door de gemeenteraad op 16 februari 2006). Op die kaart staat de mate waarin de cultuurhistorische waarden een rol dienen te spelen bij ruimtelijke plannen. De attentiewaarde kent drie gradaties:
In de nota is vastgelegd dat gebieden met de hoogste cultuurhistorische waarden in het plan een beschermende regeling krijgen.
Implementatienotitie modernisering monumentenzorg
In 2012 heeft de gemeenteraad de Implementatienotitie modernisering monumentenzorg vastgesteld. In deze notitie is vastgelegd dat de iconen (monumenten, beeldbepalende panden en beschermde gezichten of gebieden) worden beschermd via sectorale regels, zoals de Erfgoedwet en de gemeentelijke monumentenverordening. Andere cultuurhistorische waardevolle kwaliteiten worden -waar nodig en mogelijk- door middel van het bestemmingsplan beschermd.
In paragraaf 4.5 wordt ingegaan op de in het plangebied aanwezige cultuurhistorische waarden.
Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat een omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd.
Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van gebouwen pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Er is ook getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn twee bodemonderzoeken en een waterbodemonderzoek uitgevoerd:
Onderzoeksresultaten
Verkennend bodemonderzoek Terwoldseweg 5
Het onderzoeksgebied is in vier deelgebied opgedeeld:
Samenvattend kan gesteld worden dat de bodemkwaliteit binnen de onderzoekslocatie geschikt is voor toekomstig divers gebruik (wonen/bedrijfsmatig). Dat geldt niet voor de bodemlaag onder het puinpad. De bodemlaag onder het puinpad is matig tot sterk verontreinigd met PAK. Het terreindeel onder het puinpad is niet zonder meer geschikt voor herinrichting. Ingeval van herinrichting, of anderszins graafwerkzaamheden in deze bodemlaag, dienen sanerende maatregelen genomen te worden.
Waterbodemonderzoek Terwoldseweg 5
Watergang A (westzijde)
Uit de resultaten blijkt dat het een droge watergang betreft. De waterbodem is onderzocht tot een diepte van 0,2 m-mv. Daaruit blijkt dat PCB (rekenkundig gezien) en minerale olie de bepalende parameters zijn. Het is niet toepasbaar in oppervlaktewater. De geconstateerde kwaliteitseis op basis van de ms-PAF niet geschikt voor verspreiding naar aangrenzend landbodem. Het zou als grond klasse Industrie toegepast kunnen worden, met in achtneming van wet- en regelgeving hierin.
Watergang B (oostzijde)
Uit de resultaten blijkt dat het een droge watergang betreft. De waterbodem is onderzocht tot een diepte van 0,5 m-mv. Daaruit blijkt dat PFOS de bepalende parameter is. Op basis van PFOS kan het onder voorwaarden worden toegepast in oppervlaktewater. De geconstateerde kwaliteit is vanwege de aanwezigheid van PFOS niet geschikt als toepasbare grond, of voor verspreiding naar het aangrenzend perceel.
De milieuhygiënische kwaliteit van de vrijkomende baggerspecie is hiermee vastgelegd. Aanbevolen wordt om – zonodig in overleg met het bevoegd gezag - een passende bestemming te zoeken voor de vrijkomende baggerspecie.
Asfalt- en funderingsonderzoek Terwoldseweg 5
Onderzoeksvak 1, Rhapsodiestraat
Ter plaatse van de Rhapsodiestraat is geen teerhoudend asfalt aangetoond. Het volume asfalt wordt berekend op 22,5 ton.
Onderzoeksvak 2, Zuidbroek park
Ter plaatse van het park Zuidbroek zijn meerdere teerhoudende lagen aanwezig.
Ter plaatse van kern A503 tot 59 mm-mv is niet teerhoudend asfalt aangetoond. Gezien de beperkte hoeveelheid niet teerhoudend asfalt wordt geadviseerd om de totale hoeveelheid asfalt in dit onderzoeksvak als teerhoudend af te voeren. In dit geval komt circa 90 ton teerhoudend asfalt vrij.
Fundatiemateriaal, gehele terrein
Het fundatiemateriaal is vanuit milieuhygiënische oogpunt herbruikbaar, advies is de verdere toepassingen af te stemmen op de herinrichtingsplannen. De gemiddelde dikte is 23 cm. Het totale volume funderingsmateriaal wordt derhalve geraamd op 140 m3.
Verkennend bodemonderzoek Terwoldseweg 7
Het onderzoeksgebied is in twee deelgebieden opgedeeld.
Deelgebied A (actualiserend bodemonderzoek)
In de bovengrond zijn geen van de onderzochte stoffen verhoogd gemeten ten opzichte van de achtergrondwaarde en de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw en natuur.
Deelgebied B (verkennend bodemonderzoek)
De bovengrondmengmonsters MMB1 en MMB3 bevatten een verhoogd gehalte PAK's (polycyclische aromatische koolwaterstoffen) ten opzichte van de achtergrondwaarde en de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse landbouw en natuur. De gemeten gehalten voldoen aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. In het grondwater zijn enkele zware metalen verhoogd ten opzichte van de streefwaarde gemeten. De verhoogd gemeten gehalten overschrijden de signaleringsparameters beoordeling grondwatersanering niet zodat er uit milieuhygiënische overweging geen directe aanleiding is tot het instellen van aanvullend onderzoek.
De Nederlandse Stichting voor Verlichtingskunde (NSVV) heeft in 2021 de geactualiseerde richtlijn Lichthinder uitgegeven. In deze richtlijn zijn grenswaarden opgenomen. De grenswaarden voor de verschillende parameters zijn afhankelijk van de soort verlichting. Grenswaarden zijn opgenomen voor de verticale verlichtingssterkte (Ev lux) en de richtingsafhankelijke lichtsterkte per armatuur (cd). Tevens wordt er een onderscheid gemaakt in de dag- (07.00 tot 19.00 uur), avond- (19.00 tot 23.00 uur) en nachtperiode (23.00 tot 07.00 uur). De grenswaarden zijn afhankelijk van het omgevingstype. Op basis van de richtlijn kan de omgeving worden getypeerd als stedelijk gebied (E3).
Onderzoeksresultaten
Onderzoek lichthinder 2024
De planlocatie is gelegen binnen het aandachtsgebied van de ten noorden gelegen tennis- en padelvereniging Sprenkelaar (verder genoemd TCS). De lichtmasten rondom de tennis- en padelvelden kunnen mogelijk lichthinder veroorzaken op de planlocatie. Ten behoeve van de vaststelling van het bestemmingsplan Musicalstraat en omgeving (NL.IMRO.0200.bp1254-vas1) was eerder in 2015 een onderzoek gedaan naar lichthinder als gevolg van de tenniscomplex op de bestaande aangrenzende woningen in de wjk Zevenhuizen. In 2024 is in het kader van het onderhavige plan in een aanvullend opgenomen uitgevoerd, als opgenomen in Bijlage 8 Lichthinderonderzoek, van deze toelichting i.v.m. de nog te realiseren woningen ten noorden van het tenniscomplex aan de Terwoldseweg omgeving 5-7. Uit de metingen en berekeningen van dit onderzoek blijkt dat er geen sprake is van lichthinder ter plaatse van de planlocatie vanwege TCS. In de uitwerking van het stedenbouwkundigplan hoefde daarom geen rekening te worden gehouden met aanvullende voorwaarden vanwege de verlichtingsinstallatie van TCS. I
Besluit kwaliteit leefomgeving - geluid door activiteiten
In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).
Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.
In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:
Ten aanzien van de naastgelegen tennisvereniging is in 2025 een actueel akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 6 Geluidonderzoek Tennisvereniging TCS bijgevoegd.
Onderzoeksresultaten 2025 Tennisvereniging TCS
Het plan omvat de ontwikkeling van 107 grondgebonden woningen. Aan de noordzijde zijn 5 vrijstaande woningen opgenomen in het plan. De vrijstaande woningen bevinden zich op een afstand van circa 50 meter van TCS. Een impressie van het plan is weergegeven in de volgende figuur.
\
TCS is gelegen aan de Nocturnestraat 1 te Apeldoorn. In de volgende figuur is een overzicht van het tennis- en padelpark weergegeven.
Figuur 3 Overziccht TCS met ligging van tennis- en padelbanen
Onderzoek 22 mei 2025
In mei 2025 is met betrekking tot het nieuwe onderhavige te ontwikkelen woongebied Terwoldseweg achter 5-7 opnieuw onderzoek gedaan als opgenomen in Bijlage 6 Geluidonderzoek Tennisvereniging TCS van deze toelichting naar geluidhinder vanwege de activiteiten van de TCS (met name de tennis- en padelbanen). Uit dit recente onderzoek blijkt dat bij de eerstelijns woningen in plangebied Terwoldseweg 5 sprake is van overschrijdingen van richtwaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in een rustige woonwijk en de waarden voor geluid volgens het Omgevingsplan. De maximale geluidniveaus voldoen wel!
Onderzocht is of het geluidniveau kan worden gereduceerd, zonder de activiteiten van TCS te beperken. Een reductie is mogelijk door het plaatsen van een geluidafschermende constructie. Uit een verkennende berekening blijkt dat een geluidscherm met een hoogte van meer dan 7 meter langs de zuidelijke erfgrens van TCS nodig is om overal te kunnen voldoen aan de richtwaarden voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een afscherming met een hoogte van 7 meter is op deze locatie landschappelijk ongewenst en is bovendien zeer kostbaar. Daarom kan, volgens stap 3 van de VNG-systematiek worden uitgegaan van een 5 dB(A) ruimere richtwaarde.
In de huidige situatie wordt, bij toepassing van een geluidscherm met een hoogte van 5 meter, voldaan aan de waarden voor geluid volgens het Omgevingsplan. Ook wordt voldaan aan de in de VNG-publicatie gestelde richtwaarden volgens stap 3 voor een rustige woonwijk. Dit betreft zowel de gevels van de woningen als de buitenruimten van de woningen. Gelet op het bovenstaande wordt geconcludeerd dat, bij toepassing van een geluidscherm met een hoogte van 5 en 6 meter en een totale lengte van 112 meter, TCS niet wordt beperkt in haar huidige en toekomstige activiteiten. Bij de nieuw te realiseren woningen is bij toepassing van het geluidscherm sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Besluit kwaliteit leefomgeving - geluidgevoelige gebouwen in geluidsaandachtsgebieden
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standaardwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.
De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.
Onderzoeksresultaten wegverkeer
Om de akoestische situatie ter plaatse inzichtelijk te maken is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is als Bijlage 7 bij deze motivering gevoegd. Hierna zijn verkort de resultaten naar aanleiding van het uitgevoerde onderzoek (waarbij rekening wordt gehouden aan de eisen van de Omgevingswet) te vinden, alsmede de conclusie die hieruit wordt getrokken.
Uit de resultaten blijkt:
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er voor dit plan op voorhand geen belemmeringen worden verwacht.
De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.
Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillingsgevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels vooropstellen.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de beleidsregel 'Trillingshinder Spoor' en de handreiking 'Nieuwbouw en Spoortrillingen'. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.
Situatie besluitgebied
Het besluitgebied ligt op meer dan 1.400 meter afstand van het spoortraject Amersfoort-Deventer. Er zijn geen klachten ten aanzien van trillingen bekend. Gezien de afstand tot het spoortraject is geen aanleiding om onderzoek te doen naar trilling.
Conclusie
Trilling vormt geen belemmering voor het plan.
De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl.
Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De aandachtsgebieden staan in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Gemeenten die onder agglomeraties vallen staan in artikel 2.38 Omgevingsregeling. In enkele situaties moet de luchtkwaliteit altijd worden beoordeeld:
Situatie besluitgebied
De voorgenomen ontwikkeling ligt niet in een aandachtsgebied luchtkwaliteit zoals genoemd in artikel 5.51, lid 2 van het Bkl en grenst ook niet aan een gemeente die wel een aandachtsgebied is. Er is in dit plan geen sprake van een omgevingsvergunning voor een milieubelastende activiteit of de aanleg van een tunnel of auto(snel)weg. Er is zodoende geen onderzoek nodig en er is geen knelpunt op het gebied van luchtkwaliteit.
De Omgevingswet zet in op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Daarmee heeft het thema gezondheid een centrale rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezondheid is een breed thema waarbij gedacht kan worden aan diverse thema's en aspecten die zich richten op de bescherming van de gezondheid van inwoners. Te denken valt aan aspecten als geluid, geur en luchtkwaliteit. In voorliggende situatie geldt dat uit uitgevoerde onderzoeken volgt dat in en om het plangebied van Landgoed De Wellen een dusdanig milieukwaliteitsniveau heeft dat de gezondheid van toekomstige bewoners niet in het geding komt.
Een ander belangrijk aspect vanuit gezondheid is het bevorderen en stimuleren van de gezondheid van inwoners. Het aspect groen speelt daarbinnen onder meer een belangrijke rol. Zo draagt groen bij aan het realiseren van een positieve mentale gezondheid van mensen, nodigt groen uit tot bewegen en ontmoeten en heeft groen een verkoelende werking. Doordat in voorliggende ontwikkeling zowel fysiek als juridisch-planologisch nieuw groen aan het plangebied wordt toegevoegd, wordt ook een positieve bijdrage geleverd aan het stimuleren van de gezondheid.
Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines. In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).
Gemeentelijk beleid
Uitgangspunt van de Nota Milieuveiligheid, die in december 2011 is vastgesteld, is dat nieuwe risicobronnen alleen nog zijn toegestaan op de grote industrieterreinen, met uitzondering van propaantanks in het buitengebied. Nieuwe risicobedrijven die onder het Bevi vallen kunnen door middel van een afwijkingsbevoegdheid mogelijk worden gemaakt op de grote industrieterreinen. De voorwaarde hierbij is dat de 10-6 contour voor het plaatsgebonden risico zich niet buiten de inrichtinggrens van het nieuwe bedrijf mag bevinden en dat het invloedsgebied voor het groepsrisico niet verder reikt dan de grens van het industrieterrein. Daarnaast is in de Nota bepaald dat het groepsrisico ten gevolge van een risicobron niet groter mag zijn dan 1 maal de oriëntatiewaarde.
Onderzoeksresultaten
Het plangebied ligt niet binnen een aandachtsgebied in het kader van externe veiligheid, zoals te zien in onderstaande afbeelding.
Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor deze wijziging van het omgevingsplan
Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van een hoogspanningsleiding.
De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.
Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.
De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.
Onderzoeksresultaten
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een m.e.r.-beoordeling opgesteld. Deze is als Mer beoordeling juni 2025 bijgevoegd. Hieruit blijkt dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-MER noodzakelijk maakt.
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 4,81 ha. Er is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Deze is als Bijlage 10 bijgevoegd. Hierna wordt op de relevante waterhuishoudkundige aspecten ingegaan.
Het plan dient rondom aangesloten te worden op de bestaande hoogtes van wegen, tuinen en groen. Daarom kan worden gesteld, dat de voorgenomen straat- en vloerpeilen zullen voldoen aan de ontwaterings- en droogleggingseisen en is er onder de rijbaan geen drainage nodig.
Principe
Het hemelwater van daken, terrassen, opritten en openbare ruimte wordt over maaiveld of via HWA-riolen afgevoerd naar de wadi's. Ter hoogte van de twee omsloten parkeerterreinen wordt een waterbergende wegfundering toegepast. In de wadi's wordt een put met roosterdeksel geplaatst op 0,10 m boven wadibodem. Door deze roosterdeksel niet op wadibodem te leggen wordt zoveel mogelijk voorkomen dat vervuiling zich ophoopt ter hoogte van deze in- en uitstroomvoorzieningen van de wadi's. De infiltratiegreppels aan de oostzijde worden verbonden door duikers.
Onder de infiltratiegreppels en wadi's en in de waterbergende wegfundering wordt een drain geadviseerd welke afvoert naar een bestaande duiker aan de noordzijde van het plan, welke op zijn beurt afvoert richting oppervlaktewater. Indien het bestaande afwateringsysteem niet meer functioneert, dient een nieuwe leiding aangelegd te worden langs het fietspad richting de watergang. Daarnaast dient er aandacht te zijn voor de ontluchting van de waterbergende funderingen.
Verhard oppervlak en bergingsopgave
Binnen het plangebied wordt er 2,23 ha verhard oppervlak gerealiseerd. In tabel 3.1. is dit weergegeven. Hierbij is rekening gehouden met 25% verharding van de kavels, naast het dakoppervlak. Voor grasbetonstenen in de parkeervakken is rekening gehouden met 50% afvoer. In onderstaande tabel zijn de verharde oppervlakken verdeeld over de drie deelgebieden, zie onderstaande afbeelding.
In de tabel is gerekend met 60 mm berging die in de voorzieningen moet passen. 60 mm over het verhard oppervlak betekent dat er 1.270 m³ geborgen moet kunnen worden zonder dat dit tot overlast leidt.
Afvoer hemelwater
In de volgende afbeelding is de toekomstige berging en afvoer van hemelwater weergegeven. In bijlage I bij het waterhuishoudkundige plan is een tabel bijgevoegd, waarin de berging en leeglooptijd per wadi of infiltratiegreppel is berekend. De nummers in de afbeelding corresponderen met de tabel in de bijlage bij het waterhuishoudkundige plan. In de tabel is te zien dat er in de wadi’s en infiltratiegreppels in totaal 1.240 m³ berging aanwezig is bij een waterpeil van 0,30 m (hoogte slokop). Bij volledige vulling tot maaiveld (bij zeer extreme buien) is er zelfs 2.252 m³ berging aanwezig, wat overeenkomt met ruim 100 mm.
Ter hoogte van de parkeerterreinen is een waterbergende fundering noodzakelijk. De waterbergende fundering aan de noordzijde dient 93 m³ berging te bevatten en aan de zuidzijde 43 m³. Bij een porositeit van 35%, conform de uitgangspunten van de gemeente, en bij het realiseren van de waterbergende fundering onder de rijbaan bedraagt de laagdikte 0,45 m aan de noordzijde en 0,57 m aan de zuidzijde. Indien er een groter oppervlak wordt toegepast dan aangegeven onderstaande tabel neemt de laagdikte af.
In het plan wordt in totaal 1.377 m³ berging gerealiseerd. Dat is 106 m³ meer dan de bergingsopgave van 1.270 m³. Daarmee voldoet het plan aan het uitgangspunt dat er 60 mm berging wordt gerealiseerd. Er is zelf nog ruimte om de contouren van de wadi's wat meer organisch vorm te geven.
Door de grote centrale wadi ligt een pad welke fungeert als landschappelijk element. Ter plaatse van de wadi volgt deze de hoogte van de wadi, waardoor deze tijdens neerslag tijdelijk niet te gebruiken is. De wadi's en infiltratiegreppels hebben een ledigingstijd van 14,5 tot 17,7 uur (zie bijlage bij het waterhuishoudkundige plan). Daarmee voldoen ze aan de gestelde uitgangspunten. De wadi's (nummer 1 en 7 in afbeelding 3.5) krijgen een talud 1:6 en de infiltratiegreppels (2 t/m 5) een talud 1:2. De bodem van deze voorzieningen ligt op NAP + 6,95 m, waarmee de voorzieningen gelijkmatig gevuld worden. Aan de noordzijde van het plan wordt een put met roostdeksel op 0,30 m boven wadibodem (0,20 m-mv) gerealiseerd welke aansluit op een bestaande PVC Ø 315 mm (b.o.b. NAP + 5,70 m) welke afvoert richting het bestaande oppervlaktewater aan de noordzijde. De drainage onder de infiltratiegreppels, wadi's en in de waterbergende fundering worden ook aangesloten op deze put.
Afvalwater
Uitgaande van 105 nieuwe woningen, gemiddeld 2,5 inwoner per woning en een afvalwaterproductie van 12 l/inwoner/uur is een afvalwaterstroom te verwachten van 105 * 2,5 * 12 = 3,15 m³/uur, ofwel 0,88 l/s.
In onderstaande afbeelding is de afvalwaterstructuur schetsmatig weergegeven. In het gehele plan kan worden volstaan met de minimale diameter PVC Ø 250 mm. Het afvalwater wordt onder vrijverval (betekent dat het water d.m.v. zwaartekracht van a naar b wordt vervoerd) afgevoerd naar het nieuw aangelegde riool in de Terwoldseweg. Aangesloten kan worden op het DWA-riool ter hoogte van de ontsluiting van het plangebied. Dit betreft een PVC Ø 315 mm met een b.o.b. (= binnen onderkant buis) NAP + 4,87 m welke onlangs aangelegd is in opdracht van de gemeente Apeldoorn.
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.
Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijken van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.
Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
Het Gelders Natuurnetwerk is de Gelderse uitwerking van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:
In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.
Onderzoeksresultaten
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn de volgende ecologische onderzoeken uitgevoerd:
Stikstofberekening
Quickscan natuurwaardenonderzoek
De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk nestelen er vogels en bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust of voortplantingsplaats. Het plangebied wordt door vleermuizen uitsluitend benut als foerageergebied. Het plangebied wordt niet geschikt geacht voor rust- en voortplantingsplaatsen van beschermde vlindersoorten.
Als gevolg van het rooien van de beplanting tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het doden van een vogel kan geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het verstoren of vernielen van vogelnesten dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari.
Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en wordt een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling `beschadigen/vernielen van vaste rust- en voorplantingsplaatsen'. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit van de Omgevingswet vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.
Indien de werkzaamheden uitgevoerd worden zonder voorbereiding, kan niet uitgesloten worden dat een beschermd amfibie gedood wordt. Ook worden mogelijk vaste (winter)rustplaatsen van een beschermd amfibie beschadigd of vernield. Voor de beschermde amfibieënsoorten, die een vaste (winter)rustplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen/vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaats'. Er geldt geen vrijstelling voor het opzettelijk doden van amfibieën. Om te voorkomen dat beschermde dieren gedood worden dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat deze amfibieën op eigen beweging vertrekken of dienen ze weggevangen te worden (en elders losgelaten). Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde amfibieën gedood en leidt uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
Conclusie
Als beplanting buiten de voortplantingsperiode van vogels wordt gerooid en er geen beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën gedood worden, is deze wijziging van het omgevingsplan uitvoerbaar voor het onderdeel natuurwaarden.
Wettelijk kader
Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.
Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het plangebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.
Onderzoeksresultaten
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn al verschillende stappen in het archeologische onderzoekstraject uitgevoerd. In 2024 is een archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd (Blom & Heunks, 2024, zie Bijlage 13). Uit dit onderzoek kwam naar voren dat resten verwacht konden worden die verband houden met de hofstede Sprenkelaar. Daarnaast werden archeologische resten verwacht uit alle periodes vanaf het Laat-Paleolithicum. Met name resten van jagers-verzamelaars werden verwacht op de relatief hoog gelegen terreindelen. Op basis van de resultaten van het booronderzoek werd verwacht dat het bodemprofiel in het oostelijke deel van het plangebied vlakdekkend diep verstoord zou zijn. Bovendien gold hier vanwege de relatief lage en natte ligging een lagere verwachting. Besloten is daarom om alleen in het westelijke deel van het plangebied een proefsleuvenonderzoek uit te voeren.
Het proefsleuvenonderzoek is uitgevoerd in de periode december 2024 – februari 2025 (Brattinga, z2025, zie Bijlage 15 Archeologisch proefsleuvenonderzoek ten z/o hofstede De Sprenkelaar) Tijdens dit onderzoek zijn archeologische sporen aangetroffen die te relateren zijn aan de hofstede Sprenkelaar uit de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd. Het gaat onder meer om sporen van een gracht, sloten, spiekers, een schuur en een schaapskooi. De hofstede zelf heeft net buiten de contour van het plangebied gelegen en vormde derhalve geen onderdeel van het archeologisch proefsleuvenonderzoek.
Aangezien de aangetroffen archeologische vindplaats bedreigd werd door de voorgenomen planontwikkeling, en behoud in situ niet mogelijk bleek, is besloten de vindplaats op te graven. In bovenstaande afbeelding is de onderzoekscontour voor de opgraving weergegeven. Deze opgraving is gestart in 2025, maar was ten tijde van het opstellen van onderhavig omgevingsplan nog niet afgerond. Vandaar dat ten behoeve van dit plan voor de gehele opgravingscontour nog uitgegaan wordt van aanwezigheid van een vastgestelde archeologische vindplaats. Dit wordt in het plan vastgelegd doormiddel van de archeologische gebiedsaanduiding Waarde - Vastgestelde archeologische waarden".
In de overige delen van het plangebied worden geen archeologische waarden verwacht. Ondanks dat het archeologisch onderzoek zorgvuldig is uitgevoerd, valt niet uit te sluiten dat hier toch archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Indien er bij de uitvoering van de werkzaamheden onverwacht archeologische resten worden aangetroffen, dan dient hiervan conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet melding gedaan te worden bij het bevoegd gezag.
Wettelijk kader
Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
Cultuurhistorische analyse
Het plangebied is een agrarisch gebied, dat de afgelopen decennia steeds meer is ingesloten in de stedelijke uitbreidingen. Het heeft een bijzondere geschiedenis, want hier lag de kern van de eeuwenoude agrarische nederzetting Sprenkelaar. Daar is nu niet zo veel meer van te zien, behalve het oude boerderijgebouw direct ten noorden van het plangebied (Rhapsodiestraat 31) plus enkele landschappelijke relicten.
Het voormalig boerderij-erf Rhapsodiestraat 31 ligt nu een beetje weggedrukt tegen de tennisbanen. Maar deze boerderij is de historische kern van de hele omgeving. Dit was namelijk de hofstede Sprenkelaar. Deze werd al in 1340 genoemd in schriftelijke bronnen (toen in het bezit van het Utrechtse kapittel van St. Marie). Hier omheen lagen akkers, en daar weer omheen lag tot ver in de 19de eeuw bijna eindeloze onontgonnen heide. Het huidige pand dateert wat betreft het exterieur van rond 1910, maar is van binnen mogelijk veel ouder, want het staat precies op de plek van waar al in de vroege 19de eeuw, en mogelijk al eeuwen daarvoor, ook de boerderij stond. Dit gebouw staat op de nominatie om als karakteristiek pand te worden opgenomen.
De landschappelijke relicten die nog resteren van de oude Sprenkelaar, zijn vooral in de landschappelijke structuur te herkennen: het verloop van de Terwoldseweg, het verloop van het laantje ten oosten van het plangebied, het gebogen verloop van het weggetje ten westen van het plangebied, en daarmee in grote lijnen de omvang van het perceel van het plangebied, dat volgens het kadaster van 1832 op dat moment met dennenbos was beplant. Het gebied om de Sprenkelaar heen (bestaande uit boerderij en bijgebouwen, akkers, percelen met opgaand hout en grasland) bestond destijds nog uit natte heide; het bodemniveau van de Sprenkelaar stak daar iets hoger bovenuit, waardoor het beter geschikt was voor akkerbouw.
Ten zuidwesten van het plangebied ligt het gemeentelijke monument De Spinozastraat 1. Dit is een waardevolle voormalige boerderij uit de wederopbouwperiode, op een oud erf met enkele bijgebouwtjes en oude bomen.
Doorwerking in het plan
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle gebouwen aanwezig. Het oude boerderijgebouw en het genoemde monument liggen buiten het plangebied. Ook vindt er geen aantasting van de landschappelijke relicten plaats.
Conclusie
Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor deze wijziging van het omgevingsplan.
De mogelijkheid van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) in de ondergrond hout in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). Handelingen die hebben geleid tot het achterblijven van OO in de Nederlandse bodem houden over het algemeen verband met het afwerpen van bommen, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, grondgevechten tijdens de begin- en eindfase van de oorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden, stellingen enzovoort. Ongeveer 10% van de afgeworpen en verschoten munitie ontplofte niet en bleef als OO achter.
Voor het plangebied is onzeker of rekening gehouden moet worden met de (mogelijke) aanwezigheid van OO. Op grond hiervan heeft vooronderzoek OO plaatsgevonden. Het onderzoek d.d. 30 november 2022 gedaan door Sweco en als bijlage bij deze motivering gevoegd.
Op basis van het vooronderzoek, waarbij een analyse is gedaan van het historisch feitenmateriaal, wordt het plangebied als onverdacht aangemerkt op het aantreffen van OO. Geadviseerd wordt om de grondroerende werkzaamheden voor het onderzoeksgebied de normale doorgang te laten hebben. Er is geen aanleiding gevonden tot het nemen van vervolgstappen. Algemeen aandachtspunt is dat als er tijdens de uitvoering altijd aandacht dient te zijn voor het aantreffen van onverdacht zaken en dat grondroerend personeel op de hoogte dient te zijn van het protocol voor toevalsvondsten. Als tijdens het werk gestuit wordt op zaken die lijken op OO, dient het werk onmiddellijk gestaakt te worden en moet een deskundige worden geraadpleegd. Het handelingsproces moet als volgt worden doorlopen:
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat onontplofbare oorlogsresten geen problemen oplevert voor dit plangebied
In het Klimaatakkoord (2019) staat hoe Nederland deze overstap wil maken. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 ‘energieneutraal’ is. Dat betekent: dat we net zoveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. We werken daar op allerlei manieren aan. Als land, maar ook als provincie, regio en gemeente. We proberen alle plannen op elkaar te laten aansluiten. Want samen gaat het sneller. Net als heel Nederland wil Apeldoorn in 2050 evenveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. Om daar te komen, maken we eerst plannen tot 2030. Dit zijn de hoofdlijnen:
De Omgevingswet geeft ons de mogelijkheid om onze duurzaamheidswensen en -doelen goede juridische grond te geven. Dit geldt ook voor het onderwerp energie. De Omgevingswet geeft duidelijke richtlijnen en regels mee aan burgers en bedrijven, zodat zij goed weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast geeft de Omgevingswet ons de kans om de regels beter te handhaven. Dit helpt om onze doelen te behalen. De Omgevingswet gaat ons op de volgende manier helpen op het gebied van energie:
Voor nieuwbouw
In het omgevingsplan nemen we op dat gebouwen met een industriefunctie verplicht zijn hun dak te benutten voor het opwekken van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
In het omgevingsplan leggen we de nul-op-de-meter-eis vast voor nieuwbouw.
In het omgevingsplan sturen we op besparing of opwek van energie via de bebouwingsregels en de positionering van het bouwvlak.
Voor bestaande bouw
In omgevingsvergunningen nemen we maatwerkvoorschriften op waarbij we eisen dat gebouwen hun daken moeten gebruiken voor de opwek van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
De hybride warmtepomp is vanaf 2026 standaard voor het verwarmen van woningen. Huiseigenaren zijn verplicht om vanaf 2026 bij vervanging van de cv-ketel over te stappen op een hybride warmtepomp. Of op een ander duurzaam alternatief, zoals aansluiting op het warmtenet.
Doorwerking in het plan
De nieuw te realiseren woningen zullen allen aardgasvrij worden. Dit betekent dat voor deze woningen gezocht moet worden naar een alternatief om deze woningen te verwarmen. Hierbij valt te denken aan het plaatsen van een warmtepomp. De woningen zullen moeten voldoen aan de eisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) (voorheen het Bouwbesluit 2012). In het Bbl is opgenomen dat nieuwbouwwoningen moeten voldoen aan de Beng-eisen. Beng staat voor Bijna Energieneutrale Gebouw. Hoewel Apeldoorn in haar beleid heeft opgenomen dat voor nieuwbouw geldt dat woningen moeten voldoen aan de nul-op-de-meter-eis kan dit juridisch niet worden afgedwongen. Het Rijk heeft bepaald dat het Bbl een uitputtende werking heeft en gemeenten geen strengere eisen aan (nieuwbouw)woningen mogen stellen. De bestaande gebouwen in het besluitgebied die worden behouden zullen worden verduurzaamd.
Waar mogelijk worden daken geschikt gemaakt voor de plaatsing van zonnepanelen. Hiermee is de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming met het gemeentelijk beleid op het gebied van duurzaamheid.
Onderhavig TAM-omgevingsplan, Hoofdstuk 22x Terwoldseweg 5-7, vormt een wijziging van het omgevingsplan. Woningbouw op deze locatie is in strijd met in het tijdelijke deel, onderdeel uitmakende bestemmingsplan 'Zuidbroek', waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden. Daarnaast zullen de verleende vergunningen t.b.v. de padelbanen van de Tennisvereniging TCS worden ingepast en in relatie daarmee zal worden geregeld dat er een geluidwerende voorzienig komt c.q scherm i.v.m. de te realiseren woningen.
Het TAM-omgevingsplan is op het oog een plan dat los staat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch één geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt het als het ware als een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22d van het omgevingsplan. Daarnaast geldt het onder andere het bepaalde in artikel 2.29 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving met betrekking tot de vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten m.b.t. bouwwerken.
Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen
Dit TAM-omgevingsplan maakt onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het plangebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling bij dit plan Terwoldseweg achter 5-7.
Hoofdstuk 2 - functies en activiteiten
Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor een specifieke locatie binnen het plangebied. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig voorbeeld-TAM-omgevingsplan voor de Terwoldseweg 5-7 is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is.
Wat is vergunningvrij en wanneer toch een omgevingsvergunning nodig?
Uitbreidingen van het hoofdgebouw (bijbehorende bouwwerken in de vorm van aan en uitbouwen) en vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn zowel toegestaan binnen het bouwvlak als buiten het bouwvlak binnen het overige deel van het achtererfgebied. Strikt genomen valt het bouwvlak ook (deels) binnen het achtererfgebied voor zover niet ingenomen door het hoofdgebouw. In sommigen gevallen mogen bijgebouwen en uitbouwen ook gebouwd worden in het voorerfgebied, alleen is hievan in dit geval geen sprake.
Op grond van Bijlage I van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving betreft het achtererfgebied "het gebouwerf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant (is dus de voorgevel) en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het gebouwerf achter het hoofdgebouw te komen, waarbij als op een perceel meer gebouwen aanwezig zijn die noodzakelijk zijn het verrichten van de op grond van het Omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit op het -perceel toegestane activiteiten of als het hoofdgebouw geen woning is, maar op het perceel een of meer op de grond staande woningen aanwezig zijn, voor het leggen van deze lijn bepalend is het hoofdgebouw, de woning of een van de andere hiervoor bedoelde gebouwen, waarvan de voorkant het dichtst is gelegen bij het openbaar toegankelijk gebied ".
Kortom, ondanks de ingewikkelde redactie van deze begripsbepaling gaat het erom dat van volgens deze wettelijke definitie bijbehorende bouwwerken (aan en uitbouwen en vrijstaande bergingen) naast het hoofdgebouw, grotendeels vallen binnen het achtererfgebied. Het achtererfgebied beslaat dus voor een belangrijk deel ook het bouwvlak. Binnen en buiten het bouwvlak moeten de aan- en uitbouwen, dakkapellen etc.( om uitbreiding hoofdgebouw) en vrijstaande bijhorende bouwwerken in het achtererfgebied voor zover vergunningvrij in principe voldoen aan het bepaalde in de artikelen 22.27 of 22.36 van het Omgevingsplan (onderdeel van de zogenaamde bruidsschat). Daarnaast gelden dus ook nog de regels voor vergunningvrij bouwen op basis van artikel 29 van het Besluit Bouwwerken Leefomgeving. Voor artikel 22.27 geldt dat de daarin genoemde activiteiten vergunningvrij zij voor zover passend binnen de regels van het Omngevingsplan. Voor zover niet passend is van rechtswege vergunningvrij de gevallen als opgenomen in artikel 22.36 van het Omgevingsplan. Mochten activiteiten niet passen binnen de vergunningvrije activiteiten als bedoeld in artikelen 22.27 en 22.36 gelden de regels als opgenomen in dit wijzigingsplan en is daarvoor een vergunning noodzakelijk.
Ingeval van vergunningplichtige activiteiten binnen het bouwvlak, betreft het bebouwingspercentage 60% van dat bouwvlak. Artikelen 22.27 en 22.36 van het Omgevingsplan gaan uit van een bebouwingspercentage van 50% voor het hele achtererfgebied (inclusief bouwvlak minus hoofdgebouw, alsmede de rest buiten het bouwvlak binnen het achtererfgebied). Kortom uiteindelijk liggen de percentages in praktijk dicht bij elkaar. Gaat erom dat het bouwvlak c.q. het achter niet grotendeels wordt volgebouwd.
Hoofdstuk 3: Algemene regels
Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.
Hoofdstuk 4: Algemene procedureregeling
In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht.
Bijlagen bij de regels
Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan zijn er vijf bijlagen opgenomen bij de regels die enerzijds uiteenzetten welke bedrijfsfuncties, horeca en/of maatschappelijke functies zijn toegestaan en anderzijds zijn gekoppeld aan de beoordelingsregels voor parkeren en beeldkwaliteit.
Verbeelding
De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Terwoldseweg 5-7 dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het plangebied op de verbeelding als 'bestemmingen' zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn als zodanig op de verbeelding opgenomen. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.
Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.
Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het kostenverhaal voor dit plan verzekerd.
Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.
Participatie plan Terwoldseweg achter 5-7
Op 25 september 2024 is er een inloopbijeenkomst geweest op locatie De Groenen Hoven m.b.t. de voorgenomen woningbouwplannen en het voorstel om een geluidscherm te plaatsen tussen het nieuw te ontwikkelen woongebied en de tennisvereniging TCS i.v.m. de padelbanen. Die avond is bezocht door omwonenden en bewoners gemeente Apeldoorn elders die geinteresseerd zijn in het project. Veel vragen zijn die avond beantwoord. Conclusie was dat er geen aanleiding was om het plan verder aan te passen. Zie Participatieverslag algemeen
Daarnaast hebben er nog een tweetal bijeenkomsten plaatsgevonden met op 18 september 2024 van de Rapsodiestrraat 1,3, 5, 7 en 9 en op 19 september (zie Participatieverslag bewoners Rapdodiestraat) met de bewoners van Rapsodiestraat 31 (zie Participatieverslag bewoners Rhapsodiestraat 31 ) te Apeldoorn. Tevens hebben verschillende gesprekken plaatsgevonden met de Tennisclub TCS, o.a. op 18 september 2024, 24 oktober 2024 etc. Uitkomst is dat we de vergunde padelbanen en het tenniscentrum meenemen in dit wijizigingsplan en gaan voorzien in een geluidscherm t.o.v. het te ontwikkelen woongebied. Dit geluidscherm wordt geregeld op de plankaart en in de regels. Zie Participatieverslag tennisvereniging TCS
De participatieverslagen zijn als bijlagen toegevoegd bij dit plan