direct naar inhoud van REGELS
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Terwoldseweg achter 5-7
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.tam0025-vas1

REGELS

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Terwoldseweg achter 5-7 en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22x opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn.

Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1, tweede lid, van het Besluit elektronische publicaties, bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening https://www.ruimtelijkeplannen.nl.c.q. het Omgevingsloket. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22ax van het omgevingsplan van de gemeenten Apeldoorn. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer 22ax gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage 22ax gelezen worden.

 

Hoofdstuk 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Begripsbepaling

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, Hiervan zijn enkele bepalingen overgenomen, vanwege de leesbaarheid en hanteerbaarheid van de betreffende artikelen.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

2.1 TAM-omgevingsplan

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Terwoldseweg achter 5-7 met identificatienummer NL.IMRO.0200.tam0025-vas1 van de gemeente Apeldoorn, zoals opgenomen in hoofdstuk 22ax in het Omgevingsplan.

2.2 aanduiding

Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.3 aanduidingsgrens

De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft.

2.4 aanduidingsvlak

Een vlak, door aanduidingsgrenzen van andere vlakken gescheiden.

2.5 aaneengebouwde woning

Een woning in een rij van 3 of meer niet-gestapelde woningen waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd.

2.6 achtererfgebied

Achtererfgebied zoals bepaald in artikel 1.1 bijlage 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving

2.7 AHN2-maaiveld

De maaiveldhoogte die is vastgelegd in het Actueel Hoogtebestand Nederland 2.

2.8 ander werk

Een werk, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden.

2.9 antennedrager

Antennedrager zoals bepaald in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

2.10 antenne-installatie

Antenne-installatie zoals bepaald in artikel 1.1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

2.11 bebouwing

Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

2.12 beroepsuitoefening aan huis

Een dienstverlenend beroep op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig of technisch gebied of daarmee gelijk te stellen activiteiten, dat in een woning of (inclusief bijgebouwen) wordt uitgeoefend, waarbij de (bedrijfs)woning in overwegende mate haar woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitstraling of uitwerking heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.13 bestaand
  • bij bouwwerken: een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan legaal aanwezig of in uitvoering is dan wel gebouwd kan worden krachtens een vergunning;
  • bij gebruik: het legale gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan.
2.14 bouwgrens

De grens van een bouwvlak.

2.15 bijbehorend bouwwerk

Een bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 1.1 bijlage 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

2.16 bouwlaag

Een doorlopend gedeelte van een gebouw begrensd door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen.

2.17 bouwvlak

Een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten.

2.18 bruto vloeroppervlakte

De gezamenlijke vloeroppervlakte ten dienste van kantoren, winkels, horeca of andere bedrijven, met inbegrip van de daarbij behorende magazijnruimte en overige dienstruimten.

2.19 detailhandel

Het bedrijfsmatig te koop of te huur aanbieden, hieronder begrepen de uitstalling ten verkoop of verhuur, het verkopen, verhuren en/of leveren van goederen en diensten aan degenen die deze goederen en diensten kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.20 evenementen

Periodieke en/of incidentele manifestaties zoals sportmanifestaties, concerten, bijeenkomsten, voorstellingen, tentoonstellingen, shows, thematische beurzen en thematische markten. Onder evenementen worden in ieder geval niet begrepen activiteiten die zijn gericht op verkoop uit grote partijen met een beperkt assortiment door één of enkele aanbieders.

2.21 folly

Een bedoeld ter verfraaiing, als blikvanger of oriëntatiepunt, niet noodzakelijkerwijs functioneel van aard.

2.22 functiegrens

De grens van een functievlak.

2.23 functievlak

Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde functie.

2.24 gebouwerf

Gebouwerf zoals bedoeld in bijlage 1 behorende bij artikel 1.1. van het Besluit bouwwerken leefomgeving.

2.25 gestapelde woning

Een woning in een woongebouw waarin 2 of meer zelfstandige woningen boven elkaar en eventueel ook naast elkaar zijn gebouwd.

2.26 kampeermiddel

Een tent, tentwagen, kampeerauto of caravan dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen , of zijnde; een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor verblijfsrecreatie

2.27 Hoofdgebouw

Hoofdgebouw zoals bepaald in artikel 1.1 bijlage 1 van het Besluit bouwwerken leefomgeving;

2.28 kavel

De bij een bestaand of te realiseren hoofdgebouw behorende gronden, samenvallend met de eigendomsgrens of met de grens van het gehuurde.

2.29 nutsvoorziening

Een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water- en electriciteitsdistributie alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen ondergrondse leidingen, transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen en zendmasten.

2.30 overkapping

Een bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt zonder dan wel met ten hoogste één wand.

2.31 perceel

De bij een bestaand of te realiseren hoofdgebouw behorende gronden, samenvallend met de eigendomsgrens of met de grens van het gehuurde.

2.32 straatpeil
  • a. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter plaatse van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw.
2.33 twee-onder-een-kapwoningen

Twee woningen waarvan de hoofdgebouwen aan elkaar zijn gebouwd.

2.34 verblijfsgebied

Gebied bedoeld voor verblijf, waartoe in ieder geval (ontsluitings)wegen, fiets- en voetpaden, water, parkeer-, groen- en speelvoorzieningen en hondenuitlaatplaatsen worden gerekend.

2.35 voorerfgebied

Gebouwerf, dat geen onderdeel is van het achtererfgebied (bijlage 1 Besluit bouwwerken leefomgeving).

2.36 woning

Een gebouw of een zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen.

2.37 woonadres

Het adres waar:

  • a. betrokkene woont of, indien betrokkene op meer dan één adres woont, het adres waar hij naar verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten;
  • b. bij ontbreken van een adres als bedoeld onder a, betrokkene naar redelijke verwachting gedurende drie maanden ten minste twee derde van de tijd zal overnachten.
2.38 zakelijke dienstverlening

Kantoor met baliefunctie ten behoeve van publieksgerichte commerciële en/of maatschappelijke dienstverlening.

2.39 zonnecollector

Een bouwwerk ten behoeve van de opvang van zonne-energie.

2.40 zorgwoning

Een gebouw of zelfstandig gedeelte van een gebouw dat bedoeld is voor de huisvesting van personen die niet zelfstandig kunnen wonen en die geestelijke en/of lichamelijke verzorging behoeven; verzorging kan voortdurend of nagenoeg voortdurend plaatsvinden en in het gebouw kan afzonderlijke ruimte ten behoeve van de verzorging aanwezig zijn.

Artikel 3 Meet - en rekenbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt als volgt gemeten:

3.1 de bouwhoogte van een bouwwerk

Vanaf het straatpeil tot aan het hoogste punt van een gebouw of een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

3.2 de goothoogte van een bouwwerk

Vanaf het straatpeil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel.

3.3 de oppervlakte van een bouwwerk

Tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

3.4 het bebouwingspercentage

De in procenten uitgedrukte verhouding van de oppervlakte van de bebouwing in een bouwvlak dan wel aanduidingsvlak tot de oppervlakte van dat bouwvlak dan wel aanduidingsvlak, per perceel gemeten.

3.5 de vloeroppervlakte

Tussen de (denkbeeldige) buitenwerkse gevelvlakken en/of harten van scheidsmuren, met dien verstande dat vloeroppervlakte waarboven minder dan 1,50 meter bouwhoogte aanwezig is hierbij buiten beschouwing wordt gelaten.

3.6 de inhoud van een bouwwerk

Boven straatpeil tussen de buitenwerkse gevelvlakken, dak vlakken en harten van scheidsmuren.

3.7 de bodemingreep

De oppervlakte van de bodem die daadwerkelijk is afgegraven dan wel wordt afgegraven bij de uitvoering van een verleende omgevingsvergunning.

3.8 de dakhelling

Langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

Artikel 4 Toepassingsbereikbepaling

4.1 Toepassingsbereik

De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k ,l , of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het tweede lid.

4.2 Relatie met hoofdstuk 22

De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van het bepaalde in afdeling 22.2.7.3. in de regels in afdeling 22.3.2, zijn niet van toepassing op de locatie, bedoeld in het derde lid, voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.

4.3 Geometrische toepassingsbereik

De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie behorend bij dit TAM- omgevingsplan, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0200.tam0025- zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Hoofdstuk 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN

Artikel 5 Groen

5.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Groen.

5.2 Functieomschrijving

Een als Groen aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies:

  • a. groen;
  • b. fiets- en voetpaden;
  • c. in- en uitritten;
  • d. hondenuitlaatplaatsen;
5.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locaties bedoeld in artikel 5.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. nutsvoorzieningen;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. voorzieningen voor de waterhuishouding.

Artikel 6 Sport

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Sport.

6.2 Functieomschrijving

Een als Sport aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies:

  • a. sport- en recreatieve voorzieningen, niet zijnde verblijfsrecreatieve voorzieningen;
  • b. een geluidswerende voorziening/ -scherm ter plaatse van de aanduiding 'geluidscherm', met inachtneming van het bepaalde in artikel 8.4.3 en 8.4.4.
  • c. het houden van evenementen;
6.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 6.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. groen- en speelvoorzieningen;
  • b. verkeers-, verblijfs- en parkeervoorzieningen;
  • c. geluidwerende voorziening als bedoeld in lid 6.2 sub b;
  • d. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • e. nutsvoorzieningen;

Artikel 7 Verkeer - Verblijfsgebied

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Verkeer - Verblijfsgebied.

7.2 Functieomschrijving

Een als Verkeer - Verblijfsgebied aangewezen locatie mag gebruikt worden als verblijfsgebied;

7.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 7.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. in -en uitritten, parkeervoorzieningen;
  • c. nutsvoorzieningen;
  • d. voorzieningen voor de waterhuishouding.

Artikel 8 Wonen

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Wonen.

8.2 Functieomschrijving

Een als wonen aangewezen locatie mag gebruikt worden voor de volgende functies:

a. wonen;

b. beroepsuitoefening aan huis, onder de voorwaarde dat voldaan wordt aan de specifieke functieregels zoals opgenomen in artikel 8.4.2;

c. niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis, onder de voorwaarde dat voldaan wordt aan de specifieke functieregels, zoals opgenomen in artikel 8.4.2.

8.3 Voorzieningen en inrichting

Tot de locatie bedoeld in artikel 8.1 worden in ieder geval ook gerekend de daarbij behorende:

  • a. nutsvoorzieningen;
  • b. tuininrichting en/of erfinrichting;
  • c. speelvoorzieningen;
  • d. voorzieningen voor de waterhuishouding;
  • e. parkeervoorzieningen.
8.4 Specifieke functieregels
8.4.1 Gebruik niet bebouwde grond

De niet bebouwde grond mag uitsluitend als tuin of erf en/of parkeervoorziening worden gebruikt; gebruik van de niet bebouwde grond ten behoeve van bedrijfsactiviteiten is niet toegestaan. Overtreding van dit verbod is een strafbaar feit.

8.4.2 Beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis

Het gebruik van woningen en bijgebouwen voor beroepsuitoefening aan huis en voor niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis is toegestaan onder de volgende voorwaarden:

  • a. dit gebruik beslaat niet meer dan 40% van de vloeroppervlakte van de woning en 100% van de vloeroppervlakte van de bijgebouwen, met een gezamenlijk maximum van 50 m² per woning;
  • b. het gebruik heeft geen nadelige gevolgen voor het woon- en leefmilieu;
  • c. het gebruik heeft geen nadelige invloed op de normale afwikkeling van het verkeer en veroorzaakt geen nadelige toename van de parkeerbehoefte;
  • d. detailhandel is uitsluitend toegestaan in de vorm van verkoop via internet, met dien verstande dat uitstalling ten verkoop en het ter plaatse afhalen van goederen door klanten niet is toegestaan;
  • e. de activiteiten veroorzaken geen duurzame ontwrichting van de bestaande distributieve voorzieningen en hebben geen ernstige verstoring van de verzorgingsstructuur tot gevolg;
  • f. het beroep respectievelijk de bedrijfsmatige activiteiten wordt respectievelijk worden in ieder geval door de bewoner uitgeoefend;
  • g. bedrijfsmatige activiteiten zijn alleen toegestaan voor zover deze zijn genoemd in de bij dit hoofdstuk behorende Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis, dan wel naar hun aard en invloed vergelijkbaar zijn met de in deze Lijst genoemde activiteiten.
8.4.3 Voorwaardelijke verplichting

Het is verboden gronden als bedoeld in artikel 8.1 te gebruiken voor de in artikel 8.2 genoemde functies zonder het realiseren en in standhouden van een geluidsscherm als bedoeld in Artikel 6 binnen de als Sport aangewezen gronden ter plaatse van de aanduiding 'geluidsscherm', waarbij het geluidsscherm moet voldoen aan de volgende eisen:

  • a. de hoogte bedraagt ten minste 5 m en maximaal 6 m;
  • b. het geluidsscherm dient volledig gesloten te zijn;
  • c. het geluidsscherm dient aan de zijde van het tennispark geluidsabsorberend te zijn;
  • d. de massa van het scherm dient minimaal 15 kg/m2 te bedragen.
8.4.4 Omgevingsvergunning geluidsscherm

Met een omgevingsvergunning kan van het gestelde in artikel 8.4.3 worden afgeweken indien wordt aangetoond dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

Artikel 9 Waarde - Vastgestelde archeologische waarden

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als Waarde - vastgestelde archeologische waarden.

9.2 Functieomschrijving

Een als Waarde - Vastgestelde archeologische waarden aangewezen locatie heeft de functie om archeologische waarden te beschermen die voorkomen in het gebied waarvan vastgesteld is dat archeologische waarden aanwezig zijn.

9.3 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is verboden zonder omgevingsvergunning de in dit artikel opgesomde werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden uit te voeren voor zover ze worden gedaan dieper dan 0,35 meter onder het AHN2-maaiveld met een oppervlakte van meer dan 50 m²:

  • a. grondwerkzaamheden, zoals afgraven, egaliseren, frezen, scheuren van grasland, aanbrengen van oppervlakteverhardingen, aanleg van drainage, verwijderen van funderingen en aanleg of rooien van bos, boomgaard of diepwortelende beplanting;
  • b. graven, dempen, dan wel verdiepen, vergroten of anderszins herprofileren van waterlopen, sloten en greppels;
  • c. aanleggen van leidingen.
9.4 uitzonderingen vergunningplichtige gevallen

Het verbod zoals opgenomen in artikel 9.3 geldt niet:

  • a. voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden in het kader van het normale beheer en onderhoud;
  • b. voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden in het kader van het normale agrarische gebruik;
  • c. voor werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden waarmee is begonnen op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan;
  • d. ingeval op grond van de Erfgoedwet een vergunning is vereist dan wel overige regels van de Erfgoedwet respectievelijk de Monumentenwet van toepassing zijn.
9.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning
  • a. De onder 9.3 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend voor zover de archeologische waarden niet onevenredig worden aangetast, hetgeen moet blijken uit een rapport dat de aanvrager bij de aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden dient te overleggen. In het rapport moeten de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • b. In afwijking van het onder a bepaalde is het overleggen van een rapport niet nodig indien de archeologische waarden van de gronden met behulp van andere beschikbare informatie naar het oordeel van het bevoegd gezag afdoende zijn vastgesteld.
9.6 Bijzondere aanvraagvereisten
  • a. In aanvulling op de algemene wettelijke aanvraagvereisten, dient de aanvrager een rapport te overleggen, waarin de archeologische waarden van de gronden waarop de aanvraag betrekking heeft naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate zijn vastgesteld;
  • b. In afwijking van het onder a genoemde is het overleggen van een rapport niet nodig indien de archeologische waarden van de gronden met behulp van andere beschikbare informatie naar het oordeel van het bevoegd gezag afdoende zijn vastgesteld.
9.7 Voorschriften aan omgevingsvergunning

Indien uit het in lid 9.6 genoemde rapport dan wel de in dat lid bedoelde andere beschikbare informatie blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden als bedoeld onder 9.3 zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meerdere van de volgende voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden:

  • a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden en tot het uitbrengen van een verslag waaruit naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate blijkt op welke wijze met de archeologische waarden is omgegaan;
  • b. de verplichting tot het uitvoeren van nader onderzoek en tot het uitbrengen van een verslag waarmee de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate buiten de bodem behouden blijven.

Artikel 10 Hoofdgebouw bouwen

10.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel hebben betrekking op het bouwen van een hoofdgebouw.

10.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen - algemeen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van het Hoofdgebouw wordt alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. het Hoofdgebouw is gelegen binnen het bouwvlak;
  • b. de bouwhoogte is niet hoger dan de aangegeven waarde ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte';
  • c. de goothoogte is niet hoger dan de aangegeven waarde ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte';
  • d. de totaal bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 60% van het gebouwerf;
  • e. voor zover sprake is van een ondergrondse bouwlaag is deze niet dieper is dan 3,50 meter en het gebruik daarvan past binnen de toegestane functie;
  • f. er wordt voldaan aan de locatiespecifieke voorwaarden die worden gesteld aan het bouwen van een hoofdgebouw, zoals opgenomen in de artikelen 10.3:
  • g. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in Artikel 19 Algemene bouwregels;
  • h. er wordt voldaan aan de beeldkwaliteitseisen, zoals opgenomen in Artikel 18 Beeldkwaliteit.
10.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen - functie Wonen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van het Hoofdgebouw op een locatie die is aangewezen als Wonen wordt alleen verleend als tevens aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. maximum aantal woningen
    Het maximum aantal woningen bedraagt niet meer dan ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal woningen' staat aangegeven;
  • b. toegestane woningtypen
    Als woningtypen zijn toegestaan:
    1. ter plaatse van de aanduiding 'aaneengebouwd': aaneengebouwde woningen;
    2. ter plaatse van de aanduiding 'gestapeld': gestapelde woningen;
    3. ter plaatse van de aanduiding 'twee-aaneen': twee-onder-een-kapwoningen en vrijstaande woningen;
    4. ter plaatse van de aanduiding 'vrijstaand': vrijstaande,
10.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen - functie Sport

De omgevingsvergunning voor het bouwen van het Hoofdgebouw op een locatie die is aangewezen als Sport wordt alleen verleend indien de gezamenlijke oppervlakte aan gebouwen niet meer bedraagt dan 3300 m2, met in begrip van de bijbehorende bouwwerken als bedoeld in artikel 12.3 Beoordingsregels omgevingsvergunning bouwen - functie sport:

Artikel 11 Bijbehorend aangebouwd bouwwerk bouwen - uitbreiden hoofdgebouw - functie wonen

11.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel hebben betrekking op het bouwen van een bijbehorend bouwwerk - door het uitbreiden van de woning binnen het bouwvlak danwel het achtererfgebied.

11.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen - uitbreiden hoofdgebouw - functie Wonen

De omgevingsvergunning voor het uitbreiden van het Hoofdgebouw op een locatie aangewezen als Wonen wordt, onverminderd het bepaalde in artikelen 22.27 juncto artikel 22.36 van het Omgevingsplan Apeldoorn (vergunningvrij) bij afwijking hiervan, alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de uitbreiding van het hoofdgebouw ligt binnen het bouwvlak dan wel het achtererfgebied;
  • b. de bouwhoogte is niet hoger dan 5 m;
  • c. de totaal bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 60% van het gebouwerf;
  • d. voor zover sprake is van een ondergrondse bouwlaag is deze niet dieper dan 3,5 meter en het gebruik daarvan past binnen de toegestane functie;
  • e. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in Artikel 19 Algemene bouwregels.
  • f. er wordt voldaan aan de beeldkwaliteitsen, zoals bedoeld in Artikel 18 Beeldkwaliteit;

Artikel 12 Bijbehorend bouwwerk bouwen - vrijstaand

12.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel hebben betrekking op het bouwen van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk binnen het bouwvlak dan wel het achtererfgebied;

12.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwen - functie wonen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een vrijstaande bijbehorend bouwwerk op een locatie aangewezen als Wonen wordt, onverminderd het bepaalde in artikelen 22.27 juncto artikel 22.36 van het Omgevingsplan Apeldoorn (vergunningvrij), bij afwijking hiervan, alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de bouwhoogte is niet hoger dan 3,3 m;
  • b. de totaal bebouwde oppervlakte bedraagt niet meer dan 60% van het gebouwerf;
  • c. voor zover sprake is van een ondergrondse bouwlaag: deze niet dieper is dan 3,50 meter en het gebruik daarvan past binnen de toegestane functie;
  • d. wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in Artikel 19 Algemene bouwregels;
  • e. er w ordt voldaan aan de beeldkwaliteitseisen, zoals bedoeld in Artikel 18 Beeldkwaliteit;
12.3 Beoordingsregels omgevingsvergunning bouwen - functie sport

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een vrijstaand bijbehorend bouwwerk op een locatie aangewezen als Sport wordt, onverminderd het bepaalde in artikelen 22.27 juncto artikel 22.36 van het Omgevingsplan Apeldoorn (vergunningvrij), bij afwijking hiervan, alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de bouwhoogte is niet hoger dan 5 m;
  • b. de totaal bebouwde oppervlakte bedraagt maximaal 400 m2, mits niet meer dan 60% van het gebouwerf met een maximum van totaal 3300 m2, met inbegrip van de oppervlakte van het hoofdgebouw als bedoeld in artikel 10.4 van deze regels;
  • c. voor zover sprake is van een ondergrondse bouwlaag: deze niet dieper is dan 3,50 meter en het gebruik daarvan past binnen de toegestane functie;
  • d. wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in Artikel 19 Algemene bouwregels..
  • e. er wordt voldaan aan de beeldkwaliteitseisen, zoals bedoeld in Artikel 18 Beeldkwaliteit;

Artikel 13 Bouwwerk, geen gebouw zijnde bouwen

13.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel hebben, onverminderde het bepaalde in artikelen 22.27 juncto artikel 22.36 van het Omgevingsplan Apeldoorn bij afwijking hiervan, betrekking op het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde.

13.2 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde - functie sport

De omgevingsvergunning voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde op een locatie aangewezen als Sport wordt alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de bouwhoogte van antenne-installaties en lichtmasten bedraagt maximaal 15 m, met dien verstande dat lichtmasten niet zijn toegestaan binnen 55 m van een woning;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt maximaal 6 m;
  • c. het geluidscherm ls bedoeld in Artikel 6 lid 2 voldoet aan het bepaalde in artikel 8.4.3.van deze regels, onder voorbehoud van het bepaalde in lid 8.4.4 .
13.3 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde - functie groen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde op een locatie die is aangewezen als Groen wordt alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de bouwhoogte van speel- en klimtoestellen niet hoger is dan 6 meter en hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de stedenbouwkundige kwaliteit die met het TAM-omgevingsplan is beoogd en dit voor omringende woningen geen onevenredige hinder oplevert.
  • b. er wordt voldaan aan de algemene bouwregels zoals opgenomen in Artikel 19 Algemene bouwregels.
13.4 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde - functie verkeer - verblijfsgebied

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde op een locatie die is aangewezen als verkeer - verblijfsgebied wordt alleen verleend als als de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde maximaal 2,5 m bedraagt.

13.5 Beoordelingsregels omgevingsvergunning bouwwerk, geen gebouw zijnde - functie wonen

De omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, geen gebouw zijnde op een locatie die is aangewezen als Wonen wordt, onverminderd het bepaalde in artikelen 22.27 juncto 22.26 van het Omgevingsplan, alleen verleend als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor privacy op hoek percelen in het voorerfgebied bedraagt maximaal 2 m als dit met het oog op de stedenbouwkundige kwaliteit die met het plan is beoogd en de verkeers- en sociale veiligheid niet onaanvaardbaar is;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouw zijnde meer bedraagt maximaal 2 m.

Hoofdstuk 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 14 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 15 Algemeen gebruiksverbod

Het is verboden zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 16 Aanwijzing vergunningplichtige gevallen

Het is, onverminderd het bepaalde in de artikelen 22.27 en 22.36 van het Omgevingsplan Apeldoorn, verboden zonder omgevingsvergunning te bouwen:

  • 1. een hoofdgebouw, zoals bedoeld in artikel 10;
  • 2. een bijbehorend bouwwerk, zoals bedoeld in artikel 12, lid 12.2 en een vrijstaand bijbehorend bouwwerk als bedoeld in artikel 13, lid 13.2; en
  • 3. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, zoals bedoeld in artikel 13;
  • 4. en als niet wordt voldaan aan de algemene regels, als bedoeld in artikel 22.27 en 22.36 van het omgevingsplan voor zover bijbehorende bouwwerken zijn gelegen buiten het bouwvlak in het achtererfgebied.

Artikel 17 Parkeervoorzieningen

17.1 gebruik

Als gebruik in strijd met de aangewezen functie geldt het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet in voldoende mate ruimte aanwezig is voor het parkeren van auto's en fietsen en het laden en lossen van goederen. Dit volgens de 'Beleidsregel Parkeren' zoals vastgesteld op 13 juni 2024, die is opgenomen in Bijlage 2 Beleidsregel parkeren van de Bijlagen bij de regels, dan wel haar rechtsopvolger.

17.2 bouwen

Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt slechts verleend indien bij de aanvraag wordt aangetoond dat in voldoende mate ruimte aanwezig is voor het parkeren van auto's en fietsen en het laden en lossen van goederen. Dit volgens de 'Beleidsregel Parkeren' zoals vastgesteld op 13 juni 2024, die is opgenomen in Bijlage 2 Beleidsregel parkeren van de Bijlagen bij de regels, dan wel haar rechtsopvolger.

Artikel 18 Beeldkwaliteit

18.1 Bouwen

In aanvulling op artikel 22.29 van het omgevingsplan geldt dat een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw of een bijbehorend bouwwerk of ander gebouw slechts wordt verleend indien wordt aangetoond dat wordt voldaan aan de gestelde beeldkwaliteitseisen aan bouwwerken, zoals beschreven in Bijlage 3 Beeldkwaliteitsplan van de Bijlagen bij de regels, dan wel haar rechtsopvolger.

18.2 Afwijking Beeldkwaliteitsplan

Het bevoegd gezag is bevoegd om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de beeld kwaliteitseisen, zoals beschreven in Bijlage 3 Beeldkwaliteitsplan van de Bijlagen bij de regels, dan wel haar rechtsopvolger. Voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels: .

  • a. de gestelde kwaliteitseisen die met het Beeldkwaliteitsplan worden beoogd worden niet onevenredig aangetast en leiden tot een vergelijkbare dan wel nog betere kwaliteit van de leefomgeving en het beoogde stedenbouwkundig beeld c.q. de beeldkwaliteit van het woongebied;
  • b. er is een positief welstandsadvies om af te wijken;.
  • c. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten;

Artikel 19 Algemene bouwregels

19.1 Algemene regels

Voor bouwwerken gelden, onverminderd het bepaalde in de artikelen 22.27 juncto 22.36 van het Omgevingsplan, de volgende regels:

  • a. uitsluitend mogen worden opgericht bouwwerken die ten dienste staan van de ter plaatse geldende functie;
  • b. ter plaatse van de op de weg c.q. de openbare ruimte georiënteerde gevel, is overschrijding van de bouwgrens door ondergeschikte bouwdelen toegestaan, waaronder in ieder geval begrepen een erker, luifel, balkon of bouwwerk ten behoeve van de hoofdingang, waarvan de diepte niet meer dan 1,20 meter en de bouwhoogte niet meer dan 3,50 meter bedraagt;
  • c. Daar waar in dit plan is bepaald dat de gronden tevens mogen worden gebruikt voor nutsvoorzieningen mogen bouwwerken ten behoeve van nutsvoorzieningen, zowel binnen als buiten het bouwvlak, worden opgericht, met dien verstande dat indien het gebouwen betreft de inhoud niet meer dan 60 m3 en de goothoogte niet meer dan 4 meter bedraagt, en indien het bouwwerken, geen gebouwen zijnde betreft, de oppervlakte niet meer dan 10 m2 en de bouwhoogte niet meer dan 4 meter bedraagt.
19.2 Afdekking van gebouwen
19.2.1 Afdekbepaling

Gebouwen waarvoor een aangegeven waarde voor maximum goothoogte en maximum bouwhoogte geldt, worden vanaf de aangegeven goothoogte afgedekt met hellende dak vlakken, waarvan de helling niet meer bedraagt dan 60 graden, met dien verstande dat:

  • a. tussen de toegestane (denkbeeldige) dak vlakken met een helling van 60 graden en de voorgeschreven maximum goothoogte ook platte afdekkingen, dak vlakken met een helling van meer dan 60 graden en rechtopgaande gevelconstructies zijn toegestaan;
  • b. geringe overschrijding van de (denkbeeldige) 60 gradenlijn door gedeelten van ondergeschikte bouwdelen, waaronder in ieder geval begrepen schoorstenen en ondergeschikte dakkapellen, is toegestaan;
  • c. goten, druiplijnen, boeiborden en daarmee gelijk te stellen constructiedelen die boven de aangegeven goothoogte liggen, maar die zijn gelegen binnen de (denkbeeldige) dak vlakken als bedoeld onder a, zijn toegestaan.

Artikel 20 Maatwerkvoorschriften bouwwerk, geen gebouw zijnde

Burgemeester en wethouders kunnen maatwerkvoorschriften opnemen voor de situering en de omvang van bouwwerken, geen gebouw zijnde, voor zover dit noodzakelijk is voor:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. het in het TAM-omgevingsplan beoogde straatbeeld;
  • c. de bescherming van het openbaar groen.

Artikel 21 Maatwerkvoorschriften nokrichting gebouwen

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd maatwerkvoorschriften opnemen ten aanzien van de nokrichting van gebouwen, voor zover dit noodzakelijk is in verband met de stedenbouwkundige kwaliteit die met het TAM-omgevingsplan is beoogd.

Artikel 22 Vergunningplicht voor afwijken

22.1 Afwijkingsbepaling afdekbepaling

Het bevoegd gezag is bevoegd om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de regels gesteld in artikel 19.2, Voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid geldt dat de afwijking geen onevenredige afbreuk veroorzaakt aan de stedenbouwkundige en/of landschappelijke kwaliteit, zoals onder andere door het aangeven van een goothoogte en/of bouwhoogte is beoogd.

22.2 Afwijkingsbepaling diverse bouwwerken

Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de regels van het TAM-omgevingsplan ten behoeve van het bouwen van zonnecollectoren, beeldende kunstwerken (waaronder begrepen follies), riool-overstortkelders, rioolgemalen, boven- en ondergrondse containerruimten, informatie- en reclameborden, niet voor bewoning bestemde gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde van openbaar nut. Voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. het bouwwerk kan in redelijkheid niet worden ondergebracht in nabij gelegen bebouwing;
  • b. indien het gebouwen betreft, is de inhoud maximaal 60 m³ en de goothoogte maximaal 3 meter, van deze maximale inhoud zijn uitgezonderd riool-overstortkelders en rioolgemalen;
  • c. in het bouwwerken geen gebouwen betreft, is de oppervlakte maximaal 10 m² en de bouwhoogte maximaal 4 meter, van deze maximale bouwhoogte zijn uitgezonderd beeldende kunstwerken en ontluchtingspijpen en van deze maximale oppervlakte zijn uitgezonderd beeldende kunstwerken;
  • d. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het TAM-omgevingsplan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • e. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.3 Afwijkingsbepaling antenne-installaties

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van de regels van het TAM-omgevingsplan ten behoeve van de bouwhoogte van antenne-installaties, voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de bouwhoogte is maximaal 40 meter;
  • b. de aangevraagde bouwhoogte noodzakelijk is in verband met het beoogde gebruik.
  • c. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het TAM-omgevingsplan is beoogd, wordt niet onevenredig aangetast;
  • d. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.4 Afwijkingsbepaling uitmeting terrein

Het bevoegd gezag is bevoegd om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van het TAM-omgevingsplan ten behoeve van de functiegrenzen, bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen in het horizontale vlak, voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. afwijking is noodzakelijk ter aanpassing aan de bij uitmeting blijkende werkelijke toestand van het terrein;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het TAM-omgevingsplan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.5 Afwijkingsbepaling doelmatig gebruik

Het bevoegd gezag is bevoegd om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van het TAM-omgevingsplan ten aanzien van bouwgrenzen, aanduidingsgrenzen en overige aanduidingen, voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. afwijken is noodzakelijk uit het oogpunt van doelmatig gebruik van de grond en bebouwing;
  • b. de afwijking bedraagt maximaal 10 meter ten opzichte van hetgeen is aangegeven in het plan;
  • c. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het TAM-omgevingsplan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • d. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.6 Afwijkingsbepaling 10%

Het bevoegd gezag is bevoegd om bij een omgevingsvergunning af te wijken van de regels van het TAM-omgevingsplan, ten behoeve van het afwijken ten aanzien van de voorgeschreven goothoogte en bouwhoogte van gebouwen, aanduidingsgrenzen, bouwhoogte van bouwwerken, oppervlakte van bebouwing, onderlinge afstand tussen gebouwen, dieptes, afstand tot perceelsgrenzen en overige aanwijzingen, maten en afstanden, eventueel met overschrijding van de bouwgrens, voor toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de afwijkingen bedragen maximaal 10% van de in het plan voorgeschreven maten, afstanden, oppervlakten en percentages;
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het TAM-omgevingsplan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.
22.7 Afwijkingsbepaling jeugd-ontmoetingsplaatsen

Het bevoegd gezag wijkt bij een omgevingsvergunning af van de regels van het TAM-omgevingsplan ten behoeve van het plaatsen van jeugd-ontmoetingsplekken, voor toepassing van deze afwijkingsbevoegheid gelden de volgende beoordelingsregels:

  • a. de oppervlakte bedraagt maximaal 20 m² en de bouwhoogte bedraagt maximaal 4 meter.
  • b. de stedenbouwkundige kwaliteit die met het TAM-omgevingsplan is beoogd wordt niet onevenredig aangetast;
  • c. er zijn geen dringende redenen die zich tegen de afwijking verzetten.

Hoofdstuk 4 ALGEMENE PROCEDUREREGELS

Artikel 23 Maatwerkvoorschriften

Een beslissing omtrent het stellen van maatwerkvoorschriften, zoals opgenomen in artikel 20 en 21 wordt niet genomen dan nadat belanghebbenden schriftelijk in kennis zijn gesteld van het voornemen tot het stellen van nadere eisen en in de gelegenheid zijn gesteld zienswijzen tegen die voorgenomen nadere eisen bij burgemeester en wethouders in te dienen.