direct naar inhoud van MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Vlijtsepark
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0200.tam0021-vas1

MOTIVERING VAN HET WIJZIGINGSBESLUIT

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De gemeente Apeldoorn is bezig met de herinrichting van het gebied van het Vlijtsepark en omgeving. Het gebied zal worden getransformeerd van een terrein met bedrijven naar een gemêleerde invulling met woningen, een zwembad, een parkeergarage en daarbij horende voorzieningen. Het gebied maakt deel uit van het BSK-gebied (Binnenstad, Spoorzone en Kanaalzone), waar de komende jaren de grootste stedelijke ontwikkelingen van Apeldoorn zullen plaatsvinden. Het onderliggende TAM-omgevingsplan voor woningbouw volgt op het TAM-omgevingsplan voor de parkeergarage aan de Vlijtseweg en vormt het sluitstuk van deze gebiedsontwikkeling.

1.2 Ligging en begrenzing

Het plangebied betreft de gronden aan de Vlijtseweg in Apeldoorn. Het perceel wordt globaal begrensd door de Edisonlaan, de Vlijtseweg en aan twee zijden door de Musschenbroekstraat. Op onderstaande afbeelding is de begrenzing van het plangebied in rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0001.jpg"

Afbeelding 1.1 Begrenzing plangebied Vlijtse woontorens globaal in rood aangegeven (Bron: Atlas voor de Leefomgeving)

1.3 Geldend omgevingsplan

Het plangebied valt binnen het omgevingsplan 'Gemeente Apeldoorn'. De regels zijn uitgewerkt in het bestemmingsplan 'Kanaalzone - De Vlijt'. Het bestemmingsplan is onherroepelijk geworden op 28 december 2011. Het terrein heeft voor het grootste gedeelte de bestemming 'Sport'. Aan de zuidoostzijde van het terrein geldt voor een klein gedeelte de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van het bestemmingsplan "Kanaalzone - De Vlijt' weergegeven. Het plangebied is hierop met een blauwe omkadering aangegeven.

Bestemmingsplan Kanaalzone - De Vlijt

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0002.png"

Afbeelding 1.2 Gedeelte bestemmingsplan 'Kanaalzone - De Vlijt' (bron Omgevingsloket)

De binnen het plangebied geldende bestemmingen kunnen als volgt kort worden weergegeven.

Sport

De voor 'Sport"aangewezen gronden zijn bestemd voor sport en sportvoorzieningen, zoals bedoeld in de categorieën tot en met 2 van de Lijst van toegelaten sportvoorzieningen, kinderopvang, evenementen, nutsvoorzieningen. Voorgaande met de daarbij horende bouwwerken en parkeervoorzieningen. Gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gerealiseerd met een maximale bouwhoogte van 4 meter.

Verkeer - Verblijfsgebied

Voor een klein deel valt het plangebied binnen de bestemming 'Verkeer - Verblijfsgebied'. De hiertoe aangewezen gronden zijn bestemd voor verblijfsgebied, evenementen, markten en standplaatsen voor ambulante handel, watergangen, nutsvoorzieningen en tuin. Met de daarbij horende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

Waarde - Beken en Sprengen

Het gaat hierbij om een dubbelbestemming ten behoeve het beheer, herstel en onderhoud van landschappelijk en ecologisch waardevolle beken en sprengen.

Bestemmingsplan Musschenbroekstraat 11-19

Het bestemmingsplan is vastgesteld op 29 september 2016. De eerder geldende bestemming 'Maatschappelijk' is met dit bestemmingsplan gewijzigd in de bestemming 'Gemengd'.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0003.png"

Afbeelding 1.3 Gedeelte bestemmingsplan Musschenbroekstraat 11-19 (bron: Omgevingsloket)

De binnen de locatie aangegeven bestemming kan als volgt worden weergegeven:

Gemengd
De gronden met de bestemming 'Gemengd' zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen in de categorieën 1 en 2 van de bij de regels behorende Lijst van toegelaten maatschappelijke voorzieningen, cultuur en ontspanning in de categorieën 1 en 2 van de bij deze regels behorende Lijst van toegelaten vormen van cultuur en ontspanning, met de daaraan ondergeschikte horeca. Verder geldt hier nog beroepsuitoefening aan huis, niet-publiekgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis, nutsvoorzieningen, voorzieningen voor de waterhuishouding, tuin en/of erf. Met de daarbij behorende bouwwerken en parkeervoorzieningen.

Overige geldende bestemmingsplannen

De overige plannen die over het algemeen voor het gehele gemeentelijke grondgebied gelden, zijn hieronder weergegeven:

  • 1. TAM-voorbereidingsbesluit voorbeschermingsregels kamerverhuurpanden, vastgesteld 4 april 2024;
  • 2. Standplaatsen voor woonwagens en kermisexploitanten, voorbereidingsbesluit, vastgesteld 11 mei 2023;
  • 3. Parapluherziening parkeren, bestemmingsplan, vastgesteld 21 maart 2019;
  • 4. Parapluherziening begeleid wonen digitale plannen, bestemmingsplan, vastgesteld 17 januari 2019;

1.4 Werkwijze en opzet van de motivering

De ontwikkelingen aan de Vlijtseweg kunnen feitelijk worden ingedeeld in drie fases. Het gaat hierbij om de realisering van woningbouw op de hoek Vlijtseweg - Edisonstraat, het zwembad op het meest zuidelijke deel van het terrein. Woningbouw vindt plaats op het meest noordelijke deel. De parkeergarage in het midden van deze ontwikkelingen.

Er is voor gekozen om de onderzoeken die nodig zijn voor realisering voor de drie ontwikkelingen zoveel mogelijk overall te laten plaatsvinden vanuit financiële en organisatorische overwegingen. Waar mogelijk wordt binnen deze motivering meer ingezoomd op de overwegingen voor woningbouw alleen.

Op de locatie vindt hoofdzakelijk woningbouw plaats in vier afzonderlijke torens. Naast de woningen wordt ook op de locatie voorzien in een gezondheidscentrum, een dansschool, de mogelijkheid tot een commerciële invulling.

De motivering van de wijziging van het omgevingsplan is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op de huidige en toekomstige situatie op de planlocatie. In hoofdstuk 3 wordt het relevante rijksbeleid, de rijksinstructieregels, provinciaal, regionaal en gemeentebeleid behandeld. Tevens wordt ingegaan op het relevante waterschapsbeleid. Hoofdstuk 4 behandeld de aspecten die relevant zijn voor de fysieke leefomgeving en het milieu. In hoofdstuk 5 staat het juridisch kader van dit TAM-omgevingsplan beschreven. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de financiële en maatschappelijke haalbaarheid van dit TAM-omgevingsplan uiteengezet.

Hoofdstuk 2 Huidige en toekomstige situatie

2.1 Bestaande situatie

Het plangebied binnen dit omgevingsplan bestaat uit een aantal gebouwen en een viertal tennisbanen. In het gebouw aan de Musschenbroekstraat 25 zijn diverse sportvoorzieningen, een sportschool en een detailhandelsfunctie gehuisvest. In het noordelijk naastgelegen gebouw en op het adres Musschenbroekstraat 15 zijn de activiteiten van de dansschool ondergebracht. Een deel van het plangebied is in gebruik voor parkeren.

2.2 Toekomstige situatie

Ten behoeve van de ontwikkelingen binnen het plangebied is een beeldkwaliteitsplan opgesteld. Het beeldkwaliteitsplan heeft betrekking op de drie ontwikkelingen binnen het BSK-gebied. Hier zullen de komende jaren de grootste stedelijke ontwikkelingen van Apeldoorn plaatsvinden.

De kanaalzone ondergaat een transformatie, waarbij nieuwe projecten aansluiten op de bestaande omgeving en daarnaast ook op de toekomstige ruimtelijke structuur zijn gericht.

De stedenbouwkundige opzet kan schematisch als volgt worden weergegeven:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0004.png"

Afbeelding 2.1: stedenbouwkundige hoofdopzet uitsnede uit Beeldkwaliteitsplan

De uitgangspunten van het Beeldkwaliteitsplan zijn richtinggevend geweest voor het uiteindelijke ontwerp. Het beeldkwaliteitsplan is als Bijlage 1 bij deze motivering gevoegd. Vastgesteld dient te worden dat de realisering van de woontorens niet op zichzelf staat, maar moet worden bezien vanuit de gehele ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt langs de Vlijtseweg.

De totale aanblik van de drie ontwikkelingen aan de Vlijtseweg is in onderstaande driedimensionale impressie weergegeven. Op deze manier kan een totaalbeeld van de omgeving worden verkregen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0005.png"

Afbeelding 2.2: Driedimensionale impressie van de ontwikkelingen Vlijtseweg (bron: Stedenbouwkundig plan)

De vier woontorens die gerealiseerd worden zullen variëren in hoogte. Ook hier is een driedimensionale impressie voor gemaakt, die hieronder is weergegeven. Op basis van verdere detaillering van het ontwerp kunnen de torens afwijken van het impressiebeeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0006.png"

Afbeelding 2.4: Driedimensionaal beeld van de woontorens, gezien vanaf de zuidoostzijde (bron: Stedenbouwkundig plan)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0007.png"

Afbeelding 2.5: Driedimensionaal beeld woontorens gezien vanaf de Vlijtseweg (bron: Stedenbouwkundig plan)

In de woontorens zal een mix van woningtypologieën worden gerealiseerd van sociaal tot luxe koop. De ontwikkeling gaat niet enkel om de realisering van woningen/appartementen. Op de begane grond en deels op de 1e verdieping zullen ook een gezondheidscentrum, de dansschool (hervestiging in de nieuwbouw) en een commerciële functie worden gerealiseerd. Ook deels verdiept zal een voorziening worden gemaakt voor het fietsparkeren. Tot slot zullen ook gemeenschappelijke en technische ruimten worden gerealiseerd. Uitgangspunt voor realisering is als volgt:

Functie:   Oppervlakte (m²):  
Wonen   37.300  
Gezondheidscentrum   2.100  
Dansschool   1.400  
Commercieel   600  
Fietsen parkeren   1.700  
Overige functies   800  

De woontorens hebben verschillende hoogtes en tussen de woontorens worden groene zones gerealiseerd, zodat een dynamisch ritme ontstaat met een goede open/dicht-verhouding. De woontorens hebben hoogtes, die variëren tussen de 20 en 72 meter. Het publieksprogramma wordt aan het centrale plein gesitueerd (westzijde). De oostzijde en voor een beperkt deel aan de zuidzijde zal worden ingevuld met grondgebonden woningen. Deze woningen hebben twee verdiepingen. Door woningbouw hier te realiseren ontstaat een rustig beeld aan de straatzijde (oostzijde en deels zuidzijde). De verbindende plinten aansluitend op de noordelijk en middelste woontorens en als verbindend element tussen de woontorens aan de zuidzijde, hebben verschillende hoogtes. Op de platte daken van de verbindende elementen zullen ook groenvoorzieningen worden gerealiseerd.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan het beleid

3.1 Rijksbeleid

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Deze Omgevingsvisie vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte uit 2012. De NOVI is een nieuw instrument uit de Omgevingswet en loopt vooruit op de verwachte inwerkingtreding 1 juni 2022. Met de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving voor Nederland in 2050. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang.

Uitgangspunt van de NOVI is dat Nederland staat voor grote en complexe opgaven die zowel lokaal als regionaal, nationaal als internationaal spelen. Deze opgaven als klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland flink veranderen. De NOVI biedt een perspectief om deze grote opgaven aan te pakken. Daarbij is Omgevingskwaliteit het kernbegrip: dat wil zeggen ruimtelijke kwaliteit en milieukwaliteit.

De NOVI stelt daartoe als aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Op die manier zullen de volgende vier prioriteiten worden aangepakt:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • 2. Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier prioriteiten geldt dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn, die in de praktijk voortdurend op elkaar inspelen:

  • 1. De NOVI heeft de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust is en een duurzame energievoorziening kent. Daartoe moeten per direct functies die gebruik maken van de fysieke leefomgeving meer worden afgestemd op de eigenschappen van het bodem-watersysteem. Verder vraagt dit op lange termijn om ruimte, onder meer voor windmolens en zonnepanelen. Daarbij zijn aanpassingen aan de energie-infrastructuur voor opslag en transport van duurzame energie nodig;
  • 2. De ambitie voor de lange termijn van de NOVI op het vlak van de 2e prioriteit is: het duurzaam en circulair maken van de economie en energievoorziening en het versterken van de kwaliteit van de leefomgeving. Locaties van nieuwe kantoren, bedrijventerreinen, grootschalige logistieke functies en datacentra moeten passen bij het verkeers- en vervoersnetwerk, goed afgestemd zijn op de vraag van bedrijven en de economische vitaliteit en de kwaliteit en aantrekkelijkheid van stad en land versterken. De uitdaging is om deze lange termijn-ambitie te bereiken, terwijl we op korte termijn proberen de gevolgen van de COVID-19-pandemie voor de economie zoveel als mogelijk te beperken;
  • 3. Voor wat betreft prioriteit 3 zet de NOVI in op het bouwen aan sterke, aantrekkelijke en gezonde steden. De ambitie is om een goed bereikbaar netwerk van steden en regio's te realiseren door te werken aan de verdere ontwikkeling van het Stedelijk Netwerk Nederland. De grote actuele woningbehoefte vraagt tegelijkertijd om oplossingen op korte termijn. De woningbouwontwikkeling moet plaatsvinden in lijn met de ambities van de integrale verstedelijkingsstrategie, zo veel mogelijk in bestaand stedelijk gebied, klimaatbestendig en natuurinclusief. Het aanbod en de kwaliteit van het groen in de stad worden versterkt en de aansluiting op het groene gebied buiten de stad wordt verbeterd;
  • 4. De stikstofproblematiek raakt zowel het landelijk gebied als diverse economische sectoren zwaar. De waarde van natuur, landschap en de toekomst van de landbouw staan onder druk. Daarbij is verbetering van de biodiversiteit niet alleen een ecologische, maar nadrukkelijk ook een economische uitdaging, die op de korte termijn om een doortastende aanpak vraagt. Houdbare oplossingen vragen echter tijd. Voor de lange termijn neemt de NOVI zich daarom geleidelijke en zorgvuldige herindeling van het landelijk gebied voor, onder meer gericht op kringlooplandbouw in goed evenwicht met natuur en landschap. Dit draagt bij aan een landelijk gebied waar het prettig wonen, werken en recreëren is en waarin ruimte is en blijft voor economisch vitale landbouw als belangrijke drager van het platteland.

Al deze ambities vragen veel van de leefomgeving. Daarbij moeten onvermijdelijk keuzes worden gemaakt. In de NOVI geeft het Rijk kaders en richting voor deze keuzes. Centraal bij de afweging van belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving, zowel van de boven- als van de ondergrond: een 'omgevingsinclusieve benadering'. De NOVI onderscheidt daarbij drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; en
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen.

Het Rijk zal bij de uitvoering van de NOVI zichtbaar maken hoe de omgevingsinclusieve benadering vorm krijgt en de afwegingsprincipes benut worden.

3.1.2 Nationaal Water Programma 2022-2027

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 is vastgesteld op 18 maart 2022. In het Nationaal Water Programma (NWP) 2022-2027 beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen.

Het Nationaal Water Programma 2022-2027 geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water, dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Er is ook aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Binnen het waterdomein staat Nederland de komende jaren voor grote uitdagingen en opgaven. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering, moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en zorgen voor een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven hoe we omgaan met de uitdagingen van ons water is het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 ontwikkeld.

Beleids- en beheerdoelen

Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van:

  • a. klimaatadaptatie;
  • b. waterveiligheid;
  • c. zoetwater en waterverdeling;
  • d. waterkwaliteit en natuur;
  • e. scheepvaart, en;
  • f. de functies van de rijkswateren.

Denk aan het omgaan met droogte, onze dijken, en het borgen van de drinkwatervoorziening en de bevaarbaarheid van onze rivieren en kanalen. Hierbij kijken we naar de raakvlakken binnen en tussen de verschillende waterthema's, ook in de verschillende watergebieden (dit zijn: Noordzee, Zuidwestelijke Delta, Waddengebied, IJsselmeergebied, Rivieren, Kanalen en Rijnmond-Drechtsteden). Dat brengt samenhang in het waterbeleid aan. Daarnaast laten we de raakvlakken zien tussen water en andere thema's als landbouw, landschap, bodem en het energie- en klimaatbeleid. Het programma biedt daarmee overzicht en inzicht in wat ons nu en in de toekomst te wachten staat.

Wettelijke bijlagen bij het NWP

Belangrijke onderdelen van het NWP zijn de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee. Deze zijn als wettelijke bijlagen opgenomen.

Op grond van de Kaderrichtlijn Water (KRW) worden elke 6 jaar stroomgebiedbeheerplannen (SGBP's) opgesteld voor de Nederlandse delen van de stroomgebiedsdistricten Rijn, Maas, Schelde en Eems. Hierin staan de doelen, het waterkwaliteitsbeeld en de maatregelen om de waterkwaliteit verder te verbeteren.

Het Overstromingsrisicobeheerplan (ORBP) beschrijft de doelen en maatregelen van het overstromingsrisicobeheer in Nederland.

Het Programma Noordzee combineert onder meer de opgave voor windenergie op de Noordzee met natuurontwikkeling (vergroten biodiversiteit), duurzame visserij en ruimte voor de scheepvaart. Onder de Kaderrichtlijn Mariene Strategie worden maatregelen genomen om de milieutoestand van de Noordzee te verbeteren.

3.2 Rijksinstructieregels

3.2.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

De Ladder voor duurzame verstedelijking is als instructieregel in het Besluit kwaliteit leefomgeving (artikel 5.129g) opgenomen. Doel van de Ladder voor duurzame verstedelijking is een zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt.

Betekenis voor dit plan

De woontorens maken, zoals eerder gesteld, onderdeel uit van een drietal ontwikkeling aan de Vlijtseweg. De Ladder voor de duurzame verstedelijking dient dan ook beoordeeld te worden op het geheel, op alle drie de ontwikkelingen.

Voor voorliggende ontwikkeling is een Toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking opgesteld. De toets is als Bijlage 2 toegevoegd aan deze motivering. De toets gaat met name in op de realisering van de woningbouw. Uit de toets blijkt dat de gemeente Apeldoorn de komende 20 jaar een woningbouwopgave heeft van bijna 9.000 woningen tot 2030, oplopend tot 12.500 in 2040 (3.500 woningen in de periode 2030 tot 2040). Deze groeiafspraken geven antwoord op de druk die op de woningmarkt ligt. Dit komt overeen met het aantal, dat is aangegeven in paragraaf 3.6.2, waarin het gemeentelijke Volkshuisvestingskader 2023-2027 is beschreven.

Geconcludeerd wordt dat met dit initiatief in bestaand stedelijk gebied wordt voorzien in zowel de kwantitatieve als kwalitatieve behoefte.

De ontwikkeling voldoet aan de vereisten van de Ladder voor duurzame verstedelijking (artikel 5.129g, Besluit kwaliteit leefomgeving).

3.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft instructieregels voor omgevingsplannen. Diverse instructieregels hebben betrekking op het waarborgen van verschillende nationale belangen, zoals het Waddengebied, het kustgebied, Rijksvaarwegen, het IJsselmeergebied, de grote rivieren, militaire terreinen en buisleidingen van nationaal belang.

Betekenis voor dit plan


Ter afsluiting van de drie ontwikkelingen aan de Vlijtseweg voorziet dit omgevingsplan op de realisatie van hoofdzakelijk woningbouw, bestaande uit woontorens in de hoek Edisonlaan, Vlijtseweg en Musschenbroekstraat en enkele publieke functies. Dit initiatief raakt geen van de nationale belangen, die in de instructieregels van het Bkl zijn opgenomen. Een nadere beschouwing van deze instructieregels is daarom niet vereist.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland'

Op 19 december 2018 hebben provinciale staten de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland vastgesteld. De Omgevingsvisie gaat over 'Gaaf Gelderland'. 'Gaaf' is een woord met twee betekenissen. 'Gaaf' betekent 'mooi' en gaat over wat – historisch en landschappelijk gezien - heel en mooi en ongeschonden is. Het beschermen waard. Maar 'Gaaf' verwijst ook naar dat wat 'cool' en nieuw en vernieuwend is; aantrekkelijk voor nieuwe generaties. Het ontwikkelen waard. Beide kanten zijn van toepassing op Gelderland en onlosmakelijk verbonden met de Gelderlanders. Beide aspecten zijn dan ook opgenomen in de Gelderse Omgevingsvisie.

Een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland staat daarbij centraal.

Gezond en veilig is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen. En dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid.

Schoon en welvarend is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennis- en onderwijsinstellingen. Maar dat is ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie.

De visie geeft zeven ambities voor een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland, onder andere op het terrein van economisch vestigingsklimaat en het woon- en leefklimaat. Met vier spelregels of Doe-principes "DOEN, LATEN, ZELF en SAMEN" geeft de provincie hier werking aan. Tezamen vormen zij het kader waarbinnen de provincie werkt en afwegingen maakt.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0008.png"
Afbeelding 3.1 Gelderse Omgevingsvisie


Ambitie klimaatadaptatie
Gestreefd wordt naar een op de toekomst toegerust klimaatbeleid waarbij de provincie samen met partners zich goed voorbereidt en toerust op de gevolgen van klimaatverandering: wateroverlast, droogte, hittestress en overstromingsgevaar.


Ambitie biodiversiteit

Gestreefd wordt naar een stimulerend en beschermend beleid voor biodiversiteit met als ambitie dat het in 2050 goed gaat met de biodiversiteit in Gelderland. In Gelderland wordt natuurinclusief gewerkt. Biodiversiteit wordt overal waar mogelijk versterkt en ingepast, ook buiten de specifiek als natuur aangewezen gebieden. In 2030 is 75% van de Europese doelen van de vogel- en habitatrichtlijn behaald.


Woon- en leefklimaat
Gestreefd wordt naar een duurzaam en divers woon- en leefklimaat, dat steeds weet te anticiperen op ontwikkelingen. Ambities vanuit dit streven zijn: Gelderland heeft een aanbod aan woningtypen en woonmilieus passend bij de diversiteit aan woningvraag; voor ieder een passende, duurzame woning. De bestaande bebouwde omgeving wordt optimaal benut met voldoende ruimte voor klimaatadaptieve maatregelen. Alle nieuwbouw wordt aardgasloos aangelegd en zoveel mogelijk circulair gebouwd. De provincie gaat, zo stelt de visie, in gesprek met de Gelderse regio's en maken regionale afspraken over een goede balans tussen de vraag en het aanbod van woningen. Het omvormen van bestaande en leegstaande bebouwing heeft de voorkeur voor de aanleg van nieuwe woonlocaties.

Cultuurhistorie

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland stelt de provincie over cultuur en erfgoed het volgende: De Gelderse steden kenmerken zich door een sterk historisch karakter, door een hoge ruimtelijke kwaliteit, een goed ontwikkelde culturele infrastructuur en huisvesten enkele topinstellingen. Al deze kwaliteiten dragen in belangrijke mate bij aan een aantrekkelijk woon-, werk- en vestigingsklimaat. Om deze redenen investeert de provincie in de verdere ontwikkeling van erfgoed en cultuur, kennisontwikkeling, cultureel ondernemerschap en innovatie. In alle regio's stimuleert de provincie samen met gemeenten kunst en cultuur die bijdragen aan een sterk vestigingsklimaat, regionale identiteit en vrijetijdseconomie.

Archeologie

In de Omgevingsvisie Gaaf Gelderland hebben provinciale staten het provinciale beleid omtrent archeologie vastgelegd: De provincie streeft er naar archeologie expliciet te betrekken bij de integrale afweging bij planontwikkeling. Bij locatiekeuze en planuitwerking moet voldaan worden aan de basiskwaliteitseisen van de bodem, waaronder archeologie. Ruimtelijke plannen en projecten die archeologische gegevenheden in de bodem kunnen aantasten moeten zo veel mogelijk rekening houden met bekende en te verwachten archeologische waarden.

Betekenis voor dit plan

Het omgevingsplan is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

3.4 Provinciale instructieregels

3.4.1 Omgevingsverordening Gelderland

Provinciale Staten van Gelderland hebben op 24 september 2014 de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld. Sindsdien is de Omgevingsverordening een aantal keren geactualiseerd en herzien. In deze Omgevingsverordening zijn de provinciale verordening, milieuverordening, waterverordening en verkeersverordening samengevoegd. Voor zover het de provinciale verordening betreft bevat de omgevingsverordening alleen regels die tot de gemeentebesturen zijn gericht en geen rechtstreeks werkende, burgers bindende regels.

De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving.

De provincie zet de verordening als juridisch instrument voor het afdwingen van de doorwerking van het provinciaal beleid alleen in voor die onderdelen van het beleid waarvoor algemene regels noodzakelijk zijn om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen.

Wonen

De verordening bevat de regel dat nieuwe woonlocaties alleen zijn toegestaan wanneer dit past in het door Gedeputeerde Staten (GS) vastgestelde regionale woonagenda. Ten behoeve van de flexibiliteit is het wel mogelijk om van een regionale woonagenda af te wijken, vooruitlopend op de actualisatie van die regionale woonagenda. Als er nog geen regionale woonagenda is vastgesteld of als de bestaande regionale woonagenda niet meer actueel is en niet geschikt meer is als beoordelingskader, zal de provincie totdat een nieuwe regionale woonagenda wordt vastgesteld een wijziging van het omgevingsplan die de bouw van nieuwe woningen mogelijk maken toetsen aan de volgende criteria: er wordt voldaan aan de eisen van de Ladder voor duurzame verstedelijking, als bedoeld in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving, het plan past binnen de meest recente provinciale visie op het woonbeleid, er heeft aantoonbaar regionale afstemming plaatsgevonden en de provincie stemt in met de ontwikkeling.

Klimaatadaptatie

De verordening bevat tevens regels over klimaatadaptatie. Alleen wanneer een wijziging van het omgevingsplan een nieuwe activiteit of ontwikkeling mogelijk maakt, bevat de motivering van die wijziging een beschrijving van de maatregelen of voorzieningen die worden getroffen om de risico's van klimaatverandering te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt.

In de beschrijving worden in ieder geval de volgende aspecten betrokken:

  • a. waterveiligheid;
  • b. wateroverlast;
  • c. droogte; en
  • d. hitte.

Betekenis voor dit plan

De woningbouwontwikkeling past binnen de afspraken van de vastgestelde regionale woonagenda en de regionale woondeal. Zie hiervoor ook paragraaf 3.5. Voor wat betreft klimaatadaptatie zullen maatregelen uit het NIKA getroffen moeten worden. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 4.7.1


Conclusie
Het omgevingsplan is in overeenstemming met de Omgevingsverordening Gelderland.

3.5 Regionaal beleid

3.5.1 Woonagenda Cleantech Regio 2018

De 'Woonagenda Cleantech Regio 2018' van de Regio Stedendriehoek (vastgesteld door GS op 11 december 2018) is een uitwerking van de provinciale koers "Ruimte voor goed wonen", waarbij voor de komende 10 jaar afspraken worden vastgelegd hoe om te gaan met sturing op de woningbouwprogrammering en welke thema's regionaal verdere aandacht vragen. Dit betreffen de thema's "sterke steden, dynamische kernen en vitaal platteland". Ook wordt ingegaan op het verduurzamen en klimaatbestendig maken van de woningvoorraad alsmede op wonen en zorg.

De Regio zet in op het behouden en versterken van de woonkwaliteit door toevoeging van de juiste woning, voor de juiste doelgroep, op de juiste plek in de regio, waarbij de volgende speerpunten van toepassing zijn:

  • a. woningbouw draagt bij aan het versterken van de ruimtelijke kwaliteit van de bestaande stad, wijk, dorp, kern en buitengebied;
  • b. woningbouw is behoeftegericht, past bij de lokale vraag van een specifieke doelgroep en levert een strategische (toekomstgerichte) aanvulling op het bestaande woningaanbod;
  • c. de programmering is flexibel en kan aangepast worden om goed te blijven aansluiten op de speerpunten van ons beleid en actuele marktontwikkelingen.

Voor Apeldoorn wordt aangegeven dat, mede door de hoge instroom, de druk op de markt is toegenomen. De woningbouw in Apeldoorn heeft een hoge vlucht genomen. In dit tempo zijn in 2021/2022 alle huidige bouwplannen gerealiseerd en is er risico op een tekort en verder oplopende prijzen. Ook in de sociale huur is sprake van stijgende wachtlijsten. De groei in Apeldoorn bestaat voor een relatief groot deel uit gezinnen en sluit aan bij de inzet van Apeldoorn als gezinsstad. Apeldoorn zoekt naar nieuwe plekken voor woningbouw binnen de bestaande contouren van de stad. Het programma ligt de komende jaren (mede door de druk van buiten) tegen de bovenkant van de bandbreedte van de prognoses. In de sociale woningbouw is op korte termijn een toevoeging van 500 woningen aan de orde om de wachtlijsten te verkorten.

Naast inzet op het kwalitatief programmeren wordt er gekoerst op een kwantitatief realistisch woningbouwprogramma op basis van actuele Primos woningbehoefteprognoses Het is daarbij de bedoeling om deze regionale woonagenda om de twee jaar te herijken, waarbij wordt bekeken of het op basis van analyse van de woningmarkt en de genoemde woningbehoefteprognoses het wenselijk is om de woonvisie aan te passen.

De Woonagenda Cleantech Regio vervangt de "Kwantitatieve Opgave Wonen 2015-2024" en het "Afsprakenkader kwantitatieve woningbouwprogrammering 2015-2024" van de Regio Stedendriehoek. Na de vaststelling wordt een uitvoeringsagenda opgesteld, waarbij gemeenten jaarlijks presenteren wat de lokale voortgang in de bestaande voorraad is aan de hand van de jaarlijkse monitoringsgegevens.

Betekenis voor dit plan

Apeldoorn heeft na vaststelling van de Woonagenda Cleantech Regio 2018 de Woonagenda Apeldoorn 2018-2021 opgesteld. In 2022 is hieraan een addendum toegevoegd voor de periode 2022-2023.

Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023 - 2027 vastgesteld door de gemeenteraad (zie ook paragraaf 3.6.2). Dit beleidsstuk vervangt de Woonagenda en biedt een actueel kader voor het toetsen van woningbouwplannen in de gemeente Apeldoorn. Hiermee heeft Apeldoorn invulling gegeven aan de afspraken die zijn gemaakt bij de vaststelling van de regionale woonagenda.

3.5.2 Waterschapsbeleid

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek gaan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • 1. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • 2. de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

In november 2021 heeft Waterschap Vallei en Veluwe het Blauw Omgevingsprogramma (BOP) 2022-2027 vastgesteld. In het BOP beschrijft het waterschap de ambities en doelen voor het waarborgen van de waterveiligheid, wonen en zuiveren, circulair econome en energietransitie. Het waterschap wil een waardevolle leefomgeving waarborgen. Daarom wordt er ingezet op vijf maatschappelijke thema's:

  • 1. Waardevolle leefomgeving
  • 2. Klimaatverandering
  • 3. Energietransitie
  • 4. Circulaire economie
  • 5. Biodiversiteit

Het beheergebied van het waterschap is opgedeeld in vier deelgebieden. De gemeente Apeldoorn valt onder het deelgebied IJsselvallei. De vijf thema's zijn specifiek gemaakt voor de vier deelgebieden in gebiedsdoelen. De gebiedsdoelen zijn onderverdeeld in drie categorieën: Watersysteem, Waterveiligheid en Wonen en zuiveren.

Uitgangspunt wijziging Omgevingsplan

Bij veranderingen op of rondom het oppervlaktewater en waterkeringen evenals bij de realisatie van voldoende waterberging voor nieuwe ontwikkelingen zijn de regels van de keur van het waterschap van toepassing.

3.6 Gemeentelijk beleid

3.6.1 Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'

Op 24 februari 2022 heeft de gemeenteraad van Apeldoorn de Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn' vastgesteld. De Structuurvisie "Apeldoorn biedt ruimte" (vastgesteld op 30 mei 2013) is daarbij ingetrokken.

Een nieuwe Omgevingsvisie is belangrijk, omdat Apeldoorn voor een grote opgave en uitdaging staat: groeien naar een gemeente met meer dan 180.000 inwoners, het versterken van de veelzijdige economie, het ruimte bieden aan de energietransitie en het nog beter en mooier maken van het groen, het sociale leven en het gastheerschap. Met een vastgestelde Omgevingsvisie kan verder gewerkt worden aan de uitwerking van de visie. Dit gebeurt door middel van gebiedsgerichte plannen en het Omgevingsplan. De Omgevingsvisie geeft duidelijkheid over de ruimtelijke koers van de gemeente.

De Omgevingsvisie rust op vier centrale ambities (hoofdopgaven), waarmee Apeldoorn de toekomst tegemoet wil gaan en nog aantrekkelijker wil worden:

  • 1. 'Stad maken' (het toevoegen van nieuwe woon- en werkmilieus in en aan de stad);
  • 2. 'Vitale dorpen en buitengebied' (ruimte voor wonen en economische vernieuwing waaronder recreatie, grootschalige energieopwekking en transitie van de landbouw);
  • 3. 'Fysiek fundament uitbouwen' (versterking van landschap en natuurwaarden, het groenblauwe casco en belevingswaarden zoals erfgoed), en;
  • 4. 'Sociaal fundament versterken' (gemengde woongebieden met gedifferentieerde en betaalbare woningbouw, aantrekkelijke buitenruimte en nabijheid van voorzieningen in wijken en dorpen).

Onderstaand een nadere toelichting op de beoogde invulling van de vier centrale hoofdopgaven.

Ambities 1 en 2: Stadmaken en Vitale dorpen en buitengebied

Met de invulling van de hoofdopgave Stadmaken gaat Apeldoorn flink ontwikkelen op het gebied van wonen, werken, mobiliteit en omgevingskwaliteit. Zo bouwt Apeldoorn voort op de traditie van groene woonstad en economisch centrum van deze regio en draagt ze stevig bij aan de nationale doelen op het gebied van wonen, werken en duurzame energie. Daarnaast gaat Apeldoorn middels de hoofdopgave Vitaal platteland investeren in het vitaal platteland, in de 12 dorpen en buurtschappen. Dit is als volgt opgebouwd:

Wonen

Voor wonen zijn zowel binnenstedelijke als buitenstedelijke locaties aangewezen. Dit om te voorzien in een groei naar ruim 180.000 inwoners. De gemeente volgt de Ladder voor Duurzame verstedelijking en vult zoveel mogelijk opgaven binnenstedelijk in. Daarbij ligt de focus op sterk verdichten in de bestaande stad, met name in de Binnenstad, de Spoorzone en Kanaalzone Centrum. Buitenstedelijk wordt voorzien in een grote uitbreidingslocatie aan zuidzijde (ten zuiden van de A1).

Uitgegaan wordt van de realisatie van 12.500 woningen, waarvan 8.500 nieuw toe te voegen programma in verschillende financieringscategorieën en woonmilieus (stedelijk, gemengd met werken, rand van de stad, dorpen). Voor de binnenstad wordt voorzien in een transformatie naar Stadspark waarbij veel winkelvastgoed wordt aangewend voor nieuwe woonfuncties. Verdere transformaties naar wonen zijn voorzien in de Kanaalzone Vlijtseweg (Zwitsal en omgeving), Kayersdijk-noord, Sleutelbloemstraat-oost (onderzoek), Jean Monnetpark en Christiaan Geutsweg (onderzoek) en Brouwersmolen (onderzoek).

Omgevingskwaliteit

Ingezet wordt op het verbeteren van de omgevingskwaliteit, met name in de zogenaamde dynamische gebieden, maar ook langs zichtlocaties en infrastructuur.

Mobiliteit

De extra vraag naar mobiliteit in combinatie met de ruimtelijke ambities maakt een goede sturing noodzakelijk. Hiertoe wordt onder meer ingezet op de realisatie van nieuwe transferia aan de toegangswegen van de stad in parkeerhubs aan de centrumrand. De binnenstad wordt autoluw, en veiliger voor langzaam verkeer. Verplaatsing van het busstation naar de zuidzijde van het spoor wordt onderzocht, in combinatie met een stedelijke hub. Dit biedt mogelijk ruimte voor andere ambities van de binnenstad (vergroening, woningbouw). Er wordt voorzien in maatregelen ter verbetering van de doorstroming van verkeer, zowel wat betreft de snelwegen als ook de stadsring en aantakkingen. Er wordt ingezet op een sterk fietsnetwerk en goede wandelroutes. Bij de parkeergarage wordt ingezet op minimaal 3 en maximaal 25 parkeerplekken voor deelmobiliteit. De praktijk zal moeten uitwijzen hoeveel hiervoor gereserveerd moeten worden.

Economie en recreatie

Er is voorzien in een uitbreiding van 77 hectare aan bedrijventerrein, waarmee tegemoet wordt gekomen aan de aangetoonde behoefte hieraan. De nieuwe bedrijfslocaties bevinden zich ten noorden en oosten van de stad. Aanvullend wordt onderzocht om enkele bedrijfslocaties in de binnenstad de komende 20 jaar te transformeren naar woon-werklocaties ten behoeve van goede binnenstedelijke woningbouwlocaties, eventueel met een gemengd karakter. De bedrijven die daar vertrekken hebben ergens anders ruimte nodig. De uitplaatsingsruimte bedraagt circa 30 hectare en komt boven op de 77 ha uitbreiding waar de behoefte van aangetoond is en wat de gemeente als doel heeft gesteld. De te onderzoeken transformatie betreft de locaties Sleutelbloemstraat en Vlijtseweg, beide gelegen aan het kanaal in noord. In zuid gaat het om de locaties Jean Monnetpark, de Christiaan Geurtsweg en de Brouwersmolen, eerste fase. Een stip op de horizon is de mogelijkheid van een nieuwe voorhalte van het spoor bij Brouwersmolen, onderdeel van een sprinterlijn vanuit Amersfoort, om vooral de Veluwe met openbaar vervoer te ontsluiten. Op wijkniveau wordt ingezet op de transformatie van gedeeltes van het winkelvastgoed naar wijkservicecentra, woon- en werkmilieus gericht op maatschappelijke functies. Verder wordt in Uddel ingezet op het toevoegen van nieuwe bedrijfslocaties voor nieuwe economische functies

De agrarische sector staat voor grote opgaven. Voorzien wordt in de transformatie van de intensieve veehouderijsector met name in Uddel naar duurzame vormen van bedrijvigheid en de geleidelijke transformatie van de overige agrarische sector naar natuur inclusieve landbouw.

Voor het versterken van recreatie wordt het programma Vitale vakantieparken ingezet. Ook wordt bijgedragen aan de Veluweagenda, waaronder de Recreatiezonering Veluwe en wordt ingezet op het versterken van het fiets- en wandelknooppuntennetwerk.

Energie en circulariteit

Voor energie geldt een uiteindelijke doelstelling van energieneutraliteit in 2050. Voor 2030 geldt een tussentijdse doelstelling van 39% energieneutraal. Dit moet mede bereikt worden door de inzet van zonne-energie en windenergie. Uitgegaan wordt van clustering. De concentratie voor zon en wind is voorzien op een drietal zoeklocaties. Allereerst een concentratie van windturbines bij het knooppunt A1 en A50 (ten oosten van de A50), in combinatie met een nieuw aan te leggen park voor zonne-energie. Gedeeltelijk wordt hiermee aangesloten op bestaande initiatieven. Hierdoor ontstaat een concentratie en koppeling tussen zon en wind. De tweede cluster van windturbines is gesitueerd op de Veluwe, eveneens aan de A1, maar meer westelijk gelegen. Voor de zonnevelden is sprake van drie zoeklocaties, waarvan twee alleen voor zon en een gecombineerd met wind. Aan de noordzijde van de stad, bij Beemte Broekland ten oosten van de A50, en ten zuiden van Vaassen zijn zoeklocaties voor zonnevelden voorzien.

Verder wordt bij nieuwe ontwikkelingen energieopwekking gestimuleerd. Vanaf 2025 geldt daarbij voor woningen en bedrijfspanden 'nul op de meter'.

Hiernaast geldt nog dat hergebruik wordt gestimuleerd om de omvang van restafval per persoon/per jaar te verminderen.

Ambities 3 en 4: Uitbouwen fysiek fundament en versterken sociaal fundament

De veelzijdige groei van stad en dorpen vindt plaats via de bodem en het landschap op de overgang van Veluwe en IJsselvallei. De Veluwe biedt - met al z'n groen en water - enorme kansen, die flink worden gemarkeerd. Zo is het uitbouwen van het fysiek fundament de derde hoofdopgave geworden. De fysieke stad is weer de voorwaarde voor een sociaal sterke stad. Daarom is de vierde hoofdopgave: het sociaal fundament versterken. Zo bouwt Apeldoorn aan een inclusieve gemeente.

Dit is als volgt opgebouwd:

Natuur en landschap

De groene mal/ het groen- blauwe casco (groen en water) worden verder versterkt. Groen en uitloopgebieden worden vergroot. Er is voorzien in de aanleg van nieuwe (natte) natuur in combinatie met waterberging rond de beekdalen. Er wordt minimaal 175 hectare aan bos toegevoegd. Rond de beekdalen wordt nieuwe (natte) natuur aangelegd in combinatie met waterberging rond de beekdalen.

Natuurinclusief bouwen wordt bevorderd en bij bestaande bouw wordt ingezet op vergroening. Het centrum van Apeldoorn wordt verder vergroend en omgevormd naar stadspark. Ingezet wordt op de bevordering van de biodiversiteit.

Klimaatadaptatie

Voorziene maatregelen gericht op klimaatadaptatie zijn het vasthouden van oppervlaktewater in retentieplassen, als waterreservoir in tijden van droogte en als eerste stap naar een circulair watersysteem, vernatting op de Veluwe ten behoeve van infiltratie van drinkwater en het zo veel mogelijk afkoppelen verhard oppervlak in stedelijk gebied.

In bestaande situaties wordt vergroenen bevorderd en in nieuwe situaties is er de doelstelling van natuurinclusief bouwen. Verdere vergroening van de binnenstad zal bijdragen aan het voorkomen van hittestress.

Milieu en gezondheid

Bij het maken van plannen zal rekening moeten worden gehouden met de aspecten milieu en veiligheid. Geluidbeleid op maat zal hieraan gaan bijdragen.

Daarnaast wordt ingezet op het faciliteren van verblijven in de buitenlucht door voldoende aanbod van groen in nabije leefomgeving en het uitdagen tot meer bewegen, onder meer in een aantrekkelijke buitenruimte.

Inclusiviteit

Op diverse vlakken wordt ingezet op het bevorderen van een inclusieve samenleving. Er zal sprake zijn van variatie in woonmilieus zowel in de verdichtingsopgaven als in de nieuwe uitleg, in verschillende prijsklassen. Ook wordt sporten voor iedereen gestimuleerd, mede door een uitnodigende buitenruimte, en ingezet wordt op het herstructureren/verduurzamen van schoolgebouwen. Op wijkniveau wordt gedacht aan de ontwikkeling van woonzorgzones (gecombineerd met de transformatie van winkelvastgoed).

Op onderstaande afbeelding is weergegeven waar de verschillende ambities hun uitwerking krijgen in de gemeente Apeldoorn:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0009.png"

Afbeelding 3.2 Uitsnede Omgevingsvisie 'Woest aantrekkelijk Apeldoorn'.

Uitvoering Omgevingsvisie

Gebiedsprofielen

De hoofdopgaven zijn voor een zestal focusgebieden nader beschouwd. Dit betreft de gebieden Binnenstad, Kanaalzone Centrum, Spoorzone centrum, Stadsrand Zuid, Stadsrand noord en Uddel. Aangegeven wordt wat de gewenste ontwikkelrichting is voor deze gebieden en welke vaste waarden hier gelden bij de beoordeling van beoogde ontwikkelingen. De gebiedsprofielen bieden daarmee een verdiepte basis voor de verdere uitwerkingen uitvoering van de Omgevingsvisie.

Afwegingsmatrix

Er is veel nodig om te komen tot planvorming die invulling gaat geven aan de ambities uit de Omgevingsvisie, ook buiten de gebiedsprofielen. Om bij initiatieven duidelijk richting te kunnen geven, is in de Omgevingsvisie een afwegingsmatrix opgenomen. Daarin zijn de globale contouren weergegeven waarbinnen wordt beoordeeld of initiatieven bij de ambities passen. De afwegingsmatrix wordt verder uitgewerkt zodat deze meetbaar en concreet kan worden toegepast.

Onderzoeken

Om te komen tot uitvoering van de ambities uit de Omgevingsvisie is uiteraard nog veel nadere uitwerking noodzakelijk. Ook zal er op verschillende gebieden nog nader onderzoek worden verricht. Ten behoeve van de Omgevingsvisie is een Omgevingseffectrapportage (inclusief een aanvulling daarop) opgesteld. Onder meer de daarin genoemde onderdelen zullen als leidraad dienen voor de te verrichten onderzoeken ten behoeve van de verdere uitwerking van de Omgevingsvisie.

Herziening omgevingsvisie/ Hoogbouw

De gemeente wil in het zogenaamde BSK-gebied (Binnenstad, Spoorzone en Kanaalzone) verdichten en vergroenen. Op grond hiervan zullen meer woningen aan deze gebieden worden toegevoegd. Daarnaast wil de gemeente ook ruimte vrijhouden voor groen, pleinen en leefkwaliteit. Om voorgaande mogelijk te maken in het gebied is hoogbouw voor de hand liggend. Als gemeente worden hoge eisen gesteld aan de plek en kwaliteiten van de hoogbouw. Op grond hiervan is een nieuwe Hoogbouwnota 2025 opgesteld. De nieuwe Hoogbouwnota 2025 vormt een aanscherping van de Hoogbouwvisie uit 2008, die met name opgesteld is voor de Kanaalzone en Spoorzone. De stedenbouwkundige randvoorwaarden zijn op basis van de eigentijdse inzichten in de nieuwe nota verdiept en aangevuld.

Gebiedsprofiel Kanaalzone/stedenbouwkundige uitgangspunten

De Kanaalzone in Apeldoorn is een transformatiegebied langs het Apeldoorns Kanaal, dat zich ontwikkelt tot een levendig stedelijke milieu met een mix van wonen, werken, ondernemen, cultuur en recreatie. Het gebied bestaat feitelijk uit twee deelgebieden, namelijk Kanaalzone-Noord en Kanaalzone-Midden.

De Vlijtse Parktorens bevinden zich in Kanaalzone-Noord. Het gebiedsprofiel wordt daarbij als volgt weergegeven:

  • Gebied rond de Vlijtseweg, tussen Edisonlaan/Laan van Zevenhuizen en Deventerstraat.
  • Kenmerkt zich door industrieel erfgoed, met een opvallend contrast tussen arbeiderswoningen en fabrieksgebouwen.
  • Transformatie naar een groen, stedelijk woon-werkgebied met ruimte voor sociale en culturele functies.
  • Nieuwe groene verbindingen versterken de relatie met de binnenstad.
  • Zwitsalterrein blijft een plek voor experiment, innovatie en maatschappelijke publieksfuncties.

De ruimtelijke uitgangspunten voor dit gebied kunnen samengevat als volgt worden weergegeven:

  • Een robuust groen lint aan weerszijden van het kanaal.
  • Fijnmazige verbindingen met omliggende stedelijke gebieden.
  • Stedelijke woonvormen met aantrekkelijke buitenruimte aan het water.
  • Mix van functies: wonen, maken, werken, verblijven, sporten en cultuur.
  • Ontwikkeling van Kayersbeek en de Grift tot robuuste beekzones voor natuur, klimaatadaptatie en gezond bewegen.

Voor wat betreft de mogelijkheden voor hoogbouw in de Kanaalzone wordt aangegeven dat hoogbouw ingezet kan worden om ruimte te creëren voor vergroening, betaalbare woningen en levendige openbare ruimte. Ook wordt aangegeven dat bij hoogbouw het Apeldoornse DNA - royaal groen en rust- leidend blijft, waarbij de hoogbouw moet bijdragen aan dit karakter, en daaraan geen afbreuk mag doen. Binnen de hoogbouwvisie wordt de Kanaalzone als kansrijk gebied benoemd, meer specifiek als: voorkeurslocatie voor verdichting.

Hoogbouw moet voldoen aan een aantal kwaliteitseisen en toetsing. Feitelijk komt het neer op hoe hoger de bebouwing, hoe strenger de eisen aan architectonische kwaliteit, stedenbouwkundige inpassing, windcomfort, bezonning en sociale veiligheid.

3.6.1.1 Hoogbouwnota 2025

De Hoogbouwnota 2025 van de gemeente Apeldoorn vormt een beleidsdocument dat richting geeft aan de ontwikkeling van hoogbouw in de stad.

De nota is opgesteld in een context van woningnood, verdichtingsopgaven en veranderende maatschappelijke behoeften. Hoogbouw wordt hierin niet langer als uitzondering beschouwd, maar als een strategisch instrument om ruimte te creëren voor wonen, vergroening en leefkwaliteit. De nota ondersteunt de schaalsprong van Apeldoorn richting 180.000+ inwoners en benoemt expliciet transformatiegebieden zoals de Kanaalzone als kansrijke locaties voor hoogstedelijke ontwikkeling.

De nota hanteert vier toetsstappen met concrete vuistregels. Deze betreffen onder meer plintkwaliteit, windcomfort, bezonning, sociale veiligheid en aansluiting op het maaiveld.

Op 27 november 2025 is door de gemeenteraad de Hoogbouwnota 2025 vastgesteld.

Alle bebouwing boven 5 lagen ('de laag van de stad') wordt als hoogbouw gekwalificeerd. De Hoogbouwnota 2025 richt zich op stedelijk gebied van Apeldoorn waarin ontwikkelingen van 6 lagen en hoger worden gerealiseerd. De Hoogbouwnota 2025 gaat uit van 4 globale hoogtezones:

  • a. Hoogtezone 1: de bestaande stad, tot 5 lagen;
  • b. Hoogtezone 2: tot 8 lagen met piek tot 10 lagen;
  • c. Hoogtezone 3: tot 20 lagen met piek tot 25 lagen;
  • d. Hoogtezone 4: de buitencategorie waarbij in basis de hoogte tot 40 lagen zou kunnen met een eventuele clausule tot 50 lagen.

In de Hoogbouwnota 2025 is 'De Grote Lijn' vervangen door de 'Lange Lijn' zone. Binnen de 'Lange lijn' is hoogbouw in basis mogelijk. Het is niet de vraag of binnen de zone hoogbouw mogelijk is, maar hoe hoogbouw is in te passen in de stedelijke structuur en het weefsel van de stad. Hierbij wordt gekeken naar: zichtlijnen, vorm, volume opbouw, toegang, oriëntatie en mate van inpassing in de context en de positionering van hoogbouw.

Binnen de 'Lange Lijn' zijn drie subzones gelegen. Die subzones zijn aangeduid met een kleur:

  • a. Oranje gebied:
  • toegestaan hoogte zone 1: de bestaande stad tot 5 lagen;
  • zone 2: tot 8 lagen à 10 lagen met mogelijke hoogwaardige/iconische uitschieters;

hoogbouw van zeer uitzonderlijke kwaliteit tot maximaal 70 meter.

  • b. Rode gebied:
  • tot en met zone 3: in basis tot 20 lagen met piek tot 25 lagen;
  • uitzonderingen zijn mogelijk voor hoogwaardige/iconische uitschieters of hoogbouw van zeer uitzonderlijke kwaliteit.
  • c. Gele gebied:
  • tot en met zone 4: de buitencategorie, waarbij in basis de hoogte tot 50 lagen zou kunnen.

Het plangebied ligt binnen de 'Lange Lijn', subzone: rode gebied. Binnen deze subzone is hoogbouw mogelijk tot en met zone 3: in basis tot 20 lagen met piek tot 25 lagen, uitzonderingen zijn mogelijk voor hoogwaardige/iconische uitschieters of hoogbouw van zeer uitzonderlijke kwaliteit. Dit omgevingsplan maakt hoogbouw tot een bouwhoogte van ten hoogste 70 meter mogelijk.

3.6.1.2 Hoogbouweffectrapportage

Voor het plan is een Hoogbouweffectrapportage opgesteld. Deze Hoogbouweffectrapportage is opgenomen in bijlage 4 van de BIJLAGEN BIJ DE MOTIVERING.
In de Hoogbouweffectrapportage worden de vier stappen doorlopen die zijn voorgeschreven op basis van de Hoogbouwnota 2025. Tevens zijn de te doorlopen stappen voorzien van een nadere motivering.
Daarnaast geeft de Hoogbouweffectrapportage een inzicht in de windhindersituatie en bezonningssituatie. De windhinder en bezonning zijn beoordeeld in paragraaf 4.1.10 en 4.1.11.

Betekenis voor dit plan

Het initiatief past binnen de Hoogbouwnota 2025.

3.6.2 Volkshuisvestingskader 2023-2027

In de Omgevingsvisie Woest aantrekkelijk Apeldoorn en in de Kadernota Maatschappelijke ontwikkeling staat wat de gemeente belangrijk vindt ten aanzien van wonen en de combinatie wonen en zorg. Dit is verder uitgewerkt in een volkshuisvestingskader.

Op 21 september 2023 is het Volkshuisvestingskader 2023-2027, 'Ruim en ontspannen wonen in de hoofdstad van de Veluwe', door de gemeenteraad van Apeldoorn vastgesteld. Dit Volkshuisvestingskader omschrijft, op basis van trends en ontwikkelingen, de gemeentelijke ambities op bovenstaande onderwerpen voor de langere termijn. Het is een kader voor woonprojecten en projecten voor wonen met zorg.

Belangrijke trends en ontwikkelingen zijn:

  • a. de grote behoefte aan goedkope en betaalbare woningen;
  • b. demografische ontwikkelingen: de voortgaande vergrijzing en de groeiende behoefte aan zorg;
  • c. het belang van verduurzaming en CO² neutraal bouwen;
  • d. zorgen voor een ongedeelde stad door te werken aan veerkrachtige wijken en dorpen.

Het Volkshuisvestingskader gaat in op vier onderwerpen:

  • 1. Doorbouwen aan een diverse woningvoorraad:
  • a. Tot en met 2030 worden bijna 9.000 woningen toegevoegd;
  • b. De nadruk ligt op het toevoegen van goedkope en betaalbare huur- en koopwoningen;
  • c. Aandacht voor woningen voor alle doelgroepen.

  • 2. Veerkrachtige wijken en dorpen:
  • a. Apeldoorn streeft naar gemengde wijken en dorpen;
  • b. Ontmoeten stimuleren
  • c. Referentienormen voor voorzieningen;
  • d. Toegankelijkheid van de omgeving verbeteren waar dat kan.

  • 3. Woningvoorraad verduurzamen:
  • a. Nieuwbouw zoveel mogelijk energieneutraal en natuurinclusief
  • b. Focus op verduurzaming van de particuliere woningvoorraad
  • c. De Transitievisie Warmte zet de lijn uit:
    • 1. Isoleren, ventileren en besparen (hoofddoel tot 2030)
    • 2. Starten met buurtaanpakken (Wijken van de Toekomst)
    • 3. Innoveren

  • 4. Wonen met zorg of ondersteuning
  • a. Tot 2030 sturen op realisatie van 800 woningen geschikt voor senioren
  • b. Bouwen aan gebieden waar voorzieningen, zorggeschikte woningen en zorg nabij zijn
  • c. Ruimte voor particuliere initiatieven
  • d. Meer woningen beschikbaar stellen voor jongeren.

Betekenis voor dit plan

Het plan voorziet in de realisatie van woningen in woontorens. Vastgesteld kan worden dat dit omgevingsplan, kijkend naar bovenstaand kader, invulling geeft aan het volkhuisvestingsbeleid van de gemeente.

3.6.3 Groenbeleid

Het groenbeleid is vastgelegd in de Groene Mal, de Groenstructuurkaart en het Groenplan. Die worden in de navolgende paragrafen besproken.

3.6.3.1 Groene Mal

Het gemeentelijk groenbeleid is neergelegd in de Groene Mal (oktober 2002), dat het groene kader is waarbinnen andere ruimtelijke functies een plaats krijgen.

Door middel van de Groene Mal wil Apeldoorn zich profileren als groene stad waar het goed wonen en werken is: Meer vulling, differentiatie en contrast in de stad is best, maar dan wel met behoud van de groene identiteit die Apeldoorn tot een gewilde vestigingsstad maakt. Deze identiteit moet duurzaam worden gegarandeerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0010.png"

Afbeelding 3.3 Kaart Groene Mal

Behoud en versterking van het groen in Apeldoorn heeft dus een hoge prioriteit. Uit onderzoek is gebleken dat met name in verstedelijkte gebieden behoefte is aan meer groen en natuur in de direct woon- en leefomgeving. In de Groene Mal zijn doelstellingen geformuleerd die gericht zijn op drie niveaus.

Het eerste niveau is gericht op de verweving van de stad met het landschap. In de stad is wat betreft het groen de volgende duidelijke tweedeling aan te wijzen: de westkant gelegen in het Veluwebos en de oostkant gelegen in (voormalig) agrarisch gebied. In het westen verloopt de overgang van stad naar bos vrijwel zonder barrières. De oostkant daarentegen heeft de meeste versterking van het groen nodig, wat tot gevolg heeft dat de meeste projecten uit de Groene Mal op dit deel van de stad gericht zijn.

Het tweede niveau is de verbinding van de stad met het omringende landschap. Aan de oostzijde zijn het de groene wiggen, geconcentreerde groencomplexen die de stad vanuit het landelijke gebied binnenlopen.

Het derde niveau is de dooradering van de stad met blauwe en groene structuren, door middel van het sprengen- en bekensysteem alsmede het complex van bos- en bomenlanen met daaraan gelegen parken.

De Groene Mal richt zich bij de ontwikkeling van deze gebieden expliciet op zeven belangrijke groene structuren in de stad. Dit zijn de beken, de sprengen, de kanaalzone, de lanen, de parken, de grote groengebieden en de groene wiggen.

3.6.3.2 Groenstructuurkaart

In april 2017 heeft de gemeenteraad de Groenstructuurkaart vastgesteld. De kaart geeft de belangrijkste groenstructuren van Apeldoorn weer. Apeldoorn koestert haar groene kwaliteit en wil deze beschermen en versterken. De kaart geeft een gebiedsdekkend toetsingskader en uitgangspunt voor onder andere een consequente beoordeling van ruimtelijke plannen op landschappelijke en groene kwaliteit.

De Groenstructuurkaart bestaat uit verschillende elementen:

  • 1. Groenstructuur: Groene Mal;
  • 2. Groenstructuur: Beken & sprengen, weteringen en kanaal;
  • 3. Groenstructuur: doorgaande wegen buitengebied;
  • 4. Groenstructuur: snelwegcorridors en spoorwegen;
  • 5. Wijkgroenstructuur;
  • 6. Boomrijke gebieden.

Op de kaart zijn die gebieden vastgelegd waar behoud van bestaand groen en ontwikkeling van nieuw groen prioriteit heeft. Het groenstructuurplan werkt door in het kapvergunningenbeleid en het uitgiftebeleid voor snippergroen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0011.png"

Afbeelding 3.4 Fragment van de Groenstructuurkaart gemeente Apeldoorn

3.6.3.3 Groenplan

In september 2018 heeft de gemeenteraad het Groenplan vastgesteld. Het Groenplan geeft aan welke groene doelen en opgaven belangrijk zijn voor het behoud en versterking van het groene karakter van de hele gemeente. De groene opgaven bestaan uit versterken van het groen-water netwerk in en om de stad, meer groen in de binnenstad, meer en beter groen in wijken en dorpen en versterken van karakteristieke landschappen. Binnen deze opgaven ligt de focus op het inzetten van groen om de gevolgen van klimaatverandering te beperken, biodiversiteit te versterken en bewoners uit te nodigen tot bewegen en ontmoeten. Dit met een veerkrachtig natuurlijk systeem als basis. Duurzaam groenbeheer, samenwerking en participatie vormen belangrijke pijlers die vorm krijgen in het Uitvoeringsprogramma Groen en biodiversiteit.

Betekenis voor dit plan

Vastgesteld kan worden dat de te realiseren woontorens, met de daarbij horende voorzieningen, op de plek komen van de bestaande bebouwing. Feitelijk valt het bouwvlak hierdoor buiten werking van de Groenstructuurkaart.

Vastgesteld kan worden dat de groene mal, de wijkgroenstructuur en de groenstructuur (beken, sprengen, weteringen en kanaal) onaangetast blijven door realisering, met een voorbehoud dat over de Grift nog een voet- fietsverbinding gerealiseerd dient te worden.

In dit kader is met name de zuidzijde en de oostzijde van de locatie relevant. Op onderstaande foto is de groenstructuur zichtbaar (zuidzijde) en de groene mal/ wijkgroenstructuur (oostzijde)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0012.png"

Afbeelding 3.5: Overzichtsfoto van het terrein zuidzijde, zijde Vlijtseweg (bron: Google Maps)

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0013.png"

Afbeelding 3.6 Overzichtsfoto van het terrein oostzijde, zijde Edisonlaan (bron: Google Maps)

3.6.3.4 Natuurinclusief en Klimaatadaptief ontwikkelen

Algemeen

Sinds 26 juni 2024 is in de gemeente Apeldoorn het 'Beleid voor NatuurInclusief- en Klimaat Adaptief ontwikkelen en bouwen gemeente Apeldoorn' (NIKA) van toepassing. Het zijn voorwaarden waar projecten en plannen aan moeten voldoen bij het ontwikkelen en bouwen.

In iedere ontwikkeling wordt rekening gehouden met de natuur en het veranderende klimaat. De NIKA methode bepaald hoe deze maatregelen er minimaal uitzien.

De aanleiding voor het NIKA-beleid is de verandering van het klimaat. Dit speelt wereldwijd. Perioden van droogte, hitte en neerslagpieken beïnvloeden de leefomgeving van mens en dier en veroorzaken schade in de landbouw, bebouwing, gezondheid van mensen etcetera. Het aantal dier- en plantensoorten neemt schrikbarend af met alle gevolgen van dien. De afname van bijen en vlinders resulteert onder meer in minder bestuiving van gewassen waardoor ook voedselproductie onder druk komt te staan. Ook in Nederland ervaren we klimaatsverandering. Denk aan perioden van droogte of hitte, zoals in de zomers van 2018, 2019, 2020 en 2022. Of de vele regen en overstromingen in de zomer van 2021 in Limburg.

Deze ontwikkelingen raken iedereen, zowel mens als dier. Dit vraagt om een aanpak waaraan iedereen meehelpt. Wereldwijd, landelijk en regionaal wordt nagedacht over strategieën voor klimaatadaptatie en voor het beperken van de afname van biodiversiteit. Ook Apeldoorn werkt hier aan. Dit werd al aangekondigd in het Ecoplan en de omgevingsvisie "Woest aantrekkelijk Apeldoorn". De gemeente Apeldoorn stelt het NIKA-beleid voor. NIKA staat voor "natuurinclusief en klimaatadaptief" ontwikkelen en bouwen. Dit betekent dat we bij bouw ontwikkelingen ruimte maken voor klimaatadaptatie en natuurontwikkeling. Zo dragen we bij aan een gezonde leefomgeving en aan brede welvaart en nemen we de verantwoordelijkheid om de problematiek nu op te pakken en niet af te wentelen in tijd of ruimte.

Toegevoegde waarde NIKA

Stedelijk groen zorgt voor verkoeling in de zomer, buffert water, zuivert de lucht en biedt volop ruimte aan mede-stadbewoners zoals de huismus, gierzwaluw of gewone dwergvleermuis.

Meer groen en een vitale bodem dragen bij aan de infiltratiecapaciteit van de bodem, houden water beter vast en zorgen voor schaduw (met name bomen en pergola's) en verkoeling tijdens hete periodes. (Openbaar) groen met een hoge diversiteit en met inheemse vegetatie draagt bij aan het verbeteren van de leefgebieden van diersoorten in de gebouwde omgeving. Kortom: minder verharding en meer (inheemse en diverse) bomen, struiken en groenstroken leveren een belangrijke bijdrage aan zowel klimaatadaptatie als aan het versterken van de biodiversiteit en een gezonde leefomgeving. Een omgeving die bewoners en bezoekers stimuleert om buiten te ontmoeten, bewegen en te spelen. Door groene buitenruimtes wordt lichaamsbeweging gestimuleerd en stress verminderd, wat resulteert in gezondere burgers.

De gemeente Apeldoorn vindt het belangrijk dat nieuwe bouw ontwikkelingen toekomstbestendig zijn. Wij willen leefomgevingen creëren waar ruimte is voor biodivers groen en waar een antwoord wordt gegeven op wateroverlast, hittestress en droogte. Hiervoor hebben wij NIKA beleid ontwikkeld.

Wanneer is NIKA van toepassing

De NIKA methode bepaalt hoe de te nemen maatregelen er minimaal uitzien. Deze NIKA-waarden bestaan uit twee onderdelen.

Vaste waarden

Het eerste onderdeel bestaat uit vijf vaste waarden:

  • 1. Waterberging: neerslagwater met een piekbelasting van 60 mm moet worden opgevangen en vastgehouden, waarvan maximaal 50% op openbaar terrein.
  • 2. Voorzieningen voor gebouw bewonende soorten: er dienen voorzieningen voor vogels (gierzwaluw en huismussen) en vleermuizen, die in woningen wonen, te worden aangebracht aan elke nieuwe woning of gebouw. Dit volgens de normen zoals omschreven in het Soorten Management Plan (SMP).
  • 3. Groen op maaiveld: 40% van de oppervlakte van het plangebied van een bouw ontwikkeling bestaat uit groen op maaiveld, waarvan minimaal de helft publiek toegankelijk is en minimaal de helft van het groen uit biodivers groen bestaat.
  • 4. Bomen: Binnen iedere bouw ontwikkeling worden bomen toegevoegd: minimaal 1 boom per 200m2 bebouwing (bouwvlak).
  • 5. Windcomfort: Worden er binnen het plangebied bebouwing hoger dan 15 meter toegevoegd? Dan voldoet de ontwikkeling aan bepalingen ten aanzien van windhinder.

Variabele waarden

Het tweede deel bestaat uit variabele waarden in drie categorieën:

  • Biodiversiteit;
  • Dak- en gevelgroen;
  • Klimaatadaptatie.

Hierbij wordt gewerkt met een puntensysteem. Aan verschillende maatregelen zijn punten gekoppeld. De vaste waarden zijn voor iedereen hetzelfde en dus ook van toepassing. Binnen de variabele waarden moeten er in totaliteit 5 punten worden gescoord. Per onderdeel wordt bepaald hoeveel punten kunnen worden toegekend.

De gemeente Apeldoorn vindt het belangrijk dat nieuwe bouw ontwikkelingen toekomstbestendig zijn. NIKA is op dit plan van toepassing aangezien het bouwvlak groter is dan 1.500m2.

Motivering

Als het om de Kanaalzone Noord gaat, dan kan gesproken worden over een drietal ontwikkelingen. Ontwikkelingen, die als het gaat om beoordeling van het 'groen op maaiveld' bekeken moet worden in totaliteit. In dit geval gaat het om het zwembad, de parkeergarage en de parktorens. Een groot gebied ten westen van het nieuwe zwembad, vrijwel grenzend aan de Boerhaavestraat, dient bij de beoordeling op grond van NIKA meegewogen te worden.

Navolgend wordt onderbouwd hoe aan de gestelde waarden wordt voldaan op de locatie zelf, met uitzondering van 'groen op maaiveld'.

Vaste waarden:

Waterberging

Van de bergingsopgave van hemelwater binnen het plangebied wordt minimaal 50% wordt opgevangen in het gebied zelf door middel van infiltratiekratten en wadi en wordt maximaal 50% opgevangen en het openbaar gebied.

Voorzieningen voor gebouw bewonende soorten

Met onderhavige ontwikkeling worden er gebouwen gesloopt waarin beschermde soorten aanwezig zijn. Conform het Soortenmanagementplan (SMP) worden er maatregelen genomen om deze soorten te beschermen.

Bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen dient het SMP toegepast te worden conform Bijlage 2 Soortenmanagementplan van het NIKA-beleid. Op deze manier wordt er voor gezorgd dat in de nieuwe bouwomgeving ook voldoende plekken komen voor deze soorten. In combinatie met het groen, wat nodig is voor hun leefgebied, zorgen ze voor een levende stad.

Conform deze bijlage zullen verblijfsvoorzieningen voor gebouwbewonende soorten aangebracht worden.

Groen op maaiveld

De gemeente Apeldoorn wil graag nieuwe groene en leefbare wijken en buurten. Het uitgangspunt van de vergroeningsopgave luidt als volgt: 40% van de oppervlakte van de bouw ontwikkeling bestaat uit een groen maaiveld. Het groen bestaat voor minimaal de helft uit biodivers groen en is minimaal voor de helft uit publiek toegankelijk groen.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is het soms lastig zijn om de norm '40% groen op maaiveld' te behalen. Hier is de dichtheid van gebouwen al hoog. In sommige ontwikkelingen is het behalen van de groennorm niet mogelijk. Dan zijn er andere opties. Als alternatief geldt dat minimaal 30% groen op maaiveld moet worden aangelegd. Ieder procent beneden de 40 komt terug als dak- en/of gevelgroen. Dus bij 30% groen op maaiveld, wordt de andere 10% als dak- en/of gevelgroen gerealiseerd.

In onderhavige plan wordt ruim 40% groen op maaiveld behaald. Daarnaast wordt er nog circa 10% toegevoegd aan dakgroen. Hiervoor kan verwezen worden naar onderstaande afbeeldingen.

Op onderstaande afbeelding is de bestaande situatie weergegeven van het groen voor Kanaalzone Noord.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0014.png"

Afbeelding 3.7 Bestaand groen (bron: gemeente Apeldoorn

In en nieuwe situatie ontstaat voor groen het volgende beeld:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0015.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0016.png"

Afbeelding 3.8: Oppervlakte groen in de nieuwe situatie (bron: Gemeente Apeldoorn).

Bomen

Bomen hebben een grote meerwaarde. Vooral in de stad omdat die door haar stenige karakter snel opwarmt en lang warmte vast houdt. Bomen zorgen voor schaduw en verdamping en daardoor voor meer koelte gedurende een langere periode. Ze hebben veel pluspunten. Ze zorgen voor voedsel en voor verblijf- en rustplekken voor dieren. En ze vangen regenwater en CO² af. In grote groene ruimtes hebben grote bomen de voorkeur. In kleine ruimtes is het logisch om soorten te planten die klein blijven. Het is belangrijk dat de bomen een goede groeiplaats hebben. Zodat ze goed kunnen groeien en lang gezond blijven. Voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt per 200 m² 'bouwvlak' 1 boom toegevoegd in het plangebied. Met onderhavige ontwikkeling wordt een bouwvlak van ca 4800 m² mogelijk gemaakt. Hiervoor zullen dus minimaal (4800 / 200) 24 bomen worden aangeplant. Tezamen met circa 15 bomen te kappen zullen er 25 bomen worden aangeplant. In de openbare ruimte Vlijtsepark worden de bomen 123 bomen gepland.

Windhinder

Met de te verwachten veranderende klimaatomstandigheden zullen met name buien frequenter en intensiever worden. De daarmee gepaarde windbelasting zal toenemen. De stroming van de wind wordt daardoor belangrijker in stedelijk gebied. Windstromingen veranderden bij obstakels immers van richting. Daardoor vertraagt de wind op de ene plek er ontstaan luwteplekken, maar versnelt in vernauwde ruimtes waar de wind als het ware wordt samengeperst. Hier treedt versnelling van de windstroom op. Bij deze richtingsveranderingen ontstaan er soms vlagen op die steeds vaker zullen voorkomen. Bij sterkere wind, zoals bij buien en grotere obstakels zoals hoogbouw, verhoogt dus de vlagenintensiteit. Dit kan voor straten en verblijfsgebieden ongewenste situaties opleveren voor fietsers en voetgangers en daarmee bijdragen aan een ongewenst verblijfsklimaat. Om windhinder te voorkomen willen de gemeente sturen op de windbelasting op maaiveld. Daarnaast wil Apeldoorn een prettige woonplaats zijn waar het met name goed vertoeven is in de buitenruime om zo het gebruik van de buitenruimte voor ontmoeting sport en spel te stimuleren. Ook hier hoort een minimale windbelasting bij voor de publieke ruimte.

Bij gebouwen met een hoogte tussen 15 meter en 30 meter dient de windhinder beperkt te worden zodat op het maaiveld voldaan wordt aan:

      • a. klasse C (minimum)
      • b. klasse B (in geval van entrees)
      • c. klasse A (in geval van verblijfsplekken)

Variabele waarden:

Binnen de kaders van het puntensysteem zal het minimum aantal van 5 punten behaald worden, via maatregelen zoals een wadi, dak- en gevelgroen en/of het realiseren van nestvoorzieningen en/of biotopen.

De variabele waarden zullen bij de omgevingsvergunning voor de bouw meer concreet worden ingevuld. Uitgangspunt in het kader van de Omgevingsplan is dat het aanneembaar en realistisch is dat de voorzieningen gerealiseerd gaan worden.

Borging

Uitgangspunt is dat voldaan kan worden aan de vaste waarden van het NIKA-beleid. Verder moeten een minimum aantal variabele waarden worden toegepast. Het NIKA-beleid is als dynamische verwijzing opgenomen in het omgevingsplan. Borging heeft plaatsgevonden binnen de regels.Het puntensysteem binnen NIKA maakt, zoals gesteld, maatwerk mogelijk wanneer sprake is van bijzondere omstandigheden of de onmogelijkheid om maatregelen te treffen (onbillijkheid van overwegende aard).

3.6.4 Verkeer en parkeren
3.6.4.1 Verkeersvisie 2016-2030

Het gemeentelijk verkeersbeleid is vastgelegd in de Verkeersvisie 2016-2030 (vastgesteld juli 2016). De Verkeersvisie werkt de ambities voor Apeldoorn uit de structuurvisie 'Apeldoorn biedt ruimte' uit voor het onderdeel Mobiliteit.

Comfortabele gezinsstad: iedereen kan zich veilig verplaatsen en er is sprake van een bereikbare , leefbare en aantrekkelijke (binnen)stad. De fiets is het primaire vervoermiddel; ook het openbaar vervoer speelt een belangrijke rol in de verplaatsingen.

Toeristisch toplandschap: de attracties, bezienswaardigheden en evenementen zijn ook bij piekdrukte goed bereikbaar. Na een bezoek aan bijvoorbeeld de attractieparken aan de rand van de Veluwe weet men de weg naar de binnenstad te vinden.

Veelzijdige economie: winkels, kantoren en bedrijven zijn goed bereikbaar. Apeldoorn wordt goed ontsloten door de A1 en de A50 en een aantal provinciale wegen. De doorstroming op de hoofdwegen en met name op de Ring is essentieel. De binnenstad moet met alle vervoermiddelen goed toegankelijk blijven. Bij de bedrijventerreinen en werkgebieden kunnen zowel openbaar vervoer als de (e-)fiets naast de auto een steeds belangrijker rol spelen.

Lokale duurzaamheid: er moet een omslag worden gemaakt van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit en waterstof. Hierin spelen vooral marktpartijen en beslissingen op landelijk en Europees niveau een rol. De (e-)fiets kan eveneens aan de doelstellingen van energieneutraliteit en uitstootvrij en daarmee aan een gezonde en schone leefomgeving bijdragen. Op lokaal niveau zet Apeldoorn zich in voor een snelle overgang van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van duurzame energie.

De ambities uit de structuurvisie zijn vertaald in de volgende kernopgaven:

Kernopgave 1: Apeldoorn fietsstad: meer ruimte voor de fiets. Om deze opgave te realiseren wordt het gebruik van de fiets, ook in het voor- en natransport, gestimuleerd; worden de fietsroutes sneller en directer gemaakt en wordt het fietsgebruik veiliger gemaakt.

Kernopgave 2: Transitie van aanbodgericht naar vraaggericht en efficiënt openbaar vervoer. Om deze opgave te realiseren wordt een nieuw OV-netwerk ontwikkeld, wordt duurzaam en innovatief openbaar vervoer geïntroduceerd, worden de OV-knooppunten versterkt en worden nieuwe kansen die ontstaan door recreatie- en evenementenstromen benut.

Kernopgave 3: Beter en veilig gebruik van de infrastructuur. Om deze opgave te realiseren wordt de doorstroming op de hoofdwegen verbeterd, wordt bijgedragen aan de doorstroming op regionale en landelijke hoofdwegen, wordt (dynamische) informatie over parkeergelegenheden en over de drukte op wegen verstrekt, worden de parkeernormen geactualiseerd en wordt het parkeren gebruikersvriendelijker gemaakt.

In de Verkeersvisie worden deze (kern)opgaven vervolgens uitgewerkt in concrete voorgenomen maatregelen.

3.6.4.2 Parkeerbeleid

Het gemeentelijk parkeerbeleid is vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren, die door de gemeenteraad is vastgesteld op 13 juni 2024. De beleidsregels zijn op 30 augustus 2024 in werking getreden. Het parkeerbeleid is op dit omgevingsplan van toepassing.

Uitgangspunt van het beleid is dat de benodigde (fiets)parkeerplaatsen (parkeerbehoefte) op 'eigen terrein' worden gerealiseerd. Dit kan in, op of onder het gebouw, dan wel op of onder het onbebouwde terrein dat bij het gebouw behoort.

Met dit beleid wordt beoogt te sturen op leefbaarheid en bereikbaarheid. Het beleid is een sturingselement bij de ontwikkelingen die Apeldoorn de komende jaren te wachten staat. De insteek bij het parkeren is dat parkeeroverlast - zo veel mogelijk - te voorkomen. Uitgangspunt is dat de parkeervraag bij ontwikkelingen niet mag worden afgewenteld naar de openbare weg. Het onderwerp parkeren wordt daarnaast benut in de strategie om Apeldoorn duurzaam en autoluw te ontwikkelen.

De nieuw vastgestelde beleidsregels voor parkeren richten zich enerzijds op het geven van een uitleg over hoe de parkeerregeling in het omgevingsplan zal worden toegepast. In de parkeerregeling die is opgenomen in het omgevingsplan (van rechtswege) wordt naar de "Beleidsregel Parkeren" verwezen. Anderzijds dient deze beleidsregel als een toetsingskader voor nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen waarvoor een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld.

De parkeernormen voor zowel fietsen als auto's zijn vastgelegd in de Beleidsregels Parkeren 2024. De beleidsregel legt vast wat wordt verstaan onder het realiseren van voldoende parkeerruimte voor fiets en auto en voor laden en lossen'.

Daarnaast wordt in de beleidsregel ingegaan op deelmobiliteit en hoe deelmobiliteit een rol kan spelen bij ruimtelijke ontwikkelingen. De beleidsregel geeft inzicht in het aantal, de kwaliteit en de plek van de te realiseren parkeerplaatsen. Het bepalen van 'voldoende parkeerruimte' gebeurt bijvoorbeeld door het hanteren van parkeernormen voor fietsen en auto's.

Betekenis voor dit plan

Op basis van de geplande woningbouw, de bouw van het zwembad, bestaande parkeerbehoefte op maaiveldsniveau in de directe omgeving van het plangebied en het daaraan gekoppelde deelvervoer is door RoyalHaskoningDHV de parkeerbehoefte berekend. De behoefte is opgenomen in de rapportage van de Verkeersgeneratie, die als Bijlage 5 is bijgevoegd. De totale behoefte aan parkeervoorzieningen is berekend op maximaal 584 parkeerplaatsen. Het is goed om vast te stellen dat de parkeergarage eerder zal worden gerealiseerd dan de woningbouw Vlijtse Parktorens. Binnen de parkeergarage zijn parkeerplaatsen voorzien voor de woningbouw. Bij de Vlijtse Parktorens worden 8 parkeerplaatsen op maaiveld gerealiseerd voor gehandicapten en spoedplekken huisarts. Uit de parkeerbalans blijkt dat in voldoende mate kan worden voorzien in parkeerbehoefte in de naastgelegen en nog te realiseren parkeergarage. Auto's die willen parkeren bij de Vlijtse Parktorens rijden niet langs de te bouwen woningen. De route tussen de parkeergarage en de Vlijtse Parktorens wordt enkel een toeleverroute en route voor de operationele diensten. Bij de toeleverroute is het laden en lossen alleen mogelijk tussen 07.00 uur en 19.00 uur via een nog aan te leggen toegangssysteem.

Door RoyalHaskoningDHV is onderzoek verricht naar de verkeersgeneratie waarvan de woningbouw onderdeel vormt. Het rapport is als Bijlage 5 bij deze motivering gevoegd. Op basis van de rapportage kan worden geconstateerd dat de verkeersstromen gescheiden plaatsvinden. Voor de parkeergarage wordt een aparte toegang gerealiseerd vanaf de Vlijtseweg en aan de andere kant van de parkeergarage wordt een afzonderlijke uitgang gerealiseerd naar de Vlijtseweg. In de rapportage is geconstateerd dat de berekende verkeersstromen geen problemen vormen. De cyclustijd van de verkeersregeling bedraagt zo'n 80 seconden, wat in de verkeerskunde als goed wordt beschouwd. Verder kan worden geconstateerd dat de zogenaamde verzadigingsgraad van alle richtingen, onder de 90% blijft, wat binnen veel gemeente als maximumgrens wordt beschouwd.

3.6.5 Water

Het Gemeentelijk Water- en Rioleringsplan 2022-2026 (WRP) is in 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. In het WRP is de gemeentelijke invulling van de zorgplichten voor afvalwater, regenwater en grondwater beschreven. De zorgplichten vormen het kader voor de ruimtelijke invulling van water en riolering en bestemmingsplannen. Het WRP is uitgewerkt in concrete opgaven, onderzoeken en maatregelen met een financiële dekking voor de planperiode.

Speerpunt in het WRP is het herstel van het natuurlijk bodem- en watersysteem, inspelen op de gevolgen van klimaatverandering, zoals wateroverlast door extreme buien en verdroging door langere droge perioden. Effecten van verdroging zijn periodiek lagere grondwaterstanden en lagere beekafvoeren. Deze effecten kunnen worden tegengegaan door de inrichting van de openbare ruimte aan te passen en regenwater van verhardingen niet versneld af te voeren via de riolering, maar af te koppelen en lokaal te infiltreren in de bodem. Bewoners wordt gevraagd zelf actief bij te dragen aan de klimaatopgave door de regenwaterafvoer van hun woningen af te koppelen van het vuilwaterriool en hun tuinen te vergroenen. Door deze afkoppelstrategie langjarig door te zetten ontstaat een klimaatrobuuste omgeving. Door het regenwater meer onderdeel te laten zijn van de openbare ruimte neemt tevens de belevingswaarde en ruimtelijke kwaliteit verder toe.

Uitgangspunten omgevingsplan

  • 1. Bij het uitvoeren van de watertoets worden de effecten op de waterhuishouding in beeld gebracht en getoetst aan het beleid. Ontwikkelingen moeten voldoen aan de uitgangspunten uit het waterbeleid.
  • 2. Afkoppelen / niet aansluiten van regenwater bij nieuwe ontwikkelingen, herinrichtingen en herstructureringen.
  • 3. Ruimtelijke inrichting zodanig aanpassen dat hevige regenval niet leidt tot wateroverlast (verhardingen verminderen, maaiveldmorfologie optimaliseren etcetera.)
  • 4. Ruimte creëren voor tijdelijke waterberging in de openbare ruimte met name in groenzones.
  • 5. Grondwaterneutraal bouwen.
3.6.6 Archeologie

Het gemeentelijke archeologisch beleid is vervat in de Cultuurhistorische en Archeologische Beleidskaart van 2024. Binnen de beleidskaart wordt gewerkt met 7 categorieën. Ten opzichte van voorheen is er een categorie 0 toegevoegd, het gaat hierbij om locaties, waarvoor al onderzoek is verricht. Ten aanzien van de categorieën 1 tot en met 6 kan het volgende worden weergegeven:

 

Categorie 1: geen bodemingrepen

Het gaat hier om wettelijk beschermde monumenten en door de gemeente op basis van de Monumentenverordening aangewezen gemeentelijke monumenten. Op deze terreinen is het vrijwel zeker dat bij grondwerkzaamheden schade aan de archeologische vindplaats toegebracht wordt. De bescherming van deze terreinen is geregeld in de Erfgoedwet, de Monumentenwet en de Monumentenverordening. In principe geen bodemingrepen mogelijk.

Categorie 2: bodemingrepen tot 50 m²

Terreinen met vastgestelde archeologische waarden zijn die gebieden waarvan in het verleden is vastgesteld dat er zich een behoudenswaardige archeologische vindplaats bevindt. Bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 50 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Categorie 3: bodemingrepen tot 100 m²

Tot de terreinen met archeologische waarden behoren de enken, dorpskernen en historische locaties. In deze gebieden zijn archeologische waarden aanwezig, maar waar deze precies liggen is niet altijd bekend. Bij bodemingrepen is de kans dan ook zeer aannemelijk dat archeologische waarden worden aangetroffen. In deze gebieden is bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 100 m² archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Categorie 4: bodemingrepen tot 500 m²

In deze categorie vallen de terreinen die op de archeologische kenniskaart een middelhoge en hoge archeologische verwachting bezitten. In deze gebieden wordt verspreide begraving, bewoning en landgebruik voorafgaande aan de dorpsvorming in de Late Middeleeuwen verwacht. Pas bij grotere bodemingrepen wordt de kans groot dat zo'n vindplaats wordt aangetroffen. Bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 500 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Categorie 5: Vrijgeven onder voorwaarden

In gebieden met een lage archeologische verwachting is de dichtheid van archeologische vindplaatsen naar verwachting laag. Bij bodemingrepen dieper dan 35 cm -mv over een oppervlakte groter dan 2.500 m² is archeologisch onderzoek noodzakelijk.

Categorie 6: Alle bodemingrepen vrij

In gebieden waar het bodemarchief door menselijk of natuurlijk toedoen is verdwenen of waar zeker is dat er geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn hoeft geen archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. Het gaat hier om grote verstoringen van de bodem: wegvlak A1, de spoorlijn ter hoogte van de stuwwal en niet-historisch water. Deze categorie zal in de loop van de tijd groter worden naarmate meer archeologisch onderzoek is uitgevoerd. Een actueel overzicht van overige gebieden in deze categorie wordt door middel van de archeologische kenniskaart bijgehouden.

Doorwerking in het plan

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0017.png"

Afbeelding 3.5 Fragment van het Archeologisch Beleid gemeente Apeldoorn (bron: atlas.apeldoorn.nl)

Het plangebied ligt hoofdzakelijk in categorie 5, een gebied met een lage archeologische verwachtingswaarde. Aangezien de oppervlakte van de bodemingrepen die gaan plaatsvinden groter zijn dan 2.500 m², waarbij dieper wordt gegraven dan 35 cm heeft archeologisch onderzoek plaatsgevonden. Verder dient te worden opgemerkt dat het plangebied voor een zeer klein deel (oostelijke rand) binnen categorie 4 valt. In paragraaf 4.4. worden de resultaten van het onderzoek, alsmede de conclusies naar aanleiding van het onderzoek, beschreven.

3.6.7 Cultuurhistorie

“De nota 'Fundament Voor Buitengewoon Talent, Apeldoornse Cultuur- en Erfgoednota 2025-2030' is door de gemeenteraad vastgesteld en ingegaan op 1 januari 2025. Kern van de nota is dat cultuur en erfgoed van essentieel belang zijn voor de identiteit en herkenbaarheid van Apeldoorn. Voor gebiedsontwikkelingen wordt gesteld: “We gaan vormgeven aan nieuwe gebiedsontwikkelingen. Die moeten niet kleurloos zijn, maar een karaktervolle Apeldoornse invulling krijgen. We bouwen voort op de al bestaande kwaliteiten. De geschiedenis van Apeldoorn is uitgangspunt en inspiratiebron bij deze ruimtelijke ontwikkelingen.”

Daarnaast is het een wettelijke taak van de gemeente om zorg te dragen voor het ruimtelijk erfgoed. Het is daarom belangrijk om erfgoed zo vroeg mogelijk in het planproces mee te nemen. Niet alleen om het aanwezige erfgoed te beschermen en te behouden, maar ook om dit te benutten als uitgangspunt bij ruimtelijke plannen. Daartoe dient tijdig goed archeologisch, cultuurhistorisch en/of bouwhistorisch onderzoek te worden gedaan, waarmee inzicht ontstaat in de aanwezige erfgoedwaarden. Via het onderzoek wordt kennis vergaard en vastgelegd over landschap, geomorfologie, stedenbouw, archeologie en architectuur, en op basis hiervan volgen aanbevelingen over de inzet van deze waarden in nieuwe ontwikkelingen.

Bij ruimtelijke ontwikkelingen is cultuurhistorische onderbouwing verplicht. Afhankelijk van deze onderbouwing kan nader onderzoek worden vereist. Er dient te worden gestreefd naar behoud, herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden.

Gebieden met hoge cultuurhistorische waarden krijgen indien relevant een beschermende regeling in het omgevingsplan.

Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1 Milieuaspecten

4.1.1 Inleiding

Op grond van artikel 4.2 van de Omgevingswet bevat een omgevingsplan in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk worden de verschillende milieu- en omgevingsaspecten onderbouwd.

4.1.2 Bodem

Op basis van paragraaf 5.1.4.5 uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en artikel 22.2 uit het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) dient in planvorming rekening gehouden te worden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Onder bepaalde omstandigheden kan het oprichten van bouwwerken pas plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Om die reden dient bij veel nieuwbouwactiviteiten de bodemkwaliteit door middel van onderzoek te worden vastgesteld. Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Er is ook getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling.

Onderzoeksresultaten

Door De Klinker Milieu Adviesbureau is een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd. Het rapport hierover dateert van 4 mei 2023 met rapportnummer K2320029. Het onderzoek is gericht geweest op alle drie de ontwikkelingen aan de Vlijtseweg. De onderzoeksresultaten van locatie 1 hebben ook betrekking op de locatie voor de woontorens. Het rapport is als Bijlage 6 bij deze motivering gevoegd.

Op basis van het rapport wordt geconcludeerd dat

  • 1. In de baksteenhoudende grond van de Musschenbroekstraat 13-15 is een licht verhoogd gehalte lood en PAK aangetroffen. In de ondergrond en de diepe ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.
  • 2. Het grondwater in peilbuis G36 is licht verontreinigd met barium.
  • 3. In de puinlaag op de locatie is een licht verhoogd gehalte asbest aangetroffen. De concentratie blijft
  • 4. onder de helft van de interventiewaarde. Derhalve is een nader onderzoek niet noodzakelijk;
  • 5. In de bovengrond van de Musschenbroekstraat 19 is een licht verhoogd gehalte lood, kwik en PAK aangetroffen. In de ondergrond en de diepe ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.
  • 6. Het grondwater in peilbuis G54 is licht verontreinigd met arseen en nikkel.
  • 7. In de grond is geen asbest aangetroffen.
  • 8. De bovengrond onder de tennisbaan aan de Musschenbroekstraat 25 (oostelijk deel) is matig verontreinigd met koper en licht verontreinigd met kwik, lood en zink. Na de uitsplitsing lijkt de hoge concentratie met name aanwezig in boring G62, hier is een sterk verhoogd gehalte koper aangetroffen. In boring 57 een matig verhoogd gehalte koper aangetoond. Onder het westelijk deel van de tennisbaan is een licht verhoogd gehalte koper, kwik en PAK aangetoond. De bovengrond buiten de tennisbaan (ten westen van het pand) is licht verontreinigd met lood en PCB.
  • 9. In de ondergrond en de diepe ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen.
  • 10. Het grondwater in peilbuis G66 is licht verontreinigd met barium en naftaleen.
  • 11. In de grond is geen asbest aangetroffen.

Op grond van het onderzoek wordt de aanbeveling gedaan om bij de herinrichting en bouwplannen te bezien op welke wijze de bodemverontreiniging wordt beïnvloed. Herinrichting of bouwplannen zijn derhalve niet zondermeer te realiseren zonder aanvullende maatregelen. Geadviseerd wordt om eventuele bouw- en/of herinrichtingsplannen verder uit te werken en op basis van ondermeer het grondverzet en de vrijkomende grondstromen een plan van aanpak uit te werken. Voorafgaand aan het plan van aanpak dient de verontreinigingssituatie met koper in de grond en eventueel ook de metalen in het grondwater nader in kaart te worden gebracht.

Voorafgaand aan de werkzaamheden kan dan middels een BUS-melding of saneringsplan ingediend worden bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). Na goedkeuring hiervan, kunnen de saneringswerkzaamheden worden opgestart. De werkzaamheden dienen uitgevoerd te worden door een bedrijf dat is gecertificeerd voor de BRL7000. De werkzaamheden dienen begeleid te worden door een bedrijf dat is gecertificeerd voor de BRL6000.

Conclusie

Voorafgaand aan de werkzaamheden moet een plan van aanpak worden opgesteld. Vervolgens dient een BUS-melding gedaan of saneringsplan ingediend te worden bij het bevoegd gezag (provincie Gelderland). Gelet op de onderzoeksresultaten en op de functie en het belang van woontorens (woonbehoefte binnen Apeldoorn) op locatie 1 wordt verwacht dat goedkeuring wordt afgegeven. Na goedkeuring vormt het onderdeel bodem geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.1.3 Milieuzonering

Door RoyalHaskoningDHV is onderzoek gedaan naar de milieuzonering. Daarbij is bekeken in hoeverre de realisering van de appartementen en een parkeergarage planologisch-juridisch mogelijk kan worden gemaakt. Onder andere moet in dat kader de vraag beantwoord worden of het project aanvaardbaar is uit het oogpunt van milieuzonering. Bij de realisering van de woningbouw wordt rekening gehouden met de te realiseren parkeergarage. De in- en uitgang van de parkeergarage voor gemotoriseerd verkeer is aan de zuidzijde gesitueerd.

Beoordeling woontorens en omgeving

Voor de beoordeling van de woontorens dient in eerste aanleg teruggevallen te worden op de regels van het geldend bestemmingsplan. Als bijlagen bij de regels zijn verschillende bedrijfsactiviteiten opgenomen met een richtafstanden, waar rekening mee gehouden moet worden. De omgeving wordt getypeerd als gemengd gebied.

In het kader van de bedrijfs- en milieuzonering is geen afzonderlijk akoestisch onderzoek uitgevoerd. De beoordeling is gebaseerd op de richtafstanden zoals opgenomen in de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”, die landelijk als maatgevend worden beschouwd. Voor de betreffende bedrijfsbestemmingen (categorie t/m 2) geldt een richtafstand van 30 meter ten opzichte van gevoelige functies, zoals wonen. De afstand tussen de bedrijfsbestemmingen aan de zuidzijde van de Vlijtseweg en de woontorens bedraagt ruim meer dan 50 meter. Daarmee wordt ruimschoots voldaan aan de gestelde richtafstand, en is er geen aanleiding om aanvullend akoestisch onderzoek te verrichten. De gehanteerde richtafstanden zijn gebaseerd op praktijkervaring en akoestische onderzoeken en vormen een robuuste basis voor ruimtelijke afwegingen.

Aan de zuidzijde van de Vlijtseweg bevindt zich ook een accountantskantoor. De tussenliggende afstand is hier berekend op 44 meter. Voor accountantskantoren geldt de grootste richtafstand van 10 meter voor geluid, zodat ook hier geen probleem geldt qua milieuzonering.

De school op het adres Musschenbroekstraat 20 ligt op meer dan 50 meter afstand van de woontorens. Op basis hiervan kan worden geconcludeerd dat kan worden voldaan aan de gestelde richtafstand van 30 meter voor het aspect geluid voor scholen.

De school op het adres Musschenbroekstraat 11 ligt op zeer korte afstand van de nieuwbouw. Vermoedelijk iets minder dan 10 meter. Op de hoek van de nieuwbouw zullen geen woningen worden gerealiseerd. Hier is het gezondheidscentrum gepland. Hiervan uitgaande vormt het geluid geen probleem.

De dichtstbijzijnde woningen liggen op ongeveer 15 meter afstand.

Conclusie

Milieuzonering vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.1.4 Geluid

In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standaardwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.

De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk.

Onderzoeksresultaten

Door Wolf Dikken is onderzoek verricht naar het aspect geluid. Het akoestisch onderzoek is van 6 juni 2025, gewijzigd 24 november 2025 en is als Bijlage 17. bij deze motivering gevoegd.

In het akoestisch onderzoek is de Edisonlaan aangemerkt als een 'provinciale weg'. Dit is niet juist. De Edisonlaan is een 'gemeentelijke weg'. Voor wat betreft het bepalen van het geluidsniveau op de verschillende gevels van de nieuwbouw is dit niet problematisch omdat in dit geval het geluid van het verkeer de enige geluidsbron is die relevant is voor het bepalen van het geluidsniveau op de gevels van de nieuwbouw. Hierdoor is de waarde voor het gezamenlijk geluid gelijk aan de waarde voor het cumulatief geluid. De waarde voor het cumulatieve geluid is opgenomen in de kolom met de aanduiding 'Lg (dB)' in bijlage 4 van de BIJLAGEN BIJ DE REGELS. Bij de toepassing van artikel 14 moet voor het bepalen van de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevels van de nieuwbouw dan ook worden uitgegaan van de waarden die zijn aangegeven in de kolom 'Lg (dB)' in bijlage 4 van de BIJLAGEN BIJ DE REGELS.

Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat het geluid op de gevels afkomstig van gemeentewegen hoger is dan de standaardwaarde van 53 dB, maar lager dan de grenswaarde van 70 dB. Hierdoor zijn extra geluidwerende maatregelen aan de gevel noodzakelijk, om te kunnen voldoen aan de vereiste binnenwaarde van 33 dB. Door het opnemen van artikel 14 in de regels van dit plan, is het nemen van (extra) geluidwerende maatregelen aan de gevels van de nieuwe woningen gewaarborgd.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan

4.1.5 Trilling

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels vooropstellen.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de beleidsregel 'Trillingshinder Spoor' en de handreiking 'Nieuwbouw en Spoortrillingen'. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

Situatie besluitgebied

Het besluitgebied voor de woontorens ligt op meer dan 2 kilometer afstand van het spoortraject Amersfoort - Deventer. Er zijn geen spoorlijnen dichterbij gelegen. Er zijn geen klachten ten aanzien van trillingen van het spoortraject Amersfoort - Deventer bekend. Gezien de afstand tot het spoortraject is er geen aanleiding om onderzoek te doen naar het aspect trilling.

Conclusie

Het aspect trilling vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.1.6 Luchtkwaliteit

De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in het Besluit kwaliteit leefomgeving. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen.

Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende omgevingswaarden het meest relevant:

  • PM10 (fijnstof);
    • 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 ug PM10/m³ mag niet worden overschreden;
    • 2. de 24 uursgemiddelde concentratie van 50 ug PM10/m³ mag niet vaker dan 35 keer per jaar worden overschreden;
  • NO2 (stikstofdioxide);
    • 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 ug NO²/m³ mag niet worden overschreden;
    • 2. de uurgemiddelde concentratie van 200 ug NO²/m³ mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden.

Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.

In de artikelen 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is bepaald wanneer activiteiten 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze situaties is toetsing aan de omgevingswaarden niet noodzakelijk.

Onderzoeksresultaten

Voor dit omgevingsplan is de luchtkwaliteit onderzocht. In de rapportage d.d. 29 oktober 2024, opgesteld door RoyalHaskoningDHV en opgenomen als Bijlage 8 bij deze motivering, is het resultaat van het onderzoek beschreven.

Het onderzoek beperkt zich tot de realisering van de woningen en de bovengrondse parkeergarage. Geconcludeerd wordt dat de bouw van de woningen aan te merken is als een project dat 'Niet in Betekende Mate' bijdraagt aan de luchtkwaliteit.

Conclusie
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.1.7 Gezondheid

De Omgevingswet zet in op het realiseren van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving. Daarmee heeft het thema gezondheid een centrale rol bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Gezondheid is een breed thema waarbij gedacht kan worden aan diverse thema's en aspecten die zich richten op de bescherming van de gezondheid van inwoners. Te denken valt aan aspecten als geluid, geur en luchtkwaliteit.

Een ander belangrijk aspect vanuit gezondheid is het bevorderen en stimuleren van de gezondheid van inwoners. Het aspect groen speelt daarbinnen onder meer een belangrijke rol. Zo draagt groen bij aan het realiseren van een positieve mentale gezondheid van mensen, nodigt groen uit tot bewegen en ontmoeten en heeft groen een verkoelende werking.

Situatie besluitgebied

Normaliter wordt parkeren in de directe nabijheid gerealiseerd bij de woningbouw. Het parkeren voor de woontorens wordt gecombineerd met het parkeren van het zwembad. De parkeermogelijkheid wordt gerealiseerd in de vorm van een parkeergarage. De parkeergarage biedt ook voldoende ruimte voor het parkeren dat nu nog plaatsvindt op de plek van de parkeergarage en het parkeren in de directe omgeving (straatniveau) hiervan. De locatie van de parkeergarage is nu nog hoofdzakelijk een grasveld. Op deze manier is sprake van zorgvuldig ruimtegebruik, waardoor zoveel mogelijk de overgebleven ruimte ingevuld kan worden met groen en spelen, wat weer een bijdrage levert aan de mentale gezondheid van de mensen. Zo zal er groen worden gerealiseerd tussen de bebouwing. Op de lagere delen van de bebouwing wordt ook groen gerealiseerd, wat een positieve bijdrage zal leveren aan de mentale gezondheid van de bewoners.

Voor wat betreft het aspect geluid is gebleken dat het voor de woningen van de parktorens niet mogelijk is om op alle gevels te voldoen aan de wettelijke standaardwaarde van 53 dB. Het gemeentebestuur heeft een motiveringsplicht als zij besluit meer geluid dan de standaardwaarde toe te staan, waarbij het belang van het beschermen van de gezondheid door een geluidluwe gevel moet worden betrokken en de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid moet worden beoordeeld.

Binnen de regels van het omgevingsplan is geborgd dat voor de woningen geldt een binnenniveau van 33 dB. Verder is ook geborgd dat er bij overschrijding van de standaardwaarde tenminste één gevel geluidsluw moet worden uitgevoerd. In het geluidsrapport is het gezamenlijk geluid bij de beoordeling betrokken. Ook hier geldt dat dit geborgd is binnen de regels. Hiermee worden vastgesteld dat aan de wettelijke beschermingsplicht wordt voldaan qua geluid en de gezondheid niet in het geding is. Zie ook paragraaf 4.1.4.

Conclusie
Het aspect gezondheid vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.1.8 Omgevingsveiligheid

Omgevingsveiligheid gaat om de risico's van het gebruik en transport van gevaarlijke stoffen, de veiligheid van inrichtingen en de veiligheid van nieuwe, zich snel ontwikkelende technologieën. Onder omgevingsveiligheid vallen ook de risico's door luchthavens en windturbines.

In paragraaf 5.1.2.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn de algemene bepalingen met betrekking tot het waarborgen van de veiligheid opgenomen. Hieruit volgt dat in een omgevingsplan voor risico's van branden, rampen en crises, rekening wordt gehouden met het voorkomen, beperken en bestrijden daarvan, de mogelijkheden voor personen om zich daarbij in veiligheid te brengen en de geneeskundige hulpverlening. Voor zowel de handelingen met gevaarlijke stoffen bij bedrijven als het transport van gevaarlijke stoffen zijn drie aspecten van belang, het plaatsgebonden risico (PR), aandachtsgebieden en het groepsrisico (GR).

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Aandachtsgebied

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 t/m 4.96 Bbl.) Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingshuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).

Los van een eventueel voorschriftengebied kan de gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.

Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.

Overige bepalingen

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

    • a. Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: paragraaf 5.1.2.3 Bkl;
    • b. Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: paragraaf 5.1.2.4 Bkl;
    • c. Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: paragraaf 5.1.2.5 Bkl;
    • d. Veiligheid rond luchthavens: paragraaf 5.1.2.6 Bkl.

Onderzoeksresultaten

Door RoyalHaskoningDHV is onderzoek verricht naar de omgevingsveiligheid (voorheen externe veiligheid). Het onderzoek is in totaliteit gericht geweest op woningbouw, het zwembad en realisering van de parkeergarage. Het rapport is gedateerd 16 oktober 2024 en is als Bijlage 9 bij deze motivering gevoegd. Op basis van het rapport kan worden vastgesteld dat het planvoornemen geen risicovolle objecten mogelijk maakt. Verder is geconstateerd dat het besluitgebied niet binnen een aandachtsgebied en/of PR 1 x 10-6 per jaar contouren van omliggende risicovolle activiteiten ligt. Ook is geconstateerd dat geen verdere beschouwing plaats hoeft te vinden over het al dan niet aanwijzen van een voorschriftengebied.

Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.1.9 Elektromagnetische velden

In het Besluit activiteiten leefomgeving zijn regels opgenomen omtrent milieubelastende activiteiten. Het omzetten van elektrische energie in elektromagnetische stralingsenergie bij een groter elektrisch vermogen dan 4kW is een dergelijke milieubelastende activiteit.

Elektromagnetische velden van antennes kunnen het lichaam opwarmen. Dat kan slecht zijn voor de gezondheid en daarom zijn er blootstellingslimieten. Mensen mogen niet worden blootgesteld aan elektromagnetische straling boven de blootstellingslimieten van de International Commission on Non-Ionizing Radiation Protection (ICNIRP).

De toelatingsregels van het omgevingsplan borgen dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden. Meestal blijkt uit de aanvraag voor een omgevingsvergunning omgevingsplanactiviteit dat de blootstellingslimieten niet worden overschreden.

Onderzoeksresultaten

Voorliggende ontwikkeling voorziet niet in de realisatie van een antenne installatie, waardoor elektromagnetische velden ontstaan. Evenmin is er sprake van elektromagnetische velden in de directe omgeving van het besluitgebied.

Conclusie

Het aspect elektromagnetische velden vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.1.10 Windhinder

Binnen artikel 2.1 van de Omgevingswet is windhinder gedefinieerd. Hierbij is gesteld dat bij het wijzigen van een omgevingsplan rekening moet worden gehouden met hinderaspecten, zoals wind, geluid en dergelijke, voor zover deze gevolgen hebben voor de gezondheid, veiligheid en het welzijn van mensen in de omgeving. Windhinder wordt daarbij beschouwd als een relevant milieuthema dat meegewogen in de afweging van functies en activiteiten binnen het omgevingsplan. Gemeenten kunnen zelf regels stellen over windhinder in het omgevingsplan, als deze passen binnen de doelen van de wet: een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit (artikel 1.3 Omgevingswet).

Onderzoeksresultaten

Het aspect is onderzocht Actiflow BV. Het rapport is als bijlage 18 bij deze motivering gevoegd. Er worden in de rapportage twee zones aangegeven, waar sprake is van maximale windhinder, gedefinieerd als klasse D. Binnen het rapport wordt geconcludeerd dat het windonderzoek het volgende laat zien:

  • a. Het windklimaat in het openbaar voetgangersgebied rondom het besluitgebied is acceptabel;
  • b. Het windklimaat nabij bestaande entreegebieden in de nabijheid van het besluitgebied is acceptabel;
  • c. Er is geen risico of beperkt risico op windgevaar gevonden op en om het besluitgebied;
  • d. Binnen het besluitgebied is het windklimaat gevarieerd. Hier komt maximaal windhinderklasse D voor;
  • e. Afhankelijk van de indeling van het besluitgebied en hiermee de toekenning van functies kan het hier getoonde windklimaat geaccepteerd worden, of zijn maatregelen gewenst. Voorliggend rapport geeft de benodigde informatie voor deze beoordeling.

Voor wat betreft de te nemen maatregelen om het windklimaat gunstiger te maken. In basis kan hierbij het volgende stappenplan worden aangehouden:

  • 1. Aanpassingen aan de stedenbouwkundige opzet;
  • 2. Aanpassingen aan de plaatsing van bouwvolumes binnen het besluitgebied;
  • 3. Toepassen van setbacks of het voorzien van een plint;
  • 4. Toepassen van schermen of luifels als bouwkundige voorziening;
  • 5. Toepassen van vaste elementen op maaiveld, zoals schermen, overkappingen, pergola's of kunstwerken;
  • 6. Het veranderen van de indeling van het (openbaar) gebied, zoals het verleggen van de looproute, of het ontoegankelijk maken van specifieke gebieden;
  • 7. Toepassen van wintergroene vegetatie op maaiveld. Deze maatregel wordt bij voorkeur enkel ingezet om van een matig naar een goed comfortniveau te gaan. Het acceptabel maken van een onacceptabel windklimaat vraagt meer permanente elementen.

Resumé

Uit de rapportage blijkt dat er twee spots zijn waar windhinder klasse D kan ontstaan. Nadrukkelijk gaat het hier om hinder en niet om gevaar. Geconcludeerd kan worden dat het bij deze spots (spotA en spotB) niet gaat om valwinden, maar om drukopbouw in de besloten tussenruimte tussen de woontorens, vooral wanneer de wind waait uit zuid-zuidwestelijke richting. Ter voorkoming van deze windhinder wordt hier bij de inrichting van de buitenruimte rekening gehouden, door het aanbrengen van wintergroene vegetatie en/of het niet toegankelijk maken van de geplande border op de spots. Dit aspect zal verder worden meegenomen bij het ontwerp van de buitenruimte.

Conclusie

Uitgangspunt is dat de mogelijke winderhinder als gevolg van de bouw opgelost kan worden, zoals hiervoor is opgenomen. Bij de omgevingsvergunning zal dit concreet gemaakt moeten worden. Het aspect windhinder vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.1.11 Bezonning en schaduwwerking

Voor wat betreft de minimale bezonningseisen hanteert de gemeente de volgende uitgangspunten:

  • Woningen: moeten minimaal 2 uur direct zonlicht ontvangen op de gevel of buitenruimte op de kortste dag van het jaar (21 december/lichte norm)
  • Scholen en zorginstellingen; moeten voldoende zonlicht krijgen op speelplaatsen, tuinen en verblijfsruimten, waarbij maatwerk mogelijk is afhankelijk van functie en gebruikstijden.

Bij hoogbouwprojecten als de Vlijtse Parktorens is een schaduwanalyse. De analyse moet inzicht geven in:

  • De tijdstippen en duur van schaduwval;
  • De aangetaste functies (zoals woningen, scholen en zorginstellingen);
  • De mogelijke mitigerende maatregelen (zoals verspringende volumes en afstand tot perceelgrens).

Onderzoeksresultaten

Door Barcode Architects is een bezonningsanalyse uitgevoerd. De analyse is als Bijlage 19 bij deze motivering gevoegd. Op basis van de Atlas voor de Leefomgeving kan worden vastgesteld dat er geen woningen zijn gesitueerd in de directe omgeving van het besluitgebied. De schaduweffecten zijn zodanig dat toetsing van minimale bezonning van 2 uur op 21 december op de gevel of buitenruimte van woningen achterwege kan blijven. Deze situatie doet zich namelijk niet voor.

Verder kan worden opgemerkt dat op basis van de analyse kan worden vastgesteld dat voor de nabijgelegen scholen voldoende zonlicht valt op speelplaatsen en/of verblijfsruimten. Daarbij kan worden opgemerkt dat de scholen geen of nauwelijks schaduwwerking ondervinden in de referentietijden van de vier genoemde maanden.

Op grond van bovenstaande kan worden vastgesteld dat geen mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn in de bouwplannen (woontorens).

Conclusie:

Het aspect bezonning vormt geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.1.12 Milieueffectrapportage

De wet- en regelgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarin is bepaald dat het bevoegd gezag bij de voorbereiding van een plan of programma een milieueffectrapport opstelt, als dat plan of programma het kader vormt voor te nemen besluiten voor projecten die zijn aangewezen in artikel 16.43 van de Omgevingswet. Onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling), wordt in ieder geval verstaan een omgevingsvisie, programma, omgevingsplan en voorkeursbeslissing. Voor de plannen en programma's waarvoor een plan-milieueffectrapport moet worden opgesteld is in de Omgevingswet een generieke aanwijzing opgenomen. Hiervoor is aansluiting gezocht bij de SMB-richtlijn. In Bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan de aangewezen categorieën van projecten waarvoor een m.e.r.-procedure verplicht is.

Voor plannen en programma's die betrekking hebben op kleine gebieden op lokaal niveau en/of kleine wijzigingen heeft de Omgevingswet de plan-m.e.r.-beoordeling geïntroduceerd. Voor deze ontwikkelingen is een plan-m.e.r. alleen verplicht als voor de activiteit aanzienlijke milieugevolgen worden verwacht. Een plan-m.e.r.-beoordeling is ook van toepassing op plannen of programma's die een kader vormen voor m.e.r.-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten die niet in het Omgevingsbesluit zijn genoemd.

De plan-m.e.r.-beoordeling betreft een toets om na te gaan of sprake is van een plan met grote milieugevolgen. Deze toets dient plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van het project, plaats van het project en kenmerken van het potentiële effect.

Onderzoeksresultaten

Door Witteveen & Bos is een Milieueffectrapportage uitgevoerd. Het rapport is als Bijlage 20 bij deze motivering beschikbaar. De aanleiding van het MER zijn de beoogde ontwikkelingen in de Kanaalzone. Een gebied dat als een ontwikkelgebied is aangemerkt in de Omgevingsvisie Woest Aantrekkelijk Apeldoorn. In deze zone bied de gemeente Apeldoorn ruimte voor groei van het aantal inwoners en economische activiteiten in de stad. In de Kanaalzone Noord liggen een zestal deelontwikkelingen met een bouwprogramma, waarvan Vlijtsepark Torens onderdeel is. Vastgesteld is in de MER wat de milieueffecten zijn van de gebiedsontwikkeling Kanaalzone Noord. Hierdoor wordt het milieubelang volwaardig meegewogen bij de uitwerking van onder meer dit omgevingsplan.

Doel van het MER
Zoals gezegd is het doel om het milieubelang volwaardig en vroegtijdig in te brengen bij de plan- en besluitvorming. Het onderzoek heeft zich toegespitst op een strategisch MER op planMER niveau, waarbij de Kanaalzone Noord integraal is meegewogen.

Huidige situatie en referentiesituatie

Binnen de MER worden de huidige situatie en referentiesituatie aangegeven aan de hand van de volgende onderdelen: mobiliteit, geluid, luchtkwaliteit, geur, sociale veiligheid, hittestress, natuur, water en energie.

Alternatieven

De aanwijzing van de ontwikkeling van Kanaalzone Noord is vanuit een breder, gemeentelijk milieuperspectief onderzocht in het OER van de Omgevingsvisie. Het voorgenomen bouwprogramma van de gebiedsontwikkeling als geheel staan vast. Doordat de gemeente een WBI-aanvraag heeft ingediend en ook is toegekend is ook het bouwprogramma per deelontwikkeling gelijk in ieder alternatief.

Variatie zit in de ruimtelijke ingrepen en maatregelen die van zijn invloed zijn op (de ambities) van de milieuthema's. Verder is gevarieerd in de stedenbouwkundige uitwerking tussen de alternatieven, met de toepassing van conceptuele bouwopzetten. In de gebouwconcepten wordt gevarieerd in gebouwhoogte, massa, oriëntatie en positie, afgestemd op de leidende ambities van het thematische alternatief. Kort samengevat gaat het hierbij om het basisalternatief, mobiliteitsalternatief, groen/blauw alternatief en energiealternatief.

Resultaten en gevolgen
Uit de MER zijn de gevolgen en resultaten die relevant zijn voor de parkeergarage gedestilleerd. Deze zijn hieronder per onderdeel weergegeven.

Mobiliteit

In het mobiliteitsalternatief wordt een fysieke barrière (knip) in de Vlijtseweg geplaatst. Hierdoor neemt op 17 wegvakken de verkeersintensiteit toe met meer dan 10% en op 2 wegvakken nemen de verkeersintensiteiten af met meer dan 10%. De robuustheid van het netwerk wordt hierdoor ook sterk verminderd. Het voorkeursalternatief heeft geen fysieke barrière wat resulteert in een minder negatieve beoordeling.

Windhinder

Het grootste risico op windhinder in het voorkeursalternatief treedt op bij Vlijtsepark Torens. Het risico op windhinder neemt significant toe door de combinatie van de hoogte van de torens, de tunneleffecten als gevolg van de openingen tussen de torens als solitaire gebouwen en de voorziene verblijfsfunctie rondom de gebouwen.

Oppervlakteverlies

Op basis van het basis- en mobiliteitsalternatief neemt het oppervlakteverlies het meeste af als gevolg van de voorgenomen gebiedsontwikkeling. Gaat om toename in bebouwing en verhard oppervlak. Resultaat: verlies in omvang en/of kwaliteit van het leefgebied van beschermde en Rode lijstsoorten. In het voorkeursalternatief neemt het oppervlakteverlies minder af.

Verstoring

In alle alternatieven treedt verstoring op door onder andere een toename aan menselijke activiteiten, waaronder verkeersbewegingen. Het groen/blauwalternatief houdt hier het meeste rekening mee, door de realisatie van door een onverlicht ecolint, ook ontoegankelijk voor langzaam verkeer, en toevoeging van extra biodivers groen op maaiveld. Het voorkeursalternatief voorziet in 3 ecolinten, waarvan ook een onverlicht en een ontoegankelijk voor langzaam verkeer, wat resulteert in een minder grote verstoring.

 

Energiebalans

In alle alternatieven neemt de energievraag als gevolg van de gebiedsontwikkeling sterk toe. In geen van de alternatieven is sprake van een sluitende energiebalans, waardoor elektriciteit van het elektriciteitsnet moet worden afgenomen. In het energiealternatief is de disbalans het minst groot, door de grote inzet op energieopwekking vanuit zonnepanelen. In het voorkeursalternatief wordt ook ingezet op energieopwekking met zonnepanelen, door de daken hiervoor maximaal te benutten. De disbalans van de elektriciteitsafname en -opwekking wordt daarmee klein gehouden. Dit wordt geholpen door de realisatie van een collectief warmtenet, waarmee een elektriciteitsvraag voor de warmtevoorziening wordt voorkomen.

Netimpact

In het basisalternatief is de netimpact het grootst, als gevolg van de grote elektriciteitsvraag die de individuele warmtevoorzieningen per woning met zich meebrengt. Omdat in het voorkeursalternatief (gelijk aan het energiealternatief) wordt voorzien in een collectief warmtenet en de opwek van zonne-energie met zonnepanelen op daken wordt gemaximaliseerd, valt de netimpact lager uit.

Effecten op CO²-uitstoot

In het groen/blauw alternatief leidt de maximale vergroening van daken ertoe dat er geen ruimte meer is voor energieopwekking vanuit zonnepanelen. Daardoor treden in dit alternatief de hoogste CO²-emissies op voor de opwek van elektriciteit en warmte. Doordat het voorkeuralternatief juist een collectief warmtenet en opwek van zonne-energie maximaliseert, resulteert het voorkeursalternatief in lagere CO²-emissies voor de opwek van elektriciteit en warmte.

Aanbevelingen per thema

De belangrijkste aanbevelingen per milieuthema over de complete Kanaalzone Noord zijn hieronder weergegeven.

Mobiliteit:

  • 1. parkeervoorziening en regulering: onderzoek de mogelijkheid om een parkeerbeleid in te voeren in omliggende wijken om te voorkomen dat bewoners van Kanaalzone Noord parkeeroverlast veroorzaken in aangrenzende gebieden;
  • 2. fietsparkeren: voorkom fietsparkeerproblemen als gevolg van de grote toename van fietsintensiteiten, door aandacht te besteden aan (voldoende) fietsparkeerplaatsen;
  • 3. verkeersveiligheid: verbeter de infrastructuur voor fietsers door de aanleg van vrijliggende fietspaden of het herinrichten van wegen als fietsstraten, met name op de Vlijtseweg en Laan van Kerschoten. Een andere optie is een autoluwe inrichting van de gebiedsontwikkeling. Een verkeersveiligheidsstudie kan helpen in het identificeren van specifieke knelpunten en het optimaliseren van de wegindeling.

Geluid:

  • 1. reduceer wegverkeerslawaai: overweeg om met bron- en/of overdrachtsmaatregelen de geluidemissie afkomstig van doorgaande wegen als de Edisonlaan/Laan van Zevenhuizen en de Vlijtseweg te verminderen. Dit kan bereikt worden door het toepassen van stil(lere) wegdekken, reduceren van de maximale rijsnelheid en de plaatsing van lage schermen;
  • 2. reduceer industrielawaai: de geluidbelasting afkomstig van de bestaande, niet-vertrekkende bedrijvigheid kan worden verminderd door het toepassen van geluidmaatregelen bij de bedrijven zelf, zoals het installeren van geluiddempers en afschermingen (dit moet blijken uit aanvullend onderzoek);
  • 3. verbeter het akoestisch klimaat: bij de verdere stedenbouwkundige uitwerking van de deelontwikkelingen is het van belang om geluidbewust te ontwerpen, zodat bij de woningen een voldoende akoestisch klimaat bereikt kan worden. Vergroot de afstand tussen de nieuwe geluidgevoelige objecten en de geluidbronnen, zorg voor geluidluwe zijden aan de woningen en werk gevelmaatregelen uit. Voor de deelontwikkelingen Vlijtsepark en Wilhelm Tell geldt dit in het kader van wegverkeerslawaai, voor het Zwitsalterrein en Vlijtsekade II voor industrielawaai;
  • 4. evenementenlawaai: optimaliseer de opstelling van het podium en de geluidboxen van evenementen ten opzichte van de nieuwe geluidgevoelige objecten (geluid van evenementen).

Sociale veiligheid:

  • 1. breng voldoende verlichting aan en behoud de zichtlijnen (met name bij de toevoeging van groen in de openbare ruimtes) in het gebied om de ervaren sociale veiligheid te waarborgen.

Hittestress:

  • 1. extra toevoeging schaduw: lokale toename van de gevoelstemperatuur kan worden beperkt door meer schaduw te creëren. Dit is met name van belang op strategische locaties als verblijfsplekken waar mensen zitten of slenteren, zoals het geval is in het Vlijtsepark en op het Zwitsalterrein;
  • 2. ventilatie: houd voldoende afstand tussen gebouwen voor ventilatie, met name vanuit oostelijke richting, om te voorkomen dat warme lucht blijft hangen tussen gebouwen.

Windklimaat:

  • 1. aanvullend onderzoek: voer aanvullend onderzoek naar windklimaat uit bij hoogbouw hoger dan 15 m, om de effecten op het windklimaat specifieker in beeld te brengen. Specifiek de opzet van de solitaire torens van de Vlijtsepark Torens kunnen resulteren in een significante toename van de windhinder;
  • 2. optimaliseer het stedenbouwkundig ontwerp: limiteer de hoeveelheid hoogbouw (vooral direct grenzend aan locaties met kwetsbare verblijfsfuncties), beschut hoogbouw door omliggende laagbouw en voorkom trechtervorming tussen hoogbouw;
  • 3. optimaliseer het architectonisch ontwerp: aerodynamische vormgeving van gebouwen en bouwblokken, getrapte bouwblokken met treden aan de voet van hoogbouw, hoogbouw centraal in een bouwblok, wind-doorlatende nieuwbouw en elementen als luifels en arcades langs de plint remmen de wind lokaal af en verbeteren daarmee het lokale windklimaat;
  • 4. wijzig verblijfsfuncties: limiteer de verblijftijd in de buurt van aandachtsgebieden, door hier een relatief lichte verblijfsfunctie als (door)lopen aan toe te kennen, of niet als zijnde verblijfruimte aan te merken.

Natuur:

  • 1. stikstofdepositie: de gebiedsontwikkeling leid tot een toename van stikstofdepositie. Verminder de verkeersaantrekkende werking om de stikstofdepositie verder te reduceren, en onderzoek de mogelijkheden om (rest)deposities te mitigeren met behulp van een externe saldogever. Onderzoek specifiek welke mogelijkheden er zijn met het vertrek van Fuite. De individuele deelontwikkelingen moeten de effecten van een eventuele stikstofdepositietoename ook op projectniveau toetsen aan de Omgevingswet;
  • 2. soorten: voer nader onderzoek uit naar beschermde soorten (in ieder geval vleermuizen, vogels, grondgebonden zoogdieren en dagvlinders). Tref maatregelen voor foeragerende/overvliegende vleermuizen (indien deze verstoord worden), algemene broedvogels, amfibieën, reptielen, vissen en vlinders, libellen en ongewervelden. Creëer nieuw robuust leefgebied, en nieuwe rust- en/of verblijfplaatsen. Pas faunavriendelijke verlichting toe;
  • 3. biodiversiteit: behoud bestaande groenstructuren en bomen met hoge biodiversiteit. Hier leven al diverse soorten, en oudere ecosystemen en bomen bieden leefgebieden en ecologische verbindingen die jonge aanplant niet direct kan vervangen.

Water: 

  • 1. optimaliseer de waterhuishouding: de toevoeging van extra groen oppervlak, infiltratievoorzieningen en hogere biodiversiteitswaarden leiden tot een robuuster watersysteem. Vanuit waterhuishoudkundig perspectief is het lonend om zoveel mogelijk van deze maatregelen toe te passen;
  • 2. waterafvoer: besteed aandacht op het voldoende hoogte plaatsen van de bruggen over de watergangen, zodat deze geen obstakel vormen voor het afvoeren van water.

Landschap:

  • 1. belevingswaarde De Grift: plaats informatievoorziening bij De Grift door middel van bijvoorbeeld met tekst en beeld, QR-codes, of kunst in de openbare ruimte. Deze informatievoorziening zal de belevingswaarde en het begrip van De Grift vergroten;
  • 2. verminderde verstoring bruggen: ontwerp de bruggen over De Grift rank en 'doorzichtig', zodat het doorzicht zo min mogelijk wordt verstoord en de bruggen beter passen bij de omgeving.

Cultuurhistorie:

  • 1. aansluiting bij bestaand industrieel karakter: laat het architectonisch ontwerp en materialisering van nieuwe bouwblokken aansluiten bij de bestaande (industriële bebouwing). Behoud delen van de verharding van het Zwitsalterrein en de kadeverharding;
  • 2. oriëntatie hoofdassen: laat hoofdassen en de bestaande haaks georiënteerde wegen, ondanks doorsnijding van nieuwe infrastructuur, de boventoon voeren in het besluitgebied.

Stedenbouwkundige aspecten:

  • 1. stel een totaal overkoepelend stedenbouwkundig plan of masterplan op om de juiste keuzes te maken en samenhang in het gebied aan te brengen. Vertaal dit naar een ruimtelijk kwaliteitskader (of beeldkwaliteitsplan) en stel dit vast. Hier kunnen aspecten zoals samenhang of herkenbaarheid worden vastgelegd (in principes of als ruimtelijke randvoorwaarden). Stel een kwaliteitsteam vast om gedurende het ontwerpproces hierop te toetsen.

Energie:

  • 1. energieopslag: implementeer een vorm van energieopslag om de energiebalans (ook per etmaal) op orde te krijgen. Het overschot van de elektriciteitsproductie van de zonnepanelen tijdens de middaguren kan dan worden gebruikt voor de elektriciteitsvraag in de avond en nacht;
  • 2. reduceer opwekkingspiek: reduceer de piekopwekking van elektriciteit van de gebiedsontwikkeling, door het plaatsen van een passende hoeveelheid zonnepanelen tijdens de piekvraag van de gebiedsontwikkeling, een oost-west oriëntatie waarmee de productie meer verspreidt over de dag plaats vindt, of zet voor een gedeelte zonnecollectoren in;
  • 3. netcongestie: verminder mogelijke problemen rond netcongestie door een slim energiesysteem toe te passen, waarin het overschot van elektriciteit gebruikt wordt om elektrische auto's overdag op te laden draagt bij aan een lagere netimpact.

Circulariteit:

  • 1. duurzame materialen: gebruik duurzame materialen om de CO²-uitstoot als gevolg van de realisatie van de gebiedsontwikkeling te verminderen.

Slotsom
Op basis van het voorgaande is gekozen voor het basisalternatief op basis van ruimtelijke ingrepen en maatregelen. Aangevuld met enkele maatregelen en ingrepen vanuit de andere alternatieven. Veelal voortgekomen uit voortschrijdend inzicht bij uitwerking van de gebiedsontwikkeling en gemaakte afspraken (gesloten business cases) met de verschillende ontwikkelende partijen van de deelontwikkelingen. Dit TAM-omgevingsplan voldoet aan het voorkeursalternatief.

Mer-beoordeling

Door Haskoning is een rapport opgesteld waarin ingegaan wordt op de mer-beoordeling. Het rapport, met referentie: BK1241-HK-0002-merbeoordeling, gedateerd 18 november 2025, is als Bijlage 21 bij deze motivering gevoegd. In de mer-beoordeling worden per aspect een afweging gemaakt of het binnen dit omgevingsplan gesteld planvoornemen belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu.

Uit onderzoek blijkt dat als de voorgestelde maatregelen, die samenhangen met de behandelde aspecten in acht worden genomen, er geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.

Op 9 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders van Apeldoorn op basis van de hiervoor bedoelde aanmeldnotitie een project-merbeoordelingsbesluit genomen. Het besluit houdt in dat bij de voorbereiding van de onderhavige wijziging van het omgevingsplan geen MER hoeft te worden opgesteld.
Het project-merbeoordelingsbesluit is opgenomen in Bijlage 22 van de BIJLAGEN BIJ DE MOTIVERING.

4.2 Waterhuishouding

4.2.1 Algemeen

Het gebied van de Vlijtse woontorens ligt in bestaand stedelijk gebied. Het besluitgebied is circa 1 hectare groot. Het besluitgebied bevindt zich wel binnen enige Keurzone (Grift, betreft A-water) en niet binnen de zoekgebieden voor waterberging die de provincie Gelderland in de omgevingsvisie heeft aangegeven.

4.2.2 Grondwater

Het gebied ligt ten westen van het Apeldoorns Kanaal en daarmee in de grondwaterfluctuatiezone die (toelichtend) in de Omgevingsvisie Gelderland is vastgelegd. Er zijn in en om het besluitgebied geen gegevens van peilbuizen in de omgeving beschikbaar van het grondwaterpeil. Op basis van de isohypsenkaart van de provincie Gelderland ligt de GHG in het besluitgebied tussen NAP+ 10,5 m en NAP+ 11,0 m. Er is in en om het besluitgebied geen grondwateroverlast bekend.

Om grondwateroverlast te voorkomen dient bij de ontwikkeling van het besluitgebied rekening te worden gehouden met voldoende drooglegging en ontwateringsmogelijkheden. Grondwater mag hierbij niet structureel worden afgevoerd. Hierdoor zal het plan grondwaterneutraal worden ontwikkeld.

4.2.3 Oppervlakte water en waterafhankelijke natuur

Aan de oostzijde van het besluitgebied loopt de Grift. Dit is een A-water. Door dit plan ontstaat geen extra oppervlaktewater. Er zal niet geloosd worden op het oppervlaktewater. Doordat hemelwater lokaal wordt opgevangen, geborgen en geïnfiltreerd naar de ondergrond heeft het plan geen nadelige gevolgen voor de kwaliteit van het oppervlaktewater. Het plan heeft daarmee geen nadelige gevolgen voor het oppervlaktewatersysteem in de omgeving.

In en om het besluitgebied komt geen waterafhankelijke natuur voor. Het plan heeft derhalve geen nadelige gevolgen voor de waterafhankelijke natuur.

4.2.4 Afvoer van regenwater

In het besluitgebied en de omgeving daarvan ligt een gemengd rioolstelsel waarmee vuil- en regenwater gezamenlijk worden afgevoerd. De capaciteit van dit riool is voldoende om bij de maatgevende regenbui die eens per 2 jaar optreedt geen water op straat te veroorzaken.

Het gemeentelijk beleid is er op gericht om bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen de afvoer van regenwater niet op de riolering aan te sluiten. In het gemeentelijke beleid is opgenomen dat het regenwater dat afkomstig is van daken en verhardingen in principe in de bodem moet worden geïnfiltreerd door middel van een infiltratievoorziening van voldoende capaciteit op eigen terrein.

Bij het bepalen van de hoeveelheid regenwater dat in het plan dient te worden geborgen, hanteert de gemeente de Beslisboom voor regenwater, welke gebaseerd is op het gecombineerde beleid van gemeente en waterschap.

Het waterschap vereist voor nieuwe ontwikkelingen een bergingscapaciteit van 60 mm in het besluitgebied, hier mag de infiltratiecapaciteit naar de bodem (gedurende 24 uur) van afgetrokken worden. Deze berging mag zowel in als buiten de infiltratievoorzieningen plaats vinden.

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0018.png"

Bij het bepalen van de voorkeursvolgorde in het omgaan met hemelwater wordt de waterladder van Apeldoorn gehanteerd:

afbeelding "i_NL.IMRO.0200.tam0021-vas1_0019.png"

In dit besluitgebied wordt het regenwater terplekke vastgehouden en geïnfiltreerd in de ondergrond en er wordt géén hemelwater afgevoerd naar het oppervlaktewater. Doordat het geen vervuilingsgevoelige oppervlakken betreffen, wordt voorkomen dat het te infiltreren regenwater het grond- en/of oppervlaktewater verontreinigt.

4.2.5 Afvoer van afvalwater

De nieuwe gebouwen dienen te worden voorzien van gescheiden afvoeren voor vuil- en regenwater, zoals op grond van het Bouwbesluit verplicht is. De vuilwaterafvoer van de bebouwing wordt aangesloten op het gemeentelijke gemengde rioolstelsel. Het bestaande rioolstelsel in en om het besluitgebied heeft voldoende capaciteit voor deze extra vuilwaterafvoer van de nieuwbouw.

4.2.6 Watertoets

In verband met de hoeveelheid verhard oppervlak en omdat het besluitgebied in een Keurzone (A-water) en onderhoudsstrook van dit A-water ligt, moet er afstemming zijn met het waterschap. Hier wordt bepaald welke invloed het plan heeft en welke maatregelen genomen moeten worden. De uitkomsten van de afstemming dienen opgenomen te worden in het plan en de maatregelen moeten hierin ook opgenomen worden.

Het ontwerp van dit plan wordt in het kader van het overleg ex artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening toegezonden aan het Waterschap Vallei en Veluwe.

4.3 Flora en Fauna

Soortenbescherming

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het besluitgebied. De Omgevingswet beschermt bepaalde plant- en diersoorten. Het gaat hoofdzakelijk om soorten van Europees belang die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen. Daarnaast betreft het bepaalde soorten van nationaal belang. In principe zijn provincies verantwoordelijk voor de bescherming van soorten (artikel 2.18, lid 1, sub f). Echter kunnen ook andere overheden actief beleid voeren. Zo is het vaststellen van een programma voor soortenbescherming een mogelijkheid.

Soortenbescherming is in de Omgevingswet vooral gericht op het reguleren van flora-en fauna-activiteiten. Een flora en fauna-activiteit is een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • 1. er soorten aanwezig zijn;
  • 2. welke soorten dat zijn.

Voordat een flora en fauna-activiteit mag worden verricht, moet gecontroleerd worden of er aanwijzingen zijn dat op die plek of in de directe nabijheid bepaalde beschermde soorten of habitats voorkomen. Als er aanwijzingen zijn dat deze aanwezig zijn, dan is het verplicht om na te gaan of nadelige gevolgen voor die dieren of planten uit te sluiten zijn. Als nadelige gevolgen niet uitgesloten kunnen worden, moet degene die de activiteit verricht alle passende preventieve maatregelen treffen om nadelige gevolgen voor dier- en plantensoorten te voorkomen. Voor schadelijke handelingen geldt in de meeste gevallen een vergunningplicht. In een aantal gevallen is echter ook sprake van een vrijstelling.

Gebiedsbescherming

De bescherming van natuurgebieden is tweeledig; het Rijk is verantwoordelijk voor de bescherming van Natura 2000-gebieden en de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een verantwoordelijkheid van de provincies.

Een Natura 2000-gebied is een beschermd natuurgebied van Europees belang. Bescherming van deze gebieden is nodig voor het behoud van de biodiversiteit (soortenrijkdom) en om te voldoen aan de verplichtingen van de Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Nieuwe ontwikkelingen (activiteiten) die - afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significant negatieve gevolgen kunnen hebben op een Natura 2000-gebied, zijn onder de Omgevingswet gedefinieerd als 'Natura 2000-activiteit'. Deze kunnen zowel binnen als buiten een Natura 2000-gebied plaatsvinden. In de meeste gevallen vindt de activiteit echter plaats buiten een Natura 2000-gebied. Ook dan kan een activiteit effect hebben op het Natura 2000-gebied. Dit wordt ook wel de 'externe werking van een Natura 2000-gebied' genoemd. Als het effect significant kan zijn, is in veel gevallen een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit nodig.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd in de omgevingsverordening van de provincies. Daarin zijn de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN-gebieden vastgelegd en zijn regels gesteld in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden.

Houtopstanden

Om bossen te beschermen en vanwege internationale regels heeft het Rijk regels voor het vellen van houtopstanden, herbeplanten, het verhandelen en bezit van hout(producten). Degene die zo'n activiteit uitvoert, moet voldoen aan die regels, zoals de specifieke zorgplicht. Er kan ook een meldingsplicht gelden. In paragraaf 11.3.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving is beschreven in welke gevallen een meldplicht geldt voor het vellen van een houtopstand en of er een herplantplicht van toepassing is.

Gemeenten dienen op grond van artikel 5.165b van het Besluit kwaliteit leefomgeving een bebouwingscontour houtkap op te nemen in het omgevingsplan. De algemene regels over het vellen van houtopstanden uit het Bal zijn alleen van toepassing buiten de "bebouwingscontour houtkap", zoals die is opgenomen in het omgevingsplan. Binnen de bebouwingscontour houtkap gelden uitsluitend de in het omgevingsplan gestelde regels over de kap van bomen. Gemeenten bepalen zelf of zij binnen de bebouwingscontour houtkap regels stellen ten aanzien van houtkap.

Resultaten QuickScan

Door Ecofect is een quickscan uitgevoerd op de locatie van de woningbouw. Het onderzoek dateert van 19 mei 2023, met projectnummer QS50686, en is als Bijlage 10 bij deze motivering gevoegd.

Op basis van de QuickScan is vastgesteld dat bij de geplande sloopt mogelijk de Wet Natuurbescherming wordt overtreden.

Gebiedsbescherming
Gezien de aard van de werkzaamheden en de afstand ten opzichte van Natura 2000-gebieden wordt geen verstoring verwacht. Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht.
Bij de sloop wordt mogelijk stikstofdepositie verwacht. Een Aeriusberekening wordt geadviseerd voor de aanlegfase

Natuur Netwerk Nederland
Het besluitgebied is gelegen buiten het Natuur Netwerk Nederland en ook buiten de groene ontwikkelingszone. Vastgesteld is dat het Natuur Netwerk in Gelderland geen externe werking kent.
Verdere toetsing is niet aan de orde.

Soortenbescherming
Er wordt een nader onderzoek geadviseerd naar vleermuizen, huismus en gierzwaluw.

Houtopstanden
Er worden geen bomen gekapt, zoals bedoeld in de wet Natuurbescherming, vallend onder het onderdeel houtopstanden.

Afweging
De wet Natuurbescherming is overgegaan in de Omgevingswet. Er geldt in dit kader een overgangsrecht.
Onderzoek naar eventuele stikstofdepositie zal zowel voor de aanleg- als de gebruiksfase noodzakelijk zijn.

Nader onderzoek

Door Ecofect is naar aanleiding van de QuickScan een Ecologisch werkprotocol opgesteld. het rapport, met kenmerk EWP52016 v1.5, is als Bijlage 11 bij deze motivering gevoegd.

Op basis van de rapportage is vastgesteld dat de planning van de werkzaamheden, de algemene maatregelen die genomen moeten worden en de uitvoering van deze maatregelen is al afgestemd tussende opdrachtgever, aannemer en ecoloog. De algemene uitgangspunten zijn in deze situatie van toepassing. Het gaat hierbij om de volgende zaken:

  • Richtlijnen vanuit het SMP zijn leidend.
  • Maatregelen zijn conform richtlijnen uit het EWP
  • 100% behoud functionaliteit habitat voor gewone dwergvleermuis, huismus en gierzwaluw op de lange termijn.
  • Werkzaamheden bestaan uit sloop en nieuwbouw
  • Start werkzaamheden buiten gevoelige of kwetsbare periode
  • Natuurvrij maken beperkt zich tot de groene (voor vleermuis oranje) periodes
  • Alle mitigerende maatregelen worden getroffen binnen het besluitgebied of in de direct aangrenzende omgeving en daarmee binnen de actuele leefgebieden van de betreffende beschermde diersoorten.
  • Alle werkzaamheden worden uitgevoerd in de minst gevoelige periode van beschermde soorten. Ter plaatse van bebouwing met verblijfsfuncties van jaarrond beschermde fauna dienen de verstorende werkzaamheden in de minst gevoelige periode en bij voorkeur indien mogelijk in één werkgang plaats te vinden.
  • Definitieve planning en routing te bespreken met gemeentelijk ecoloog en vast te leggen in het werkprotocol; wijzigingen in planning en uitvoering kunnen effect hebben op het mitigatieplan en de taakstelling en dienen daarom altijd door een gemeentelijk ecoloog te worden beoordeeld in relatie tot het mitigatieplan en SMP.

De rapportage geeft verder inhoud aan de te nemen stappen in de vorm van een stappenplan gebiedsontheffing SMP.

Stikstofdepositie

Bij het TAM-Omgevingsplan voor de parkeergarage is ingegaan op het onderdeel stikstofdepositie. Uitgangspunt is dat de bewoners en de bezoekers van de Vlijtse Woontorens gebruik moeten maken van de parkeergarage.

Bij de berekening van de stikstofdepositie voor de parkeergarage is ook rekening gehouden met de bezoekers van het zwembad.

In algemene zin kan worden aangegeven dat ten behoeve van de realisatie van een aantal projecten in Apeldoorn sprake is van een toename van de stikstofdepositie. Hierdoor is het noodzakelijk om mitigerende maatregelen te treffen om deze projecten te kunnen realiseren.

Aangegeven kan worden dat de gemeenteraad op 7 februari 2025 besloten heeft tot aankoop van stikstofruimte elders. De stikstofrechten zijn gekocht van twee agrariërs, de geheel of gedeeltelijk zijn gestopt met hun bedrijfsvoering/veestapel.

Vastgesteld is dat de stikstofdepositie toeneemt in het naastgelegen Natura-2000 gebied De Veluwe met 0,04 mol/ha/jr. Voorgaande resulteert in de noodzaak tot een passende beoordeling, waarbij extern salderen als mitigerende maatregel kan worden ingezet. Voor extern salderen geldt verder nog wel een natuurvergunningsplicht.

Stikstofonderzoek

Door Ecofect is een stikstofonderzoek uitgevoerd. Het rapport met projectnummer SO 54041 en gedateerd 10 november 2025, is als Bijlage 12 bij deze motivering gevoegd. De berekeningen zijn uitgevoerd met de meest recente AERIUS-tool. De bijbehorende berekeningen en extra beoordeling zijn terug te vinden in de Bijlagen 13, 14, 15 en 16.

Op basis van onderzoek en berekening wordt geconcludeerd dat tijdens de aanlegfase en gebruiksfase de nu gehanteerde grenswaarde van stikstofdepositie van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Er is dan ook geen sprake van significante verslechtering, waardoor een vergunning of een Voortoets Stikstof niet noodzakelijk is.

Conclusie:

Mits het stappenplan gebiedsontheffing uit het Ecologisch werkprotocol, Bijlage 11, wordt aangehouden vormt ecologie en ook stikstof geen belemmering voor dit omgevingsplan.

4.4 Archeologie

Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed en archeologie in Nederland. Het is op basis hiervan verplicht om de facetten historische (steden)bouwkunde en historische geografie mee te nemen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden. Hiervoor is onderzoek noodzakelijk: het archeologisch vooronderzoek. Als blijkt dat in het besluitgebied behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn, dan kan de initiatiefnemer verplicht worden hiermee rekening te houden. Dit kan leiden tot een aanpassing van de plannen, waardoor de vindplaatsen behouden blijven, of tot een archeologische opgraving en publicatie van de resultaten.

Onderzoeksresultaten

In opdracht van RoyalHaskoningDHV is door Synthegra BV te Leusden is een bureau- en inventariserend veldonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd binnen het besluitgebied. De rapportage heeft projectnummer S240077 en dateert van 2 juni 2025. Het rapport is als Bijlage 7 bij de motivering gevoegd.

Bureauonderzoek

Op basis van het bureauonderzoek is voor het besluitgebied een gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld.

Het besluitgebied ligt op een glooiing van sneeuwsmeltwaterafzettingen bestaand uit een laarpodzolgrond met grof zand. Gezien de ouderdom van de te verwachte afzettingen kunnen in het besluitgebied vindplaatsen aanwezig zijn vanaf het laat-paleolithicum tot en met de nieuwe tijd.

Op basis van het bureauonderzoek geldt voor alle perioden een lage verwachting. Op basis van de beleidskaart van de gemeente geldt een lage verwachting voor het gebied. Gezien de aard van de afzettingen is de kans op resten aanwezig, maar door de ligging van het gebied ten oosten van een (veel hoger gelegen) stuwwal is deze niet groot. In de directe omgeving van het besluitgebied zijn meerdere onderzoeken gedaan. Hierin zijn over het algemeen geen archeologische resten aangetroffen, behalve in twee onderzoeken, beide ten zuiden van het besluitgebied. Dit betroffen beide resten van industrie uit de Nieuwe Tijd. Er is echter geen bebouwing bekend in het besluitgebied vanaf 1750 tot en met nu (met uitzondering van de periode 1988-2014) waardoor de verwachting voor deze periode ook op laag blijft staan.

Bodemgaafheid: Ter plaatse van de bestaande bebouwing is de bodem tot minimaal 1 meter beneden maaiveld verstoord, terwijl ter plaatse van de sport- en tennisvelden de bodem minimaal 50 centimeter is verstoord. Verder zijn er op basis van de bekende waarden geen aanwijzing dat er sprake is van verstoring in het

besluitgebied.

Veldonderzoek
Op basis van het gespecificeerde verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek is een verkennend

booronderzoek met een boordichtheid van ten minste 6 boringen per hectare uitgevoerd.

Aangezien het besluitgebied circa 9900 m² groot is, zijn verspreid over het besluitgebied in totaal 6 boringen gezet.

Vanwege het geringe oppervlak en de terreinomstandigheden (bebouwing, verhardingen, begroeiing etc.) zijn de boringen zo gelijkmatig mogelijk over het besluitgebied verdeeld. De exacte boorlocaties zijn ingemeten met een GPS.

Er is geboord met een Edelmanboor met een diameter van 7 cm. De boringen zijn uitgevoerd tot minimaal 25 cm in de C-horizont. Het opgeboorde sediment is verbrokkeld en versneden en geïnspecteerd op de aanwezigheid van archeologische indicatoren. De boringen zijn lithologisch beschreven conform de NEN 5104 en bodemkundig geïnterpreteerd.

Archeologische interpretatie veldonderzoek

Het natuurlijke bodemtype is in het hele besluitgebied verstoord door graafwerkzaamheden.

Vuursteenvindplaatsen bestaan voornamelijk uit strooiing van fragmenten vuursteen en ondiepe

grondsporen, zoals haardkuilen, en bevinden zich in de bovengrond van de oorspronkelijke gooreerdgrond.

Aangezien de bodem is verstoord, zijn eventueel aanwezige vuursteenvindplaatsen verloren gegaan.

Nederzettingsresten uit het neolithicum tot en met de nieuwe tijd bestaan niet alleen uit fragmenten

aardewerk, maar ook uit diepere sporen zoals paalgaten en afvalkuilen. Deze sporen kunnen tot in de Chorizont reiken en zijn mogelijk nog intact. Er is echter sprake van een diepe verstoring in het besluitgebied, van minimaal 1 en maximaal 1,5 meter. Kijkend naar de NAP waarden is de top van de C-horizont tussen 10,46 en 9,94 meter +NAP aangetroffen. Tevens zijn geen sporen van bodemvorming aangetroffen. Hierdoor is de conclusie dat de bodem zodanig is verstoord dat de kans op intacte archeologische resten klein geacht. De top van de C-horizont is in het onderzoek direct ten zuiden (booronderzoek door Synthegra B.V. zaakidentificatienummer 5411012100) aangetroffen tussen 11,5 en 10,6 meter +NAP en tussen 50 en 100 centimeter beneden maaiveld, hier werd tevens geconcludeerd dat de bodem diep was verstoord. Aangezien de top van de C-horizont hier dieper is aangetroffen (zowel ten opzichte van het maaiveld als in NAP waarden) is dit een goede indicatie dat ook hier de bodem flink is verstoord.

Aanbeveling
Op grond van de resultaten van het onderzoek wordt voor de voorgenomen herinrichting van het besluitgebied geen nader archeologisch onderzoek geadviseerd.

Bovenstaande vormt een selectieadvies. Met nadruk willen wij de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat in deze fase van het vergunningsverleningstraject al bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek dienen vooraleerst te worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Apeldoorn). Deze neemt een definitief selectiebesluit aangaande de vrijgave van het besluitgebied voor verdere ontwikkeling zoals omschreven in de vergunningsaanvraag.

Er is getracht een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethoden. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het besluitgebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Synthegra wil de opdrachtgever er daarom op wijzen dat, indien tijdens de werkzaamheden een (mogelijke) archeologische vondst wordt gedaan dan geldt de wettelijke meldingsplicht, zoals omschreven in artikel 5.10 van de Erfgoedwet bij de minister. Uit praktisch oogpunt kan een dergelijke toevalsvondst bij de gemeente worden gemeld.

Conclusie

Het onderdeel archeologie vormt geen belemmering bij de ontwikkelingen binnen dit omgevingsplan, onder voorwaarde dat rekening wordt gehouden met wat hiervoor bij de aanbeveling is aangegeven.

- IS EEN SELECTIEBESLUIT GENOMEN?

- ARCHEOLOGISCHE ZONE IS NIET OPGENOMEN OP PLANKAART.

4.5 Cultuurhistorie

Wettelijk kader

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het besluitgebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Cultuurhistorische analyse

Binnen het besluitgebied en de directe omgeving zijn geen cultuurhistorische waarden meer aanwezig. Ten behoeve van de realisering zullen de bestaande gebouwen gesloopt moeten worden. Belangrijk vanuit cultuurhistorie vormt het behoud van het kanaal met de groene zone langs het kanaal. Deze zijn buiten het besluitgebied gesitueerd, maar zijn in het kader van de bouw van de woontorens wel relevant als aansluitend groen gebied.

Monumenten

Monumenten zijn elementen met een hoge cultuurhistorische waarde die op grond van de Erfgoedwet dan wel de Monumentenverordening als monument zijn aangewezen. In het besluitgebied bevinden zich geen monumenten en kandidaat-monumenten. Rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en beeldbepalende panden hebben een hoge cultuurhistorische waarde, maar hebben geen specifieke regeling in het bestemmingsplan. Voor deze systematiek is gekozen omdat de Erfgoedwet, Wabo en de gemeentelijke monumentenverordening een eigen beschermingsregime kennen via een vergunningensysteem. Bovendien is het monumentenbestand nog in ontwikkeling. Het opnemen van specifieke bestemmingen of aanduidingen voor de monumenten en beeldbepalende panden zou betekenen dat voor iedere mutatie in het monumentenregister een bestemmingsplanherziening in gang moet worden gezet om het bestemmingsplan/omgevingsplan actueel te houden. Dit wordt niet doelmatig geacht. Vergunningvrij bouwen is in veel gevallen niet van toepassing op rijks- en gemeentelijke monumenten.

Karakteristieke panden

Karakteristieke panden hebben geen monumentenstatus maar zijn door hun cultuurhistorische en ruimtelijke waarde van groot belang voor het karakteristieke beeld van hun omgeving. Die waarden komen onder andere tot uitdrukking in de gebiedseigen typologie, markante ligging, bijdrage aan het typische beeld en/of de bijzondere vorm en functie.

Conclusie

Vastgesteld kan worden dat zich geen monumenten of karakteristieke panden bevinden in het besluitgebied of net buiten het besluitgebied. Het onderdeel cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen dit omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.

4.6 Ontplofbare oorlogsresten

De mogelijkheid van de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten (OO) in de ondergrond houdt in Nederland over het algemeen verband met de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). Handelingen die hebben geleid tot het achterblijven van OO in de Nederlandse bodem houden over het algemeen verband met het afwerpen van bommen, beschietingen vanuit de lucht/vanaf het water/op het land, het neerstorten van vliegtuigen, grondgevechten tijdens de begin- en eindfase van de oorlog, het dumpen van munitie en het verdedigen van gebieden met mijnenvelden, stellingen enzovoort. Ongeveer 10% van de afgeworpen en verschoten munitie ontplofte niet en bleef als OO achter.

Op basis van het vooronderzoek, waarbij een analyse is gedaan van het historisch feitenmateriaal, wordt het besluitgebied als onverdacht aangemerkt op het aantreffen van OO. Geadviseerd wordt om de grondroerende werkzaamheden voor het onderzoeksgebied de normale doorgang te laten hebben. Er is geen aanleiding gevonden tot het nemen van vervolgstappen. Algemeen aandachtspunt is dat als er tijdens de uitvoering altijd aandacht dient te zijn voor het aantreffen van onverdacht zaken en dat grondroerend personeel op de hoogte dient te zijn van het protocol voor toevalsvondsten. Als tijdens het werk gestuit wordt op zaken die lijken op OO, dient het werk onmiddellijk gestaakt te worden en moet een deskundige worden geraadpleegd. Het handelingsproces moet als volgt worden doorlopen:

  • 1. Verdacht object (mogelijke OO) gevonden door uitvoerder;
  • 2. Object laten liggen waar deze gevonden is (NIET aanraken, beroeren of verplaatsen);
  • 3. Werkzaamheden ter plaatse stilleggen;
  • 4. Toezichthouder informeert het bevoegd gezag of dienst vertegenwoordiger en de politie (in noodgevallen met 112) over de vondst. Geef hierbij een zo duidelijk mogelijke omschrijving van het object zonder deze te beroeren;
  • 5. Nabije omgeving afzetten en markeren. Rondom piketten met rood-wit lint of rondom met hekwerk;
  • 6. De politie schakelt zo nodig de EODD in. Deze onderzoekt het object (mogelijke OO) en verwijdert het zo nodig;
  • 7. Op aanwijzing van de toezichthouder kunnen de werkzaamheden worden hervat.

Conclusie

Het onderdeel Ontplofbare Oorlogsresten vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen dit omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.

4.7 Duurzaamheid

4.7.1 Programma Energietransitie 2023-2030

In het Klimaatakkoord (2019) staat hoe Nederland deze overstap wil maken. Het is de bedoeling dat ons land in 2050 "energieneutraal" is. Dat betekent: dat we net zoveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. We werken daar op allerlei manieren aan. Als land, maar ook als provincie, regio en gemeente. We proberen alle plannen op elkaar te laten aansluiten. Want samen gaat het sneller. Net als heel Nederland wil Apeldoorn in 2050 evenveel duurzame energie opwekken als we gebruiken. Om daar te komen, maken we eerst plannen tot 2030. Dit zijn de hoofdlijnen:

  • 1. Besparen, besparen, besparen; hoe minder energie je hoeft op te wekken, hoe beter.
  • 2. Zonnepanelen op gebouwen; we kunnen nog veel elektriciteit opwekken met zonnepanelen. Het liefst in de gebouwde omgeving.
  • 3. Opwekken op allerlei plekken; we proberen elke geschikte plek te gebruiken voor het opwekken van energie. Niet alleen daken, maar ook gevels, carports en geluidsschermen.
  • 4. Duurzame stroom dicht bij huis; het is handig om elektriciteit zo dicht mogelijk bij de gebruiker op te wekken, dan kunnen we vraag en aanbod makkelijk aan elkaar koppelen.
  • 5. Duurzame warmte uit de buurt; op plekken waar warmte wordt gevraagd winnen we deze ook zoveel mogelijk. Dat betekent liever geen omweg via elektriciteit of gas gebruiken om warmte mee te maken.
  • 6. Een energiesysteem; we werken toe naar een energiesysteem waar vraag en aanbod bijeen worden gebracht en elektriciteit ook kan worden opgeslagen.

De Omgevingswet geeft ons de mogelijkheid om onze duurzaamheidswensen en -doelen goede juridische grond te geven. Dit geldt ook voor het onderwerp energie. De Omgevingswet geeft duidelijke richtlijnen en regels mee aan burgers en bedrijven, zodat zij goed weten waar ze aan toe zijn. Daarnaast geeft de Omgevingswet ons de kans om de regels beter te handhaven. Dit helpt om onze doelen te behalen. De Omgevingswet gaat ons op de volgende manier helpen op het gebied van energie:

Voor nieuwbouw

  • 1. In het omgevingsplan nemen we op dat gebouwen met een industriefunctie verplicht zijn hun dak te benutten voor het opwekken van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
  • 2. In het omgevingsplan leggen we de nul-op-de-meter-eis vast voor nieuwbouw.
  • 3. In het omgevingsplan sturen we op besparing of opwek van energie via de bebouwingsregels en de positionering van het bouwvlak.

Voor bestaande bouw

  • 1. In omgevingsvergunningen nemen we maatwerkvoorschriften op waarbij we eisen dat gebouwen hun daken moeten gebruiken voor de opwekken van hernieuwbare energie. We kunnen niet eisen dat bedrijven meer opwekken dan ze zelf nodig hebben.
  • 2. De hybride warmtepomp is vanaf 2026 standaard voor het verwarmen van woningen. Huiseigenaren zijn verplicht om vanaf 2026 bij vervanging van de cv-ketel over te stappen op een hybride warmtepomp. Of op een ander duurzaam alternatief, zoals aansluiting op het warmtenet.

Doorwerking in het plan

Binnen de gemeente Apeldoorn is beleid voor Natuur Inclusief- en Klimaat Adaptief ontwikkelen en bouwen vastgesteld (NIKA). Datum van publicatie is 25 juni 2024 in het gemeenteblad. Het beleid is gericht op een meer duurzame toekomst. NIKA wordt gezien als een kans om positieve veranderingen te brengen in onze manier van leven en omgaan met onze omgeving.

NIKA is van toepassing op name wanneer binnen de gemeente wordt gebouwd en daarvoor een ruimtelijk plan opgesteld moet worden. In de situatie van de woontorens is sprake van een grote ontwikkeling. Er is een aanpassing van het omgevingsplan noodzakelijk, het besluitgebied is groter dan 1.500 m² en er worden meer dan 11 woningen gerealiseerd.

Het NIKA gaat uit van een aantal vaste waarden en een aantal variabele waarden. De vijf vaste waarden en de variabele waarden zijn altijd van toepassing. In bijzondere situaties is een maatwerkoplossing mogelijk in overleg met initiatiefnemer en de gemeente als onderbouwt blijkt dat niet voldaan kan worden aan de waarden, wegens onbillijkheden van overwegende aard.
Voor de variabele waarden geldt een puntenstelsel, bestaande uit drie onderdelen te weten: biodiversiteit, gebouwgroen en klimaatadaptatie. Minimaal moeten er 5 punten worden behaald.

In paragraaf 3.6.3.4 is hierop al nader ingegaan.

Borging waarden NIKA

Het NIKA beleid als geheel is geborgd binnen de planregels, waarbij het uitgangspunt een gebodsbepaling is geformuleerd, waarbij voldaan moet worden aan het beleid van NIKA.

Voor het besluitgebied gelden verder de uitgangspunten voor nieuwbouw uit het Programma Energietransitie 2023-2030.

Conclusie :

De noodzakelijk maatregelen uit het NIKA zijn geborgd. Aan de uitgangspunten voor nieuwbouw uit het Programma Energietransitie 2023-2030 kan worden voldaan. Het onderdeel duurzaamheid vormt geen belemmering voor de ontwikkelingen die binnen dit plan mogelijk worden gemaakt.

4.8 Evenwichtige toedeling van functies aan locaties

Op grond van artikel 4.2 Omgevingswet moet het omgevingsplan voldoen aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Verder gelden de beleidskaders en instructieregels.

In Hoofdstuk 3 en de hoofdstukken 4 en 5 is aangegeven dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan de planlocatie. In dit hoofdstuk worden de conclusies uit de genoemde hoofdstukken beschreven.

Eindconclusies

  • 1. Beleid

De voorgenomen ontwikkeling heeft betrekking op functieverandering. Het plan gaat uit van beëindiging van de bestaande functies die mogelijk zijn binnen het te wijzigen gedeelte van de omgevingsplannen 'Kanaalzone - De Vlijt' en 'Musschenbroekstraat 11-19'. De nieuwe functies die in dit omgevingsplan mogelijk worden gemaakt zijn in overeenstemming met het geldende beleid.

2. Omgevingskwaliteit

Het plan wordt aan de hand van het beeldkwaliteitsplan stedenbouwkundig en landschappelijk goed ingepast in de omgeving en levert daarnaast een bijdrage aan het woningaanbod in de gemeente Apeldoorn.

Er is specifiek voor de locatie Vlijtseweg, aan de ring, voor hoogbouw gekozen, omdat deze locatie zich hier uitzonderlijk goed voor leent. Het is een van de meest belangrijke en herkenbare kruisingen van de stad. Hier komen twee voor de stad ruimtelijke hoofd elementen samen: het Apeldoorns kanaal en de zogenaamde ring van de stad. Het is het kruispunt van twee structuurlijnen van de stad. Stedenbouwkundig gezien is het daarom dé plek voor een hoogte accent: zowel om het kruispunt te benadrukken als dat dit hiermee een wezenlijke markering voor de gehele stad gaat worden.

De hoogbouw is juist aan de ring gepositioneerd om samen met de locatie Rekencentrum en de Langs de ring bevinden zich meerdere hoogbouw projecten waarmee aan de strategie om hogere gebouwen langs de ring en het kanaal te plaatsen uitvoering zal worden gegeven.

Er is bewust voor gekozen om een zo noordelijk mogelijke positie voor de hoogbouw te kiezen om daarmee een ruimtelijke beëindiging van de ontwikkeling van de westelijke kanaaloever zone aan te geven.
Voor deze maximale noordelijke positie is ook gekozen om zo min mogelijk schaduw werking op andere en naast gelegen gebouwen te verkrijgen.

Er is onderzoek gedaan naar de plaats van de parkeergarage. Het bleek echter stedenbouwkundig gezien zeer ongewenst om de parkeergarage en het woongebouw van positie te laten wisselen. Deze omwisseling levert een aanzienlijk minder optimale indeling op. Hiermee komt het gevraagde programma serieus onder druk te staan.
Indien de hoogbouw niet aan het kruispunt zou staan maar bijvoorbeeld meer zuidelijk gepositioneerd zou worden, zou er sprake zijn van een feitelijk willekeurige plek en aanleidingloze situering; er is dan sprake van een toren die letterlijk los dobbert in de ruimte. Bij een positionering bij het kruispunt is er sprake van een geheel natuurlijke plek en verankering in de stad.
De parkeergarage is bovendien ook bedoeld voor de bezoekers van het zwembad. Hierdoor is het wenselijk om de garage direct naast het zwembad te realiseren.
Tenslotte is het verkeerstechnisch niet mogelijk de in en/of uitrit van de parkeergarage dichter naar het kruispunt te verplaatsen.

De gekozen plek aan de ring garandeert de beste positionering en uitzicht voor de woningen en zorgt ervoor dat het woonprogramma op een heldere en efficiëntere manier op zijn plek valt. Met de gekozen positie wordt de beste woonkwaliteit behaald.

3. Omgevingsaspecten

De effecten van de beoogde ontwikkeling op de omgeving is positief en er treden, zoals beschreven in bijlage 21 Mer-beoordeling, na het nemen van maatregelen, geen nadelige gevolgen voor het milieu op.

Hoofdstuk 5 Juridisch kader TAM-omgevingsplan

Onderhavig TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Vlijtsepark, vormt een wijziging van het omgevingsplan. De realisering van de in dit plan voorgestelde functies is in strijd met het in het tijdelijke deel, onderdeel uitmakende van bestemmingsplan 'Kanaalzone - De Vlijt' en Musschenbroekstraat 11 - 19, waardoor het omgevingsplan gewijzigd moet worden.

Het TAM-omgevingsplan is op het oog een plan dat losstaat van de rest van het omgevingsplan. Toch is het functioneel en juridisch een integraal onderdeel van het omgevingsplan. Om te zorgen dat het TAM-omgevingsplan juridisch een geheel is met het omgevingsplan van rechtswege, wordt als het ware een nieuw hoofdstuk toegevoegd. Onderhavig TAM-omgevingsplan dient dus ook als dusdanig gelezen te worden, in samenhang met de bruidsschat van het omgevingsplan. Daarom is er in de regels van onderhavig TAM-omgevingsplan een pre-ambule opgenomen, waarin staat dat het plan vigeert als hoofdstuk 22r van het omgevingsplan.

Hoofdstuk 1 - Algemene bepalingen

Dit TAM-omgevingsplan maakt als hoofdstuk 22t onderdeel uit van het omgevingsplan van de gemeente Apeldoorn. Dat betekent dat in principe alle regels uit het omgevingsplan ook van toepassing zijn op onderhavige ontwikkeling van het besluitgebied behorende bij dit TAM-omgevingsplan (tenzij ze daarmee strijdig zijn). In artikel 3 (toepassingsbereik) wordt dit toegelicht. Daarom worden in de regels alleen maar bepalingen opgenomen welke specifiek relevant zijn voor onderhavige ontwikkeling. Zo is er voor dit plan ook gekozen om niet de specifieke bepaling over het afwijken van bepalingen uit de bruidsschat op te nemen, aangezien er bij dit TAM-omgevingsplan niet wordt afgeweken van de bruidsschat.

Hoofdstuk 2 - Functies en activiteiten

Conform de eisen vanuit de Omgevingswet worden in dit hoofdstuk de toegestane functies en activiteiten beschreven voor een specifieke locatie binnen het besluitgebied. Alhoewel de regels niet hoeven te voldoen aan de SVBP, en er dus over 'functies en activiteiten' wordt gesproken in plaats van 'bestemmingen', staan deze op de verbeelding behorend bij onderhavig plan nog wel aangeduid als zijnde 'bestemming', respectievelijk 'aanduiding'. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet juist gepubliceerd kan worden op de (nog tijdelijke) landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Voor onderhavig voorbeeld-TAM-omgevingsplan Vlijtsepark is beoogd zoveel mogelijk aansluiting te vinden bij de regels en bepalingen voor vergelijkbare functies en activiteiten uit het tijdelijk deel omgevingsplan Apeldoorn. Deze zijn wel dusdanig omgevormd dat deze voldoen aan de regels van de Omgevingswet. Daar waar mogelijk is voorgesorteerd op het nog op te stellen nieuwe, permanente omgevingsplan voor de gemeente Apeldoorn dat op dit moment nog in ontwikkeling is. Hieronder is - indien noodzakelijk - een aanvullende toelichting per functie opgenomen.

Cultuur en Ontspanning

Een functie die is opgenomen waarbinnen de nieuwe dansschool gevestigd kan worden. De functieaanduiding is binnen het bouwvlak opgenomen binnen meerdere vlakken. Uitgangspunt is dat vestiging hier mogelijk is, mits de maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 1.400 m². Binnen de functie is ondergeschikte horeca mogelijk ter ondersteuning van de dansschool. Verder is binnen de functie een afwijking onder voorwaarden door middel van een omgevingsvergunning mogelijk.

Detailhandel

De functie Detailhandel is opgenomen binnen meerdere vlakken binnen het bouwvlak. Uitgangspunt is dat vestiging hier mogelijk is, mits de maximale oppervlakte niet meer bedraagt dan 500 m².

Dienstverlening

De functie Dienstverlening maakt het mogelijk om persoonlijke, zakelijke en maatschappelijke diensten aan te bieden. Aan de dienstverlening is een maximale oppervlakte gekoppeld van 400 m². Voor wat betreft de functies moet gedacht worden aan onder meer kappers, schoonheidssalons, uitvaartverzorging, reisbureaus, adviesbureaus, medische en paramedische praktijken, en overige niet-ambachtelijke diensten.

Groen

Het structurele openbare groen in het besluitgebied heeft de functie Groen gekregen. Hier zijn groenvoorzieningen, paden, hondenuitlaatplaatsen en nutsvvoorzieningen toegestaan.

Binnen de functie Groen is verder een specifeke bouwaanduiding opgenomen om balkons bij de woningen/appartementen mogelijk te maken.

Horeca

Binnen het bouwvlak is eveneens een afzonderlijke horecafunctie mogelijk. Uitsluitend horeca in categorie 1 is toegestaan, dit overeenkomst de lijst van Toegelaten horecatypen.
Het gaat hierbij om een inpandige functie met een maximale oppervlakte van 400 m². Een terras en/of uitstallingen zijn niet toegestaan.

Maatschappelijk

Binnen deze maatschappelijke functie is een gezondheidscentrum voorzien met een maximale oppervlakte van 2.100 m2.
In de begripsbepaling is aangegeven wat onder een gezondheidscentrum moet worden verstaan.

Verkeer - Verblijfsgebied

De functie is gegeven aan in het bijzonder wat wel wordt genoemd de langzaam verkeerroute. De ontsluiting vindt vanaf de Vlijtse Parktorens plaats op de Vlijtseweg via een brugverbinding over De Grift.
De bewoners en bezoekers van de woontorens moeten verplicht gebruik maken van de parkeergarage.

Wonen

Binnen de functieaanduiding is per woontoren een maximale bouuwhoogte opgenomen.

Beroeps- en bedrijfsuitoefening aan huis

Bij recht is het gebruik van een deel van de gebouwen binnen de functies Wonen voor beroepsuitoefening en niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis toegestaan. Daarbij worden enige beperkingen gesteld, waaronder aan de daarvoor te gebruiken oppervlakte, om ervoor te zorgen dat het woonkarakter van de woning het beroeps- of bedrijfsmatige gebruik blijft overheersen. Voor de niet-publieksgerichte bedrijfsmatige activiteiten aan huis geldt dat alleen bedrijfsactiviteiten die voorkomen op de Lijst van toegelaten bedrijfsactiviteiten aan huis zijn toegestaan. Voor deze lijst is aansluiting gezocht bij de bedrijven die in de richtafstandenlijst van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (uit 2009) als bedrijven van categorie 1 zijn aangemerkt. Omdat het gaat om activiteiten in een woning op een relatief klein oppervlak is het aantal bedrijfsactiviteiten dat is toegelaten zeer beperkt gehouden.

Hoofdgebouw bouwen

Het gaat hierbij om het toepassingsbereik en de beoordelingsregels voor het bouwen en gebruiken van hoofdgebouwen met de functie 'Wonen'. Gesteld wordt dat een omgevingsvergunning enkel verleend mag worden als het hoofdgebouw binnen het bouwvlak ligt, voldoet aan de maximale bouwhoogte en eventuele ondergrondse bouwlagen. Voor het gebruik en de ontwikkeling van de gronden en bouwwerken voor 'Wonen' is het verplicht om de maatregelen uit het NIKA-beleid van de gemeente toe te passen, waaronder waterberging, groenvoorzieningen, bomenaanplant, voorzieningen voor dieren en windcomfort. Het college van burgemeester en wethouders toetst en handhaaft deze verplichtingen bij vergunningaanvragen. Afwijken is alleen mogelijk bij onbillijkheid van overwegende aard, mits dit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en er compenserende maatregelen worden getroffen. Ook is een instandhoudingsregel opgenomen.

Hoofdstuk 3: Algemene regels

Voor dit hoofdstuk zijn er algemene bepalingen opgenomen die alleen betrekking hebben op de artikelen uit dit TAM-omgevingsplan. Hier zijn bijvoorbeeld opgenomen de algemene bouw- en functieregels, alsmede afwijkingsregels en maatwerkvoorschriften, zoals deze voorheen in de bestemmingsplannen golden. Deze zijn ook opgenomen in het omgevingsplan van rechtswege van de gemeente Apeldoorn.

Hoofdstuk 4: Algemene procedureregeling

In TAM-omgevingsplannen hoeven geen bepalingen te worden opgenomen voor het overgangsrecht.

Bijlagen bij de regels

Conform kernvereiste 1 wordt er zo min mogelijk gebruik gemaakt van bijlagen bij regels, om het plan zo overzichtelijk mogelijk te houden. Voor dit plan zijn bijlagen opgenomen bij de regels die enerzijds uiteenzetten welke functies zijn toegestaan en beoordelingsregels voor het parkeren.

Verbeelding

De verbeelding die is opgesteld voor het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22t Vlijtsepark dient te worden opgesteld conform de technische eisen van IMRO2012. Dat betekent dat de verschillende functies in het besluitgebied op de verbeelding als functies en activiteiten zijn opgenomen. Maatvoeringsaanduidingen zijn ook als zodanig op de verbeelding opgenomen. Dit vanwege het feit dat het plan anders niet door de validator van ruimtelijke plannen komt.

Hoofdstuk 6 Haalbaarheid

6.1 Financiële haalbaarheid

Afdeling 13.6 van de Omgevingswet gaat in over het kostenverhaal bij activiteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Daarin is bepaald dat het niet is toegestaan om aangewezen bouw- of gebruiksactiviteiten te verrichten zonder het kostenverhaal geregeld te hebben. Het kostenverhaal kan daarbij zowel via privaatrechtelijke weg met een overeenkomst als via publiekrechtelijke weg met regels in het omgevingsplan worden vastgelegd.

Het voorliggende plan wordt volledig gerealiseerd op particulier initiatief. De gemeente en de initiatiefnemer hebben een anterieure overeenkomst gesloten waarin de rechten en plichten van zowel de initiatiefnemer als de gemeente zijn aangegeven, alsmede de definitieve regeling van kostenverhaal. Met deze overeenkomst is het kostenverhaal voor dit plan verzekerd.

6.2 Maatschappelijke haalbaarheid

Op grond van artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit wordt bij het vaststellen van een omgevingsplan aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij moet worden aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepassen van eventueel gemeentelijk participatiebeleid.

Langs het Apeldoorns Kanaal wordt een aantrekkelijk gebied met een mix aan stedelijke functies en diverse sociale en culturele activiteiten gerealiseerd. Reden waarom voorafgaand aan de realisatie een participatieplan is opgesteld.

  • 1. Doel van deze participatie is driedelig, namelijk:
  • 2. De omgeving goed op de hoogte brengen en houden over de ontwikkelingen in de Kanaalzone;
  • 3. Extra inzet tonen om een sociaal meer inclusief participatieproces in te richten en uit te voeren.

Het plan voor de Vlijtse Parktorens met inbreng van toekomstige gebruikers en stakeholders kleuring te geven.

In eerste aanleg is op woensdag 3 juli 2024 een informatie- en participatiebijeenkomst Vlijtsepark gehouden. Doel was om de omwonenden te ontmoeten en te voorzien van de eerste informatie over de plannen. Verder was het doel om hen te betrekken bij de plannen door in gesprek te gaan over de kansen en eventuele zorgen die zij kunnen ervaren. In totaal is een uitnodiging verstuurd aan 149 adressen, zowel woon- als bedrijfsadressen. In totaal waren er 9 omwonenden en geïnteresseerden aanwezig. Na de presentatie was er gelegenheid om eventuele zorgen, opmerkingen, vragen of kansen te delen door middel van ideeënboxen en het stellen van vragen via email.

Naar aanleiding van deze informatie- en participatiebijeenkomst zijn vooral praktische vragen gesteld over aanvang van sloopwerkzaamheden en over de parkeermogelijkheden in relatie tot onder andere de thuiszorg en het parkeren aan de overkant bij de winkels, overkapte loopbrug naar zwembad. Deze praktische zaken worden in overweging genomen. Een verslag hiervan is als Bijlage 23 bij deze motivering gevoegd.

Aansluitend is in het kader van de participatie op 19 november 2024 een informatiebijeenkomst Vlijtsepark gehouden. Tijdens de bijeenkomst zijn de nieuwbouwplannen in het Vlijtsepark, Kanaalzone Noord nader toegelicht. De parkeergarage vormde ook onderdeel van de participatie. Tijdens de bijeenkomst zijn de laatste ontwikkelingen gepresenteerd en heeft een terugkoppeling plaatsgevonden wat er met de eerder ingebrachte input is gedaan.

Het programma bestond uit twee plenaire presentaties, namelijk:

  • 1. Ontwikkeling parkeergarage en het zwembad;
  • 2. Ontwikkeling woningbouw (Vlijtse Parktorens) inclusief bedrijfsruimte op de begane grond en de dansschool.

Na de presentaties was er gelegenheid om te reageren en in gesprek te gaan. De participatie heeft geen aanleiding gegeven tot aanpassing van het plan. De vragen hadden vooral een praktische insteek, over kosten parkeren, ontheffingsmogelijkheden en dergelijke. Het verslag is als Bijlage 24 bij deze motivering gevoegd.

Op 13 oktober 2025 heeft een informatiebijeenkomst over de nieuwbouwplannen plaatsgevonden. Het verslag van de informatiebijeenkomst is opgenomen in 24 informatiebijeenkomst 19 november 2024 Het doel van deze bijeenkomst was om omwonenden te informeren over de actuele stand van zaken en de bekendmaking van de terinzagelegging van het ontwerp van het omgevingsplan. De avond bestond uit een presentatie van VanWonen over de ontwikkeling van de woningbouw. Daarnaast was de gemeente aanwezig voor het beantwoorden van vragen over de parkeergarage en het zwembad.
Na afloop van de presentatie bestond de mogelijkheid om met elkaar in gesprek te gaan.
Tijdens de presentatie is aangegeven, dat het recente ontwerp afwijkt van het ontwerp dat tijdens de bijeenkomst op 19 november 2024 is gepresenteerd. Van één van de torens is een verdieping 'afgehaald. Verder is een andere invulling aan de buitenruimtes van de appartementen gegeven.