direct naar inhoud van Ruimtelijke motivering
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22n Dannenkamp 5 Harbrinkhoek
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01

Ruimtelijke motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Inleiding en aanduiding plangebied

1.1.1 Aanleiding

Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op een onbebouwd perceel aan de Walboersweg in het zuidwesten van de kern Harbrinkhoek. Dit agrarisch perceel is in 2020 door de gemeente Tubbergen aangekocht met als doel om woningbouw te realiseren. Om te kunnen blijven voorzien in de woningbehoefte in de kern Harbrinkhoek is het voornemen om 19 grondgebonden woningen mogelijk te maken.

Het beoogde woningbouwprogramma bestaat concreet uit 3 vrijstaande woningen, 4 twee-onder-één-kapwoningen, 5 rijwoningen en 7 hofjeswoningen. Door de variatie in woningtype en -grootte kan een brede doelgroep worden bediend, uiteenlopend van starters en senioren tot gezinnen.

Harbrinkhoek is historisch ontstaan als een lintdorp langs de wegen van Almelo naar Geesteren en Tubbergen met verspreide (agrarische) bebouwing en later verdichting langs en tussen deze wegen. Vanaf de tweede helft van de 20e eeuw is de kern geleidelijk richting het noordwesten (t.o.v. de Almeloseweg) uitgebreid met kleinschalige woonwijken. Deze uitbreidingen zijn steeds van dorpse aard gebleven met een lage dichtheid en relatief veel openbaar groen. Aan de andere zijde van het lint aan de Almeloseweg richting het buitengebied bevinden zich met name andere functies en voorzieningen zoals het bedrijventerrein, de voetbalvelden en een horeca-gelegenheid. Hierdoor heeft het dorp zich ontwikkeld als een lintdorp, waarbij de noordzijde van de Almeloseweg wordt gekenmerkt door woonbebouwing, terwijl aan de zuidzijde voornamelijk voorzieningen zijn geconcentreerd.

Het plan de Dannenkamp 5 past binnen deze ontwikkelingslijn: het vormt een voortzetting van eerdere uitbreidingen aan de noordwestzijde van Harbrinkhoek ten opzichte van de Almeloseweg. Daarmee is het plangebied een logische uitbreidingslocatie voor het dorp.

Het voornemen is niet in overeenstemming met het geldend omgevingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste juridisch planologische kader en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

1.1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt aan de Walboersweg, in het zuidwesten van de kern Harbrinkhoek. In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van Harbrinkhoek en de directe omgeving weergegeven. Het plangebied is indicatief aangegeven met respectievelijk de rode ster en rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0001.png"  
Afbeelding 1.1 Ligging van het plangebied (Bron: plattekaart.nl, bewerkt)  

1.2 Beoordelingskader en belangenafweging

Beoordelingskader

De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan. Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.

De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:

­ de instructieregels van hoofdstuk 5 van het Bkl;

­ de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;

­ eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.

Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen. Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.

De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.

Belangenafweging

De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.

Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het plangebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit plangebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.

Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.

Zienswijzen

Het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan heeft voor periode van zes weken ter inzage gelegen. Het was voor een ieder mogelijk om tegen het ontwerpbesluit een zienswijze in te dienen.

Er zijn twee zienswijzen ingediend. De zienswijzen zijn voorzien van een gemeentelijk standpunt in de reactienota zienswijzen, welke is opgenomen als Bijlage 17 bij de toelichting van het besluit tot wijziging van het omgevingsplan. Globaal gezien richten de zienswijzen zich op het onderwerp 'water'. Naar aanleiding van de zienswijzen is voorliggend besluit tot wijziging van het omgevingsplan ten opzichte van het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan gewijzigd. Kort samengevat zien de wijzigingen op het aanpassen van het waterhuishoudkundig plan. Het complete overzicht van de wijzigingen is opgenomen als Bijlage 17.

1.3 Leeswijzer

In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.

Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie

2.1 Gewenste ontwikkeling

Het plangebied betreft in de huidige situatie een agrarisch perceel. Om aan de woningbehoefte in de kern Harbrinkhoek te kunnen blijven voorzien is de gemeente Tubbergen voornemens om ter plaatse van dit agrarische perceel een kleinschalige woonbuurt te realiseren. De woonbuurt biedt ruimte aan in totaal 19 grondgebonden woningen.

In het plangebied wordt voorzien in een gedifferentieerd woningbouwprogramma dat bijdraagt aan een gevarieerd woonmilieu. Het beoogde woningbouwprogramma bestaat concreet uit 3 vrijstaande woningen, 4 twee-onder-één-kapwoningen, 5 rijwoningen en 7 hofjeswoningen. Door de variatie in woningtype en -grootte kan een brede doelgroep worden bediend, uiteenlopend van starters en senioren tot gezinnen.

In afbeelding 2.1 is een impressie van de gewenste ontwikkeling weergegeven. Opgemerkt wordt dat op de afbeelding ook 'fase 2' is opgenomen. Deze tweede fase is onvoldoende concreet en maakt geen onderdeel uit van dit TAM-omgevingsplan. Fase twee is wel als concept meegenomen in het matenplan en in verschillende onderzoeken behorende bij dit TAM-omgevingsplan. Dit om aan te tonen dat een vervolgfase ook mogelijk is wat betreft de omgevingsaspecten.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0002.png"

Afbeelding 2.1: Gefaseerde opzet voorgenomen ontwikkeling (Bron: Gemeente Tubbergen)

De woningtypes worden als volgt ruimtelijk gepositioneerd:

  • De vrijstaande woningen zijn gesitueerd in het noordelijke deel van het plangebied.
  • De vier twee-onder-een-kapwoningen worden centraal aan de oostzijde van het plangebied gerealiseerd.
  • De vijf rijwoningen zijn voorzien aan de westzijde van het centrale deel van het plan.
  • De zeven hofjeswoningen worden in het zuidelijke deel van het plangebied gerealiseerd.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0003.png" fbeelding 2.2: Gewenste situatie plangebied (Bron: Tuulk)

2.2 Ruimtelijke uitstraling en inpassing in de omgeving

Om een aantrekkelijke dorpsrand te realiseren is er een groene ruimte aan de noordzijde, de oostzijde en zuidzijde van het plan gepland. Een nieuwe woonstraat, evenwijdig aan de Klaproos, verbindt de nieuwe woningen met de Walboersweg - de Hazelaar. De verkaveling volgt de bestaande structuren van de eerdere fasen van de Dannenkamp. De sfeer van het dorp is de basis voor de woningbouw op deze locatie. Dat betekent dorpse, twentse woningbouw in een ontspannen setting.

De hofjeswoningen bestaan uit maximaal één bouwlaag met een kap. Hiermee wordt voorzien in een dorpse uitstraling. Voor de vrijstaande woningen geldt dat qua beeldkwaliteit elke woning van de naastgelegen woning verschilt en individueel herkenbaar is. De tweekappers mogen onder de kap identiek zijn, maar moeten verschillen van het andere blok tweekappers. Rijwoningen mogen maximaal drie identieke woningen onder de kap hebben. Het is toegestaan dat de woningen ten opzichte van elkaar verspringen.

Hieronder zijn de beeldkwaliteitseisen van de woningen opgenomen. Uitgangspunt hierbij is een dorpse, Twentse woningbouw in een ontspannen setting.

  • De woningen hebben een zadeldak, schilddak of een mansardedak (geknikt dak).
  • De woningen zijn gedekt met matte, gebakken pannen in de kleuren zwart, donkergrijs of oranje - rood (genuanceerd).
  • De gevelkeur is een gedekte aardetint in de kleuren varierend van (licht)bruin, roodbruin tot (donker)rood en anthraciet.
  • Gevels richting de openbare ruimte zijn samenhangend en representatief vormgegeven.
  • De detaillering is zorgvuldig en afgestemd op de architectuur van de woning.
  • Toegevoegde elementen, zoals dakkapellen, erkers en aanbouwen, zijn ondergeschikt en vormgegeven in de lijn van de architectuur van het geheel.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een beeldkwaliteitsplan opgesteld, dat als Bijlage 2 aan deze toelichting is toegevoegd.

Daarnaast is het van belang dat de ontwikkeling ook landschappelijk verantwoord ingepast wordt. Daarom is een groenplan (Bijlage 1) opgesteld. Een uitsnede hiervan is weergegeven in afbeelding 2.2.

Ter ondersteuning van fase 1 worden 29 openbare parkeerplaatsen en tenminste 7 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Daarnaast worden langs de randen van het plangebied wadi's aangelegd voor de opvang van hemelwater en wordt het gebied voorzien van passend groen. Het plangebied wordt ontsloten via twee zijden, namelijk aan de noordzijde via de Klaproos en aan de zuidzijde via een nieuwe aansluiting op de Almeloseweg.

Hoofdstuk 3 Toetsing aan omgevingsplan van rechtswege

3.1 Omschrijving gevraagde activiteiten

Nagenoeg het gehele plangebied heeft in de huidige situatie een agrarische functie. Daarnaast is er sprake van een archeologische dubbelbestemming. In voorliggend geval gaat het om voormalige agrarische cultuurgronden. In de huidige situatie zijn er binnen het plangebied geen bouwvlakken of andere functieaanduidingen aanwezig die het bouwen of bewonen van een gebouw mogelijk maken.

De ontwikkeling die met voorliggende wijziging van het omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt, betreft een volledig nieuwe invulling van het plangebied. Na het aanwijzen van het plangebied als uitleggebied heeft de gemeente het woningbouwprogramma vastgesteld en moeten de gronden worden voorzien van de juiste functies. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in het gewenste besluit tot wijziging van het omgevingsplan.

3.2 Toetsing aan het omgevingsplan

3.2.1 Strijdigheden met het omgevingsplan

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 3 juli 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten:

  • Omgevingsplan gemeente Tubbergen (in werking vanaf 03-07-2024);
  • Bestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016 Veegplan (vastgesteld 15-12-2020);
  • (Veeg)bestemmingsplan kernen gemeente Tubbergen (vastgesteld 25-05-2020);
  • Bestemmingsplan Tubbergen Buitengebied 2016 (vastgesteld 23-05-2016);
  • Bestemmingsplan Kleine Kernen (vastgesteld 14-03-2016).

Voor de duiding van het planologisch regime van het plangebied zijn met name de bestemmingsplannen “Tubbergen Buitengebied 2016” en "Kleine Kernen" van belang. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie namelijk uitsluitend de regels van de bruidsschat.

In afbeelding 3.1 is een uitsnede van de verbeelding, behorende bij de geldende bestemmingsplannen opgenomen. Het plangebied is hierin indicatief weergegeven met de rode contour. Hierna worden de geldende bestemmingen binnen het plangebied kort besproken.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0004.png"

Afbeelding 3.1: Uitsnede plankaart "Tubbergen Buitengebied 2016" en "Kleine Kernen" (Bron: Regels op de Kaart)

Agrarisch - 1 (Tubbergen Buitengebied 2016)

De voor 'Agrarisch - 1' aangewezen gronden onder meer zijn bestemd voor het agrarisch gebruik, het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden en het uitvoeren van erfinrichtingsplannen en landschapsplannen. Hoofdgebouwen mogen uitsluitend worden opgericht in een bouwvlak.

Groen (Kleine Kernen)

De gronden met de bestemming 'Groen' zijn bestemd voor groenvoorzieningen, voet- en fietspaden, speelvoorzieningen, in- en uitritten, parkeervoorzieningen, kunstwerken, kunstobjecten, water en waterhuishoudkundige voorzieningen ten behoeve van afvoer, (tijdelijke) berging en infiltratie van hemelwater, openbare nutsvoorzieningen, evenementen en verkeersvoorzieningen.

Op deze gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met bovenstaande.

Verkeer (Kleine Kernen)

De gronden met de bestemming 'Verkeer' zijn bestemd voor de aanleg en het gebruik van wegen, straten en paden, inclusief parkeervoorzieningen en straatmeubilair. Daarnaast is binnen deze bestemming ruimte voor terrassen, evenementen, en markten. Ook zijn speelvoorzieningen, groenvoorzieningen en kunstwerken of kunstobjecten toegestaan. De bestemming maakt voorts de aanleg en instandhouding van openbare nutsvoorzieningen en waterhuishoudkundige voorzieningen mogelijk, waaronder de afvoer, tijdelijke berging en infiltratie van hemelwater. Tot slot kunnen de gronden worden ingericht als tuinen, erven en terreinen.

Veiligheidszone - LPG (Kleine Kernen)

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'veiligheidszone - lpg' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van het woon- en leefmilieu in verband met de nabijheid van het vulpunt van de lpg-installatie.

Veiligheidszone - bedrijven (Tubbergen Buitengebied 2016)

De voor 'veiligheidszone - bedrijven' aangeduide gronden zijn mede bestemd voor het tegengaan van het bouwen en/of gebruiken van gebouwen als kwetsbaar of beperkt kwetsbaar object vanwege locaties voor risicovolle inrichtingen.

Waarde - Archeologie (Kleine Kernen)

De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van en onderzoek naar aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden.

Op de tot 'Waarde - Archeologie' bestemde gronden mogen, in afwijking van hetgeen in de andere bestemmingen is bepaald, geen bouwwerken worden gebouwd. Uitzondering hierop geldt voor bouwwerken en projecten op locaties met de aanduiding 'specifieke vorm van waarde - hoge archeologische verwachtingswaarde' tot maximaal 2.500 m², en bij 'middelhoge archeologische verwachtingswaarde' tot maximaal 5.000 m², mits de bodem niet dieper dan 0,4 meter wordt verstoord.

Waarde - Archeologie 4 (Tubbergen Buitengebied 2016)

De voor 'Waarde - Archeologie - 4' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het behoud van de archeologische waarden.

Strijdigheid

Het voornemen betreft een woningbouwontwikkeling van 19 woningen op een agrarisch perceel. De voorgenomen ontwikkeling in niet in overeenstemming met het Omgevingsplan van de gemeente Tubbergen, omdat het gebruik van de gronden ten behoeve van reguliere bewoning niet is toegestaan. De benodigde bouw- en gebruiksregels ontbreken. Om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk.

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn.

Hoofdstuk 4 Toetsing aan visie en beleid, vooroverleg en participatie

4.1 Visie en beleid voor het plangebied

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

4.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie:

Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.

  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel

Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.

  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's

Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.

  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied

Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.

4.1.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
4.1.1.4 Toetsing

De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijk relatief kleinschalige ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de omgevingsvisie. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat.

4.1.2 Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Overijssel 2024

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening.

4.1.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.

4.1.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren.

Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is.

4.1.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • generieke beleidskeuzes (OF);
  • ontwikkelingsperspectieven (WAAR);
  • gebiedskenmerken (HOE).

Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.

4.1.2.3.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een maatschappelijke opgave. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Andere generieke beleidskeuzes betreffen het voorkomen van overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantoorlocaties.

Ook wordt in deze fase de zgn. Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking gehanteerd. Deze Overijsselse ladder geeft een nadere invulling aan de vraag hoe de behoefte moet worden bepaald, zowel in de stedelijke als in de groene omgeving, en op welke wijze de regionale afstemming vorm gegeven moet worden. Integraliteit, toekomstbestendigheid, concentratiebeleid, (boven)regionale afstemming en zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik zijn beleidskeuzes die invulling geven aan de Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking.

4.1.2.3.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.

De ontwikkelperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.

Voor specifieke gebieden in Overijssel geldt dat niet alle initiatieven mogelijk zijn. Dit heeft te maken met zwaarwegende publieke belangen. Gebiedsspecifieke beleidskeuzes om de zwaarwegende publieke belangen te borgen, zijn: reservering voor waterveiligheid en beperking wateroverlast, drinkwater/grondwaterbeschermingsgebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN), de Nationale Landschappen en het provinciaal routenetwerk transport gevaarlijke stoffen.

4.1.2.3.3 Hoe - Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt.

Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden. Afbeelding 4.1 geeft dit schematisch weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0005.png"

Afbeelding 4.1: Uitsnede uitvoeringsmodel omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)

4.1.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

4.1.2.4.1 Of- Generieke beleidskeuzes

Bij de afwegingen in de eerste fase 'Of - generieke beleidskeuzes' zijn artikel 4.4 (principe van concentratie), artikel 4.5 (zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik), artikel 4.7 t/m 4.9 (oogmerk ruimtelijke kwaliteit), en artikel 4.14 (woonafspraken). Hierna wordt op de van belang zijnde artikelen ingegaan, waarna per artikel wordt getoetst.

Artikel 4.4: Principe van concentratie (lid 1 en 2)

In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.

Daarbij geldt voor bedrijventerreinen dat lokale behoefte wordt ingevuld als bedoeld voor lokaal gewortelde bedrijvigheid.

Toetsing

Voorliggende ontwikkeling is in overeenstemming met de woningbehoefte binnen de regio Twente en de gemeente Tubbergen. Zie hiervoor ook de toetsing aan de gemeentelijke woonvisie in paragraaf 4.3 en de ladderonderbouwing (Bijlage 4). Geconcludeerd wordt dat de gewenste ontwikkeling voldoet aan de lokale behoefte van de bijzondere doelgroep van onder meer starters en senioren op de woningmarkt. Gelet hierop wordt geconcludeerd dat dit plan voldoet aan artikel 4.4 van de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;

b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en

c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Toetsing

Zoals uit de als Bijlage 4 opgenomen ladderonderbouwing blijkt, zijn er binnen de kern Harbrinkhoek geen geschikte locaties voor inbreiding. Daarom is gekozen voor een woningbouwlocatie aan de westkant van Harbrinkhoek, in directe aansluiting bij de bestaande woonwijk aan deze zijde. Op deze wijze is er sprake van een uitbreiding in de Groene Omgeving, maar wel in zoveel mogelijk in samenhang en aansluiting met bestaande stedelijke functies. Het extra ruimtebeslag wordt hiermee zo beperkt mogelijk gehouden. Gelet op het vorenstaande is het voorliggende plan in overeenstemming met artikel 4.5 uit de Omgevingsverordening Overijssel.

Artikel 4.7: Oogmerk ruimtelijke kwaliteit

Deze paragraaf is gericht op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de Omgevingsvisie Overijssel.

Artikel 4.8: Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

Artikel 4.9: Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit

Omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:

a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de Omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;

b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de Omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Toetsing

Met voorliggend plan worden agrarische cultuurgronden omgevormd naar een woningbouwlocatie. Het plan is vormgegeven in een stedenbouwkundig plan dat zoveel mogelijk rekening houdt met een goede overgang naar het buitengebied van Harbinkhoek en goede aansluiting vindt met bestaande woonfuncties in de omgeving. De voorgenomen ontwikkeling sluit qua bebouwingsbeeld goed aan bij de reeds bestaande woonbebouwing, wordt goed ingepast door middel van een groenplan en levert dan ook een verbetering van ruimtelijk kwaliteit op.

Artikel 4.13: Klimaatrobuust water- en bodemsysteem

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.

Toetsing

Door Geofoxx is een waterhuishoudkundig plan (Bijlage 15) opgesteld ten behoeve van het planvoornemen. In dit plan wordt onderbouwd hoe het voornemen bijdraagt aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem. Er wordt hiervoor verwezen naar hoofdstuk 5 van het waterhuishoudkundig plan. Daarnaast wordt verwezen naar de second opinion op het waterhuishoudkundig plan (Bijlage 16) waarin enkele aanbevelingen worden gedaan.

Artikel 4.14: Woonafspraken

Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.

Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.

Toetsing

Omgevingsplannen kunnen alleen voorzien in de mogelijkheid tot het realiseren van nieuwe woningen als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten. Wanneer de realisatie niet past binnen deze afspraken of wanneer er geen woonafspraken gelden, moet de behoefte worden aangetoond met actueel onderzoek waarop instemming is verkregen van andere gemeenten in de regio en Gedeputeerde Staten. In dat geval mag het omgevingsplan in maximaal 80% van de aangetoonde behoefte voorzien. Het actuele gemeentelijk woningbouwprogramma is in overeenstemming met de Regionale Woonagenda Twente.

4.1.2.4.2 Waar- Ontwikkelingsperspectieven

Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap', maar ligt op de grens met het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' (met roze aangeduid). In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de perspectievenkaart behorende bij de Omgevingsvisie opgenomen. Het plangebied is aangegeven met de rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0006.png"

Afbeelding 4.2: Uitsnede Ontwikkelingsperspectievenkaart (Bron: Regels op de kaar)

“Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap”

Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.

"Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken"

De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).

Toetsing van het initiatief aan de 'Ontwikkelingsperspectieven'

Ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend waarvan gemotiveerd afgeweken kan worden. In voorliggend geval is aangetoond dat de woningbehoefte niet kan worden opgevangen binnen de huidige kern, hierdoor is uitbreiding noodzakelijk (Bijlage 4). Het plangebied grenst aan bestaand stedelijk gebied en vormt hierdoor een geschikte uitbreidingslocatie. De ontwikkeling vormt geen belemmering voor overige functies in de omgeving (zie ook Hoofdstuk 5). De nieuwe woningen passen zowel vanuit stedenbouwkundig als functioneel oogpunt goed in de omgeving en de woonbuurt wordt op een adequate wijze stedenbouwkundig en landschappelijk ingepast. Zie hiervoor ook het groenplan en beeldkwaliteitsplan (Bijlage 1 en Bijlage 2). Geconcludeerd wordt dat in voorliggend geval afgeweken kan worden van het geldende ontwikkelingsperspectief. Het voornemen sluit aan bij het nieuwe ontwikkelingsperspectief en is daarmee passend.

4.1.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De “Laag van de beleving” wordt buiten beschouwing gelaten, aangezien geen kenmerken of elementen vanuit deze laag op het plangebied van toepassing zijn.

  • 1. De 'Natuurlijke laag'

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp.

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag” aangeduid met het gebiedstype 'Dekzandvlakte en ruggen' en 'Beekdalen en natte laagtes'. Afbeelding 4.3 betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag”. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven met een rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0007.png"

Afbeelding 4.3: Uitsnede Natuurlijke laag (Bron: Regels op de kaart)

grote delen een reliëfrijk - door de wind gevormd - zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied.

Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

Beekdalen en natte laagtes

Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren. Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water.

Toetsing

Binnen het plangebied zijn de kenmerken van het oorspronkelijke landschap nauwelijks meer waarneembaar vanwege het feit dat de gronden in het verleden zijn ontgonnen ten behoeve van de landbouw. In de jaren zijn de hoogteverschillen onder andere door zandverstuivingen, de ontginning en de ontwikkeling in de landbouw verminderd. Geconcludeerd wordt dat de 'Natuurlijke laag' geen belemmering vormt voor de in dit plan besloten ontwikkeling.

  • 2. De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied ligt binnen het gebiedstype 'Jong heide- en broekontginningslandschap. In afbeelding 4.4 is een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de laag van het agrarisch cultuurlandschap weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0008.png"

Afbeelding 4.4: Uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap (Bron: Regels op de kaart)

Jonge heide- en ontginningslandschap

De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel De grote oppervlakte aan – voormalige – natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verbonden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht. Aanvankelijk kleinschalig en min of meer individueel door keuterboertjes, later werd de ontginning planmatig en grootschalig aangepakt (tot in de jaren 60 van de 20e eeuw). De grote natte broekgebieden ondergingen een vergelijkbare ontwikkeling, waardoor de natte en de droge jonge ontginningen nu gelijkenis vertonen. Ten opzichte van omliggend essen- en hoevenlandschap zijn de landbouwontginningen relatief grote open ruimtes, deels omzoomd door boscomplex. Erven liggen als blokken aan de weg geschakeld. Wegen zijn lanen met lange rechtstanden. Vaak zijn het 'inbreidings'landschappen met en rommelige driehoekstructuren als resultaat.

Als ontwikkelingen plaats vinden in de agrarische ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroken en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.

Toetsing

Het voorliggend woningbouwplan brengt voldoende groene ruimten aan in het plangebied. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling vindt een transformatie van het gebied plaats naar een woningbouwlocatie. De structuren vanuit het landschap worden hierbij gerespecteerd en geaccentueerd door de aanleg van nieuw groen. Hiervoor is het als Bijlage 1 opgenomen groenplan opgesteld. Het plan doet geen afbreuk aan de herkenbaarheid van het agrarisch cultuurlandschap.

  • 3. De 'Stedelijke laag'

In de “Stedelijke laag” ontstaat de koppeling van de sociale en fysieke dynamiek van de stedelijke functies aan het verbindende netwerk van wegen, paden, spoorwegen en kanalen. Elke stad of dorp bezit zijn eigen karakteristieke ruimtelijke, sociale en functionele opbouw en kwaliteiten.

Het plangebied bevindt zich in het gebiedstype “Verspreide bebouwing” en direct aansluitend aan het gebiedstype “Woonwijken 1955 - nu”, dit is in afbeelding 4.5 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0009.png"

Afbeelding 4.5: Uitsnede Stedelijke laag (Bron: Regels op de kaart)

Woonwijken 1955 - nu

De woonwijken van 1955 tot nu zijn planmatig opgezette uitbreidingswijken op basis van een collectief idee en grotere bouwstromen. De functies (wonen, werken, voorzieningencentra) zijn uiteengelegd en de wijken zijn opgedeeld in buurten met een homogeen bebouwngskarakter: buurten met eengezinswoningen, flatwijken, villawijken, wijk(winkel)centra. Er is sprake van een tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. Als ontwikkelingen plaats vinden de naoorlogse woonwijken, dan voegt nieuwe bebouwing zich in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar. De groenstructuur is onderdeel van het wijkontwerp.

Verspreide bebouwing

De agrarische erven hebben van oudsher een hele sterke binding met het landschap. Vanuit het erf werden de omliggende gronden in cultuur gebracht en vervolgens eeuwenlang bewerkt. Elke boer deed dit naar eigen inzicht en afgestemd op de plaatselijke omstandigheden, maar wel volgens de wetmatigheden van het toenmalig landbouwsysteem. Door deze 'eenheid in handelen' ontstonden er samenhangende landschappen, die nu nog steeds herkenbaar zijn: essenlandschap, oude hoevenlandschappen, broeken heideontginningen, veenlandschappen etc.. Bijzonder is dat elk landschap zijn eigen erftype heeft: de opbouw van erf, erfbebouwing, erfbeplantingen en relaties met de omliggende gronden zijn specifiek voor het betreffende landschapstype, alsof in het erf de genen van het landschap besloten liggen. Naast erven kent het buitengebied losliggende 'gewone' burgerwoningen met veelal een eigen, individueel karakter en eigen verhaal van ontstaan.

Toetsing

Het realiseren van de woningbouwontwikkeling ter plaatse van het plangebied is zowel vanuit functioneel als vanuit stedenbouwkundig oogpunt passend in de nabije omgeving. Met het voornemen is stedenbouwkundig zoveel mogelijk rekening gehouden met een goede overgang tussen buitengebied en stedelijk gebied, door qua bouwmogelijkheden aan te sluiten bij de bouwmogelijkheden van de omliggende bebouwing en een passende landschappelijk inpassing te verzorgen.

4.1.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Het beoogde plan is in overeenstemming met het provinciale beleid.

4.1.3 MijnOmgevingsvisie Tubbergen
4.1.3.1 Algemeen

De gemeente Tubbergen beschikt over een omgevingsvisie. MijnOmgevingsvisie Tubbergen gaat over detoekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. Hierin bouwt men verder op de basis die al in proces van MijnDorp gelegd is. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen. Door inbreng van de samenleving is MijnOmgevingsvisie van ons allemaal!

MijnOmgevingsvisie gaat in op:

1. de uitdagingen die op de gemeente afkomen (het verhaal achter de speerpunten);

2. hoe men daarop kan inspelen (speerpunten);

3. hoe plannen die bewoners of ondernemers inbrengen worden afgewogen (stappenplan);

4. welke waarden daarbij belangrijk zijn (waardenkaart).

Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:

  • We doen het samen;
  • We geven het goed voorbeeld;
  • We wentelen niet af op volgende generaties;
  • We combineren zoveel mogelijk functies, zodat de beschikbare ruimte optimaal wordt gebruikt.
4.1.3.2 Speerpunten

In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op verschillende thema's. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling is met name het thema 'Aantrekkelijk wonen' van belang.

Aantrekkelijk wonen

De gemeente werkt aan de juiste woning op de juiste plek. Dat gebeurt door:

  • het opstellen van de Woonvisie waarin voor de komende jaren een doorkijk gemaakt wordt naar de behoefte en de mogelijkheden op gebied van wonen. Hierbij wordt de link gelegd naar de ontwikkelingen in het Social Domein;
  • het opstellen van het meerjaren woningbouwprogramma met inbreng vanuit de kernen;
  • de verbinding te leggen met de provinciale woonagenda;
  • het maken van lokaal beleid zoals de nota inbreidingslocaties.

Betaalbaar wonen in je eigen gemeente

De gemeente wil dat het aantal en de soort woningen in een kern passen bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Ook is het belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn.

Inbreiden voor uitbreiden

Vanuit de gemeente bestaat de wens om binnen de grenzen van een kern bouwen. In de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of plekken waarvan de bestaande functie vervalt. Denk hierbij aan het verdwijnen van een bedrijf, het sluiten van een kerk of het slopen van oude woningen. Als er binnen de kerngeen plekken zijn om te bouwen, kijkt de gemeente naar bouwmogelijkheden aan de rand van een kern. Kernen zijn verschillend in de behoefte aan woningen. Daarom gaat de gemeente samen met kernen in gesprek om te kijken wat bij elk dorp past.

Kijken naar de toekomst

Er is verschil in hoeveel en welk soort woningen nu nodig en gewenst zijn en wat de vraag over 15 jaar is. Huidige knelpunten zijn bijvoorbeeld betaalbare woningen voor starters en woningen voor ouderen. In onze woonvisie kijken we op basis van onderzoek en gesprekken met alle betrokkenen vooruit op de vraag naar woningen. De gemeente probeert erop te sturen dat het aanbod van woningen daarop aansluit. Hierbij wordt de behoeften op de lange termijn en de bestaande voorraad in het oog gehouden.

4.1.3.3 Waardenkaart

Op de waardenkaart uit de Omgevingsvisie Tubbergen is het plangebied aangemerkt met de waarde 'Gericht op Ontwikkeling'. Het plangebied grenst aan de waarde 'Landelijke kernen'.

Gericht op ontwikkeling

Gebieden waar de waarde 'gericht op ontwikkeling' van toepassing is, zijn open gebieden met vergezichten. Daarnaast is er sprake van efficiënt agrarisch landschap, kavelsloten, wegen met bomenrijen en een moderne erfopzet.

Binnen de waarde 'gericht op ontwikkeling' wordt ingespeeld op:

  • de schaal van het landschap;
  • het agrarische karakter;
  • gemengde functies;
  • bouwwijze en inrichting die in de directe omgeving gebruikelijk is;
  • opgeruimd landschap;
  • geclusterde bebouwing;
  • heldere structuren;
  • verbeteren van de biodiversiteit;
  • vasthouden van water.

Landelijke kernen

Landelijke kernen zijn kernen met kleinschalige bebouwing verbonden met het buitengebied. Daarnaast zijn ontmoetingsplekken, een groene omgeving en een rafelige en afwisselende dorpsrand aanwezig. In veel landelijke kernen is een kerk aanwezig als belangrijkste gebouw in het dorpssilhouet. Tevens is er op enkele plekken karakteristieke bebouwing aanwezig.

Binnen de landelijke kernen wordt ingespeeld op:

  • het kleinschalige bebouwingsbeeld;
  • mogelijkheden om te ontmoeten;
  • de verbondenheid met het buitengebied;
  • de afwisselende dorpsrand;
  • behoud van (het zicht op) de kerk en de beleefbaarheid van karakteristieke bebouwing;
  • aanwezigheid van en zicht op groen en bomen in de kern;
  • de zichtbaarheid en toegankelijkheid van het omringende landschap met waardevolle cultuurhistorische elementen.

Het plangebied kan worden gezien als overgangsgebied van stedelijk gebied naar buitengebied. Op beide waarden 'gericht op ontwikkeling' en 'landelijke kernen' wordt aangesloten. Zo zal het voornemen aansluiten op de gebiedsaanwijzing 'landelijke kernen', omdat het bestaat uit een nieuwbouwwijk die aansluit op bestaand stedelijk gebied. Het bebouwingsbeeld is kleinschalig en bestaat uit vrijstaande woningen, twee-onder-een-kapwoningen, rijwoningen en lage hofjeswoningen. Deze verschillende woningtypes zorgt bovendien voor een afwisselende dorpsrand. Binnen het plan is veel ruimte voor groen gereserveerd. Daarnaast zal aan de oostkant van het plangebied, richting het buitengebied, heldere structuren, het agrarische karakter en het vasthouden van water in stand worden gehouden of worden versterkt.

4.1.3.4 Toetsing van het initiatief aan MijnOmgevingsvisie Tubbergen

De woningen worden gebouwd voor een concrete behoefte en passen binnen de visie om, indien er geen mogelijkheden zijn voor inbreiding, uitbreiding direct aansluitend aan de bestaande kern te laten plaatsvinden. Voorgenomen ontwikkeling is dan ook in lijn met 'Mijn omgevingsvisie Tubbergen'.

4.1.4 Woonvisie 2021+
4.1.4.1 Algemeen

Het woonbeleid van de gemeente Tubbergen voor de komende jaren is weergegeven in de 'Woonvisie 2021+'. Deze woonvisie is op 6 juli 2021 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Tubbergen.

De 'Woonvisie 2021+' is tot stand gekomen door regelmatig overleg met stakeholders, overleg in de regio, met de huurdersvereniging en het peilen van woonwensen bij diverse doelgroepen. Daarnaast zijn diverse bronnen geraadpleegd, van regio-gemeenten, Provincie Overijssel, het Rijk, en cijfers van CBS en de overheid (Primos).

In de woonvisie wordt de gemeentelijke visie op het wonen in Tubbergen voor de komende jaren geschetst. De woonvisie vormt de basis voor strategische afwegingen die gemeente maakt op het gebied van wonen.

In de visie komen meerdere ambities naar voren. De ambities die in dit geval van belang zijn betreft met name de ambitie: meer woningen met de juiste kwaliteit. Daar wordt hierna op ingegaan.

4.1.4.2 Meer woningen met de juiste kwaliteit

Behoefte

De komende jaren wil de gemeente voldoende woningen bouwen om te voorzien in de verwachte vraag. Om dat te bewerkstelligen is het ten eerste zaak om goed inzicht te hebben in die verwachte woningvraag. De afgelopen vijf jaar is het aantal huishoudens in Tubbergen gegroeid met ongeveer +300. Deze groei is mede tot stand gekomen door een positief binnenlands migratiesaldo. Er vestigden zich meer mensen in Tubbergen vanuit andere gemeenten, dan er vertrokken.

Om te kunnen voorzien in de woningbehoefte én als impuls voor de leefbaarheid en vitaliteit van kernen is het van belang dat er in alle kernen van Tubbergen kan worden gebouwd. De prognose is vertaald in een woningbouwprogramma per kern. De gemeente wil echter ook ruimte geven aan goede plannen die mogelijk de woningbehoefte in een kern overstijgt. Om die ruimte te bieden, voegt de gemeente de woningbehoefte voor de grote en kleine kernen samen. Dit biedt meer flexibiliteit. De behoefte per kern blijft echter het uitgangspunt. Hierna is de behoefte per kern in tabelvorm weergegeven. Vervolgens is de behoefte per kern specifiek weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0010.png"

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0011.png"

Dit houdt in dat ruim de helft van de woningbehoefte landt in de drie grotere kernen. In deze kernen geldt de grootste woningbehoefte vanwege de nabijheid van voorzieningen; iets wat met name voor senioren en mensen met een zorgvraag een grote rol speelt. Ongeveer een derde van de behoefte landt in de overige woonkernen.

Bouwen op de juiste plek

In overeenstemming met de Ladder voor duurzame verstedelijking gaat de gemeente de nieuwbouwopgave zoveel mogelijk binnen de bebouwde kom op inbreidingslocaties realiseren. Op die manier blijft het buitengebied zo groen mogelijk. In Provinciaal verband (Regionale Woonagenda) is al aangegeven dat voor inbreidingsplannen de komende jaren geen kwantitatieve limiet wordt gesteld. Wel moeten deze plannen kwalitatief getoetst worden.

In een aantal kernen zijn de mogelijkheden voor inbreiding beperkt. Bijvoorbeeld omdat inbreiding te zeer ten koste gaat van het dorpse- en landelijke karakter, of omdat er niet of nauwelijks inbreidingslocaties voorhanden zijn. Daarom zetten we ons er voor in dat het ook in de toekomst mogelijk blijft om -uiteraard zo zorgvuldig mogelijk- potentiële locaties aan de randen van de bebouwde kom te benutten. De Regionale Woonagenda biedt ook die ruimte.

Prioriteit voor starters en senioren

De huidige woningvoorraad bestaat voor een groot deel uit ruime, grondgebonden koopwoningen. Voor de meeste inwoners van de gemeente Tubbergen is dit ook het ideaalbeeld. Ook veel starters op de woningmarkt hebben een voorkeur om direct te starten in een ruime grondgebonden koopwoning. Voor een deel van de starters is dit ook haalbaar. Veel jongeren zijn handig en zijn bereid om zelf een woning te (ver)bouwen. Daarnaast hebben relatief veel starters in de gemeente Tubbergen (meer dan gemiddeld in Nederland) de financiële mogelijkheden om een woning in het middeldure koopsegment (of zelfs meer) te betalen (of op een bouwkavel zelf een woning te bouwen), omdat ze veel gespaard hebben en/of dankzij ondersteuning van de ouders.

Maar dit geldt zeker niet voor alle starters op de woningmarkt. Vooral voor alleenstaande starters en starters met een beperkt inkomen zijn de mogelijkheden voor een koopwoning beperkt. Zij kunnen wellicht in aanmerking komen voor een sociale huurwoning, maar veel starters blijven toch doorzoeken naar een koopwoning. In algemene zin neemt de behoefte aan kleinere woningen onder starters toe.

De komende jaren wil de gemeente het woningaanbod voor starters vergroten. Het is hierbij zaak om snel aan de slag te gaan, om te voorkomen dat (nog meer) starters op zoek gaan naar goedkoper aanbod in andere gemeenten. Een belangrijk aandachtspunt daarbij is het vergroten van het aanbod aan goedkope koopwoningen voor starters met beperkte financiële mogelijkheden (waaronder alleenstaande starters). Om die woningen betaalbaar te kunnen houden, zal de kwaliteit (qua m², aantal kamers, uitrusting) daarop aangepast moeten worden. Maar dan wel op zo'n manier dat deze woningen aantrekkelijk blijven voor starters.

Een tweede belangrijke doelgroep zijn de senioren op de woningmarkt. Het aantal huishoudens van 65 jaar enouder neemt de komende jaren verder toe. Op dit moment vormt de groep 1+2 persoonshuishoudens van 65 jaar en ouder 31% van het totaal aantal huishoudens in Tubbergen, in 2030 is dat gestegen naar 38%. Hierna zijn de van belang zijnde ambities voor starters en senioren opgesomd:

  • De gemeente zet sterk in op de realisatie van koopwoningen voor starters. Dat kunnen woningen in meerdere prijsklassen zijn, maar de ontwikkeling van goedkope koop vraagt extra aandacht.
  • De gemeente zet sterk in op de realisatie van levensloopgeschikte woningen (of woningen die hier makkelijk toe aan te passen zijn).
4.1.4.3 Toetsing van het initiatief aan de gemeentelijke woonvisie

De voorgenomen ontwikkeling sluit perfect aan bij de behoefte aan onder meer betaalbare starterswoningen en de behoefte aan kleinere, levensloopbestendige woningen voor ouderen. Voorliggend initiatief sluit aan bij de behoefte en voorziet deels in de urgente vraag.

De ontwikkeling binnen de gemeentelijke beleidsdoelen. Binnen Harbrinkhoek is er geen geschikte locatie om te herontwikkelen naar woningbouw. Daarom wordt deze locatie direct aansluitend aan Harbrinkhoek en nagenoeg aansluitend aan Mariaparochie ontwikkeld met woningbouw. Daarnaast wordt eveneens bijgedragen aan een vitale en betaalbare kern, aangezien de ontwikkeling onder meer inspeelt op een urgente concrete vraag naar betaalbare starterswoningen en seniorenwoningen in de kern Harbrinkhoek.

In de kern Harbrinkhoek is (samen met de kern Mariaparochie) op basis van de woonvisie behoefte aan circa 50 woningen. De gewenste woningen passen dan ook binnen deze beschikbare plancapaciteit. Geconcludeerd wordt dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het gemeentelijk woonbeleid.

4.1.5 Nota Omgevingskwaliteit
4.1.5.1 Algemeen

Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.

Voor onderhavig project bevat het omgevingsplan regels over het uiterlijk van bouwwerken. Dit heet welstandstoezicht. De Nota Omgevingskwaliteit (welstandsnota) bevat onvoldoende welstandscriteria voor het project. In het besluit tot wijziging van het omgevingsplan zijn daarom op grond van artikel 4.19 Omgevingswet regels opgenomen over het uiterlijk van bouwwerken en voor de uitleg daarvan stelt de gemeenteraad beleidsregels vast, zodat kan worden beoordeeld of bouwwerk aan die regels voldoet. Dit heet welstandscriteria.

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).

Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.

De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.

4.1.5.2 Toetsing

Er is een beeldkwaliteitsplan opgesteld ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling (Bijlage 2). In het beeldkwaliteitsplan is onder andere het stedenbouwkundige plan en de gewenste sfeer beschreven, evenals criteria met betrekking tot het uiterlijk (massa, vorm, gevels) van de woningen. Het beeldkwaliteitsplan zal gelijktijdig met onderliggend TAM-omgevingsplan in procedure worden gebracht en worden vastgesteld.

4.2 Voorbereidingsfase / Verkenningsfase met stakeholders

4.2.1 Vooroverleg provincie

De voorgenomen ontwikkeling kan niet worden gezien als uitzondering waarop vooroverleg noodzakelijk is. Hiervoor wordt verwezen naar de uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023. Het gaat hier om woningbouw in het buitengebied. Op 7 juli 2025 is het TAM-omgevingsplan in het kader van een voorkantsamenwerking voorgelegd aan de provincie. Op 17 juli 2025 heeft de provincie een positief advies afgegeven.

4.2.2 Vooroverleg Waterschap Vechtstromen

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is.

Voor het geheel is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. In paragraaf 5.12 wordt hier uitgebreid op ingegaan.

4.2.3 Participatie omgeving

De gemeenteraad heeft het beleid 'Inwonersparticipatie' vastgesteld en daarin is een 'Checklist Aan de slag met inwonersparticipatie' opgenomen.

Ten behoeve van een bestemmingsplan onder de Wro heeft onder andere op dinsdag 25 april 2023 een inloopbijeenkomst plaatsgevonden waar men kon reageren op het concept plan voor de Dannenkamp 5.

Vanaf 16 augustus 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan voor de Dannenkamp 5 zes weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode is er een zienswijze ingediend.

Op basis van de ingediende zienswijze zijn er op meerdere punten gesprekken geweest met de reclamant. Deze punten hebben geleid tot aanpassingen in het plan. Voorliggend TAM-omgevingsplan bevat deze aanpassingen.

Er is een participatieverslag opgenomen als Bijlage 3 bij deze ruimtelijke motivering. Hierin zijn onder andere de reacties van de bewoners uitvoerig uiteengezet.

Hoofdstuk 5 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).

Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:

  • de instructieregels van hoofdstuk 5, met name afdeling 5.1 'Instructieregels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties' van het Bkl;
  • de instructieregels uit de provinciale omgevingsverordening;
  • eventuele andere instructies van het Rijk en provincie.

In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.

5.1 Ladder voor duurzame verstedelijking

5.1.1 Algemeen

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.

Inhoud en strekking van de instructieregel komen overeen met de laddertoets die vóór de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold op basis van artikel 3.1.6 lid 3 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Met artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen wijziging beoogd ten opzicht van artikel 3.1.6 lid 2 Bro.

Artikel 5.129g, tweede lid, Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (uitspraken van 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 (Hengelo) en van 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579 (Eindhoven).

Uit artikel 3.129g, eerste lid, Bkl volgt dat de laddertoets in ieder geval van toepassing is op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.

5.1.2 Situatie plangebied

Het plan voorziet in de realisatie van 19 woningen. Wanneer een plan voorziet in meer dan 11 woningen dan wordt dit gezien als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtuitspraak 'ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921'. Een verdere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is hiervoor noodzakelijk. In dit kader is een ladderonderbouwing opgesteld die is opgenomen als Bijlage 4 bij dit TAM-omgevingsplan. Na het doorlopen van de laddertoets wordt geconcludeerd dat de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor uitvoering van het voornemen. Voor onderbouwing van de kwalitatieve en kwantitatieve behoefte in relatie tot het voornemen wordt verwezen naar Bijlage 4.

5.1.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat de ladder voor duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor uitvoering van het TAM-omgevingsplan.

5.2 m.e.r.-beoordeling

5.2.1 Algemeen

Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:

  • de EU-richtlijn mer (mer-richtlijn): richtlijn over de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en private projecten.
  • de EU-richtlijn voor strategische milieubeoordeling (smb-richtlijn): richtlijn over de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's.

De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.

In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:

  • De eerste eis is dat het moet gaan om een wettelijk of bestuursrechtelijk voorgeschreven plan of programma (artikel 16.34 lid 1 Ow). In de Omgevingswet is opgenomen dat een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing aan die vereisten voldoen.
  • De tweede eis is dat het plan of programma een kader vormt voor besluiten voor mer- (beoordelings)plichtige projecten (artikel 16.36 Ow) of dat er een passende beoordeling voor een plan of programma nodig is. In kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit zijn de mer-(beoordelings)plichtige projecten opgenomen.

De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:

  • 1. Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het gaat om projecten die niet in bijlage V bij het Omgevingsbesluit staan. Het plan is niet direct plan-merplichtig, maar er moet wel een plan-mer-beoordeling worden uitgevoerd. De mer-(beoordelings)plichtige projecten zijn opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit.
  • 2. Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Daarnaast komen de projecten waarvoor het omgevingsplan het kader vormt niet boven de drempel van kolom 2 uit bijlage V Omgevingsbesluit. Er kan dan volstaan worden met een plan-mer-beoordeling als:
    • a. het plan een kleine wijziging van een plan of programma is;
    • b. het plan gaat over een klein gebied op lokaal niveau én als voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is.

In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:

  • Aanzienlijke milieueffecten zijn niet uitgesloten: er volgt een plan-mer en er moet een milieueffectrapport (MER) worden gemaakt.
  • Aanzienlijke milieueffecten zijn uitgesloten: er is geen plan-mer nodig en er wordt geen MER gemaakt.
5.2.2 Situatie plangebied

Vanuit een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is een toets van de effecten van het plan op het milieu noodzakelijk. In dit kader is een aanmeldnotitie m.e.r.-beoordeling opgesteld, zie Bijlage 5. De vormvrije m.e.r.-beoordeling maakt duidelijk dat de milieueffecten als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling beperkt zijn en dat er geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die het opstellen van een plan-m.e.r. noodzakelijk maakt.

5.2.3 Conclusie

Gelet op de beoordeling van de kenmerken van de ontwikkeling en de kenmerken van de potentiële effecten (zie Bijlage 5), zijn er geen belangrijke negatieve milieugevolgen te verwachten. Het opstellen van een milieueffectrapport is niet nodig. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.3 Verkeersgeneratie,- afwikkeling en parkeren

5.3.1 Algemeen

De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'Parkeerkencijfers 2024' (uitgave 744). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.

5.3.2 Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling)
5.3.2.1 Verkeersgeneratie

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Roelofs een verkeersonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van dit verkeersonderzoek is opgenomen als Bijlage 6 in deze motivering. Onderstaande tabel toont de resultaten van de berekening voor de te verwachten verkeersbewegingen.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0012.png"

De totale verkeersgeneratie van Dannenkamp 5 (fase 1 + 2) ligt tussen de 277,3 (minimaal) en 311,9 (maximaal) mvt/werkdag. In de huidige situatie heeft het plangebied een agrarische bestemming. De verkeersgeneratie van het gebied is (nagenoeg) 0 voertuigbewegingen per etmaal. Het planeffect is -op basis van de maximale CROW kencijfers- daarmee afgerond maximaal 320 extra verkeersbewegingen per werkdagetmaal.

5.3.2.2 Verkeersafwikkeling

De Dannenkamp 5 krijgt een nieuwe rechtstreekse ontsluiting op de Almeloseweg. Tevens is er aan de noordzijde van het plangebied een ontsluiting op de Klaproos voorzien. Met deze ontsluitingsstructuur kent het plangebied tweeontsluitingen, waarmee wordt voorzien in een acceptabele ontsluiting.

Concreet leidt de planontwikkeling tot circa 270 extra verkeersbewegingen van/naar de richting Mariaparochie en circa 50 extra voertuigbewegingen van/naar het noordoosten. Door de ontsluitingsmogelijkheden is de prognose dat het westelijk deel van de bestaande woonwijk in de plansituatie ook rechtstreeks ontsluit op de Almeloseweg. Dit verkeer (circa 400 mvt/etmaal) rijdt in de huidige situatie via de Hazelaar, Lijsterbes en de Iep van/naar de Almeloseweg. Wanneer de extra en gewijzigde verkeerstromen worden toegedeeld, volgt voor de Almeloseweg ten zuidwesten van de voorgenomen ontsluiting een worst-case intensiteit van circa 3.200 mvt/werkdag. Op het wegvak ten noordoosten van de voorgenomen ontsluiting ligt de worst-case intensiteit op circa 2.650 mvt/werkdag.

De worst-case intensiteiten in de plansituatie liggen (ruim) onder de wenselijke capaciteit voor een dergelijke 30 km/uur weg, met tevens een ontsluitende functie voor Harbrinkhoek. Vanuit functie, vormgeving en leefbaarheid ligt de wenselijke capaciteit voor de gereconstrueerde Almeloseweg op het wegvak ter plaatse van de ontsluiting op basis van expert-judgement op 4.000 tot 5.000 mvt/etmaal. Ter indicatie; het CROW schrijft voor erftoegangswegen een capaciteit van 4.000 tot 6.000 mvt/etmaal voor. Op basis van de geprognotiseerde intensiteiten zijn ook op kruispuntniveau geen knelpunten vanuit de verkeersafwikkeling te veronderstellen.

5.3.3 Parkeren

Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.

Roelofs heeft in het verkeersonderzoek de benodigde parkeerbehoefte berekend. De resultaten zijn in onderstaande tabel weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0013.png"

De totale parkeerbehoefte bedraagt afgerond 35 parkeerplaatsen. Er worden 29 parkeerplaatsen in de openbare ruimte gerealiseerd. Daarnaast is er voor de vrijstaande en twee-onder-één-kapwoningen mogelijkheid om minimaal één auto op eigen terrein (garage met oprit) te parkeren. Hier worden dus ook minimaal 7 parkeerplaatsen gerealiseerd. Er wordt dan ook voorzien in minimaal 36 parkeerplaatsen. Er wordt daarmee in de parkeerbehoefte voorzien. Het aspect 'parkeren' levert geen belemmering op.

5.3.4 Conclusie

Het aspect 'verkeer en parkeren' vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.4 Gebiedsbescherming en soortenbescherming

Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).

5.4.1 Natura 2000-gebieden
5.4.1.1 Algemeen

Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.

Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.

Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:

  • de leefgebieden van vogels;
  • de natuurlijke habitats of habitats van soorten.

De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.

Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.

5.4.1.2 Situatie plangebied

Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Engbertsdijksvenen' ligt op circa 7,0 kilometer afstand van het plangebied. Gelet op de onderlinge afstand is directe hinder (bijv. geluid, verstrooiing van licht etc.) niet aan de orde.

Naast directe hinder dient tevens te worden gekeken naar de mogelijke toename van stikstofdepositie op kwetsbare habitattypen binnen Natura 2000-gebieden. In het kader hiervan is een AERIUS-berekening uitgevoerd door BJZ.nu BV. De rapportage is opgenomen als Bijlage 7 van deze ruimtelijke motivering. Hierna wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies.

Geconcludeerd wordt dat voor zowel de aanlegfase als de gebruiksfase geen sprake is van rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/jr. Er is daarmee geen sprake van een stikstofdepositie met significant negatief effect op Natura 2000-gebieden. Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningsplichtig.

5.4.1.3 Conclusie

Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig.

5.4.2 Natuurnetwerk Nederland (NNN)
5.4.2.1 Algemeen

In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.

5.4.2.2 Situatie plangebied

Het Nederlands Natuurnetwerk (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid (NNN). Het NNN is in provinciale structuurvisies uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

Het plangebied is niet gelegen binnen het concreet begrensde NNN. Het plangebied ligt op circa 2,6 kilometer van het dichtstbijzijnde NNN. Gezien de ruime afstand tot het NNN en de aard van de ontwikkeling wordt geconcludeerd datgeen aantasting plaatsvindt van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

5.4.2.3 Conclusie

Het plangebied ligt op 2,6 kilometer afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.

5.4.3 Soortenbescherming
5.4.3.1 Algemeen

In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:

  • Soorten Vogelrichtlijn (artikel 11.37 t/m artikel 11.40 Bal);
  • Soorten Habitatrichtlijn (artikel 11.46 t/m artikel 11.48 Bal);
  • Andere soorten (artikel 11.54 Bal).

Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.

5.4.3.2 Situatie plangebied

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een quickscan natuurwaardenonderzoek uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 8 opgenomen in deze ruimtelijke motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied ongeschikt als groeiplaats voor beschermde plantensoorten maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het plangebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten veldmuizen er een vaste (rust) en voortplantingsplaats. Beschermde vogels benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied en benutten het ook niet als foerageergebied. Voor amfibieën vormt het plangebied geen functioneel leefgebied.

Mogelijk wordt een beschermd grondgebonden zoogdier gedood en een vaste rust- of voortplantingsplaats beschadigd of vernield, als gevolg van uitvoering van de voorgenomen activiteiten. Voor de grondgebonden zoogdieren, die een vaste rust- en/of voortplantingsplaats in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling 'beschadigen of vernielen van vaste rust- en voortplantingsplaatsen'. Voor het 'doden' van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist. Indien er zorgvuldig gehandeld wordt, worden er geen beschermde grondgebonden zoogdieren gedood.

Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor verschillende foeragerende diersoorten af. Deze afname leidt niet tot wettelijke consequenties.

Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden.

5.4.3.3 Conclusie

Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.

5.5 Luchtkwaliteit

5.5.1 Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.

In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:

  • beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden;
  • ammoniakemissies van veehouderijen;
  • geologische opslag van CO2.

Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:

  • woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg;
  • woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen;
  • kantoren: 100.000 m² bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.

Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.

5.5.2 Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van het project, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan gesteld worden dat het project 'niet in betekenende mate' bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Vorenstaande wordt bevestigd door onderstaande berekening die is gemaakt met de NIBM-tool. Hierbij is de verkeersgeneratie ingevoerd (zie paragraaf 5.3) en is worstcase uitgegaan van 5% vrachtverkeer.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0014.png"

Afbeelding 5.1: Berekening gevolgen luchtkwaliteit (Bron: NIBMtool)

5.5.3 Conclusie

Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.

5.6 Geluid

5.6.1 Algemeen

Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.

Geluid door activiteiten

In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.

Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.

De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.

Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen

Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:

  • woningen;
  • Onderwijsgebouwen (behoudens voorzieningen zoals een gymnastieklokaal);
  • Ziekenhuizen en verpleeghuizen en daarmee gelijk te stellen voorzieningen zoals
  • verzorgingstehuizen,
  • psychiatrische inrichtingen, medische centra, poliklinieken, medische kleuterdagverblijven, etc.

Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0015.png"

Afbeelding 5.2: Standaardwaarden (Bron: Bkl, artikel 5.78t)

Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.

Geluidbeleid

De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Tubbergen' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.

Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Woongebied'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'redelijk rustig' (48 dB) en de bovengrens 'onrustig' (53 dB).

5.6.2 Situatie plangebied, wegverkeerlawaai

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd. De volledige rapportage van dit onderzoek is als Bijlage 9 meegenomen in deze motivering. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusies uit het onderzoek.

Uit het onderzoek is gebleken dat de het geluid op de gevels na realisatie van het woningbouwplan stijgt. Op de meeste toetspunten is geen sprake van een toename van meer dan 1,5 dB. Op de toetspunten waarbij sprake is van een toename van meer dan 1,5 dB is geen sprake van overschrijding van de standaardwaarde van 53 dB (zowel in de huidige als de nieuwe situatie). Uit het uitgevoerde akoestisch onderzoek voor het woningbouwplan Dannenkamp, blijkt dat:

  • er geen sprake is van indirecte akoestische effecten in de zin van de Omgevingswet;
  • het optredende geluid door wegen vanwege het wegverkeer aanvaardbaar is;
  • er geen wettelijke verplichting bestaat om maatregelen te treffen om het geluid op de gevels te beperken.

Ten behoeve van de te realiseren woningen is een berekening uitgevoerd voor het geluid door wegen op de gevels. De resultaten zijn als volgt: Het geluid door de gemeentewegen bedraagt hoogstens 50 dB Lden. Met deze waarde wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB Lden uit het Bkl. Met het inachtneming van voorstaande is er sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de woningen.

5.6.3 Situatie plangebied, spoorweglawaai

Het plangebied ligt op circa 4,7 kilometer afstand van de dichtstbijzijnde spoorweg. Er is hier redelijkerwijs geen sprake van geluidshinder door spoorwegen.

5.6.4 Situatie plangebied, industrielawaai

In de directe omgeving van het plangebied is geen gezoneerd bedrijventerrein aanwezig. Het aspect industrielawaai is dan ook niet van toepassing. Wat betreft de invloed van eventuele individuele bedrijven op de woningen wordt verwezen naar onderstaande paragraaf.

5.6.5 Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten

De functie 'wonen' betreft geen geluidbelastende functie voor de omgeving. Er is wel sprake van het realiseren van warmtepompen, maar deze moeten voldoen aan de eisen die hiervoor gelden op grond van het Bbl, waarmee er geen belemmering wordt gevormd. Andersom bevindt zich in de directe omgeving van het plangebied één individueel bedrijf dat akoestisch relevant is voor het woningbouwproject. Het gaat hierbij om Autogaragebedrijf Autogroep Twente Almelo aan de Almeloseweg 175. Dit is een tankbenzineservicestation en autogaragebedrijf. Bij het benzineservicestation is het planologisch (nog) mogelijk om LPG te verkopen. Het benzineservicestation heeft een maximale LPG doorzet van 500 m3 per jaar. Voor een benzineservicestation met een maximum doorzet geldt milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand voor geluid van 50 meter. De meest nabijgelegen woningen worden op circa 60 meter van deze functie gerealiseerd. Er wordt daarmee ruim aan de richtafstanden voldaan. Daarbij wordt tevens opgemerkt dat in de praktijk de verkoop van LPG niet meer aanwezig is.

Er wordt geconcludeerd dat sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom worden als gevolg van voorgenomen ontwikkeling geluidbelastende activiteiten niet verder belemmerd in de ontwikkelmogelijkheden.

5.6.6 Conclusie

Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.

5.7 Geur

5.7.1 Algemeen

In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:

  • zuiveringstechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2);
  • het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3);
  • andere agrarische activiteiten.

In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.

5.7.2 Situatie plangebied

Binnen een straal van 500 meter van het plangebied bevinden zich drie veehouderijen. Het gaat om de veehouderijen aan de Slagenweg 14 (500m), Almeloseweg 181 (300m) en Dannenkampseweg 34 (400m). In alle drie de gevallen gaat het om een melkveehouderij. Hier wordt melkrundvee gehouden en hierbij geldt een vaste afstand van 50 meter buiten de bebwoude kom. Hier wordt ruimschoots aan voldaan.

In dit geval bevinden de dichtstbijzijnde veehouderijen zich op 300 meter afstand van het plangebied. Het gaat hierbij om veehouderijen zonder vastgestelde geuremissiefactor. Hiervoor geldt een richtafstand van 50 meter. In voorliggend geval wordt hier ruim aan voldaan.

Wat betreft individuele bedrijvigheid bevindt zich ten zuidoosten van het plangebied een tankbenzineservicestation en autogaragebedrijf. Bij het benzineservicestation wordt ook LPG verkocht. Het benzineservicestation heeft een maximale LPG doorzet van 500 m3 per jaar. Voor een benzineservicestation met een maximum doorzet geldt milieucategorie 3.1 met een grootste richtafstand van 30 meter voor geur. De meest nabijgelegen woningen worden op circa 60 meter van de bedrijfsbestemming behorende bij het autogaragebedrijf gerealiseerd. Er wordt daarmee aan de richtafstanden voldaan. Voor het overige bevinden er zich geen geurbelastende functies nabij het plangebied.

Gelet op het vorenstaande is er ter plaatse van de te realiseren woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Omgekeerd worden omliggende bedrijven niet in hun bedrijfsvoering belemmerd.

5.7.3 Conclusie

Ten aanzien van het aspect 'geur' is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

5.8 Omgevingsveiligheid

5.8.1 Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastendeactiviteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het
  • Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang: beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;

  • veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten (par. 5.1.2.5 Bkl);
  • veiligheid rond luchthavens (par. 5.1.2.6 Bkl).
5.8.2 Situatie plangebied

Aan de hand van de Risicokaart op Atlast Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grotebranden of verstoring van de openbare orde.

In afbeelding 5.3 is een uitsnede van de risicokaart weergegeven. Het plangebied betreft de locatie die is aangegeven met de rode omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01_0016.png"

Afbeelding 5.1 Uitsnede Signaleringskaart EV (Bron: Atlas Leefomgeving

Er zijn op bovenstaande kaart twee benzineservicestations aanwezig. De verkoop van LPG is desondanks niet meer aan de orde.

Door het woningbouwplan Hondebrink in Mariaparochie is het voormalige benzineservicestation planologisch wegbestemd. Ter plaatse wordt daarom geen LPG meer verkocht, laat staan dat er een benzineservicestation aanwezig is.

Het benzineservicestation aan de Almeloseweg 175 verkoopt in de praktijk geen LPG meer. Ook is het station onbemand geworden en afgesplitst van het autobedrijf. Het opnieuw verkopen van LPG is daarom niet zomaar mogelijk.

Uit de inventarisatie blijkt daarnaast dat het plangebied:

  • zich niet bevindt binnen de risicocontour van Bevi- en Brzo-inrichtingen danwel inrichtingen die vallen onder
  • het Vuurwerkbesluit (plaatsgebonden risico);
  • niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van het vervoer gevaarlijke stoffen;
  • niet ligt binnen de veiligheidsafstanden van buisleidingen voor het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Wel bevindt het plangebied zich binnen de brand- en explosieaandachtsgebied van het benzineservicecentrum. Een nadere verantwoording van het groepsrisico is dan ook benodigd.

Bij het verantwoorden van het groepsrisico zijn er zowel locatiespecifieke als ontwikkelingsspecifieke aspecten die moeten worden onderbouwd.

De volgende locatiespecifieke aspecten zijn van belang: opkomsttijd, dekking waarschuwingsinstallatie en nabijheid bluswatervoorzieningen. Deze worden hierna onderbouwd.

  • Opkomsttijd: In voorliggend geval kan de brandweer in theorie binnen 8 minuut ter plaatse zijn. De dichtstbijzijnde brandweerpost bevindt zich namelijk aan de Reutummerweg 6 te Tubbergen;
  • Dekking waarschuwingsinstallatie: In geval van calamiteiten worden de aanwezige personen in bedreigd gebied gewaarschuwd middels een NL-alert. Dit is bijvoorbeeld het geval als er gevaarlijke stoffen vrijkomen bij een brand of ongeval. In het bericht wordt tevens het handelingsperspectief vermeld, zodat de personen die in het bedreigde gebied bevinden weten hoe te handelen;
  • Nabijheid bluswatervoorziening: Er zijn in en rondom het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig.

Eveneens dient in voorliggend geval aan de ontwikkelingsspecifieke aspecten te worden getoetst. Dit betreffen de aspecten bereikbaarheid van hulpdiensten ter plaatse, vluchtmogelijkheden en (zelf)redzaamheid van de aanwezige personen. Hierna worden de voorgenoemde aspecten onderbouwd.

  • Bereikbaarheid: Hulpdiensten dienen bij een calamiteit een gebied of een object goed te kunnen bereiken. Het plangebied is via de Almeloseweg en de Klaprood goed te bereiken. Daarnaast is er aan alle kanten van de woningen voldoende ruimte voor de hulpdiensten om de benodigde werkzaamheden uit te kunnen voeren en de voertuigen te parkeren;
  • Vluchtmogelijkheden: Het plangebied is via de Almeloseweg en Klaproos goed te ontvluchten in alle richtingen, van de risicobron af;
  • (Zelf)redzaamheid: Dit houdt in dat personen zichzelf en eventueel anderen binnen een bepaald tijdsbestek kunnen veiligstellen bij dreigend gevaar. Hierbij wordt van de personen zelf uitgegaan zonder de hulp van hulpverlenersdiensten. Voorliggend plan betreft het realiseren van 20 extra woningen. Het betreffen reguliere woningen bedoeld voor een brede, zelfredzame doelgroep. Daarnaast worden er acht woningen geschikt voor de doelgroep ouderen gerealiseerd. Echter gaat het om 'mobiele' ouderen die nog op zichzelf wonen. Verwacht wordt dat ook deze toekomstige bewoners zelfredzaam zijn. In het geval van een calamiteit zijn er daarmee zelfredzame personen aanwezig in het plangebied.

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling niet resulteert in onevenredige toename van het groepsrisico ter plaatse.

5.8.3 Conclusie

De omgevingsveiligheid wordt in voldoende mate gewaarborgd.

5.9 Trilling

5.9.1 Algemeen

In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van

toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.

De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.

Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.

Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:

  • woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan (woonschepen en woonwagens uitgezonderd);
  • onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan;
  • gezondheidszorgfuncties met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; of
  • bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan.
5.9.2 Situatie plangebied

De dichtstbijzijnde spoorlijn ligt op circa 4,7 kilometer van het plangebied. Het plangebied bevindt zich hiermee ruim buiten de richtafstand van 250 meter. Ook bevinden er zich geen andere functies in de omgeving die dusdanige trilling kunnen veroorzaken. Trillingshinder bij het plan kan dus worden uitgesloten.

5.9.3 Conclusie

Trilling vormt geen belemmering voor het voornemen.

5.10 Archeologie en cultuurhistorie

5.10.1 Algemeen

De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:

  • Ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • Verplaatsing van beschermde monumenten;
  • Gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • Aantasting van de omgeving van een beschermd monument;
  • Conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.

Archeologische resten 

Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.

5.10.2 Situatie plangebied, archeologie

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling zijn een viertal archeologische onderzoeken uitgevoerd. Dit zijn:

  • Bijlage 10 Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase
  • Bijlage 11 Archeologisch Inventariserend veldonderzoek - katerende fase
  • Bijlage 12 Archeologisch Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven
  • Bijlage 13 Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase (fase 2)

Hierna wordt op de onderzoeksresultaten ingegaan.

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase

Op basis van de onderzoeksresultaten worden archeologische resten verwacht. Op dit moment zijn de bouwplannen nog niet concreet, maar het is goed mogelijk dat de nieuwe woningen op opgehoogde grond zullen worden gebouwd. Dit is ook het geval bij het blok met nieuwbouwwoningen direct ten noorden van het plangebied, waar op basis van het AHN sprake is van een ophoging van ruim 80 cm. Ervan uitgaande dat de ontgravingen ten behoeve van de bouwputten na ophoging beperkt blijven tot maximaal 90 cm, lopen eventuele archeologische resten geen gevaar en is geen nader archeologisch onderzoek benodigd. Indien de woningen daarbij op heipalen (bij voorkeur schroefpalen) gefundeerd worden, blijft de verstoring in het archeologisch niveau beperkt tot de doorsnede van de heipalen en een smalle zone daaromheen. Zeker indien het gebruik van heipalen tot het minimum benodigde aantal wordt teruggebracht en de palen zoveel mogelijk in evenwijdige raaien en tegenover elkaar worden geplaatst, is de aantasting van de vindplaats minimaal en wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht.

Indien het terrein niet wordt opgehoogd en/of indien ontgraving plaatsvindt dieper dan 15-20 cm minus het huidige maaiveld is archeologisch onderzoek van toepassing. We adviseren daarbij karterend booronderzoek in het gehele plangebied. Gezien de verwachting op vuursteenresten is methode E2 van de Leidraad Karterend onderzoek van toepassing. Dit omvat een boorgrid van 20 boringen per hectare waarbij een edelmanboor van 15 cm diameter wordt gebruikt en waarbij de boorkernen worden gezeefd over een maaswijdte van 4 mm. Met deze onderzoeksmethode kunnen indicatoren zoals vuursteen, natuursteen, aardewerk en houtskool effectief worden opgespoord. Deze methode is niet geschikt voor het opsporen van urnenveld. Statistisch is de kans dat een urn wordt aangeboord verwaarloosbaar. Met dit karterend booronderzoek kan worden bepaald of het aangetroffen vuursteenfragmentje een toevalstreffer is, of dat er binnen het plangebied sprake is van concentratie van vondsten. In dat geval kan gravend onderzoek een optie zijn.

Archeologisch Inventariserend veldonderzoek - katerende fase

In een deel van het plangebied worden archeologische resten verwacht. De in het rapport opgenomen advieskaart geeft de kansrijke zone aan. De begrenzing van dit adviesgebied is gebaseerd op Thiessen-polygonen.

Er wordt geadviseerd binnen de aangegeven zone bodemingrepen dieper dan 10 cm -mv te vermijden. Dit omvat ook kabels, leidingen en rioleringen. Idealiter wordt hier een grondpakket opgebracht en wordt dit terreintje ingericht als grasveldje, speelterrein, pleintje of iets dergelijks. Indien het niet mogelijk is dit gebied te ontzien wordt een proefsleuvenonderzoek op deze advieslocatie geadviseerd. Hiertoe is een door de gemeente goed te keuren archeologisch Programma van Eisen (PvE) benodigd. Er wordt geadviseerd in het PvE te voorzien naar een doorstart naar een opgraving indien een archeologische vindplaats wordt aangetroffen.

Gelet op de te verwachten prospectiekenmerken en prospecteerbaarheid van een eventuele vindplaats wordt geadviseerd dit vervolgonderzoek uit te voeren in de vorm van een proefsleuvenonderzoek conform de KNA Leidraad Inventariserend Veldonderzoek Deel: Proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Normaliter geldt een dekkingsgraad van tenminste acht procent. Vertaald naar de omvang van het adviesgebied (circa 940 m2) impliceert dit dat tenminste 75 m2 wordt ontgraven.

In het overige deel van het plangebied wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd. Echter, grondsporen en resten van bijvoorbeeld een urnenveld kunnen hier niet uitgesloten worden. In dat verband wordt geadviseerd tijdens het bouwrijp maken van het terrein een aantal archeologische inspecties te laten uitvoeren door een gekwalificeerd archeoloog.

Dit advies is overgenomen door de gemeente Tubbergen, hierin vertegenwoordigd door de archeologisch adviseur van de gemeente.

Archeologisch Inventariserend veldonderzoek - proefsleuven

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn geen archeologische sporen en vondsten aangetroffen. In het noorden van proefsleuf 1 is een natuurlijke laag van de bodem van een vennetje aangetroffen. Uit het profiel bleek dat dit ven is opgevuld met een ophogingslaag. Hoe dit vennetje gedateerd kan worden is niet bekend. Zowel uit de natuurlijke bodemlaag van het vennetje als de ophogingslaag waarmee de laagte is opgevuld zijn geen vondsten aangetroffen. Op de historische kaart van 1820 is een veengebied met de naam Het Witte Veen direct naast of in het plangebied te zien. Naast de natuurlijke laag van dit vennetje zijn er in proefsleuf 1 en 2 enkele recente verstoringen waargenomen. In proefsleuf 1 bestond de bodemopbouw uit een recente bouwvoor op een B-horizont met daaronder een BC-horizont. In proefsleuf 2 was er geen B- of BC-horizont aanwezig en lag de bouwvoor direct op de C-horizont met in één van de profielen een dunne menglaag. In deze profielen werden ook ploegsporen waargenomen die tot in de C-horizont rijkte.

Tijdens het onderzoek is er geen vindplaats aangetroffen. Er wordt geadviseerd geen verder onderzoek uit te voeren en het terrein voor de voorgenomen ontwikkeling vrij te geven.

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek - verkennende fase (fase 2)

In aanvulling op het archeologisch bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, is hetzelfde onderzoek ook uitgevoerd voor fase 2. Op basis van het uitgevoerde booronderzoek is de kans klein dat het plangebied archeologische sporen bevat. Om deze reden is geadviseerd geen vervolgonderzoek uit te voeren en het onderzoeksgebied vrij te geven. Met dit onderzoek kan het gehele plangebied vrij worden gegeven.

5.10.3 Situatie plangebied, cultuurhistorie

Er bevinden zich, op basis van de Cultuurhistorische Waardenkaart van de provincie Overijssel, in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden. Gesteld wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

5.10.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat in het kader van het aspect archeologie geen nader onderzoek noodzakelijk is. Het plangebied kan volledig worden vrijgegeven. De momenteel geldende archeologische dubbelbestemming is daarom niet overgenomen in de bijbehorende regels en verbeelding. Daarnaast wordt geconcludeerd dat geen sprake is van negatieve effecten op de cultuurhistorische waarden.

5.11 Bodem

5.11.1 Algemeen

Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.

Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.

Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².

Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).

5.11.2 Situatie plangebied

In het kader van voorgenomen ontwikkeling is door Geofoxx een verkennend bodemonderzoek inclusief asbest uitgevoerd ter plaatse van het plangebied van fase 1. Hierna zijn de resultaten uit het onderzoek opgenomen. Voor de volledige rapportage wordt verwezen naar Bijlage 14 bij deze toelichting.

Met het uitgevoerde onderzoek is aangetoond dat er hoogstens lichte verontreinigingen met metalen en PFAS aanwezig zijn in de grond/het grondwater. Op basis hiervan bestaat geen reden om nader onderzoek uit te voeren.

Er is geen asbest in de bodem aangetoond. De bodem kan daardoor als zijnde onverdacht ten aanzien van asbest worden beschouwd.

De aangetroffen concentraties leveren geen milieuhygiënische risico's op voor de gebruikers of voor het milieu. Het terrein is daarmee vanuit milieuhygiënisch oogpunt geschikt voor het voorgenomen gebruik.

5.11.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

5.12 Waterbelang

Op basis van paragraaf 5.1.3 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het beschermen van de waterbelangen.

5.12.1 Algemeen

Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.

Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.

5.12.2 Situatie plangebied
5.12.2.1 Watertoets

Het waterschap Vechtstromen is geïnformeerd over voorliggende ontwikkeling door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft er toe geleid dat de zogenoemde 'normale procedure' van de watertoets van toepassing is. De watertoets maakt onderdeel uit van het waterhuishoudkundige plan. Zie paragraaf 5.12.2.2.

5.12.2.2 Waterhuishoudkundig plan

In dit geval is door Geofoxx een waterhuishoudkundig plan (inclusief geohydrologusch onderzoek) opgesteld. Het waterhuishoudkundige plan is voor de gehele woningbouwontwikkeling Dannenkamp 5 opgesteld. Het complete plan is als Bijlage 15 opgenomen. Hierna wordt samengevat op het plan ingegaan.

Onderzoeksresultaten

Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Hierbij is gekozen om het hemelwater over het maaiveld en via natuurlijk afschot te laten afstromen naar een wadi's aan de oost- en zuidzijde van het plangebied.

Door de ontwikkeling is binnen het plangebied in het openbaar gebied straks circa 11.030 m2 verharding aanwezig. In lijn met de beringseis van de gemeente (37 mm) is binnen het plangebied 408 m3 bergingscapaciteit benodigd. Totaal bieden wadi's tot een waterhoogte van 0,3 m een capaciteit van 750 m3. Daarmee is ruimte overcapaciteit aanwezig in het plangebied op basis van een bergingseis van 40 mm. Op basis van de regels van Waterschap Vechtstromen mag bij extreme neerslag tot 91 mm geen extreme overlast optreden. Bij waterpeilen tot 0,5 m in de wadi's is 1.380 m3 waterberging aanwezig, waarmee ook ruim aan deze eis wordt voldaan.

Indien het watersysteem overbelast raakt, zal overstort plaatsvinden op het omliggend watersysteem aan de zuidoost (richting de Almeloseweg) en noordwest (waterspeeltuin Klaver) van plangebied. Aan de zuidzijde van het plangebied wordt eveneens een sloot aangebracht om in geval van calamiteiten water richting de sloot langs plan Dannenkamp 4 (waterspeeltuin) te kunnen leiden. Aanbevolen wordt om hiervoor enkele aanpassingen te doen in de bestaande sloot parallel aan de Klaver (zie HO 5.5.4).

In een tabel uit het waterhuishoudkundige plan zijn de vloerpeilen opgenomen. Op basis van de toekomstige inrichting van het plangebied is er voldoende ruimte aanwezig om deze te sluiten op de bestaande peilen op aangrenzende percelen, echter wordt aanbevolen om bij de verdere (civiele) uitwerking van het plan aandacht te hebben voor mogelijkheden voor afstromend hemelwater, buiten het plangebied.

5.12.2.3 Second opinion

De eigenaar van een perceel dat aan de zuidkant van het plangebied grenst, heeft zorgen over de effecten van de voorgestelde waterhuishoudkundige maatregelen in het plangebied op zijn perceel. De perceeleigenaar wil nagaan of het waterhuishoudkundig plan goed onderbouwd is en of (grond)water-overlast op zijn perceel door toedoen van de maatregelen uitgesloten kan worden. Hij heeft zijn zorgen aangekaart bij gemeente Tubbergen. Samen hebben zij besloten om het waterhuishoudkundig plan te laten beoordelen door een onafhankelijk adviesbureau. Gemeente Tubbergen heeft hiertoe Sweco gevraagd om een second opinion op het waterhuishoudkundig plan op te stellen. Het rapport is als Bijlage 16 opgenomen. Hieronder wordt ingegaan op de belangrijkste conclusie(s) en aanbevelingen uit het rapport.

Betrouwbaarheid

Onderstaande zaken worden geconcludeerd over de betrouwbaarheid van de gegevens, gebruikt in het waterhuishoudkundig plan voor Dannenkamp 5:

  • De maaiveldhoogtegegevens (AHN3 en gps metingen) zijn voldoende representatief ter beeldvorming van de huidige situatie en komen overeen met onze bevindingen op basis van het AHN4.
  • De lokale bodemgesteldheid onder de wadi's is grotendeels voldoende inzichtelijk gemaakt. Echter is het ontwerp van de meest zuidelijk gelegen wadi naar verloop van tijd aangepast, de boorprofielen liggen daardoor niet in deze wadi, maar aan de noordelijke rand van de wadi. Er is dus onvoldoende inzicht in de bodemsamenstelling op de locatie waar deze wadi wordt gerealiseerd.
  • De gebruikte grondwaterstandsgegevens zijn voldoende betrouwbaar en representatief voor de huidige situatie. Recentelijk zijn van een bestaand meetpunt de nieuwe grondwaterstandsgegevens verstrekt. Op basis van de inzichten, verkregen uit dit meetpunt (H02), lijkt de lokale GHG in het waterhuishoudkundig plan voldoende nauwkeurig te zijn ingeschat.

Maatregelen waterhuishoudkundig plan

Onderstaande zaken worden geconstateerd over de maatregelen in het waterhuishoudkundig plan:

  • De wadi's zijn voldoende ruim gedimensioneerd (T100+10%) en zullen daardoor vrijwel nooit volledig worden gevuld. De gekozen bodemhoogte van de wadi's is goed onderbouwd op basis van de grondwaterstands-gegevens en uitgangspunten. Door de aanleg van drainage onder de wadi's, de gelijke bodemhoogten en onderlinge verbindingen worden de accumulatie van hemelwater en stagnatie van de infiltratie voldoende voorkomen in de meest zuidelijk gelegen wadi.
  • De greppel aan de zuidelijke grens van het plangebied draagt bij aan een verbeterde afvoer bij normale en extreme weersomstandigheden en vermindert daardoor lokale wateroverlast. De bodemhoogte wordt aangelegd op de huidige GHG en is dus goed onderbouwd.
  • Gezien de goede doorlatendheid van het plangebied, de stromingsrichting van het grondwater (richting het westen) en de ligging van de greppel, zal het hemelwater dat in de wadi's infiltreert met name in westelijke richting stromen en een verwaarloosbare invloed hebben op de grondwaterstand ter plaatse van de Almeloseweg 180.
  • Daarnaast topt de greppel tussen het plangebied en de Almeloseweg 180 hoge grondwaterstanden lokaal af, de bodem van de greppel wordt namelijk op de GHG aangelegd. De grondwaterstand op het perceel Almeloseweg 180 zal na daardoor niet hoger worden dan de grondwaterstand die in de huidige situatie zonder greppel op treedt.

Op basis van alle bevindingen wordt geconcludeerd dat het toekomstige systeem drainerend zal werken ter plaatse van de Almeloseweg 180 ten opzichte van de huidige situatie, daarnaast zal de afvoer van hemelwater verbeteren door de uit te voeren ingrepen.

Aanbevelingen

Op basis van deze notitie volgen de onderstaande aanbevelingen:

  • Aanbevolen wordt om aan de zuidzijde van de zuidelijk gelegen wadi één doorlatendheidsmeting uit te voeren om de aangehouden bodemopbouw en doorlatendheid te verifiëren.
  • Aanbevolen wordt om grondverbetering toe te passen bij de meest zuidelijk gelegen wadi en nevengelegen greppel als blijkt dat er een slecht doorlatende laag aanwezig is.
  • Voor meer inzichten in de lokale grondwaterstandsdynamiek is het een optie om de grondwaterstand te monitoren bij de grens van het perceel aan Almeloseweg 180.

In januari 2026 zijn er extra doorlatenheidsmetingen uitgevoerd ter plaatse van de zuidelijke wadi. Bij het uitvoeren van de nieuwe testen is de doorlatendheid van de onderliggende zandlaag (de zandlaag welke aanwezig blijft na realisatie van de wadi) > 5,0 m/dag. Deze voldoet daarmee ruim aan de norm van minimaal 0,4 m/dag, welke noodzakelijk is voor aanleg van de wadi. Eventuele grondverbetering is daarom niet van toepassing. Ook is ter plaatse een extra peilbuis geplaatst om de grondwaterstanden te monitoren. Hieruit volgende grondwaterstandsmetingen in de winterperiode bevestigen de situatie welke in het waterhuishoudkundig plan en de second opinion zijn vastgesteld. Aangezien geen structureel langdurig meetbare verhoging van de grondwaterstand plaatsvindt, zijn in de basis tegenmaatregelen ter voorkoming van vocht of andere waterschade aan bouwwerken niet aan de orde. Op basis van de aanbevelingen uit de second opinion zijn er geen nadere acties noodzakelijk.

5.12.3 Conclusie

Er wordt een voorwaardelijke verplichting opgenomen in de planregels betreffende de aanleg en instandhouding van de waterbergingsvoorzieningen. Het aspect 'water' vormt geen belemmering voor de in dit omgevingsplan besloten ontwikkeling.

5.13 Spuitzones gewasbescherming

5.13.1 Algemeen

Op agrarische grond waarop gewassen mogen worden geteeld, kunnen gewasbeschermings- en bestrijdingsmiddelen worden gebruikt. Deze zorgen ervoor dat planten, groente of fruit beschermd worden tegen schimmels, insecten en andere plagen. Door de wind kunnen deze middelen in de omgeving worden verspreid. Dit heet drift. Drift van gewasbeschermingsmiddelen kan tot gezondheidsproblemen leiden. Er zijn geen regels in de wet die bepalen dat een bepaalde afstand tot agrarische grond moet worden aangehouden. In de rechtspraak wordt als vuistregel een afstand van 50 meter tussen de agrarische grond en gevoelige functies, zoals woningen, aangehouden. Dit wordt een spuitzone genoemd. Als je verblijfsruimten zoals tuinen bij woningen, speelplaatsen of andere terreinen waar langdurig menselijk verblijf mogelijk is wil realiseren binnen die spuitzone, kan dit tot problemen leiden. Dit vanwege de mogelijke effecten van de gewas- en bestrijdingsmiddelen op de gezondheid en dus het woon- en leefklimaat.

5.13.2 Situatie plangebied

De agrarische gronden binnen het plangebied liggen binnen 50 meter van de toe te delen woonfuncties binnen het plangebied. In dit TAM-omgevingsplan wordt ter bescherming van het woon- en leefklimaat van de te realiseren woningen daarom opgenomen dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als verboden gebruik wordt aangemerkt.

5.13.3 Conclusie

Voorliggend TAM-omgevingsplan houdt in voldoende mate rekening met de spuitzones behorende bij gewasbescherming.

Hoofdstuk 6 Financiële haalbaarheid

De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland/Tubbergen. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.

De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.

In het voorliggende geval is de gemeente Tubbergen zelf initiatiefnemer. In de gemeentelijke begroting zijn gelden gereserveerd voor de te maken kosten voor deze ontwikkeling. Hiermee is het kostenverhaal verzekerd en is het plan financieel uitvoerbaar.

Hoofdstuk 7 Juridische verantwoording

7.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

7.2 Opzet van de regels

7.2.1 Algemeen

Zoals in de inleiding is aangegeven betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Bijvoorbeeld doordat de plansoftware nog niet alle daarvoor benodigde functies biedt. Het kan ook zijn dat de gemeente te weinig tijd rest om het planproces goed te beproeven. Of dat er nog onvolkomenheden zijn in de landelijke voorziening. Met TAM-IMRO kunnen gemeenten toch hun omgevingsplannen wijzigen.

Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.

De regels en verbeelding van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn dan ook opgesteld conform de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP). De SVBP geeft normen voor de opbouw van de planregels en voor de digitale verbeelding van een bestemmingsplan. Dit TAM-omgevingsplan is opgesteld conform de normen van de SVBP2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels;
  • Functieregels en gebiedsaanwijzingen;
  • Algemene regels aan activiteiten;
  • Overgangsregels.
7.2.2 Preambule voor hoofdstuk en artikelnummering

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.

Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, stelt de VNG voor om na het object Regels en voor het toevoegen van het object Hoofdstuk een preambule op te nemen. De preambule geeft aan hoe het TAM-IMRO omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.

Preambule

Dit plan beoogt een wijziging van het omgevingsplan ten behoeve de woningbouwontwikkeling aan de Dannenkamp in Harbrinkhoek. Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit deel van het omgevingsplan weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22n van het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen.

In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22n' gelezen worden.

De bijlage bij de in deze voorziening weergegeven hoofdstukken moet gelezen worden als onderdeel van Bijlage 22n bij het omgevingsplan van de gemeente Tubbergen.

Als het TAM-IMRO omgevingsplan wordt geraadpleegd, is de preambule direct zichtbaar boven de regels.

7.2.3 Juridisch ponsen

Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te 'ponsen'. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels:

Artikel 3 (Toepassingsbereik)

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie [naam van de locatie van het TAM-IMRO omgevingsplan], waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0183.TAMKKDANNENKAMP5-VG01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
7.2.4 Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Anti-dubbeltelregel (artikel 9): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.
  • Algemene ruimtelijke bouwregels (artikel 10): In deze regels zijn bouwregels opgenomen ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen.
  • Planologische gebruiksactiviteiten (artikel 11): In deze regels is aangegeven wat onder strijdig en verboden gebruik wordt verstaan.
  • Algemene afwijkingsregels (artikel 12): In deze regels zijn algemene afwijkingsregels opgenomen, ten aanzien van ondergeschikte zaken;
  • Parkeeractiviteiten (artikel 13): in deze regels is zijn de regels omtrent parkeereisen opgenomen.
  • Overige regels (artikel 14): In dit artikel zijn de aanvraagvereisten opgenomen.
7.2.5 Overgangsregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.

NB: Het omgevingsplan bevat in hoofdstuk 23 de slotbepalingen, dus die worden niet in het TAM-omgevingsplan opgenomen.

7.3 Verantwoording van de regels

Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij zullen de functies in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

Agrarisch – 1 (Artikel 4)

Aan de westkant van de woningbouwontwikkeling blijft de agrarische functie vooralsnog behouden. Er wordt hier een functieaanduiding opgenomen waar gewasbeschermingsmiddelen zijn uitgesloten (spuitzone). Deze bevindt zich om een straal van 50 meter vanaf de woonfuncties.

Groen (Artikel 5)

Langs de randen van het plangebied is een groenfunctie opgenomen. De groenfunctie is opgenomen voor de aan te leggen groenelementen en waterhuishoudkundige voorzieningen.

Verkeer (Artikel 6)

Ter plaatse van de ontsluitingen en parkeerplaatsen in openbaar gebied zijn de gronden bestemd als 'Verkeer'. Deze gronden zijn onder meer bestemd voor wegen, paden en straten, parkeervoorzieningen en groenvoorzieningen.

Wonen - Wonen in de bebouwde kom (Artikel 7)

Ter plaatse van de woonkavels is het plangebied bestemd met de functie 'Wonen'. Gronden met deze functie zijn bestemd voor met name wonen, met ondergeschikte voorzieningen. Deze bestemming is grotendeels ontleend aan het bestemmingsplan "Kleine kernen". Voor de woningen zijn bouwvlakken opgenomen, waarin de bouw- en goothoogte en het maximum aantal woningen middels aanduidingen op de plankaart zijn opgenomen.

Ook de regel voor bijbehorende bouwwerken en overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde is grotendeels overgenomen uit het bestemmingsplan "Kleine kernen". Er zijn specifieke functieregels en een omgevingsplanactiviteit opgenomen. Ook is een voorwaardelijke verplichting en een aanlegstelsel opgenomen.

Regels over uiterlijk

Voor elke functie zijn regels over het uiterlijk van bouwwerken opgenomen.