direct naar inhoud van 5.3 Agrarisch
Plan: Buitengebied 2013
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.0070.BPBUITENGEBIED2013-VAS2

5.3 Agrarisch

5.3.1 Toelichting bestemmingen

In paragraaf 5.2 Toelichting bestemmingen zijn de onderdelen waaruit een bestemming bestaat, toegelicht en in paragraaf 5.1 Algemene uitgangspunten zijn de algemene uitgangspunten die voor het gehele buitengebied gelden, weergegeven.

In deze paragraaf is een aantal voorwaarden toegelicht die gelden bij uitbreiding van agrarische bedrijven. Daarnaast is er een aantal specifieke gebruiksregels die van toepassing zijn voor alle of meerdere bestemmingen. Deze specifieke gebruiksregels zijn opgenomen in Artikel 45 Algemene gebruiksregels. Voor de agrarische bestemming is met name ook van belang de specifieke gebruiksregel het gebruik van gronden, gebouwen en/of overkappingen waarbij een toename plaatsvindt van de stikstofemissie als gevolg van een wijziging van dieraantallen, diersoorten en/of andere stalsystemen vanaf het betreffende agrarische bedrijf of de betreffende gronden als strijdig gebruik wordt aangemerkt , indien:

    • 1. dit leidt tot een toename van stikstofdepositie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en); of
    • 2. toename van stikstofdepositie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en) leidt tot een overschrijding van de kritische depositiewaarde van de habitats; of
    • 3. toename van stikstofdepositie op het (de) maatgevende gevoelige Natura 2000-gebied(en) niet wordt gesaldeerd door een minimaal gelijkwaardige afname van depositie uit andere bronnen. '

Dit komt voort uit de planMER (zie paragraaf 4.2 Planmer). Dit voorkomt in planologische zin dat er een verslechtering van de milieusituatie van Natura 2000-gebieden plaatsvindt ten aanzien van ammoniakdepositie, maar dit is geen lastenverzwaring voor de landbouw. De landbouw moet immers bij de vergunningverlening al een Natuurbeschermingswet-vergunning aanvragen en aantonen dat er geen toename van depositie op de Natura 2000-gebieden plaatsvindt.

Afwijking van de regel is mogelijk wanneer voor de beoogde ontwikkeling al een natuurbeschermingswetvergunning is verleend door de provincie of waarvoor de provincie heeft aangegeven dat voor de toename een dergelijke vergunning niet is vereist.

5.3.2 Algemeen uitgangspunt

Landbouw is in de gemeente de belangrijkste grondgebruikvorm en een belangrijke pijler voor de economie. Ontwikkeling en behoud van deze sector zijn daarom speerpunten van het gemeentelijk beleid, zoals verwoord in de Structuurvisie (opgenomen in de Bijlagen bij de toelichting).

In het buitengebied is de grondgebonden landbouw een belangrijke functie. Dit zal in de toekomst ook zo blijven. Vanuit het economisch perspectief ligt de prioriteit bij de ontwikkeling van de bestaande agrarische bedrijven. Het bestemmingsplan maakt daarbij geen onderscheid tussen vormen van grondgebonden landbouw. Het bestemmingsplan biedt de bestaande bedrijven ruimte voor specialisatie, schaalvergroting en verbreding, gericht op de grondgebonden landbouw (akkerbouw, veehouderij, productiegerichte paardenhouderijen). Wel is een aantal van deze uitbreidingsmogelijkheden gekoppeld aan een nadere afweging en afwijkingsmogelijkheid waarbij ruimtelijke voorwaarden gelden. Dit heeft te maken met het feit dat de landschappelijke waarden van het buitengebied altijd geborgd moeten zijn.

5.3.3 Bestemmingsomschrijving

De gronden die hoofdzakelijk in gebruik zijn als landbouwgrond zijn bestemd als "Agrarisch". Onder deze bestemming vallen zowel de gronden die een agrarisch gebruik hebben als de agrarisch bedrijfspercelen.

Grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijvigheid

Het onderscheid tussen grondgebonden en intensieve agrarische (niet-grondgebonden) bedrijven heeft ruimtelijke redenen. In de eerste plaats kenmerken volwaardige intensieve bedrijven zich in het algemeen door een grootschalige intensieve bebouwing, zonder een directe relatie met het omliggende agrarische gebied. De bouwpercelen hebben in sommige gevallen een bijna industrieel karakter. De grondgebonden bedrijven hebben daarentegen een directe relatie met de omliggende gronden voor ruwvoerproductie, mestafzet en eventueel beweiding.

Het is wenselijk dat melkveehouderijen grondgebonden blijven; grondgebonden wil zeggen dat bedrijven aan een bepaalde plek in het landelijk gebied gebonden zijn vanwege hun functionele afhankelijkheid van de grond in de omgeving (ruwvoer en mest). Hierdoor kan een redelijke verhouding blijven bestaan tussen de omvang van de ‘pleats’ en de schaal van het landschap. Dit komt de inpassing van bedrijven ten goede. Hiermee ontstaat ook een ‘natuurlijke’ bovengrens aan de bedrijfsomvang van een melkveehouderij. Een melkveehouderij zou anders een forse schaal sprong kunnen maken zonder over meer cultuurgrond te beschikken. Ruwvoer zal in dat geval over grotere afstanden moeten worden aangevoerd en de mest zal moeten worden afgevoerd. Ook werkt het in de hand dat de veestapel onbegrensd toeneemt, en de milieu emissies de toegestane milieugebruiksruimte (verder) overschrijden. Daarmee wordt het ook moeilijker om ecologische doelen te realiseren zoals doelen uit de Kaderrichtlijn Water en voor de Natura 2000 gebieden. Zon melkveehouderij gaat steeds meer op een intensieve veehouderij lijken; bijkomend gevolg is dat zon melkveehouderij met een afnemend maatschappelijk draagvlak geconfronteerd zal worden. Een dergelijke ontwikkeling is ongewenst. Zowel vanuit een oogpunt van milieu (mest gebruik, ammoniakuitstoot, verkeer- en vervoersbewegingen) als met het oog op het beheer en onderhoud van het landschap, is hete wenselijk dat er een relatie is tussen de omvang van een XML melkveehouderij en de hoeveelheid grond die het bedrijf in de omgeving in beheer/gebruik heeft. Een melkveehouderij die niet meer grondgebonden is (footloose), wordt beschouwd als een vorm van intensieve veehouderij.

Bij grondgebonden bedrijven is dus het ruwvoer voor een aanzienlijk deel afkomstig van de bij het bedrijf behorende grond en is er voldoende grond die aansluit op het bouwblok voor een goede bedrijfsvoering.

Aan de hand van de volgende indicatoren/gegevens kan aangetoond worden of er sprake is van grond gebondenheid:

  • voldoende areaal grond in omgeving voor ruwvoerproductie, mestafzet en eventueel weidegang;
  • ligging van stallen ten opzichte van aangrenzende gronden;
  • type stalsysteem en feitelijke inrichting stal;
  • milieuvergunning/melding;
  • meitellingen.


Richtlijn bepalen grond gebondenheid

Om enigszins een handvat te bieden is hieronder een richtlijn weergeven voor grondgebondenheid. De criteria die zijn aangegeven, zijn geen harde ondergrenzen, maar kunnen per bedrijf worden bepaald.

Een richtlijn voor grond gebondenheid is dat een bedrijf binnen een straal van 10 km over voldoende grond beschikt om voor 75% te kunnen voorzien in eigen ruwvoer en mestafzet, waarbij minstens 40% van de grond als huisbedrijfskavel aansluit op het bouwblok. Bij een veebezetting van 2,5 grootvee-eenheden of minder per hectare gras en voedergewassen wordt is een bedrijf 100% voorzienend. Bij 75% zelfvoorzienendheid resulteert dit in een maximum veebezetting van ongeveer 3 GVE per hectare. Omgerekend komt dit uit op 0,3 tot 0,4 hectare per GVE. Dit zijn algemene richtlijnen. Een veehouder die veel ruwvoer per ha produceert (‘scherp boert’), heeft minder oppervlakte grond nodig als een veehouder die minder efficiënt produceert. Maatwerk is daarom van belang.

Grootvee-eenheid (GVE): rekeneenheid voor het vaststellen van de veebezetting zoals vastgelegd door de Europese Commissie (EU 2009, L329/3). Melkkoe = 1,0 GVE, kalf =0,4 GVE, paard = 0,8 GVE, schaap of geit = 0,1 GVE. Eventuele aanvoer van krachtvoer van buiten het bedrijf wordt buiten beschouwing gelaten. Op basis van landbouwkundige productiegegevens en voedernormen is vastgesteld dat een veebedrijf wat betreft ruwvoer nog net zelfvoorzienend is bij een veebezetting van 2,0 GVE per ha op matige grond tot 2,5 GVE per ha op goede grond. Grondgebondenheid van veebedrijven wordt ook wel gedefinieerd op basis van het criterium wel of geen mestoverschot op bedrijfsniveau. Op basis van dit criterium worden ook maximale veebezettingen van 2,0 -2,5 GVE per ha vastgesteld
 

Bouwperceel

De bestaande agrarische bedrijven hebben op de verbeelding een bouwperceel gekregen:

  • De grondgebonden bedrijven zijn aangeduid als "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel grondgebonden agrarisch bedrijf".
  • De niet-grondgebonden bedrijven en de bedrijven die zowel een grondgebonden deel als niet-grondgebonden deel hebben zijn aangeduid als “specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel gemengd agrarisch bedrijf.
  • Het kwekerijbedrijf aan de Salverderweg ten westen van Kingmatille is aangeduid als "specifieke vorm van agrarisch - bedrijfskavel kwekerijbedrijf".

Het aanduiden van de agrarische bedrijven is gebeurd op basis van de gemeentelijke gegevens over meldingen en vergunningen op grond van de Wet milieubeheer en Wet ruimtelijke ordening. Wordt er geen agrarisch bedrijf meer uitgeoefend, dan is de bestemming omgezet naar het feitelijke gebruik (bijvoorbeeld woondoeleinden), en is het recht vervallen om agrarische bedrijfsactiviteiten uit te mogen oefenen. Het hobbymatig houden van dieren is toegestaan zoals andere hobby's uitgeoefend mogen worden.

De ligging van de bouwpercelen is getoetst aan de huidige inrichting en situering van het erf, eigendomsituaties, wegenstructuur, de ecologische basiskaart, landschappelijke en cultuurhistorische aspecten, archeologie en ruimtelijke ordening- en milieuwetgeving. Daarnaast wordt er geen afbreuk gedaan aan bestaande rechten. Dit betekent dat een aantal bouwpercelen bij recht groter is dan 1,5 hectare, maar, zoals hierboven is aangegeven, zijn deze percelen landschappelijk en qua ontsluiting en milieusituatie zorgvuldig ingepast. Hiermee voldoen deze bouwpercelen aan de voorwaarden uit de Verordening Romte Fryslân. Om bestaande bouwpercelen te vergroten, zijn wijzigingsbevoegdheden opgenomen (zie paragraaf 5.3.9 Wijzigingsbevoegdheden).

De agrarische bouwpercelen bestaan uit een aanduiding met een daarbinnen gelegen bouwvlak. Het bouwperceel omvat het eigenlijke boerenerf, inclusief de tuin bij de bedrijfswoning en de voor opslag in gebruik zijnde gronden. Het bouwvlak ziet op gronden waar daadwerkelijk gebouwd mag worden.

Daarmee geeft de verbeelding al een stuk duidelijkheid, die anders -ingeval zonder onderscheid in bouwvlak en bouwperceel wordt gewerkt- in de regels beschreven moet worden. De systematiek vergroot de raadpleegbaarheid van het plan en biedt specifieke mogelijkheden om tot maatwerk te komen.

De grondgebonden agrarische bedrijven mogen als tweede tak geen intensieve veehouderij hebben. Op zich staat de gemeente positief tegenover intensieve veehouderij als tweede tak of uitbreiding van een bestaande tak naar maximaal 3.000 m2. Echter gezien de milieueffecten van intensieve veehouderij als tweede tak moet de toelaatbaarheid onderzocht worden in de planMER (zie paragraaf 4.2 Planmer). Dit betekent een grote onderzoekslast voor het opstellen van dit bestemmingsplan. Bekeken moet worden wat de impact is als alle agrarische bedrijven intensieve veehouderij als tweede tak zouden realiseren, terwijl dit in de praktijk, zo leert de ervaring van de afgelopen tien jaar, maar bij een enkel bedrijf zal gebeuren. Er zijn de afgelopen jaren maar weinig initiatieven geweest om een intensieve tak op te richten en de verwachting is dat dit ook de komende jaren zo zal zijn. Daarom is er geen noodzaak om een algemene regeling op te nemen in dit bestemmingsplan. Om de onderzoekslast van dit bestemmingsplan te beperken, zullen eventuele aanvaardbare initiatieven een aparte planologische procedure moeten doorlopen. Bij die initiatieven is het van belang dat het om een intensieve neventak gaat bij het grondgebonden bedrijf en niet dat er een volwaardig intensief bedrijf ontstaat. Om die reden zal de bebouwing van de intensieve tak niet groter mogen zijn dan 3.000 m2 en moet er sprake zijn van ruimtelijke ondergeschiktheid aan de grondgebonden tak. Bij ruimtelijke ondergeschiktheid speelt de oppervlakte van de bebouwing van beide takken een rol. Dit moet in een bepaalde verhouding zijn. Dit is niet het enige, want de oppervlakte van de gebouwen voor een akkerbouwbedrijf is vaak kleiner dan voor een veehouderijbedrijf. Bij het bepalen of er sprake is van ruimtelijke ondergeschiktheid is daarom ook de omvang van de bijbehorende gronden voor de akkerbouwtak van belang.

Bij de bestaande bedrijven, waar zowel een grondgebonden als een niet-grondgebonden bedrijfsvoering aanwezig is en die als gemengd zijn aangeduid, is de intensieve tak niet ruimtelijk ondergeschikt. Dit zijn echter allemaal vergunde situaties van vóór vaststelling van het bestemmingsplan Buitengebied 2001. Voor deze intensieve takken zijn in de jaren 90 al vergunningen verleend. De destijds geldende bestemmingsplannen verzetten zich hier niet tegen. Daarom konden de intensieve takken doorgroeien tot een omvang waarbij ze niet meer ruimtelijke ondergeschikt waren aan de grondgebonden tak. Daarom zijn deze bedrijven nu bestemd als gemengd, maar nieuwe gemengde bedrijven vanuit een nieuwe intensieve neventak zijn dus niet gewenst, omdat er dan in feite nieuwe intensieve bedrijven ontstaan wat niet wenselijk is.

Specifieke bestaande functies

Bij een aantal agrarische bedrijven zijn de volgende specifieke functies aanwezig die niet passen binnen de bestemming: pensionstalling met oefenhal voor paarden, een wormenkwekerij, een loonbedrijf, een loon- en kraanbedrijf en een zorgfunctie. Deze functies passen niet binnen de agrarische bestemming en zijn daarom specifiek aangeduid zodat de activiteiten mogelijk zijn. Daarnaast zijn er ook nog specifieke functies in het agrarische gebied zoals een ijsbaan die zijn aangeduid, omdat ze anders ook niet toegestaan kunnen worden.

Wonen

Vanuit het oogpunt van een goede agrarische bedrijfsvoering is het gewenst om bij agrarische bedrijven te kunnen wonen. Daarom is één bedrijfswoning toegestaan, behalve waar is aangeduid dat er 2 of geen aanwezig zijn. Om de openheid van het landschap zoveel mogelijk te waarborgen zal met eventuele aanvragen voor een tweede bedrijfswoning voor agrarische bedrijven terughoudend omgegaan worden. Ervaringen uit het verleden en van andere gemeenten leren dat dergelijke woningen regelmatig op de markt komen en worden verkocht als burgerwoningen. In de praktijk kan dit een onwenselijk milieuhygiënisch knelpunt opleveren. Daarnaast is een tweede bedrijfswoning in veel gevallen vanuit de bedrijfsvoering niet noodzakelijk.


Plattelandswoning

De Tweede Kamer heeft het voorstel om de zogeheten plattelandswoning in te voeren, aangenomen.

Het gaat om woningen waarbij het agrarisch bedrijf blijft functioneren, maar de eerste of tweede bedrijfswoning door een derde wordt bewoond. De Wet Plattelandswoning heeft geen betrekking op voormalige agrarische bedrijven of ruimte-voor-ruimtesituaties. Dan is immers geen sprake meer van een agrarisch bedrijf.

Er heeft een inventarisatie plaatsgevonden en de woningen die hiervoor in aanmerking komen, hebben een specifieke regeling gekregen in dit bestemmingsplan.
 

Landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden

De agrarische sector is een belangrijke beheerder van het landschap. Daarnaast mogen ontwikkelingen niet ten koste gaan van landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden. Daarom is het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden van het open landschap en van kleine natuur- en landschapselementen opgenomen in de bestemmingsomschrijving.

Mestvergisting en -raffinage

In een biomassa-/vergistingsinstallatie wordt onder andere biogas (methaan) geproduceerd uit organisch materiaal. Het hoofdbestanddeel bestaat uit mest met daarnaast een toevoeging van organisch materiaal, bijvoorbeeld maïs. De opgewekte energie wordt gebruikt op het eigen bedrijf of wordt geleverd aan het energiebedrijf. Ook andere toepassingen zijn mogelijk, bijvoorbeeld wijkverwarming. Het restproduct van de vergisting (het digestaat) wordt als meststof gebruikt op het (agrarisch) bedrijf of wordt eventueel verkocht. Op een agrarisch bedrijf is volledig bedrijfseigen mestbewerking/-verwerking in de vorm van minivergisters toegestaan (zie in de regels artikel 1.8 agrarisch bedrijf:). De bestaande grote mestvergisters zijn aangeduid.

Mestvergisting is één van de vormen van verbreding van de landbouw. Verbreding geeft de mogelijkheid aan de agrariër een verbreding van zijn inkomen te bieden en daarmee de rentabiliteit van een agrarisch bedrijf te verhogen. De gemeente staat daarom positief tegenover mestvergisting. Echter een grote mestvergister heeft een aantal milieueffecten waaronder de landschappelijk impact en daarom moet dit onderzocht worden in de planMER (zie paragraaf 4.2 Planmer). Dit betekent een grote onderzoekslast voor het opstellen van dit bestemmingsplan. Bekeken moet worden wat de impact is als bij alle agrarische bedrijven een mestvergister wordt gerealiseerd, terwijl dit in de praktijk maar bij een enkel bedrijf zal zijn. Om de onderzoekslast van dit bestemmingsplan te beperken, zullen eventuele initiatieven geregeld worden via een aparte planologische procedure. Daarnaast is het aantal grote mestvergisters bij agrarische bedrijven in de gemeente tot nu toe beperkt. De verwachting is dat de vraag niet enorm zal toenemen door de ontwikkeling van mestraffinage. Daarom is een algemene regeling voor grote mestvergisters ook geen noodzaak.

Een mestraffinage systeem kan op basis van mest, dus zonder co-producten, biogas leveren van aardgaskwaliteit en scheidt daarnaast stikstof, kalium en fosfor van elkaar. Alle organische stof wordt omgezet en de eindproducten kunnen als kunstmestvervangende producten gezien worden. Dit betekent dat er meer van de geproduceerde mineralen op een veebedrijf op eigen land aangewend kunnen worden. Een logisch vervolg is dat er minder of zelfs geen mest van een bedrijf afgevoerd hoeft te worden. Mestraffinage in de vorm van kleine vergisters is toegestaan bij een agrarisch bedrijf (zie in de regels artikel 1.8 agrarisch bedrijf:)

Kleinschalige vormen van energie

Het buitengebied van Franekeradeel leent zich, vooral dankzij de geografische ligging, bij uitstek voor meerdere vormen van het opwekken van duurzame energie. Kleinschalige vormen van energie zoals zonnecollectoren op of aan een gebouw zijn toegestaan. Losstaande zonnecollectoren zijn niet toegestaan.

 

Schuilstallen (veldschuren)

Het buitengebied is geschikt voor het hobbymatig houden van dieren. Er is in de gemeente Franekeradeel een trend zichtbaar dat vrijkomende agrarische bebouwing op een hobbymatige manier wordt ingevuld en/of er hobbymatig dieren worden gehouden bij (bedrijfs)woningen in het buitengebied. Vanuit deze hobbysector komen er vragen over de mogelijkheid tot het plaatsen van schuilstallen in weilanden. Op deze manier kunnen de dieren schuilen tegen weer en wind. Hierdoor kan echter een verrommeling van het open landschap optreden met beeldverstorende bebouwing. De openheid van het landschap is een bijzondere waarde die met het bestemmingsplan bedoeld is te worden beschermd. Als burgers 'op afstand' een perceel in eigendom krijgen voor agrarisch hobbymatig gebruik, dan moeten ze daarvoor in de omgeving zelf schuilgelegenheid mogelijk maken. Als het agrarisch perceel aangrenzend aan het eigen woonperceel is gelegen, dient de schuilgelegenheid op het woonperceel te worden gebouwd, zodat de openheid van het landschap zoveel mogelijk onaangetast blijft. Daarom worden geen nieuwe schuilstallen toegestaan. De bestaande vergunde schuilstallen zijn aangeduid als veldschuur.

Karakteristieke waarden

De hoofdvorm van cultuurhistorisch waardevolle boerderijpanden is specifiek aangeduid om het behoud hiervan te beschermen. Als gebouwen ook architectonische waarden hebben dan zijn deze gebouwen aangeduid als karakteristiek om ook deze waarden te beschermen. In paragraaf 4.11 Cultuurhistorie wordt hier nader op ingegaan.

5.3.4 Bouwregels

In de bouwregels is aangegeven wat er gebouwd mag worden binnen het bouwvlak (zie Artikel 3.2 Bouwregels). Hieronder volgt een toelichting op een aantal bouwregels.

Bouwvlak

Het bouwvlak ziet op gronden waar daadwerkelijk gebouwd moet worden. In de regels is de omvang van de bouwmogelijkheden bepaald op grond van de omvang van het bouwvlak. Alle bebouwing, verharding en opslag moet binnen het bouwvlak gerealiseerd worden.

Om ervoor te zorgen dat de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfsgebouwen van de niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering bij een gemengd bedrijf niet groter wordt dan 1,50 hectare is dit in de bouwregels vastgelegd.

De bedrijfswoning mag maximaal 200 m2 zijn. Daarmee is de maximale oppervlakte van de bedrijfswoning bepaald. Dit geldt niet voor de karakteristieke boerderijen (zie ook paragraaf 4.11 Cultuurhistorie). Deze boerderijen zijn aangeduid waarmee de hoofdvorm is vastgelegd. De karakteristiek van deze panden wordt naast het vastleggen van het grondoppervlak, tevens beschermd doordat de goothoogte en dakhelling ten minste en ten hoogste de bestaande goothoogte en dakhelling moet zijn.

Maatvoering gebouwen

Er zijn maten opgenomen ten aanzien van de grootte en hoogte van de gebouwen en overkappingen. Hiermee is de gewenste maximale verschijningsvorm vastgelegd. Deze maten zijn zodanig dat een goede bedrijfsvoering mogelijk is. Tevens wordt er op deze manier voor gezorgd dat de gebouwen en bijgebouwen qua grootte en hoogte passen in het landschap.

De goothoogte van bedrijfsgebouwen voor vee mag vanuit de provinciale verordening maximaal 5 meter zijn. Hiermee wil de provincie voorkomen dat er gestapelde stallen ontstaan.

Een bedrijfsgebouw mag bij recht niet groter zijn dan 1.600 m2. Hiermee wordt voorkomen dat er grootschalige bedrijfsgebouwen worden gerealiseerd zonder dat geëist kan worden dat het gebouw landschappelijk goed wordt ingepast (zie afwijken van de bouwregels).

Aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Er zijn regels opgenomen voor de ligging van aan- en uitbouwen en bijgebouwen en de hoogte zodat deze ondergeschikt blijven aan de bedrijfswoning.

Overige bouwwerken

Silo's, platen en bassins zullen uitsluitend worden gebouwd binnen het bouwvlak, met uitzondering van bestaande platen ten dienste van opslagdoeleinden. Het is vanuit ruimtelijk oogpunt niet wenselijk dat deze bouwwerken ver van de bebouwing worden gerealiseerd.

5.3.5 Afwijken van de bouwregels

Artikel 3.3.1 Ondergeschikte tweede tak

In de gemeente kunnen initiatieven ontstaan voor nieuwe vormen van bedrijvigheid, die een sterke verwantschap vertonen met een agrarisch bedrijf. Dergelijke initiatieven komen (nog) niet vaak voor. Door de geografische ligging en de aanwezigheid van verzilting is het buitengebied van Franekeradeel in principe geschikt voor de teelt van zilte teelten. Zilte landbouw kan een goede optie zijn voor verzilte gronden.

Ook het telen van natte biomassa (algen, wieren) staat momenteel in de belangstelling door de potentieel hoge opbrengst per hectare en de veelvuldige hoogwaardige toepassingsmogelijkheden die het kent in de farmacie, voeding, chemie en energiewinning. Grootschalige algenteelt (op land en op zee) bevindt zich nog in een ontwikkelstadium en wordt nog nauwelijks (op grote schaal) toegepast binnen Nederland. Daarnaast kan het bijvoorbeeld gaan om aquacultuur (teelt van vissen, schaal- en schelpdieren) en wormenteelt. Dit soort bedrijvigheid kan niet worden aangemerkt als een grondgebonden agrarisch bedrijf. Er bestaat geen noodzaak voor vestiging in het buitengebied. Gezien de aard van de werkzaamheden (het produceren van planten en dieren) is er wel een sterke verwantschap met de agrarische bedrijvigheid.

Op grond van het geldende bestemmingsplan "Buitengebied 2001" is het mogelijk om recreatieve voorzieningen of productiegebonden detailhandel te realiseren. De Structuurvisie buitengebied Franekeradeel 2010-2020 geeft aan dat de leefbaarheid van het buitengebied moet worden vergroot. De tweede takken bieden een verbreding van het inkomen van de agrariër. Dit kan ervoor zorgen dat het bedrijf kan blijven bestaan. Het behoud van het bedrijf zorgt ervoor dat de activiteit in het buitengebied blijft en daarmee draagt het bij aan de leefbaarheid van het buitengebied.

Op basis van bovenstaande wordt een tweede tak als zilte teelten, telen van natte biomassa (algen, wieren), aquacultuur (teelt van vissen, schaal- en schelpdieren) en wormenteelt toegestaan met een omgevingsvergunning. Dit geldt ook voor de volgende overige tweede takken:

  • productiegebonden detailhandel (streekproducten);
  • zorg;
  • agrarische dienstverlenende bedrijvigheid en gebruiksgerichte paardenhouderijen;
  • (boom)kwekerijactiviteiten inclusief containerteelt, visteelt en wormenteelt;
  • niet-agrarische bedrijvigheid: specifiek genoemde bedrijven met een milieucategorie 1 en 2;
  • opslag van niet-agrarische producten zoals caravans en boten;
  • recreatieappartementen en boerderijlogement;
  • logies met ontbijt;
  • theeschenkerij;
  • galerie;
  • boerengolf.

Bovengenoemde tweede takken kunnen mogelijk worden gemaakt indien ze ondergeschikt zijn aan de agrarische activiteiten en landschappelijk zorgvuldig worden ingepast. Daarnaast gelden er nog specifieke voorwaarden ten aanzien van het gebruik (zie Afwijken van de gebruiksregels).

Artikel 3.3.2 Trekkershutten

Ten behoeve van het stimuleren van toerisme (zie paragraaf 5.46.2.6 Klein kamperen) zijn met afwijking maximaal 10 trekkershutten toegestaan op bouwpercelen binnen de bestemming. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. Het geheel moet onder meer landschappelijk goed ingepast worden.

Artikel 3.3.3 Bedrijfswoning buiten bouwvlak

Het kan voorkomen dat een uitbreiding van een bedrijfswoning niet binnen het bouwvlak mogelijk is. Als dit het geval is dan kan dit geregeld worden met een omgevingsvergunning. Hieraan zijn voorwaarden verbonden.

Artikel 3.3.4 Afstand bedrijfswoning tot de weg

Het kan voorkomen dat het wenselijk is dat de bedrijfswoning dichter naar de weg wordt gebouwd. Als dit het geval is dan kan dit geregeld worden met een omgevingsvergunning. Hieraan zijn voorwaarden verbonden. Onder meer mag de geluidsbelasting van de geluidgevoelige gebouwen niet hoger zijn dan de daarvoor geldende voorkeursgrenswaarde of een verkregen hogere waarde.

Artikel 3.3.5 Afwijken maatvoeringen waardevolle hoofdvormen 1

Het kan om woontechnische redenen wenselijk zijn om toch af te wijken van de maatvoeringen en gevelindeling bij karakteristieke boerderijen. Dit kan mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning. Voorwaarde is dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de bestaande hoofdvorm van het cultuurhistorisch waardevolle boerderijpand.

Artikel 32.5.2 (Mantel)zorg

Het kan voorkomen dat er vanuit architectonisch oogpunt sprake is van een hoogwaardige versterking van de ruimtelijke kwaliteit en het omgevingsbeeld als afgeweken wordt van de waardevolle hoofdvorm. Om dit mogelijk te maken is hiervoor een afwijkingsmogelijkheid opgenomen, omdat dit met een omgevingsvergunning mogelijk te maken. Hieraan zijn voorwaarden verbonden.

Artikel 3.3.7 Oppervlakte bedrijfsgebouwen en overkappingen

Als een agrariër een nieuw bedrijfsgebouw wil realiseren dat groter is dan 1.600 m2 of een bestaande bedrijfsgebouw wil vergroten met of tot een oppervlakte groter dan 1.600 m², dan kan dit mogelijk worden gemaakt met een omgevingsvergunning. Hieraan zijn voorwaarden verbonden om met name de ruimtelijke kwaliteit te sturen. Onder meer moet het geheel landschappelijk goed ingepast worden. Dit moet worden aangetoond met een erfinrichtingsplan(zie paragraaf 5.1.4.2 Erfinrichtingsplan) en een lichtplan.

Artikel 3.3.8 Teeltondersteunende kassen

Het komt steeds vaker voor dat agrarische bedrijven, in het kader van de verbreding van de agrarische bedrijfsvoering, bedrijfsmatige activiteiten met glas uitvoeren. In het bestemmingsplan "Buitengebied 2001" wordt glastuinbouw toegestaan (met een afwijkingsmogelijkheid) als tweede tak bij zowel grondgebonden als niet-grondgebonden agrarische bedrijven (ondersteunend glas). Daarbij wordt maximaal 2000 m² glasopstanden per bedrijf toegestaan. Dit beleid is in strijd met de provinciale verordening. Op grond van de provinciale Verordening Romte Fryslân wordt glastuinbouw slechts toegestaan met een afwijkingsmogelijkheid als tweede tak bij zowel grondgebonden als niet-grondgebonden agrarische bedrijven (ondersteunend glas). Daarbij worden maximaal 1500 m² glasopstanden per bedrijf toegestaan. In dit bestemmingsplan is dan ook een afwijkingsmogelijkheid opgenomen tot maximaal 1.500 m2. Tevens is de voorwaarde gesteld dat het landschappelijk goed wordt ingepast.

Artikel 3.3.9 Afwijkende bouwvormen

Naast de traditionele ligboxenstal zijn er de afgelopen jaren nieuwe type stallen ontwikkeld. In sommige gevallen hebben deze stallen een andere verschijningsvorm in het landschap dan de traditionele stal, bijvoorbeeld de serrestal en de boogstal. Om ervoor te zorgen dat deze stallen goed ingepast worden in het landschap, zijn ze mogelijk gemaakt via een afwijking. Er wordt onder meer een erfinirchtingsplan en lichtplan geëist.

Artikel 3.3.10 Goothoogte bedrijfsgebouwen

Voor de agrarische bedrijfsgebouwen in het buitengebied wordt uitgegaan van een bouwwijze van één bouwlaag. Met een omgevingsvergunning kan een goothoogte van 8 meter worden toegestaan voor gebouwen voor de opslag van akkerbouwproducten. Het is niet bedoeld voor het realiseren van gestapelde stallen voor vee.

Artikel 3.3.12 Opslag mest buiten bouwvlak

Het kan voorkomen dat het noodzakelijk is om buiten het bouwvlak mest op te slaan, bijvoorbeeld als het bouwvlak onvoldoende ruimte biedt of vanwege een noodzakelijk afstand tot omliggende woonbebouwing. Hiervoor is een afwijkingsmogelijkheid om dit toe te staan. Hier zijn wel voorwaarden aan verbonden. De mestsilo, het mestbassin of de plaat moet bijvoorbeeld direct aansluitend aan de bedrijfskavel worden gesitueerd. Ook mag de omvang van het denkbeeldige bouwvlak van het agrarisch bedrijf niet groter worden dan 3 hectare.

Artikel 3.3.13 Paardrijbakken

Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om paardrijbakken toe te staan. Dit is toegelicht in paragraaf 5.46.1 Paardrijbakken.

5.3.6 Specifieke gebruiksregels

Algemeen

In de Specifieke gebruiksregels zijn de activiteiten aangegeven als strijdig als ze niet zijn toegestaan of alleen zijn toegestaan via een omgevingsvergunning, omdat er voorwaarden aan verbonden zijn. Hieronder is een aantal toegelicht.

Aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit

Aan huis verbonden beroepen of kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten zijn toegestaan. Er zijn wel voorwaarden aan verbonden zodat het ondergeschikt blijft (oppervlakte) aan de woonfunctie en parkeren op eigen erf plaatsvindt zodat er geen overlast ontstaat.

Houtteelt, bosbouw, sierteelt, fruitteelt en boomteelt

Primair moet de kenmerkende grootschalige openheid in het landschap worden gehandhaafd. Daarom zijn in het bestemmingplan functies als houtteelt en

bosbouw in beginsel niet toegestaan. Fruitteelt kan onder voorwaarden (zie afwijking van de gebruiksregels) worden toegestaan als dit aansluit op bestaande opgaande elementen in het landschap.

Lichtuitstraling stallen

Een groeiende groep melkveehouders kiest ervoor haar melkvee met krachtige kunstverlichting extra te belichten tijdens seizoenen met een kortere zonlichtperiode. Vaak vindt deze belichting plaats in combinatie met een open stal, een vrij nieuw staltype met deels geopende gevels om de natuurlijke belichting en beluchting van het vee te optimaliseren. De combinatie van kunstmatige belichting en open gevels kan eenvoudig leiden tot lichtuitstraling. Lichtuitstraling in het vrijwel onverlichte buitengebied gedurende de donkere seizoenen is erg opvallend en zou gevolgen kunnen hebben voor de fauna en de beleving van het landschap. Daarom zijn er voorwaarden gesteld aan de mate van lichtuitstraling vanuit stallen.

5.3.7 Afwijken van de gebruiksregels

Algemeen

Van een aantal gebruiksregels kan worden afgeweken. Hieronder worden ze toegelicht.

Artikel 3.5.1 Ondergeschikte tweede tak

Naast de voorwaarden ten aanzien van het afwijken van de bouwregels, gelden ook nog een aantal voorwaarden ten aanzien van het gebruik bij een ondergeschikte tweede tak. Onder andere mogen de omliggende agrarische bedrijven niet in hun bedrijfsvoering geschaad worden en moet parkeren op eigen erf plaatsvinden. De afwijkingen zijn in vrijwel alle gevallen gelijktijdig noodzakelijk om een tweede tak mogelijk te maken.

Artikel 3.5.2 Opslag van baggerspecie

Met een omgevingsvergunning kan de opslag van baggerspecie toegestaan worden. Voorwaarde is onder andere dat de hoogte van de stort van baggerspecie ten hoogste 2,50 m bedraagt, zodat het geen afbreuk doet aan het open landschap.

Artikel 3.5.3 Mestopslag

Het kan voorkomen dat er een noodzaak is om buiten het bouwperceel mest of andere producten op te slaan. Hier kan een bedrijfseconomische of milieutechnische reden aan ten grondslag liggen. Daarom is er een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om dit (in uitzonderingsgevallen) mogelijk te maken.

Artikel 3.5.4 Inwoning

Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om inwoning van een (huishouden van een) tweede persoon toe te staan. Dit is toegelicht in paragraaf 5.46.3 Inwoning.

Artikel 3.5.5 (Mantel)zorg

Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om (mantel)zorg toe te staan. Dit is toegelicht in paragraaf 5.46.2.3 (Mantel)zorg

Artikel 3.5.6 Klein kamperen

Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om kleinschalig kamperen toe te staan. Dit is toegelicht in paragraaf 5.46.2.6 Klein kamperen.

Artikel 3.5.7 Trekkershutten

Om trekkershutten ook functioneel mogelijk te maken, is er een afwijkingsmogelijkheid opgenomen. Voor trekkershutten is ook een afwijking van de bouwregels opgenomen (zie paragraaf 5.3.5 Afwijken van de bouwregels).

Artikel 3.5.8 Fruitteelt

Fruitteelt is onder voorwaarden toegestaan. Onder meer moeten, daar waar dit aan de orde is, zichtlijnen op de dorpsranden worden behouden. Met deze voorwaarde en het feit dat er aangesloten moet worden bij opgaande elementen of beplanting, wordt de openheid van het landschap geen geweld aangedaan.

Artikel 3.5.9 Paardrijbakken

Er is een afwijkingsmogelijkheid opgenomen om paardrijbakken toe te staan. Naast de voorwaarden ten aanzien van het afwijken van de bouwregels, geldt ook nog een aantal voorwaarden ten aanzien van het gebruik. Dit is toegelicht in paragraaf 5.46.1 Paardrijbakken.

5.3.8 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken en werkzaamheden

Een aantal aspecten is onder een plicht van een Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden gebracht. Dit zijn aspecten die gebruikelijk plaatsvinden in het buitengebied, maar waar de gemeente graag in mee wil denken omtrent de exacte uitvoering van de werkzaamheden, vanwege de structurele invloed die dit op het landschap kan hebben. Op zich kunnen de werkzaamheden dus worden toegestaan, maar de gemeente wil daarin kunnen sturen. Voorts moet nadrukkelijk worden gesteld dat normaal agrarisch gebruik van de gronden en normaal onderhoud van de gronden uitgezonderd zijn van de vergunningsplicht.

Eén van de aspecten is het (gedeeltelijk) slopen van een karakteristieke boerderij. Dit is alleen mogelijk met een omgevingsvergunning wanneer de bouwtechnische kwaliteit dusdanig slecht is dat de boerderij niet meer (her)gebruikt kan worden of als het gaat om delen van de boerderij die niet waardevol zijn en bij sloop van die delen de karakteristiek van de boerderij niet wordt aangetast. Op deze manier wordt behoud van de karakteristieke boerderij beschermd (zie ook paragraaf 4.11 Cultuurhistorie).

5.3.9 Wijzigingsbevoegdheden

Artikel 3.7.1 Vergroten bouwvlak grondgebonden of gemengd agrarisch bedrijf naar 1,50 hectare

In de landbouw is een belangrijke ontwikkelingsrichting zichtbaar; er is sprake van schaalvergroting naar gespecialiseerde landbouw met grote bedrijven, onlosmakelijk verbonden met een verdergaande afname van het aantal agrarische bedrijven. Dit is een proces van schaalvergroting, waarbij landbouw ontstaat met grote tot zeer grote bedrijven. Voor melkveehouderijen geldt dat deze momenteel doorgroeien naar gemiddeld 200 koeien, met uitschieters naar boven. Schaalvergroting is een gegeven waarop moet worden geanticipeerd. Belangrijk aandachtspunt bij schaalvergroting is de landschappelijke en ruimtelijke inpassing.

Voor de meeste grondgebonden en niet-grondgebonden agrarische bedrijven geldt dat een bouwvlak van 1,5 hectare voldoende ontwikkelingsruimte biedt, ook als het gaat om de eventuele uitoefening van tweede takken (zie voor tweede takken paragraaf 5.3.5 Afwijken van de bouwregels, ondergeschikte tweede tak). Alle bedrijven die kleiner zijn dan 1,5 hectare hebben niet direct een bouwvlak van 1,5 hectare gekregen. De reden hiervoor is dat als voorwaarde bij uitbreiding gesteld kan worden dat het geheel landschappelijk goed ingepast moet worden.

Artikel 3.7.2 Vergroten bouwvlak grondgebonden of gemengd agrarisch bedrijf naar 3,00 hectare

In het geval een grondgebonden agrarisch bedrijf of een gemengd bedrijf groter wil groeien dan 1,5 hectare, kan worden meegewerkt aan vergroting van het bouwvlak tot 3 hectare. Medewerking aan dergelijke uitbreidingen zal verlopen volgens het "Nije Pleats concept"1. De niet-grondgebonden agrarische bedrijfstak van het gemengde bedrijf kan tot 1,5 hectare groeien waarbij de omvang van de bedrijfsactiviteiten de 300 Nge niet mag overschrijden. In het geval een gemengd bedrijf de niet-grondgebonden bedrijfstak wil uitbreiden boven de 1,5 hectare zal er, conform de provinciale Verordening Romte Fryslân en de Structuurvisie buitengebied Franekeradeel 2010-2020, sprake moeten zijn van maatwerk. Bij eventuele aanvragen om dergelijke uitbreidingen zal er per situatie sprake moeten zijn van maatwerk en een zorgvuldige afweging om al dan niet medewerking te kunnen verlenen.

Naast de gevolgen voor het landschap heeft de agrarische schaalvergroting ook gevolgen voor de verkeersstructuur in de gemeente. De kleine smalle landbouwwegen in het buitengebied zijn niet berekend op zwaar en intensiever landbouwverkeer. Uitbreiding van een agrarisch bedrijf kan een toename van zwaar verkeer inhouden. Daarom moet worden aangetoond dat de uitbreiding geen onevenredige gevolgen heeft voor het bestaande wegennet.

Nog groter groeiende bedrijven die buiten de maatvoering van 3 hectare vallen, zijn vooralsnog zeldzaam en dienen gepaard te gaan met een aparte bestemmingsplan- of omgevingsvergunningsprocedure, maatwerk, én gebruikmaking van het “Nije Pleats concept”. De provincie verleent alleen in bijzondere situaties hiervoor ontheffing. Zij is dan ook betrokken bij de afweging en het inhoudelijke resultaat.

In het buitengebied kunnen zich incidenteel verzoeken tot nieuwvestiging van agrarische bedrijven aandienen. Redenen hiervoor kunnen bijvoorbeeld zijn: schaalvergroting, specialisatie, ontwikkelingen op het gebied van natuur of het oplossen van een milieuknelpunt. In de eerste plaats wordt er alleen ontwikkelingsruimte geboden voor de zittende bedrijven. Nieuwvestiging van agrarische bedrijven van elders wordt in beginsel niet toegestaan.

Vanwege de stringente voorwaarden waaronder een nieuw bedrijf kan worden toegestaan, wordt in het bestemmingsplan geen regeling opgenomen voor nieuwe agrarische bouwvlakken. In het (niet veel voorkomende) geval dat een bestaand agrarisch bedrijf moet verplaatsen als gevolg van een noodzakelijke ruimtelijke ontwikkeling (zoals het Gebiedsproces), bij herverkaveling of bij een milieuhygiënisch knelpunt kan hier een uitzondering voor worden gemaakt. Zo'n situatie vraagt echter om maatwerk en kan alleen door middel van een apart bestemmingsplan of een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt.

Artikel 3.7.3 Wijzigen situering bedrijfskavel

Er kunnen zich situaties voordoen dat er geen sprake is van vergroting van de bedrijfsproductie, maar dat het gewenst is het perceel anders in te richten. Er moet wel een aantoonbare bedrijfstechnische noodzaak zijn voor de wijziging van de situering van het bouwperceel.

Artikel 3.7.4 Omzetting gemengd naar grondgebonden agrarische bedrijfsvoering

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om een gemengd bedrijf om te zetten naar een grondgebonden bedrijf. Als daarbij ook een vergroting van de bedrijfskavel plaatsvindt gelden dezelfde criteria als bij de wijzigingsbevoegdheid Vergroten bouwvlak grondgebonden of gemengd agrarisch bedrijf naar 3,00 hectare (voor toelichting zie hier boven).

Artikel 3.7.5 Wijziging tweede bedrijfswoning

Een tweede bedrijfswoning is alleen mogelijk als het bedrijf een omvang heeft van minimaal 100 NGE. Er zijn wel voorwaarden gesteld aan de situering van de bedrijfswoning zodat deze goed wordt ingepast.

Artikel 3.7.6 Verwijderen aanduiding veldschuren

Als een veldschuur verwijderd is dan kan via een wijzigingsbevoegdheid de aanduiding verwijderd worden zodat er geen nieuwe veldschuur gerealiseerd kan worden.

Artikel 3.7.7 Wijzigen naar natuur

Het kan voorkomen dat agrarische gronden ingericht worden als natuur. Als de gronden daadwerkelijk als natuur zijn ingericht dan kunnen via de wijzigingsbevoegdheid de gronden ook daadwerkelijk bestemd worden als natuur.

Artikel 3.7.8 Wijzigen bedrijfskavel naar wonen met compensatie

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de agrarische functie te wijzigen naar wonen met compensatie. Dit wordt toegelicht in paragraaf 5.47 Wijzigingsbevoegdheid functieverandering (meerdere bestemmingen).

Artikel 3.7.9 Wijzigen naar wonen met compensatie in relatie tot bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijen' Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de agrarische functie bij een bestemming 'Wonen - Voormalige boerderijen' te wijzigen naar wonen met compensatie. Dit wordt toegelicht in paragraaf 5.47 Wijzigingsbevoegdheid functieverandering (meerdere bestemmingen).

Artikel 3.7.10 Wijzigen ten behoeve van functieverandering

Er is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de agrarische functie te wijzigen naar een ander functie. Dit wordt toegelicht in paragraaf 5.47 Wijzigingsbevoegdheid functieverandering (meerdere bestemmingen).

Artikel 3.7.11 Wijzigen naar wonen ten behoeve van het vergroten van bestemmingsvlakken voor het wonen

Het kan voorkomen dat het bestemmingsvlak voor de woonbestemmingen 'Wonen - 2' en 'Wonen - Voormalige boerderijen' moet worden vergroot, bijvoorbeeld als grond bijgekocht wordt ten behoeve van het verruimen van een tuin of erf. Dan kunnen agrarische gronden die gelegen zijn aansluitend aan deze woonbestemmingen gewijzigd worden in deze woonbestemmingen. Hieraan zijn voorwaarden verbonden om te voorkomen dat grote woonpercelen worden gecreëerd. Zo mag onder meer het bestemmingsvlak niet groter worden dan 3.000 m².