direct naar inhoud van Artikel 5 Agrarisch - Paardenhouderij
Plan: Butengebiet Dantumadiel
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1891.bpBUbuitengeb-0401

Artikel 5 Agrarisch - Paardenhouderij

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Agrarisch - Paardenhouderij ' aangewezen gronden zijn bestemd voor de uitoefening van een gebruiksgerichte paardenhouderij (geen manege), waaronder begrepen de stalling van pensionpaarden, dan wel een combinatie van een gebruiksgerichte en een productiegerichte paardenhouderij, met dien verstande dat:

  • a. per bestemmingsvlak niet meer dan 1 paardenhouderij is toegestaan;
  • b. de gronden mede zijn bestemd voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke waarden zoals deze zijn bestemd in de aangrenzende bestemming ' Agrarisch - Terpenlandschap ', ' Agrarisch - Veenlandschap ' of ' Agrarisch - Woudenlandschap ';
  • c. ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf' het stallen van caravans is toegestaan in de bestaande gebouwen;
  • d. de gronden mede zijn bestemd voor landschappelijke inpassing en/of erfbeplanting;
  • e. de gronden mede zijn bestemd voor de waterhuishouding;

met daarbij behorende:

  • gebouwen;
  • bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
  • werken, geen bouwwerk zijnde en werkzaamheden;

met dien verstande dat het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak niet meer mag bedragen dan het bestaande aantal bedrijfswoningen.

5.2 Bouwregels

Op de voor ' Agrarisch - Paardenhouderij ' aangewezen gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd met inachtneming van de in de tabel genoemde verplichte situering, maximale oppervlakte, maximale goothoogte, maximale bouwhoogte en minimale dakhelling per bestemmingsvlak:

bouwwerk   verplichte situering   maximale oppervlakte   max. goot- hoogte   max. bouw- hoogte   min.dak-hel- ling  
alle bouwwerken met uitzondering van erfafscheidingen   1. binnen het bouwvlak;
2. met inachtneming van het beginsel van bebouwingsconcentratie;
3. met inachtneming van een minimale afstand van: - 30 m tot de beheersgrens van de N356, N361 en N910;
- 10 m tot de as van overige wegen;
- 10 m tot de grens van gronden met de dubbelbestemming ' Waarde - Reliëf ' of ' Waarde - Terp'  
       
bedrijfsgebouwen met uitzondering van bedrijfswoningen   achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning
 
  5 m   14 m   15º  
bedrijfswoning   op de locatie van de huidige bedrijfswoning   de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfs- woning en de bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 300 m2   3,5 m   9 m   30º  
bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning   achter de voorgevellijn van de bedrijfswoning   de gezamenlijke oppervlakte van de bedrijfs- woning en de bijbehorende bouwwerken mag niet meer bedragen dan 300 m2   3,5 m   9 m   30º  
erfafscheidingen         1,5 m buiten het bouw- vlak; 3 m bin- nen het bouw- vlak    
lichtmasten         5 m*    
overige bouwwerken, geen gebouw zijnde         3 m    

waarbij geldt dat nieuwe stallen uitsluitend mogen worden gerealiseerd, indien door aanvrager is aangetoond dat er geen significant negatieve effecten worden veroorzaakt op een Natura2000 gebied;

* waarbij geldt dat de armatuur uitsluitend gericht mag zijn op het eigen terrein en de verlichting niet mag uitstralen naar de weg.

5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. het bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden, waaronder begrepen de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving.
5.4 Afwijken van de bouwregels
5.4.1 Afwijken

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. 5.1 ten behoeve van een tweede bedrijfswoning, indien en voor zover:
    • 1. aannemelijk is gemaakt dat het bedrijf structureel een arbeidsbehoefte heeft van twee volwaardige arbeidskrachten;
    • 2. de continuïteit van het bedrijf aannemelijk is gemaakt op basis van de bedrijfsopzet en -overname;
    • 3. de bebouwing landschappelijk goed wordt ingepast, hetgeen moet blijken uit een door aanvrager ingediend erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 4 Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen;
  • b. 5.2 ten behoeve van het bouwen van een bedrijfswoning met een hogere goothoogte, mits de goothoogte niet meer bedraagt dan 5,5 m;
  • c. 5.2 ten behoeve van het bouwen van een bedrijfswoning met een hogere bouwhoogte, mits de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 11 m;
  • d. 5.2 ten behoeve van het herbouwen van de bedrijfswoning op een andere locatie in het bestemmingsvlak, indien en voor zover de bebouwing landschappelijk goed wordt ingepast, hetgeen moet blijken uit een door aanvrager ingediend erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 4 Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen;
  • e. 5.2 ten behoeve van het bouwen van bedrijfsgebouwen en bijbehorende bouwwerken bij de bedrijfswoning vóór de voorgevellijn van de bedrijfswoning;
  • f. 5.2 ten behoeve van het bouwen van een bijbehorend bouwwerk bij een bedrijfswoning met een hogere goothoogte respectievelijk bouwhoogte, mits de goothoogte niet meer bedraagt dan 5 m en de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 11 m.
5.4.2 Afwegingskader

Een in 5.4.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden, waaronder begrepen de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving.
5.5 Specifieke gebruiksregels
5.5.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • b. het gebruik van de gronden als stort- of opslagplaats van al dan niet aan het gebruik onttrokken voorwerpen, stoffen en materialen, behoudens opslag die geschiedt in het kader van de normale agrarische bedrijfsvoering, met dien verstande dat opslag in het kader van de normale bedrijfsvoering niet mag plaatsvinden voor de voorgevellijn van de woning;
  • c. het zodanig plaatsen van armatuur dat deze niet uitsluitend gericht is op het eigen terrein;
  • d. het veroorzaken van een significant negatief effect op een Natura2000 gebied.
5.5.2 Toegestaan gebruik

Tot een gebruik in strijd met het bestemmingsplan wordt niet gerekend het gebruik van bestaande gebouwen na (gedeeltelijke) bedrijfsbeëindiging voor caravanstalling.

5.6 Afwijken van de gebruiksregels
5.6.1 Afwijken

Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in 5.1 en 5.5.1  onder a ten behoeve van kleinschalige kampeerterreinen, indien en voor zover:

  • a. de oppervlakte van het kampeerterrein ten minste 0,5 hectare bedraagt bij ten hoogste 15 kampeermiddelen;
  • b. de oppervlakte van het kampeerterrein ten minste 0,75 hectare bedraagt bij ten hoogste 25 kampeermiddelen;
  • c. het aantal kampeermiddelen in geen geval meer bedraagt dan 25;
  • d. de afstand van het kampeerterrein tot een erf van een derde ten minste 50 m bedraagt;
  • e. het aantal kleinschalige kampeerterreinen binnen de gemeente niet meer bedraagt dan 20;
  • f. het terrein landschappelijk goed wordt ingepast, hetgeen moet blijken uit een door aanvrager ingediend erfinrichtingsplan, dat in overeenstemming is met Bijlage 4 Richtlijnen voor nieuwe ontwikkelingen.
5.6.2 Afwegingskader

Een in 5.6.1 genoemde vergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. het straat- en bebouwingsbeeld;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden, waaronder begrepen de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving.
5.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.7.1 Verbod

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het wijzigen van de verkavelingsstructuur ter plaatse van het in Bijlage 1 Houtsingelkaart aangegeven singellandschap of jongeheideontginningslandschap, welke verkavelingsstructuur mede wordt bepaald door het slotenpatroon en door niet als zodanig aangeduide houtsingels, waarbij onder wijzigen wordt begrepen het geheel of gedeeltelijk verwijderen van niet als zodanig aangeduide houtsingels en/of het geheel of gedeeltelijk dempen, verbreden, verdiepen of aanleggen van watergangen;
  • b. indien het bestemmingsvlak grenst aan ' Agrarisch - Terpenlandschap ':
    • 1. het kappen van de erfbeplanting wanneer deze is aangelegd volgens een erfinrichtingsplan of beplanting die de functie van afschermende beplanting en/of landschappelijke inpassing vervult;
    • 2. het aanleggen van landschapselementen zoals bosjes en singels ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - miedenlandschap';
    • 3. het dempen, aanleggen en wijzigen van watergangen, sloten en vaarten en het daarmee wijzigen van de verkaveling;
    • 4. het aanleggen en wijzigen van beschoeiingen en kaden;
    • 5. het graven, dempen of wijzigen van waterpartijen zoals vijvers;
    • 6. het afgraven, ophogen en egaliseren van gronden meer dan 50 cm;
    • 7. het aanleggen, verwijderen en/of verharden van wegen, voet-, fiets- en ruiterpaden en bijbehorende voorzieningen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. indien het bestemmingsvlak grenst aan ' Agrarisch - Veenlandschap ':
    • 1. het kappen van de erfbeplanting wanneer deze is aangelegd volgens een erfinrichtingsplan of beplanting die de functie van afschermende beplanting en/of landschappelijke inpassing vervult;
    • 2. het dempen, aanleggen en wijzigen van watergangen, sloten en vaarten en het daarmee wijzigen van de verkaveling;
    • 3. het aanleggen en wijzigen van beschoeiingen en kaden;
    • 4. het graven, dempen of wijzigen van waterpartijen zoals vijvers;
    • 5. het scheuren en frezen van grasland in de lage en natte delen;
    • 6. het aanleggen, verwijderen en/of verharden van wegen, voet-, fiets- en ruiterpaden en bijbehorende voorzieningen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • d. indien het bestemmingsvlak grenst aan ' Agrarisch - Woudenlandschap ':
    • 1. het kappen van de erfbeplanting wanneer deze is aangelegd volgens een erfinrichtingsplan of beplanting die de functie van afschermende beplanting en/of landschappelijke inpassing vervult;
    • 2. het dempen, aanleggen en wijzigen van watergangen, sloten en vaarten langs houtsingels;
    • 3. het aanleggen en wijzigen van beschoeiingen, kaden en dijken;
    • 4. het graven, dempen of wijzigen van waterpartijen zoals vijvers;
    • 5. het afgraven, ophogen en egaliseren van gronden meer dan 50 cm;
    • 6. het aanleggen, verwijderen en/of verharden van wegen, voet-, fiets- en ruiterpaden en bijbehorende voorzieningen of het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen.
5.7.2 Uitzonderingen op verbod

Het in 5.7.1 vervatte verbod is niet van toepassing op:

  • a. werken en werkzaamheden die het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
  • c. het realiseren van ten hoogste 2 dammen in iedere lange zijde van een perceel, met een breedte van ten hoogste 10 m per dam, mits na verwijdering van de houtsingel ter plaatse van de nieuwe dam(men) tenminste 75% van de oorspronkelijke lengte van de houtsingel resteert;
  • d. het realiseren van ten hoogste 1 dam in iedere korte zijde van een perceel, met een breedte van ten hoogste 10 m per dam, mits na verwijdering van de houtsingel ter plaatse van de nieuwe dam tenminste 75% van de oorspronkelijke lengte van de houtsingel resteert.
5.7.3 Strijd met de bestemming

Uitvoering van de werken, geen bouwwerk zijnde, en werkzaamheden is in strijd met de bestemming indien daardoor dan wel door de daarvan (direct of indirect) te verwachten gevolgen een onevenredige aantasting kan plaatsvinden van:

  • a. de landschappelijke waarden van deze gronden als bedoeld in 5.1 onder b;
  • b. aanwezige dobben en pingoruïnes.
5.7.4 Inrichtingsplan

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 5.7.1 onder a wordt uitsluitend verleend op basis van een inrichtingsplan:

  • a. dat een bijdrage levert aan de landschappelijke waarden als bedoeld in 5.1 onder b;
  • b. waaruit blijkt dat de gemiddelde oppervlakte van percelen cultuurgrond die behoren tot het bedrijf van aanvrager, na het uitvoeren van het inrichtingsplan zich bevindt tussen de maximale en de minimale kavelmaat die in Bijlage 2 Richtlijnen voor de inrichting van houtsingels is opgenomen in de kolom 'voorstelbaar' voor het singellandschap en het jongeheideontginningslandschap, zoals aangegeven in Bijlage 1 Houtsingelkaart;
  • c. waaruit blijkt dat de verhouding tussen de breedte en de lengte van ieder in de herinrichting betrokken perceel zich na herinrichting bevindt tussen de maximale en minimale kavelverhouding die in Bijlage 2 Richtlijnen voor de inrichting van houtsingels is opgenomen in de kolom 'voorstelbaar' voor het singellandschap en het jongeheideontginningslandschap zoals aangegeven in Bijlage 1 Houtsingelkaart;
  • d. waaruit blijkt dat verlies aan oppervlaktewater wordt gecompenseerd.
5.8 Wijzigingsbevoegdheid
5.8.1 Wijziging

Burgemeester en wethouders kunnen het plan wijzigen en:

5.8.2 Afwegingskader

Een in 5.8.1 genoemde wijziging kan slechts worden vastgesteld, indien en voor zover geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:

  • a. de milieusituatie;
  • b. de verkeersveiligheid;
  • c. de gebruiksmogelijkheden van nabijgelegen gronden, waaronder begrepen de ontwikkelingsmogelijkheden van agrarische bedrijven in de omgeving;
  • d. de waarden en functies die het plan beoogt te beschermen.