| Plan: | TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22C, Woonontwikkeling Westpoort Heerhugowaard |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1980.TAM22CWESTPOORTHHW-VA01 |
De aanleiding voor het opstellen van voorliggend TAM-omgevingsplan is het voornemen om op de planlocatie Westpoort in Heerhugowaard een woonontwikkeling mogelijk te maken.
Westpoort is gemeentelijk eigendom en is op dit moment in gebruik als grasland. De locatie was een paar jaar geleden in beeld als locatie voor het nieuwe ziekenhuis van de Noordwest Ziekenhuisgroep als vervanging van het voormalig Medisch Centrum Alkmaar. Deze plannen vonden wegens financiële redenen geen doorgang. Het Medisch Centrum Alkmaar is op de huidige plek gebleven en daardoor zijn de gronden binnen Westpoort beschikbaar gekomen voor een nieuwe invulling.
De nieuwe invulling zal bestaan uit een woongebied met een diversiteit aan woningen en een mogelijkheid van maatschappelijke functies in een deel van het gebied. Het gebied wordt omringd door water en in het woongebied zelf zal veel aandacht zijn voor klimaatadaptiviteit door middel van het toepassen van wadi's. Het aantal woningen is gemaximaliseerd op 500.
De voorgenomen ontwikkeling is niet passend binnen het Omgevingsplan Dijk en Waard. Met voorliggend TAM-omgevingsplan wordt het Omgevingsplan Dijk en Waard voor het voorliggende plangebied gewijzigd, waarmee de woningbouw binnen het plangebied planologisch mogelijk wordt gemaakt.
Westpoort is een groot open terrein wat zich aan de westzijde van Heerhugowaard bevindt. Het gebied wordt begrensd door de spoorlijn (met de treinverbindingen Amsterdam - Den Helder en Alkmaar – Hoorn) in het noorden, de N242 in het westen, de Westtangent in het zuiden en de Abe Bonnemaweg in het oosten.
Afbeelding: plangebied gelegen in de ruimere omgeving (bron: Google earth)
Afbeelding: luchtfoto met plangebied indicatief met rood kader aangegeven (bron: Kadastralekaart)
Het terrein is op dit moment in gebruik als grasland met aan de rand water. Aan de oostzijde bevindt zich het bedrijventerrein Beveland dat steeds meer een gemengd gebied met bedrijven en woningen wordt. Aan de overzijde van de Westtangent bevindt zich de bestaande woonwijk Butterhuizen. Aan de westzijde is ten westen van de N242 het bedrijventerrein De Beverkoog aanwezig. Ten noorden van de spoorlijn, tussen het spoor en de N242 wordt de woonontwikkeling Vaanpark gerealiseerd.
Afbeelding: zicht op het plangebied vanaf de kruising Westtangent - Abe Bonnemaweg
In 2011 was voorzien dat het Medisch Centrum Alkmaar zou worden verplaatst naar de voorliggende planlocatie. Hiervoor is in 2014 ook een bestemmingsplan vastgesteld. Uiteindelijk bleek de nieuwbouw van het medisch centrum niet haalbaar en zijn de gronden braak blijven liggen. Vervolgens is onderzocht wat de meest wenselijk invulling van het plangebied zou kunnen zijn.
Voor De Scheg (inmiddels Vaanpark) is een bestemmingsplan vastgesteld. Deze ontwikkeling vindt plaats aan de noordzijde van het spoor en wordt gerealiseerd door BPD, dat eigenaar is van die gronden. De gemeente Dijk en Waard is eigenaar van de gronden ter plaatse van Westpoort en realiseert deze gebiedsontwikkeling in samenwerking met BPD.
Bij de start van de gebiedsontwikkeling (Westpoort en Vaanpark) zijn er diverse interviews gehouden met interne en externe kennishouders. Vervolgens is er eind 2020 een enquête gehouden onder inwoners en ondernemers en is er begin 2021 een toekomstgesprek met inwoners en ondernemers geweest over kansen voor Westpoort en De Vaanpark. Tevens zijn er twee bijeenkomsten gehouden met gemeenteraadsleden over de uitgangspunten en invulling van deze gebieden. De uitkomsten uit dit voortraject zijn opgenomen in het document 'Kansen Westpoort De Scheg', zie Bijlage 1.
Vervolgens heeft de gemeente Dijk en Waard in 2021 vanuit het Ministerie van BZK een subsidie van 4,6 miljoen euro goedgekeurd gekregen in het kader van de Regeling Woningbouwimpuls. Door deze subsidie kan de voorliggende planontwikkeling en de benodigde infrastructuur en voorzieningen versneld starten.
Begin 2022 is er gestart met het opstellen van een Ruimtelijk Programmatische Verkenning voor zowel Westpoort als Vaanpark, zie Bijlage 2. Deze verkenning geeft inzicht in de ruimtelijke mogelijkheden. Er werden mogelijke modellen genoemd die van toepassing zijn qua toekomstige invulling en de afweging die daarbij gemaakt kan worden. Vervolgens is het mogelijke toekomstperspectief geduid, waarna de programmatische mogelijkheden zijn toegelicht. Als laatste wordt er stil gestaan bij de haalbaarheid voor de ontwikkeling van het gebied. Op basis van deze Ruimtelijke Programmatische Verkenning is het Stedenbouwkundig Programma van Eisen (SPvE) voor het gebied opgesteld.
Het voorliggende TAM-omgevingsplan maakt een woonontwikkeling mogelijk voor maximaal 500 woningen en maximaal 1.000 m2 aan maatschappelijke voorzieningen. Er is gekozen voor een flexibel TAM-omgevingsplan om kleine wijzigingen in planopzet mogelijk te maken.
Afbeelding: stedenbouwkundig schetsontwerp
Westpoort krijgt een stedelijk woonmilieu met compacte bebouwing in een groene omgeving. De bebouwing heeft een afwisselend bouwhoogte van 2 tot 4 bouwlagen voor de grondgebonden woningen en maximaal 10 bouwlagen voor de appartementen. In het gebied komen losstaande alzijdige bouwblokken die op een speelse wijze zijn gesitueerd in het groen. In Westpoort wordt een gemengd woonprogramma gerealiseerd.
Voor het woningbouwprogramma op Westpoort-Vaanpark streeft de gemeente naar 69% betaalbare woningen. Dat zijn sociale huurwoningen (categorie 2) tot € 880,- per maand (prijspeil 2024), middelhuurwoningen (categorie 3) tot € 1.130,- per maand (prijspeil 2024) en koopwoningen tot de NHG-grens.
Bereikbaarheid
Het plangebied wordt voor de auto ontsloten op de Abe Bonnemaweg. Hier wordt een bestaande kruising aangepast waarmee de Westtangent snel en goed bereikbaar is. Via de Westtangent is de N242 snel bereikbaar. Vanwege het toenemende verkeer als gevolg van voorliggende ontwikkeling wordt de kruising Abe Bonnemaweg / Westtangent aangepast met een extra rijstrook. Hiermee wordt een aanvaardbare ontsluiting voor het verkeer gerealiseerd.
Voor de fiets is het plangebied goed bereikbaar. Het plangebied is gelegen aan de doorgaande fietsverbinding tussen Alkmaar en het stationsgebied Heerhugowaard. Deze route loopt langs de west- en noordzijde van het plangebied (Abe Bonnemaweg) en gaat aan de oostzijde bedrijventerrein Beveland in. In de toekomst wordt tevens een doorsteek naar het Vaanpark gemaakt voor fietsers en wandelaars. Ook is het de bedoeling om een langzaam verkeersoversteek aan de zuidwestzijde van de kruising Westtangent/Abe Bonnemaweg te realiseren. Via een brug vanuit het plangebied Westpoort staat de kruising in verbinding met het plangebied. Met deze aanpassing is de doorstroming van zowel het auto- als langzaamverkeer op de kruising Westtangent/Abe Bonnemaweg voldoende. De goede bereikbaarheid voor fietsers in combinatie met de aanwezigheid van het stationsgebied is van belang. Er is (nog) geen busverbinding aanwezig, waardoor er minimaal 15 minuten nodig is om een bushalte te bereiken.
Binnen het plangebied zorgt een rondweg voor de ontsluiting van autoverkeer. Langs deze rondweg worden parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de rondweg komen vertakkingen waarmee de bouwblokken bereikbaar worden. Bij sommige bouwblokken wordt geparkeerd binnen het blok en soms worden de parkeerplaatsen aan de weg buiten het bouwblok gerealiseerd. Binnen het plangebied heeft de fietser op een aantal gerichte routes vrij baan om zodoende de fiets als vervoersmiddel maximaal te stimuleren. Tegelijkertijd is de grootste kwaliteit van Westpoort dat de voetganger Westpoort ervaart als een groene omgeving waar wandelen, spelen en verblijven duidelijk centraal staat. Het voorliggende TAM-omgevingsplan biedt de mogelijkheid om meer ontsluitingsmogelijkheden te realiseren op de omliggende rondweg. Er staat een extra ontsluiting gepland aan de noordwestzijde, nabij de Ashok Bhalotrabrug
Voorzieningen
Westpoort is gelegen midden in een stedelijk gebied. Voorzieningen zijn daarom op relatief korte afstand bereikbaar. Denk aan winkelcentrum Middenwaard (1,5 km), de supermarkt aan de Reuzenpandasingel (1 km) en bedrijven op Beveland. De dichtstbijzijnde basisschool is nu op circa 750 meter gesitueerd. Het recreatiegebied Park van Luna ligt op 800 meter. Van belang is dat er voldoende voorzieningen aanwezig zijn binnen een nieuwe woonbuurt. Daarom wordt ook de mogelijkheid geboden aan maximaal 1.000 m2 voorzieningen.
Groen en water
Westpoort is gelegen in een stedelijke omgeving maar verbindt tegelijkertijd enkele groengebieden zoals het Park van Luna, het Geestmerambacht en Oosterdel. Van belang is daarom dat het groene karakter van het plangebied aanwezig blijft ondanks de toevoeging van bebouwing. Er wordt aan de randen van het plangebied water en groen toegevoegd. Door de bouwblokken kan het groen vanaf de randen door het gehele plangebied heen lopen. Er wordt ruimte geboden voor wadi's om hemelwater vast te kunnen houden en vertraagd af te kunnen voeren naar het oppervlaktewater aan de rand. Centraal in het gebied komt een gezamenlijke speelplaats. De toepassing van veel bomen zorgt ook dat er koele parkeerplaatsen worden gerealiseerd.
Het veelvuldig voorkomen van groen is de ene kant van het groene karakter van het plangebied. De andere kant is de biodiversiteit. Er wordt gekozen voor een scala aan plant- en boomsoorten die een grotere biodiversiteit stimuleren en op het gebied van beheer kan hieraan worden bijgedragen door pas later te snoeien. Het kiezen van een diverse selectie aan boomsoorten wordt tegelijkertijd het aanzicht van de wijk aantrekkelijker. Ook wordt water zoveel mogelijk voorzien van natuurlijke oevers.
Er is een zachte overgang van groen naar wonen door tuinen aan de buitenzijden van woonblokken te laten grenzen aan openbaar groen. Dit initieert ontmoeting en sociale cohesie.
Leefbaarheid
De opzet van het plangebied waarbij zoals hiervoor is aangegeven veel aandacht is voor groen, water, ontmoeting, wandel- en fietsvoorzieningen, op een plek met een goede ontsluiting en gunstige ligging ten opzichte van voorzieningen en het stationsgebied zorgt ervoor dat er sprake is van een goede leefbaarheid met woonkansen voor diverse doelgroepen.
Op de ontwikkeling is het (tijdelijke) omgevingsplan van de gemeente Dijk en Waard van toepassing. Onderdeel van het omgevingsplan zijn de volgende voormalige bestemmingsplannen relevant: 'Westpoort', 'Actualisatieplan Heerhugowaard 2016', 'Wonen en Parkeren' en het ontwerpbestemmingsplan 'Actualisatieplan Heerhugowaard'.
Westpoort
Het bestemmingsplan Westpoort is vastgesteld op 18 februari 2014. Binnen dit bestemmingsplan geldt binnen het plangebied een functie 'maatschappelijk' en 'verkeer'. Toegestaan zijn medische, paramedische en sociaal- medische voorzieningen, waaronder een medisch centrum met de daarbij behorende cyclotrons en radiotherapiebunkers. Ook zijn daarbij behorende en/of daaraan ondersteunende voorzieningen toegestaan met daarbij behorende verkeers- en groenvoorzieningen, wegen en (fiets)paden, kunstwerken, nutsvoorzieningen, onderdoorgangen, laad- en losplaatsen, een busplein, openbare ruimte, water, tuinen, erven en terreinen en dergelijke. Woningen zijn niet toegestaan.
De gronden die zijn aangeduid voor 'verkeer' laten onder andere straten, wegen, voet- en fietspaden en bijbehorende voorzieningen toe. Hier is de Abe Bonnemaweg aanwezig en deze blijft bestaan.
Actualisatieplan Heerhugowaard 2016
Aan de zuidoostzijde van het plangebied overlapt het plangebied voor een deel het Actualisatieplan Heerhugowaard 2016. Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 28 maart 2017. De gronden hebben de functie 'verkeer'. Deze functie laat geen woningen toe en daarom is er strijd met het bestemmingsplan.
Wonen en Parkeren
Dit bestemmingsplan is vastgesteld op 16 februari 2021. Het voorziet in de juridische borging van de begripsbepaling ten aanzien van het wonen, en de juridische borging van het gemeentelijk parkeerbeleid. De regels die zijn opgenomen worden overgenomen in voorliggend TAM-omgevingsplan.
Actualisatieplan Heerhugowaard
Dit ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 22 december 2023 ter inzage gelegen. Voor het voorliggende plangebied regelt het de archeologische regimes die vanuit het archeologiebeleid Dijk en Waard (vastgesteld op 7 juni 2022) gelden. Op het aspect archeologie wordt nader ingegaan in paragraaf 3.2.
Dit hoofdstuk geeft een overzicht van de inhoud van het ruimtelijk relevante beleid op nationaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleid vormt het kader waarbinnen de ontwikkeling plaats dient te vinden.
De Omgevingswet bundelt alle huidige wetten over de leefomgeving. Daarbij hoort ook één rijksvisie op de leefomgeving: de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In de NOVI zijn de maatschappelijke opgaven samengevat in 4 prioriteiten:
Om alle belangen af te wegen, gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Met betrekking tot 'sterke en gezonde steden en regio's' is in de NOVI aangegeven dat vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig zijn voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Tegelijk streeft men naar een verbetering naar de leefbaarheid en klimaatbestendigheid in steden en dorpen. Schonere lucht, voldoende groen en water en genoeg publieke voorzieningen waar mensen kunnen bewegen (wandelen, fietsen, sporten, spelen), ontspannen en samenkomen.
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Voorliggend TAM-omgevingsplan sluit aan op het thema 'sterke en gezonde steden en regio's' uit de NOVI. Met het plan wordt invulling gegeven aan de aanwezige woningbehoefte. De gebouwen worden ingepast in een groene en waterrijke omgeving, waar voldoende ruimte is om te bewegen: er worden fiets- en wandelpaden aangelegd en ook is er ruimte voor speelvoorzieningen. De woningen voldoen aan de huidige duurzaamheidseisen en de daken zijn geschikt voor de plaatsing van zonnepanelen. Er is daarmee ook aansluiting bij het thema ruimte voor 'klimaatadaptatie en energietransitie'. Er wordt ruimte geboden voor zowel wonen als maatschappelijke voorzieningen en daarbij bestaat de mogelijkheid om een bedrijf aan huis te voeren. Deze combinatie van functies wordt geacht een juiste invulling te zijn van voorliggend gebied dat op een kruispunt ligt van woongebieden met werkgebieden met een goede ontsluiting.
Het plan is in lijn met de NOVI.
Om meer invulling te geven aan de Nationale Omgevingsvisie wordt het programma NOVEX opgesteld. In dat programma werken alle overheden samen aan een plan voor de inrichting van Nederland. In de Novex staat de provinciale en gebiedsgerichte samenwerking centraal, evenals het versterken van de uitvoeringskracht. In december 2022 is er een startpakket gepubliceerd, deze bestaat uit de volgende drie onderdelen:
Ook zijn er 16 Novex-gebieden aangewezen waar ontwikkelperspectieven en uitvoeringsafspraken voor worden opgesteld.
Momenteel zijn alle provincies bezig om de vragen uit het eerste onderdeel te beantwoorden. Dit leidt tot een ruimtelijk voorstel waarin de nationale en decentrale opgaven zijn opgenomen. Vervolgens werken Rijk en provincie naar een ruimtelijk arrangement. Daarin maken het Rijk en provincies wederkerige, bestuurlijke afspraken die nodig zijn om de voorstellen daadwerkelijk uit te voeren. Het ruimtelijk arrangement werd eind 2023 verwacht maar is nog niet gereed.
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Momenteel vloeit er nog geen toetskader uit de Novex voor dit plan omdat er nog geen concrete afspraken zijn gemaakt. Bovendien is het voorliggende plangebied geen onderdeel van een Novex-gebied.
De Omgevingswet werkt door in vier algemene maatregelen van bestuur (afgekort AMvB's). Dit zijn het Omgevingsbesluit, het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). In deze AMvB's staan regels voor het uitvoeren van de Omgevingswet.
Hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bevat instructieregels voor het omgevingsplan. Deze komen voort uit de beleidsdoelen van de Omgevingswet. Met zo’n instructieregel geeft het rijk aan welke onderwerpen bij een wijziging van het omgevingsplan in ieder geval aan bod moeten komen. Er zijn drie typen instructieregels:
Hoofdstuk 5 van het Bal bevat onder meer regels ten aanzien van onderzoeksinspanningen die voor specifieke voorgenomen activiteiten verricht dienen te worden.
Instructieregels gelden onder andere voor de volgende onderwerpen:
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
In Hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de voor het voorliggende plan relevante instructieregels.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Artikel 8.0b Bkl regelt dat deze instructieregel ook geldt voor een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Artikel 5.129g (zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand):
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Uit jurisprudentie blijkt dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling vanaf de realisatie van 12 woningen. Duidelijk is dat in voorliggend geval sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. In de Monitor Plancapaciteit (www.plancapaciteit.nl) is Westpoort opgenomen met de realisatie van 467 woningen. Dit betekent dat deze woningen regionaal zijn afgestemd. Het voorliggende TAM-omgevingsplan maakt maximaal 500 woningen mogelijk. Dit betekent dat voor 33 woningen de behoefte moet worden aangetoond en nog regionale afstemming moet plaatsvinden. In paragraaf 2.3, 2.4 en 2.6 wordt ingegaan op het provinciale, regionale en gemeentelijke beleid, waaruit blijkt dat er behoefte bestaat aan de 33 woningen.
Europese Kaderrichtlijn Water
Sinds december 2000 is de Europese Kaderrichtlijn Water van kracht. De belangrijkste doelstelling is het geven van een kader voor het beheer van oppervlaktewater en grondwater op basis van stroomgebieden en stroomgebieddistricten. De richtlijn wil het duurzaam gebruik van water bevorderen en de gevolgen van overstroming en droogte beperken. Daarnaast wil de richtlijn de aan water gebonden natuur beschermen en verbeteren met als uitgangspunt een goede ecologische toestand van het water.
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft onderzocht welke maatregelen genomen kunnen worden om Nederland ook in de toekomst veilig en leefbaar te houden. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Waterbeleid voor de 21e eeuw'. De belangrijkste aanbevelingen waren: anticiperen in plaats van reageren, meer ruimte naast techniek en 'vasthouden-bergen-afvoeren'.
Naar aanleiding van de aanbevelingen van de Commissie Waterbeheer 21e eeuw, heeft het kabinet zijn standpunt bepaald in de nota 'Anders omgaan met water' (2000). Deze Nota benadrukt dat het antwoord op de problemen niet alleen ligt in technische oplossingen, maar vooral ook in het ruimte geven aan water (flexibel peilbeheer en ruimtelijke maatregelen in de vorm van calamiteitenberging, piekberging en voorraadbeheer, etc.). Daarnaast moet meer gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid om water vast te houden. Als meer water vasthouden niet zomaar gaat, moeten er voorzieningen worden aangelegd om tijdelijk water te bergen. Pas als deze twee mogelijkheden, vasthouden en bergen, zijn gebruikt mag het overtollige water worden afgevoerd.
Nota “Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw”
Met de nota Anders omgaan met water, Waterbeleid in de 21e eeuw wil het Rijk een ander waterbeleid realiseren. Er moet geanticipeerd worden op een stijgende zeespiegel, een stijgende rivierafvoer, bodemdaling en een toename van de neerslag. Nieuwe ruimtelijke besluiten mogen de problematiek van veiligheid en wateroverlast niet ongemerkt vergroten. Bij nieuwe ruimtelijke besluiten moeten de gevolgen voor veiligheid en wateroverlast expliciet in beeld worden gebracht.
De nota geeft twee drietrapsstrategieën als uitgangspunten. Voor waterkwantiteit bestaat die uit vasthouden, bergen en afvoeren. Voor waterkwaliteit is het schoonhouden, scheiden en zuiveren. Deze strategieën vertalen zich voor het stedelijk gebied in aandachtspunten als: meer ruimte voor water, relatie tussen het stedelijk water en het water in het omliggende gebied, vergroting van het waterbergend vermogen met name in de stadsranden, verbetering van de waterkwaliteit, vergroting van de belevingswaarde van water, en kansen voor natuur en recreatie in en rondom stedelijk water.
Nationaal Water Programma 2022-2027
In het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Dit staat in één programma waarmee de Rijksoverheid anticipeert op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.
Het NWP beschrijft de nationale beleids- en beheerdoelen op het gebied van klimaatadaptatie, waterveiligheid, zoetwater & waterverdeling, waterkwaliteit & natuur, scheepvaart, en de functies van de rijkswateren. Het NWP geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast voor de periode 2022 – 2027. Uitgangspunt is schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Onderdeel van het TAM-omgevingsplan is de watertoets. In de watertoets is aangegeven wat de gevolgen van het plan zijn voor de waterhuishouding en op welke wijze water (regen-, afval- en oppervlaktewater) wordt ingepast in het plan. De watertoets wordt afgestemd met de betreffende waterbeheerder.
Het plan leidt tot het toename van het verhard oppervlak, maar er worden tevens compenserende maatregelen getroffen. In paragraaf 3.7 wordt hier nader op ingegaan.
Binnen afzienbare tijd wordt gestart met de realisatie van de aanpassingen op het tracé tussen Alkmaar/Heerhugowaard en Amsterdam. Tevens is ten noordoosten van Heerhugowaard op het bedrijventerrein de Vaandel een opstelterrein voor treinstellen gepland. Deze aanpassingen zijn onderdeel van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) met als doel de bruikbaarheid van de spoorverbinding te verbeteren. De geplande wijzigingen aan het spoor zijn in het tracébesluit van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) Alkmaar – Amsterdam op 7 november 2023 vastgesteld. Van vrijdag 1 december 2023 tot en met donderdag 11 januari 2024 stond het vastgestelde besluit open voor beroep.
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
In het akoestisch onderzoek (zie Bijlage 5) en het trillingsonderzoek (zie Bijlage 6) is rekening gehouden met de aanpassingen op en nabij het tracé die zijn opgenomen in het ontwerp-tracébesluit.
Op 19 november 2018 hebben de Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De leidende hoofdambitie in de Omgevingsvisie NH2050 is de balans tussen economische groei en leefbaarheid. Een gezonde en veilige leefomgeving, die goed is voor mens, plant én dier, is een voorwaarde voor een goed economisch vestigingsklimaat. Tegelijkertijd is duurzame economische ontwikkeling een voorwaarde voor het kunnen investeren in een prettige leefomgeving. De provincie wil dat de kwalitatieve en kwantitatieve vraag en aanbod van werk- en woonlocaties met elkaar in overeenstemming zijn en streeft naar behoud en versterking van de unieke kwaliteiten van de diverse landschappen en cultuurhistorie.
Het beleid van de Omgevingsvisie Noord-Holland 2050 is, voor zover het een bindende werking moet hebben, neergelegd in de Omgevingsverordening NH2022 zoals in werking is getreden op 11 januari 2024.
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Hieronder zijn de artikelen uit de Omgevingsverordening NH2020 toegelicht die voor het onderhavige TAM-omgevingsplan relevant zijn.
Artikel 6.13 Nieuwe stedelijke ontwikkelingen
In artikel 6.13 is bepaald dat een omgevingsplan uitsluitend kan voorzien in een nieuwe stedelijke ontwikkeling als deze ontwikkeling in overeenstemming is met de binnen de regio gemaakte schriftelijke afspraken. De gemeenten in de regio Alkmaar hebben een regionale woningprogrammering opgesteld. Deze wordt enkele malen per jaar geactualiseerd. Het project Westpoort is met 467 woningen opgenomen in deze programmering. Er dient voor 33 woningen nog regionale afstemming plaats te vinden. Zie verder paragraaf 2.4. Hieruit volgt dat er behoefte is aan de 33 toegevoegde woningen.
Artikel 6.75 Klimaatadaptatie
Op grond van artikel 6.75 dient de toelichting van een ruimtelijk plan dat een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving te bevatten van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de risico's van klimaatverandering. Deze beschrijving dient in te gaan op het risico op wateroverlast, overstroming, hitte en droogte en de maatregelen en voorzieningen die worden getroffen om deze risico's te voorkomen of te beperken en de afweging die daarbij is gemaakt. Ten behoeve van de beschrijving is overleg met in ieder geval het waterschap in wiens beheergebied de ontwikkeling plaatsvindt noodzakelijk. In de watertoets die is beschreven in paragraaf 3.7 is hier invulling aan gegeven.
De Woonagenda is de uitvoeringsagenda van het woonbeleid van de provincie Noord-Holland tot 2025. De Woonagenda volgt uit en past binnen de randvoorwaarden van het provinciaal ruimtelijk beleid, zoals beschreven in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en het coalitieakkoord 'Duurzaam doorpakken'. Vanuit het provinciaal én regionaal belang dat de woningmarkt goed functioneert en het wonen optimaal bijdraagt aan het versterken van de kwaliteiten van Noord-Holland, maakt deze agenda de inzet en bijdrage van de provincie daaraan concreet.
De provincie wil ruimte bieden voor woningbouw, uitgaande van zorgvuldig ruimtegebruik. De speerpunten richten zich op een woning voor iedereen:
Richtinggevende principes zijn o.a.:
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Het voorliggende plan maakt maximaal 500 woningen mogelijk. Een aantal van 467 daarvan zijn reeds regionaal afgestemd. Het betreft een divers aanbod aan woningen voor alle woondoelgroepen met een groot aandeel aan betaalbare woningen. Het is daarom in lijn met de grote vraag naar een diversiteit aan woningen en betaalbare woningen.
In de Woonagenda 2020-2025 van de provincie Noord-Holland is bepaald dat de regio's samen met de provincie Woonakkoorden opstellen. Hierin zijn afspraken over woningbouw, nieuwbouw en een overzicht van woningbouwplannen in het landelijk gebied opgenomen. Het Woonakkoord is de opvolger van het Regionaal Actieprogramma (RAP). De regio Alkmaar, waar de gemeente Dijk en Waard onderdeel van uit maakt, ziet het Woonakkoord als een goede basis om de woningbouw versneld te realiseren. Het akkoord biedt een actuele en krachtige impuls en inspiratie voor lokale woonvisies en prestatieafspraken, maar heeft zelf niet die status. Het Woonakkoord zet in op het toevoegen van minimaal 2.000 woningen per jaar binnen de regio tot 2030.
De regio Alkmaar zet in op binnenstedelijk bouwen. Er wordt prioriteit gegeven aan de ontwikkeling van woningen op inbreidingslocaties, nabij OV-knooppunten en in de nabijheid van andere voorzieningen. In de Regio Alkmaar is ruimte om een deel van de benodigde nieuwbouwopgave van de Metropoolregio Amsterdam (MRA) op te vangen door aanvullende woonmilieus en productmarktcombinaties te realiseren. De regio bouwt niet meer woningen dan nodig is voor de woningbehoefte, maar zoekt wel naar flexibiliteit waar dat leidt tot een grotere vraaggerichtheid van de nieuwbouw.
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Het plan sluit aan bij de afspraken die de regio zijn gemaakt met betrekking tot de realisatie van een divers woningaanbod. Op grond van de actuele behoefteprognose en de aanwezige plancapaciteit, wordt geconcludeerd dat er voldoende kwantitatieve behoefte is. Tevens wordt invulling gegeven aan de kwalitatieve behoefte vanwege het grote aandeel woningen in de betaalbare sector.
Met het opstellen van de Woondeal NHN 1.0 in 2020 is de basis voor versnelling van het woningbouwprogramma gelegd. In 2023 is de Woondeal NHN 2.0 ondertekend.
Met deze Woondeal worden de krachten van de verschillende overheidslagen gebundeld met als doel om, in samenwerking met marktpartijen en corporaties, de woningbouw te versnellen en voldoende (betaalbare) woningbouw in de regio te realiseren. Hiertoe leggen het Rijk, de provincies en de gemeenten hun wederzijdse verantwoordelijkheden en inspanningen vast en erkennen zij wederzijds de in deze Woondeal opgenomen kwantitatieve en kwalitatieve opgaven en de randvoorwaarden die moeten worden ingevuld om deze afspraken tot realisatie te kunnen brengen. In de Woondeal NHN 2.0 ligt de focus op de woningbouwopgave, maar is waar nodig, met het oog op de woningbouwdoelen, de verbinding gelegd met de bredere opgaven zoals mobiliteit. Het gaat niet alleen om het bouwen van woningen, maar om via woningbouw de samenleving te versterken, rekening houdend met opgaven zoals klimaat, klimaatadaptatie en circulariteit, werkgelegenheid, bereikbaarheid, energie, natuurinclusiviteit, voorzieningen, etcetera. Realisatie van de woningbouwopgave is alleen mogelijk indien de woningen goed bereikbaar zijn, de economie en werkgelegenheid een grote impuls krijgen, aanvullende voorzieningen gerealiseerd worden en alle aspecten van brede welvaart worden meegenomen.
Vanuit het Programma Woningbouw wordt nationaal ingezet op de realisatie van 900.000 woningen tot 2030, met vanaf 2024, 100.000 woningen per jaar. Het streven is dat ten minste twee derde van de woningen betaalbaar zijn.
De regio Alkmaar heeft tot 2030, 20.100 woningen nodig. In de harde plancapaciteit zijn 7.850 woningen aanwezig. Westpoort valt nog niet onder de harde plancapaciteit, want dit zijn plannen met minimaal een vastgesteld bestemmingsplan/omgevingsplan.
Voor Dijk en Waard is het OV-knooppuntgebied als versnellingslocatie opgenomen met 5.500 woningen tot 2030. Tot 2025 worden 920 woningen voorzien. Westpoort valt hieronder.
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
De realisatie van 467 woningen in Westpoort is onderdeel van de Monitor Plancapaciteit. Uit het bovenstaande blijkt dat er ook behoefte bestaat aan de 33 extra woningen die met voorliggend TAM-omgevingsplan mogelijk worden gemaakt.
Door de toenemende klimaatverandering is er landelijk een sterk gevoel van urgentie en noodzaak omtrent klimaatadaptatie ontstaan. In 2014 is om deze reden de Deltabeslissing Ruimtelijke Adaptatie genomen, waarin is gesteld dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en water robuust is ingericht. Om dit doel te behalen is in dezelfde deltabeslissing ook gesteld dat alle Nederlandse overheden in 2020 klimaatbestendigheid en waterrobuustheid in hun beleid en handelen hebben verankerd. Om de overheden te ondersteunen bij de uitvoering van de deltabeslissing, heeft het Rijk in 2017 het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie (DPRA) gepubliceerd. Sinds 2018 werkt Regio Alkmaar in regionaal verband aan de invulling van de opgaven uit het DPRA. Dit heeft ertoe geleid dat de regio een klimaatadaptatiestrategie en uitvoeringsagenda heeft opgesteld.
Bij besluit van 10 oktober 2023 heeft de gemeenteraad van Dijk en Waard besloten zich te conformeren aan de regionale Klimaatadaptatiestrategie en uitvoeringsagenda Regio Alkmaar.
Klimaatadaptatie vraagt om integrale oplossingen. Daarom is ervoor gekozen om eerst de opgaven (weten) waarvoor de regio staat in kaart te brengen. De volgende stap is om aan de hand van een strategie (willen) een aanpak op te stellen die borgt dat de diverse opgaven worden opgepakt en worden verankerd in beleid en activiteiten. De laatste stap is om de strategie te vertalen naar een meerjarige uitvoeringsagenda (werken).
Westpoort is onderdeel van wat in de strategie is aangeduid als 'stedelijk hart'. Opgaven die daarbij horen zijn het verminderen van wateroverlast en overstromingsrisico, onbegaanbare wegen bij wateroverlast en hittestress.
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Klimaatadaptiviteit is een van de uitgangspunten geweest bij het opzetten van voorliggend plan. Er is veel ruimte voor oppervlaktewater, groen en voorzieningen om regenwater vast te houden en vertraagd af te voeren. In paragraaf 3.7 wordt ingegaan op de watertoets die voor Westpoort is opgesteld.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het beheersgebied van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK).
Het HHNK heeft samen met haar partners haar waterbeleid op lange termijn (Deltavisie) en op middellange termijn (Waterprogramma 2022-2027) opgesteld. In het Waterprogramma 2022-2027 (voorheen waterbeheersplan) zijn de programma's en beheerstaken van het HHNK opgenomen met de programmering en uitvoering van het waterbeheer. Het programma is nodig om het beheersgebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort, schoon en gezond water en crisisbeheersing. Door het veranderende klimaat wordt het waterbeheer steeds complexer. Alleen door slim samen te werken is integraal en doelmatig waterbeheer mogelijk. Bij de ontwikkeling van het Waterprogramma is hieraan invulling gegeven door middel van een partnerproces en de ontwikkeling van gezamenlijke bouwstenen.
De Waterschapsverordening bevat de regels die het Hoogheemraadschap hanteert om zijn watergangen, waterkeringen en wegen te beschermen. Rond deze sloten, dijken en wegen zijn verschillende zones gedefinieerd en voor elke zone gelden weer andere regels.
De Waterschapsverordening berust op artikel 2.5 van de Omgevingswet en vervangt de Keur HHNK 2016, de Algemene regels bij de Keur HHNK 2016 en de Wegenverordening HHNK 2016. De Waterschapsverordening Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier is op 1 januari 2024 in werking getreden.
Om ervoor te zorgen dat de waterbelangen een goede plek krijgen en evenwichtig worden afgewogen bij nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen wordt de watertoets uitgevoerd. Ook onder de omgevingswet is dit proces vastgelegd maar dan onder de noemer 'weging van het waterbelang'. Voor de ontwikkeling van Westpoort is de weging van het waterbelang vastgelegd in een rapportage welke is bijgevoegd als Bijlage 14. Zie verder paragraaf 3.7.
In de Woonvisie Heerhugowaard 2018-2050 is aangegeven dat de gemeente staat voor een trendbreuk met het woonbeleid van de afgelopen decennia. De laatste uitbreidingsgebieden zijn gepland, waarna er enkel nog binnen de stadsgrenzen dichter gebouwd zal worden om te voldoen aan de bevolkingsgroei. In combinatie met de landelijke ontwikkelingen op het gebied van aardgasvrij wonen, het invoeren van de Omgevingsvisie en het vergrijzen van de bevolking vraagt dit een andere manier van kijken naar woningbouw.
De woonvisie bestaat uit drie delen: trends, ambities en beschrijving deelgebieden. Opvallende zaken zijn dat bijna 80% van de inwoners van de voormalige gemeente Heerhugowaard tevreden is met het wonen in deze gemeente. Ook zal het aantal ouderen ouder dan 65 en 75 toenemen, neemt het aantal eenpersoonshuishoudens toe en staan er mogelijk teveel eengezinswoningen in de gemeente. De cijfers zijn deels gebaseerd op de woontest, een breed uitgezette enquête onder de inwoners.
Om de regio en de gemeente economisch vitaal te houden is het van belang dat de beroepsbevolking op peil blijft. Deze mensen moeten een plek hebben om te wonen en ook de bereikbaarheid vanuit de Metropoolregio Amsterdam draagt bij aan de aantrekkelijkheid van Heerhugowaard. Al deze ambities hebben invloed op elkaar en vormen een beeld van waar de gemeente heen wil op termijn.
Heerhugowaard heeft op verschillende thema's al de nodige ambities vastgesteld die samenhangen met of gevolgen hebben voor de woonvisie. Dat zijn ambities die invloed hebben op het woonbeleid. Daarnaast zijn er al verschillende visies en plannen vastgesteld voor onder meer het Stationsgebied, de boulevard en de bereikbaarheid van de wijken in Heerhugowaard. De ambities met betrekking tot wonen zijn verdeeld over de volgende thema's:
Betekenis voor het project
Met het voorliggende plan wordt een bijdrage geleverd aan het behalen van de ambities uit de woonvisie. Het heeft hierbij voornamelijk raakvlakken met duurzaam wonen en het fysiek domein. De woningen worden gasloos en duurzaam gebouwd, conform de eisen van het Bouwbesluit en BENG (bijna energieneutraal). Daarnaast wordt aangesloten bij de ambitie om binnenstedelijk bouwen voorrang te geven. Bovendien worden er grotendeels betaalbare woningen gerealiseerd. De behoefte aan sociale woningen komt uitdrukkelijk terug in de woonvisie. Er wordt geconcludeerd dat het plan in lijn is met de woonvisie.
De Woningbouwprogrammering Heerhugowaard 2020-2030 geeft richting aan de uitvoering van de kwantitatieve- en kwalitatieve woningbouwopgave voor Heerhugowaard tot 2030. De programmering is gebaseerd op de uitkomsten van het woningbehoefteonderzoek dat in 2020 is uitgevoerd door Companen.
Op basis van het huidige beeld van de woningbehoefte zal de woningvoorraad in Heerhugowaard tot 2030 moeten groeien met 3.710 woningen om in de behoefte te voorzien. Om dat te bereiken is een planvoorraad nodig met een overmaat van 30% om mogelijke planuitval te compenseren. Daarmee is een planvoorraad nodig van 4.820 woningen. Uit het woningbehoefteonderzoek blijkt dat onder andere worden moet worden ingezet op de realisatie van meer sociale huurappartementen, middenhuur en betaalbare koopwoningen.
Voor Westpoort wordt aangegeven dat eerder een inschatting is gemaakt van een mogelijk programma met 1.100 appartementen. De confrontatie van de planvoorraad met de woningbehoefte wijst uit dat een gemengd programma met grondgebonden woningen en appartementen in een lagere dichtheid beter aansluit op de totale behoefteontwikkeling. Aanbevolen wordt hierop te koersen. Bijzondere aandacht dient er te zijn voor betaalbare grondgebonden koopwoningen in categorieën 1 en 2 in bepaalde locaties, waarvan Westpoort er één is.
Twee keer per jaar wordt de totale plancapaciteit herijkt. Indien noodzakelijk, wordt de woningbouwprogrammering in de tussentijd bijgesteld. Zo ontstaat een blijvend actueel inzicht in de bouwplannen en (de voortgang van) de woningbouwopgave in Heerhugowaard.
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
De voorliggende realisatie van maximaal 500 woningen met een gevarieerd aanbod aan woningtypen voldoet aan het advies om woningen in een lagere dichtheid en met een gemengder programma dan alleen appartementen te realiseren. Het TAM-omgevingsplan biedt hier de ruimte voor.
De nota ruimtelijke kwaliteit gaat over het toetskader voor bouwplannen in de bestaande bebouwing. Ook een aantal nieuwe deelgebieden zoals de Vaandel en Breekland zijn al opgenomen in deze nota. Bij de nieuwste en toekomstige ontwikkelingen worden voornamelijk beeldkwaliteitsplannen opgesteld die als toetskader gelden. Dit zal ook gelden voor nieuw te ontwikkelen gebieden die passen in de visiekaart. De nota ruimtelijke kwaliteit staat deze ontwikkelingen niet in de weg. Als een ontwikkelingsgebied volledig is volgebouwd, gaat de toetsing van een bouwplan weer over naar de nota ruimtelijke kwaliteit.
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Westpoort is onderdeel van deelgebied 2D: 'Nieuwe woonwijken'. Voor de nieuwe woonwijken is de beoordeling van ruimtelijke kwaliteit van toepassing. Om toetsing mogelijk te maken zijn door de raad beeldkwaliteitsplannen opgesteld.
De huidige Nota Ruimtelijke Kwaliteit Dijk en Waard 2022 is te algemeen om een hoogwaardige invulling van de locatie te garanderen. Voor de ontwikkeling van Westpoort is een Beeldkwaliteitsplan (BKP) opgesteld. Het BKP dient na vaststelling als flexibel toetsingskader (welstandscriteria) voor de aan te vragen omgevingsvergunning voor bouwen en zal onderdeel gaan uitmaken van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. In de regels van dit TAM-omgevingsplan is in artikel 15.4 een dynamische verwijzing naar het BKP opgenomen. Wanneer het BKP nadien wijzigt is via een dynamische verwijzing ook de 'rechtsopvolger' via de regels gekoppeld.
Het BKP is bijgevoegd als Bijlage 3.
Voor de gemeente Dijk en Waard is in lijn met de Omgevingswet het Omgevingsprogramma Mobiliteit 2021 opgesteld. Bij het opstellen van het Omgevingsprogramma is aangesloten op de raadsagenda Heerhugowaard en het bestuursakkoord Langedijk. Het Omgevingsprogramma continueert wat reeds goed gaat en brengt op onderdelen accentverschillen aan.
Een Omgevingsprogramma volgt uit een Omgevingsvisie waarin ambities geformuleerd zijn. Het Omgevingsprogramma is uitvoeringsgericht en bevat concrete maatregelen om doelen te realiseren, effecten te monitoren en waar nodig bij te sturen. In het programma zijn de volgende mobiliteitsdoelen geformuleerd:
Voornoemde mobiliteitsdoelen zijn in het Omgevingsprogramma uitgewerkt tot de volgende maatregelen:
Recreatieve kwaliteiten benutten: kwaliteiten zijn onder andere Het Duizend Eilandenrijk (Oosterdel), het lint met haar monumenten en karakteristieke gebouwen, het museum Broeker Veiling en de haven van Broek op Langedijk, Park- en Strand van Luna, Waarderbos, het museum Het Oude Gemaal in Heerhugowaard en recreatiegebied het Geestmerambacht in Koedijk. Het Stationsgebied wordt op termijn met aantrekkelijke fiets- en wandelroutes verknoopt met de omgeving. Daarnaast ligt er in de bereikbaarheidsopgave van recreatiegebieden een relatie met het intern fietsnetwerk en de doorfietsroutes
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Bij de ontwikkeling van Westpoort is veel aandacht uitgegaan naar de langzame verkeersdeelnemer. De ligging van het plangebied nabij de N242 geeft het goede ontsluitingsmogelijkheden voor het autoverkeer. In paragraaf 3.11 wordt nader op de verkeersontsluiting en de parkeersituatie ingegaan. Vanwege de omvang van het plangebied is het niet redelijk om alle parkeervoorzieningen aan de rand van de wijk te realiseren. Gekozen is voor geclusterde voorzieningen die groen worden ingekleed en daarmee landschappelijk worden ingepast.
Verder is het plangebied vanwege de ligging nabij het NS-station uitstekend per fiets te bereiken (binnen 10 minuten). De fietsroute langs de Abe Bonnemaweg is onderdeel van de snelfietsroute tussen Heerhugowaard en Uitgeest en biedt voor de fietser daarom ook uitstekende ontsluitingsmogelijkheden.
Daarnaast is de nabijheid van Beveland ook een positief aspect: er zijn diverse voorzieningen op loop- en/of fietsafstand bereikbaar.
Hiermee is het plan in lijn met het Omgevingsprogramma Mobiliteit 2021.
De gemeente Dijk en Waard en al haar inwoners, bedrijven, instellingen en verenigingen hebben de opgave om uiterlijk in 2050 een CO2-neutraal energiesysteem te hebben.
In dit uitvoeringsprogramma zijn de ambitie en langjarige opgaven vertaald naar een zestal actielijnen waar de gemeente Dijk en Waard de komende jaren op gaat inzetten:
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Met betrekking tot inwoners richt het beleid zich vooral op het besparen van energie dat gebruikt wordt in woningen. In Westpoort worden alle woningen gasloos gerealiseerd en bieden de daken kansen voor zonnepanelen. Met betrekking tot mobiliteit gaat het over het faciliteren van voldoende laadinfrastructuur en het verminderen van autogebruik. Binnen Westpoort worden parkeervoorzieningen gerealiseerd waar relatief gemakkelijk laadinfrastructuur bij kan worden geplaatst. Dit komt aan bod in de uitwerkingsfase. Door de ligging en open invulling van Westpoort met fietspaden wordt fietsgebruik gestimuleerd en gefaciliteerd. Gezien het voorgaande sluit de ontwikkeling van Westpoort aan bij het Uitvoeringsprogramma 2023-2026 Dijk en Waard CO2-neutraal.
Na de fusie van de gemeenten Heerhugowaard en Langedijk heeft Dijk en Waard een integraal beleidsstuk voor de openbare ruimte opgesteld. De basis voor het beleid bestaat uit geldende wet- en regelgeving, gemeentelijke kaders en uitkomsten uit een enquête onder gebruikers van de openbare ruimte. Er zijn thema's opgenomen die uitmonden in de volgende ambities en doelstellingen:
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
Het voorliggende TAM-omgevingsplan biedt een flexibel kader voor de invulling met woningen en voorzieningen. Het uitgangspunt is een ruim opgezette openbare ruimte met veel groen en water. Het gaat voor een TAM-omgevingsplan te ver om in detail vast te leggen hoe de openbare ruimte er exact uit komt te zien. Dit zal aan bod komen in de uitwerkingsfase van de ontwikkeling. Wel is duidelijk dat invulling wordt gegeven aan het overgrote deel van de ambities en doelstellingen. Denk aan een karaktervolle leefomgeving, energie, waterrobuust en klimaatbestendig en een toegankelijke leefomgeving.
Dit beleidsplan klimaatadaptatie Dijk en Waard betreft een harmonisatie en actualisatie van het beleidsprogramma klimaatadaptatie 2021-2026, dat in 2021 door de toenmalige gemeenten Heerhugowaard en Langedijk is vastgesteld.
Dijk en Waard heeft de ambitie vastgelegd om een waterrobuust en klimaatbestendig Dijk en Waard in 2050 te realiseren. Daar horen doelen bij:
Betekenis voor het TAM-omgevingsplan
De stedenbouwkundige opzet voor Westpoort is gericht op veel ruimte voor groen tussen de bebouwing. Dit vermindert de kans op hittestress en vergroot tegelijkertijd de mogelijkheid om water vertraagd af te voeren. Wadi's zullen hieraan bijdragen. Water wordt langer vastgehouden voordat het richting het open water aan de randen van het plangebied. Dit betekent ook dat het gebied beter bestand is tegen (langdurige) droogte. Hier wordt verder op ingegaan in paragraaf 3.7 en 3.8.
De voorgenomen ontwikkeling past binnen de beleidsdoelstellingen van alle overheidsniveaus.
In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze toelichting toegevoegd.
Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is verduidelijkt met de Invoeringswet Omgevingswet. Het gaat hierbij om 'monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.' Het gaat hierbij om uit het verleden geërfde materiële en immateriële bronnen. De Erfgoedwet bevat de wet- en regelgeving voor beheer en behoud van het cultureel erfgoed.
Voor de bescherming van het landschap geldt voor Nederland het Europees landschapsverdrag. Dit verdrag erkent dat landschappen een onderdeel zijn van de fysieke leefomgeving. In artikel 1.2 lid 1 sub g Omgevingswet worden 'landschappen' als onderdeel van de fysieke leefomgeving aangemerkt. Het landschapsbeleid kan door Rijk, provincie of gemeente in een omgevingsvisie zijn vastgelegd. Deels zijn landschapswaarden in instructieregels van het Bkl verankerd. Artikel 5.129 Bkl bevat bijvoorbeeld een instructieregel over het behoud van uitzicht op de vrije horizon van de zee. Een ander voorbeeld is de instructieregel over het cultureel erfgoed over onder andere bescherming van cultuurlandschappen.
Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:
Beschouwing
Met betrekking tot archeologie kan worden gesteld dat er geen bijzondere archeologische waarden aanwezig zijn. Er is geen sprake van een archeologisch monument. In 2009 heeft Grontmij (tegenwoordig Sweco) een bureau- en booronderzoek uitgevoerd naar een gebied dat volledig overlapt met het huidige plangebied. In het rapport wordt geconcludeerd dat de archeologische verwachting kan worden afgeschaald naar laag (op basis van de uitkomsten van het verkennend booronderzoek). Het advies in het rapport luidt dan ook vrijgave. Aangenomen wordt dat dit rapport niet is meegenomen bij het opstellen van de huidige archeologische beleidskaart, omdat op basis daarvan nog steeds waarde wordt toegekend aan voorliggend plangebied. Om een gebiedsdekkend archeologieregime vast te leggen in de omgevingsplannen binnen Dijk en Waard is ervoor gekozen om het actuele archeologiebeleid op te nemen conform het Actualisatieplan Heerhugowaard 2022.
Het plangebied is onbebouwd en vrij van (gebouwde) monumenten. Er is geen sprake van bijzonder (provinciaal) landschap.
Voorliggend aspect vormt daarmee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.
Algemeen
Voor het behoud en de verbetering van de kwaliteit van de woon- en leefomgeving is een juiste afstemming tussen de verschillende voorkomende functies en wonen noodzakelijk. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van een milieuzonering die uitgaat van richtinggevende afstanden tussen hinderlijke functies (in de vorm van gevaar, geluid, geur, stof) en gevoelige functies.
Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet (Milieuzonering Nieuwe Stijl)’, zoals gepubliceerd op 28 juni 2022 door de VNG.
De Omgevingswet zorgt voor een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving. In de Omgevingswet zijn het ruimtelijk spoor en het milieuspoor verder geïntegreerd. In de nieuwe systematiek onder de Omgevingswet wordt gebruikgemaakt van milieuwaarden in plaats van vaste afstanden. Niet met een vaste richtafstand voor iedere activiteit, ongeacht of de activiteit die afstand wel nodig heeft, maar met een concrete waarde per activiteit met daarbij een zo reëel mogelijk ruimtebeslag. Hiermee wordt beoogd discussie over de toewijzing van bedrijven aan milieucategorieën en onnodig grote gebruiksruimte te voorkomen.
Beschouwing
In voorliggend plan worden gevoelige functies gerealiseerd, namelijk woningen. In de nabije omgeving zijn diverse (milieubelastende) bedrijven aanwezig. Daarom moet in de omgeving worden nagegaan of er mogelijk bedrijven of inrichtingen aanwezig zijn die invloed hebben op de ontwikkelingen. Navolgende tabel geeft de bedrijven in de omgeving weer, inclusief richtafstanden voor de verschillende relevante milieuaspecten.
| Nummer | Omschrijving | Grootste afstand rustige woonwijk (m) | Grootste afstand gemengd gebied (m) | Werkelijke afstand (m) |
| 1 | Beverkoog | 300 | 200 | 250 |
| 2 | Planologische mogelijkheid bedrijvigheid of gezondheidszorg | 30 | 10 | 25 |
| 3 | Bouwmarkt | 30 | 10 | 100 |
| 4 | Elektronicawinkel en bedrijvigheid | 30 | 10 | 100 |
| 5 | Planologische mogelijkheid bedrijvigheid | 30 | 10 | 50 |
Tabel: overzicht van milieubelastende functies nabij het plangebied
Zie hieronder de ligging van deze functies. De nummers uit de tabel komen overeen met de nummers op de afbeelding.
Afbeelding: ligging van milieubelastende functies nabij het plangebied (rood omlijnd).
Voordat bepaald kan worden of de beoogde woningen binnen de richtafstanden van bedrijven of inrichtingen in de omgeving zijn gelegen, dient bepaald te worden tot welk gebiedstype het plangebied behoort. In de VNG-publicatie ‘Milieuzonering nieuwe stijl’ zijn nog steeds twee omgevingstyperingen opgenomen voor de omgevingskwaliteit:
Rustige woonwijk en rustig buitengebied:
‘Een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies (zoals bedrijven of kantoren) voor. Langs de randen (in de overgang naar mogelijke bedrijfsfuncties) is weinig verstoring door verkeer. Een vergelijkbaar omgevingstype qua aanvaardbare milieubelasting is een rustig buitengebied (eventueel inclusief verblijfsrecreatie), een stiltegebied of een natuurgebied.’
Gemengd gebied:
‘Een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Hetzelfde geldt voor een gebied dat langs een drukke ontsluitingsweg ligt.'
De omgeving van het plangebied kan, gezien de aanwezigheid van andere functies dan wonen en ontsluitingswegen en een spoor, gekarakteriseerd worden als ‘gemengd gebied’. Hiertoe zijn de in de VNG-publicatie genoemde richtafstanden van toepassing. Niettemin zijn er geen bedrijven en/of inrichtingen in de omgeving die mogelijk voor hinder zullen zorgen daar het plangebied op voldoende grote afstand van deze functies is gelegen.
Er wordt aan alle richtafstanden voldaan. Bedrijven en functies in de omgeving staan ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefklimaat niet in de weg. Tevens leidt de voorgenomen ontwikkeling niet tot beperkingen voor omliggende bedrijven. Bovendien zijn in de bestaande situatie reeds milieugevoelige functies mogelijk (gezondheidszorg) waarmee de omliggende bedrijven rekening moeten houden.
Het voorliggende omgevingsplan maakt tevens aan huis verbonden bedrijven mogelijk. De bedrijven die mogelijk zijn, zijn bedrijven die goed inpasbaar zijn tussen woningen. Dit wordt mede bepaald door het type functie en de omvang van de functie die beperkt is tot een deel van de oppervlakte van de woning.
Conclusie
Het plan is in het kader van bedrijvigheid en milieuzonering uitvoerbaar.
Een milieubelastende activiteit (mba) is een activiteit die nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Hoofdstuk 3 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) wijst de milieubelastende activiteiten aan, waarvoor rijksregels gelden. Dergelijke activiteiten zijn hier niet aan de orde. In de voorliggende paragraaf wordt beoordeeld of er sprake is van mba's die op gemeentelijk niveau kunnen worden geregeld.
Geluid
Artikel 22.3.4 van de Bruidsschat gaat over geluid door een activiteit dat is toegelaten op de gevel van een geluidgevoelig gebouw. In paragraaf 3.3 is reeds beoordeeld dat er geen significante geluidseffecten hoeven te worden verwacht van bedrijfsfuncties die om het te realiseren woongebied aanwezig zijn.
Binnen het te realiseren woongebied worden ook bedrijven aan huis mogelijk gemaakt via een regeling die vaker is toegepast binnen de gemeente en waarmee een aanvaardbaar woon- en leefklimaat geborgd is. Artikel 22.60 van de Bruidsschat geeft aan wanneer akoestisch onderzoek nodig is. Het uitvoeren van een bedrijf aan huis is dermate ondergeschikt dat er geen sprake is van een verplichting van akoestisch onderzoek. Den verder ook aan de hoge isolatiewaarde van hedendaagse woningen. Er zal daarom kunnen worden voldaan aan de geluidwaarden die zijn opgenomen in de tabellen 22.63, lid 1 en 3 van de Bruidsschat.
Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) geeft in paragraaf 5.1.4.2 ook een regeling voor geluid door activiteiten op een geluidgevoelig gebouw. Artikel 5.59 Bkl geeft aan dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen. Dit betekent dat er beoordeeld moet worden wat de geluidsituatie op geluidgevoelige gebouwen wordt gelet op de gezamenlijke geluidproductie van alle activiteiten en dat het aanvaardbaar geluid geborgd moet worden. Artikel 5.65 geeft net als de Bruidsschat geluidwaarden op geluidgevoelige gebouwen. Deze waarden wijken op enkele punten af, maar ook hier kan de conclusie worden getrokken dat bij een ondergeschikte functie als een bedrijf aan huis geen sprake zal zijn van een overschrijding van de geluidswaarden. Er zal sprake zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.
Conclusie
Het plan is op het gebied van milieubelastende activiteiten uitvoerbaar.
Wettelijk kader
De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben.
De wettelijke basis voor de m.e.r. ligt in Europa:
Daarnaast geldt het verdrag van Espoo, inclusief het SEA-protocol, als er grensoverschrijdende milieueffecten kunnen zijn.
De eisen van de bovengenoemde richtlijnen en het verdrag zijn nationaal omgezet in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De Commissie m.e.r. is geregeld in artikel 17.5 van de Omgevingswet en hoofdstuk 12 van het Omgevingsbesluit.
Voor het bepalen of een plan eventueel mer-plichtig is, is artikel 16.36, lid 3 en 4 van de Omgevingswet van toepassing. Er zijn bij de zogenaamde plan-mer-beoordeling twee mogelijke resultaten:
Er zijn twee situaties waarin een plan-mer-beoordeling aan de orde kan komen:
Het plan is kaderstellend voor projecten die milieueffecten kunnen hebben, maar het betreft geen project dat in bijlage 5 bij het Omgevingsbesluit staat. Het plan is derhalve niet direct plan-mer-plichtig. In dit geval dient een plan-mer-beoordeling te worden uitgevoerd.
Het plan is kaderstellend voor projecten uit bijlage 5 Omgevingsbesluit, maar komt niet boven de drempelwaarden van kolom 2 uit bijlage 5 van het Omgevingsbesluit. Een plan-mer-beoordeling is aan orde indien:
Beschouwing
Ten behoeve van de project-mer-beoordeling is een aanmeldnotitie opgesteld. De aanmeldnotitie is bijgevoegd als Bijlage 4. Uit de aanmeldnotitie volgt dat er geen aanzienlijke gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.
De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.
In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.
In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan.
Er bestaat een grote maatschappelijke behoefte aan woningen. Deze woningen worden ingepast in een groene omgeving met veel aandacht voor leefbaarheid en klimaatadaptatie. Zie hiervoor ook de Ruimtelijk Programmatische Verkenning, opgenomen in Bijlage 2. Ten opzichte van de bestaande situatie zal er meer kwalitatief groen binnen het plangebied worden aangebracht.
Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet).
De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het vaststellen van het omgevingsplan die deze toelaten, moet aan twee eisen voldoen:
In het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn in afdeling 5.1 (§ 5.1.4.2a.4 Geluidgevoelige gebouwen in geluidaandachtsgebieden) regels opgenomen voor het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in het geluidsaandachtsgebieden van wegen, spoorwegen en industrieterreinen. Er moet akoestisch onderzoek verricht worden wanneer geluidgevoelige gebouwen geheel of gedeeltelijk binnen een geluidaandachtsgebied komen te liggen. Er wordt daarbij gewerkt met een standaardwaarde en grenswaarde. Voor rijkswegen en provinciale wegen, gemeente- en waterschapswegen, hoofd- en lokale spoorwegen en industrieterreinen gelden ieder eigen standaard- en grenswaarden volgens het Bkl.
De standaardwaarden hebben als doel geluidhinder te voorkomen en te beperken tot aanvaardbare geluidniveaus. Maar ook voor het aspect geluid geldt dat wordt gekeken naar een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. De aanvaardbaarheid van zowel geluidbelasting als geluidhinder is afhankelijk van de planologische context; in een woonwijk worden andere geluidniveaus aangetroffen en verwacht dan in een bruisend stadscentrum. Er dient een afweging te worden gemaakt waarom bepaalde geluidsniveaus aanvaardbaar zijn. Een overschrijding van de standaardwaarden kan daarmee door het bevoegd gezag acceptabel worden geacht en hoeft geen obstakel te zijn. Wel geldt dat in het Bkl grenswaarden zijn opgenomen waarboven er doorgaans geen aanvaardbaar geluidniveau kan bestaan. Bij een geluidbelasting boven deze grenswaarde is de ontwikkeling niet zonder meer mogelijk. Een meer uitgebreide beschrijving is opgenomen in het bijgevoegde akoestisch onderzoek dat is opgenomen als Bijlage 5.
Beoordeling
Ten behoeve van voorliggende ontwikkeling is een akoestisch onderzoek (Bijlage 5) uitgevoerd naar geluid afkomstig van de omliggende wegen en de aan de noordzijde grenzende spoorweg. Het plangebied is niet gelegen binnen de geluidszone van een gezoneerd industrieterrein. Onderzoek daar naar is niet nodig. Het onderzoek is bedoeld om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een woongebied binnen de voorliggende planlocatie. Duidelijk is dat het een geluidbelaste locatie is door de aanwezigheid van de N242, gemeentelijke wegen en de spoorweg. Met het onderzoek kan worden afgewogen of een woningbouwontwikkeling voor maximaal 500 woningen aanvaardbaar en uitvoerbaar is.
N242
Omdat voor de N242 nog geen geluidsproductieplafond (GPP) is vastgesteld moet op grond van artikel 3.25 van de Aanvullingswet geluid Omgevingswet het onderzoek naar de geluidsbelasting van deze weg worden uitgevoerd op grond van de Wet geluidhinder. Dat is in het onderzoek ook gedaan.
De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48 dB. Onder deze waarde is er geen vervolg benodigd. Boven deze waarde is er een hogere waardenbesluit benodigd. De maximale waarde waarvoor een hogere waarde kan worden verleend bedraagt 63 dB (maximale ontheffingswaarde). Boven deze waarde dienen dove gevels te worden toegepast.
Bij overschrijding van de voorkeursgrenswaarde dienen in eerste instantie mogelijke (aanvullende) geluidsreducerende maatregelen te worden onderzocht. In de wet wordt een voorkeur uitgesproken voor de volgorde waarin de haalbaarheid van de diverse categorieën maatregelen onderzocht moet worden. Deze volgorde is:
Het geluid veroorzaakt door de provinciale weg N242 bedraagt ten hoogste 63 dB excl aftrek conform artikel 110g Wgh op de grens van het plangebied. Dat bedraagt 61 dB inclusief aftrek. Hiermee wordt niet voldaan aan de maximaal toelaatbare waarde van 48 dB uit de Wgh. De maximaal te ontheffen waarde van 63 dB wordt daarmee niet overschreden.
Maatregelen
In de rapportage worden bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen overwogen. De maatregelen stuiten echter op bezwaren van landschappelijke en financiële aard. Een geluidsscherm zal een aanzienlijke hoogte moeten hebben om voldoende effect te hebben. Omdat de maximale ontheffingswaarde niet wordt overschreden zijn hogere waarden mogelijk en dient een besluit hogere waarden te worden genomen door het bevoegd gezag.
Gemeentewegen
Het geluid veroorzaakt door de gemeentewegen bedraagt ten hoogste 62 dB op 8 en 11 meter hoogte op de grens van het plangebied. Hiermee wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB volgens het Bkl. Wel blijven de berekende waardes onder de grenswaarde van 70 dB.
Maatregelen
Het geluid veroorzaakt door de gemeentewegen op het plangebied overschrijdt de standaardwaarde voor het geluid opgesteld in het Bkl. Daarom moet ook voor deze wegen gekeken worden naar geluidreducerende maatregelen.
Als bronmaatregel kan er gekeken worden naar het aanleggen van een geluidreducerend wegdektype op de Westtangent tussen aansluiting van de N242 en de kruising met de Reuzenpandasingel (ongeveer 375 meter lengte). Een geluidreducerend wegdektype kan naar verwachting 1 tot 3 dB reductie opleveren. Op dit moment is asfaltvervanging nog niet aan de orde. In de toekomst kan hierin een afweging worden gemaakt. Ook kan een snelheidsverlaging worden overwogen: dit kan meerdere dB reductie opleveren. De vermindering van geluid kan aanzienlijk zijn hierdoor. Verlaging van de snelheid is op dit moment niet aan de orde en bovendien is het snelheidsregime reeds 50 km/u.
Als overdachtsmaatregel zou afscherming geplaatst kunnen worden tussen de wegen en het plangebied. Het plaatsen van afscherming direct naast de weg geeft de meest optimale werking, net als is uitgevoerd aan de zuidkant van de Westtangent.
Spoor
Het geluid veroorzaakt door het spoor bedraagt ten hoogste 67 dB op de grens van het plangebied op een hoogte van 8, 11 en 29 meter. Hiermee wordt niet voldaan aan de standaardwaarde van 55 dB uit het Bkl. Ook wordt de grenswaarde van 65 dB overschreden op het uiterste westelijke deel van het plangebied. Indien op die plek woningen worden gebouwd, zullen deze moeten worden voorzien van niet-geluidgevoelige gevels met bouwkundige maatregelen (dove gevels). Echter blijft het geluid op de geplande woningen zoals opgenomen in het stedenbouwkundig plan wel onder de toegestane grenswaarde. Een groot gedeelte van de plek waar de grenswaarde wordt overschreden is water voorzien.
Maatregelen
Een bronmaatregel toepassen aan het spoortraject gaat niet haalbaar zijn. De gemeente is in overleg geweest met ProRail. Hieruit is gebleken dat de kosten voor raildempers te hoog waren. Er zullen op dit traject geen raildempers aangelegd worden.
Als overdrachtsmaatregel kan er onderzocht worden of het mogelijk is een geluidscherm dicht langs het spoor te plaatsen. De gemeente dient dit af te stemmen met Prorail (=beheerder spoortraject). Het plaatsen van een scherm kan geluidreductie opleveren. Het plaatsen van geluidschermen langs het spoor binnen de bebouwde kom van Heerhugowaard past niet binnen de stedenbouwkundige visie van de Gemeente. Het plaatsen van schermen stuit daarmee op bezwaren van stedenbouwkundige aard.
Indirect effect
De realisatie van de voorliggende wijk heeft tot gevolg dat het hoeveelheid verkeer afkomstig van en naar het plangebied toeneemt. Dit kan een effect hebben op het geluidsniveau op bestaande woningen rond het plangebied. Dit worden 'indirecte akoestische effecten' genoemd. Vanuit het Bkl wordt aangegeven dat een omgevingsplan met toename van de verkeersintensiteit er voor zorgt dat deze toename niet meer dan 1,5 dB extra geluid oplevert op geluidgevoelige gebouwen.
In het onderzoek is bepaald dat deze toename onder de 1,5 dB blijft. De woningen langs de Abe Bonnemaweg ervaren de meeste invloed van verkeer, maar de toename aan verkeer bedraagt ongeveer 33%. Een toename van 40% aan verkeer is een indicatie van een toename van meer dan 1,5 dB. Voor woonpercelen langs de Westtangent is de toename aan verkeer nog relatiever waardoor ook daar de toename onder de 1,5 dB blijft. De verwachtte toename ten gevolge van het plan Westpoort blijven binnen de gestelde grenzen voor indirecte hinder zoals vastgelegd in het Bkl, verder onderzoek is niet noodzakelijk.
Gecumuleerd geluid
Omdat de standaardwaarde wordt overschreden is op basis van 5.78ac Bkl inzichtelijk gemaakt wat het maximale gecumuleerde geluidsniveau is binnen het plangebied. Het gecumuleerd geluid op de gevel is het geluid van verschillende geluidbronnen tezamen op die gevel. Het gecumuleerde geluid bedraagt aan de randen van het plangebied maximaal 65 dB.
Gezamenlijk geluid
Het gezamenlijk geluid op de gevel is het geluid van de verschillende geluidbronnen tezamen op die gevel. Het geluid van de betrokken geluidbronnen wordt ongewogen bij elkaar opgeteld, zonder correcties voor verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijk geluid op de gevel is nodig om de benodigde geluidwering van die gevel te bepalen. Dat gebeurt om de binnenwaarde van het geluidgevoelig gebouw te borgen. Het gezamenlijk geluid op de gevel geeft geen inzicht in de geluidskwaliteit bij die gevel. Het houdt immers geen rekening met de verschillen in hinderlijkheid van het geluid van de verschillende geluidbronnen. Het gezamenlijke geluid bedraagt aan de randen van het plangebied maximaal 70 dB.
Overweging
Het bevoegd gezag kan meer geluid dan de standaardwaarde op een geluidgevoelig gebouw als aanvaardbaar beoordelen. Meer geluid kan nodig zijn vanwege andere belangen dan gezondheid, zoals mobiliteit, werkgelegenheid of woningbehoefte. Uit de belangenafweging over beschermen en benutten van de leefomgeving blijkt hoeveel geluid aanvaardbaar is. De waarden en eisen in het Bkl sturen deze belangenafweging van het bevoegd gezag.
Gebleken is dat er niet kan worden voldaan aan de standaardwaarden als gevolg van de gemeentelijke wegen (maximaal 62 dB) en het spoor (maximaal 67 dB). De N242 is getoetst aan de Wet geluidhinder en ook daar is gebleken dat er niet kan worden voldaan aan de voorkeursgrenswaarde (maximaal 63 dB). Aan de randen van het plangebied vinden overschrijdingen van de maximaal toelaatbare waarden plaats als gevolg van het spoor. Het plangebied biedt voldoende ruimte/mogelijkheden om op die plek geen woningen te hoeven realiseren. Maatregelen zijn overwogen. Voor de Westtangent zijn bronmaatregelen en overdrachtsmaatregelen denkbaar en zullen in de toekomst worden overwogen.
Andere mogelijkheden om de geluidbelasting terug te brengen bestaan uit het treffen van gebouwgebonden maatregelen, bijvoorbeeld in de vorm van aanpassingen aan de buitenruimte (gesloten borstwering, geluidabsorberend plafond) of aan de te openen ramen.
Gezien het stadium van de planvorming is gekozen voor een flexibel TAM-omgevingsplan. Het uitgevoerde akoestisch onderzoek heeft aangetoond dat er overschrijdingen van de standaardwaarden/voorkeursgrenswaarde plaatsvinden. De gecumuleerde waarde bedraagt maximaal 65 dB. Dit vindt plaats aan de randen van het plangebied. Op de meeste plekken waar de woningbouw gerealiseerd zal worden is de gecumuleerde waarde lager. Bovendien is uit de visualisaties in de rapportage op te maken dat ook in de wijken in de buurt dergelijke geluidsniveaus aanwezig zijn. Afgewogen wordt dat deze waarden binnen het voorliggende plangebied acceptabel zijn. Er bestaat immers een grote woningbehoefte waar voorliggend plan in voorziet. Er wordt gebouwd voor diverse doelgroepen. De ruime en groene opzet van het plan zorgt ervoor dat er een kwalitatief goede openbare ruimte wordt gerealiseerd. De ligging nabij de N242 en het stationsgebied van Heerhugowaard maken het plan vanuit het oogpunt van mobiliteit ook sterk. Wanneer deze aspecten worden betrokken bij de afweging over het accepteren van het geluidsklimaat, wordt geconcludeerd dat er een aanvaardbaar woon- en leefklimaat zal ontstaan en dat daarom het geluidsklimaat - ook vanuit het aspect gezondheid - acceptabel is.
In de regels is in artikel 5.4 geborgd dat wanneer een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit van de woningen wordt aangevraagd opnieuw een akoestisch onderzoek wordt uitgevoerd, maar dan op gebouwniveau. Er zal moeten worden aangetoond dat wordt voldaan aan de in het akoestisch onderzoek geconstateerde maximale waarden - inclusief hogere waarden - en dat middels maatregelen zal worden voldaan aan het minimaal vereiste binnenklimaat vanuit het Bbl. Gezien de situering van de woningen en woonblokken en de voorgenomen gesloten bouwblokken, is de verwachting dat de woningen een geluidluwe zijde zullen hebben.
Het aspect geluid vormt hiermee geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.
De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:
De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.
Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor kan gebruik gemaakt worden van de richtafstanden uit de VNG-publicatie ‘Milieuzonering Nieuwe Stijl’.
Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geurgevoelige objecten.
De beoogde woningen binnen het plangebied dienen aangemerkt te worden als geurgevoelige objecten in het kader van de beoordeling van omliggende agrarische inrichtingen.
Binnen het plangebied zijn reeds geurgevoelige objecten mogelijk op basis van de bestaande maatschappelijke bestemming. Bovendien is het plangebied niet gelegen binnen het invloedsgebied van geurveroorzakende bedrijven.
Trillingen kunnen nadelige gevolgen hebben voor de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ze kunnen effect hebben op het welzijn of schade aan gebouwen veroorzaken. Paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat gaat over trillingen. In artikel 22.88 Bruidsschat zijn waarden voor continue trillingen opgenomen. Bijgevoegd is een rapportage dat is uitgevoerd naar de invloed van trillingen afkomstig van het spoortraject dat aanwezig is aan de noordzijde van het plangebied (Bijlage 6).
Onderdeel van het onderzoek zijn fysieke metingen in de bodem op 4 verschillende punten. De trillingsmeters hebben gedurende een week metingen verricht. Eén van de meters is geplaatst aan de noordzijde, op een afstand van circa 25 meter van het spoor. Hier zou mogelijk sprake zijn van een kinderdagverblijf en/of onderwijsfunctie. Dit is echter geen onderdeel van voorliggend TAM-omgevingsplan en daarom worden de resultaten hiervan verder buiten beschouwing gelaten.
Uit de overige trillingsmetingen komt het volgende naar voren. De trillingsprognoses op basis van de gedane trillingsmetingen laten zien dat voor de grondgebonden woningen op tenminste 60 meter afstand tot het spoor voldaan wordt aan de streefwaarden uit de SBR-B, in het geval deze worden uitgevoerd in klassieke betonbouw met een paalfundering. De appartementengebouwen in het bouwplan zijn geprojecteerd op een afstand van meer dan 190 meter tot het spoor en zijn daarbij niet kritisch qua trillingen. Hier wordt dus ook geen trillingshinder verwacht.
Op basis van het gedane trillingsonderzoek wordt geconcludeerd dat het mogelijk is om bij de in het stedenbouwkundig schetsplan getoonde woonvormen en bebouwingsafstanden te voldoen aan de SBR-B en qua trillingen een goed woon- en leefklimaat te bereiken.
Overige trillingshinder is niet te verwachten omdat er geen milieubelastende activiteiten plaatsvinden die invloed kunnen hebben op de te realiseren woningen.
In het gemeentelijke omgevingsplan is lichthinder een aspect dat meeweegt vanuit een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit. Een gemeente kan zelf bepalen of ze regels ter voorkoming van lichthinder wil stellen in het omgevingsplan. Alleen voor kunstlicht in de tuinbouw bij kassen gelden rijksregels uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
Bij het opstellen van het omgevingsplan vindt een afweging plaats of er regels nodig zijn om lichthinder en verstoring van de natuur te voorkomen. Voor lichthinder bij sportvelden bevat de Bruidsschat specifieke regels.
Er is bij de voorliggende ontwikkeling geen sprake van de invloed van kunstlicht afkomstig uit tuinbouwkassen. Ook is er geen sprake van de realisatie of invloed van sportvelden. Binnen de openbare ruimte in Westpoort wordt openbare verlichting toegepast. Gezien de ruime opzet van het plan wordt geen lichthinder op woningen verwacht. Er hoeven geen (extra) regels in voorliggend TAM-omgevingsplan te worden opgenomen.
Wettelijk kader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen.
De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren:
In artikel 5.54 Bkl is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in artikel 5.54 Bkl kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden.
Beschouwing
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van maximaal 500 woningen. Deze ontwikkeling past binnen de lijst met categorieën van gevallen die vallen onder NIBM zoals opgenomen in artikel 5.54 Bkl. De voorgenomen ontwikkeling draagt om deze reden niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarbij mag in acht worden genomen dat er planologisch reeds een gezondheidszorgfunctie is toegestaan met een maximale oppervlakte van 200.000 m2 BVO. Aan het bestemmingsplan dat die functie mogelijk maakt, lag een luchtkwaliteitsonderzoek1 ten grondslag. In dat onderzoek waren zowel voor de toenmalige huidige situatie, de autonome ontwikkeling als voor de plansituatie berekeningen uitgevoerd voor de toetsjaren 2012, 2015, 2020 en 2022. Voor deze toetsjaren bleek dat de grenswaarden voor de concentraties NO2 en PM10 niet werden overschreden. Nu de woonontwikkeling die met voorliggend plan wordt mogelijk gemaakt minder verkeer genereert dan het oorspronkelijke plan, kan worden geconcludeerd dat er geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig is.
Tevens is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) geraadpleegd om de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied vast te stellen. Hieruit blijkt dat ten aanzien van NO2, PM10, PM2,5 en EC geen grenswaarden worden overschreden in de omgeving van het plangebied. Derhalve kan gesteld worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plekke van het plangebied. Het aspect ‘luchtkwaliteit’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Wettelijk kader
Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in de paragraaf Bodemkwaliteit (paragraaf 5.1.4.5) van het Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.
De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang:
De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage Vb van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde. De beoordeling van de mogelijke aanwezigheid van onaanvaardbare risico's voor de gezondheid voor bodemgevoelige gebouwen kan met de risicotoolbox bodem met de module Beoordelen van de bodemkwaliteit voor een bodemgevoelig gebouw.
Beschouwing
Er is een verkennend bodemonderzoek (Bijlage 7) uitgevoerd. De locatie is opgesplitst in een vijf deellocaties namelijk:
Uit het verkennend bodemonderzoek komen de volgende verontreinigingen aan het licht:
Vervolgens is nader bodemonderzoek (Bijlage 8) uitgevoerd. De verontreinigingssituatie ter plaatse van de planlocatie is daarmee vastgesteld. De sterke nikkel- en matige minerale olie verontreiniging die tijdens het verkennend onderzoek is aangetoond in de slootdemping bij sleuf SL12, is niet bevestigd. Direct naast sleuf SL12 is een nieuwe sleuf SL12A gegraven. In deze nieuwe sleuf is alleen een lichte verhoging aan nikkel aangetoond. In drie verderop gegraven sleuven in de slootdemping is hooguit een lichte verhoging aan minerale olie gemeten. In de demping zijn matige bijmengingen aan plastic, puin en beton aangetroffen.
De omvang van de matige tot sterke verontreiniging is zeer gering gebleken, vermoedelijk één tot enkele kuubs. Het betreft geen geval van ernstige bodemverontreiniging. Er zijn geen risico’s voor de mens, het milieu en/of verspreiding. De onderzoeksresultaten vormen volgens het onderzoek geen aanleiding tot het nemen van sanerende maatregelen bij een bestemmingswijziging.
De olieverontreiniging ter plaatse van peilbuis 6 is aanvullend onderzocht. Na herbemonstering is de verhoogde olieconcentratie niet meer aangetoond. Ook bij de boringen is geen olie waargenomen. Aangezien er tevens geen bron voor een olieverontreiniging bekend is, wordt er geconcludeerd dat er geen sprake is van een verontreiniging.
Er is ook een actualisatie van het bodemonderzoek voor de voormalige stortplaats uitgevoerd (Bijlage 9).
Uit de onderzoeken komt naar voren dat er verontreinigingen aanwezig zijn die gesaneerd moeten worden. In de grondexploitatie die ten grondslag ligt aan voorliggende ontwikkeling is rekening gehouden met sanering van de gronden ten behoeve van de geplande woonontwikkeling. De sanering zal worden uitgevoerd voorafgaand of tijdens de bouwwerkzaamheden.
Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt in voldoende mate hoe de verontreinigingssituatie is en er is rekening gehouden met de kosten die gemoeid zijn met de sanering. Voor het TAM-omgevingsplan is hiermee in voldoende mate duidelijk dat er geen belemmeringen zijn in de uitvoerbaarheid.
Wettelijk kader
Het wettelijk kader is gericht op het verkrijgen van inzicht in de gevolgen voor de waterhuishouding die samenhangen met de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt. Het wettelijk kader is afhankelijk van zowel gemeentelijk beleid als het beleid van het waterschap.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Beschouwing
Op het beleid van de verschillende bestuurslagen is reeds ingegaan in Hoofdstuk 2. Voor de ontwikkeling van Westpoort is een onderzoeksrapportage 'Weging van het waterbelang' (verder: watertoets) opgesteld, welke is bijgevoegd als Bijlage 14.
Uit de rapportage komt het volgende naar voren.
Watercompensatie
HHNK heeft aangegeven dat er een watercompensatie van 13% voor de toename in verhard oppervlak geldt voor deze ontwikkeling. Voor het stedenbouwkundig plan is dit 8.945 m2. De toename in oppervlaktewater voldoet in deze opgave. De berging in wadi’s zorgt voor een vertraagde afvoer naar het oppervlaktewatersysteem.
Waterkwaliteit
Het Hoogheemraadschap vereist dat nieuwe ontwikkelingen de waterkwaliteit niet negatief mogen beïnvloeden. De voorkeur gaat uit naar een situatie waarbij afstromend hemelwater voorgezuiverd wordt via bermen, wadi’s en dergelijke voorzieningen.
Door neerslag in de wadi’s op te vangen en te laten infiltreren wordt het afstromende water gefilterd. Het overschot van hemelwater zal naar oppervlaktewater afstromen maar dit kan als ‘schoon’ worden beschouwd. Dit zal moeten worden uitgewerkt in een afwaterings- / rioleringsplan.
Onderhoud aan watergangen
Na ontwikkeling van het plangebied dient HHNK het onderhoud aan watergangen over te nemen. Voor onderhoud aan oppervlaktewater met maaiboot heeft het HHNK eisen in de waterschapsverordening gezet. Hiervoor moeten de watergangen ten minste 6 meter breed te zijn en minimaal 1 meter diep. Bij T-splitsingen of haakse hoeken in de watergang dient de waterlijn 10 m breed te zijn in verband met de draaicirkel. Kunstwerken dienen tenminste 90 cm bij laagste peil en 110 cm bij hoogste peil doorvaartdiepte te hebben en een doorvaartbreedte van 250 cm. De maaiboot-te-waterlaatplaats moet voor een transportvoertuig bereikbaar zijn, er minimaal 2 per doorvaarbaar tracé of minimaal 1 per tracé met een keerplaats met een waterbreedte van 10 m op de waterlijn te hebben.
Het voorliggende TAM-omgevingsplan biedt de mogelijkheid voor de genoemde eisen / maatregelen. Bij de verdere uitwerking van het plan zal hiermee rekening moeten worden gehouden.
Riolering
In het plangebied worden maximaal 500 woningen gebouwd. Op basis van een vuilwaterproductie van 12 liter per persoon per uur, en 2,5 inwoners per woning, wordt een gemiddelde vuilwaterproductie van 15 m3/h verwacht. In het plangebied dient de vuilwaterriolering hierin te voorzien.
Aan de noordoostzijde van het plangebied bevindt zich hoofdrioolgemaal HRG Beveland. Het is een mooie kans om het vuilwater uit het plangebied hierheen te leiden. Er dient gecontroleerd te worden of dit gemaal een toename in belasting van 15 m3/h aankan.
Afwateringsplan en klimaattoets
Om bij de verdere uitwerking van dit plan de waterkwaliteitseisen van het hoogheemraadschap te borgen, en ervoor te zorgen dat het plangebied voldoet aan de eisen uit het Beleidsplan Klimaatadaptatie van gemeente Dijk en Waard wordt aanbevolen om zowel een afwateringsplan op te stellen als een klimaattoets.
In het afwateringsplan moet een hydrologisch bouwrijpmaak advies worden opgenomen om op basis van de grondwaterstand het maaiveld en de weg- en vloerpeilen voor te schrijven. Op basis van deze informatie kunnen de beoogde wadi’s worden getoetst op bergingsinhoud en ledigingstijd. Het afwateringsplan dient ook vast te leggen hoe hemelwater afstroomt van verhard oppervlak om de beoogde werking van de wadi’s te garanderen.
De klimaattoets toetst het ontwerp op de klimaateisen uit het Beleidsplan Klimaatadaptatie van gemeente Dijk en Waard. Hieruit kunnen maatregelen komen om het ontwerp te verbeteren. Bijvoorbeeld aanvullende waterberging (al dan niet op eigen terrein) of het aanplanten van meer bomen.
Conclusie
Uit de watertoets blijkt dat het TAM-omgevingsplan voldoende ruimte biedt aan water en de eisen die worden gesteld vanuit het HHNK. De borging dient nader te worden vastgelegd in een afwateringsplan en een klimaattoets.
Met het veranderende klimaat wordt het steeds belangrijker om ruimtelijke ontwikkelingen klimaatadaptief te realiseren. Het Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie werkt aan een klimaatbestendig en waterrobuust Nederland vanuit zeven ambities, en doet dat in een cyclisch proces. Dat betekent dat de resultaten en plannen vanuit de ambities eens in de zoveel tijd worden geëvalueerd. Hoofdpunten zijn:
In paragraaf 2.6.7 is reeds ingegaan op het Beleidsplan Klimaatadaptatie Dijk en Waard.
Beschouwing
In de watertoets die hiervoor is beschreven wordt ingegaan op de klimaatadaptiviteit van het ontwerp dat ten grondslag ligt aan het TAM-omgevingsplan. Het plan realiseert voldoende water en ook worden wadi's toegepast waarmee hemelwater vertraagd kan worden afgevoerd. Aanbevolen wordt om een nadere klimaattoets uit te voeren. Maatregelen kunnen zijn het toevoegen van extra waterberging of het aanplanten van meer bomen. Het voorliggende TAM-omgevingsplan biedt de mogelijkheid voor maatregelen en daarmee kan het uiteindelijke DO voldoende klimaatadaptief worden uitgevoerd. Uiteindelijk is het ook de bedoeling om veel bomen en groen aan te planten bovenop de realisatie van water en waterbergende voorzieningen.
Wettelijk kader
De Wet natuurbescherming is opgegaan in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl diverse regels opgenomen. Het huidige normenkader, de instrumenten en de bevoegdheidsverdeling blijft grotendeels ongewijzigd. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).
Gebiedsbescherming
De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:
In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten. Dit is door middel van het aanvullingsspoor Natuur gebeurd.
Soortenbescherming
Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.
Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of: er soorten aanwezig zijn; en welke soorten dat zijn.
Beschouwing
Om de bepalen wat de effecten van woningbouw zijn op de natuurwaarden is een ecologische quickscan uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 15. Het onderzoek is uitgevoerd voordat de Omgevingswet in werking trad en spreekt daarom nog over de Wet natuurbescherming. Hierna worden de resultaten van het onderzoek beschreven.
Soortenbescherming
Door het plan kunnen verschillende negatieve effecten optreden in het plangebied. Deze mogelijke effecten zijn onder te verdelen in tijdelijke effecten tijdens de aanleg en effecten als gevolg van de aanwezigheid van de nieuwe situatie.
Vogels
Vogelnesten kunnen worden vernield bij ecologisch gevoelige werkzaamheden zoals het rooien van struiken, diverse graafwerkzaamheden of het verwijderen van de vegetatie-toplaag. Activiteiten waarbij nesten kunnen worden verstoord dienen buiten het broedseizoen plaats te vinden. Wanneer in het broedseizoen gewerkt gaat worden het plangebied ongeschikt te maken als er nog geen nesten aanwezig zijn.
Grondgebonden zoogdieren
Als oude holen van Konijn, Mol of andere zoogdieren in de oevers en oevertaluds van het plangebied worden vergraven kunnen vaste verblijfplaatsen van Kleine marterachtigen zoals Wezel en Hermelijn worden vernield. Het is dan noodzakelijk om vervolgonderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deze soorten. Naar aanleiding hiervan is een vervolgonderzoek naar marterachtigen uitgevoerd, waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 16.
Uit dit onderzoek volgt het volgende. Het plangebied wordt gebruikt door marterachtigen. Het betreft een Hermelijn of een Wezel. Aangezien deze één of twee keer door één sporenbuis is gelopen en er verder geen sporen in de buizen zijn waargenomen of beelden zijn vastgelegd op de camera’s, wordt geconcludeerd dat de Hermelijn/Wezel niet in het plangebied verblijft, maar het plangebied wel incidenteel gebruikt. Mogelijk is het dier een keer over gezwommen van de overkant en door de sporenbuis gelopen. Aan de overkant van het water staat wat bosschage en is er veel ruigte aanwezig met diverse soorten grassen en kruiden. Er wordt op grond van het geringe aantal waarnemingen ook niet uitgegaan van essentieel leefgebied. Er is daarom geen ontheffing voor een flora- en fauna-activiteit op grond van de Omgevingswet nodig. Wel geldt de zorgplicht en dient dekking biedende vegetatie voorafgaand aan de ingreep kort te worden gemaaid en minimaal een nacht te blijven liggen voordat werkzaamheden starten.
Vleermuizen
Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk tijdelijk uitwijken. Na realisatie van de plannen zal vanwege de ontwikkelde begroeiing en gerealiseerde bebouwing de beschutting toenemen en zal het terrein geschikt worden voor foeragerende vleermuizen.
Het plangebied kan gebruikt worden als (klein) onderdeel van een vliegroute door vleermuizen. Vooral tijdens de aanlegfase zijn veranderingen aan de orde. De aard van het plangebied zal echter niet dusdanig veranderen dat belangrijke gevolgen worden verwacht. Er zijn diverse beschutte landschapslijnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig die in dezelfde richting lopen en als (alternatieve) vliegroute kunnen worden gebruikt.
Overige soorten
Op overige beschermde diersoorten wordt geen effect verwacht.
Gebiedsbescherming
Hierna wordt aangegeven welke gebiedsbeschermende wetgeving van toepassing is op het plangebied.
Natura 2000
Het plangebied ligt op meer dan 7,5 kilometer afstand van het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied, de Schoorlse Duinen en het Noordhollands Duinreservaat. Gezien de grote afstand, afscherming (groengebied/stedelijk) en de aard van de uit te voeren werkzaamheden, worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen zoals licht, geluid of optische verstoring. Er hoeft hiernaar geen nadere toetsing uitgevoerd te worden.
Om te beoordelen of er sprake is van een toename aan stikstofdepositie op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden is een onderzoek uitgevoerd waarvan de rapportage is bijgevoegd als Bijlage 17. Deze rapportage is geactualiseerd ten opzichte van het rapport dat bij het ontwerp van het TAM-omgevingsplan was gevoegd. De meest actuele AERIUS-calculator is toegepast en er is rekening gehouden met de uitspraak van de Raad van State van 18 december 20242. Het onderzoek bestaat uit een berekening van de uitstoot als gevolg van de aanleg van de bebouwing in het gebied inclusief bouwrijp maken en grondverzet. Ook is een berekening gemaakt van de gebruiksfase van de functies die mogelijk worden gemaakt. Uit deze berekeningen volgt dat de maximale projectbijdrage 0,00 mol/ha/jaar bedraagt op de meest dichtbijgelegen stikstofgevoelige habitattypen. Uitvoering van de plannen leidt niet tot een verslechtering van de natuurlijke habitats en leefgebieden van soorten binnen nabijgelegen Natura 2000-gebieden.
NNN-gebied
Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het NNN, inclusief de zogenaamde verbindingszones die verschillende NNN-gebieden kunnen verbinden. NNN-gebieden kennen geen 'externe werking' en daarom kunnen geen negatieve effecten door de plannen op het NNN-gebied optreden.
BPL
Het Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL) is het regime voor bescherming in Noord-Holland voor gebieden die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. De voormalige beschermingsregimes Bufferzones, Aardkundig Monument en Weidevogelleefgebied zijn geborgd in de kernkwaliteiten. Zoals uit de toets aan de Omgevingsverordening NH2022 al bleek is het plangebied geen onderdeel van BPL.
Conclusie
Met inachtneming van de zorgplicht is het plan in het kader van soortenbescherming uitvoerbaar. Voor vleermuizen wordt het plangebied geschikter als foerageergebied. Het plan heeft geen negatieve effecten op beschermde gebieden.
Wettelijk kader
De hoofdlijnen van het wettelijk kader omtrent de externe veiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De gemeente stelt in het omgevingsplan regels voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Een evenwichtige toedeling houdt ook in dat ze voldoende rekening houdt met het belang van een veilige leefomgeving. Het gaat daarbij om:
Gemeenten moeten in het omgevingsplan voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties rekening houden met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico. Anderzijds gelden er aandachtsgebieden voor bepaalde activiteiten met gevaarlijke stoffen.
Binnen een aandachtsgebied moet de gemeente rekening houden met het groepsrisico. Ook gaat het om het afwegen van beschermende maatregelen voor mensen die in dat gebied wonen, werken of recreëren. De aandachtsgebieden gelden zodra de activiteit wordt verricht. Het werken met aandachtsgebieden is een andere manier van omgaan met het groepsrisico. De regels hiervoor staan in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De regels over extra bouweisen bij nieuwbouw in een (brand- of explosie)voorschriftengebied staan in het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl).
Beschouwing
Aan de hand van de gegevens op de Risicokaart is nagegaan welke risicovolle activiteiten en bronnen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Er zijn geen locaties aanwezig waar gevaarlijke stoffen zijn opgeslagen. Ook zijn er geen buisleidingen aanwezig waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd. Het plangebied bevindt zich naast het spoor. Er is géén sprake van structureel transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn en daarom is deze niet verder beoordeeld. De bebouwing binnen het plangebied is daarnaast gesitueerd binnen 200 meter van de N242. Over deze weg vindt vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Tot 31 december 2023 was inzicht in de externe veiligheidsrisico’s daarom nodig.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet per 1 januari 2024 is de berekening van het groepsrisico niet langer noodzakelijk, maar is voornamelijk het maatschappelijke doel “beschermen van de fysieke leefomgeving” van belang. De onder de voormalige wetgeving gehanteerde groepsrisicografiek (fN-curve) is vervangen door aandachtsgebieden. Een aandachtsgebied is het gebied waarbinnen aanwezigen mogelijk kunnen overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen.
Aandachtsgebieden voor transport gelden uitsluitend voor routes behorend tot het Basisnet. De N242 is geen basisnetroute zodat daarvoor geen aandachtsgebied geldt. Om toch inzicht te krijgen in de risico's is onderzoek uitgevoerd conform de oude wetgeving. De rapportage is bijgevoegd als Bijlage 13.
Plaatsgebonden risico
Met toepassing van de vuistregels zoals opgenomen in bijlage 1.2.3.1 van de Hart volgt dt er geen sprake is van een plaatsgebonden risicocontour (PR 10-6). Het plaatsgevonden risico vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Groepsrisico
Het groepsrisico is groter dan 10% van de oriëntatiewaarde maar neemt door de voorgenomen ontwikkeling niet toe. Er is geen sprake van een overschrijding van de oriëntatiewaarde.
Conclusie
In het kader van externe veiligheid kan worden geconcludeerd dat dit onderdeel niet van toepassing is en daarmee is het plan uitvoerbaar.
Algemeen
Wanneer een ruimtelijke ontwikkeling wordt mogelijk gemaakt dient er inzicht te worden gegeven in de gevolgen van de ontwikkeling op het gebied van bereikbaarheid, verkeersafwikkeling en parkeren.
Beschouwing
Om inzicht te geven in de verkeerssituatie en de parkeervraag als gevolg van de ontwikkeling is er een onderzoek uitgevoerd, deze is toegevoegd in Bijlage 12.
Verkeer
Het bijgevoegde onderzoek is gebaseerd op eerder uitgevoerde verkeersstudies van Goudappel: 'Woningbouw De Scheg en Westpoort' (Goudappel, d.d. 08-09-2021, Bijlage 10) en 'Ontsluiting Westpoort' (Goudappel, d.d. 05-02-2024, Bijlage 11). In de laatste studies van Goudappel is uitgegaan van 420 woningen. Daarom is in het bijgevoegde onderzoek het berekende aantal verkeersbewegingen door Goudappel verhoogd, uitgaande van 500 woningen. Voor de spreiding van het verkeer is een aanname gedaan in de spreiding. Het meeste verkeer rijdt via de Abe Bonnemaweg en de Westtangent naar de westelijke aansluiting met de N242. In de directe omgeving zijn daarom twee kruisingen relevant.
Kruising plangebied – Abe Bonnemaweg – J.J.P. Oudweg
Het plangebied wordt ontsloten via een viertaks kruising op de Abe Bonnemaweg en de J.J.P. Oudweg. De kruising bestaat in de huidige situatie al, maar krijgt een extra arm waarmee de woningbouwontwikkeling wordt ontsloten. Daarnaast wordt de kruising compacter gemaakt. Ook de belasting op het kruispunt verandert logischerwijs door de komst van de woningbouw.
Afgaande op de huidige uitgangspunten, de berekende intensiteiten vanuit het plangebied, en het feit dat de intensiteiten op de noordelijke tak laag zullen zijn worden geen doorstromingsproblemen voorzien.
Kruising Abe Bonnemaweg – Westtangent – R.P.-singel
Goudappel heeft een COCON-berekening uitgevoerd. Deze berekening is uitgevoerd met toepassing van een extra rechtsafstrook vanaf de Abe Bonnemaweg op de Westtangent. Deze extra strook wordt gerealiseerd en hiermee wordt de doorstroming van het verkeer afkomstig vanuit de richting van het plangebied verbeterd. Ook wordt een langzaam verkeersoversteek aan de zuidzijde van de kruising ingepast in de verkeersregeling. De cyclustijd wordt met die maatregel verkort tot 110 seconden. Dit valt binnen de acceptabele marges, waar een cyclustijd van 120 seconden de bovengrens is. Ten opzichte van het programma dat is doorgerekend door Goudappel, laat voorliggend TAM-omgevingsplan 80 woningen meer toe. Door Goudappel is op basis van deze 80 extra woningen een aangepaste analyse voor het kruispunt met de Westtangent uitgevoerd. Hieruit blijkt dat de kruispuntindeling het verkeer in de maatgevende avondspits in circa 115 seconden kan verwerken. De regeling blijft hiermee onder de maximale gestelde grens van 120 seconden, de restruimte op het kruispunt is echter minimaal. Geadviseerd wordt daarom om de opstelstrook van de rechtsafstrook van de Abe Bonnemaweg richting de Westtangent te verlengen van 60 meter naar 70 meter. Hiermee worden blokkades van andere rijstroken voorkomen. Het voorliggende TAM-omgevingsplan biedt ook de mogelijkheid om de rechtsafstrook te verlengen.
Voorts is het van belang om het gehele netwerk in de omgeving van het plangebied te onderzoeken. Het oplossen van een knelpunt op de ene kruising kan er immers voor zorgen dat een volgende kruising te zwaar wordt belast. Vanuit de gemeente Dijk en Waard wordt daarom gewerkt aan een netwerkanalyse, waarin de verkeersdoorstroming op het hele wegennet van Dijk en Waard beoordeeld. Hierin worden alle (toekomstige) ontwikkelingen binnen Dijk en Waard meegenomen. Op basis hiervan zullen overige knelpunten op het wegennet naar voren komen en verbeteringsvoorstellen worden gedaan.
Omliggende wegvakken
De intensiteiten op de geanalyseerde wegvakken laten geen waarden zien die ongebruikelijk zijn voor het type weg waarmee het plangebied wordt ontsloten.
STOMP-principe
In het plan van de woningbouwontwikkeling in Westpoort wordt veel aandacht besteed aan het faciliteren van ‘actieve modaliteiten’. Dit wordt gedaan volgens het STOMP-principe: Stappen, Trappen, Openbaar vervoer, MaaS, Privéauto. Volgens dit principe wordt in eerste plaats het alternatief voor de (eigen) auto gefaciliteerd. De eigen auto krijgt in het plan voldoende ruimte maar er wordt ook veel aandacht besteed aan goede omstandigheden voor de overige modaliteiten.
In het Omgevingsprogramma Mobiliteit van de gemeente Dijk en Waard worden verschillende voornemens en maatregelen beschreven die gericht zijn op het realiseren van een duurzaam mobiliteitssysteem, ook in relatie tot nieuwe woningbouwontwikkelingen. Binnen Westpoort wordt aan dit beleidsvoornemen voldaan door onder andere de inrichting van het gebied. Het gebied wordt verder op meerdere locaties ontsloten middels langzaam verkeer-bruggen. De inrichting houdt rekening met ‘actieve modaliteiten’ door een gunstige inrichting voor de voetganger en de fietser: middels deze modaliteiten is immers de meest directe route door het plangebied te nemen. Daarnaast maakt het drukke wegennetwerk van Heerhugowaard en omstreken, de fiets tot een snel en logisch alternatief. Echter is er ook alsnog voldoende parkeergelegenheid voor de (privé)auto, waardoor multimodale bereikbaarheid van het gebied wordt gewaarborgd.
Parkeren
In het bijgevoegde onderzoek is onderzocht of de huidige invulling van het plangebied voorziet in voldoende parkeerplaatsen. Uit de rapportage volgt dat er een overschot aan parkeerplaatsen wordt gerealiseerd. Met voorliggend TAM-omgevingsplan kunnen 26 woningen meer gerealiseerd dan in het huidige ontwerp is opgenomen. De planopzet is dusdanig ruim dat ook bij een invulling met 500 woningen voldoende parkeergelegenheid kan worden gerealiseerd. Bovendien is in de regels van voorliggend TAM-omgevingsplan vastgelegd dat bij een aanvraag omgevingsvergunning moet worden voldaan aan de parkeernormen uit het parkeerbeleid van de gemeente Dijk en Waard.
Conclusie
Uit het uitgevoerde verkeersonderzoek volgt dat over het algemeen er geen problemen ontstaan in de verkeersafwikkeling en er kunnen voldoende parkeervoorzieningen worden gerealiseerd. De kruising van de Abe Bonnemaweg met de Westtangent is een aandachtspunt omdat op het maatgevende moment de wachttijd op de Abe Bonnemaweg om rechtsaf te kunnen oploopt tot 115 seconden. De opstellengte van de rechtsaffer wordt daarom verlengd van 60 meter naar 70 meter. Het verbeteren van de doorstroming moet echter in het grotere geheel van de gehele gemeente worden gezien en beoordeeld. Dit wordt door de gemeente Dijk en Waard uitgevoerd in een netwerkanalyse. De druk op de woningmarkt binnen Dijk en Waard en de regio is dusdanig hoog dat een spoedige realisatie van het gevarieerde woonprogramma binnen Westpoort van belang wordt geacht. Tegelijkertijd wordt gezocht naar oplossingen binnen het gehele verkeersnetwerk om de doorstroming binnen Dijk en Waard te verbeteren.
Wettelijk kader
Algemene rijksregels over kabels en leidingen staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl). Zo staan er in het Bal bijvoorbeeld regels over het graven in de bodem en regels over het graven in bepaalde specifieke gebieden. En biedt het Bbl bijvoorbeeld duidelijkheid over welke buis- en leidingstelsels geen vergunning voor de bouwactiviteit en omgevingsplanactiviteit nodig hebben.
Bij het toelaten van buisleidingen en hoogspanningsleidingen gaat het erom dat er een veilige omgeving rondom ondergrondse kabels en leidingen aanwezig is. Deze leidingen moeten opgenomen worden in het omgevingsplan. Voor andere ondergrondse kabels en leidingen kan de gemeente zelf bepalen of deze opgenomen worden in het omgevingsplan.
Beschouwing
Binnen het plangebied zijn geen kabels en (buis)leidingen aanwezig die moeten worden vastgelegd in het TAM-omgevingsplan. Voor de energievoorziening van de woningen zullen kabels en leidingen in de grond worden aangebracht. Dit zijn geen kabels en leidingen die moeten worden vastgelegd in het TAM-omgevingsplan.
Dit aspect vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het TAM-omgevingsplan.
Met inachtneming van hetgeen dat is omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages en resultaten uit eventuele vervolgonderzoeken, is er met uitvoering van voorliggend plan sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot wijziging van het omgevingsplan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.
Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: ‘een aangewezen bouwactiviteit’). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een anterieure overeenkomst de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.
Voor het te ontwikkelen plan voert de gemeente Dijk en Waard een actief grondbeleid: de gemeente is eigenaar van alle gronden en heeft een sluitende grondexploitatie opgesteld waarbij de te maken kosten voor het bouw- en woonrijpmaken inclusief plankosten worden afgedekt door de uitgifte van bouwrijpe kavels. De financiële uitvoerbaarheid van het plan is daarmee voldoende gewaarborgd.
Daarnaast worden proces-, ontwikkel- en bouwkosten en het risico op planschade door de ontwikkelende partijen gedragen als onderdeel van hun opstalexploitatie. Met de ontwikkelende partijen wordt t.z.t. dan ook een koop en realisatie- en planschadeverhaalovereenkomst afgesloten.
De opbrengsten van de grondexploitatie zijn bovendien opgehoogd met een rijkssubsidie Woningbouw Impuls (WBI) welke de gemeente in december 2021 van het Ministerie van BZK toegewezen heeft gekregen.
In het kostenverhaal wordt hiermee voldoende voorzien.
Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. En het is verplicht voor het bevoegd gezag. De gemeente moet ervoor zorgen dat alle belanghebbenden hun meningen kunnen geven over een visie of plan. Zoals een Omgevingsvisie of een Omgevingsplan. Belanghebbenden zijn bijvoorbeeld inwoners, bedrijven, verenigingen, scholen.
De gemeenteraad heeft voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet een lijst vastgesteld waarop de gevallen zijn aangegeven waarvoor participatie verplicht wordt gesteld en daarbij aandacht gegeven aan het doel van participatie.
Zoals in paragraaf 1.3.1 is opgenomen zijn er bij de start van de gebiedsontwikkeling (Westpoort en Vaanpark) diverse interviews gehouden met interne en externe kennishouders. Vervolgens is er eind 2020 een enquête gehouden onder inwoners en ondernemers en is er begin 2021 een toekomstgesprek met inwoners en ondernemers geweest over kansen voor Westpoort en De /Vaanpark. Tevens zijn er twee bijeenkomsten gehouden met gemeenteraadsleden over de uitgangspunten en invulling van deze gebieden. De uitkomsten uit dit voortraject zijn opgenomen in het document 'Kansen Westpoort De Scheg', zie Bijlage 1.
Geconcludeerd wordt dat er voldoende participatie met belanghebbenden heeft plaatsgevonden. De uitkomsten van de participatie zijn zo mogelijk meegenomen in de uitwerking van het stedenbouwkundig plan welke wordt mogelijk gemaakt middels voorliggend TAM-omgevingsplan.
Om tot vaststelling van een wijziging van het omgevingsplan te komen, wordt de uitgebreide voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb gevolgd. Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft zes weken ter inzage gelegen vanaf 17 augustus 2024. Gedurende deze periode zijn twee zienswijzen binnengekomen. De zienswijzen zijn beantwoord in de Reactienota, welke is bijgevoegd als Bijlage 18 bij deze toelichting. De zienswijzen hebben niet geleid tot aanpassing van het TAM-omgevingsplan dat ter vaststelling is aangeboden aan de gemeenteraad.
In de uitgebreide voorbereidingsprocedure die gevolgd wordt bij het aanvragen van een wijziging van het omgevingsplan, is het maken van bezwaar niet mogelijk. Hiervoor in de plaats bestaat namelijk de mogelijkheid om zienswijzen tegen het ontwerpbesluit in te dienen. Deze worden afgewogen en meegenomen in het definitieve besluit. Vervolgens staat rechtstreeks beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van de State.
Een wijziging van het omgevingsplan kan alleen worden toegestaan wanneer er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De vraag is daarom of het initiatief leidt tot een situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Anders gezegd: is er na een zorgvuldige belangenafweging met het toestaan van de activiteit nog steeds, of weer, sprake van een evenwichtige toedeling?
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (en voor zover betrekking hebbend op het initiatief) nader onderzocht en afgewogen.
Voorliggende ontwikkeling komt voort uit de grote vraag naar woningen in diverse categorieën. De locatie Westpoort is gelegen binnen de bestaande kern van Heerhugowaard, vlakbij het stationsgebied en de N242. Qua bereikbaarheid en ontsluiting biedt de locatie daarom goede kansen. Aan de zuidzijde is aan de overzijde van de Westtangent een bestaande woonwijk aanwezig en aan de oostzijde is bedrijventerrein Beveland gelegen dat langzaam verandert in een meer gemengd gebied met bedrijvigheid en woningen. Westpoort ligt op de kruising van deze twee gebieden en vormt daarmee een passende invulling.
Het relevante beleid op alle niveaus is in hoofdstuk 2 beoordeeld, waaruit blijkt dat het initiatief passend is in het vigerende beleid.
In hoofdstuk 3 zijn de relevante aspecten van de fysieke leefomgeving behandeld. Vanwege de ligging aan de N242 is het geluid afkomstig van die weg een relevant aspect dat nog nadere uitwerking behoeft. In het uitgevoerde onderzoek komt naar voren dat gezien de ligging tussen gemeentelijke wegen, de provinciale N242 en het spoor, er een geluidsklimaat heerst dat boven de standaardwaarde uit komt. In voorliggend geval wordt beoordeeld dat het gebied zich op diverse aspecten goed leent voor een woonontwikkeling. Denk aan de snelle ontsluitingsmogelijkheden richting de N242, de nabijheid van voorzieningen en het OV-station. Gezien de hoogte van de overschrijdingen van de standaardwaarde zijn maatregelen aan woningen mogelijk. Bovendien is de planopzet dusdanig ruim met veel groen, water en bewegingsmogelijkheden (wandelpaden, fietspaden) dat er een goed woon- en leefklimaat aanwezig is binnen het plangebied.
Op het gebied van water en klimaatadapatie wordt geadviseerd om een afwateringsplan en een klimaattoets uit te voeren. Deze aspecten vormen geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
Voor wat betreft de milieuhygiënische bodemgesteldheid is voor de uitvoerbaarheid van het voorliggende TAM-omgevingsplan voldoende helderheid aanwezig. Delen van het plangebied dienen te worden gesaneerd en hiermee is rekening gehouden in de grondexploitatie. Aanvullend onderzoek naar PFAS is nog nodig, maar dit kan in de vergunningsfase.
Op het gebied van verkeer vraagt de afwikkeling van het verkeer op de kruising van de Abe Bonnemaweg en de Westtangent nog aandacht. De kruising wordt aangepast met een extra rechtsafstrook vanaf de Abe Bonnemaweg richting de Westtangent. In de ochtendspits loopt de wachttijd op totaan de grens van het maximale. Op overige momenten - inclusief de avondspits - worden er geen afwikkelingsproblemen verwacht. Bovendien vindt er vanuit de gemeente Dijk en Waard een netwerkanalyse plaats naar de doorstroming van het verkeer binnen de gehele gemeente. Op basis hiervan zullen maatregelen worden getroffen aan het netwerk. De verkeerseffecten zijn aanvaardbaar. Ook kunnen er voldoende parkeerplaatsen worden gerealiseerd binnen het plangebied.
Aan de basis van voorliggende ontwikkeling ligt een participatietraject met belanghebbenden. De input vanuit dit traject is zover relevant en waar mogelijk meegenomen in de planontwikkeling die met voorliggend TAM-omgevingsplan wordt mogelijk gemaakt.
Alles overwegende is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en een aanvaardbaar TAM-omgevingsplan.
Door de komst van de Omgevingswet stellen alle gemeenten een omgevingsplan vast. Hierin komt een grote hoeveelheid regels over de fysieke leefomgeving bij elkaar. Denk aan regels over bouwen, gebruik van gebouwen, monumenten, water en milieubelastende activiteiten.
Vanaf de invoering van de Omgevingswet op 1 januari 2024, heeft Dijk en Waard automatisch een tijdelijk omgevingsplan ‘van rechtswege’ gekregen. Daarin staan de huidige bestemmingsplannen nog gewoon zoals ze waren. Samen met specifieke regels over bouwen en milieu die van het Rijk naar de gemeenten zijn gaan.
Gemeenten hebben tot 2032 de tijd om een nieuw, samenhangend omgevingsplan te maken.
Het tijdelijk omgevingsplan is gepubliceerd met een nieuwe digitale standaard (STOP-TP), waardoor het nog niet mogelijk is daarin wijzigingen van het omgevingsplan te publiceren. Daarom is er de tijdelijke alternatieve maatregel (TAM), waarmee wijzigingen van het omgevingsplan tijdelijk worden gepubliceerd via de oude digitale standaard (IMRO).
Voor voorliggend TAM-omgevingsplan betekent dit dat voor de Algemene bepalingen (begripsbepalingen) wordt aangesloten op de begripsbepalingen uit hoofdstuk 1 uit de basisregeling en waar nodig is aangevuld met voor dit TAM-omgevingsplan specifiek van toepassing zijnde begripsbepalingen.
De overige regels van voorliggend TAM-omgevingsplan gelden deels in aanvulling en deels ter vervanging van de regels van het tijdelijk Omgevingsplan.
De regels van voorliggend TAM-omgevingsplan gelden uitsluitend binnen het besluitgebied van dit TAM-Omgevingsplan.
In dit hoofdstuk zijn de begrippen opgenomen die relevant zijn voor voorliggend TAM-omgevingsplan. De begrippen werken aanvullend op artikel 1.1 uit het Omgevingsplan gemeente Dijk en Waard.
Ook zijn in Artikel 2 meet- en rekenbepalingen opgenomen waaruit blijkt hoe bijvoorbeeld de bouwhoogte of de goothoogte moet worden bepaald.
Binnen dit hoofdstuk zijn de toegelaten functies en gebruiksdoelen opgenomen.
Binnen dit gebruiksdoel zijn onder andere groenvoorzieningen, water, verkeer- en verblijfsvoorzieningen zoals fietspaden toegestaan. Dit gebruiksdoel is toegekend aan de noordwestelijke en westelijke buitenrand van het plangebied. Hier vinden als gevolg van voorliggend TAM-omgevingsplan geen wijzigingen of ontwikkelingen plaats.
De gronden met dit gebruiksdoel zijn gegeven aan de Abe Bonnemaweg die rond het woongebied aanwezig is. Rekening is gehouden met de feitelijke situatie van de Abe Bonnemaweg. Ten opzichte van het bestemmingsplan Westpoort is daarom een wijziging aangebracht in de zin dat het gebruiksdoel Verkeer noordelijker is komen te liggen in de noordelijke bocht. Ook is een strook langs de Westtangent meegenomen om het gebruiksdoel aan te laten sluiten bij het gebruiksdoel van het naastgelegen omgevingsplandeel. De gronden zijn onder andere bedoeld voor wegen met een functie voor zowel het verkeer met een doorgaand karakter als voor de ontsluiting van aanliggende gronden, parkeren en water.
Het deel van het TAM-omgevingsplan waar de woonontwikkeling gaat plaatsvinden is aangewezen met het gebruiksdoel Woongebied. Binnen dit gebruiksdoel is een flexibele invulling van meerdere functies mogelijk. Er zijn een aantal randvoorwaarden vastgelegd waaronder de maximale bouwhoogte voor hoofdgebouwen.
Toelichting op het begrip 'toegestaan' in de regels (artikel 5.3)
In de regels van dit omgevingsplan wordt het woord 'toegestaan' gebruikt in relatie tot het bouwen van hoofdgebouwen en bijbehorende bouwwerken. Dit roept soms vragen op over de aard van de toestemming: gaat het om toestaan met vergunning of om een vergunningvrije activiteit?
In artikel 5.3.1 is bepaald dat het toegestaan is om hoofdgebouwen te bouwen, met inachtneming van de aangegeven bouwhoogte. Er wordt hier géén verwijzing opgenomen naar artikel 22.36 van het omgevingsplan, waarin binnenplanse vergunningvrije activiteiten zijn geregeld. Dit betekent dat voor het bouwen van hoofdgebouwen sprake is van een vergunningplicht, in lijn met artikel 22.26 van de Bruidsschat.
In artikel 5.3.2, dat betrekking heeft op bijbehorende bouwwerken, wordt wél verwezen naar artikel 22.36. Dit artikel bepaalt welke activiteiten van rechtswege vergunningvrij zijn, mits aan de voorwaarden wordt voldaan.
Daarmee volgt uit de systematiek van het plan zelf al dat voor hoofdgebouwen een omgevingsvergunning vereist is, en dat alleen bijbehorende bouwwerken onder voorwaarden vergunningvrij kunnen zijn. Deze toelichting is opgenomen om eventuele verwarring te voorkomen bij het raadplegen van het plan via het DSO.
Deze gebruiksdoelen zijn exact overgenomen uit het Actualisatieplan Heerhugowaard 2022 en regelen de bescherming van eventueel in de grond aanwezige archeologische waarden. Het plangebied is op basis van eerder uitgevoerd archeologisch onderzoek al vrijgesteld van vervolgonderzoek. Om een gebiedsdekkend archeologiebeleid vast te leggen in het toekomstige Omgevingsplan is ervoor gekozen toch de gebruiksdoelen op te nemen.
In artikel 8 is aangegeven hoe het voorliggende TAM-omgevingsplan moet worden gelezen en hoe het zich verhoudt tot het Omgevingsplan gemeente Dijk en Waard.
Op grond van de antidubbeltelregel (artikel 9) is bepaald dat grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing blijft. Deze bepaling voorkomt dat er meer kan worden gebouwd dan er wenselijk is indien een kavel wordt gesplitst en op grond daarvan een nieuw bouwperceel ontstaat. Elk bouwperceel heeft immers in principe recht op een bepaalde hoeveelheid bebouwing.
Artikel 10 maakt duidelijk dat alleen de bouw- en gebruiksactiviteiten zijn toegestaan die zijn opgenomen in de regels.
In artikel 11 zijn aanduidingsregels opgenomen voor verschillende delen van het woongebied. Zo is aangegeven waar woongebouwen, vrijstaande woningen, halfvrijstaande woningen (maximaal 2 aaneengebouwd) en rijenwoningen (meer dan 2 aaneengebouwd) zijn toegestaan, dat maximaal 500 woningen mogen worden gerealiseerd en waar commerciële voorzieningen zijn toegestaan.
Artikel 12 geeft algemene gebruiksactiviteiten aan die gelden binnen het gehele plan.
Artikel 13 geeft aan voor welke gevallen en onder welke voorwaarden het bevoegd gezag een binnenplanse omgevingsvergunning mag verlenen.
Artikel 14 regelt dat bijbehorende bouwwerken uitsluitend in het achtererfgebied zijn toegestaan en dat dakkapellen en dakopbouwen moeten voldoen aan de Nota Ruimtelijke kwaliteit Dijk en Waard 2022, met een dynamische verwijzing. Hiermee wordt geregeld dat automatisch een nieuwere versie van het beleid geldt wanneer deze wordt vastgesteld.
In artikel 15 zijn meerdere dynamische beleidsverwijzingen opgenomen waaronder die voor parkeren. Bij verlening van een omgevingsvergunning dient te worden voorzien in voldoende parkeergelegenheid.
Ook naar het Beeldkwaliteitsplan (BKP) is een dynamische beleidsverwijzing opgenomen. Het BKP dient na vaststelling als flexibel toetsingskader (welstandscriteria) voor de aan te vragen omgevingsvergunning voor bouwen en zal onderdeel gaan uitmaken van de Nota Ruimtelijke Kwaliteit. Wanneer het BKP nadien wijzigt is ook de 'rechtsopvolger' via de regels gekoppeld.
Hoofdstuk 4 overgangs- en slotregels
In dit hoofdstuk is opgenomen dat de legale bebouwing en legaal gebruik binnen het plangebied dat in strijd is met het TAM-omgevingsplan mag worden voortgezet.