direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hoofdstuk 22f Gruytsweg 6, Warfstermolen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

1.1.1 Algemeen

Initiatiefnemers exploiteren aan de Gruytsweg 6 te Warfstermolen een melkveehouderijbedrijf. Het bedrijf wil zich verder ontwikkelen en heeft daar in de huidige situatie te weinig ruimte voor achter het bestaande bedrijf. Binnen het huidige bouwvlak bevindt zich een ontwikkelingsvlak dat gericht is richting het zuiden en het oosten. Het deel aan de zijkant/oostkant van de bestaande stal wordt door initiatiefnemer niet als gewenste ontwikkelrichting van het bedrijf gezien.

Initiatiefnemer heeft daarom de gemeente verzocht dit deel van het bouwvlak te verplaatsen naar de achterkant om toekomstige ontwikkelingen mogelijk te maken. De gemeente Noardeast-Fryslân heeft hier positief op gereageerd.

Om dit mogelijk te maken, moet het (tijdelijk) omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân worden gewijzigd. Dit TAM-omgevingsplan zorgt voor de gewenste planologische kaders en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.1.2 De bij het plan behorende stukken

Het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Gruytsweg 6, Warfstermolen bestaat uit de volgende stukken:

  • toelichting
  • verbeelding (tek.nr.NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01) en een renvooi;
  • regels

Op de verbeelding zijn de functies van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het TAM-omgevingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten en motivering waarom er in dit geval sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

1.2 Ligging en begrenzing werkingsgebied

Het voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op het perceel Gruytsweg 6 te Warfstermolen, in de gemeente Noardeast-Fryslân. Op het linker plaatje van afbeelding 1 is de ligging van het werkingsgebied in het buitengebied van de gemeente Noardeast-Fryslân ten westen van Warfstermolen weergegeven. Het rechter plaatje geeft de huidige planologische situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0001.png"

Afbeelding 1.1: Ligging werkingsgebied

1.3 Geldend omgevingsplan

Het werkingsgebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân waarin primair de verschillende bestemmingsplannen en de gemeentelijke verordeningen die betrekking hebben op de leefomgeving en de 'overgedragen regels' zijn opgenomen. Ter plaatse van het werkingsgebied is sprake van het tijdelijke omgevingsplan zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024.

Het tijdelijke omgevingsplan bestaat uit de volgende documenten:

  • Bestemmingsplan Buitengebied 2012 (vastgesteld d.d. 12 november 2014);
  • Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012, (vastgesteld d.d. 28 september 2017);
  • Partiële herziening afwijkingsmogelijkheid 2e agrarische bedrijfswoning, (vastgesteld 24 juni 2020);
  • Paraplubestemmingsplan kleine windmolens gemeente Noardeast-Fryslân (vastgesteld 27 januari 2022)
  • Paraplubestemmingsplan covergisting en mono-mestvergisting (vastgesteld 18 april 2024)

Voor de duiding van het planologische regime van het werkingsgebied is met name het bestemmingsplan “Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012” relevant. In dit bestemmingsplan heeft het werkingsgebied de bestemming 'Agrarisch' en 'Agrarisch met waarden - Open gebied'. De gronden met de bestemming 'Agrarisch' zijn bestemd voor de uitoefening van een agrarisch bedrijf. Verder is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' op een deel van het werkingsgebied van toepassing. Deze gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Ook zijn de aanduidingen 'specifieke bouwaanduiding - ontwikkelingsvlak', 'bouwvlak' en 'vrijwaringszone - radar grondstation Burum 2' van toepassing op (een deel van) het werkingsgebied.

In het navolgende afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van het "Bestemmingsplan Buitengebied 2012, partiële en correctieve herziening" weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0002.png"

Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding tijdelijk deel omgevingsplan

Artikel 7.7.3 Agrarisch en Agrarisch - kleinbedrijf

In artikel 7.7.3 i.c.m. artikelen 7.7.1 en 7.7.7 van het bestemmingsplan 'Partiële herziening van het bestemmingsplan buitengebied 2012' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open gebied' te wijzigen in de bestemming 'Agrarisch' zodat de vorm van het agrarische bouwvlak/bestemmingsvlak kan worden veranderd, zonder dat de oppervlakte van het bouwvlak/bestemmingsvlak wordt vergroot. Hierbij zijn vervolgens de regels uit artikel 3 'Agrarisch' van toepassing.

Artikel 7.7.1 Algemeen

Er mag bij toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:

  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacy situatie;
  • de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 'Landschapskenmerken' behorende bij de regels;
  • de verkeersveiligheid.

Artikel 7.7.7 Toepasbaarheid

Bij toepassing van deze wijzigingsregel zal er ook een inrichtingsplan conform de handleiding moeten worden opgesteld. Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging zal ook de in het bestemmingsplan beschreven procedure doorlopen moeten worden.

Vanwege de invoering van de Omgevingswet per 01-01-2024 en het feit dat vanaf die datum geen gebruik meer gemaakt van worden van de wijzigingsbevoegdheden uit het tijdelijke omgevingsplan, heeft de gemeente ermee ingestemd om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken met een TAM-omgevingsplan.

1.4 Toelichting op TAM-omgevingsplan

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Deze vangnetten zorgen ervoor dat deze organisaties de belangrijkste uitvoeringsprocessen kunnen blijven uitvoeren, totdat ze het DSO wel kunnen gebruiken. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan.

Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen.

1.5 Leeswijzer

Dit TAM-omgevingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit vijf hoofdstukken. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 2) beschrijft de bestaande situatie en de nieuwe toekomstige situatie. Hoofdstuk 3 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten van het plan. In hoofdstuk 5 wordt ten slotte ingegaan op de uitvoerbaarheid van het plan.

Hoofdstuk 2 De bestaande en voorgenomen situatie

2.1 Bestaande situatie

2.1.1 Omgeving

Het erf van initiatiefnemer ligt aan de oude zeedijk in een landschap wat gekenmerkt wordt door een grote mate van openheid. Erven liggen in dit landschap als groene eilanden waarbij nieuwere toevoegingen als ligboxstallen veelal kaal naast het erf geplaatst zijn. Deze wijze van toevoegen aan het erf is de afgelopen jaren de normale wijze van inpassen geweest in de voormalige gemeente Kollumerland. Door deze werkwijze is er geen vormconcurrentie tussen de veelal kleinschalige oude erfstructuur en de nieuwe, meer grootschalige, moderne toevoegingen.

2.1.2 Bedrijf / bebouwing

Het oude erf is nog redelijk goed met een beplantingsstructuur omsingeld. Deze originele kop ligt op korte afstand naar de dijk en een gracht is aanwezig. In de ontwikkeling van het erf zien we dat deze kop gedurende de jaren vijftig meer naar de dijk is gebracht en dat de gracht ook omstreeks deze tijd is aangebracht. Gedurende de daarop volgende decennia is eerst een Hollandse ligboxstal gebouwd. Naar goed gebruik in die tijd werd deze dwars op de nokrichting van het bedrijf gepositioneerd. Aan het begin van dit millennium werd een werktuigloods achter het bedrijf geplaatst. En nog wat later werden in 2014 en 2015 kuilsilo’s achter dit geheel aangelegd. Uiteindelijk verschijnt in 2016 een nieuwe, moderne ligboxstal met melkinrichting.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0003.png"

Afbeelding 2.1: huidige situatie Gruytsweg 6

2.2 Voorgenomen situatie

De voorgenomen situatie ziet toe op het verplaatsen van de functie 'Agrarisch' in combinatie met het bouwvlak van de oostkant van het erf naar de achterkant van het erf. De term 'ontwikkelvlak' komt hier te vervallen omdat dit was gekoppeld aan specifieke voorwaarden die in dit omgevingsplan zijn getoetst. Het bouwvlak zoals dat nu is vastgelegd veranderd hierbij niet in oppervlakte. Hierdoor ontstaat er de mogelijkheid voor het bedrijf om zich naar achteren te ontwikkelen.

Een mogelijke toekomstige invulling van dit gewijzigde bouwvlak ziet toe op de realisatie van een mestvergister en de verlenging van de kuilvoeropslag. Hoewel dit uitdrukkelijk geen onderdeel uitmaakt van dit wijzigingsplan geeft dit een goede indruk van de invulling van het gewijzigde bouwvlak.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0004.png"

Afbeelding 2.2: gewenste opzet met gewijzigd bouwvlak

2.2.1 Landschappelijke inpassing

De omgevingsplanwijziging vraagt om een goed landschappelijk inrichtingsplan dat van tevoren samen met een landschapsarchitect vanuit de gemeente wordt opgesteld. Dit inrichtingsplan is voorafgaand aan de besluitvorming over het wijzigingsplan voorgelegd aan het college. Dit landschappelijk inpassingsplan is akkoord bevonden en is als Bijlage 1 aan deze toelichting toegevoegd.

De landschappelijke inpassing bestaat uit een singel rond de toekomstige monovergistingsinstallatie en de aanleg van een grondwal tegen de verlengde en nieuwe sleufsilo’s. Daarnaast zal middels beheer de singel aan de westzijde tot ontwikkeling worden gebracht.

De singel dient aangebracht te worden door winterstek af te wisselen met esdoorn en lijsterbes. Dit gebeurt in lijnverband, plantafstand variërend van 3-5 meter. Plantmateriaal moet beschermd te worden tegen vraatschade. In een strook van 2m rond de lijnbeplanting dient restrictief gemaaid te worden waarbij ingezet wordt op vorming van ondergroei door spontane opslag. Streefbeeld is een gevarieerde singel met heester- en kruidlaag. Breedte van de singel wordt beperkt tot max 4m/kroonbreedte. Na vijftien jaar mag geselecteerd gekapt worden in de wijkersoort (wilg) of kunnen deze teruggezet/geknot worden.

Aanaarding van de silo’s geschiedt met schone grond. De te dempen sloot wordt in overleg met Wetterskip gecompenseerd. Talud van de aanaarding bedraagt maximaal 45°. De aanaarding wordt ingezaaid of dusdanig onderhouden dat zich een natuurlijk beplanting ontwikkeld. De grondwal wordt niet bemest en extensief bemaaid waarbij maaisel wordt afgevoerd zodat zich een oligotrofe bodembedekking ontwikkelt. (doeltype: glanshaverhooiland)

De westelijke singel wordt extensief beheerd en de nu aanwezige beplanting wordt niet verder gekapt om te komen tot een volwassen voortzetting van de bestaande opslag. Dunning omwille van soortenrijkdom en vitaliteit van bestaande overstaanders (els, esdoorn, eik, berk) is mogelijk en wordt geadviseerd.

In het inpassingsplan wordt een suggestie gedaan voor het aanpassen van het bouwvlak/ontwikkelvlak. Dit is de blauwe stippellijn op afbeelding 2.3. De voorgenomen wijziging van het bouwvlak/ontwikkelvlak sluit aan bij de opzet van deze landschappelijke suggestie. Er wordt nog een groter deel van de oostkant naar de achterkant van het perceel verplaatst dan hier weergegeven. Dit brengt geen veranderingen aan de landschappelijke inpassing met zich mee.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0005.png"

Afbeelding 2.3: gewenste situatie met landschappelijke inpassing (bron: gemeente Noardeast-Fryslân).

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Inleiding

Bij het opstellen het TAM-omgevingsplan dient de gemeente rekening te houden met het door hogere overheden vastgestelde beleid. In dit hoofdstuk wordt daarom ingegaan op relevante onderdelen van het rijksbeleid, het provinciaal beleid zoals verwoord in de Provinciale Structuurvisie en de Verordening en het gemeentelijk beleid.

3.2 Rijksbeleid

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

De Nationale Omgevingsvisie biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving. Hiermee kan het Rijk inspelen op de grote uitdagingen die voor hen liggen. Allerlei trends en ontwikkelingen hebben invloed op de leefomgeving. Veranderende en groeiende steden, de overgang naar een duurzame en circulaire economie en het aanpassen aan de gevolgen van de klimaatverandering vormen slechts een deel van de opgaven. Dit biedt kansen, maar vraagt wel om zorgvuldige keuzes. Want ruimte, zowel boven-, als ondergronds, is een schaars goed. Het combineren van al die opgaven vraagt een nieuwe manier van werken. Niet van bovenaf opgelegd, maar in goede samenwerking tussen overheden, bedrijven, kennisinstellingen, maatschappelijke organisaties en burgers. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet het Rijk een proces in gang waarmee keuzes voor de leefomgeving sneller en beter kunnen worden gemaakt.

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Deze belangen komen samen in vier prioriteiten:

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptie en energietransitie;
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel;
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio’s;
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Toetsing van het initiatief

Met onderhavig TAM-omgevingsplan zijn geen nationale belangen in het geding; onderhavig plan heeft geen betrekking op één van de dertien nationale belangen uit de NOVI. Het betreft slechts de verplaatsing van een deel van het bestaande ontwikkelvlak van het bedrijf.

3.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving

Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat:

  • waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2)
  • beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3)
  • beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl.

In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden.

Toetsing van het initiatief

In de hoofdstukken 4 en 5 wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat.

3.3 Provinciaal beleid

3.3.1 Omgevingsvisie Fryslân 2020 - De romte diele

De omgevingsvisie stelt een vitale, veerkrachtige, karakteristieke en gezonde Friese leefomgeving centraal. De provincie stelt zich vier opgaven ten aanzien van de leefomgeving. De eerste opgave betreft een leefbaar, vitaal en bereikbaar Fryslân. Hier wordt stilgestaan bij o.a. de vergrijzing, krimp op het platteland, verouderde bebouwing en de betaalbaarheid van het OV. De tweede opgave betreft de energietransitie. De opgave bestaat uit het reduceren van broeikasgassen en een balans vinden tussen duurzaamheidsdoelstellingen en ruimtegebruik. Opgave 3 gaat over de klimaatadaptatie van de Provincie Fryslân. Doelstelling is Fryslân in 2050 klimaatbestendig ingericht te hebben. Opgave vier gaat over het versterken van de biodiversiteit. De biodiversiteit dient versterkt te worden via herstel van de kwaliteit van de leefgebieden. Daarnaast wil men de verbinding leggen tussen biodiversiteit en de samenleving.

Naast de vier opgaven wordt er voor drie specifieke gebieden integrale opgaven beschreven. Het gaat om de gebieden: Waddengebied, IJsselmeer en het Veenweidegebied.

Er wordt in de Omgevingsvisie toegelicht hoe de werkwijze rondom ruimtelijke initiatieven vorm wordt gegeven. Hierbij wordt er uitgegaan van een ja, mits principe ten aanzien van ruimtelijke plannen. Er zijn vier inhoudelijke principes waar een plan aan tegemoet moet komen. Zuinig ruimtegebruik, omgevingskwaliteit als ontwerpbasis, koppelen van ambities en gezondheid en veiligheid.

Toetsing van het initiatief

Het voornemen op de planlocatie is noodzakelijk voor een toekomstbestendig bedrijf. Ruimtelijke kwaliteit en landschappelijke inpassing zijn onderdeel van het plan en zorgen voor een kwalitatief goed ingepast en toekomstgericht erf. De aanpassing van het bouwvlak waarbij dezelfde oppervlakte van toepassing blijft is een vorm van zuinig ruimtegebruik. Dit is in overeenstemming met de provinciale omgevingsvisie.

3.3.2 Grutsk op 'e Romte

De Omgevingsvisie verwijst naar de omgevingskwaliteiten uit de structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' en vraagt om deze kwaliteiten herkenbaar te houden en te gebruiken bij nieuwe plannen. In deze thematische structuurvisie zijn landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren. Op deze wijze verwacht Provincie Fryslân de doorwerking van provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie te borgen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0006.jpg"

Afbeelding 3.1: kleigebied Oostergo (Bron: Provincie Fryslân)

Het werkingsgebied is gelegen in het 'Kleigebied Oostergo'. Het open kleiterpenlandschap en de vrij lege kweldervlakte met groene puntverdichtingen in de vorm van terpen, radiaire terpdorpen (met kerk), terpnederzettingen (zonder kerk) en (veelal verhoogde) boerderijerven, en eendenkooien met een ondergrond van zeeklei, een rijk stelsel van geulen, kreken en prielen en de vaarten en opvaarten naar dorpen en boerderijen.

In relatie tot de boerderijerven wordt een advies gegeven in de structuurvisie. Advies met betrekking tot het behouden van puntverdichtingen in de openheid in de vorm van boerderijerven door:

  • beplanting te concentreren bij de boerderijerven
  • zeer spaarzaam om te gaan met beplanting in het open landschap
  • en, waar mogelijk, de eind vorige eeuw met bosjes ingeplante hoeken weer open te maken.

Toets van het initiatief

Het agrarisch erf wordt voorzien van een landschappelijke inpassing waarbij bomen worden toegevoegd naast de huidige waardevolle erfbeplanting. Het plan is in overeenstemming met de uitgangspunten van Grutsk op 'e Romte.

3.3.3 Omgevingsverordening Fryslân 2022

Het werkingsgebied valt binnen de toetsingskaders van de omgevingsverordening Fryslân 2022. In deze verordening zijn instructieregels opgenomen voor de fysieke leefomgeving. Voor de locatie zijn specifiek de regelgeving met betrekking tot de ligging 'Buiten Bestaand Stedelijk Gebied' en 'Weidevogelkansgebied of parel' van toepassing. In hoofdstuk 2 'ruimtelijk omgevingsbeleid' van deze verordening zijn relevante artikelen opgenomen. Deze worden hier getoetst in relatie tot het initiatief.

Toetsing van het initiatief

Artikel 2.1 omgevingskwaliteiten als basis

De huidige archeologische functie die deels van toepassing is op het werkingsgebied wordt overgenomen in dit omgevingsplan. Ook wordt er getoetst aan de FAMKE kaart. Dit is beschreven in hoofdstuk 4.10.

De cultuurhistorische kernkwaliteiten die voortkomen uit Grutsk op 'e Romte zijn beschreven in paragraaf 3.3.2. Deze toetsing heeft niet geleid tot het opnemen van specifieke regels anders dan het opnemen van de voorwaardelijke verplichting voor het uitvoeren en in standhouden van de landschappelijke inpassing.

De onderbouwing van de omgevingskwaliteiten zijn voornamelijk beschreven in de landschappelijke inpassing. Dit heeft geleid tot een zorgvuldige inrichting en inpassing van het erf.

Artikel 2.3 zuinig en meervoudig ruimtegebruik

In dit geval is een wijziging van het bouwvlak/ontwikkelvlak aan de orde. De oppervlakte van het bouwvlak/ontwikkelvlak blijft gelijk. In de huidige situatie is al sprake van een agrarisch bedrijf met ontwikkelmogelijkheden op grond van het tijdelijk omgevingsplan. De ontwikkelrichting van het bedrijf is zowel zuidelijk als oostelijk. Het is vanuit bedrijfskundig perspectief veel efficiënter dat verdere ontwikkeling in zuidelijke richting plaatsvindt dan in oostelijke richting naast de bestaande stal. Ook landschappelijk zal dit beter inpasbaar zijn.

Artikel 2.4 koppelen en verbinden

De provincie vraagt in dit artikel een onderbouwing van de wijze waarop nieuwe ontwikkelingsmogelijkheden in het plan bijdragen aan één of meerdere opgaven voor de leefomgeving, zoals energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, werkgelegenheid of het versterken van de biodiversiteit, door het maken van slimme combinaties en het benutten van koppelkansen. Door het bedrijf kansen te bieden uit te breiden naar het zuiden in plaats van het oosten kan in de toekomst beter worden ingespeeld op ontwikkeling vanuit de energietransitie, zoals het oprichten van een monovergister.

Artikel 2.5 gezond en veilig

De omgevingsverordening vraagt om een onderbouwing van de wijze waarop effecten op de gezondheid en veiligheid zijn meegewogen in het plan, net als wateroverlast of overstroming vanuit de Friese Boezem te voorkomen en te borgen dat waterrobuust wordt gebouwd. Deze onderwerpen worden in paragraaf 4.10 behandeld in het kader van de wijziging van het ontwikkelvlak.

Artikel 2.20 agrarische en aanverwante bedrijfsfuncties

Een bestaand grondgebonden agrarisch bedrijf kan uitbreiden tot maximaal 3 hectare waarbij ook nog een afwijking voor een grotere oppervlakte is opgenomen. In dit geval is er sprake van een bestemming 'Agrarisch' met daarbinnen een bouwvlak en ontwikkelvlak van 2 hectare. Deze oppervlakte blijft ongewijzigd.

Afdeling 2.13 Weidevogelkansgebieden en weidevogelparels

Het werkingsgebied maakt onderdeel uit van een weidevogelkansgebied of weidevogelparel. In de basis moet de openheid en rust worden gehandhaafd. De agrarische productiefunctie en de ontwikkelingsmogelijkheden van bestaande agrarische bedrijven zijn toegestaan. In dit omgevingsplan worden de bestaande ontwikkelmogelijkheden van het bedrijf verplaatst van oostelijk naar zuidelijk. Aan de oostzijde zal de grond in gebruik blijven ten behoeve van de agrarische productiefunctie. In de gewijzigde situatie is hier de functie 'Agrarisch met waarden - open gebied' van toepassing.

Het planvoornemen is in overeenstemming met de instructieregels uit de omgevingsverordening Fryslân 2022.

3.4 Gemeentelijk beleid

3.4.1 Omgevingsplan

De gronden ter plaatse van het werkingsgebied maken onderdeel uit van het bestemmingsplan 'Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012', bestemmingsplan 'Partiële herziening afwijkingsmogelijkheid 2e agrarische bedrijfswoning', bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan kleine windmolens gemeente Noardeast-Fryslân' en bestemmingsplan 'Paraplubestemmingsplan covergisting en mono-mestvergisting'.

De gronden ter plaatse van het huidige erf hebben de bestemming 'Agrarisch' met de aanduidingen bouwvlak en ontwikkelvlak. Verder is voor een deel van het bouwvlak de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van toepassing. Voor het gehele werkingsgebied geldt de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - radar grondstation Burum 2'.

Toetsing

De voorgenomen ontwikkeling zoals beschreven in paragraaf 2.2 is richting het zuiden. Hier is geen bouwvlak aanwezig binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open gebied'.

In bestemmingplan 'Partiële herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012' is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen om de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open gebied' te wijzigen in 'Agrarisch' (artikel 7.7.3) zonder dat de oppervlakte van het bouwvlak/bestemmingsvlak wordt vergroot. Omdat het bestemmingsplan nu onder het omgevingsplan valt en onder de Omgevingswet deze wijzigingsbevoegdheden niet meer toepasbaar zijn, wordt een wijzigingsbesluit omgevingsplan gemaakt. De wijzigingsbevoegdheid kan als een ruimtelijk (beleids)kader worden gezien. De volgende voorwaarden zijn hierbij van toepassing:

Artikel 7.7.1 Algemeen

Er mag bij toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid geen onevenredige aantasting plaatsvinden van:

  • de milieusituatie;
  • de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie;
  • de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 'Landschapskenmerken' behordende bij de regels;
  • de verkeersveiligheid.

7.7.3 Agrarisch en Agrarisch - Kleinbedrijf

De bestemming kan worden gewijzigd in de bestemmingen 'Agrarisch' of 'Agrarisch - Kleinbedrijf' zodat de vorm van het agrarische bouwvlak/bestemmingsvlak kan worden veranderd, zonder dat de oppervlakte van het bouwvlak/bestemmingsvlak wordt vergroot, met dien verstande dat de bestemmingsregels uit Artikel 3 Agrarisch en Artikel 4 Agrarisch - Kleinbedrijf van overeenkomstige toepassing zijn

Artikel 7.7.7 Toepasbaarheid

Bij toepassing van deze wijzigingsregel zal er ook een inrichtingsplan conform de handleiding uit het bestemmingsplan moeten worden opgesteld. Op de voorbereiding van het besluit tot wijziging zal ook de in het bestemmingsplan beschreven procedure doorlopen moeten worden

Toets aan het initiatief

In hoofdstuk 4 worden alle relevante aspecten vanuit de fysieke leefomgeving in relatie tot het planvoornemen beoordeeld. Hierin komen alle aspecten benoemd in artikel 7.7.1 aan de orde.

Het bestemmingsvlak met de bestemming 'Agrarisch' (inclusief bouwvlak) wordt verplaatst en blijft dezelfde omvang (2ha) behouden.

Het deel van het werkingsgebied waar nu het bouwvlak met ontwikkelvlak aanwezig is vervalt en krijgt de functie 'Agrarisch met waarden - open gebied' zonder bouwmogelijkheden.

Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld dat vooraf is getoetst en akkoord bevonden door de gemeente.

Gelet op de bovenstaande toetsing aan de wijzigingsvoorwaarden is het planvoornemen passend binnen de uitgangspunten van het omgevingsplan.

 

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke manier bij de voorgenomen functies en activiteiten rekening is gehouden met diverse aspecten uit de fysieke leefomgeving om te komen tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor een aantal aspecten zijn nadere onderzoeken uitgevoerd. De resultaten van deze onderzoeken zijn opgenomen in dit hoofdstuk. De rapportages zijn als bijlage aan deze ruimtelijke motivering toegevoegd.

4.1 Milieueffectrapportage

4.1.1 Kader

In artikel 11.1 van het Omgevingsbesluit jo. 16.36 lid 5 Omgevingswet is aangegeven dat bevoegd gezag beoordeeld of sprake is van aanzienlijke milieueffecten in het kader van een plan of project. Het bevoegd gezag beoordeelt of sprake is van aanzienlijke milieueffecten als bedoeld in het derde en vierde lid van artikel 16.35 Omgevingswet, tenzij het zonder een voorafgaande beoordeling een milieueffectrapport maakt. Het bevoegd gezag houdt bij het besluit over de beoordeling van de milieueffecten rekening met de criteria van bijlage II bij de smb-richtlijn.  Het bevoegd gezag neemt het resultaat van de beoordeling of er sprake is van aanzienlijke milieueffecten met de bijbehorende motivering op in het plan.

In artikel 11.1 lid 2 van het Omgevingsbesluit is een uitzondering opgenomen voor de gevallen waar volgens artikel 16.36 lid 3 van de omgevingswet een milieueffectrapport (MER) voor moet worden gemaakt. Deze uitzondering vindt alleen plaats als:

  • voor dat plan of programma een bestuursorgaan van een gemeente het bevoegd gezag is; en
  • de omvang van dat gebied in verhouding tot het totale grondgebied van de gemeente klein is.
4.1.2 Toetsing plan

Uit toetsing aan artikel 16.36, lid 3 en 4 Omgevingswet volgt dat het besluit tot wijziging van het omgevingsplan voor onderhavig project valt onder de uitzonderingsmogelijkheid 11.1 lid 2 zoals hierboven beschreven.

Het plan aan de Gruytsweg 6 betreft een verplaatsing van bestaande ontwikkelmogelijkheden met een geringe ruimtelijke impact. Het betreft de wijziging van de bestemming 'Agrarisch met waarden - Open gebied' naar 'Agrarisch' met een bouwvlak. Er worden met dit omgevingsplan geen extra mogelijkheden geboden ten opzichte van de huidige planologische situatie. Ten opzichte van het gemeentelijk omgevingsplan als geheel betreft het plan een klein project op lokaal niveau waarvoor gemeente het bevoegd gezag is. Op basis van voorgaande kan worden geconcludeerd dat volstaan kan worden met een plan-mer-beoordeling.

In aanvulling op het voorgaande zijn in het kader van de voorgenomen ontwikkeling de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4 van deze ruimtelijke motivering. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde plan-mer-beoordeling in het kader van artikel 16.36 lid 3 en 4 van de Omgevingswet. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die aanzienlijke milieueffecten kent. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De uitgevoerde onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit wijzigingsbesluit te kunnen nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.

Het bevoegd gezag neemt het resultaat van deze plan m.e.r-beoordeling op in het (ontwerp) wijzigingsplan. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor dit wijzigingsbesluit.

4.1.3 Conclusie

Het plan voorziet geen andere mogelijkheden dan in de huidige situatie en het betreft een klein plan op lokale schaal. Een PlanMER is dan ook niet aan de orde. Bovendien blijkt uit dit hoofdstuk dat er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten als gevolg van de vaststelling van dit TAM-omgevingsplan.

4.2 Geluid

4.2.1 Kader

Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het bevoegd gezag het geluid op geluidgevoelige gebouwen beoordelen. Ieder bevoegd gezag heeft de algemene taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' (artikel 4.2, Omgevingswet) bij de belangenafweging over beschermen en benutten. Instructieregels die deze algemene taak invullen staan in hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor het beoordelen van geluid zijn deze regels bedoeld voor de bescherming van de gezondheid en het milieu. Het bevoegd gezag moet rekening houden met gezondheid (artikel 2.1 lid 4, Omgevingswet).

De centrale regels voor beoordeling van geluid door activiteiten, lokale (spoor)wegen en op geluidgevoelige gebouwen staan in de artikelen 5.59, 5.78l en 5.78s van het Bkl. Het verlenen van een omgevingsvergunning, die voorgaande toelaten, moet aan twee eisen voldoen:

  • houd rekening met geluid;
  • voorzie in aanvaardbaar geluid.
4.2.2 Toetsing voornemen

Het verplaatsen van de ontwikkelmogelijkheden van het bedrijf naar de 'achterkant' van het bestaande erf zal geen nadelige effecten hebben op de omgeving. Permanente geluidsbronnen of incidentele geluidsbronnen die in het bouwvlak gerealiseerd kunnen worden zullen op grotere afstand van de woningen aan de Gruytsweg komen dan reeds mogelijk is op grond van het tijdelijk omgevingsplan.

Gevoelige objecten aan de zuidkant van het bedrijf liggen op dermate grote afstand dat negatieve geluidseffecten kunnen worden uitgesloten.

4.2.3 Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.3 Luchtkwaliteit

4.3.1 Kader

Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese Unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. Om de luchtkwaliteit in Nederland te beschermen geeft het Besluit kwaliteit leefomgeving in hoofdstuk 5 instructieregels om de luchtkwaliteit te beschermen.

De gemeente moet voor een aantal activiteiten de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) in acht nemen, behalve als een activiteit niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 microgram/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Deze grenswaarde volgt uit artikel 5.53 en 5.54 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Aantonen dat een project of activiteit valt onder NIBM kan op twee manieren:

  • 1. Het project valt binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie (standaardgevallen NIBM, artikel 5.54 Bkl). Dit betreffen onder andere projecten voor kantoren, woonwijken en het telen van gewassen.
  • 2. Middels kwalitatieve beschrijving of berekening (NIBM-tool) aannemelijk maken dat een project niet in betekenende mate bijdraagt.
4.3.2 Toetsing voornemen

Voor agrarische activiteiten, met uitzondering van o.a. akker- tuin en glastuinbouwbedrijven, zijn geen grenzen vastgesteld. In mei 2010 is de definitieve “Handreiking fijn stof en veehouderijen” gepubliceerd. In deze handreiking worden richtlijnen gegeven wanneer een uitbreiding of oprichting van een agrarisch bedrijf als NIBM kan worden beschouwd. Met behulp van fijnstof emissiefactoren kan de emissie van fijn stof uit de stallen worden berekend.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0007.png"

Tabel 4.1 NIBM bijdrage

In bovenstaande tabel 4.1, die afkomstig is uit paragraaf 2.2 van de "handreiking fijn stof en veehouderijen” is aangegeven wanneer er sprake is van een NIBM-bijdrage. Als in de tabel bij de aangegeven afstand tot een te beoordelen object de toename van de emissie van fijn stof niet meer bedraagt dan het getal dat is aangegeven in dezelfde kolom dan is er conform de “Handreiking fijn stof en veehouderijen” sprake van een NIBM-bijdrage. Uit deze tabel blijkt dat bij een afstand van 70 meter er sprake is van een NIBM-bijdrage als de toename van de fijn stofemissie minder is dan 324.000 gram/jaar. De dichtstbijzijnde gevoelige locatie is gelegen op 300 meter.

Het aantal verkeersbewegingen van en naar de inrichting zal niet of nauwelijks wijzigen t.o.v. de huidige situatie. Alleen bij projecten met een groot aantal nieuwe verkeersbewegingen worden grenswaarden overschreden. Hier kan gesteld worden dat het project NIBM bijdraagt aan de fijnstof emissie.

4.3.3 Conclusie

Het plan is van dermate kleine omvang dat niet in betekenende mate wordt bijgedragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Nader onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect luchtkwaliteit geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het werkingsgebied.

4.4 Geur

4.4.1 Kader

De gemeente moet in het omgevingsplan rekening houden met de geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Dit volgt uit artikel 5.92 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Rekening houden met geur werkt 2 kanten op:

  • Bij het mogelijk maken van het verrichten van activiteiten in de buurt van gevoelige gebouwen;
  • Bij het toelaten van geurgevoelige gebouwen in de buurt van bestaande geurveroorzakende bedrijven.

De geur van een activiteit moet op een geurgevoelig gebouw aanvaardbaar zijn (artikel 5.92 lid 2 Bkl). Dit betekent dat het bevoegd gezag moet beoordelen of waarden, afstanden of gebruiksregels in het omgevingsplan leiden tot een aanvaardbaar hinderniveau. Het bevoegd gezag bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt.

Voor geur afkomstig van onder andere het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren gelden vanuit het omgevingsplan geurregels. Voor landbouwhuisdieren met een geuremissiefactor gelden conform artikel 22.98 van het omgevingsplan waarden gegeven waaraan voldaan dient te worden bij een geurgevoelig object. Voor landbouwhuisdieren zonder geuremissiefactor zijn in artikel 22.101 van het omgevingsplan regels opgenomen waaraan voldaan dient te worden.

Een geurgevoelig object is een gebouw dat is bestemd voor en geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf. Tuinen vallen dus niet onder de noemer geurgevoelige objecten.

4.4.2 Toetsing voornemen

Binnen de bestaande grondgebonden veehouderij worden dieren (melkrundvee) gehouden waar een vaste afstand voor is opgenomen in artikel 22.101 van het omgevingsplan. In dit artikel staat dat de afstand tot een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom 100 moet bedragen en voor een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom 50 meter. Aan deze afstanden kan in de nieuwe situatie ruimschoots worden voldaan.

Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geur geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het werkingsgebied.

4.5 Bodemkwaliteit

4.5.1 Kader

Hoofdstuk 5 van het Bkl bevat in paragraaf 5.1.4.5 instructieregels voor bodemkwaliteit. In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu dient rekening te worden gehouden met de bodemkwaliteit. Voor een nieuwe ontwikkeling geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik.

4.5.2 Toetsing voornemen

Ter plaatse van het voorgenomen bouwvlak worden geen gevoelige verblijfsfuncties mogelijk gemaakt. De gronden zijn altijd in gebruik geweest als agrarische productiegrond. Er is dan ook geen sprake van een verdachte locatie voor mogelijke verontreiniging uit het verleden.

Als bij een toekomstige ontwikkeling meer dan 50 m3 grond ontgraven zal worden zal een melding MBA ingediend moeten worden waarbij de kwaliteit van de grond bekend moet zijn. Voor de geplande invulling met de monovergister hoeft er niet gegraven te worden.

4.5.3 Conclusie

Het aspect bodem staat de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.6 Externe veiligheid

4.6.1 Kader

Een van de uitgangspunten van de Omgevingswet is dat overheden bij hun plannen zo vroeg mogelijk kijken naar veiligheid zodat de gevolgen van een brand, ramp of crisis voorkomen kan worden of de gevolgen zoveel mogelijk beperkt kunnen worden. Externe veiligheid heeft derhalve een belangrijke plaats in de omgevingsvisie en het omgevingsplan.
Het Besluit activiteiten leefomgeving omvat met name de regelgeving op het gebied van externe veiligheid als het gaat over het aanwijzen van milieubelastende activiteiten en vergunningplichten (afdeling 5.1.2 Bkl). In het Besluit kwaliteit leefomgeving komen de instructieregels voor omgevingsplannen van gemeenten terug. Dit betreffen onder andere regels over het plaatsgebonden risico, aandachtsgebieden, belemmeringengebieden voor buisleidingen en risico- en explosieaandachtsgebieden. Ook zijn in bijlage 7 van het Bkl activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreffen de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven; dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor).
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving.

Aandachtsgebieden

Onder de Omgevingswet werken gemeenten met aandachtsgebieden voor het aspect externe veiligheid. Hiermee is beoogd dat het gemeentebestuur externe veiligheid eerder in ruimtelijke plannen meeneemt. Aandachtsgebieden laten zien waar extra aandacht nodig is om aanwezigen te beschermen tegen mogelijke ongevallen bij activiteiten met gevaarlijke stoffen.

4.6.2 Toetsing voornemen

Op de navolgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart Nederland weergegeven. Hierop is te zien dat in de direct omgeving van het werkingsgebied geen risicovolle inrichtingen liggen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0008.png"

Afbeelding 4.2: risicokaart (werkingsgebied bij blauwe druppel)

In de omgeving van het werkingsgebied zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig. De installatie ten noorden geeft de locatie van een bestaand aardgasstation aan.

In en om de nabijheid van het werkingsgebied zijn geen risicovolle transportroutes gelegen waarvan het invloedsgebied reikt tot over het werkingsgebied.

4.6.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect externe veiligheid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het werkingsgebied.

4.7 Bedrijven en milieuzonering

Voor ruimtelijke ontwikkelingen in de omgeving van bedrijvigheid dient onder de Omgevingswet gebruik gemaakt te worden van de publicatie 'Activiteiten en milieuzonering' (hierna: Handreiking)', gepubliceerd in 2024 door de VNG.

In tegenstelling tot de eerdere uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) wordt niet uitgegaan van richtafstanden, maar van de inpasbaarheid van de benodigde gebruiksruimte voor geluid en geur in een bepaald gebied (zones). Omdat de regeling vooral gericht is op het formuleren van regels in het omgevingsplan en deze implementatie nog niet heeft plaatsgebonden, kan gebruik worden gemaakt van een in de handreiking opgenomen transponering (omzetting) van richtafstanden naar posities binnen zones. Hierbij wordt voor geluid onderscheid gemaakt tussen rustige woongebieden en gemengde gebieden.

Buitengebied

In het buitengebied komen activiteiten voor die gebruiksruimte voor geluid en geur nodig hebben. De systematiek uit de Handreiking kan ook worden toegepast op het buitengebied maar gelden uitdrukkelijk niet voor de geurbeoordeling. Dit wordt via ander regelgeving geregeld.

In paragaaf 2.4 van de handreiking wordt aangegeven welke milieuthema's op een andere manier worden geregeld. Dit zijn: luchtverontreiniging, externe veiligheid, trillinghinder, geur door agrarische activiteiten in het buitengebied, lichthinder, spuitzones en de hinder van verkeeraantrekkende werking. Ook geluid kan hier aan worden toegevoegd omdat dit is opgenomen in de Bruidschat. Deze aspecten worden verder toegelicht in bijlage A6 van de Handreiking.

VNG Brochure Bedrijven en milieuzonering 2009

De Handreiking biedt beperkte invulling voor de toetsing bij een agrarisch bedrijf in het buitengebied. Om deze reden is het voor de toets aan het aspect bedrijven milieuzonering wel gebruik gemaakt van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering 2009' als best beschikbaar (toetsings)kader.

Ter bescherming van de leefkwaliteit is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies noodzakelijk. Om die reden moet worden onderzocht of in de directe omgeving van het werkingsgebied milieugevoelige functies aanwezig zijn en in welke mate de bedrijfsactiviteiten, die vanuit het werkingsgebied worden uitgeoefend, hinderlijk zijn voor deze (gevoelige) functies.

In de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” zijn de meest voorkomende vormen van bedrijvigheid beoordeeld op grond van hun hinderlijkheid en aan de hand daarvan verdeeld in een zestal milieucategorieën. Op grond van de mate van milieuhinderlijkheid wordt geadviseerd een bepaalde afstand ten opzichte van gevoelige functies aan te houden, zoals woningen, scholen, e.d. Deze afstandsnormen zijn indicatief van aard. In de navolgende tabel zijn de richtafstanden weergegeven.

Tabel 4.2: richtafstanden Bedrijven en milieuzonering

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0009.png"

De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het TAM-omgevingsplan mogelijk is. Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten is mede afhankelijk van het omgevingstype.

Er zijn twee omgevingstypen gedefinieerd, te weten de omgevingstype rustige woonwijk / rustig buitengebied en de omgevingstype gemengd gebied. Bij het gemengd gebied wordt een kleinere richtafstand aangehouden.

4.7.1 Toetsing voornemen

Hinderveroorzakende functies in het werkingsgebied

Binnen het werkingsgebied worden aan de zuidkant van het bedrijf nieuwe mogelijkheden geboden. Voor de aspecten geur, stof, geluid en gevaar valt een melkveehouderij in categorie 3.2. van de VNG brochure 2009. Ten aanzien van een rundveehouderij zijn in de handreiking de volgende richtafstanden opgenomen:

  • Geur: 100 meter
  • Stof: 30 meter.
  • Geluid: 30 meter.
  • Gevaar: 0 meter.

In de paragraaf over ‘geur’ is al getoetst of gevoelige functies in de omgeving het de ontwikkeling in de weg staan. Gebleken is dat dit niet het geval is omdat de afstand tot geurgevoelige objecten meer dan honderd meter bedraagt.

Gevoelige locaties in de omgeving liggen ruim buiten de genoemde richtafstanden zodat vast staat dat ter plaatse van bestaande gevoelige functies sprake is (en blijft) van een goed woon- en leefklimaat.

Hinderveroorzakende functies in de omgeving van het werkingsgebied

In de directe omgeving van het bedrijf zijn geen andere hinderveroorzakende functies aanwezig. De verplaatsing van het bouwvlak heeft hier dan ook geen negatieve effecten op.

4.7.2 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het werkingsgebied.

4.8 Water

In het kader van de Omgevingswet is het verplicht plannen te toetsen op wateraspecten. Het doel van de watertoets is “het hele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten”.

Watertoets

De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water. Als richtlijn bij het beoordelen van ruimtelijke plannen werken we met de Leidraad Watertoets. Hierin staat voor alle wateraspecten uitgangspunten omschreven waar rekening mee gehouden moet worden.

Op 5 maart 2025 is het Wetterskip Fryslân van het plan in kennis gesteld door middel van de digitale watertoets. Deze is bijgevoegd als Bijlage 2.

Gelet op de beantwoording van de vragen concludeert het waterschap dat er voor het plan een normale procedure van toepassing is en dat er een watervergunning aangevraagd moet worden.

Regionale kering

Uit de leggerkaart van het Wetterskip volgt dat er ter plaatse van het werkingsgebied een regionale kering aanwezig is. Hier geldt een onderhoudsplicht 'buitengewoon onderhoud' voor het Wetterskip. Feitelijk is er ter plaatse van het werkingsgebied geen waterkering aanwezig. Dit zal bij de vergunningaanvraag worden beschreven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0010.png"

Afbeelding 4.4: fragment leggerkaart Wetterskip Fryslân

Toename verharding

Met de voorgenomen ontwikkeling zal een deel van het bouwvlak worden verplaatst. De verplaatsing maakt ongeveer 3.500 m2 verhard oppervlak mogelijk achter de bestaande stal met als gevolg een versnelde afvoer van hemelwater. De versnelde afvoer van hemelwater zal gecompenseerd moeten worden om de waterberging in een gebied in stand te houden. Bij de verbreding van de bestaande sloot, weergegeven op afbeelding 4.5, zal hier rekening mee gehouden worden.

Dempen en graven

Ter plaatse van het werkingsgebied zal een deel van de bestaande sloot worden gedempt. De te dempen oppervlakte zal voor 100% worden gecompenseerd door het verbreden van het resterende deel van deze sloot die zich in hetzelfde werkingsgebied bevindt. Dit is weergegeven op afbeelding 4.5.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0011.png"

Afbeelding 4.5: te dempen sloot (rood) en te verbreden sloot (groen).

Vrij voor de boezem

Het werkingsgebied ligt in het gebied vrij voor de boezem. Dit betekent dat het werkingsgebied niet door een boezemkade is beschermd tegen hoge waterstanden in de Friese Boezem. Er dient rekening gehouden te worden met hoogwater in het kader van regionale wateroverlast. Nieuwe bebouwing zal voldoende hoog moeten worden aangelegd. Met betrekking tot dit planvoornemen (vormverandering bouwvlak)

is dit niet van invloed, hier zal rekening mee gehouden worden bij de toekomstige invulling van de gronden.

Conclusie

Er zijn geen waterstaatkundige aspecten in het geding. Het aspect water staat de uitvoering van het plan niet in de weg. Er zal een watervergunning aangevraagd worden waarin wordt aangegeven welk stuk sloot wordt gedempt en hoe dit gecompenseerd wordt.

4.9 Ecologie

4.9.1 Kader

De Omgevingswet regelt het belang van natuur als onderdeel van de fysieke leefomgeving. De wet borgt het welzijn van de mens, verbetert de bescherming van natuurkwaliteiten en breidt deze zo nodig uit. In de Omgevingswet worden zowel soortenbescherming als gebiedsbescherming geregeld.

Flora- en fauna-activiteiten
Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet definieert een flora- en fauna-activiteit als volgt: 'Activiteiten met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten'.

Door deze brede formulering van een flora- en fauna-activiteit is het bij activiteiten in de fysieke leefomgeving nodig om te controleren of:

  • Er soorten aanwezig zijn;
  • Welke soorten dat zijn.

Gebiedsbescherming

Indien een projectgebied in of nabij een beschermd gebied is gelegen, dan dient te worden bepaald of er een (extern) effect valt te verwachten. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden en gebieden behorend tot het Natuurnetwerk Nederland.

Natura 2000

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) wijst de Natura 2000-gebieden aan. Ook worden de instandhoudingsdoelstellingen vastgelegd in artikel 2.44 van de Omgevingswet. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. In Nederland voor ruim 160 gebieden. Gezamenlijk hebben ze een oppervlak van ruim 1,1 miljoen hectare. Ze maken deel uit van een samenhangend netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie die zijn aangewezen op grond van de vogelrichtlijn en habitatrichtlijn. Het doel van Natura 2000 is het keren van de achteruitgang van de biodiversiteit.

Handelingen die een negatieve invloed hebben op Natura 2000-gebieden, worden slechts onder strikte voorwaarden toegestaan. Een vergunning is vereist. Door middel van het Nederlandse vergunningsstelsel wordt een zorgvuldige afweging gewaarborgd. De vergunningen zullen beoordeeld en afgegeven worden door de desbetreffende provincie.

Natuurnetwerk Nederland (NNN)

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.

Het Natuurnetwerk Nederland bestaat uit:

  • 1. bestaande natuurgebieden, waaronder de 20 Nationale Parken;
  • 2. gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt;
  • 3. landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
  • 4. ruim 6 miljoen hectare grote wateren: meren, rivieren, de Noordzee en de Waddenzee;
4.9.2 Toetsing voornemen

Voor het aspect Ecologie is een natuurtoets opgesteld en bijgevoegd als Bijlage 3 bij deze toelichting. Een quickscan natuurwaardenonderzoek maakt onderdeel uit van deze natuurtoets.

In deze natuurtoets is gekeken naar de mogelijke effecten in het kader van gebieds- en soortenbescherming. Er is gekeken naar mogelijke effecten (stikstof en overige effecten) op de omliggende Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelleefgebied etc. Ook is er beoordeeld of er mogelijk beschermde soorten in het werkingsgebied aanwezig zijn.

Gebiedsbescherming

Het werkingsgebied behoort niet tot Natuurnetwerk Nederland of Natura 2000-gebied. Vanwege de ligging buiten het Natuurnetwerk Nederland hoeft voorgenomen initiatief niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van het NNN (geen externe werking). Gelet op het feit dat het voorgenomen initiatief een agrarische ontwikkeling van een bestaand agrarisch bedrijf is, als in artikel 2.51 en 2.52 Omgevingsverordening provincie Fryslân, hoeft het voorgenomen initiatief ook niet getoetst te worden aan provinciale beleidsregels ten aanzien van de bescherming van Weidevogelkansgebied/weidevogelparels.

Het plangebied is niet zichtbaar vanuit Natura 2000-gebieden. Negatieve effecten, zoals geluid, licht en optische verstoring zijn daarom niet aan de orde.

Het meest nabij gelegen Natura 2000-gebied (Lauwersmeer) is niet stikstofgevoelig. Er liggen echter wel stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden binnen 25 kilometer afstand van het werkingsgebied. Uit de uitgevoerde AERIUS berekeningen volgt dat er tijdens de bouw- en gebruiksfase geen significante effecten optreden op Natura 2000 gebieden in de omgeving van het werkingsgebied.

De activiteiten die het voorliggend omgevingsplan mogelijk maken mogen geen hogere stikstofdepositie veroorzaken dan is toegestaan in de bestaande situatie. Om dit te borgen is in dit omgevingsplan een specifieke functieregel opgenomen die er voor zorgt dat er geen toename in ammoniakemissie en stikstofdepositie kan ontstaan ten opzichte van de bestaande situatie.

Soortenbescherming

In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten.

De inrichting en het gevoerde beheer maken het werkingsgebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Het werkingsgebied wordt door beschermde diersoorten hoofdzakelijk benut als foerageergebied, maar mogelijk bezetten grondgebonden zoogdieren en amfibieën er een (winter)rust of voortplantingsplaats en bezetten vogels een nestplaats binnen het werkingsgebied.

Het uitvoeren van de voorgenomen werkzaamheden tijdens de broedtijd van vogels kan er toe leiden dat een bezet vogelnest beschadigd of vernield wordt. Omdat voor het (opzettelijk) beschadigen/vernielen van een bezet vogelnest, beschadigen van eieren of het doden van een vogel geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen kan worden, dienen de werkzaamheden uitgevoerd te worden buiten de voortplantingsperiode. Het plangebied en het gebied waarbinnen verstoring van vogelnesten niet uitgesloten kan worden, mag ongeschikt gemaakt worden, om te voorkomen dat vogels zich er vestigen om te nestelen. De werkzaamheden mogen wel uitgevoerd worden tijdens de voortplantingsperiode, mist geen bezet vogelnest negatief beïnvloed wordt. Een broedvogelscan kan uitwijzen of wel of geen vogels in het plangebied (en invloedzone) nestelen.

Voor de amfibieën, vissen, libellen en grondgebonden zoogdieren, die een voortplantings- of rustplaats bezetten in het plangebied, geldt dat de soorten niet beschermd zijn, of dat een vrijstelling geldt voor het beschadigen/vernielen van de voortplantings- en rustplaats. Deze vrijstelling geldt niet voor het opzettelijk doden. Het dempen van de sloot dient bij het erf te starten om vervolgens in één richting te werken. Hierdoor kunnen dieren tijdig vluchten.

4.9.3 Conclusie

Het plan is uitvoerbaar voor het aspect ecologie als de werkzaamheden buiten de voortplantingsperiode van vogels wordt uitgevoerd of als er binnen deze periode geen bezet vogelnest negatief wordt beïnvloed.

4.10 Cultuurhistorie en Archeologie

4.10.1 Kader

Algemeen

De gemeente moet bij het vaststellen van het omgevingsplan rekening houden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed. Hieronder vallen ook bekend of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. Dit staat in artikel 5.130 lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. De gemeente kan in het belang van archeologische monumentenzorg regels stellen in het omgevingsplan over archeologisch onderzoek.

Archeologie

Voor archeologie dient de gemeente projecten kleiner dan 100 m2 in beginsel vrij te stellen van de archeologische onderzoeksplicht (artikel 5.130 lid 4 Bkl). De gemeente kan in een omgevingsplan echter grotere of kleinere vrijstellingsgrenzen vastleggen, bijvoorbeeld in historische binnensteden waar de kans op het aantreffen van archeologische sporen heel groot is. Archeologisch onderzoek kan in dergelijke gevallen ook al bij projecten kleiner dan 100 m2 vondsten opleveren. In gebieden met een lage verwachtingswaarde kan de gemeente kiezen om een grotere vrijgestelde oppervlakte vast te leggen in het omgevingsplan. Dit om te voorkomen dat de gemeente een initiatiefnemer belast met het doen van archeologisch onderzoek dat naar verwachting niet of nauwelijks zinvol is.

Cultuurhistorie

Uit het Besluit kwaliteit leefomgeving volgt dat gemeenten voor cultureel erfgoed dat voor bescherming in aanmerking komt een toereikend beschermingsregime moeten opnemen in het omgevingsplan. Het Bkl bevat hiervoor instructieregels.

4.10.2 Toetsing voornemen

Archeologie

Voor een deel van het werkingsgebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1' aanwezig. In deze zone dienen bestaande archeologische waarden behouden en beschermd te worden. Hier geldt een onderzoeksplicht bij ingrepen boven de 100 m2. Voor het overige deel van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen met de grens voor een onderzoeksplicht bij 2.500 m2.

IJzertijd middeleeuwen

In deze gebieden kunnen zich archeologische resten bevinden uit de periode IJzertijd - middeleeuwen. Bij ingrepen van meer dan 2.500 m² dient een karterend archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden. Om dit te borgen is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen voor het gehele werkingsgebied. afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0012.png"

Afbeelding 4.5: fragment Famke kaart ijzertijd - middeleeuwen

Steentijd - bronstijd

In deze gebieden kunnen zich op enige diepte archeologische lagen bevinden uit de steentijd, die zijn afgedekt door een veen- of kleidek. Mochten zich hier archeologisch resten bevinden, dan zijn deze waarschijnlijk goed van kwaliteit. Bij ingrepen van meer dan 5.000 m² wordt door de provincie een karterend (boor)onderzoek aanbevolen. Het bouwvlak wijzigt niet qua oppervlakte. De grens van 5.000 m2 wordt niet overschreden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0013.png"

Afbeelding 4.6: Fragment Famke kaart steentijd - bronstijd

Cultuurhistorie

Uit de analyse van de Cultuurhistorische kaart Fryslân (CHK) volgt dat er ter plaatse van het plangebied enkele cultuurhistorische elementen aanwezig zijn:

  • karakteristieke bouwwerken (niet-woningen)
  • oude paden nieuwe wegen
  • boerderijplaatsen
  • verkaveling (polderverkaveling zeepolders)
  • geomorfologie

afbeelding "i_NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01_0014.png"

Afbeelding 4.7 Fragment CHK (Bron Provincie Fryslân)

Met de vormverandering van het bouwvlak worden er bouwmogelijkheden geboden ten zuiden van de bestaande bebouwing (zie afbeelding 4.7). Hier is sprake van het verkavelingspatroon 'polderverkaveling (zeepolders)'. Deze verkaveling is van toepassing in een groot gebied rondom de locatie. De vormverandering van het bouwvlak is dermate klein in verhouding tot het totale verkavelingsgebied, waardoor er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het verkavelingspatroon. De overige cultuurhistorische elementen zijn reeds aanwezig in het bestaande bouwvlak en hier worden geen ontwikkelingen voorzien. Een planologische bescherming van deze elementen is in dit plan niet noodzakelijk. Bij een definitief omgevingsplan voor de gehele gemeente zullen karakteristieke waarden worden beoordeel en van een planologische bescherming worden voorzien.

4.10.3 Conclusie

Zowel het aspect cultuurhistorie als het aspect archeologie staan de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.11 Verkeer en parkeren

In het kader van ruimtelijke plannen dient te worden aangetoond dat het plan niet leidt tot ongewenste situaties ten aanzien van parkeren. Om de parkeerbehoefte en de verkeersgeneratie te bepalen, wordt doorgaans de CROW-publicatie 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' gehanteerd.

4.11.1 Toetsing voornemen

Ontsluiting

De ontsluiting van het bestaande erf vindt plaats via de bestaande inritten. Dit wordt met het planvoornemen niet gewijzigd.

Verkeer en parkeren

Met de aanpassing van het bouwvlak worden niet meer verkeersbewegingen beoogd. Ook zal het aantal te parkeren voertuigen op het erf niet toenemen. In de huidige situatie is hier ook al voldoende ruimte voor op het erf.

4.11.2 Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren staat de uitvoerbaarheid niet in de weg.

4.12 Duurzaamheid en klimaat

De huidige opzet van het bouwvlak geeft het bedrijf onvoldoende mogelijkheden om zich verder te ontwikkelen op duurzaam vlak. Door mogelijkheden te bieden achter de bestaande stal kan er beter worden ingespeeld op duurzame inversteringen zoals een monovergister of een kleine windmolen. Er wordt met het plan daarom een belangrijke stap gezet op het gebied van duurzaamheid.

4.12.1 Toetsing voornemen

Transisitievisie Warmte Noardeast-Fryslân

De visie erkent biogas (waaronder biogas uit mest) als een kansrijke hoog- en middentemperatuur warmtebron. In theorie kan biogas uit mest, reststromen van de voedingsmiddelenindustrie en gewasresten ruim driekwart van de gemeentelijke warmtevraag voor gebouwen invullen. Biogas kan worden opgewaardeerd tot groengas en ingemengd in het bestaande aardgasnet, wat financieel en technisch aantrekkelijk is omdat er geen nieuwe infrastructuur nodig is.

Een mono mestvergister sluit aan bij het beleid omdat het bijdraagt aan de duurzame energievoorziening, de CO2-reductiedoelen, het benutten van lokale potentie en het efficiënt gebruiken van bestaande infrastructuur. Tegelijkertijd moet zo'n project zorgvuldig worden ingepast, met oog voor milieu, leefomgeving en lokaal draagvlak. In dit omgevingsplan wordt hier ruimschoots aandacht aan besteed en zijn deze punten voldoende gemotiveerd en onderbouwd.

Klimaatadaptatie

Wat betreft klimaatadaptatie zal er sprake zijn van een gelijkblijvende oppervlakte van het bouwvlak. In de toekomst zal een deel van het plangebied wordt verhard, dit wordt in hetzelfde peilgebied gecompenseerd door een bestaande sloot te verbreden. Een toename verhard oppervlak heeft hierdoor negatieve invloed op het aspect klimaatadaptatie.

Voor het plan is onder meer een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Hierin is aangegeven dat wordt geïnvesteerd in groen. Deze investeringen bestaan onder andere uit de aanplant van wilgen en de aanleg van een grondwal. Met de aanplant van het groen wordt ecologische winst behaald en de biodiversiteit versterkt waardoor buiten heb bouwvlak ook aandacht wordt besteed aan klimaat en duurzaam ingepast erf.

4.12.2 Conclusie

Het plan is in overeenstemming met het beleid zoals omschreven in de Transitievisie Warmte Noardeast-Fryslân. Ook met betrekking tot klimaatadaptatie is het plan uitvoerbaar.

4.13 Gezonde fysieke leefomgeving

4.13.1 Kader

De fysieke leefomgeving kan gevolgen hebben voor de gezondheid van mensen, in positieve of negatieve zin. Zo kan een groene en beweegvriendelijke omgeving goed zijn voor de gezondheid. Aan de andere kant kunnen bijvoorbeeld een matige luchtkwaliteit of een lawaaiige omgeving ongezond zijn.

In artikel 1.3 van de Omgevingswet staan de maatschappelijke doelen van de wet. Een van die doelen is een gezonde fysieke leefomgeving. Een gezonde leefomgeving ervaren bewoners als prettig, nodigt uit tot gezond gedrag en biedt bescherming tegen negatieve omgevingsinvloeden.

In de brede belangenafweging weegt het bevoegd gezag het belang van de gezondheidsbescherming samen met andere belangen af. Het bevoegd gezag moet motiveren hoe het de verschillende belangen heeft gewogen en wat dit betekent in het omgevingsplan.

4.13.2 Toetsing voornemen

In de voorgaande paragrafen is onderzocht welke effecten het planvoornemen ondervindt van aspecten met betrekking tot een gezonde leefomgeving, zoals geluid, geur en luchtkwaliteit. Uit de afweging voor deze aspecten blijkt dat geen van deze thema's zorgt voor een verslechtering van de fysieke leefomgeving.

4.13.3 Conclusie

Het aspect 'gezonde fysieke leefomgeving' vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.14 Kabels, leidingen en straalpaden

In het werkingsgebied zijn geen relevante kabels en straalpaden aanwezig waarmee rekening moet worden gehouden. Wel is het werkingsgebied gelegen in het invloedsgebied van het radar grondstation in Burum. Hiervoor is de aanduiding 'vrijwaringszone - radar grondstation Burum 2' opgenomen. Voor dit gebied geldt een hoogtebeperking van 22 meter om verstoring van signalen te voorkomen. In dit geval wordt er niet hoger gebouwd dan 22 meter. Dit wordt ook uitgesloten in de planregels.

4.15 Conclusie fysieke leefomgeving

Met inachtneming van hetgeen omschreven in dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksrapportages, is er met uitvoering van voorliggend project sprake van een gezonde en veilige fysieke leefomgeving, en daarmee sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.

Met het TAM-omgevingsplan ‘Hoofdstuk 22f Gruytsweg 6, Warfstermolen’ wordt de verplaatsing van het bouwvlak mogelijk gemaakt. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân is technisch opgesteld conform het 'Informatie Model Ruimtelijke Ordening' (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.

5.2 Opzet regels

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2024. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2024 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2025 worden afgemaakt met TAM-IMRO.

Werkingsgebied

De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Gruytsweg 6 te Warfstermolen, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01, zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

5.2.1 Preambule

In de preambule is opgenomen dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

5.2.2 Inleidende bepalingen

Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele werkingsgebied en bestaat uit:

  • artikel 1 Begripsbepalingen: In dit artikel wordt verwezen naar de begripsbepalingen uit landelijke regelgeving. Tenzij anders is aangewezen in artikel 2.
  • artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen: In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen.
  • Artikel 3 Toepassingsbereik: Dit artikel geeft aan voor welk werkingsgebied de regels van toepassing zijn. Tevens wordt aangegeven dat specifieke artikelen uit de Omgevingswet en het Omgevingsplan van rechtswege niet van toepassing zijn indien strijdigheid bestaat met de regels uit het TAM-IMRO omgevingsplan.
  • Artikel 4 Algemeen verbod: Dit is een verbod voor de n iet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan
  • Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen: Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden.
5.2.3 Functies en activiteiten

In hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het werkingsgebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.

5.2.4 Algemene bepalingen

Hoofdstuk 3 bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele werkingsgebied . Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:

  • Artikel 10 Anti dubbeltelregel:
  • Artikel 11 Algemene bouwregels: dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het omgevingsplan beoogd.
  • Artikel 12 Algemene gebruiksregels: in dit artikel worden de algemene gebruiksregels beschreven. Deze regels gaan uit van het principe dat gebruik uitsluitend is toegestaan in overeenstemming de ter plekke toegestane functies. Dit artikel bevat algemeen geldende bepalingen ten aanzien van strijdig en toegestaan gebruik volgens de in het omgevingsplan toegekende functies.
  • artikel 13 Algemene aanduidingsregels: In dit artikel zijn de algemene aanduidingen opgenomen die van toepassing zijn op alle functies.
  • artikel 14 Algemene afwijkingsregels: Dit artikel bevat bepalingen ten aanzien van beperkte afwijkingen ten opzichte van de in hoofdstuk 2 toegestane functies en bouwmogelijkheden. Voor deze afwijkingen geldt een omgevingsvergunningplicht.
  • artikel 15 Overige regels: Deze regels gaan over de regels uit de nu geldende tijdelijke omgevingsplannen en de herbouw van een bedrijfswoning.
5.2.5 Overgangs- en slotbepalingen

In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In artikel 16 is het overgangsrecht beschreven. Hierin wordt aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met het omgevingsplan.

5.3 Nadere toelichting op de regels

Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).

Gebiedsaanduidingen

Binnen STOP-TPOD (de technische werkwijze voor omgevingsplannen) wordt aan regels uit het omgevingsplan zoveel mogelijk een werkingsgebied toegekend. In dit TAM-omgevingsplan is dit uitgangspunt waar mogelijk aangehouden. Dit betekent dat voor sectorale regelgeving gebruik is gemaakt van gebiedsaanduidingen om een werkingsgebied toe te kennen met een directe relatie met de bijbehorende regeling.

Vanuit landschap is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld met kaders voor de oriëntatie van de invulling van het gewijzigde bouwvlak en de wijze waarop de landschappelijke inpassing vorm zal krijgen.

In de regels van dit TAM-omgevingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen (artikel 6.6 onder h) waarin is geregeld dat de landschappelijke inpassing wordt uitgevoerd en in stand gehouden.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Economische uitvoerbaarheid

6.1.1 Algemeen

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

6.1.2 Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van één of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat om zogenaamde kostenverhaalsplichtige activiteiten zoals genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels onder andere een verhaalsovereenkomst nadeelcompensatie de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.

De gemeente zal een verhaalsovereenkomst nadeelcompensatie met de initiatiefnemer sluiten. Hierin worden afspraken gemaakt over de uitvoering, kosten en nadeelcompensatie. De financiële uitvoerbaarheid is daarmee verzekerd. De ontwikkeling heeft voor de gemeente verder geen negatieve financiële gevolgen.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Inleiding

De procedure voor vaststelling van een wijzigingsbesluit op het Omgevingsplan is geregeld in de Omgevingswet, het Omgevingsbesluit en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Voor het wijzigen van een omgevingsplan geldt de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb.

Participatietraject

Initiatiefnemer heeft omwonenden op de hoogte gebracht van de voorgenomen ontwikkeling in de vorm van een bijeenkomst in het dorpshuis. Hier is de algemene bedrijfsontwikkeling gepresenteerd, waaronder de wijziging van het bouwvlak. De omwonenden hebben geen bezwaren tegen het plan. Een verslag van deze bijeenkomst is bijgevoegd als Bijlage 4.

Vooroverleg

In het kader van het vooroverleg wordt op grond van artikel 16.3 Omgevingswet, aangevuld met artikel 4.3 Bkl, het omgevingsplan voorgelegd aan de 'kentenpartners' van de gemeente. Dit overleg is verplicht en richt zich op bestuursorganen en diensten met een betrokken belang. Er zijn reacties binnengekomen van Brandweer Fryslân, Tennet, Provincie Fryslân en it Wetterskip. Deze zijn toegevoegd als Bijlage 5 Overlegreacties.

De overlegreacties van de ketenpartners zijn op de volgende wijze verwerkt in het ontwerp omgevingsplan:

  • Provincie Fryslân

Archeologie

Voor het gehele werkingsgebied geldt een dubbelbestemming om de archeologische waarden te beschermen. Het gebied met de dubbelbestemming 'Waarde Archeologie' heeft een grens van 100 m2 en het gebied met de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2' heeft een grens van 2.500 m2. Als deze grens wordt overschreden met een bouwplan zal er archeologisch (voor) onderzoek uitgevoerd moeten worden.

Cultuurhistorische kernkwaliteiten

De aanwezige cultuurhistorische waarden zijn uitgebreider omschreven in paragraaf 4.10. Hierin is een opsomming gemaakt van de waarden in het werkingsgebied en waar het plan effect kan hebben ten opzichte van de huidige situatie. Dit leidt tot de conclusie dat het niet noodzakelijk is om extra borging van cultuurhistorische waarden op te nemen in de regels.

Waterrobuust bouwen

Ter plaatse van de wijziging van het bouwvlak is nog steeds sprake van een situatie boven NAP. De gronden hoeven niet te worden opgehoogd. Er zijn geen extra regels opgenomen in het plan.

Landschappelijke inpassing

Deze opmerking wordt ter kennisgeving aangenomen en heeft niet geleid tot het aanpassen van het plan.

Overige opmerkingen

In het kader van de adviezen in deze paragraaf nader overleg geweest met de provincie Fryslân en zijn regels voor ontgronding getoetst. Er wordt niet meer dan 1.000 m3 ontgraven (artikel 16.7 Bal). Dit heeft uiteindelijk niet geleid tot wijziging van het plan.

  • De overige adviezen (Brandweer Fryslân, Tennet en it Wetterskip) zijn geen aanleiding geweest voor wijziging van het plan.

Zienswijzen

Het ontwerp van dit wijzigingsbesluit wordt op grond van artikel 3:11 van Algemene wet bestuursrecht gedurende zes weken voor iedereen ter inzage gelegd en het wordt tegelijkertijd elektronisch beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Voorafgaand wordt hiervan mededeling gedaan in het Gemeenteblad. Gedurende deze periode kan eenieder een zienswijze over het ontwerpbesluit naar voren brengen. Het eindverslag van deze zienswijzenprocedure maakt onderdeel uit van het besluit tot vaststelling van dit wijzigingsbesluit.

Het ontwerp omgevingsplan heeft van 29 augustus 2025 tot en met 10 oktober 2025 ter inzage gelegen. In deze periode is een zienswijze ingediend door de provincie Fryslân. In de reactienota (Bijlage 6) wordt de zienswijze van een reactie voorzien. De zienswijze heeft geleid tot de volgende aanpassing ten opzichte van het ontwerp:

  • toepassen van de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' op het gehele werkingsgebied.

Beroep

Het gewijzigd vastgestelde omgevingsplan wordt 6 weken ter inzage gelegd en tegelijkertijd beschikbaar gesteld via de landelijke website (LVBB). Belanghebbenden kunnen in deze periode beroep instellen bij de Raad van State.