direct naar inhoud van Regels
Plan: Hoofdstuk 22f Gruytsweg 6, Warfstermolen
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01

Regels

Preambule

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van gebiedsontwikkeling op de locatie Gruytsweg 6 te Warfstermolen en is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk [22f]) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk [22f] van het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '[22f.]' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘[22f]’ gelezen worden.

Hoofdstuk 1 Inleidende bepalingen

Artikel 1 Begripsbepalingen

Begripsbepalingen die zijn opgenomen in bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van toepassing op dit hoofdstuk, tenzij in Artikel 2 daarvan is afgeweken

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Voor de toepassing van dit hoofdstuk gelden aanvullend op het bepaalde in artikel 1 de volgende begripsbepalingen:

2.1 TAM-omgevingsplan

het TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Gruytsweg 6 in Warfstermolen met identificatienummer NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01 van de gemeente Noardeast-Fryslân;

2.2 omgevingsplan

Het omgevingsplan van de gemeente Noardeast-Fryslân;

2.3 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee de gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden.

2.4 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

2.5 activiteitencentrum

activiteiten gericht op dagrecreatief gebruik van gronden en gebouwen, in de vorm van een paintballcentrum, activiteiten gericht op outdoorsporten zoals klimmen, sport- en spelactiviteiten en naar aard en schaal daarmee gelijk te stellen activiteiten.

2.6 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

2.7 agrarisch kleinbedrijf

een agrarisch bedrijf met een omvang van ten minste 5 hectare en ten hoogste 15 hectare;

2.8 agrarisch medegebruik

een agrarisch gebruik van gronden, niet zijnde (al dan niet ondergeschikte) intensieve veehouderijen, dat ondergeschikt is aan de hoofdfunctie van de bestemming waarbinnen dit agrarische gebruik is toegestaan;

2.9 ambachtelijk bedrijf

een bedrijf waarin bedrijfsmatig, geheel of overwegend doormiddel van handwerk, het vervaardigen, bewerken of herstellen en het installeren van goederen, alsook het verkopen en/of leveren, als ondergeschikte activiteit, van goederen die verband houden met het ambacht plaatsvindt, waarbij de milieugevolgen vergelijkbaar zijn met de milieugevolgen van bedrijfsactiviteiten, die zijn genoemd categorie 1 en 2 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 'Staat van bedrijven'

2.10 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde;

2.11 bêd en brochje

logiesruimte in de vorm van een kleinschalige recreatief verblijf met een kortstondig karakter en ondergeschikt aan de woonfunctie;

2.12 bedrijfsbebouwing

bebouwing ten behoeve van een bedrijf, waaronder ook wordt verstaan bedrijfswoningen al dan niet in combinatie met ondergeschikte bebouwing.

2.13 bedrijfsmatige exploitatie

onder bedrijfsmatige exploitatie wordt verstaan het via een bedrijf, stichting of andere rechtspersoon voeren van een zodanig beheer/exploitatie dat in de recreatieverblijven daadwerkelijk recreatief verblijf plaatsvindt

2.14 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

2.15 beperkt kwetsbaar object

een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, waarmee rekening moet worden gehouden.

2.16 beroep/bedrijf aan huis

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is.

2.17 besloten gebied

het gebied waar in de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken' houtsingels zijn gesitueerd.

2.18 bestaand

het gebruik dat en/of de bebouwing die ten tijde van de inwerkingtreding van het plan legaal plaatsvindt, respectievelijk aanwezig is, dan wel bebouwing die kan worden gebouwd krachtens een verleende bouw- en/of omgevingsvergunning.

2.19 bestaande ammoniakemissie

de ten tijde van de vaststelling van het omgevingsplan feitelijk en legaal tot stand gekomen ammoniakemissie van een agrarisch bedrijf, daaronder mede begrepen de ammoniakemissie die het agrarisch bedrijf op grond van een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.7 Wet natuurbescherming of als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 mag voortbrengen

2.20 bestaande stikstofdepositie

de ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan feitelijk en legaal tot stand gekomen stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied, voortgebracht door een agrarisch bedrijf, daaronder mede begrepen de stikstofdepositie die het agrarisch bedrijf op grond van een ten tijde van de vaststelling van het bestemmingsplan onherroepelijk verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.7 Wet natuurbescherming of als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 mag voortbrengen.

2.21 bestemmingsgrens

de grens van het bestemmingsvlak;

2.22 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

2.23 boerderijwinkel

een winkel bij een agrarisch bedrijf, waar in hoofdzaak eigen of door agrariërs uit de regio geproduceerde agrarische producten worden verkocht.

2.24 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, als mede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen van een standplaats;

2.25 bouwgrens

de grens van een bouwvlak.

2.26 bouwlaag

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke bouwhoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en kapverdieping.

2.27 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten.

2.28 bouwperceelgrens

de grens van een bouwperceel.

2.29 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten.

2.30 bouwwerk

een bouwkundige constructie van enige omvang die direct en duurzaam met de aarde is verbonden.

2.31 café-restaurant

een horecabedrijf, niet zijnde een discotheek of bar/dancing, dat tot hoofddoelen heeft het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken en maaltijden voor consumptie ter plaatse.

2.32 covergisting

een vorm van vergisting waarbij energie voor ten minste 50% wordt opgewekt uit dierlijke mest, aangevuld met plantaardige biomassa

2.33 dagrecreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, een vissteiger, een picknickplaats, of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik en waarbij geen sprake is van nachtverblijf.

2.34 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw;

2.35 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ter verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik, of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit.

2.36 detailhandel in volumineuze goederen

detailhandel in auto's, boten, caravans, grove bouwmaterialen, keukens, sanitair en woninginrichting waaronder meubels, alsmede tuincentra en bouwmarkten en tevens voor naar aard gelijk te stellen detailhandel, die vanwege de omvang en de aard van de gevoerde artikelen een groot oppervlak nodig hebben voor de uitstalling.

2.37 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling

bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, zoals kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en inrichtingen, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting.

2.38 duurzame energie

energie waarover de mensheid voor onbeperkte tijd kan beschikken en waarbij, door het gebruik ervan, het leefmilieu en de mogelijkheden voor toekomstige generaties niet worden benadeeld.

2.39 duurzame huur

grond die voor de duur van ten minste 5 jaren is gehuurd dan wel is gepacht.

2.40 educatief centrum

een centrum ten behoeve van de voorlichting over de bewerking en/of beweiding van cultuurgronden en de uitoefening van een agrarisch bedrijf.

2.41 evenement

een voor publiek toegankelijke gebeurtenis op of aan de weg, binnen gebouwen of op het openbare water, met uitzondering van betogingen, samenkomsten en vergaderingen, jaar- en weekmarkten, bioscoop- en theatervoorstellingen, waarbij onderscheid kan worden gemaakt in de volgende categorieën:

  • a. Categorie 1: lokale evenementen op dorps/wijk en buurtniveau. Deze evenementen dragen in belangrijke mate bij aan de binding tussen inwoners in het dorp. Deze evenementen zijn vooral gericht op participatie, ontmoeting tussen burgers en toeristisch-recreatieve promotie van het dorp;
  • b. Categorie 2: lokale en regionale evenementen met groeipotentie. Dit zijn middelgrote evenementen die zich kenmerken door een min of meer vaste deelnemers/publieksgroep en die zich door een onderscheidende programmering/activiteiten richten op groei. Het programma richt zich op een duidelijke hoofdactiviteit met eventueel side-events Bij deze categorie evenementen is een sterke variatie in bezoekersaantallen van een paar honderd tot enkele duizenden;
  • c. Categorie 3: boegbeeldevenementen. Dit zijn (jaarlijks) terugkerende evenementen met een internationaal karakter, bovenregionale uitstraling die een belangrijke bijdrage leveren aan de promotie van het dorp. De evenementen vinden vooral plaats op historische locaties, in en rond het water en hebben een economische spin-off voor het dorp. De evenementen kenmerken zich door authenticiteit, uitstraling, goede organisatie en promotie.
2.42 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

2.43 geurgevoelig object

gebouw, bestemd voor en blijkens aard, indeling en inrichting geschikt om te worden gebruikt voor menselijk wonen of menselijk verblijf en die daarvoor permanent , of op een daarmee vergelijkbare wijze van gebruik, wordt gebruikt.

2.44 geurhinderlijke activiteit

activiteit die wordt uitgevoerd binnen een inrichting die behoort tot een krachtens artikel 1.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aangewezen categorie en die is bestemd voor het fokken, mesten, houden, verhandelen, verladen of wegen van dieren

2.45 groepsaccommodatie

een (gedeelte van) een gebouw dat is ingericht voor het verlenen van tijdelijk recreatief nachtverblijf aan steeds wisselende groepen van personen.

2.46 grondgebonden agrarisch bedrijf

een agrarisch bedrijf waarbij de agrarische bedrijfsvoering geheel of in overwegende mate niet in gebouwen plaatsvindt en waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf, op de wijze van een melkrundveehouderijbedrijf, een schapenhouderijbedrijf, een akkerbouwbedrijf, een vollegronds tuinbouwbedrijf en naar de aard daarmee gelijk te stellen agrarische bedrijven.

2.47 hoeksituatie

een perceel met daarop een woning die, door zijn ligging, aan twee of meer zijden een naar de weggekeerde gevel heeft.

2.48 hogere grenswaarde

een maximale waarde voor de geluidsbelasting, die hoger is dan de voorkeursgrenswaarde en die in een concreet geval kan worden vastgesteld op grond van de Wet geluidhinder c.q. het Besluit geluidhinder.

2.49 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmeting, dan wel gelet op de bestemming als belangrijkste gebouw valt aan te merken, met uitzondering van ondergeschikte bebouwing.

2.50 horecabedrijf

een bedrijf of instelling waar bedrijfsmatig dranken en/of etenswaren voor gebruik ter plaatse worden verstrekt en/of waar bedrijfsmatig logies wordt verstrekt.

2.51 houtsingel

cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lintvormig landschapselement bestaande uit inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelscheiding.

2.52 houtwal

cultuurhistorisch en landschappelijk waardevol lijnvormig landschapselement bestaande uit een wallichaam van enkele meters breed voorzien van een inheemse boom- en struikbeplanting, waarvan bomen het hoofdbestanddeel vormen, al dan niet dienende ter eigendomsmarkering en/of perceelscheiding.

2.53 inrichtingsplan

een plan waarbij ten minste aandacht dient te worden besteed aan de begrenzing van het (beoogde) bouwperceel en de inpassing van de nieuwe ontwikkeling met aangeven van de ligging van erfverhardingen, de plaatsing en vormgeving van (bouw)werken en de erfbeplanting, waarbij Bijlage 4 'Handleiding inrichtingsplan' als behorende bij deze regels dient als richtinggevend kader voor het opstellen van een inrichtingsplan

2.54 intensieve veehouderij

een agrarisch bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van dierlijke producten door middel van het houden van vee - niet zijnde een wormenkwekerij, viskwekerij of een paardenfokkerij - waarbij hoofdzakelijk geen gebruik wordt gemaakt van open grond.

2.55 jachthaven

haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van recreatie- of pleziervaartuigen.

2.56 kampeermiddel

een mobiel en/of vast kampeermiddel dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.

2.57 kampeerplaats

een al dan niet afgescheiden gedeelte van een kampeerterrein, bedoeld voor de plaatsing van een kampeermiddel al dan niet met een bijzettentje.

2.58 kampeerseizoen

het kampeerseizoen begint op 15 maart en loopt door tot en met 31 oktober van elk kalenderjaar.

2.59 kas

een gebouw, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend tot het kweken van vruchten, groenten, bloemen of planten.

2.60 kleinschalig kampeerterrein

een kampeerterrein waar een beperkt aantal kampeerplaatsen voor kampeermiddelen worden verhuurd als toeristische standplaatsen.

2.61 kwetsbaar object

een object waarvoor ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde voor het risico c.q. een risico-afstand tot een risicovolle inrichting is bepaald, die in achtgenomen moet worden.

2.62 landbouwhuisdieren

alle dieren die door de mens worden gehouden, vetgemest of gefokt en die worden gebruikt voor de productie van voedsel, wol, bont, veren, huiden of een ander dierlijk product of voor andere veeteeltdoeleinden.

2.63 loonbedrijf

een bedrijf gericht op het verrichten en leveren van diensten en producten aan agrarische bedrijven (agrarisch loonwerk), alsmede het verrichten van cultuurtechnische werkzaamheden en grondverzetwerkzaamheden.

2.64 maatschappelijke voorzieningen

levensbeschouwelijke, medische, sociale, culturele en educatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening.

2.65 manege

een bedrijf gericht op het al dan niet in de openlucht uitoefenen van de paardensport, niet zijnde een paardenhouderij of - fokkerij.

2.66 milieusituatie

de waarde van een gebied in milieuhygiënische zin, die wordt bepaald door de mate van de scheiding tussen milieugevoelige en milieubelastende functies, daarbij in het bijzonder gelet op het voorkómen dan wel beperken van hinder door geluid, luchtkwaliteit, geur, stof en gevaar (externe veiligheid).

2.67 mobiel kampeermiddel

een tent, tentwagen, kampeerauto, toercaravan of enig ander onderkomen met de bedoeling deze te plaatsen op een kampeerterrein gedurende niet meer dan 3 aansluitende maanden per kampeerseizoen.

2.68 mono-mestvergisting:

een vorm van vergisting waarbij energie voor 100% wordt opgewekt uit mest

2.69 natuurtoets

een toets waarbij is onderzocht of op voorhand redelijkerwijs te verwachten is dat het bevoegd gezag op grond van de omgevingswet, een vergunning voor de activiteit Natura 2000, indien vereist, zal verlenen;

2.70 nevenactiviteiten

aan de hoofdfunctie ondergeschikte activiteiten zoals:

  • a. bedrijfsactiviteiten die zijn genoemd in categorie 1 of 2 van de bij deze regels behorende Bijlage 1 'Staat van bedrijven' dan wel andere bedrijven, mits deze bedrijven naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat van de aangrenzende woongebieden, al dan niet onder nader te stellen voorwaarden, voor wat betreft geur, stof, gevaar en geluid kunnen worden gelijkgesteld aan deze bedrijven;
  • b. een loonbedrijf met een bedrijfsoppervlak van minder dan 500 m²;
  • c. een theeschenkerij en naar aard en schaal daarmee gelijk te stellen horecavoorzieningen;
  • d. ambachtelijke bedrijven;
  • e. een groepsaccommodatie;
  • f. een paardenhouderij.
2.71 niet-permanente bewoning

bewoning van een verblijf voor recreatieve bewoning.

2.72 nutsvoorzieningen

voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasredu-ceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, tele-fooncellen, voorzieningen ten behoeve van (ondergrondse) afvalinzameling, apparatuur voor telecommunicatie en vergelijkbare voorzieningen, maar met uitzondering van zonnevelden voor de opwekking van energie;

2.73 onderbouw

een gedeelte van een gebouw, dat wordt afgedekt door een vloer waarvan de bovenkant minder dan 1,2 m boven peil is gelegen.

2.74 ondergeschikte bebouwing

ondergeschikte gebouwen of delen van gebouwen;

een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overkapping en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omsloten.

2.75 ondergeschikte gebouwen of delen van gebouwen
  • a. een gebouw dat als afzonderlijke ruimte dan wel als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan de hoofdvorm;
  • b. een op zichzelfstaand gebouw, dat gelet op de bestemming en door zijn ligging en/of architectonische verschijningsvorm ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw.
2.76 ondergeschikte detailhandel

detailhandel die qua oppervlakte en qua gebruik ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit.

2.77 ondergeschikte horeca-activiteiten

horeca die qua oppervlakte en qua gebruik ondergeschikt is aan de hoofdactiviteit van een niet-horecabedrijf en/of instelling.

2.78 ondergeschikte intensieve veehouderij

een aan het agrarische bedrijf ondergeschikte vorm van intensieve veehouderij.

2.79 outdoor-activiteiten

alle activiteiten waaraan onder begeleiding, dan wel zelfstandig, dan wel met voorafgaande instructie, kan worden deelgenomen en waarbij voornamelijk lichamelijke inspanning en avontuurlijke beleving een rol speelt.

2.80 paardenfokkerij

een agrarisch bedrijf dat is gericht op het fokken en/of africhten van paarden en/of pony's en de daarmee samenhangende verkoop van gefokte en/of afgerichte paarden en/of pony's, niet zijnde een manege of paardenhouderij.

2.81 paardenhouderij

een bedrijf dat gericht is op het houden, stallen of africhten van paarden en/of pony's, alsmede de handel in paarden en/of pony's en een paardenpension, niet zijnde een manege of paardenfokkerij.

2.82 peil
  • a. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang;
  • b. voor een bouwwerk, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw;
  • c. indien in of op het water wordt gebouwd: het plaatselijke niveau ten opzichte van het Nieuw Amsterdams Peil;
2.83 permanente bewoning

bewoning als hoofdverblijf.

2.84 privébegraafplaats

(ook wel familiebegraafplaats) is een begraafplaats die voor een specifieke familie of groep mensen is aangelegd, dus niet openbaar. Het eigendom is in handen van een privé-persoon of familie en niet in kerkelijke of gemeentelijke handen.

2.85 productiegebonden detailhandel

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie.

2.86 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding

2.87 recreatie-appartement

een afzonderlijke ruimte in een groter bestaand gebouw, bestemd voor recreatieve bewoning.

2.88 recreatief medegebruik

dagrecreatief medegebruik van gronden alsmede een recreatief medegebruik ten behoeve van de watersport dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, waarbij tevens sprake kan zijn van verblijfsrecreatie aan boord.

2.89 recreatieve bewoning

de bewoning die plaatsvindt in het kader van de verblijfsrecreatie door recreanten die hun hoofdverblijf elders hebben.

2.90 recreatiewoning

een woning, die bestemd is voor recreatieve bewoning, niet zijnde permanente bewoning en die gedurende het hele jaar wordt gebruikt voor recreatieve bewoning.

2.91 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

2.92 restaurant

een horecabedrijf dat tot hoofddoel heeft het verstrekken van maaltijden voor consumptie ter plaatse, met als nevenactiviteit het verstrekken van alcoholische en niet-alcoholische dranken.

2.93 risicovolle inrichting

een inrichting, bij welke ingevolge het Besluit externe veiligheid inrichtingen een grenswaarde dan wel richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het omgevingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten.

2.94 schuilstal

gebouw ten behoeve van het bieden van schuilgelegenheid aan (het hobbymatig) gehouden dieren welke noodzakelijk is in het kader van dierenwelzijn.

2.95 serrestal

stal ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering met een lichtdoorlatend dak en/of lichtdoorlatende wand(en).

2.96 seksinrichting

de voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar.

2.97 toeristische standplaats

een kampeerplaats die beschikbaar is voor een kampeermiddel voor een periode van niet meer dan drie maanden door één gezelschap.

2.98 toeristische verhuur

de verhuur van een vast kampeermiddel en/of recreatiewoning voor toeristisch gebruik voor een periode van niet meer dan 3 maanden door één gezelschap.

2.99 uitponden

onder uitponden wordt verstaan het opdelen van een recreatieterrein in kavels, waarbij de opgedeelde kavels afzonderlijk worden verkocht.

2.100 vaartuig

naast het begrip vaartuig in gebruikelijke zin van het woord, een vaartuig zonder waterverplaatsing, een casco, een vaartuig in aanbouw en een vaartuig dat de geschiktheid tot varen of drijven heeft verloren, dan wel overblijfselen daarvan.

2.101 vast kampeermiddel

een stacaravan, trekkershut of ander recreatief verblijf, dat naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven en al dan niet direct steun vindt in of op de grond en daardoor als bouwwerk is aan te merken.

2.102 vergisting

toepassing van (proces)technieken gericht op het opwekken van energie uit mest of andere organische stoffen

2.103 verkoopvloeroppervlakte

de gezamenlijke oppervlakte van de verkoopruimte exclusief de ruimte voor opslag van (winkel)goederen.

2.104 volkstuin

grond waarop, anders dan ten dienste van een agrarisch bedrijf, op kleine schaal en voornamelijk voor eigen gebruik, voedings- en/of siergewassen worden geteeld.

2.105 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien een gebouw met meerdere zijden aan een weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen gevel.

2.106 voorkeursgrenswaarde

de waarde voor de geluidsbelasting, zoals deze is opgenomen in de Wet geluidhinder.

2.107 voorste bouwgrens

een naar de weg gekeerde bouwgrens, indien de voorste bouwgrens met meerdere zijden aan de weg grenst, de als zodanig door burgemeester en wethouders aan te wijzen grens.

2.108 windturbine

door de wind aangedreven bouwwerk, waarmee energie wordt opgewekt.

2.109 windwatermolen

kleinschalige windturbine die water oppompt of overpompt.

2.110 wokkel (ook wel turbi)

kleinschalige windturbine voor de opwekking van veelal (particuliere) elektriciteit.

2.111 woning

een complex van ruimten dat dient voor de zelfstandige huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

2.112 woonschip

een vaartuig dat uitsluitend of in hoofdzaak wordt gebruikt als, of te oordelen naar zijn constructie of inrichting uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor, een hoofdverblijf voor permanente bewoning.

2.113 zonneveld

voorziening van grondgebonden zonnepanelen voor de opwekking van duurzame (zonne)energie

2.114 zorgboerderij

een voormalig agrarisch bedrijf met als hoofdfunctie zorg, in de vorm van de sociaal-medische opvang van personen, al dan niet in combinatie met het ter plaatse woonachtig zijn, en in combinatie met al dan niet ondergeschikte agrarische, detailhandel- en dienstverlenende activiteiten.

2.115 zorgwoning

een woning, complex van ruimten, functioneel ingericht op het bieden van zorg, bedoeld voor de huisvesting van één of meerdere huishoudens door hulpbehoevenden of het fysieke, psychische en/of sociale vlak eventueel met extra zorg en/of begeleiding, al dan niet door middel van gemeenschappelijke voorzieningen en kantoor, dan wel een woonvorm waar bewoners nagenoeg zelfstandig wonen met (voorzieningen voor) verzorging en begeleiding (ook 24-uurs).

Artikel 3 Toepassingsbereik

  • a. De regels in dit TAM-omgevingsplan wijzigen de regels van het Omgevingsplan van de gemeente Noardeast Fryslân aan, op de locatie als bedoeld onder e, zoals opgenomen in artikel 3 en 7 van het bestemmingsplan 'Partiële en correctieve herziening van het bestemmingsplan Buitengebied 2012';
  • b. De regels van het Omgevingsplan gemeente Noardeast_Fryslân blijven onverminderd van toepassing op de locatie bedoeld onder e, voorzover de regels van dit TAM-omgevingsplan deze regels niet hebben gewijzigd
  • c. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid;
  • d. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk;
  • e. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie aan de Gruytsweg 6 in Warfstermolen, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1970.OpGruytsweg6-VA01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

Artikel 4 Algemeen verbod

Niet genoemde functies en activiteiten en functies en activiteiten die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan zijn niet toegestaan.

Artikel 5 Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

5.1 de dakhelling

langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak.

5.2 de goothoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel, met dien verstande dat met het meten van de goothoogte ondergeschikte bouwdelen zoals wolfskappeneinden en goten van dakkapellen niet worden meegerekend.

5.3 de inhoud van een bouwwerk

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels en/of het hart van de scheidsmuren en de buitenzijde van daken en dakkapellen.

5.4 de bouwhoogte van een bouwwerk

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen.

5.5 de oppervlakte van een bouwwerk

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk.

5.6 de bouwhoogte van een windturbine (inclusief windwatermolens, maar niet zijnde een wokkel/turbi)

vanaf het peil tot aan de (wieken)as van de windturbine.

5.7 de bouwhoogte van een wokkel en een turbi
  • a. bij/op bestaande gebouwen: vanaf de bestaande bouwhoogte van gebouwen;
  • b. bij/op nieuw te bouwen gebouwen: vanaf de toegestane bouwhoogte.
5.8 afstanden

afstanden tussen bouwwerken onderling alsmede afstanden van bouwwerken tot erfafscheidingen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn.

5.9 ondergeschikte bouwdelen

Bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen van bouwwerken worden ondergeschikte bouwdelen als plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, gevel- en kroonlijsten, luifels, erkers, balkons en overstekende daken buiten beschouwing gelaten, mits de overschrijding niet meer dan 1,5 m bedraagt.

5.10 gemiddelde ruimtelijke kavelmaat

Voor het bepalen van de gemiddelde ruimtelijke kavelmaat dienen alle kavels in eigendom of duurzame huur van het bedrijf in de beschouwing te worden betrokken voor zover deze in het gebied zijn gesitueerd waarin volgens de bij deze regels behorende Bijlage 2 'Landschapskenmerken' houtsingels zijn gesitueerd (besloten gebied.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 6 Agrarisch

6.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch'.

6.2 Functieomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden hebben de volgende functies:

  • a. grondgebonden agrarische bedrijven, al dan niet in combinatie met ondergeschikte intensieve veehouderij;
  • b. agrarische cultuurgronden;

en daaraan ondergeschikte functies:

  • c. bestaand wonen ten behoeve van de bestemming (bedrijfswonen);
  • d. nevenactiviteiten;
  • e. dagrecreatief medegebruik;
  • f. bestaande kleinschalige kampeerterreinen;
  • g. recreatieappartementen;
  • h. maatschappelijke en zorgactiviteiten;
  • i. bêd & brochje;
  • j. een boerderijwinkel;

en tevens voor:

  • k. groenvoorzieningen;
  • l. openbare nutsvoorzieningen;
  • m. ontsluitingen;
  • n. voet-, fiets- en ruiterpaden;
  • o. water;
  • p. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • q. parkeervoorzieningen.
6.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 van het omgevingsplan gelden tevens de volgende beoordelingsregels.

6.3.1 Gebouwen grondgebonden agrarische bedrijven

Voor het bouwen van gebouwen, met uitzondering van nieuwe serrestallen die niet zijn toegestaan, ten behoeve van grondgebonden agrarische bedrijven al dan niet in combinatie met ondergeschikte intensieve veehouderij, bestaande loonbedrijven en bestaande agrarische veetransportbedrijven gelden de volgende regels:

  • a. de goot- en bouwhoogte van bedrijfsgebouwen voor de huisvesting van vee bedragen niet meer dan 5 m respectievelijk 15 m;
  • b. de goot- en bouwhoogte van overige bedrijfsgebouwen bedragen niet meer dan 6 m respectievelijk 15 m;
  • c. de dakhelling van bedrijfsgebouwen bedraagt niet minder dan 15°, met uitzondering van plat afgedekte ondergeschikte bebouwing tot een gezamenlijke oppervlakte van niet meer dan 150 m²;
  • d. ten behoeve van ondergeschikte intensieve veehouderij mag niet meer dan 500 m² aan bedrijfsgebouwen worden gebouwd;
  • e. ten behoeve van teeltondersteunende (boog- en gaas-) kassen mag niet meer dan 1000 m² aan (boog- en gaas-) kassen worden gebouwd;
  • f. op de gronden ter plaatse van de aanduiding "relatie" mag niet meer dan één grondgebonden agrarisch bedrijf gevestigd worden;
  • g. per bouwvlak mag niet meer dan één bedrijfswoning worden gebouwd met een bebouwde oppervlakte van niet meer dan 150 m², dan wel het bestaande aantal;
  • h. de goot- en bouwhoogte van een niet-inpandige bedrijfswoning bedragen niet meer dan 3,5 m respectievelijk 9 m;
  • i. de dakhelling van een niet-inpandige bedrijfswoning bedraagt niet minder dan 30° en niet meer dan 50°;
  • j. bij bedrijfswoningen mag ondergeschikte bebouwing worden gebouwd, met dien verstande dat de bouwregels voor bedrijfsbebouwing van overeenkomstige toepassing zijn;
  • k. het is verboden om te bouwen, indien het bouwen leidt tot vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting.
6.3.2 Gebouwen overige functies

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van de in 6.1 onder d en g t/m j genoemde functies geldt dat niet meer dan 1/3 deel van de oppervlakte van bedrijfsgebouwen mag worden gebruikt ten behoeve van de genoemde activiteiten en buitenopslag niet is toegestaan en met dien verstande dat:

  • a. per (grondgebonden) agrarisch bedrijf niet meer dan 5 recreatieappartementen zijn toegestaan;
  • b. de oppervlakte per recreatieappartement niet meer dan 88 m² bedraagt;
  • c. per (grondgebonden) agrarisch bedrijf niet meer dan 5 logiesruimten ten behoeve van bêd en brochje zijn toegestaan;
  • d. een boerderijwinkel ten behoeve van de verkoop van streekproducten een gezamenlijke verkoopvloeroppervlakte heeft van niet meer dan 100 m².
  • e. het is verboden om te bouwen, indien het bouwen leidt tot vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting.
6.3.3 Gebouwen openbare nutsvoorzieningen

Voor het bouwen van gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding gelden de volgende regels:

  • a. de inhoud per gebouw bedraagt niet meer dan 50 m³;
  • b. de bouwhoogte bedraagt niet meer dan 3 m.
6.3.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering bedraagt niet meer dan 15 m, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van sleufsilo's niet meer dan 3 m bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte, exclusief de afdekking, van mestsilo's niet meer dan 5 m bedraagt;
    • 3. er mogen geen installaties voor mestverwerking al dan niet in combinatie met energieopwekking worden gebouwd, met uitzondering van de bestaande installaties;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen en voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding bedraagt niet meer dan 5,5 m;
  • c. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van terrein- en erfscheidingen bedraagt niet meer dan 2 m;
  • d. de bouwhoogte van damwanden bedraagt niet meer dan 40 cm vanaf het peil;
  • e. er mogen geen windturbines worden gebouwd,
  • f. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van een paardenbak, met uitzondering van lichtmasten die niet zijn toegestaan, bedraagt niet meer dan 1,5 m.
6.4 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met het oog op het voorkomen van onevenredige aantasting van:

  • a. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie;
  • b. de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 Landschapskenmerken behorende bij deze regels;
  • c. de verkeersveiligheid.
6.5 Vergunningplicht voor afwijken van de beoordelingsregels bouwen
6.5.1 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van:

  • a. het gestelde onder 6.3.1, aanhef en onder a en c ten behoeve van een hogere goothoogte en afwijkende dakhelling en/of dakvorm voor het bouwen van een serrestal;
  • b. het gestelde onder 6.3.1 onder b ten behoeve van een hogere goothoogte;
  • c. het gestelde onder 6.3.1 onder g ten behoeve van het bouwen van een (tweede) bedrijfswoning;
  • d. het gestelde onder 6.3.4 onder a ten behoeve van een hogere bouwhoogte, exclusief de afdekking, voor mestsilo's;
  • e. het gestelde onder 6.3.4 onder f ten behoeve van het bouwen van lichtmasten voor paardenbakken,
  • f. het gestelde onder 6.2 en 6.3 voor het bouwen van sanitaire gebouwen ten behoeve van een nieuw kleinschalig kampeerterrein dan wel het uitbreiden van een bestaand kleinschalig kampeerterrein.
6.5.2 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in artikel 6.5.1 a t/m f wordt verleend als er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie;
    • 2. de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 'Landschapskenmerken' behorende bij deze regels;
    • 3. de verkeersveiligheid.
  • b. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.1 onder a kan worden verleend met dien verstande dat:
    • 1. onevenredige lichthinder voorkomen dient te worden door het aandragen van (technische) maatregelen door de initiatiefnemer;
    • 2. de goothoogte niet meer bedraagt dan 6 m.
  • c. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.1 onder b kan worden verleend ten behoeve van een hogere goothoogte van niet meer dan 8 m voor overige bedrijfsgebouwen (niet bedoeld voor de huisvesting van vee).
  • d. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.1 onder c kan worden verleend met dien verstande dat:
    • 1. deze afwijking niet kan worden toegepast ter plaatse van het bouwvlak waarin de aanduiding "agrarisch loonbedrijf" is opgenomen;
    • 2. de noodzaak van de (tweede) bedrijfswoning voor de bedrijfsvoering aannemelijk is gemaakt;
    • 3. de afstand van een (tweede) bedrijfswoning tot een kleinschalige kampeerterrein met ten hoogste 15 kampeerplaatsen ten minste 30 m dient te bedragen;
    • 4. de afstand van een (tweede) bedrijfswoning tot een kleinschalige kampeerterrein met ten hoogste 25 kampeerplaatsen ten minste 50 m dient te bedragen.
  • e. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.1 onder d kan worden verleend met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van een lichtmast niet meer dan 6 m mag bedraagt.
  • f. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.1 onder e kan worden verleend met dien verstande dat:
    • 1. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 6 m;
    • 2. onevenredige lichthinder voorkomen dient te worden door het aandragen van (technische) maatregelen door de initiatiefnemer.
  • g. Een omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.5.1 onder f kan worden verleend met dien verstande dat de afwijking van de omgevingsvergunning plaatsvindt ná, dan wel gelijktijdig, met de afwijking van de omgevingsvergunning als bedoeld in 6.7.2 onder b.
  • h. Voor een omgevingsvergunning als bedoeld in 6.5.1 a t/m f geldt dat door de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Handleiding inrichtingsplan (Bijlage 4) een inrichtingsplan is opgesteld dat door burgemeester en wethouders is goedgekeurd voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan.
6.6 Specifieke functieregels

Het is verboden om:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van bouwwerken voor niet-permanente bewoning;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande ondergeschikte gebouwen voor bewoning;
  • c. het stallen of laten stallen van vlieg-, vaar- en voertuigen, anders dan ten behoeve van het woongenot en van de bedrijfsvoering;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als standplaats voor kampeermiddelen, met uitzondering van de bestaande kleinschalige kampeerterreinen;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken voor detailhandel voor zover niet genoemd in 6.2, met dien verstande dat een boerderijwinkel een verkoopvloeroppervlakte heeft van ten hoogste 100 m²;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van bedrijfsmatige paardenhouderijen en/of maneges;
  • g. het huisvesten of onderbrengen of laten huisvesten of onderbrengen van vee anders dan op de begane grond van bedrijfsgebouwen;
  • h. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van volwaardige intensieve veehouderijen;
  • i. het wijzigen van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen;
  • j. de gronden en bouwwerken in gebruik te nemen zonder dat de landschappelijke inpassing is gerealiseerd voordat een start wordt gemaakt met het bouwen en dat deze landschappelijke inpassing in stand worden gehouden overeenkomstig met het landschappelijk inpassingsplan in Bijlage 5 van deze regels
  • k. horeca, voor zover niet genoemd in 6.2;
  • l. gronden en bouwwerken te gebruiken voor vergisting, mono-mestvergisting en/of covergisting.
6.7 Vergunningplicht voor afwijken van de specifieke functieregels
6.7.1 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van:

  • a. het gestelde in 6.6 onder d het gebruiken of laten gebruiken van gronden als standplaats voor kampeermiddelen, met uitzondering van de bestaande kleinschalige kampeerterreinen;
  • b. het gestelde in 6.6 onder j het wijzigen van het bestaande aantal dierplaatsen, bestaande diersoorten en/of bestaande stalsystemen;
6.7.2 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 6.7.1 wordt verleend als geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie;
    • 2. de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 Landschapskenmerken behorende bij deze regels;
    • 3. de verkeersveiligheid.
  • b. De omgevingvergunning als bedoeld in lid 6.7.1 onder a kan worden verleend indien:
    • 1. het totaal aantal kleinschalige kampeerterreinen binnen het plangebied niet meer bedraagt dan 20;
    • 2. een kleinschalig kampeerterrein alleen is toegestaan voor zover bij het agrarisch bedrijf ten minste één bedrijfswoning aanwezig is;
    • 3. het kleinschalig kampeerterrein op gronden direct aansluitend bij de bestaande bebouwing moet worden gesitueerd;
    • 4. niet meer dan 15 kampeerplaatsen zijn toegestaan indien de afstand van een kampeerplaats tot de dichtstbijzijnde bestemmingsgrens van een bestemming waarop een (bedrijfs)woning is toegestaan, anders dan de bedrijfswoning behorend bij het agrarisch bedrijf, 30 m of meer bedraagt;
    • 5. niet meer dan 25 kampeerplaatsen zijn toegestaan indien de afstand van een kampeerplaats tot de dichtstbijzijnde bestemmingsgrens van een bestemming waarop een (bedrijfs)woning is toegestaan, anders dan de bedrijfswoning behorend bij het agrarisch bedrijf, 50 m of meer bedraagt;
    • 6. uitsluitend mobiele kampeermiddelen op een kleinschalig kampeerterrein zijn toegestaan;
    • 7. uitsluitend in de periode van het kampeerseizoen kampeermiddelen op een kleinschalig kampeerterrein zijn toegestaan.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in 6.7.1 onder b kan worden verleend indien:
    • 1. de uitbreiding en/of wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande ammoniakemissie;
    • 2. de wijziging niet leidt tot een toename van de bestaande stikstofdepositie binnen Natura 2000-gebieden, dan wel;
    • 3. de toename van stikstofdepositie vanaf de betreffende veehouderij en de bijbehorende gronden niet leidt tot een overschrijding dan wel verdere overschrijding van de kritische depositiewaarden voor verzuringsgevoelige habitats binnen Natura 2000-gebieden.
  • d. Voor de omgevingsvergunning als bedoeld in 6.7.2 onder b geldt dat:
    • 1. door de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Bijlage 4 Handleiding inrichtingsplan een inrichtingsplan is opgesteld dat voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan is goedgekeurd;
    • 2. het parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
    • 3. er geen sprake mag zijn van onevenredige verkeersaantrekkende werking.

Artikel 7 Agrarisch met waarden - Open gebied

7.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als 'Agrarisch met waarden - Open gebied'

7.2 Functieomschrijving

Een als 'Agrarisch met waarden - Open gebied' aangewezen locatie heeft als functie:

  • a. agrarische cultuurgronden;

en daaraan ondergeschikt voor:

  • b. dagrecreatief medegebruik;
  • c. het behoud en het herstel van het reliëf van het maaiveld ten behoeve van de landschappelijk en cultuurhistorisch waardevolle kruinige percelen;
  • d. bestaande kleinschalige kampeerterreinen;
  • e. bestaande paardenbakken;
  • f. bestaande mestsilo's;
  • g. bestaande mestopslag;

en tevens voor:

  • h. het behoud en herstel van cultuurhistorische, landschappelijke en natuurlijke waarden, waarvan de landschappelijke waarden zijn gespecificeerd in de bij deze regels behorende Bijlage 2 Landschapskenmerken;
  • i. voorzieningen ten behoeve van de waterhuishouding;
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. water;
  • l. openbare nutsvoorzieningen;
  • m. ontsluitingswegen, waaronder kavelpaden;
  • n. voet-, fiets- en ruiterpaden;
  • o. parkeervoorzieningen.
7.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten
7.3.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd, met uitzondering van:

  • a. gebouwen ten behoeve van openbare nutsvoorzieningen, met dien verstande dat:
    • 1. de inhoud per gebouw niet meer dan 50 m³ bedraagt;
    • 2. de bouwhoogte per gebouw niet meer dan 3 m bedraagt;
7.3.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van damwanden bedraagt niet meer dan 40 cm vanaf het peil, met dien verstande dat de oeverlengte van damwanden niet meer bedraagt dan 20 m, dan wel de bestaande bouwhoogte en oeverlengte;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van een paardenbak, met uitzondering van lichtmasten die niet zijn toegestaan, bedraagt niet meer dan 1,5 m;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraagt niet meer dan 2 m.
7.4 Vergunningplicht voor afwijken van de beoordelingsregels bouwen
7.4.1 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van:

  • a. het gestelde in 7.3.1 het verbod voor het bouwen van bouwen van sanitaire gebouwen ten behoeve van nieuwe en bestaande kleinschalige kampeerterreinen
  • b. het gestelde in 7.3.2 lichtmasten ten behoeve van een paardenbak.
7.4.2 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.4.1 wordt verleend als geen onevenredige aantasting plaatsvind van:
    • 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie;
    • 2. de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 'Landschapskenmerken' behorende bij deze regels;
    • 3. de verkeersveiligheid.
  • b. Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in lid 7.3.1 onder a kan worden verleend indien:
    • 1. de gezamenlijke oppervlakte niet meer dan 50 m² mag bedragen;
    • 2. de goothoogte niet meer dan 5 m bedraagt;
    • 3. de bouwhoogte niet meer dan 6 m bedraagt
    • 4. zo veel mogelijk wordt aangesloten op bestaande bebouwing en kan worden aangetoond dat er geen ruimte is binnen het bouwvlak;
    • 5. de afwijking van de omgevingsvergunning ten behoeve van een nieuw kleinschalig kampeerterrein, dan wel het uitbreiden van een bestaand kleinschalig kampeerterrein, kan slechts plaatsvinden ná, dan wel gelijktijdig, met de afwijking van de omgevingsvergunning als bedoeld in 7.6.2 onder b.
  • c. Een omgevingsvergunning zoals bedoeld in 7.3.2 onder b kan worden verleend indien:
    • 1. de bouwhoogte van lichtmasten niet meer bedraagt dan 6 m;
    • 2. onevenredige lichthinder voorkomen dient te worden door het aandragen van (technische) maatregelen door de initiatiefnemer.
  • d. Voor de omgevingsvergunning als bedoeld in 7.4.2 onder a en b geldt dat de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Handleiding inrichtingsplan (Bijlage 4) een inrichtingsplan is opgesteld dat door burgemeester en wethouders is goedgekeurd voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan.
7.5 Specifieke functieregels
7.5.1 Strijdig gebruik

Het is verboden om:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van gronden als standplaats voor kampeermiddelen, met uitzondering van de bestaande kleinschalige kampeerterreinen;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden als opslag-, stort- of bergplaats van al dan niet afgedankte goederen en materialen;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van de gronden voor verblijfsrecreatie, met uitzondering van het bepaalde in 7.2;
  • d. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor paardenbakken, met uitzondering van bestaande paardenbakken;
  • e. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor mestsilo's en de opslag van mest, met uitzondering van bestaande mestsilo's en van bestaande opslag van mest;
  • f. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor het winnen van delfstoffen;
  • g. het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor evenementen in categorie 2 en 3.
7.6 Vergunningplicht voor afwijken van de functieregels
7.6.1 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning en in afwijking van:

  • a. het gestelde in 7.5.1 onder a voor het gebruiken van een nieuw kleinschalig kampeerterrein dan wel het uitbreiden van het gebruik van een bestaand kleinschalig kampeerterrein bij agrarische bedrijven en woningen;
  • b. het gestelde in 7.5.1 onder d voor het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor paardenbakken, met uitzondering van bestaande paardenbakken;
  • c. het gestelde in 7.5.1 onder e voor het gebruiken of laten gebruiken van gronden voor mestsilo's en de opslag van mest, met uitzondering van bestaande mestsilo's en van bestaande opslag van mest.
7.6.2 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 7.6.1 wordt verleend als geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie;
    • 2. de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 Landschapskenmerken behorende bij deze regels;
    • 3. de verkeersveiligheid.
  • b. In afwijking van 7.1 en 7.2 kan de omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.6.1 onder a worden verleend indien:
    • 1. het totaal aantal kleinschalige kampeerterreinen op het grondgebied van de voormalige gemeente Kollumerland c.a. niet meer bedraagt dan 20;
    • 2. een kleinschalig kampeerterrein alleen is toegestaan aansluitend aan en behorende bij bestaande agrarische (klein)bedrijfserven en bestaande woonerven;
    • 3. een kleinschalig kampeerterrein alleen is toegestaan voor zover bij het agrarisch (klein)bedrijf ten minste één bedrijfswoning dan wel een woning aanwezig is;
    • 4. het kleinschalig kampeerterrein op gronden direct aansluitend bij de bestaande agrarische- en woonbebouwing moet worden gesitueerd;
    • 5. niet meer dan 15 kampeerplaatsen zijn toegestaan indien de afstand van een kampeerplaats tot de dichtstbijzijnde bestemmingsgrens van een bestemming waarop een (bedrijfs)woning is toegestaan, anders dan de (bedrijfs)woning behorend bij het kampeerterrein, 30 m of meer bedraagt en indien sprake is van een perceel, inclusief de bestaande (woon)bebouwing, van een oppervlakte van ten minste 0,5 hectare;
    • 6. niet meer dan 25 kampeerplaatsen zijn toegestaan indien de afstand van een kampeerplaats tot de dichtstbijzijnde bestemmingsgrens van een bestemming waarop een (bedrijfs)woning is toegestaan, anders dan de (bedrijfs)woning behorend bij het kampeerterrein, 50 m of meer bedraagt en indien sprake is van een perceel, inclusief de bestaande (woon)bebouwing, van een oppervlakte van ten minste 0,75 hectare;
    • 7. uitsluitend mobiele kampeermiddelen op een kleinschalig kampeerterrein zijn toegestaan;
    • 8. uitsluitend in de periode van het kampeerseizoen kampeermiddelen op een kleinschalig kampeerterrein zijn toegestaan,
    • 9. de afstand tot de bestaande (voormalige) agrarische bebouwing dan wel de woning behorende bij het eigen perceel niet meer dan 25 m bedraagt.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.6.1 onder b kan worden verleend voor het gebruiken van een paardenbak, anders dan bedoeld in 7.2.
  • d. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 7.6.1 onder c kan worden verleend, met dien verstande dat:
    • 1. is aangetoond dat de mestopslag milieuhygiënisch inpasbaar is in de omgeving;
    • 2. is aangetoond dat de aanwezigheid van een mestopslag binnen een agrarisch bouwvlak om bedrijfstechnische redenen niet gewenst is.
  • e. Voor de omgevingsvergunning als bedoeld in 7.6.2 onder b geldt dat:
    • 1. door de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Bijlage 4 Handleiding inrichtingsplan een inrichtingsplan is opgesteld dat voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan is goedgekeurd;
    • 2. het parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
    • 3. er geen sprake mag zijn van onevenredige verkeersaantrekkende werking;
    • 4. door de initiatiefnemer moet zijn aangetoond dat in redelijkheid geen ruimte is op het bestaande woon- of agrarische bouwperceel voor het oprichten van een kleinschalig kampeerterrein.
  • f. Voor de omgevingsvergunning als bedoeld in 7.6.2 onder c en d geldt dat:
    • 1. door de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Handleiding inrichtingsplan (Bijlage 4) een inrichtingsplan is opgesteld dat voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan is goedgekeurd.
7.7 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
7.7.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. de aanleg en/of het verleggen van voet-, fiets- en ruiterpaden;
  • b. de aanleg en/of het verleggen van ontsluitingswegen;
  • c. de aanleg van dagrecreatieve voorzieningen in de vorm van picknickplaatsen, aanlegplaatsen, parkeervoorzieningen, visoevers, vaarwater en dergelijke;
  • d. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen met een oppervlakte van meer dan 100 m²;
  • e. het uitvoeren van seismologisch onderzoek;
  • f. het ophogen, afgraven, egaliseren of afschuiven van gronden met een oppervlakte van meer dan 100 m², zodanig dat er een verschil in hoogte c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 10 cm;
  • g. het (ver)graven en dempen van waterlopen;
  • h. het aanbrengen van opgaande beplanting tot maximaal 1 ha, met uitzondering van erf- en wegbeplanting
7.7.2 Uitzondering vergunningplicht

Het bepaalde in 7.7.1 is niet van toepassing op vergunde werken of werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. bestaan uit het gedeeltelijk dempen van watergangen ten behoeve van het realiseren van niet meer dan twee dammen in een watergang, met een breedte van niet meer dan 10 m per dam, mits na realisering van de nieuwe dam of dammen ten minste 75% van de oorspronkelijke lengte van de watergang resteert.
7.7.3 Beoordelingsregel

Bij een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.7.1 gelden de volgende regels:

  • a. een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.7.1kan alleen worden verleend als hierdoor geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische en landschappelijke waarden, waarbij de landschappelijke waarden zijn gespecificeerd in Bijlage 2 Landschapskenmerken, met dien verstande dat:
    • 1. een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.7.1 onder f alleen kan worden verleend als geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van het maaiveld;
    • 2. een omgevingsvergunning als bedoeld in 7.7.1, onder g uitsluitend wordt verleend op basis van:
      • een door de aanvrager in te dienen landschapsplan dat in overeenstemming is met de beschrijving landschapskenmerken - open gebied, zoals die zijn weergegeven in de bij deze regels behorende Bijlage 2 Landschapskenmerken;
      • een motivering van de bedrijfstechnische en bedrijfseconomische nut/noodzaak van (de omvang van) het (ver)graven of dempen van een watergang;
  • b. voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden omgevingsvergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in zijn geheel in de beoordeling betrokken;
  • c. indien het verlenen van de omgevingsvergunning als bedoeld in 7.7.1 gevolgen kan hebben voor de waterhuishouding, wordt de aanvraag voor de omgevingsvergunning voorgelegd aan het bevoegde waterschap met het verzoek de aanvraag te voorzien van een deskundigenadvies.
7.7.4 Aanvraagvereisten

Alvorens een omgevingsvergunning te verlenen moet worden besloten dat de omgevingsvergunning pas kan worden verleend nadat door de aanvrager een motivering is overgelegd waarin in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de landschappelijke inpassing is gewaarborgd.

Artikel 8 Waarde Archeologie 1

8.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 1’.

8.2 Functieomschrijving

Een voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen locatie heeft als functie, naast de aangegeven samenvallende functies (basisfunctie, tevens het herstel en behoud van archeologische waarden.

In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel vóór de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

8.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd,
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwwerken dienen ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 100 m² wordt uitgebreid;
    • 2. de bouwwerken een oppervlakte hebben dat kleiner is dan 100 m².
8.4 Vergunningplicht voor afwijken van de beoordelingsregels bouwen
8.4.1 Uitzondering vergunningplicht

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 8.3 onder a en b, voor het bouwen van bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met meer dan 100 m² wordt uitgebreid en voor het bouwen van bouwwerken, met een oppervlakte groter dan 100 m².

8.4.2 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.4.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. een verplichting de uitvoering van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
8.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
8.5.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 100 m² en waarbij dieper wordt gegraven dan 30 cm;
  • b. het graven van watergangen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 30 cm;
  • d. verlagen van het peil.
8.5.2 Uitzondering vergunningplicht

Het bepaalde in 8.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreden van het plan; of
  • b. het normale onderhoud betreffen; of
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; of
  • d. op archeologisch onderzoek gericht zijn.
8.5.3 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 8.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumenten zorg.

Artikel 9 Waarde Archeologie 2

9.1 Toepassingsbereik

De regels in dit artikel zijn van toepassing op de locaties die zijn aangewezen als ‘Waarde – Archeologie 2’.

9.2 Functieomschrijving

Een voor 'Waarde Archeologie 2' aangewezen locatie heeft als functie, naast de aangegeven samenvallende functies (basisfunctie, tevens het herstel en behoud van archeologische waarden.

In geval van strijdigheid van regels gaan de regels van dit artikel vóór de regels die ingevolge andere artikelen op de desbetreffende gronden van toepassing zijn.

9.3 Beoordelingsregels bouwactiviteiten

Voor het bouwen van bouwwerken gelden de volgende regels:

  • a. op deze gronden mogen geen bouwwerken worden gebouwd,
  • b. in afwijking van het bepaalde onder a mogen bouwwerken worden gebouwd, met dien verstande dat:
    • 1. de bouwwerken dienen ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de bestaande oppervlakte met niet meer dan 2.500 m² wordt uitgebreid;
    • 2. de bouwwerken een oppervlakte hebben dat kleiner is dan 2.500 m².
9.4 Vergunningplicht voor afwijken van de beoordelingsregels bouwen
9.4.1 Uitzondering vergunningplicht

Burgemeester en wethouders kunnen bij een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 9.3 onder a en b, voor het bouwen van bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte met meer dan 2.500 m² wordt uitgebreid en voor het bouwen van bouwwerken, met een oppervlakte groter dan 2.500 m².

9.4.2 Beoordelingsregels

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 9.4.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat er geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door bouwactiviteiten niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. de volgende voorwaarden in acht genomen worden indien, op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. een verplichting de uitvoering van werken en werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.
9.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
9.5.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden betreft met een oppervlakte groter dan 2.500 m² en waarbij dieper wordt gegraven dan 30 cm;
  • b. het graven van watergangen;
  • c. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en drainage en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur dieper dan 30 cm;
  • d. verlagen van het peil.
9.5.2 Uitzondering vergunningplicht

Het bepaalde in 9.5.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:

  • a. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het inwerkingtreden van het plan; of
  • b. het normale onderhoud betreffen; of
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden; of
  • d. op archeologisch onderzoek gericht zijn.
9.5.3 Beoordelingsregel

Een omgevingsvergunning als bedoeld in 9.5.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumenten zorg.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 10 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 11 Algemene bouwregels

In aanvulling op het bepaalde in dit plan gelden de volgende algemene bouwregels:

  • a. voor zover legaal gebouwde (delen van) bouwwerken op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan niet voldoen aan de in het plan genoemde aantallen, percentages en maten (waaronder de situering, volume, oppervlakte en dakhelling), gelden de dan aanwezige bestaande aantallen, percentages en maten, uitsluitend ter plaatse van de afwijking, als vervangende regel;
  • b. voor zover legaal aangelegde (delen van) werken, geen bouwwerk zijnde en/of werkzaamheden op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan niet voldoen aan de in het plan genoemde regels voor het aanleggen van werken, geen bouwwerk zijnde en/of het uitvoeren of laten uitvoeren van werkzaamheden, gelden deze uitsluitend ter plaatse van de afwijking, als vervangende regel;
  • c. ten behoeve van particuliere opwekking van elektriciteit is het bouwen van wokkels en turbi's op het dak van een gebouw toegestaan voor zover de toegestane bouwhoogte, c.q. de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt, met niet meer dan 2 meter wordt overschreden

Artikel 12 Algemene gebruiksregels

12.1 Strijdig gebruik

Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Tot een gebruik in strijd met dit omgevingsplan wordt in ieder geval begrepen:

  • a. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van risicovolle inrichtingen;
  • b. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van inrichtingen als bedoeld in bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht;
  • c. het gebruiken of laten gebruiken van gronden en bouwwerken ten behoeve van seksinrichtingen.
12.2 Evenementen
  • a. Evenementen uit categorie 1 zijn toegestaan, mits de bestemming evenementen toestaat en hiervoor een vergunning dan wel toestemming op grond van andere regelgeving is verleend.
  • b. Evenementen uit categorie 2 en 3 zijn niet toegestaan, tenzij de bestemming dit ter plaatse van de aanduiding "evenemententerrein" toestaat, voor de aangegeven aantal dagen per kalenderjaar en hiervoor een vergunning dan wel toestemming op grond van andere regelgeving is verleend.
12.3 Beroep/bedrijf aan huis bij (bedrijfs)woningen
  • a. Bij (bedrijfs)woningen is een beroep/bedrijf aan huis zoals genoemd in de Bijlage 3 Lijst van toegestane beroepen en bedrijven aan huis behorende bij deze regels toegestaan.
  • b. De uitoefening van een beroep/bedrijf aan huis is uitsluitend toegestaan voor zover de woonfunctie in overwegende mate wordt gehandhaafd en geen ernstige hinder of afbreuk wordt gedaan aan het woonmilieu. Dit betekent dat:
    • 1. de woonfunctie in ruimtelijke en visuele zin primair moet blijven;
    • 2. uitsluitend zeer beperkte reclame-uitingen zijn toegestaan;
    • 3. parkeren op eigen erf moet plaatsvinden;
    • 4. geen sprake mag zijn van een onevenredige verkeers- en/of publieksaantrekkende werking;
    • 5. bij het hebben van een webwinkel de levering van producten (inkoop en verkoop) niet thuis plaatsvindt maar wordt verzorgd via post/koerier;
    • 6. geen buitenopslag van goederen plaats mag vinden;
    • 7. de woonfunctie mag worden gecombineerd met een beroep/bedrijf aan huis, voor zover de oppervlakte hiervan niet meer dan 50% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, vermeerderd met het oppervlak van aan het hoofdgebouw gebouwde ondergeschikte gebouwen bedraagt, met een maximum van 45 m².
  • c. Vrijstaande ondergeschikte gebouwen mogen niet worden gebruikt (of laten gebruiken) voor een beroep/bedrijf aan huis, met uitzondering van het gebruiken of laten gebruiken van vrijstaande onderschikte gebouwen voor een beroep/ bedrijf aan huis ten behoeve van opslag.

Artikel 13 Algemene aanduidingsregels

13.1 Vrijwaringszone - Radar grondstation Burum
  • a. Nieuwe bouwwerken met een bouwhoogte van meer dan 7 m, die zijn toegestaan op grond van de bestemmingsregels en voor zover zijn gelegen binnen het gebied ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - radar grondstation Burum 1" mogen niet worden gebouwd zonder een toetsing vooraf door het Ministerie van Defensie. Uit de toetsing dient te zijn gebleken dat geen ontoelaatbare verstoring van de ontvangst van het aanwezige grondstation plaatsvindt.
  • b. Nieuwe bouwwerken met een bouwhoogte van meer dan 22 m, die zijn toegestaan op grond van de bestemmingsregels en voor zover zijn gelegen binnen het gebied ter plaatse van de aanduiding "vrijwaringszone - radar grondstation Burum 2" mogen niet worden gebouwd zonder een toetsing vooraf door het Ministerie van Defensie. Uit de toetsing dient te zijn gebleken dat geen ontoelaatbare verstoring van de ontvangst van het aanwezige grondstation plaatsvindt.

Artikel 14 Algemene afwijkingsregels

14.1 Afwijking maatvoering
14.1.1 Aanwijzing vergunningplichtige activiteiten

Het is verboden om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning af te wijken van en/of voor:

  • a. de in het plan gegeven maten, afmetingen en percentages;
  • b. het overschrijden van bestemmings- of bouwgrenzen of aanduidingsgrenzen zoals bepaald in het plan;
  • c. het bepaalde in het plan ten aanzien van de maximum goothoogte van bedrijfswoningen;
  • d. van toegestane maatvoering voor ondergeschikte bebouwing;
  • e. de vestiging van een beroep/bedrijf aan huis dat niet is genoemd in de Bijlage 3 'Lijst van toegestane beroepen en bedrijven aan huis';
  • f. bouwwerken, geen gebouwen zijnde voor duurzame opwekking van energie, op (bouw)percelen van:
    • 1. agrarische bedrijven;
    • 2. niet-agrarische bedrijven;
    • 3. maatschappelijke voorzieningen;
    • 4. recreatieve bestemmingen;
    • 5. natuurbestemmingen;
14.1.2 Beoordelingsregels
  • a. Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 14.1.1 a t/m d wordt verleend als geen onevenredige aantasting plaatsvindt van:
    • 1. de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden, waaronder de bezonnings- en privacysituatie;
    • 2. de landschapskenmerken als opgenomen in Bijlage 2 Landschapskenmerken behorende bij deze regels;
    • 3. de verkeersveiligheid.
  • b. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1.1 onder a kan worden verleend indien tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages teneinde deze bij de definitieve uitmeting van het plan in overeenstemming te brengen met de feitelijke situatie.
  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1.1 onder b kan worden verleend indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft.
  • d. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1.1 onder c kan worden verleend voor een goothoogte van maximaal 6 meter.
  • e. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1.1 onder d kan worden verleend indien:
    • 1. de afwijkingsmogelijkheid uitsluitend ziet op die gevallen waarbij sprake is van karakteristieke kleinschaligheid van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
    • 2. de afwijkingsmogelijkheid uitsluitend wordt toegepast in combinatie met de instandhouding van de karakteristieke kleinschaligheid van het oorspronkelijke hoofdgebouw;
    • 3. de goothoogte van ondergeschikte bebouwing niet meer bedraagt dan 5 m;
    • 4. de bouwhoogte van ondergeschikte bebouwing niet meer bedraagt dan 8 m.
  • f. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1.1 onder e kan worden verleend indien deze beroepen/bedrijven aan huis naar aard en effecten op het woon- en leefklimaat kunnen worden gelijkgesteld aan beroepen/bedrijven aan huis die wel zijn genoemd en bovendien geen sprake is van activiteiten die vergunningplichtig of meldingplichtig zijn ingevolge de Wet milieubeheer.
  • g. De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 14.1.1 onder f kan worden verleend indien:
    • 1. het bouwwerk, geen gebouw zijnde, uitsluitend dient ten behoeve van het gebruik op het bijbehorende (bouw)perceel of samenhangt met het fysieke beheer en onderhoud van het betreffende natuurgebied;
    • 2. de aard en schaal in relatie dient te staan tot de aangetoonde energiebehoefte van het bijbehorende perceel;
    • 3. de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 1,5 meter;
    • 4. sprake is van een goede landschappelijke inpassing.
  • h. Voor de omgevingsvergunning als bedoeld in 14.1.2 b t/m g geldt dat:
    • 1. door de initiatiefnemer conform de richtlijnen uit de bij deze regels behorende Bijlage 4 Handleiding inrichtingsplan een inrichtingsplan is opgesteld dat voorafgaand aan de besluitvorming over de omgevingsvergunning voor het afwijken van het omgevingsplan is goedgekeurd;
    • 2. het parkeren op eigen erf dient plaats te vinden;
    • 3. er geen sprake mag zijn van onevenredige verkeersaantrekkende werking.

Artikel 15 Overige regels - Afstemmingsregels

15.1 Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van het omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist.

15.2 Van toepassing verklaring

De regels en bijbehorende bijlagen van onderstaande bestemmingsplannen zijn onverminderd van toepassing op dit plan:

  • a. Het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan kleine windmolens gemeente Noardeast-Fryslân - Partiële herziening” (NL.IMRO.1970.BpKleinewindmolens-VA01), zoals dat is vastgesteld op 27 januari 2022;
  • b. Het bestemmingsplan "Paraplubestemmingsplan covergisting en mono-mestvergisting" (NL.IMRO.1970.BpVergisting-VA01), zoals die is vastgesteld op 18 april 2024.
15.3 Nieuwbouw en herbouw van (bedrijfs-)woningen

Indien nieuwbouw of herbouw van een bestaande (bedrijfs-)woning plaatsvindt, moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • a. de bestaande en op basis van dit plan mogelijke bedrijfsvoering, dan wel de woonsituatie op omliggende percelen, dan wel nabij gelegen percelen, niet in een ongunstiger situatie komt te verkeren;
  • b. indien de (bedrijfs -)woning dichter naar de weg wordt gerealiseerd in relatie tot de bestaande situering, dient de geluidsbelasting op de gevel niet meer te bedragen dan de voorkeursgrenswaarde.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 16 Overgangsrecht

16.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot:
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Burgemeester en wethouders kunnen eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met niet meer dan 10%.
  • c. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
16.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het omgevingsplan strijdige gebruik, bedoeld onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan

Artikel 17 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het wijzigingsplan 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22f Gruytsweg 6, Warfstermolen' van de gemeente Noardeast-Fryslân.