direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Herontwikkeling Camping Briltil
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1969.TPBR24HERS01-VA01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Op het terrein van de voormalige jachthaven en camping Briltil aan de Niekerkerdiep Noordzijde in Briltil is initiatiefnemer voornemens om 17 vrijstaande woningen te realiseren. Omdat op de locatie nu nog de bestemming 'Recreatie' ligt, waarbinnen woongebouwen niet zijn toegestaan, is een wijziging van het tijdelijke deel van het omgevingsplan (hierna: omgevingsplan) nodig. Voorliggende wijziging van het omgevingsplan heeft als doel de realisatie van deze woningen juridisch-planologisch mogelijk te maken.

1.2 Ligging en begrenzing werkingsgebied

Het werkingsgebied ligt ten westen van Zuidhorn en vormt hier een soort schiereiland. Het gebied wordt namelijk grotendeels omringd door het Hoendiep en het Niekerkerdiep. Ten zuidwesten van het werkingsgebied ligt een ontsluiting op de Niekerkerdiep Zuidzijde, die ten zuiden van het werkingsgebied loopt. In onderstaande afbeelding is de ligging van het werkingsgebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPBR24HERS01-VA01_0001.png"

Figuur 1.1: Globale weergave van het werkingsgebied.

1.3 Vigerende plannen

Het werkingsgebied ligt in Omgevingsplan tijdelijk deel “Bestemmingsplan Kernen Briltil en Zuidhorn” en heeft de bestemming 'Recreatie' en 'Water'. Op het werkingsgebied liggen ook de functieaanduidingen 'kampeerterrein' en 'landschapswaarden' en de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone – straalpad'. Het realiseren van de woningen is binnen de bestemming 'Recreatie' niet toegestaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPBR24HERS01-VA01_0002.png"

Figuur 1.2 Uitsnede Bestemmingsplan Kernen Briltil en Zuidhorn.

Daarnaast ligt het werkingsgebied ook in het bestemmingsplan “Parapluplan parkeren Westerkwartier”. Dit bestemmingsplan bevat de parkeernormen van de gemeente.

Ten slotte is ook het bestemmingsplan “Geitenhouderijen” van kracht. Dit omgevingsplan regelt de nieuwvestiging en uitbreiding van geitenhouderijen.

1.4 Leeswijzer

In het volgende hoofdstuk wordt het planvoornemen beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het relevante beleid samengevat. In hoofdstuk 4 wordt nader ingegaan op de gevolgen voor de fysieke leefomgeving. Een toelichting op de juridische regels staat in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 wordt nader ingegaan op de economische- en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Achtergrond en historie

Briltil werd rond 1575 doorsneden door het Kolonelsdiep en sinds de jaren 1650 door het Hoendiep. Tot in de jaren dertig van de twintigste eeuw was het Hoendiep de hoofdvaarroute van de stad Groningen naar Friesland. Langs het diep werd een trekweg aangelegd waaraan bedrijvigheid is ontstaan. Enkele pel- en oliemolens, de scheepswerf Barkmeijer en de melkfabriek die in 1891 werd gebouwd. Met het graven van het nieuwe Van Starkenborghkanaal was het Hoendiep niet meer van economisch belang waarna de bedrijvigheid afnam. De melkfabriek sloot haar deuren in 1984, waarna het in 2002 gesloopt is en plaats heeft gemaakt voor nieuwbouw.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPBR24HERS01-VA01_0003.png"

Figuur 2.1: Globale weergave van het werkingsgebied omstreeks 1950.

Het naastgelegen dorp Zuidhorn maakte in de tweede helft van de twintigste eeuw een sterke groei door. Door de bouw van de wijk Hoendiep in 1990 kwam Zuidhorn tegen Briltil aan te liggen en raakte het noordoosten ingesloten. Echter wist Briltil zijn eigen naam te behouden en wordt het nu enkel doorsneden door het Hoendiep. De beroepsvaart maakte plaats voor pleziervaart na de aanleg van de jachthaven.

Midden tachtiger jaren is de locatie van de haven als grasland aangekocht. Samen met een schipper uit de pleziervaart zijn er plannen gemaakt voor de aanleg van de haven. Dit heeft geresulteerd in een insteekhaven van 200 meter met totale afmeer gelegenheid langs de wal van 250 meter.

2.2 Planbeschrijving

De loodsen aan de noordkant van het werkingsgebied worden gesloopt. De sloop van de loodsen schept hiermee ruimte. Na verschillende studies en overleg met de gemeente Westerkwartier is er een situatie opgezet waarbij er in totaal 17 kavels worden gesitueerd. Dit betreffen woonkavels variërend tussen de 650 m2 en 950 m2 in grootte. De kavel op de kop mag worden vormgegeven als accent van het werkingsgebied. De kavels worden alle ontsloten via de nieuw gesitueerde groene toegangsweg. Alle kavels zijn op het water georiënteerd, wat resulteert in een dynamische opzet met een optimale ruimtebeleving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPBR24HERS01-VA01_0004.png"

Figuur 2.2: Ruimtelijke opzet van het werkingsgebied.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Algemeen

De woningbouwontwikkeling die met dit omgevingsplan mogelijk wordt gemaakt moet aansluiten op ruimtelijk en planologisch beleid en bestaande wet- en regelgeving. Dit hoofdstuk beschrijft het ruimtelijke beleidskader op rijks-, provinciaal- en gemeentelijk niveau.

3.2 Rijk

3.2.1 Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de eerste rijksbrede visie op de fysieke leefomgeving (vastgesteld, 2020). In de visie komt naar voren dat Nederland voor grote uitdagingen staat die van invloed zijn op de fysieke leefomgeving. Duurzame ontwikkeling is, net als in de Omgevingswet, een belangrijk uitgangspunt in de NOVI.

De NOVI brengt de langetermijnvisie van het Rijk in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:

  • ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie;
  • duurzaam economisch groeipotentieel;
  • sterke en gezonde steden en regio's;
  • toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

De onderhavige woningbouwontwikkeling is van kleinschalige aard. Er worden geen nationale belangen uit de NOVI geraakt.

3.2.2 Besluit kwaliteit leefomgeving - Laddertoets

Bij gebiedsontwikkeling is een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele van belang. Hierbij hanteert het Rijk de Ladder voor duurzame verstedelijking (hierna: de Ladder). Deze is opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving. De Ladder houdt in dat in de toelichting bij een plan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, een beschrijving bevat van de behoefte aan die ontwikkeling en, als het ruimtelijke plan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het stedelijke gebied, een motivering waarom niet binnen bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Nieuwe stedelijke ontwikkeling

Woningbouwprojecten met meer dan 11 woningen worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daar is met voorliggend plan sprake van, omdat er 17 nieuwe woningen worden gerealiseerd. De 17 woningen zijn meegenomen in de woningbouwbehoefte van 400-700 woningen in Zuidhorn/Briltil voor de periode 2020-2029, zoals opgenomen in de Woonvisie 2020-2025 van de gemeente Westerkwartier (vastgesteld, 2021). Daarmee is de kwantitatieve behoefte aan de ontwikkeling aangetoond. Daarnaast zet de gemeente in op een gevarieerd aanbod van nieuwbouwwoningen, waaronder een aanbod van voldoende vrijstaande kavels. Dit plan voorziet hierin.

Bestaand stedelijk gebied

Voor bestaand stedelijk gebied wordt uitgegaan van een bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, en ook de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur.

De ontwikkeling vindt plaats op gronden die nu bestemd zijn voor opslag, een kampeerterrein en een jachthaven en wordt gezien als bestaand stedelijk gebied. Met herstructurering wordt de locatie geschikt gemaakt voor woningbouw. De ontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

Conclusie rijksbeleid

Het voornemen om 17 woningen te realiseren past in het rijksbeleid.

3.3 Provincie

3.3.1 Omgevingsvisie provincie Groningen

De Actualisatie Omgevingsvisie 2021 van provincie Groningen bevat de integrale lange termijnvisie van de provincie op de fysieke leefomgeving. Doel van de omgevingsvisie is het aantrekkelijke woon- en leefklimaat in de provincie verder verbeteren. Het accent in het beleid ligt op het benutten van de ontwikkelingsmogelijkheden, naast het beschermen van de karakteristieke bebouwde en onbebouwde elementen.

Een belangrijk doel van de Omgevingsvisie is om op strategisch niveau samenhang aan te brengen in het beleid voor de fysieke leefomgeving. Daarom zijn de visies op verschillende terreinen, zoals ruimtelijke ontwikkeling, landschap en cultureel erfgoed, natuur, verkeer en vervoer, water, milieu en gebruik van natuurlijke hulpbronnen, zoveel mogelijk samengevoegd en inhoudelijk met elkaar verbonden. Er zijn ook onderdelen opgenomen van het provinciale beleid voor economie, energie en cultuur en welzijn, voor zover die gevolgen hebben voor de fysieke leefomgeving. In deze Omgevingsvisie is al het provinciale beleid dat op de een of andere manier raakt aan de fysieke leefomgeving, geformuleerd en geordend in vijf samenhangende thema's (ruimte, natuur en landschap, water, mobiliteit, milieu) en elf provinciale belangen.

De Omgevingsvisie is een kaderstellend document voor de uitwerking van het beleid op deelterreinen door de provincie zelf en door gemeenten en waterschappen. De provincie wil met de Omgevingsvisie ruimte bieden en uitnodigen. Maar uit deze Omgevingsvisie vloeien ook richtlijnen en voorschriften voort, die zijn vastgelegd in de provinciale Omgevingsverordening. Hiermee werkt het omgevingsbeleid (ruimtelijke ordening, water, mobiliteit en milieu) door in de plannen van gemeenten en waterschappen.

3.3.2 Omgevingsverordening provincie Groningen

De Geconsolideerde Omgevingsverordening provincie Groningen 2022 (hierna: Omgevingsverordening) bevat regels voor de fysieke leefomgeving in provincie Groningen. Deze regels richten zich op de thema's: ruimtelijke ordening, water, infrastructuur, milieu en ontgrondingen. De Omgevingsverordening is nauw verbonden met de Omgevingsvisie provincie Groningen, zoals hierboven is beschreven. Onderstaande artikelen zijn van toepassing op de locatie waar de woningen gepland zijn:

Woningbouw (artikel 2.15.1)

In artikel 2.15.1 is opgenomen dat een ruimtelijk plan alleen kan voorzien in de bouw van nieuwe woningen, voor zover deze woningbouwmogelijkheden naar aard, locatie en aantal in overeenstemming zijn met een regionale woonvisie die rekening houdt met regionale woningbehoefteprognoses die de provincie elke twee jaar uitbrengt. In de Woonvisie Westerkwartier 2020-2025 (vastgesteld, 2021) is een bandbreedte voor nieuwbouw (nieuwbouwruimte) opgenomen. Voor Zuidhorn is dat voor de periode 2020-2029 400 tot 700 woningen. De 17 eenheden uit dit initiatief zijn meegenomen in deze nieuwbouwruimte. De regionale afstemming is hiermee geborgd.

Windenergie (artikel 2.41.1)

In het werkingsgebied zijn geen nieuwe windturbines toegestaan, op grond van artikel 2.41.1. Het omgevingsplan voorziet niet in de realisatie van nieuwe windturbines en voldoet daarmee aan dit artikel uit de Omgevingsverordening.

Grootschalig open landschap (artikel 2.51)

In het noorden van het werkingsgebied behoort een deel tot grootschalig open landschap en is daarom aangeduid als landschappelijk waardevol. In de regels van het omgevingsplan moeten regels opgenomen worden ter bescherming van landschappelijke openheid. In het omgevingsplan is een functieaanduiding opgenomen, ter bescherming en behoud van het grootschalig open landschap.

Regionale waterkeringen (artikel 3.6)

Er geldt voor een gedeelte van het werkingsgebied een norm voor de bergings- en afvoercapaciteit van regionale wateren in het werkingsgebied. Een deel van het gebied is aangeduid als Bebouwd gebied. Daarbij hoort een norm van 1:100 jaar. Middels de digitale watertoets is het Waterschap op de hoogte gesteld van dit plan. Er zijn geen aandachtpunten uit de toets naar voren gekomen, waarmee geconcludeerd kan worden dat het plan de waterveiligheid niet aantast. Zie ook paragraaf 4.14 van deze toelichting.

Conclusie provinciaal beleid

Het voornemen om 17 nieuwe woningen te realiseren past in het provinciale omgevingsbeleid.

3.4 Gemeente

3.4.1 Omgevingsvisie Westerkwartier 2040

De Omgevingsvisie Westerkwartier 2040 (vastgesteld, 2022) schets de lange termijn visie voor de gemeente Westerkwartier tot het jaar 2040. De Omgevingsvisie zet in op vier overkoepelende ambities:

  • 1. Verbonden met de omgeving, verbonden met elkaar;
  • 2. Een toekomstbestendig Westerkwartier voor jong en oud;
  • 3. Een bedrijvig en innovatief Westerkwartier in een sterke regio;
  • 4. Een gastvrije, aantrekkelijke niet-stedelijke woongemeente.

De gemeente Westerkwartier is in de visie geduid als een niet-stedelijke woongemeente met grote landschappelijke kwaliteiten. Ongebreidelde groei qua woningbouw is ongewenst. De gemeente neemt verantwoordelijkheid in het voorzien in de regionale en landelijke huisvestingsvraag, maar dat dient wel te passen in het landschappelijke raamwerk. Voor nieuwe ontwikkellocaties wordt eerst gekeken naar mogelijkheden om binnen de bestaande dorpen te bouwen door intensiveren en herstructureren van bestaand bebouwd gebied.

Met dit plan wordt een deels verhard en bebouwd terrein herontwikkeld tot woningbouw. Hierdoor is er sprake van herstructurering van het bestaand bebouwde gebied en daarmee passend binnen de Omgevingsvisie Westerkwartier 2040.

3.4.2 Woonvisie Westerkwartier 2020-2025

De komende jaren staat de gemeente Westerkwartier voor forse woonopgaven. De samenstelling van de bevolking in de dorpen verandert, er wordt gewerkt aan de kwaliteit en verduurzaming van de woningvoorraad en tegelijkertijd moet wonen in het Westerkwartier betaalbaar blijven voor iedereen. De ruimte voor nieuwe woningen is per dorp verschillend. De Woonvisie Westerkwartier (vastgesteld, 2021) beschrijft het woonbeleid voor de komende vijf jaar om in te kunnen spelen op deze opgaven en daarmee bij te dragen aan een goed woonklimaat en veilig, betaalbaar en duurzaam wonen in de gemeente Westerkwartier.

Nieuwbouw maakt dorpen aantrekkelijker en voor Zuidhorn/Briltil geldt dat er voldoende ruimte is om de komende jaren een gevarieerd woningaanbod te realiseren. In de woonvisie is een bandbreedte aan nieuwbouwruimte opgenomen van 400-700 woningen in Zuidhorn/Briltil. De 17 woningen van de onderhavige ontwikkeling zijn hierin opgenomen.

Conclusie gemeentelijk omgevingsbeleid

Het voornemen om 17 woningen te realiseren past in het gemeentelijke omgevingsbeleid.

Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten

4.1 Archeologie en cultuurhistorie

Relevant kader

De Monumentenwet 1988 is per 1 juli 2016 vervallen. Een deel van de wet is op deze datum overgegaan naar de Erfgoedwet. Het deel dat betrekking heeft op de besluitvorming in de fysieke leefomgeving is overgegaan naar de Omgevingswet.

De kern van het onderdeel cultuurhistorie in de Omgevingswet is dat, wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het werkingsgebied bevatten. Het doel hiervan is om cultuurhistorische belangen meer te laten meewegen in de ruimtelijke ordening. Voor zover in een werkingsgebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.

Doorwerking in het werkingsgebied

In het kader van de onderhavige ontwikkeling is archeologisch onderzoek uitgevoerd (Bijlage 1). Hieruit is gebleken dat de bodem in het werkingsgebied niet overal meer intact is. Er zijn veel werkzaamheden in het verleden op het perceel uitgevoerd (een sloot graven en dempen, een haven graven, vele leidingen aanleggen, veel bomen planten, een grote loods en woning bouwen). Daar waar de bodem intact is, is onder de kleilagen een veenrestant aangetroffen met een dekzand met podzolbodem. Hoewel dit hoogstwaarschijnlijk betekent dat de omstandigheden geschikt waren voor menselijke activiteiten in de steentijd, zijn hier geen indicatoren van aangetroffen. Er zijn sowieso geen archeologische indicatoren waargenomen, alleen enkele puinspikkels uit de verstoorde bouwvoor.

Conclusie

Het aspect archeologie vormt hiermee geen belemmering voor het plan.

4.2 Bedrijven en milieuzonering

Relevant kader

Indien door middel van een plan of project nieuwe milieugevoelige functies mogelijk worden gemaakt, zoals woningen, moet worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen bedrijven in de directe omgeving van de ontwikkelingslocatie niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt.

Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen functies met een milieuzone en gevoelige functies is de VNG-publicatie als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn in een standaard bedrijvenlijst, richtlijnafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. In de VNG-publicatie zijn voor het bepalen van de richtafstanden de volgende uitgangpunten gehanteerd:

  • het betreft 'gemiddeld' moderne bedrijfsactiviteiten met gebruikelijke productieprocessen en voorzieningen;
  • de richtafstanden hebben betrekking op de omgevingstypen 'rustige woonwijk' en 'rustig buitengebied'. Bij het omgevingstype 'gemengd gebied' kan worden uitgegaan van kortere afstanden (verlaging met één afstandsstap, met uitzondering van het aspect 'gevaar');
  • de richtafstanden bieden in beginsel ruimte voor normale groei van de bedrijfsactiviteiten;
  • bij activiteiten met ruimtelijk duidelijk te onderscheiden deelactiviteiten (zoals productie, opslag, kantoren, parkeerterreinen) kunnen deze deelactiviteiten desgewenst als afzonderlijk te zoneren activiteiten worden beschouwd, bijvoorbeeld bij ligging van de activiteit binnen zones met een verschillende milieucategorie. De richtafstanden lopen op naar mate sprake is van een bedrijf in een hogere milieucategorie.

Doorwerking in het werkingsgebied

Het werkingsgebied wordt grotendeels omringd door water. Ten oosten van het werkingsgebied, aan de andere kant van het Hoendiep ligt de kern Zuidhorn met alleen woningen binnen een afstand van 200 meter. Aan de westkant van het werkingsgebied bevinden zich ook woningen aan het Niekerkerdiep Noordzijde. Ten zuidoosten van het werkingsgebied bevindt zich een steakhouse. Deze valt, als restaurant, onder milieucategorie 1 met een richtafstand van 10 meter.

Conclusie

Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.3 Bodem

Relevant kader

Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Dit betekent dat het aspect bodemkwaliteit voor vrijwel alle nieuwe ontwikkelingen, die met ruimtelijke plannen mogelijk worden gemaakt, onderzocht moet worden.

In de toelichting op een omgevingsplan moet inzicht worden verkregen over de uitvoerbaarheid van het plan. Dit betekent dat er onder andere inzicht verkregen moet worden in de noodzakelijke financiële investering van een (mogelijk noodzakelijke) bodemsanering. Hierbij moet worden opgemerkt dat ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening het bestemmen van gronden met een bodem van onvoldoende milieuhygiënische kwaliteit met een hiervoor gevoelige bestemming in beginsel moet worden voorkomen.

Doorwerking in werkingsgebied

Om de bodemkwaliteit te beoordelen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd (Bijlage 2). In een aantal (meng)monsters is verhoogde gehalten aan onderzochte parameters aangetroffen in de grond en het grondwater. Bij de meeste (meng)monsters zijn alleen licht verhoogde gehalten aanwezig en is nader onderzoek niet nodig. Bij boring 05 is een matig verhoogd gehalte aan PAK aanwezig en zal nader onderzoek uitgevoerd moeten worden om te bepalen of er mogelijk sprake is van ernstige milieuverontreiniging. Daarnaast zijn diverse boringen gestaakt op ondoordringbare lagen en om een juist beeld te verkrijgen van de bodemopbouw zal ook hier nader onderzoek moeten plaatsvinden.

Dit aanvullende bodemonderzoek heeft plaatsgevonden (Bijlage 3). Uit dit onderzoek blijkt dat onder de asfaltverhardingen op het buitenterrein aan laag verontreinigd stortmateriaal aanwezig is. Voor de herontwikkeling van de locatie zullen de aanwezige asfaltverhardingen, de verontreinigde stortlaag en de puinlagen onder het gebouw en het toegangspad afgevoerd moeten worden naar een erkende verwerker. Daarna moet de ondergrond nog bemonsterd worden en zal het grondwater bij boring 05 en 15 aanvullend onderzocht moeten worden om te verifiëren of het grondwater ter plaatse is verontreinigd met PAK. Daarna kan worden bepaald of verdere sanering noodzakelijk is.

Conclusie

Na het verwijderen van asfalt en puin kan blijken dat sanering nodig is. Op voorwaarde van eventuele sanering is het plan uitvoerbaar en vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.4 Duurzaamheid

Relevant kader

De gemeente Westerkwartier vindt het duurzaam ontwikkelen van zijn gemeente belangrijk. Het gemeentelijk duurzaamheidsbeleid staat verwoord in het beleidsstuk 'Duurzaamheidsbeleid 2020-2025'. De centrale doelstelling hierin is: 'Het realiseren van een duurzame samenleving in het Westerkwartier, waarin invulling wordt gegeven aan ons deel van de (inter) nationale klimaatdoelen: 50% CO2-reductie in 2030 en volledig CO2-neutraal in 2050'.

De gemeente onderscheidt drie beleidszuilen waarop zijn hun duurzaamheidsbeleid beschrijven:

  • Toekomstbestendige woonsituatie
  • Klimaatvriendelijke leefomgeving
  • Circulaire economie

Om haar gemeentelijke doelstellingen te halen staan in het beleidsstuk een aantal actie- en speerpunten. Dit omgevingsplan voorziet voornamelijk in een bijdrage van speerpunt 10. Speerpunt 10 is 'Bij de (her)inrichting van gebieden en transformatie van gebieden hebben we standaard klimaatvriendelijke ontwerpprincipes toegepast'.

Met de concrete uitwerking van de bouwplannen wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met klimaatvriendelijke ontwerpprincipes door zoveel mogelijk rekening te houden met een groene inrichting, duurzame materialen en het toepassen van duurzame manieren van energieopwekking/bronnen. Voor de materialen geldt dat bij de aanvraag omgevingsvergunning de MilieuPrestatie Gebouwen (MPG) verplicht is. De MPG is een belangrijke maatstaf voor de duurzaamheid van een gebouw. Hoe lager de MPG, hoe duurzamer het materiaalgebruik.

Het wettelijk beleid ten aanzien van energiezuinig bouwen is opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen sinds 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).

Doorwerking in werkingsgebied

De nieuwbouw van de woningen zal volgens de huidige normen voor duurzaamheid plaatsvinden. De toekomstige woningen worden in ieder geval gasloos uitgevoerd. De woningen voldoen verder aan de BENG eisen. Verder wordt gekeken naar extra maatregelen in de vorm van bijvoorbeeld een warmtepomp met aardwarmtebron en/of zonnepanelen.

Conclusie

Het aspect duurzaamheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.5 Externe veiligheid

Relevant kader

Externe veiligheid betreft het risico dat aan bepaalde activiteiten verbonden is voor niet bij de activiteit betrokken personen. Het externe veiligheidsbeleid richt zich op het voorkomen en beheersen van risicovolle bedrijfsactiviteiten en van risicovol transport. Het gaat daarbij om de bescherming van individuele burgers en groepen tegen ongevallen met gevaarlijke stoffen of omstandigheden. Het beoordelingskader externe veiligheid richt zich met name op het handelen met en het transport van gevaarlijke stoffen en kan naar risicobron grofweg als volgt ingedeeld worden:

  • inrichtingen waar risicovolle activiteiten plaatsvinden;
  • buisleidingen;
  • vervoer over weg, water of spoor.

Bij een omgevingsplanwijziging moet het werkingsgebied worden getoetst aan het vigerende beleid voor externe veiligheid. Om de ontwikkeling verder in procedure te kunnen brengen is het noodzakelijk aan te tonen dat de omgeving geen onaanvaardbare risico's veroorzaakt voor de ontwikkeling.

Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico.

Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde.

Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp.

Doorwerking in werkingsgebied

Uit het register Externe Veiligheid van het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat blijkt dat het plan geen overlap heeft met bestaande risicocontouren. Daarnaast worden er geen activiteiten of inrichtingen mogelijk gemaakt die risico's veroorzaken voor (beperkt) kwetsbare objecten.

Conclusie

Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.6 Gezondheid

Relevant kader

Binnen de Omgevingswet heeft het beschermen van de gezondheid een plek gekregen. Artikel 2.1 van de Omgevingswet geeft aan dat bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in ieder geval rekening moet worden gehouden met het beschermen van de gezondheid. Hierdoor zal bij elke ruimtelijke keuze worden beoordeeld wat dit doet met de gezondheid van de mens.

Afdeling 2.2 van het Beluit kwaliteit leefomgeving gaat over de omgevingswaarden beschermen van de gezondheid en het milieu. Milieueisen worden gesteld om de kwaliteit van het milieu te beschermen. Met het beschermen van de kwaliteit van het milieu wordt teven de gezonde leefomgeving beschermd.

Doorwerking in werkingsgebied

De woningen worden gerealiseerd op een voormalig recreatieterrein. Uit de overige milieuaspecten blijkt dat er geen belemmeringen zijn of aspecten zijn die de gezondheid van toekomstige bewoners in gevaar kan brengen. Daarnaast heeft deze ontwikkeling geen effect op de gezondheid van bestaande bewoners in de omgeving.

4.7 Geluid

Relevant kader

De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

Doorwerking in werkingsgebied

Om de geluidskwaliteit te beoordelen is een akoestisch onderzoek uitgevoerd, zie Bijlage 4. Uit dit onderzoek is gebleken dat de nieuwe woningen een geluidsbelasting van ten hoogste 48 dB ondervinden. Deze geluidsbelasting wordt veroorzaakt door het wegverkeerslawaai van de gemeente wegen rondom het werkingsgebied. Hiermee wordt voldaan aan de standaardwaarde van 53 dB die geldt voor de gemeente wegen. Aanvullende maatregelen zijn niet nodig.

Conclusie

Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.8 Kabels en leidingen

In omgevingsplannen worden uitsluitend kabels en leidingen (gas, water, elektra, rioolpersleidingen) opgenomen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. Deze leidingen lopen niet door het werkingsgebied.

Conclusie

Het aspect kabels en leidingen vormt geen belemmering voor dit plan.

4.9 Luchtkwaliteit

Relevant kader

In de Wet milieubeheer en het Besluit kwaliteit leefomgeving zijn luchtkwaliteitsnormen opgenomen voor een aantal stoffen die de luchtkwaliteit bepalen. In Nederland dreigen in de meeste gevallen enkel overschrijdingen van de omgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof. De omgevingswaarden voor deze stoffen zijn weergegeven in onderstaande tabel:

Stof   Type norm   Omgevingswaarde(µg/m3)  
Stikstofdioxide (NO2)   Jaargemiddelde concentratie   40  
Fijnstof (PM10)   Jaargemiddelde concentratie   40  
Fijnstof (PM2.5)   Jaargemiddelde concentratie   25  

Tabel 4.1 Omgevingswaarden luchtkwaliteit

Doorwerking in werkingsgebied

Op basis van de Grootschalige Concentratiekaarten Nederland (https://data.rivm.nl/apps/gcn/, versie juni 2023) zijn de achtergrondconcentraties in de omgeving van het werkingsgebied bepaald. Deze concentraties zijn opgenomen in onderstaande tabel. De achtergrondconcentraties liggen ruim onder de grenswaarden.

Stof   2022 (µg/m3)   2025 (µg/m3)   2030 (µg/m3)  
Stikstofdioxide (NO2)   7   7   6  
Fijnstof (PM10)   14   12   11  
Fijnstof (PM2.5)   7   6   5  

Tabel 4.2 Achtergrondconcentraties

De bijdrage van het plan aan de luchtkwaliteit wordt gevormd door de toename van het verkeer van en naar het werkingsgebied. Het extra verkeer van het plan betreft een weekdaggemiddelde van maximaal 150 vervoersbewegingen per dag. Dit getal is gebaseerd op extra verkeersgeneratie van 17 woningen volgens de CROW kentallen functie weinig stedelijk gebied. Dit getal is naar boven afgerond op het eerstvolgende tiental. Op basis van de NIBM-tool, versie 2022 (https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/nibm-tool/) is de bijdrage van het verkeer aan de luchtkwaliteit berekend. Hierbij is als worst case uitgangspunt een aandeel vrachtverkeer van 10% gehanteerd. De resultaten van de berekening met de NIBM-tool zijn in de tabel hieronder te zien. De maximale bijdrage extra verkeer ligt onder de grens voor “Niet In Betekenende Mate”. Er is geen nader onderzoek nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPBR24HERS01-VA01_0005.png"

Tabel 4.3 NIBM-tool berekening

Conclusie

Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.10 Natuur

Relevant kader

In het kader van de bescherming van de natuur is onderzocht of de werkzaamheden en activiteiten negatieve effecten (kunnen) hebben voor beschermde natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden, de NNN-gebieden (Natuur Netwerk Nederland) en eventueel gebieden buiten het NNN, zoals weidevogelleefgebieden, akkervogelgebieden en ganzenfoerageergebieden. Daarnaast is onderzocht of de ontwikkeling consequenties heeft, die invloed kunnen hebben of de flora en fauna in het werkingsgebied. Hiervoor is een verkennend natuuronderzoek uitgevoerd (Bijlage 5).

Doorwerking in werkingsgebied

Uit het onderzoek blijkt dat versnippering of verstoring van een Natura 2000-gebied niet aan de orde is. Vanwege stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden Drentsche Aa en Bakkeveense duinen, moet een berekening met het AERIUS-model worden uitgevoerd. Zie voor deze berekening en een toelichting op de berekening paragraaf 4.11 'Stikstof'.

Binnen het projectgebied is glad biggenkruid aangetroffen. Als het gedeelte met glad biggenkruid door de herinrichting verloren gaat, moet een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit aangevraagd worden.

De te kappen bomen en houtopstanden zijn gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten en geschikte holtes voor vleermuizen. Deze zijn niet aangetroffen, zie Bijlage 6.

Om verstoring van verblijfplaatsen en van overvliegende en foeragerende vleermuizen te voorkomen, moet tijdens de uitvoering van werkzaamheden in de actieve periode van vleermuizen (maart-november) geen kunstlicht worden gebruikt.

Om te voorkomen dat werkzaamheden effect hebben op categorie 5 nestbroedvogels, algemene broedvogels, beschermde zoogdieren (bever, steenmarter, egel, haas en huisspitsmuis), beschermde amfibieën (bastaardkikker, meerkikker, bruine kikker en gewone pad) en om invulling te geven aan de zorgplicht, moeten de volgende maatregelen worden genomen:

  • Als werkzaamheden binnen de periode maart tot en met half augustus plaatsvinden (broedseizoen), moet een ecologische check op het werkgebied uitgevoerd worden, maximaal drie dagen voorafgaand aan de werkzaamheden.
  • Als in gebruik zijnde nesten worden aangetroffen, moet een ecoloog bepalen of en waar werkzaamheden mogen worden uitgevoerd.
  • Werkzaamheden worden rustig opgestart, er wordt in één richting gewerkt.
  • Bij het aantreffen van dieren wordt aan deze de gelegenheid gegeven om het werkingsgebied te kunnen verlaten.

De geplande werkzaamheden leiden niet tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN Groningen en weidevogel-leefgebied, omdat het werkingsgebied buiten de grenzen van deze gebieden valt.

Conclusie

Op voorwaarde van een eventuele omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit is het plan uitvoerbaar en vorm het aspect ecologie geen belemmering voor dit plan.

4.11 Stikstof

Relevant kader

Met de Omgevingswet worden soorten en habitattypen van
Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Het uiteindelijke doel is het bereiken van een landelijke gunstige staat van instandhouding voor alle door de richtlijnen beschermde soorten en habitats. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen.

Doorwerking in werkingsgebied

Om de eventuele stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden te bepalen is een stikstofonderzoek uitgevoerd (Bijlage 7). Uit dit onderzoek blijkt dat zowel in de realisatiefase als in de gebruiksfase de toename in stikstof niet meer bedraagt dan 0,00 mol N/ha/jaar. Negatieve effecten in stikstofgevoelige habitattypen en/of in stikstofgevoelige leefgebieden zijn uitgesloten.

Conclusie

Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor dit plan.

4.12 Verkeer en parkeren

4.12.1 Verkeer

De ontwikkeling van de woningen genereert verkeer. Om deze reden is een notitie Verkeer en parkeren opgesteld (Bijlage 8). Op basis van het bouwprogramma van 17 woningen is de totale verkeersgeneratie op etmaalbasis week- en werkdagniveau bepaald. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is een beroep gedaan op de 'Kerncijfers parkeren en verkeersgeneratie' van het CROW. Gelet op het beoogde woonmilieu wordt uitgegaan van een verkeersaantrekkende werking van 7,8 – 8.6 per woning per weekdagetmaal.

Opgemerkt moet worden dat de huidige functie van het kampeerterrein ook een verkeersaantrekkende werking met zich meebracht. De verkeersgeneratie ten gevolge van deze functie komt met de (her)ontwikkeling te vervallen en zou in theorie in mindering kunnen worden gebracht op de verkeersgeneratie. In voorliggende berekening is echter uitgegaan van een worst case-benadering en is geen mindering toegepast op de berekende verkeersgeneratie.

Uit het onderzoek blijkt dat de ontwikkeling van 17 woningen en haar extra verkeersintensiteiten geen substantiële invloed heeft op de verkeersstructuur, de verkeersafwikkeling, het gebruik en de verkeersveiligheid. Aanvullende maatregelen zijn niet noodzakelijk.

4.12.2 Parkeren

De gemeente Westerkwartier hanteert voor de parkeernormen de parkeercijfers van het CROW. Met deze kerncijfers is de parkeerbehoefte berekend (Bijlage 8). Om de parkeervraag te bepalen gaat men uit van een vrijstaand koophuis in 'rest en overige kern' met een parkeerbehoefte van minimaal 1,9 en maximaal 2,7 (gemiddeld 2,3) per woning. Het bezoekersaandeel is in dit geval 0,3 parkeerplaats. Het benodigde aantal parkeerplaatsen is 39 (34 voor bewoning en 5 voor bezoekers)

Bij elke woning worden twee parkeerplaatsen (in totaal 34) gerealiseerd op eigen terrein en 5 parkeerplaatsen worden gerealiseerd bij de ingang van de jachthaven. Het totaal komt op 39 parkeerplaatsen en voldoet daarmee aan het maximaal aantal benodigde parkeerplaatsen.

Daarnaast wordt nog één parkeerplaatsen gerealiseerd voor een auto met een trailer.

Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoer van dit plan.

4.13 M.e.r.-beoordeling

Relevant kader

Het instrument milieueffectapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieu een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid die kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. In de Omgevingswet wordt onderscheid gemaakt in m.e.r. voor plannen (plan-m.e.r.) en m.e.r. voor projecten (project-m.e.r.) In beide gevallen kan er sprake zijn van een milieueffectrapport (MER) of m.e.r.-beoordeling (een procedure waarin moet worden onderzocht of een MER nodig is).

Doorwerking in werkingsgebied

Het project betreft de bouw van woningen. Dit project staat onder J11 in Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Project J11 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit betreft 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en parkeerterreinen'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPBR24HERS01-VA01_0006.png"

Uit de Bijlage V blijkt geldt dat er geen rechtstreekse m.e.r.-plicht geldt, maar een m.e.r.-beoordelingsplicht. Voor deze beoordeling is een aanmeldingsnotitie opgesteld, zie Bijlage 9. Uit deze notitie blijkt dat gelet op de aard en omvang van de effecten in combinatie met de mitigerende maatregelen er geen aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn, als gevolg van het planvoornemen.

Conclusie

Het aspect m.e.r. vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

4.14 Water

Relevant kader

Op grond van artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving moet in een omgevingsplan rekening worden gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen, ook wel de weging van het waterbelang genoemd.

Het doel van de weging van het waterbelang is het waarborgen wat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle relevante ruimtelijke plannen en besluiten. Door middel van de weging van het waterbelang wordt in een vroeg stadium aandacht besteed aan het wateraspect. Er is een eerste digitale check gedaan om te bepalen wat de waterhuishoudkundige gevolgen zijn voor het plan. Deze is toegevoegd in bijlage 10. Uit deze check volgt dat contact opgenomen moet worden met het waterschap Noorderzijlvest om de plannen verder af te stemmen.

Uitgangspunt van het waterschap Noorderzijlvest is dat er zowel kwantitatief als kwalitatief geen verslechtering mag optreden door het plan. In het kader van het omgevingsplan worden de kaders geschapen voor beperkte ontwikkelingen als gevolg waarvan de waterhuishouding in beperkte mate kan veranderen.

Doorwerking in werkingsgebied

De toegangsweg wordt bestraat met gebakken klinkers in keperverband voor optimale waterinfiltratie. De weg wordt bolrond bestraat, zodat het overige hemelwater via een gescheiden rioleringssysteem naar het oppervlaktewater kan worden afgevoerd. De groenstroken parallel aan de toegangsweg funcgeren als overstort voor extra waterinfiltratie bij hevige regenval. Ook zullen de kavels naar het oppervaktewater worden afgeschuind, zodat regenwater kan weglopen. Om piekbelasting te voorkomen, is het wenselijk dat alle toekomstige hoofdgebouwen op de kavels worden voorzien van een blauwdaksysteem.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPBR24HERS01-VA01_0007.png"

Albeelding 4.1 Afwatering

Daarnaast wordt de huidige houten beschoeiing rondom het woongebied vervangen door natuurlijke oevers. De ligging van de regionale waterkering verandert niet door deze ontwikkeling.

Indien de toename van het verhard oppervlak kleiner is dan 500 m2 is er geen extra waterberging nodig. Het water vanaf de weg en de voetpaden wordt afgewaterd op de aangrenzende groenstroken. Daarnaast wordt gebruik gemaakt van halfverharding op de aan te leggen parkeerplaatsen en kan water van de woningen afwateren op de aanwezige watergangen.

In de bestaande situatie is meer verharding aanwezig dan in de nieuwe situatie. Daarnaast biedt het project een verbetering voor de waterinfiltratie. In de bestaande situatie is sprake van 4.864 m2 aan verhard oppervlak. In de nieuwe situatie gaat het om 3.808 m2. In afbeelding 4.2 is de verharding in de huidige en nieuwe situatie weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1969.TPBR24HERS01-VA01_0008.png"

Afbeelding 4.2 Verharding huidige en nieuwe situatie

Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.

Hoofdstuk 5 Juridische toelichting

5.1 Wijziging omgevingsplan

Het bestemmingsplan TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22A Herontwikkeling Camping Briltil voorziet in een actueel en adequaat juridisch kader voor de ontwikkeling en het beheer en van het werkingsgebied.

Dit bestemmingsplan is gemaakt conform SVBP2012 (Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012). Daarin zijn de regels gestandaardiseerd. De regels zijn opgemaakt in een vaste indeling en bevatten in principe voor elke functie (indien van toepassing) achtereenvolgens: toepassingsbereik, functieomschrijving, beoordelingsregels en maatwerkvoorschriften, specifieke functieregels.

Het digitale plan is raadpleegbaar via het internet (www.omgevingswet.overheid.nl). Daar zijn de digitale bestanden ook te downloaden.

5.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

5.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties geeft aan dat TAM-IMRO plannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-IMRO omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-IMRO omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.

5.2 Artikelsgewijze toelichting

Preambule

De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begripsbepalingen

Dit artikel verwijst naar de begripsbepalingen uit de Omgevingswet, het Beluit kwaliteit leefomgeving, het Besluit activiteiten leefomgeving, het Besluit bouwwerken leefomgeving, het Omgevingsbesluit en de Omgevingsregeling.

Artikel 2 Aanvullende begripsbepalingen

Het omgevingsplan van rechtswege bevat al een artikel met begrippen die van toepassing zijn op Hoofdstuk 22. In dit artikel zijn alleen begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.4 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-IMRO omgevingsplan.

Hoofdstuk 2 Functies en activiteiten

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Hierin is opgenomen dat het verboden is zonder omgevingsvergunning gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en activiteiten.

Artikel 5 Groen

Hierin zijn regels opgenomen met betrekking tot de functie 'Groen'.

Artikel 6 Verkeer

Hierin zijn regels opgenomen met betrekking tot de functie 'Verkeer'.

Artikel 7 Water

Hierin zijn regels opgenomen met betrekking tot de functie 'Water'.

Artikel 8 Wonen

Hierin zijn regels opgenomen met betrekking tot de functie 'Wonen'.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 9 Anti-dubbeltelbepaling

In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.

Artikel 10 Algemene aanduidingsregels

In dit artikel zijn regels opgenomen met betrekking tot de Vrijwaringszone - straalpad

Artikel 11 Algemene afwijkingsregels

In dit artikel zijn afwijkingsregels opgenomen met betrekking tot binnenplanse afwijkingsmogelijkheden.

Artikel 12 Overige algemene regels

In dit artikel zijn regels voor parkeren opgenomen en een voorwaardelijke verplichting om te voldoen aan de kaders van het beeldkwaliteitsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangsregels

Artikel 13 Overgangsrecht

In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen.

Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid

6.1 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Deze zogenaamde maatschappelijke uitvoerbaarheid heeft als doel om aan te tonen dat het omgevingsplan maatschappelijk draagvlak heeft. In deze fase heeft het Overleg ex artikel 3.1.1. Bro met diensten van rijk en provincie en met betrokken maatschappelijke organisaties plaatsgevonden.

Het Rijk

In het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) zijn de nationale belangen die juridische borging vereisen opgenomen. Dit omgevingsplan schaadt geen nationale belangen. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

De provincie

De provincie heeft geen opmerkingen op het plan.

Het waterschap

De digitale watertoets is doorlopen en naar aanleiding van de watertoets is contact opgenomen met het waterschap Noorderzijlvest. De opmerkingen van het waterschap zijn verwerk in paragraaf 4.14.

6.1.1 Participatie

Er zijn vier bewonersbijeenkomsten georganiseerd. Deze hebben plaatsgevonden op 20 december 2022, 14 maart 2023, 25 juli 2023 en 11 juni 2025. Bij deze bijeenkomsten zijn de plannen besproken en eventueel aangepast naar aanleiding van opmerkingen van de omwonenden. OIp de bewonersavond van 11 juni 2025 zijn de defintieve plannen gepresenteerd. De verslagen van de bijeenkomsten zijn toegevoegd in bijlage 11 bij deze toelichting.

6.2 Economische uitvoerbaarheid

De kosten die gepaard gaan met het plan worden door de initiatiefnemer gedragen. De kosten die ook uit dit plan kunnen voortvloeien, zijn aanvragen voor een tegemoetkoming in schade. Aanvragen om tegemoetkoming in schade kunnen op voorhand niet worden uitgesloten. De gemeente zal daarom met de initiatiefnemer een overeenkomst sluiten. Daarmee kan worden voorkomen dat de gemeenschap de kosten moet betalen die worden gemaakt in het belang van de aanvrager. Een exploitatieplan is niet nodig.