| Plan: | Bestemmingsplan Ruigahuizen - Natuurbegraafplaats Fryslân-West |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BPRUI15NATUURBEGRP-VA01 |
De aanleiding voor het opstellen van dit bestemmingsplan is de beoogde ontwikkeling van een natuurbegraafplaats nabij de Bremer Wildernis, tussen Ruigahuizen en Sondel. Het natuurbegraven is sinds enkele jaren aan een gestage opmars begonnen. In de omgeving van Zuidwesthoek is echter nog geen natuurbegraafplaats aanwezig.
De beoogde locatie is een voormalig productiebosje van Acaciahout. De initiatiefnemer wil het omvormen tot een gevarieerd, natuurlijk bos dat ruimte biedt aan natuurbegraven.
Hiervoor is een inrichtingsvoorstel gemaakt. De gemeente De Fryske Marren heeft uitgesproken positief te staan tegenover het initiatief en wil medewerking verlenen aan de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats.
In het onderhavige bestemmingsplan wordt de ruimtelijke en functionele ontwikkeling van het perceel beschreven en planologisch vastgelegd.
Aan het bestemmingsplan is een beheer- en inrichtingsplan gekoppeld waarin wordt uiteengezet hoe via bosbeheer stapsgewijs naar het beoogde beeld en het beoogde natuurdoel wordt toegewerkt.
Het omvormen van het voormalige productiebos tot natuurbegraafplaats heeft een wezenlijke meerwaarde op het gebied van landschap en natuur. Bovendien biedt het ruimte aan een nieuwe manier van begraven waaraan een groeiende behoefte bestaat.
Uitgangspunt is een gefaseerde ontwikkeling waarbij de natuurbegraafplaats in een periode van circa 25-30 jaar ontwikkeld wordt.
De locatie is gelegen in de omgeving van Ruigahuizen, tegen het bos van de Bremer Wildernis. Zowel het bos van de Bremer Wildernis als de beoogde locatie van de Natuurbegraafplaats maken deel uit van de EHS. De overige aanliggende gronden zijn landbouwgronden.
Het plangebied volgt de kadastrale grenzen van de gronden die door de initiatiefnemer verworven zijn. Daarnaast is de hoofdwatergang die tussen de percelen doorloop opgenomen in het plangebied. Het plangebied is ruim 8 hectare groot.
De begrenzing van het plangebied is op de onderstaande luchtfoto aangegeven.
plangebied (rood omrand)
De percelen waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Herziening Buitengebied 2004', vastgesteld 9 februari 2010 van de voormalige gemeente Gaasterlân-Sleat. Het 'moederplan' uit 2004 (vastgesteld 26 april 2005) is ook nog van toepassing, voor wat betreft de toelichting.
De gronden hebben in het bestemmingsplan 'Herziening Buitengebied 2004' de bestemming 'Agrarisch gebied in een besloten landschap'.
De gronden zijn in principe bestemd voor een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering en voor het behoud, het herstel en de ontwikkeling van landschappelijke en natuurlijke waarden. De vigerende bestemming biedt geen ruimte voor gebouwen.
De omliggende landbouwgronden vallen eveneens binnen de bestemming 'Agrarisch gebied in een besloten landschap'. De Bremer Wildernis is bestemd als 'Bosgebied'.
uitsnede vigerend bestemmingsplan en plangebied (rood omcirkeld)
De toelichting is als volgt opgebouwd:
De locatie is gelegen in Gaasterland, een geologisch, ecologisch en landschappelijk waardevol gebied. Het is een gedeeltelijk bebost zand- en keileemlandschap met (voor Nederlandse begrippen) opvallende hoogteverschillen in de vorm van heuvels of “gaasten” van meer dan 10 meter hoog.
De geologische oorsprong ligt in de voorlaatste ijstijd, het Saalien. Zo’n 150.000 jaar geleden schuurden immense ijstongen over het land. Zij reikten aanvankelijk tot aan de lijn Haarlem-Nijmegen, waar grote heuvels van eindmorenen werden gevormd zoals de Utrechtse Heuvelrug en de Veluwe. Het ijs trok zich eerst vrijwel geheel terug, maar kwam later toch weer opzetten in een nieuwe koudere tussenperiode. De ijsmassa kwam toen minder ver en was minder krachtig, maar toch genoeg om onder andere Gaasterland te vormen. In de ondergrond is plaatselijk keileem te vinden, opgestuwd door het landijs. Toen later de zee weer op kwam zetten en de golven tegen de heuvels beukten, ontstonden de typerende kliffen.
Na de laatste ijstijd waren de heuvels bedekt met dekzand, waarop zich aanvankelijk grote eikenbossen hebben gevormd. De bewoning en ontsluiting zijn vooral op de hoger gelegen ruggen ontwikkeld, in de vorm van streek- en wegdorpen.
Door menselijk ingrijpen en vooral begrazing is het oerbos geleidelijk aan verdwenen. Vanaf de achttiende eeuw is echter weer bos aangeplant ter verfraaiing van landgoederen (met als eerste mijlpaal het Rijsterbos) en ten behoeve van de houtproductie (eikenhakhout). Eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw is het accent verschoven naar de aanplant van productiebos met soorten als den, douglas en larix. Eind twintigste eeuw werd er werk gemaakt van de recreatieve ontsluiting en kwam de natuurwaarde van de bossen meer op de voorgrond. Inheemse soorten kregen daarbij de voorkeur op de exoten. In deze periode begon het bosareaal ook weer wat toe te nemen, na een decennialange afname ten gunste van houtopbrengsten en agrarisch grondgebruik.
Afzettingen uit het Saalien Topografische kaart 1908
Topografische kaart 1933 Topografische kaart 1994
De bewoning en ontsluiting zijn vooral op de hoger gelegen ruggen ontwikkeld. Op de ruggen en langs de flanken heeft zich voornamelijk lintvormige bebouwing ontwikkeld in de vorm van streek- en wegdorpen, sommige met een esdorp-achtige structuur zoals Oudemirdum, Bakhuizen, Hemelum en Sondel.
Oude verbindingswegen tussen de nederzettingen lagen (en liggen deels) aan de voet van of op de keileemruggen. Pas vanaf het midden van de 19de eeuw werden geleidelijk aan de eerste verharde wegen aangelegd. Aanvankelijk ging het voor een belangrijk deel om 'losse fragmenten' die niet met elkaar waren verbonden. In het begin van de 20ste eeuw werd hard gewerkt aan de uitbreiding en verbetering van het wegennet.
Het gebied tussen Balk en Oudemirdum wordt getypeerd als heide-ontginningslandschap. Het gebied kent een sterk afwisselend patroon van open enclaves en gesloten beboste gebieden met naald- en loofbossen. De bossen zijn typische rabatbossen en hebben een dicht en grootschalig karakter. Boomwallen en houtsingels komen in dit landschap weinig voor. De meest voorkomende verkaveling in dit gebied is de strokenverkaveling, haaks op de ontginningsbasis.
Landschapstypen (bron: bestemmingsplan Buitengebied 2004)
De cultuurgrond in de omgeving is hoofdzakelijk in gebruik als grasland en akker. De overige gronden worden gebruikt voor snelgroeiend hout. De omgeving kent een behoorlijk aantal grotere en kleinere natuurgebieden, waaronder bosgebieden, graslanden, meren en kustgebieden.
De Bremer Wildernis dankt zijn naam aan de brem die hier veelvuldig groeide, een liefhebber van schrale zandgronden. In de jaren zeventig zijn de bossen door Staatsbosbeheer omgevormd naar een recreatiebos met voet- fiets en ruiterpaden en parkeergelegenheid. De oorspronkelijk orthogonale structuur van het cultuurlandschap werd daarin gewijzigd naar een meer meanderend, natuurlijk ogend geheel.
Met name in de Gaasterlandse bossen ligt een redelijk uitgebreid stelsel van wandel- en fietspaden. De weg Lemmer-Bolsward is tegenwoordig de belangrijkste weg van bovenregionale betekenis in het plangebied. Een andere belangrijke verkeersader is de weg Sloten-Sondel-Oudemirdum-Rijs.
Het Robiniabos is een voormalig productiebos, in de jaren negentig aangelegd voor de productie van Europees hardhout. Daarvoor was de locatie enkele decennia in gebruik als bouwland, nadat de hier aanwezige bossen waren gerooid. De aanplant was volledig gericht op de productie van het hardhout. De locatie is afgescheiden door een hek. Enkele watergangen doorkruisen het gebied.
Het productiebos maakt in zijn algemeenheid een vrij verwilderde indruk. Door het eenzijdige en overwegend uitheemse bomenbestand is de natuurwaarde over het algemeen laag. Er is echter ook een aantal waardevolle aanknopingspunten te vinden voor de inpassing van de natuurbegraafplaats.
Op het perceel is een afwisseling van dichter begroeide delen van het productiebos en meer open plekken. Door het perceel loopt een bestaande watergang die een mooie zichtlijn in het landschap vormt. Aan de noord- en oostzijde is er een open uitzicht vanuit het bos op de omgeving.
Waar het perceel grenst aan de Bremer Wildernis is de locatie ingebed in een fraaie volgroeide bosrand. Aan de zuidoostelijke zijde is er een waardevolle laanstructuur van oude eiken, enigszins verstopt in het bos.
Bestaande situatie
watergang op het perceel
productiebos
Dit hoofdstuk bevat een korte samenvatting van de voor het bestemmingsplan van belang zijnde nota's en studies. Het milieubeleid, dat is vastgelegd in diverse wetten en waarvoor specifiek onderzoek moet worden uitgevoerd, is opgenomen in hoofdstuk 5 (Uitvoerbaarheid).
Op 13 maart 2012 heeft de minister van Infrastructuur en Milieu de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte vastgesteld. In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Zo beschrijft het kabinet in de Structuurvisie in welke infrastructuurprojecten het de komende jaren wil investeren. Provincies en gemeentes hebben meer bevoegdheden bij ruimtelijke ordening gekregen. De Rijksoverheid richt zich op nationale belangen.
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte schetst het kabinet hoe Nederland er in 2040 uit moet zien: concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Het ruimtelijke en mobiliteitsbeleid wordt meer aan provincies en gemeenten overgelaten. Hieronder valt bijvoorbeeld het landschapsbeleid.
Tot 2028 heeft het kabinet in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte drie Rijksdoelen geformuleerd:
Voor het Verbeteren van de milieukwaliteit gaat de nota uit van de (internationaal) geldende normen. Verder gaat de nota uit van ruimte voor een nationaal netwerk van natuur voor het overleven en ontwikkelen van flora- en faunasoorten. Het gaat daarbij om de (herijkte) EHS en Natura2000 gebieden.
Vraaggericht programmeren en realiseren van verstedelijking door provincies, gemeenten en marktpartijen is nodig om groei te faciliteren, te anticiperen op stagnatie en krimpregio’s leefbaar te houden. Ook dient de ruimte zorgvuldig te worden benut en overprogrammering te worden voorkomen. Om beide te bereiken wordt een ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro).
De ladder voor duurzame verstedelijking werkt met de volgende opeenvolgende stappen :
Naast de ladder voor duurzame verstedelijking, is ook een goed en bestendig ontwerp alsook adequate ruimtelijke informatie onderdeel van een gedegen afweging in de planvormende fase. Als onderdeel van de verantwoordelijkheid voor een goed systeem van ruimtelijke ordening ondersteunt het Rijk de andere overheden door middel van kennis en experimenten en bij de ontwikkeling van alternatieve vormen van
financiering en nieuwe verdienmodellen.
In het onderhavige geval is er geen sprake van verstedelijking. Het plan voorziet in de ontwikkeling van een natuurlijke waarde die past bij de landschappelijke/cultuurhistorische karakteristiek van de omgeving. De beoogde ontwikkeling sluit goed aan bij uitgangspunten van het Rijksbeleid.
Ten behoeve van de bescherming van de in de SVIR genoemde nationale belangen, worden in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) algemene regels voorgeschreven die bindend zijn voor de lagere overheden als provincie en gemeente. In het Barro worden de kaderstellende uitspraken uit de SVIR bevestigd. De Regeling algemene regels ruimtelijke ordening (Rarro) geeft uitwerking aan enkele bepalingen in het Barro.
Doel van het Barro is om onderwerpen uit de SVIR te verwezenlijken, danwel te beschermen. Het gaat hierbij onder meer om de volgende onderwerpen:
Met het onderhavige bestemmingsplan zijn de onderwerpen uit het Barro/Rarro niet in het geding.
Er zijn 20 Nationale Landschappen in Nederland. De twintig Nationale Landschappen hebben elk een unieke combinatie van cultuurhistorische en natuurlijke elementen en vertellen daarmee het verhaal van het Nederlandse landschap. Ze kenmerken zich door de specifieke samenhang tussen de verschillende onderdelen van het landschap, zoals natuur, reliëf, grondgebruik en bebouwing.
Nationale Landschappen zijn gebieden waar mensen gewoon wonen, werken, ondernemen en recreëren. Omdat het platteland onder druk staat, vooral door verstedelijking en de uittocht van boeren, heeft de Tweede Kamer bij de behandeling van de Nota Ruimte (voorjaar 2006) aangegeven het landschap te willen behouden en 'ontwikkelen met kwaliteit'. Binnen een Nationaal Landschap is ruimte voor sociaal-economische ontwikkelingen, mits de bijzondere kwaliteiten van het gebied behouden blijven en liefst nog worden versterkt. Binnen Nationale Landschappen is daarom 'behoud door vernieuwing' het uitgangspunt voor het ruimtelijk beleid.
Begrenzing Nationaal Landschap
De begrenzing van de Nationale Landschappen is gebaseerd op de landschappelijke en cultuurhistorische kernkwaliteiten, waarbij is aangesloten op herkenbare lijnen en structuren in het landschap. Voor Zuidwest Fryslân gaat het om het reliëfrijke en plaatselijk besloten stuwwallenlandschap van Gaasterland met soms ruime vergezichten, het grootschalige weidse merengebied, en de middeleeuwse verkaveling van het Hemmengebied met de aanwezige terpen ten zuiden van de voormalige Middelzee.
Binnen de planologische begrenzing van het Nationaal Landschap Zuidwest Fryslân wordt rekening gehouden met de natuurlijke processen in de landbouw, zoals schaalvergroting en daarnaast met ontwikkelingen op het gebied van bereikbaarheid, leefbaarheid en economie.
Gaasterland is één van de vier landschappen die onderdeel uitmaken van het nationaal landschap Zuidwest-Fryslan. Gaasterland e.o. bestaat grotendeels uit een complex van keileemruggen en dekzand, met daartussen lage delen waar zich veen heeft gevormd en waar bij zeedoorbraken klei is afgezet. Het macroreliëf is uniek in Fryslân en het contrast met de open en lager gelegen omringende gebieden geeft hieraan een bijzondere dimensie. Plaatselijk is er uitzicht op het IJsselmeer met grootse vergezichten. Hier is nog waarneembaar hoe het land met z’n natuurlijke hoogtes bijna als een eiland een buffer kon vormen tegen de Zuiderzee. De kenmerkende kliffen langs de zuidkust van Gaasterland zijn hiervan een duidelijk voorbeeld: erosieplekken, waar de zee na het warmer worden van het klimaat de keileembulten bereikte en er aan begon te knagen. De bewoning en ontsluiting zijn vooral op de hoger gelegen ruggen ontwikkeld, waarbij het centrale plateau vrijwel onbebouwd is gebleven. Op de ruggen en langs de flanken daarvan heeft zich voornamelijk lintvormige bebouwing ontwikkeld in de vorm van streek- en wegdorpen, sommige met een esdorp-achtige structuur zoals Oudemirdum, Bakhuizen, Hemelum en Sondel.
Naast wegen en paden hebben ook vaarten en kanalen lange tijd de ontsluiting bepaald. Hier is een relatief kleinschalig landschap ontstaan met houtwallen, kleine boselementen, tuunwallen en plaatselijke landgoedstructuren. Op de ‘woeste en schrale’ heide- en zandgronden is (eiken) productiebos aangelegd, ook om zandverstuivingen tegen te gaan. Het stuwwallengebied wordt omzoomd door open, laaggelegen veen- en kleigronden. Aan de zuid- en westzijde van Gaasterland bevinden zich lage polders. Diverse binnendijken en slaperdijken getuigen hier van de strijd tegen het water. Op meerdere plaatsen speelde vervening een rol. De dorpen zijn relatief kleinschalig gebleven en hebben hun oorspronkelijke karakter redelijk behouden. De landbouw –voornamelijk veeteelt, akkerbouw en enige tuinbouw– heeft een belangrijke functie, ook als beheerder van het gebied. De landrecreatie is aanzienlijk ontwikkeld tot een schaal die afgestemd is op het karakter van het gebied. Balk is uitgegroeid tot een belangrijk regionaal en toeristisch centrum. De bijzondere landschappelijke en cultuurhistorische karakteristiek is echter nog onmiskenbaar aanwezig en de belangstelling daarvoor is onveranderd groot gebleven, gekoppeld aan de mogelijkheden voor landrecreatie, natuurbeleving en wonen.
Het onderhavige plan voegt zich in de bestaande landschappelijk structuur. Daarbij wordt zorgvuldig omgegaan met de historische gelaagdheid van de omgeving, waaronder de geologische oorsprong, de archeologische waarden en kenmerkende landschapselementen. Door de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats wordt de aanleg en het beheer van natuur en landschap mogelijk gemaakt. Een typisch voorbeeld van 'behoud door vernieuwing'. Dit is in overeenstemming met het beleid voor het nationaal landschap.
Het wettelijk kader voor begraven wordt gevormd door de wet op de lijkbezorging uit 1991 en het besluit op de lijkbezorging uit 1997. In de wet op de lijkbezorging worden 'bijzondere begraafplaatsen' mogelijk gemaakt, die worden aangelegd en in stand gehouden door een persoon of organisatie, anders dan de gemeente. Dit mag alleen op grond die daartoe is aangewezen door de gemeente. B&W kunnen daarbij maatregelen voorschrijven die de grond geschikt moeten maken om als begraafplaats te dienen.
Het besluit op de lijkbezorging geeft voorts randvoorwaarden aan voor de ligging van de graven ten opzichte van elkaar en ten opzichte van maaiveld en de grondwaterstand. De graven moeten minimaal 30 centimeter uit elkaar liggen. Er mogen maximaal drie graven boven elkaar komen, met daartussen minstens 30 centimeter grond. Boven het bovenste omhulsel dient minimaal 65 centimeter grond te komen. Het onderste graf moet zich minimaal 30 centimeter boven de gemiddeld hoogste grondwaterstand bevinden. De graven moeten zich op minimaal één meter van de erfscheiding van de begraafplaats bevinden. In het Besluit is aangegeven dat het lijk niet noodzakelijk in een kist begraven hoeft te worden. Dit mag ook een ander omhulsel zijn, afhankelijk van het type begrafenis.
In het onderhavige plan worden de condities geschapen om te voldoen aan de wettelijke vereisten ten aanzien van het begraven. Zie hiervoor met name hoofdstuk 5.1.4 van deze toelichting.
De provincie Fryslân heeft haar provinciale beleid vastgelegd in het streekplan Fryslân, 'Om de kwaliteit van de romte'. Dit streekplan is op 13 december 2006 vastgesteld door Provinciale Staten van Fryslân.
De provincie Fryslân zet met het streekplan in op de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit bij veranderingen in het gebruik en de inrichting van de ruimte. Ruimtelijke kwaliteit dient zowel voor economische, sociale als culturele belangen en is daarmee voor alle functies in Fryslân essentieel. Met ruimtelijke kwaliteit wordt bedoeld dat in ruimtelijke plannen, in ontwerpen en in de uitvoering expliciet de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde worden toegevoegd aan de omgeving.
Uitsnede visiekaart
De omgeving is binnen het streekplan opgenomen binnen het hoofdlandschapstype: 'Gaasterland'.
De kernkwaliteiten betreffen:
besloten kleinschalig, deels half-open tot open landschap met plaatselijk grootschalige vergezichten op het IJsselmeer;
De bossen van Gaasterland zijn aangemerkt als 'overige natuur'.
De omgeving van de Bremer Wildernis wordt niet specifiek genoemd in het streekplan.
Het beleid is gericht op de agrarische beheersfunctie en natuur. De provincie is van mening dat veel ruimtelijke ontwikkelingen ingepast kunnen worden in de bestaande landschappelijke structuren waarbij de landschappelijke kernkwaliteiten van Fryslân herkenbaar blijven. Vooral gemeenten zijn aan zet bij het leveren van dit lokale maatwerk, waarbij de omschreven elementen en structuren zowel ijkpunten als inspiratiebronnen vormen.
De ontwikkeling van de natuurbegraafplaats vindt plaats binnen de bestaande landschappelijke structuur. Bovendien levert het op een passende en bescheiden wijze een economische drager voor natuur- en landschapsontwikkeling.
Ecologische hoofdstructuur
De Ecologische Hoofdstructuur (EHS) is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het idee is om alle belangrijke natuurgebieden in Nederland met elkaar te verbinden zodat één groot natuurnetwerk ontstaat. Bij de laatste hervorming van de EHS is deze omgedoopt tot Nationaal Natuur Netwerk (NNN). Ook wordt de realisatie van de EHS nadrukkelijker een verantwoordelijkheid van de provincies.
Bij wijziging van een bestemmingsplan moet een bestemming gekozen worden die past bij de natuurdoelen van de EHS ter plekke. Nieuwe plannen of projecten zijn niet mogelijk als ze de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Aangezien de EHS nog in opbouw is, is het in bepaalde gevallen ook juist de bedoeling te zoeken naar middelen die de EHS kunnen helpen ontwikkelen.
In het onderhavige geval is dat laatste van wezenlijk belang. De locatie van de natuurbegraafplaats is een eenzijdig voormalig productiebos dat pas recent binnen de begrenzing van de EHS is komen te liggen en waarvan de natuurwaarde nog relatief laag is en de natuurwaarde zoals beoogd in de EHS nog tot ontwikkeling moet komen.
Het particuliere initiatief van de natuurbegraafplaats Fryslân-west draagt er aan bij de provinciale doelstelling/verantwoordelijkheid van de totstandkoming van de EHS concreet gestalte te geven.
Natuurdoel ter plekke
De natuurdoelen van EHS zijn vastgelegd in (provinciale) natuurbeheerplannen. In het natuurbeheerplan 2015 van de provinsje Fryslân staat voor de aangewezen gebieden wat de natuurambitie is. Ook staat erin welk beheertype daarbij hoort. Het plangebied maakt tezamen met de aangrenzende Bremer Wildernis deel uit van de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). Per gebied, terrein of element wordt in het Natuurbeheerplan één beheertype aangewezen.
De beoogde locatie is recent binnen de EHS opgenomen. Het nagestreefde natuurdoel is 'droog bos met productie'.
Droog bos met productie
Het bostype 'Droog bos met productie' combineert in zijn algemeenheid een redelijk tot goede groei met een ruime variatie aan, en mengingsmogelijkheden van, loof- en naaldboomsoorten. Het maakt dit type tot het belangrijkste type voor de houtproductie. De diversiteit is (nog) relatief laag. Oudere bossen en bossen op of grenzend aan oude bosgroeiplaatsen, hebben een relatief hoge natuurpotentie vooral wanneer deze een gevarieerde structuur met een substantieel aandeel zware bomen en dood hout hebben. De betekenis voor de biodiversiteit bestaat vooral uit (vaak bedreigde) paddestoelen, korst- en bladmossen, enkele vaatplanten, insecten en broedvogels.
Het bostype combineert productieve soorten en een substantieel aandeel kwaliteitsbomen, met mede door het beheer beïnvloede, verschillende ontwikkelingsfasen, een gevarieerde bosstructuur, menging van boomsoorten en dood hout. Spontane ontwikkelingen leiden vaak naar een dichter, vrij eenvormig bos met natuurlijke verjonging van beperkte samenstelling en matige productiepotentie. Vaak is menselijk beheer nodig om dynamiek, variatie en vestigingsmilieus te bevorderen.
Het bostype komt verspreid voor in alle delen van de EHS. De kwaliteit is veelal nog sterk in ontwikkeling. Bij verdere ontwikkeling richting meer gevarieerd bos kan de natuurwaarde nog aanmerkelijk toenemen. Het is van belang dat het omvormingsbeheer, waarbij de 'ouderwetse' productiebossen geleidelijk worden omgevormd naar het onderhavige type, wordt voortgezet.
Het beoogde bostype wordt gekenmerkt door de volgende soorten:
Den, (Winter)eik, Beuk, Douglas, Lariks, (Fijn)spar.
Voor de natuurbegraafplaats is een beheer- en inrichtingsplan opgesteld, waarin wordt uiteengezet hoe via bosbeheer stapsgewijs naar het natuurdoel wordt toegewerkt.
Buiten de EHS komt natuur voor in vele verspreide kleinere natuurgebieden en als medegebruik van het agrarisch gebied. Zo zijn de open weidegebieden belangrijk voor ganzen en weidevogels. Landschapselementen als houtwallen, elzensingels, sloten, slenken en dobben vormen belangrijke natuurelementen buiten de EHS en zorgen voor de ‘groene en blauwe dooradering’ van het landelijk gebied.
Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld.
Uitgangspunt is dat de verordening niet meer regelt dan noodzakelijk is. Wat elders al goed geregeld is (in de AMvB Ruimte of in andere wet- en regelgeving) hoeft niet over te worden gedaan. Verder is bij de wijze van regeling rekening gehouden met de verantwoordelijkheid van gemeenten. Binnen randvoorwaarden is ruimte voor lokaal maatwerk.
De verordening bevat instructies over de inhoud van gemeentelijke ruimtelijke plannen en over de onderbouwing en motivering in de plantoelichting. De inhoudelijke bepalingen van de verordening zijn onderverdeeld in een algemeen deel en een thematisch deel.
De belangrijkste algemene regels betreffen bundeling van nieuwe stedelijke functies en de ruimtelijke kwaliteit van plannen (waaronder landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteit en archeologie).
Het thematische deel omvat bepalingen die betrekking hebben op een bepaald onderwerp, zoals wonen, werken, natuur of landbouw.
Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is rekening gehouden met de (voor dit plan relevante) regels van de Verordening Romte Fryslân.
Op 26 maart 2014 is Grutsk op 'e Romte vastgesteld door Provinciale Staten als structuurvisie. Grutsk op ‘e Romte is een thematische structuurvisie (over landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang) en is voor dit thema een kader dat gebruikt wordt bij ruimtelijke afwegingen.
In de provinciale nota Grutsk op ‘e Romte worden landschappelijke en cultuurhistorische structuren van provinciaal belang in samenhang geanalyseerd en gewaardeerd. Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, inspireren en adviseren.
Grutsk op ‘e Romte is als procesvereiste in de verordening Romte opgenomen. Dat betekent dat vereist wordt dat bij het opstellen van een ruimtelijk plan een analyse wordt gemaakt van de aanwezige waarden in het plangebied, in het bijzonder van de landschappelijke en cultuurhistorische structuren. En dat afgewogen en gemotiveerd wordt op welke wijze in het plan rekening is gehouden met de provinciale belangen uit Grutsk op ‘e Romte.
Voor het onderhavige plan zijn geen specifieke provinciale belangen benoemd in de nota. Bij het opstellen van het onderhavige bestemmingsplan is rekening gehouden met de landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de omgeving. Het plan voegt zich binnen de bestaande landschappelijke structuur van het heide-ontginningslandschap en sluit goed aan bij de variëteit aan bossen die vanaf de zeventiende tot en met de twintigste eeuw in Gaasterland zijn aangelegd.
Wat betreft het gemeentelijk beleid is het vigerende bestemmingsplan Buitengebied het uitgangspunt.
De percelen waar dit bestemmingsplan betrekking op heeft zijn opgenomen in het geldende bestemmingsplan 'Herziening Buitengebied 2004', vastgesteld 9 februari 2010 van de voormalige gemeente Gaasterlân-Sleat. Het 'moederplan' uit 2004 (vastgesteld 26 april 2005) is ook nog van toepassing, voor wat betreft de toelichting.
In het bestemmingsplan Buitengebied is aangegeven dat de gemeente de functies landbouw, natuur en landschap als basisfuncties van het buitengebied beschouwt. Alle overige functies worden als toegevoegde functies aangeduid.
Het landschap is de resultante van de wijze waarop mens en natuur met elkaar omgaan. Een ingewikkeld samenspel, dat waardevolle cultuurlandschappen heeft opgeleverd.
Het bestemmingsplan buitengebied is gebaseerd op de volgende algemene en overkoepelende beleidskeuze:
“Behoud, herstel en/of ontwikkeling van de verschillende karakteristieke landschapstypen en het waarborgen van de dynamiek daarbinnen”.
Landschap
De overkoepelende beleidskeuze is nader uitgesplitst in de volgende hoofduitgangspunten met betrekking tot het landschapsbeleid:
Gezien de voorgaande uitgangspunten kunnen aan nieuwe ontwikkelingen binnen landbouw en natuur, maar ook aan ontwikkelingen binnen andere functies, ruimtelijke en functionele randvoorwaarden worden gesteld. Deze voorwaarden zijn enerzijds gericht op het herkenbaar blijven van het (cultuur)landschap en anderzijds op het waarborgen van de dynamiek.
Het is niet de bedoeling een strikt conserverend beleid te voeren wat betreft het inpassen van nieuwe ontwikkelingen: ook een landschap evolueert. Het bestemmingsplan Buitengebied heeft als uitgangspunt dat grond niet louter als productiemiddel mag worden gezien. Grond heeft ook waarde door zijn landschappelijkheid. Het landschap vervult ook een maatschappelijke functie. Mensen vinden er rust, ruimte en herinnering. Om die reden is het belangrijk de verschillende landschapstypen te beschermen.
Bos
De Bremer Wildernis, waar het onderhavige plangebied tegenaan ligt, is getypeerd als gebied met hoofdfunctie bos. Het beleid is gericht op herstel, behoud en ontwikkeling van natuur- en landschapswaarden. Daarnaast richt het beleid zich op het bewerkstelligen van een min of meer natuurlijke zonering van activiteiten en medegebruik. In bepaalde delen van het bosgebied zal de natuurfunctie voorop staan, in andere delen bijvoorbeeld de recreatieve functie.
Landbouw met natuur- en landschapswaarden
Het plangebied zelf is getypeerd als gebied met hoofdfunctie landbouw met natuur- en landschapswaarden. De waarden van deze gronden zijn gelegen in de afwisseling van cultuurgrond en landschappelijke elementen (o.a. houtwallen) en aspecten als hoogteligging, bezonning, bodemgesteldheid, microreliëf en waterhuishouding, waardoor een variatie ontstaan is in flora en fauna.
Naast het landbouwkundig gebruik van de gronden is het beleid eveneens gericht op het behouden en versterken van de natuur- en landschapswaarden.
Conclusie
Het onderhavige plangebied ligt op de overgang van bosgebied naar landbouwgebied met natuur- en landschapswaarden. Het vindt plaats in een bestaand bosje. Door de beoogde ontwikkeling als natuurbegraafplaats wordt de bestaande bosstructuur versterkt en wordt het perceel toegankelijk gemaakt (zie hoofdstuk 4 van deze toelichting). Dit sluit goed aan bij de beleidsuitgangspunten uit het bestemmingsplan Buitengebied.
Het beleid ten aanzien van het landschap is verwoord in het Landschapsbeleidsplan Gaasterlân-Sleat (vastgesteld 2003). In dit plan wordt een landschapsvisie gegeven voor de komende 10 jaar. Voor deze periode wordt de gewenste ontwikkelingsrichting voor het landschap aangegeven en de ruimte die er is voor nieuwe initiatieven.
De hoofddoelstelling ten aanzien van het landschap is de waarde en de kwaliteit van het landschap voor de bewoners van de gemeente en voor de recreanten te behouden en te versterken. De algemene doelstelling die hieruit voortvloeit is het zorgen voor een beleefbaar en toegankelijk landschap met een eigen identiteit. Om dit te kunnen bewerkstelligen is een aantal specifieke doelstellingen geformuleerd:
Belangrijk voor Gaasterland is de dichtheid van de bossen met lanen, open enclaves en gaasten. Deze structuur kan onder andere versterkt worden door het:
De structuur van de IJsselmeerkust kan versterkt worden door het:
De structuur van de meren wordt gevormd door de grote open wateren met begrenzingen van rietoevers en opgaande beplantingen. Het veenweidegebied kenmerkt zich door de openheid met begrenzingen in de vorm van dijken, kaden en lintbebouwing.
Deze structuren kunnen onder andere versterkt worden door het:
Versterking van de natuurwaarden en de samenhang tussen de natuurgebieden en van de ecologische structuur. In het kader hiervan is het van belang dat:
Uitgaande van de bovengenoemde doelstellingen is naast de landschapsvisie een beheersvisie opgesteld voor een periode van 10 jaar. In de beheersvisie wordt de relatie gelegd tussen de voorkomende landschapstypen en de daarbijbehorende beplantingstypen (beheergroepen).
Tevens komt aan de orde of landschapselementen moeten worden versterkt, of er nieuwe elementen gewenst zijn, of er sprake is van achterstallig onderhoud en in hoeverre kan worden bijgedragen aan de versterking van de ecologische hoofdstructuur
De onderhavige ontwikkeling vindt plaats binnen het bestaande bos. Door het bosbeheer (zoals beschreven in het beheer- en inrichtingsplan Natuurbegraafplaats Fryslan-west) wordt het bestaande eenzijdige en uitheemse bosbestand omgevormd tot een meer gevarieeerd en gebiedseigen bos. Het plan voegt zich binnen de bestaande verkavelingsstructuur en is afgestemd op de plaatselijke gegevenheden wat betreft bodem, waterhuishouding en het reliëf. Daarmee wordt aangesloten op de uitgangspunten van het landschapsbeleidsplan.
Kenmerkend voor de natuurbegraafplaats is de ondergeschikte rol van het graf en de begrafenisceremonie. De boventoon wordt gevoerd door de natuur en het landschap.
Het natuurbegraven voorziet in een groeiende behoefte aan een vrijere, meer persoonlijke en meer natuurlijke vorm van begraven. Het is duurzamer en vraagt bovendien niet of nauwelijks zorg van de nabestaanden.
Sprekende natuurbegraafplaatsen bevinden zich momenteel in het Verenigd Koninkrijk. De afgelopen decennia zijn daar meer dan 300 natuurbegraafplaatsen gerealiseerd. De diversiteit in omvang, aanleg en organisatie is zeer groot. Sommige zijn bijzonder fraai en spreken tot de verbeelding dankzij een zorgvuldige landschappelijke inpassing, een hoge natuurwaarde en zeer subtiel geïntegreerde begraafplaatsen en routing. Uit deze voorbeelden blijkt dat een natuurbegraafplaats vrij te vormen is en af te stemmen op lokale behoeftes, ruimtelijke condities en de specifieke kwaliteiten van natuur en landschap.
In Nederland is het natuurbegraven in opkomst. Voorbeelden van natuurbegraafplaatsen in het noordelijk deel van Nederland zijn de natuurbegraafplaats Reiderwolde, in de provincie Groningen nabij Winschoten, natuurbegraafplaats Hillig Meer, in de provincie Drenthe ten oosten van Assen en de Natuurbegraafplaats Fryslan in Nieuwehorne.
Referentie natuurbegraven
Het bestaande bos is een eenzijdig productiebos van Robinia pseudoacacia. Het is de bedoeling dit bos om te vormen naar een gevarieerd bos met veel grotere natuurwaarde. Homogene, gelijkvormige en niet-inheemse aanplantingen maken daarbij plaats voor meer gevarieerde bossen met overwegend inheemse soorten. Daarnaast wordt een verticale gelaagdheid gerealiseerd met een afwisseling van bomen, heesters en een rijke bosvloer. Tevens wordt gestreefd naar een bos waarin verschillende ontwikkelingsfasen terug te vinden zijn. Zo ontstaat een rijk en gevarieerd geheel. Er is voor de natuurbegraafplaats een ontwerp gemaakt waarbij de waarde van het bos geleidelijk aan toeneemt, parallel aan de stapsgewijze inpassing van het natuurbegraven.
Uitgangspunt is het ontwerp van Natuurbegraafplaats Bremer Wildernis, Vollmer & Partners 20 februari 2015.
Het ontwerp gaat uit van:
Ontwerp Natuurbegraafplaats Bremer Wildernis, Vollmer & Partners 2016.
Op het terrein zal maar beperkt bebouwing worden gerealiseerd. Uitgegaan wordt van een kleine toiletvoorziening. In het bestemmingsplan wordt tevens ruimte geboden voor een eventuele gebouwde ceremoniële ruimte (tevens ruimte voor berging/stalling). Deze zal maximaal 100 m2 beslaan en uitgevoerd worden in een passende natuurlijke vormgeving en materialisering. Op de verbeelding is een bouwvlak aangegeven waarbinnen de bebouwing geplaatst kan worden.
Referenties houten bebouwing en inrichtingselementen
Voor de natuurbegraafplaats is een beheer- en inrichtingsplan opgesteld (Vollmer & Partners, 14 april 2016). In dit plan wordt stapsgewijs in beeld gebracht welke maatregelen er nodig zijn om het beoogde beeld te bereiken en hoe het bos in de toekomst beheerd zal worden. Bovendien wordt aangegeven hoe het zich verhoudt tot de Boswet en het beleid ten aanzien van natuurbeheer.
Het beheer en inrichtingsplan is tot stand gekomen na overleg met de gemeente De Fryske Marren en de provinsje Fryslân.
Het beheer- en inrichtingsplan is als bijlage gekoppeld aan de regels van het bestemmingsplan. In de regels is opgenomen dat de natuurbegraafplaats alleen in gebruik mag worden genomen als het terrein aangelegd/ingericht is volgens het beheer- en inrichtingsplan.
De natuurbegraafplaats zal een geringe invloed hebben op de omgeving. De toegang van de natuurbegraafplaats is voorzien aan zuidwestelijke zijde van het plangebied. Het aantal verkeersbewegingen dat het natuurbegraven met zich meebrengt is gering (zie hoofdstuk 4.5).
Het natuurbegraven voegt zich in het bestaande bosgebied. Langs de randen wordt met het begraven enige afstand gehouden tot de perceelsgrens. (Zie hiervoor de aanduiding waar begraven mag worden op de verbeelding van het bestemmingsplan). Verder wordt rekening gehouden met de aanwezige natuurwaarden.
Natuurbegraven is een duurzaam alternatief voor de reguliere praktijk in de uitvaart. In de inrichting van het terrein en organisatie van het begraven is duurzaamheid een terugkerend principe. Dit uit zich niet alleen in de benadering van bos en natuur, maar ook in de verdere aanleg. Waar mogelijk wordt het voorhanden zijnde materiaal hergebruikt. Het hakhout wordt gebruikt voor takenrillen die de open ruimtes omzomen, de houtsnippers voor een voetpad, de stammen als zitplek in de ceremoniële buitenruimte.
Er komt geen blijvende markering bij een graf. De graven zelf zullen in de eerste jaren nog herkenbaar zijn, maar uiteindelijk zal het graf geheel opgaan in de natuur. Als markering van de graven worden boomschijven of stammetjes voorgesteld uit plaatselijk gekapte bomen. Deze zullen geleidelijk aan uit het zicht verdwijnen. Kisten of andere omhulsels zullen volledig bestaan uit afbreekbaar materiaal. Het graf zal uiteindelijk volledig opgaan in de natuur. Dankzij een goede kartering en GPS techniek zal het graf echter altijd zijn terug te vinden.
Een natuurbegraafplaats wordt extensief gebruikt. De grafdichtheid is vrij laag en de hoeveelheid begrafenissen per jaar eveneens. Voor de natuurbegraafplaats wordt uitgegaan van 100 graven per hectare, wat veel lager is dan de 750 tot 1500 graven per hectare die gebruikelijk zijn bij een reguliere begraafplaats. Het beoogde gebied waarin begraven wordt is circa 8 hectare groot. Op basis van de regels van dit bestemmingsplan worden maximaal 800 graven toegestaan (urnengraven worden daarbij niet meegeteld). De verwachting is dat over circa 25 jaar de graven benut zullen zijn. De graven zullen nooit allemaal in het veld herkenbaar zijn, omdat de plekken al na enkele jaren volledig zijn opgegaan in de natuurlijke omgeving.
Naast het begraven van lichamen wordt de mogelijkheid geboden voor het begraven van urnen op het terrein. Voorwaarde is dat een urn wordt gebruikt die vergankelijk is en niet vervuilend. Asverstrooiing hoort niet thuis op een natuurbegraafplaats omdat dit de bodem verrijkt en daarmee het natuurlijk evenwicht verstoort.
Uitgaande van de ervaring in Reiderwolde zal het aantal begrafenissen beperkt blijven tot één per week of per twee weken. Uiteraard moet daarnaast rekening gehouden worden met het bezoek van het graf door nabestaanden.
Na aankomst op de begraafplaats komt de stoet bij een ceremoniële buitenruimte. Hier kan in alle rust een afscheidsceremonie plaatsvinden, zonder enige tijdsdruk. Na de plechtigheid kan de begrafenis plaatsvinden op de daartoe uitgekozen plek.
Voor hen die een begraafplaats zoeken, heeft dit afwisselend geheel veel te bieden. Een geborgen plek onder een boom, een verstild plekje aan een poel of eentje met ruim zicht over de akkers.
Elke plek heeft zijn eigen kwaliteit. Wat de plekken bindt is de verbondenheid met de natuur, met de historie en met het landschap.
Voor een begrafenis dient volgens de landelijk norm rekening te worden gehouden met 30 parkeerplaatsen. In overleg met de gemeente en met Staatsbosbeheer is ervoor gekozen om daarvoor de berm van de ontsluitingsweg 'De Bremer Wildernis' te gebruiken. Indien de berm aan de kant van de begraafplaats wordt benut, is voldoende ruimte voor 30 plaatsen.
Ten tijde van een begrafenis zal de poort aan de zuidzijde van het bos worden geopend. Na de begrafenis kan de stoet via de poort aan de noordzijde het bos verlaten. Daarna worden de poorten weer gesloten. Bezoek kan gebruik maken van de bestaande parkeerplaats aan de zuidrand van de locatie en via de reguliere paden de natuurbegraafplaats bereiken.
Verkeer en parkeren (bron: gemeente De Fryske Marren, bewerking Vollmer & Partners)
Voor de toename van het verkeer wordt uitgegaan van een extensief gebruik van de natuurbegraafplaats. De beoogde ontwikkeling van de natuurbegraafplaats heeft een beperkte verkeersintensiteit tot gevolg. De toename van de verkeerintensiteit zal zich 'geconcentreerd' voordoen. Op het moment dat er een begrafenis is, zullen gemiddeld 15 tot 30 auto's zich in een rustig tempo naar de ingang van de natuurbegraafplaats begeven.
Op basis van de beschikbare capaciteit en de geschatte benutting ervan in de tijd zal er één begrafenis per 1 à 2 weken zijn. De begraafplaats zou dan in orde van grootte 25 jaar volledig benut zijn. Uitgaande van 15 à 30 auto's per begrafenis zijn 30 à 60 autobewegingen (aankomst en vertrek) te verwachten op één dag in de 1 à 2 weken.
De bezoekers van de natuurbegraafplaats die buiten een begrafenis komen, zullen individueel en verspreid in de tijd komen. Daarbij kan op grond van ervaringen elders gerekend worden op enkele auto's per dag. Bezoekers uit de omgeving zullen bovendien nogal eens per fiets of te voet naar de locatie komen. Op het moment dat er geen begrafenis is, is de verkeersintensiteit nagenoeg ongewijzigd.
Foto 's toegangsweg, parkeerplaats en paden Bremer Wildernis
Gaasterland kent een relatief dicht routenetwerk van fiets- en wandelpaden. Door het Natuurgebied Bremer Wildernis lopen voet- en fietspaden. De toegang van de natuurbegraafplaats ligt aan deze padenstructuur.
De bus Balk-Bolsward heeft een Halte in Sondel, vanaf deze haltes is het een stevige wandeling naar de Natuurbegraafplaats.
Gezien het extensieve gebruik van de natuurbegraafplaats is er een zeer beperkte toename van verkeer in de omgeving. De huidige ontsluiting is voldoende geschikt voor de beoogde functie. Vanuit verkeerskundig perspectief is de natuurbegraafplaats goed inpasbaar.
Vanaf 1 november 2003 is de watertoets van toepassing, een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder over het ruimtelijke planvoornemen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen plaatsvinden die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer.
In het plangebied wordt het waterbeheer gevoerd door het Wetterskip Fryslân. In het kader van de watertoets wordt over dit bestemmingsplan overleg gevoerd met de waterbeheerder.
Waterwet
Op 22 december 2009 is de Waterwet van kracht geworden. Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening.
In artikel 2.1 van de Waterwet is het doel verankerd: voorkomen en waar nodig beperken van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbeteren van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervuilling van maatschappelijke functies door watersystemen.
Hiermee is het kader voor de uitvoering van de wet gegeven. Dat kader wordt vervolgens aangevuld met meer concrete normen voor waterkeringen, waterkwantiteit, functievervulling en de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen. De normen worden vaak geconcretiseerd in uitvoeringsmaatregelen die zich richten tot de beheerders. Deze moeten hun beleid op deze normen afstemmen.
De Waterwet beschrijft het planstelsel op het terrein van het waterbeheer. In de plannen op grond van de Waterwet moeten de doelstellingen van de Waterwet die verband houden met waterveiligheid, droogte en waterschaarste, chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en maatschappelijke functies worden afgewogen en uitgewerkt.
Nationaal Waterplan 2009-2015
Het Nationaal Waterplan legt de hoofdlijnen vast van het nationale waterbeleid en de bijbehorende aspecten van het nationale ruimtelijke beleid. De hoofdlijnen zijn:
Daarnaast maken de stroomgebiedbeheerplannen en het Noordzeebeleid onderdeel uit van het Nationaal Waterplan. Het Nationaal Waterplan is voor ruimtelijke aspecten een structuurvisie. Het Nationaal Waterplan vormt het kader voor de Regionale Waterplannen en de Beheerplannen.
In het Nationaal Waterplan beschrijft het Rijk haar strategie voor een duurzaam waterbeheer. Speerpunten daarbij zijn:
Regionaal Waterplan
Het regionale waterplan legt de hoofdlijnen vast van het in de provincie te voeren waterbeleid (regionale oppervlaktewateren en het grondwater) en de daartoe behorende aspecten van het provinciaIe ruimtelijke beleid. De hoofdlijnen zijn:
Waterhuishoudingsplan Fryslân 2010 - 2015 - Wiis mei Wetter
In het Waterhuishoudingsplan Fryslân 2010-2015 (WHP) staan de doelen die de provincie in de planperiode wil bereiken. Wetterskip Fryslân ontvangt het WHP als kader voor het waterbeheer in Fryslân. Daarnaast geeft het WHP de kaders aan voor het rioleringsbeheer van de gemeenten en voor het eigen provinciale beleid. Het WHP is de schakel tussen het ruimtelijke en economische beleid van de provincie en het waterbeheer.
Hoofddoelstelling voor het waterbeleid in Fryslân is: Het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie en het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, zodat een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd. De doelstellingen zijn ingedeeld in de thema's Waterveiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Waterveiligheid betreft de duurzame veiligheid tegen overstromingen vanuit de Noordzee, Waddenzee, IJsselmeer en vanuit de Friese boezem. Onderwerpen die in dit thema aan de orde komen zijn de primaire, regionale en lokale keringen, de buitendijkse gebieden en muskusrattenbestrijding. Het thema 'Voldoende water' gaat over de vraag hoe functies als natuur en landbouw kunnen worden voorzien van voldoende water. Het gaat daarbij om ontwikkelingen als klimaatverandering, zeespiegelstijging, bodemdaling en verandering van grondgebruik. De volgende onderwerpen vallen onder het thema 'Voldoende water': duurzaam peilbeheer, perioden met extreme neerslag, perioden met extreme droogte, verdroging, grondwaterkwantiteit en drinkwater. Schoon water betreft de algemene kwaliteit van het oppervlaktewater en de eisen die worden gesteld aan zwem- en natuurwateren. Ook de waterketen en het waarborgen van de grondwaterkwaliteit vallen onder dit thema.
Het WHP gaat ook in op de watertoets. Het WHP is een structuurvisie voor ruimtelijk beleid. Het plan heeft op de onderdelen die hierop betrekking hebben, waaronder de watertoets, dezelfde status als het Streekplan. Over de watertoets staat in het WHP het volgende:
Locatiekeuze: Bij locatiekeuze gaat het om het vinden van optimale locaties voor de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen. Idealiter worden ontwikkelingen daar gelokaliseerd waar de wateromstandigheden het gunstigste zijn, zodat er zo weinig mogelijk inrichtingsmaatregelen nodig zijn. Een optimale locatiekeuze leidt dan tot zo laag mogelijke maatschappelijke kosten.
Inrichting voor waterveiligheid: Gestreefd wordt naar het voorkomen van overstromingen vanuit de buitenwateren (Noordzee, Waddenzee en IJsselmeer) en de boezem, zowel nu als in de toekomst.
Inrichting voor waterkwantiteit: De inrichting voor kwantiteit volgt de prioriteitstrits 'vasthouden - bergen - afvoeren'. Geprobeerd wordt eerst het gebiedseigen water vast te houden in de bodem. Als dat niet toereikend is, wordt gezocht naar locaties om water te bergen. Wanneer ook deze pogingen niet tot het gewenste effect leiden, wordt afvoeren als optie overwogen. Aandachtspunten bij het toekennen van bestemmingen zijn het zoveel als mogelijk voorkomen van verzilting, verdroging, watertekorten en wateroverlast.
Inrichting voor waterkwaliteit: Hierbij staat de trits: 'schoonhouden-scheiden-zuiveren' centraal. Eerst wordt een brongerichte aanpak toegepast, zonder te vervuilen. Als dat niet toereikend is, wordt ervoor gezorgd dat de verontreinigende stoffen zich niet kunnen verspreiden. Als dat niet volledig te voorkomen is, worden de verontreinigingen gezuiverd. De nadruk bij de voorkeursvolgorde ligt dus op het zoveel als mogelijk vasthouden van schoon water. Aandachtspunten zijn grondwaterbeschermingsgebieden en zwemwaterlocaties.
Voorkomen van afwenteling: Bij de toepassing van de watertoets wordt niet alleen naar het plangebied zelf gekeken. Ook de benedenstroomse gebieden vragen aandacht. Het is niet de bedoeling dat lokale ruimtelijke ingrepen leiden tot negatieve effecten elders. Als deze afwenteling niet te voorkomen is, moeten maatregelen leiden tot compensatie (Iiefst binnen het plangebied) en mitigatie (beperking van de effecten). Desgewenst moet het plangebied vergroot worden om de benodigde ruimtelijke maatregelen mee te nemen in het bestemmingsplan.
Waterbeheerplan
In het Nationaal Waterplan en in het Waterhuishoudingsplan Fryslân staan strategische doelstellingen. ln het waterbeheerplan zijn de condities en doelstellingen vastgelegd die nodig zijn om de strategische doelen te bereiken.
Het waterbeheerplan van de waterschappen wordt vastgesteld door het Algemeen Bestuur van een waterschap en goedgekeurd door Gedeputeerde Staten. Het houdt rekening met het Regionale Waterplan.
Hiermee wordt de beheerplanning van de waterschappen (functionele bestuursorganen) ingebed in de bredere algemene afweging op provinciaal niveau. Het plan moet afgestemd worden op de beheerplannen van andere beheerders als er sprake is of zou kunnen zijn van samenhang tussen de watersystemen.
Waterbeheerplan Fryslân 2010-2015 - Wetter jout de romte kwaliteit
Wetterskip Fryslân heeft in nauw overleg met de provinsje Fryslân het Waterbeheerplan Fryslân opgesteld 2010-2015 (WBP). In het WBP geeft Wetterskip Fryslân aan welke maatregelen het neemt om het watersysteem op orde te houden en te verbeteren. Maatregelen kunnen uitvoeringswerken zijn, maar ook het opstellen van beleidsregels en verordeningen en het normaIe beheer en onderhoud vallen er onder.
Net zoals het Waterhuishoudingsplan van de provinsje Fryslân zijn de maatregelen gekoppeld aan de thema's Waterveiligheid, Voldoende Water en Schoon water.
Over de watertoets zegt het WBP het volgende:
In het kader van de Watertoets worden de gemeenten geadviseerd over hun ruimtelijke plannen. Een belangrijk aspect bij de advisering op ruimtelijke plannen, is het ordenend principe van water. Er wordt naar gestreefd dat water meegenomen wordt als ordenend principe bij de keuze van de locatie van het nieuwe plangebied. Dit aspect in de watertoets geldt vooral bij de structuurvisies die gemeenten opstelllen. De gemeenten worden dan ook gevraagd om het waterschap in een vroegtijdig stadium te betrekken bij het opstellen van deze structuurvisies. De advisering heeft verder betrekking op de inpassing van bestaande en nieuwe waterstaatswerken met beschermingszones in het plangebied. Daarnaast wordt in het wateradvies aangegeven welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden gelden voor nieuwe bestemmingen. Dit is vanuit het oogpunt van Waterveiligheid, Voldoende water en Schoon water. Het gaat onder andere om eisen voor drooglegging, waterberging, lozingen, de inrichting van kaden en oevers en vispassages. AI in een vroeg stadium van de planvorming voor ruimtelijke ordening wordt aangegeven waar boezemuitbreiding, waterbergingsgebieden en extra berging in stedelijk en landelijk gebied wenselijk is. Ook afspraken over het beheer en onderhoud worden vaak al in dit stadium meegenomen.
Samen met de Provincie Fryslân is de Watertoets online gezet. Zo worden de gemeenten en andere initiatiefnemers ondersteund bij het opstellen van de waterparagraaf van hun ruimtelijke plannen.
Gemeentelijke Watertaken
De Waterwet verplicht het Rijk, de provincies en de waterbeheerders tot het opstellen van een waterplan. De gemeente is geen waterbeheerder in de zin van de Waterwet en in de Waterwet is dan ook geen gemeentelijke planfiguur voorgeschreven. De gemeente heeft echter wel watertaken. Hieronder volgt een korte toelichting op deze watertaken.
In het (verbrede) gemeentelijke rioleringsplan (GRP) op grond van art. 4.22 e.v. Wet milieubeheer (Wm) is opgenomen hoe de gemeente invulling geeft aan haar drie zorgplichten op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater. De gemeentelijke zorgplichten voor hemelwater en grondwater zijn per 1 januari 2008 geïntroduceerd met de Wet gemeentelijke watertaken. Met deze wetswijziging is de gemeentelijke zorgplicht voor de inzameling van afvalwater volgens de Wm, opgesplitst in drie zorgplichten. De zorgplicht voor de inzameling van stedelijk afvalwater is in de Wm gebleven en de zorgplichten voor hemelwater en grondwater zijn aanvankelijk opgenomen in de Wet op de waterhuishouding en vervolgens opgegaan in de Waterwet.
Naast deze directe wettelijke verplichting wordt er een belangrijke rol toebedeeld aan het GRP in de afstemming tussen gemeente en betrokken waterschap, zowel in de rol van waterbeheerder als zuiveringsbeheerder. Essentie is dat Wvo-vergunningen voor lozingen vanuit overstorten en hemelwaterriolen op het oppervlaktewater worden vervangen door algemene regels met verwijzing naar het GRP voor de maatregelen die worden genomen en gepland om deze lozingen zoveel mogelijk te beperken. Kort samengevat betekend dit dat het GRP de bestaande Wvo-vergunningen voor overstorten en lozingen vanuit hemelwaterriolen gaat vervangen.
Zorgplicht voor hemelwater: Op particulier terrein is de eigenaar verantwoordelijk voor de afvoer van hemelwater. Schoon hemelwater kan worden afgevoerd naar het oppervlaktewater of in de bodem worden geïnfiltreerd. Verontreinigd hemelwater moet ter plaatse door de houder worden gezuiverd via een zuiveringsvoorziening zoals een IBA of helofytenfilter. De gemeenten kunnen bij verordening zaken met betrekking tot afstromend hemelwater regelen.
Als de houder van het verzamelde hemelwater zich er niet op een andere wijze van kan ontdoen dan is de gemeentelijke hemelwaterzorgplicht aan de orde. De gemeente dient een voorziening aan te bieden waar het hemelwater in geloosd kan worden. Het is aan de gemeente om te bepalen welke voorziening dat is. Dit kan bijvoorbeeld ook een gemengd riool zijn, hoewel het rijksbeleid voorkeur geeft aan gescheiden inzameling van afvalwater en hemelwater. Voorwaarde voor het teruggrijpen op de gemeentelijke zorgplicht is wel dat van de perceelseigenaar (de houder van het afstromend hemelwater) redelijkerwijs niet gevraagd kan worden het hemelwater af te voeren, bijvoorbeeld omdat er geen oppervlaktewater in de buurt is waarop geloosd kan worden en de grondwaterstand zo hoog is dat infiltratie niet mogelijk is. Een situatie waarbij de perceelseigenaar het gehele perceel verhard heeft, waardoor infiltratie onmogelijk is geworden, is geen reden om een beroep te doen op de gemeentelijke zorgplicht. De gemeentelijke zorg voor het beheer van afvloeiend hemelwater heeft, naast het hemelwater dat door particulieren vanaf particulier terrein wordt aangeboden, ook betrekking op het afvloeiend hemelwater van openbaar terrein. De gemeente heeft in dat geval dezelfde rol als een particulier, of een bedrijf, op wiens terrein hemelwater neerkomt.
Zorgplicht voor grondwater: De Waterwet bevat een gemeentelijke zorgplicht voor het in openbaar gemeentelijk gebied treffen van maatregelen om structurele nadelige gevolgen van de grondwaterstand voor de aan de grond gegeven bestemming zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. In de bestemmingsfase worden de problemen onderkend op basis van de 'watertoets' (ruimtelijke ordening) en in de inrichtingsfase worden de maatregelen gerealiseerd door middel van grondexploitatie en bouwvoorschriften (omgevingsvergunning voor bouwen). Mochten zich daarna nog problemen voordoen in verband met de grondwaterstand dan dient de gemeente, binnen de grenzen van doelmatigheid, maatregelen te treffen om deze gevolgen zoveel mogelijk te voorkomen of te beperken. Deze zorgplicht richt zich vooral op maatregelen van waterhuishoudkundige aard. Ze kunnen bestaan uit het inzamelen, bergen, transporteren en het nuttig toepassen van schoon water, het verbeteren van de waterdoorlaatbaarheid van de bodemtoplaag en hydrologische compartimentering van de bodem door aanleg van kleidammen en kleischermen. De maatregelen kunnen ook de vorm hebben van een openbaar ontwateringstelsel, waarmee grondwater wordt ingezameld, getransporteerd, nuttig toegepast of wordt teruggebracht in het milieu. Het af te voeren grondwater kan afkomstig zijn van openbaar terrein en van particuliere percelen. Voor de inzameling op particulier terrein is de perceelseigenaar verantwoordelijk. In een aantal gevallen zal het af te voeren grondwater niet schoon genoeg zijn om direct te lozen op het oppervlaktewater of in de bodem waardoor zuiveringsvoorzieningen, zoals helofytenfilters, noodzakelijk zijn. In het uiterste geval is afvoer naar de RWZI de geëigende oplossing. In het gemeentelijk rioleringsplan (GRP) geeft de gemeente aan hoe invulling wordt gegeven aan de grondwaterzorgplicht, bijvoorbeeld wanneer sprake is van 'structureel', wat doelmatig is, enzovoort.
Waterplan: Wetterskip Fryslân stelt samen met gemeenten per gemeente een gemeentelijk waterplan op. Soms wordt dit ook gedaan in combinatie met meerdere gemeenten. De inhoud van het waterplan is per gemeente verschillend . Vaak bestaat het waterplan uit een analyse van de knelpunten in het watersysteem, de benodigde maatregelen en afspraken tussen gemeente en Wetterskip Fryslân om de samenwerking te verbeteren.
Waterkwaliteit en Kaderrichtlijn Water
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese wet die als doel heeft in alle wateren in Europa uiteindelijke een goede chemische en ecologische toestand te bereiken. Doel is om dit in 2015 te bereiken, maar er is een uitloopmogelijkheid tot 2027. Met de KRW is sinds 2000 de ecologische waterkwaliteit nadrukkelijker in beeld gekomen en inmiddels ook expliciet via de Waterwet, het Besluit Kwaliteitseisen en Monitoring Water (BKMW) en de Ministeriële Regeling Monitoring Kaderrichtlijn Water in Nederlandse wetgeving vastgelegd. In de KRW en de Waterwet is ook het principe van "geen achteruitgang" opgenomen. De ecologische en chemische waterkwaliteit van wateren mag niet slechter worden dan de kwaliteit die het betreffende water had in het jaar 2000.
Door Wetterskip Fryslân is de beleidsnota Ecologie en Vis vastgesteld. Voor alle grotere wateren zijn in 2009 ecologische doelen en maatregelen uitgewerkt en vastgelegd in de nota 'Status, toestand, waterkwaliteitsdoelen en maatregelen KRW-waterlichamen'. De nota maakt onderdeel uit van zowel het Provinciale Waterhuishoudingsplan als het Waterbeheerplan 2010-2015. Wetterskip Fryslân en andere overheden zoals Rijk, provincies en gemeenten hebben volgens de Kaderrichtlijn Water en de Waterwet de plicht om maatregelen te nemen om de ecologische doelen te bereiken die per waterlichaam zijn vastgelegd en ook om deze te beschermen.
Keur, algemene regels, beleidsregels en legger
Elk waterschap stelt een Keur vast waarin de gebods- en verbodsbepalingen zijn opgenomen die het waterschap nodig oordeelt ter uitvoering van zijn taak: de waterstaatkundige verzorging van het beheersgebied. De Keur dient om waterstaatswerken zoals oppervlaktewateren, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken te beschermen door bepaalde activiteiten en werkzaamheden in, op, onder of aan die waterstaatswerken en bijbehorende beschermingszones te verbieden, tenzij er een watervergunning voor is verleend. De Keur vormt een onlosmakelijk geheel met de legger, het vergunningenbeleid en de algemene regels.
Het vergunningenbeleid beschrijft onder welke voorwaarden een watervergunning verleend kan worden. Bovendien kan het waterschap naar het vergunningenbeleid verwijzen ter motivering van op grond van de Keur te nemen besluiten. Voor een aantal regelmatig voorkomende activiteiten en werkzaamheden, die weinig invloed hebben op de staat van oppervlaktewaterlichamen en/of waterkeringen in het beheersgebied van Wetterskip Fryslân, zijn algemene regels opgesteld. Hierdoor zijn de betreffende activiteiten en werkzaamheden niet langer vergunningplichtig, maar moeten ze wel worden gemeld.
De legger geeft aan welke waterstaatswerken onder de bescherming van de Keur vallen, waar de grenzen van de verschillende in de Keur genoemde zones liggen en wie de onderhoudsplichtigen zijn. In de legger is verder vastgelegd wat de minimaal benodigde afmetingen van keringen zijn om aan de vastgestelde veiligheidsnormen te voldoen en wat voor wateren de minimale afmeting is om een goede wateraan- en -afvoer te garanderen.
Bodemopbouw
De bodem bestaat uit leemarm en zwak lemig fijn zand (Stiboka 1988).
Geomorfologisch wordt de bodem getypeerd als: grondmorene, al dan niet met welvingen, bedekt met dekzand, zwak golvend.
In de omgeving komt op circa 2 meter diepte een leemlaag voor met een dikte van circa 1 meter. In boringen ter plekke (archeologisch onderzoek, peilbuizen) is een goed doorlatende, zandige bodem geconstateerd. Er is tot een diepte van 2 meter geen leemlaag aangetroffen.
Maaiveldhoogte
Er is sprake van een licht glooiend landschap met plaatselijk sterke hoogteverschillen. De maaiveldhoogte varieert van circa 0,65 tot circa 2,10m + NAP (Actueel Hoogtebestand Nederland 2).
Waterstand
Oppervlaktewater
Het plangebied wordt ontwaterd door een aantal sloten. Door het terrein loopt een watergang die is aangemerkt als hoofdwatergang. In het zuidelijke deel ligt langs de perceelsgrens een sloot die is aangemerkt als schouwwater. Daarnaast is er langs de noordoostelijke perceelsgrens een sloot aanwezig, zonder verdere 'status'.
Voor hoofdwatergangen geldt dat voor het onderhoud aan beide zijden van de watergang een beschermingszone van 5 meter vanaf de oever noodzakelijk is. Deze beschermingszone dient geheel vrij te blijven van obstakels. Door middel van het opnemen van de dubbelbestemming “Waterstaat - Beschermingszone watergang” in de regels en op de verbeelding wordt dit geborgd.
Voor schouwwateren geldt dat de eigenaren van de aanliggende percelen verantwoordelijk zijn voor het onderhoud aan de schouwwatergang. Bij het uitwerken van de plannen wordt er rekening mee gehouden dat de schouwwatergang bereikbaar blijft voor onderhoud.
Het totale oppervlak van sloten binnen het plangebied bedraagt, orde van grootte, circa 2200 m2.
uitsnede leggerkaart (bron: www.wetterskipfryslan.nl)
Waterkering
In de omgeving van het plangebied zijn geen waterkeringen aanwezig.
Voor de beoogde ontwikkeling is een (geo-)hydrologisch advies opgesteld. Dit advies is opgenomen als bijlage 1 bij de toelichting van het bestemmingsplan.
Benodigde ontwateringsdiepte natuurbegraven
In het besluit op de lijkbezorging wordt een aantal eisen gesteld aan een graf.
In de praktijk (uitgaande van een kist of omhulsel met een hoogte van circa 40 centimeter) is er dus 1,35 meter ruimte (ontwateringsdiepte) nodig tussen grondwater en maaiveld. De bedoeling hiervan is voldoende toetreding van lucht/zuurstof zodat een goede ‘ontbinding’ van het lichaam plaatsvindt. Wat grondsoort betreft wordt in de praktijk het liefst gewerkt met zand, in verband met toetreding lucht en doorstroming water.
Benodigde maatregelen
In een deel van het plangebied is de grondwaterstand zodanig dat het natuurbegraven eenvoudig ingepast kan worden. Het betreft hier de hogere delen aan de noordoostelijke en zuidwestelijke zijde van het plangebied.
Een deel van het plangebied ligt iets lager, en daar is in de huidige situatie een GHG te verwachten die te weinig ruimte biedt voor het natuurbegraven. Dat betekent dat in de natste perioden de grondwaterstand te hoog is. Op basis van de grondwatertrappen kan ingeschat worden dat in de droge periode de GLG voldoende beneden maaiveld staat. Het is dus zaak om in de laagste delen de ontwateringsdiepte (de ruimte tussen GHG en maaiveld) te vergroten. Dit met het oog op voldoende drooglegging in de natste perioden.
Dit kan worden bereikt door:
Uitgangspunt is dat de slootpeilen van de bestaande watergangen ongewijzigd blijven. De waterstand wordt dus niet verlaagd, maar door een fijjnmaziger waterstructuur op de natuurbegraafplaats worden de pieken (hoogste grondwaterstanden in de natste perioden) afgevlakt. Het slootpeil in de bestaande watergang ligt gemiddeld op circa NAP -0,25 m gedurende de natte periode. Het nieuwe waterstelsel van de natuurbegraafplaats zal aansluiten op dit peil.
Om het hemelwater af te voeren worden op het terrein van de natuurbegraafplaats greppels en enkele poelen aangelegd, aangevuld met een stelsel van drains. Dankzij dit stelsel aan maatregelen wordt een situatie gecreëerd met voldoende drooglegging conform de wettelijke vereisten.
Met de aanleg van de greppels wordt voortgeborduurd op het systeem van 'rabatten'. Rabatten zijn de langwerpige ophogingen die gelegen zijn tussen greppels. De grond die uit de greppels afkomstig is wordt gebruikt om het rabat mee op te hogen. De methode wordt in de bosbouw toegepast om droge stroken te verkrijgen waarop dan de bomen geplant worden. De greppels dienen ter ontwatering.
Deze bosbouwkundige methode is van oudsher toegepast in de omgeving. In het onderhavige plan wordt het principe weer opgepakt. De structuur/richting van die rabatten volgt de aanwezige landschapsstructuur, (van zuidoost naar noordwest)
In de lagere delen van het terrein zullen op gezette afstanden (circa 40 meter) greppels worden gegraven. Daar tussenin leggen we aanvullend drains. Daarmee komt de afstand tussen de ontwateringsmiddelen in de laagste delen op 20 m.
In de hoger gelegen delen worden de drains doorgetrokken om ook daar de benodigde ontwatering te garanderen.
Door de aanleg van de greppels en drains wordt de opbolling verminderd van het freatisch vlak. De greppels en drains zijn met name in de natte periode watervoerend. In de droge periode is de grondwaterstand lager en treedt er wegzijging op. De greppels en drains staan via een buis in verbinding met de bestaande watergangen. De greppels en drains worden aangelegd met eenzelfde diepte als de bestaande sloten, circa NAP -0,5 meter.
De definitieve afstand tussen de ontwateringsmiddelen wordt later in het project bepaald.
De greppels worden gevuld door de stijging van de grondwaterstand of het oppervlakkig afstomen van neerslag. Het is mogelijk dat het vullen van de watergangen eerder plaats vindt op een andere locatie in het vrij afstromende gebied. Hierdoor fungeren de greppels als extra berging bij het opvangen van het oppervlaktewater. Vermoedelijk leveren de greppels nog water nadat de piek van de neerslag (en grondwater) voorbij is. Door het wegnemen van de opbolling vindt er versneld afvoer van het grondwater plaats ten opzichte van de huidige situatie.
Principe van ontwatering (blauw: watergangen, zwart: drains, bruin: grondverzet/rabat)
Daarnaast worden enkele poelen aangelegd. De poelen worden aangelegd in de lagere delen om het water te verzamelen. De poelen worden uitgegraven tot circa een halve meter onder de laagste grondwaterstand (circa NAP -1,20 m). Het gehele jaar zal er dus water in de poelen staan. De poelen staan via een buis in verbinding met de greppels. In de natte periodes stijgt het water in de poelen. Zodra het water de hoogte van de greppel bereikt zullen de poelen via de greppels gaan afwateren op de bestaande watergangen. De buisverbinding tussen poel en greppel wordt zodanig vormgegeven dat er sprake zal zijn van vertraagde afvoer.
Sfeerbeelden greppels en poelen
Om voldoende ontwateringsdiepte te realiseren voor het begraven zal plaatselijk het maaiveld opgehoogd moeten worden. Ten opzichte van het maatgevend slootpeil van circa NAP -0,25 m moet het maaiveld minimaal de opbolling plus de ontwatering bedragen.
Berekeningen
De berekeningen van de benodigde ophoging, in relatie met de afstand tussen de ontwateringsmiddelen, zijn uitgevoerd met de formule van Hooghoudt (1940).
Opbolling
In onderstaande tabel staan de resultaten van de berekening van de opbolling die optreedt bij een specifieke afstand tussen de ontwateringsmiddelen. Daarbij is een maatgevende neerslagintensiteit van 10 mm/dag aangehouden.
| Afstand Ontwateringsmiddelen (m) |
Opbolling (m) |
Maaiveldhoogte Ophoging benodigd (m NAP) |
Oppervlak Ophoging benodigd |
| 20 | 0,05 | Tot +1,16 | 50% |
| 40 | 0,19 | Tot +1,30 | 66% |
| 80 | 0,71 | Tot +1,82 | 93% |
Verdeling ontwateringsmiddelen
In het ontwerp is rekening gehouden met een hoger en lager deel in het gebied. Daarbij wordt een afstand van 20 meter aangehouden tussen de ontwateringsmiddelen in het lage deel (66% van plangebied) en 40 meter in het hogere deel (34% van plangebied).
Verdeling gebied in hoger deel (groen) en lager deel (oranje) op basis van de AHN2
De verdeling in het gebied is gebaseerd op de gegevens over het maaiveld (AHN2). Dit is een indicatieve verdeling. Het aanbrengen van de ontwateringsmiddelen wordt in een later stadium definitief bepaald. Daarbij wordt het ontwerp aangehouden, zoals beschreven in hoofdstuk 4 van deze toelichting.
Ophoging
In het lage deel van het plangebied is ophoging benodigd om te voldoen aan de gestelde ontwatering. Dit gebeurt door middel van lokale ophoging met zand. De berekening van de ophoging gaat als volgt;
Ophoging = (opbolling + ontwateringsdiepte + waterpeil) – maaiveld.
Inschatting van de lokale ophoging
De belangrijkste conclusies uit het onderzoek zijn;
Uit het Alterra-rapport 'Terug naar de Natuur' uit 2009 blijkt dat natuurbegraven niet zal leiden tot overschrijdingen van de milieunormen voor bodem, grond- en oppervlaktewater (zie ook onderdeel 5.3, bodem van dit bestemmingsplan). De Wet c.q. het besluit op de lijkbezorging voorziet afdoende in maatregelen om significante milieueffecten te voorkomen of te beperken.
Het besluit op de lijkbezorging regelt onder meer de wijze van begraven en de inrichting van het graf. Zo regelt dit besluit dat bij het begraven geen gebruik mag worden gemaakt van kunststof of metalen omhulsel. Dit sluit aan bij het natuurbegraven, waarbij gebruik gemaakt wordt van materialen die makkelijk afbreken in de bodem. Het besluit op de lijkbezorging is afgestemd op reguliere vormen van begraven. Bij natuurbegraven wordt uitgegaan van een veel lagere grafdichtheid. Effecten op de waterkwaliteit zullen daarom verwaarloosbaar zijn.
Het plangebied is ruim 8 hectare groot.
In de huidige situatie is er geen verhard oppervlak. Het gehele terrein bestaat uit (voormalig) productiebos. In de nieuwe situatie is de oppervlakte aan verharding minimaal. De toegangsweg, parkeervoorzieningen en hoofdstructuur van paden worden uitgevoerd in halfverharding, asfaltgranulaat. De overige paden zijn onverhard.
Hemelwater dat op wegen en paden valt zijgt in de bodem. De aanleg van wegen en paden heeft geen invloed op het bufferend vermogen van het gebied.
De oppervlakte aan bebouwing is zeer gering. Uitgegaan wordt van de realisatie van een kleine toiletvoorziening. In het bestemmingsplan wordt tevens ruimte geboden voor een eventuele overkapte ceremoniële ruimte. Deze zal maximaal circa 200 m2 beslaan en uitgevoerd worden in een passende natuurlijke vormgeving en materialisering.
Het Wetterskip hanteert een compensatieregeling van wateroppervlakte indien het verhard oppervlak toeneemt. Bij nieuwe verharde oppervlakten dient 10% van de oppervlakte van de verharding te worden gecompenseerd in de vorm van oppervlaktewater.
De toename van verhard oppervlak is, zeker in relatie tot de grootte van het terrein, te verwaarlozen. Wel wordt er ruimschoots nieuw oppervlaktewater aangelegd. Het wateroppervlak binnen de plangrens wordt uitgebreid.
Daardoor wordt de bergingscapaciteit van het gebied aanzienlijk vergroot.
Voor de natuurbegraafplaats is de bestaande waterstructuur het uitgangspunt. Door een zorgvuldige inpassing is er weinig invloed op het watersysteem. De waterkwaliteit wordt door de aanleg van de natuurbegraafplaats niet significant beïnvloed, zeker omdat het gebruik van een natuurbegraafplaats zeer extensief is. Het aspect waterhuishouding staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Wetgeving met betrekking tot de bescherming van de natuur richt zich op twee hoofdthema's. Het gaat hierbij om de bescherming van plant- en diersoorten (soortbescherming) en de bescherming van natuurgebieden (gebiedsbescherming). De instrumenten die deze bescherming mogelijk maken, zijn op Europees niveau vertaald in Natura 2000. De Europese wetgeving ten aanzien van de soortbescherming is in Nederland vertaald in de Flora- en faunawet. De gebiedsbescherming is vastgelegd in de gewijzigde Natuurbeschermingswet 1998. Hiermee heeft Nederland de Europese wetgeving in de nationale wetgeving verankerd.
Om alle natuurgebieden met elkaar te verbinden en om uitwisseling en verspreiding van soorten mogelijk te maken, wordt er in Nederland gewerkt aan de realisatie van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Verder worden diverse Rode lijsten van bedreigde soorten gehanteerd bij beoordelingen voor de aanwijzing van bescherming en compensatie.
Altenbug & Wymenga heeft in het kader van de bestemmingswijziging een beoordeling uitgevoerd (Ecologische beoordeling van beoogde natuurbegraafplaats Bremer Wildernis bij Balk, Altenburg & Wymenga, 17-12-2014). Er is onderzoek verricht naar de te verwachten soorten in het gebied en de invloed die de beoogde ontwikkeling heeft op de omgeving. Het rapport is opgenomen als bijlage 2 bij dit bestemmingsplan.
Daarnaast is op verzoek van de Provinsje Fryslân een Ecologisch-hydrologische quickscan uitgevoerd (Ecologisch-hydrologische quickscan natuur-begraafplaats Bremer Wildernis bij Balk, Altenburg & Wymenga, 14-09-2015). Het rapport is opgenomen als bijlage 3 bij dit bestemmingsplan.
In het rapport is op een rij gezet welke wettelijk beschermde natuurwaarden in de (ruime) omgeving van het plangebied en/of (mogelijk) in het plangebied voorkomen. Daarnaast wordt aangegeven of de betreffende natuurwaarden kunnen worden beïnvloed door de uitvoering van de beoogde plannen. Voor deze natuurwaarden (gebieden en soorten) wordt in het onderzoek bepaald welke effecten zij (kunnen) ondervinden en wordt beoordeeld hoe dit zich verhoudt tot de ecologische wet- en regelgeving.
Effectbeoordeling beschermde gebieden
Voortoets natuurbeschermingswet
Het plangebied ligt niet binnen een gebied dat beschermd is volgens de Natuurbeschermingswet. De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden zijn 'IJsselmeer' en 'Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving', die respectievelijk op een afstand van 3 en 6 km van het plangebied liggen. Overige Natura 2000-gebieden liggen op een afstand van 15 km of meer van het plangebied en zijn daarom niet van belang voor onderhavige beoordeling. Natura 2000-gebieden zijn aangewezen voor habitattypen en soorten, waarvoor in de aanwijzingsbesluiten instandhoudingsdoelen zijn opgesteld.
Gezien de relatief grote afstand tot het plangebied (minimaal 3 km), het intensieve gebruik van het tussenliggende gebied en de beperkte aard en omvang van het beoogde initiatief, is het uitgesloten dat negatieve effecten optreden op de omliggende Natura 2000-gebieden en de aangewezen natuurwaarden daarvan.
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd, dat als gevolg van de realisatie van een natuurbegraafplaats in het plangebied geen sprake is van een kans op (significant) negatieve effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden.
Ecologische hoofdstructuur
Het plangebied maakt tezamen met de aangrenzende Bremer Wildernis deel uit van de (Provinciale) Ecologische Hoofdstructuur (PEHS). De huidige status en de ambitie voor de toekomst die voor dit deel van de PEHS gelden, is het type 'N16.01 Droog bos met productie'. Ten oosten van het plangebied ligt langs de bosrand met de aangrenzende maïsakker een smalle strook met als ambitie 'N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland'.
De bescherming van de PEHS is tweeledig. Het eerste uitgangspunt is dat er geen verlies van oppervlakte mag plaatsvinden. Daarnaast mogen ingrepen in de nabijheid van de PEHS geen negatieve effecten veroorzaken op de wezenlijke waarden van de PEHS. Deze wezenlijke waarden hebben veelal betrekking op de aanwezige natuurwaarden, maar aspecten als rust, openheid en duisternis vallen hier ook onder.
Indien voor de natuurbegraafplaats een ceremoniële ruimte wordt gerealiseerd, is er sprake van een beperkt verlies van oppervlakte van de PEHS. In de huidige situatie bestaat het gebied uit een soortenarm acaciabos met weinig variatie. Wat betreft de wezenlijke waarden is in het plangebied winst te halen bij een goede inrichting. De beoogde inrichting bestaat uit een gevarieerd eikenbos met open plekken, 'bomenweides' en de aanplant van Brem, waaraan de Bremer Wildernis zijn naam dankt, langs zonbeschenen randen. Van deze inrichting kunnen aanwezig natuurwaarden profiteren en is mogelijk ruimte voor meer natuurwaarden.
Er wordt verwacht dat er 1-2 begrafenissen per twee weken zullen plaatsvinden. Een dergelijke beperkte intensiteit heeft naar verwachting geen noemenswaardige effecten op bijvoorbeeld de waarde als rust in dit deel van de PEHS. Tijdens de aanlegfase zal de rust in het gebied tijdelijk minder zijn op het moment dat er werkzaamheden worden uitgevoerd. Behalve rust zijn andere wezenlijke waarden die niet direct betrekking hebben op natuurwaarden niet in het geding door de inrichting en het gebruik.
Gezien het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de herinrichting van het plangebied tot een natuurbegraafplaats geen (belangrijke) negatieve effecten heeft op de PEHS. Daardoor is de herinrichting niet strijdig met de regelgeving omtrent de ecologische hoofdstructuur.
Aangezien de Provinsje Fryslân bevoegd gezag is t.a.v. de EHS wordt de rapportage in het kader van het vooroverleg aan de provincie voorgelegd.
Overige gebiedsbescherming
Naast de Natuurbeschermingswet en Ecologische Hoofdstructuur kunnen gebieden ook beschermd zijn volgens andere regelgeving, zoals verordeningen (bijv. weidevogelkerngebieden en Ganzenfoerageergebied). In de omgeving van het plangebied liggen geen gebieden die op een andere wijze worden beschermd ten aanzien van natuurwaarden dan de hierboven beschreven regelgeving. De plannen stuiten daarom niet op bezwaren vanuit overige regelgeving ten aanzien van gebiedsbescherming met betrekking tot natuurwaarden.
Effectbeoordeling beschermde soorten
Planten
De vegetatie in het plangebied wordt gekenmerkt door eenvormigheid en een hoge voedselrijkdom. Met voornamelijk acaciabos en een ondergroei van onder andere Grote brandnetel en Pitrus zijn de omstandigheden ongunstig voor wettelijk beschermde plantensoorten. Dergelijke planten worden daarom ook niet verwacht. Om deze redenen veroorzaakt de realisatie van de natuurbegraafplaats geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van planten.
Ongewervelde diersoorten
De meeste wettelijk beschermde ongewervelde diersoorten stellen zeer specifieke eisen aan hun leefomgeving, die vaak alleen te vinden zijn in natuurgebieden. Gezien de verspreidingsgegevens en de ecologische randvoorwaarden die ongewervelde diersoorten aan hun omgeving stellen, worden in het plangebied geen wettelijk beschermde ongewervelde diersoorten verwacht (De Bruyne 2004, Kalkman 2004, Peeters et al. 2004, Timmermans et al. 2004, Bos et al. 2006, EIS et al. 2007, Bouwman et al. 2008). De realisatie van de natuurbegraafplaats veroorzaakt om bovenstaande redenen geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van ongewervelde diersoorten.
Vissen
In het plangebied zijn greppels/sloten aanwezig voor het afwateren van overtollig water in het gebied. Waarschijnlijk zijn deze niet het gehele jaar watervoerend, wat de aanwezigheid van vis onwaarschijnlijk maakt. Bovendien hebben de betreffende sloten/greppels te maken met grote hoeveelheden bladafval, waardoor het aannemelijk is dat in de greppels/sloten geen wettelijk beschermde vissoorten voorkomen. Om deze redenen veroorzaakt de realisatie van de natuurbegraafplaats geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van vissen.
Amfibieën
Uit verspreidingsgegevens van amfibieën blijkt dat in de omgeving van het plangebied de zwaar beschermde Rugstreeppad en enkele licht beschermde amfibieënsoorten voorkomen, zoals Bruine kikker, Kleine watersalamander en Gewone pad (Van Delft et al. 2013).
De waarnemingen van Rugstreeppad betreffen waarschijnlijk waarnemingen langs de kust van het IJsselmeer ten oosten van Lemmer, waar een populatie van deze soort aanwezig is. In het plangebied is geen geschikt biotoop voor de Rugstreeppad aanwezig, die veelal in pionierssituaties wordt aangetroffen.
Mogelijk maakt het plangebied deel uit van het leefgebied van een aantal licht beschermde amfibieënsoorten. Door de realisatie van de natuurbegraafplaats gaat mogelijk een deel van het leefgebied van deze amfibieënsoorten tijdelijk verloren. Het is aannemelijk dat op de gerealiseerde natuurbegraafplaats opnieuw leefgebied voor de betreffende soorten aanwezig zal zijn. Bij projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling geldt voor licht beschermde soorten een vrijstelling van enkele verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet. Om deze redenen veroorzaakt de realisatie van de natuurbegraafplaats geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van amfibieën.
Reptielen
In de omgeving van het plangebied komt wat betreft reptielen alleen de middelzwaar beschermde Levendbarende hagedis voor (Van Delft et al. 2013). Deze soort komt voor in de Starnumanbossen ten noordwesten van het plangebied. Door de eenvormigheid en hoge voedselrijkdom van het plangebied (ruigte), is het onwaarschijnlijk dat de Levendbarende hagedis hier voorkomt. De uitvoering van plannen veroorzaakt om deze redenen geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van reptielen.
Vogels
Broedvogels algemeen
Het plangebied bestaat uit bos, zodat er veel mogelijkheden tot nestelen zijn voor broedvogels. Tijdens het veldbezoek werden onder andere de volgende soorten waargenomen: Merel, Pimpelmees, Koolmees, Vink, Zanglijster, Houtduif en Winterkoning.
Bij werkzaamheden moet volgens de Flora- en faunawet rekening worden gehouden met het broedseizoen van vogels. De Flora- en faunawet kent geen standaardperiode voor het broedseizoen. Het gaat erom of er een broedgeval is, dat verstoord kan worden. Verstoring van broedgevallen is niet toegestaan vanuit de Flora- en faunawet en hiervoor wordt in principe ook geen ontheffing verleend.
Er zijn verschillende mogelijkheden om overtreding van de Flora- en faunawet ten aanzien van broedende vogels te voorkomen. Werkzaamheden buiten het broedseizoen uitvoeren is een afdoende optie. Een alternatief is om verstorende werkzaamheden voor aanvang van het broedseizoen te beginnen, zodat broedpogingen in het werkgebied achterwege blijven. Mochten er toch vogels tot broeden komen en worden verstoord door de werkzaamheden, dan ontstaat een conflict met de Flora- en faunawet en moeten de werkzaamheden worden gestaakt tot na de broedperiode.
Jaarrond beschermde nestplaatsen
Buiten het broedseizoen vallen de meeste nestplaatsen niet onder de bescherming van de Flora- en faunawet, maar een aantal vogelsoorten maakt gedurende het gehele jaar gebruik van de nestplaats of keert jaarlijks terug op dezelfde plaats. Hun nesten en de functionele leefomgeving daarvan worden daarom het gehele jaar beschermd. Vanaf 26 augustus 2009 geldt een aangepaste lijst van soorten met jaarrond beschermde nestplaatsen, die indicatief is en niet uitputtend.
Hoewel het plangebied voor een aantal van deze soorten in potentie geschikt is als broedbiotoop, zijn tijdens het veldbezoek van de soorten die op deze lijst staan geen nestplaatsen aangetroffen in het plangebied. De plannen veroorzaken geen negatieve effecten op de functionaliteit van eventueel aanwezige jaarrond beschermde nestplaatsen in de omgeving van het plangebied. Op korte termijn veroorzaakt de realisatie van de natuurbegraafplaats geen conflict met de Flora- en faunawet, maar als er werkzaamheden worden uitgevoerd na het broedseizoen van 2015, dan dient opnieuw geïnventariseerd te worden of er zich in het gebied vogels hebben gevestigd waarvan de nestplaatsen jaarrond zijn beschermd.
Samenvattend
De realisatie van de natuurbegraafplaats veroorzaakt geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van broedvogels, mits broedende vogels en hun in gebruik zijnde nesten niet verstoord worden en vestiging van vogels met jaarrond beschermde nestplaatsen uitblijft.
Vleermuizen
Alle in Nederland voorkomende vleermuissoorten zijn zwaar beschermd door de Flora- en faunawet en zijn vermeld in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Hierdoor gelden voor deze soorten striktere beoordelingscriteria bij ontheffingsaanvragen dan bij soorten die niet zijn vermeld in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn. Vanwege deze specifieke aandacht wordt aan vleermuizen een aparte paragraaf besteed, de overige zoogdiersoorten komen in paragraaf 4.8 aan bod.
In de omgeving van het plangebied komt een aantal vleermuissoorten voor (Melis 2012), namelijk Gewone baardvleermuis, Franjestaart, Watervleermuis, Meervleermuis, Gewone dwergvleermuis, Ruige dwergvleermuis, Rosse vleermuis, Gewone grootoorvleermuis en Laatvlieger. Voor vleermuizen zijn drie onderdelen van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn voor de functionaliteit van het leefgebied. Deze zijn: verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden.
Verblijfplaatsen
In de zomerperiode hebben vleermuizen in Nederland hun verblijfplaatsen voornamelijk in gebouwen en bomen. Tijdens de winter verblijven zij onder andere in gebouwen, bomen, bunkers en kelders. Binnen het plangebied staan geen gebouwen. De bomen in het plangebied zijn relatief jong en te dun om verblijfplaatsen van vleermuizen te herbergen. De realisatie van de natuurbegraafplaats veroorzaakt om deze redenen geen directe effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen.
Vliegroutes
Bij verplaatsingen tussen verblijfplaats en foerageergebied maken vleermuizen gebruik van lijnvormige landschapselementen om zich te oriënteren. Hoewel de randen van het plangebied langs de open (maïs)akkers en de paden van de Bremer Wildernis in principe dienst kunnen doen als onderdeel van dergelijke vliegroutes, is het onwaarschijnlijk dat in en langs het plangebied essentiële vliegroutes van vleermuizen liggen. Bovendien zal er weinig tot geen verandering aan deze elementen optreden. Om deze redenen wordt geconcludeerd, dat de functionaliteit van de in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen ten aanzien van vliegroutes blijft gewaarborgd.
Foerageergebied
Het plangebied of de directe omgeving ervan kunnen deel uitmaken van het foerageergebied van enkele van de bovengenoemde vleermuissoorten. De kwaliteit van dit foerageergebied zal ongewijzigd blijven, of mogelijk iets toenemen, omdat er meer openheid in het gebied zal ontstaan. Voor de betreffende soorten is in de omgeving bovendien voldoende alternatief foerageergebied voorhanden. Om deze redenen wordt geconcludeerd, dat de functionaliteit van de in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen van vleermuizen ten aanzien van foerageergebied blijft gewaarborgd.
Conclusie vleermuizen
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd, dat de realisatie van de natuurbegraafplaats geen conflict veroorzaakt met de Flora- en faunawet ten aanzien van vleermuizen.
Overige zoogdiersoorten
In de omgeving van het plangebied komen zoogdieren voor uit alle drie beschermingscategorieën van de Flora- en faunawet. Hieronder zijn deze per categorie besproken.
Licht beschermde zoogdiersoorten
Volgens de verspreidingsgegevens van zoogdieren komt in de omgeving van het plangebied een aantal licht beschermde zoogdiersoorten voor, zoals Haas, Egel, Mol, Bunzing, Hermelijn, Vos en verschillende (spits)muizensoorten (Vos 2010). Het is te verwachten dat voor een aantal van de genoemde soorten het plangebied deel uitmaakt van het leefgebied. Tijdens het veldbezoek werden Reeën en Hazen waargenomen. Ook werden vermoedelijke rustplaatsen van Ree aangetroffen. Voor licht beschermde zoogdiersoorten geldt een vrijstelling van enkele verbodsbepalingen van de Flora- en faunawet bij projecten in het kader van ruimtelijke ontwikkeling. Om deze reden veroorzaakt de realisatie van de natuurbegraafplaats geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van licht beschermde zoogdiersoorten.
Middelzwaar beschermde zoogdiersoorten
In de omgeving van het plangebied komen de middelzwaar beschermde Eekhoorn en Steenmarter voor (Melis 2012). Eekhoorns komen voor in loof-, naald- en gemengde bossen (Lange et al. 2003), zodat het plangebied in principe leefgebied kan zijn voor deze soort. Het bosperceel bestaat echter voornamelijk uit aanplant van Acacia, dat geen voedselbron is voor Eekhoorn. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten van Eekhoorn aangetroffen, terwijl die gezien de tijd van het jaar relatief eenvoudig waarneembaar zijn. Om deze redenen is het onwaarschijnlijk dat het plangebied een noemenswaardige rol voor Eekhoorn vervult. Daarom veroorzaakt de realisatie van de natuurbegraafplaats geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van de Eekhoorn.
Het plangebied maakt waarschijnlijk deel uit van het leefgebied van de Steenmarter. Deze soort kan binnen een territorium tientallen schuilplaatsen hebben in takkenhopen, boomholtes, dichte struwelen, op zolders en in kruipruimten, waarvan er slechts enkele regelmatig gebruikt worden (Lange et al. 2003). De begroeiing in het plangebied is vrij open door de systematische aanplant van Acacia en de ijle ondergroei van voornamelijk Grote brandnetel. In het gebied zijn geen takkenhopen, dood hout en oude bomen met gaten of grote wortelkluiten aanwezig. Om deze redenen is de aanwezigheid van verblijfplaatsen van Steenmarter vrijwel uitgesloten. Het plangebied vormt mogelijk wel onderdeel van het foerageergebied van Steenmarter. Door de realisatie van de natuurbegraafplaats gaat mogelijk een beperkt deel van het foerageergebied van de Steenmarter tijdelijk verloren. Er is in de omgeving echter ruim voldoende alternatief foerageergebied voorhanden en na realisatie kan het gebied weer fungeren als foerageergebied. Hierdoor blijft de functionaliteit van eventueel in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen van deze soort gewaarborgd. Om deze reden veroorzaakt de realisatie van de natuurbegraafplaats geen conflict met de Flora- en faunawet ten aanzien van de Steenmarter.
Zwaar beschermde zoogdiersoorten
Van de zwaarste beschermingscategorie van de Flora- en faunawet komen de zoogdieren Waterspitsmuis, Boommarter en Das voor in de omgeving van het plangebied (exclusief vleermuizen). Voor Boommarter geldt hetzelfde als voor Steenmarter (zie hierboven), zodat er ten aanzien van deze soort geen knelpunt is met de Flora- en faunawet.
De Waterspitsmuis is een soort die voorkomt langs natte oevers met een sterk ontwikkelde kruidlaag en voldoende dekking (Lange et al. 2003). Door het ontbreken van dergelijk biotoop in het plangebied is het uitgesloten dat deze soort hier voorkomt.
Das
In Gaasterland is één van de kernpopulaties van Das in Friesland aanwezig. In de directe omgeving van het plangebied is een aantal hoofdburchten van deze soort bekend, waarvan één dicht bij het plangebied ligt (zie figuur 2). Om deze reden is het plangebied tijdens het veldbezoek grondig onderzocht op de aanwezigheid van sporen van Das (burchten, wissels, mestputjes etc.). Hierbij zijn in het plangebied geen burchten en vluchtpijpen aangetroffen. Rond het gehele plangebied is een raster aanwezig, maar er is een aantal onderdoorgangen waargenomen (figuur 2) die de Das toegang bieden tot het gebied. In het plangebied zijn veel wissels waargenomen, waarvan er ook enkele in gebruik zijn door Reeën. In figuur 2 zijn de aangetroffen wissels weergegeven. Behalve wissels zijn op verscheidene plaatsen in het plangebied graafsporen van Das waargenomen. Er zijn echter geen aanwijzingen die erop duiden dat het plangebied een belangrijke rol speelt als foerageergebied van de Das.
De Flora- en faunawet beschermt voortplantingsplaatsen en vaste rust- en verblijfplaatsen van Das, maar ook de functionele leefomgeving daarvan. De zaken die nodig zijn om een dassenburcht als voortplantingsplaats of vaste rust- en verblijfplaats te laten functioneren, zijn volgens de Soortenstandaard Das (Dienst Regelingen 2012):
Er is sprake van aantasting van de functionaliteit van een voortplantingsplaats of van een vaste rust- of verblijfplaats, als er negatieve effecten optreden op essentiële onderdelen van het leefgebied, zodat deze niet meer als zodanig kunnen functioneren en er geen alternatieven beschikbaar zijn.
Overzicht van het gebruik van het plangebied door de Das
De realisatie van de natuurbegraafplaats vindt plaats in het leefgebied van de Das. Omdat er in het plangebied geen burchten zijn aangetroffen is er geen sprake van directe aantasting van vaste rust- en verblijfplaatsen van deze soort. De functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van de Das in de omgeving van het plangebied kan worden aangetast indien door de realisatie van de natuurbegraafplaats essentiële onderdelen van de leefomgeving van die verblijfplaatsen worden aangetast.
Omdat in het plangebied geen aanwijzingen zijn gevonden die erop wijzen dat het plangebied belangrijk foerageergebied is, wordt geconcludeerd dat de realisatie en het gebruik van de natuurbegraafplaats ten aanzien van dat aspect de functionaliteit van vaste rust- en verblijfplaatsen van Das niet aantast.
In het plangebied is een relatief groot aantal wissels aangetroffen. Dit heeft waarschijnlijk te maken met de systematische aanplant van Acacia zonder veel ondergroei, waardoor er vrijwel geen barrières zijn voor de Das. Vanwege deze situatie zijn er tijdens de realisatie van de natuurbegraafplaats naar verwachting voldoende (tijdelijke) alternatieven voor wissels. Door de natuurlijke inrichting van het gebied voor de beoogde natuurbegraafplaats zullen er waarschijnlijk geen barrières voor de Das ontstaan, zodat er ook na realisatie voldoende mogelijkheden voor wissels van Das aanwezig zijn. Omdat het gebruik van de natuurbegraafplaats overdag plaatsvindt en de Das nachtactief is, kan de Das het plangebied in de gebruiksfase blijven gebruiken om zich te verplaatsen. Om deze redenen zal de functionaliteit van verblijfplaatsen van de Das in de omgeving van het gebied ten aanzien van wissels gewaarborgd blijven.
Conclusie 'overige zoogdiersoorten'
Op basis van het bovenstaande wordt geconcludeerd, dat de realisatie en het gebruik van de natuurbegraafplaats geen conflict veroorzaakt met de Flora- en faunawet ten aanzien van Das en andere 'overige zoogdiersoorten'.
Ecologisch-hydrologische quickscan
Na overleg met de Provinsje Fryslân is tevens een ecologisch-hydrologische quickscan uitgevoerd. In de ecologisch-hydrologische quickscan is nagegaan of er in en rond het plangebied natuurwaarden aanwezig zijn die gevoelig zijn voor waterhuishoudkundige ingrepen. Hierbij is gebruik gemaakt van de gegevens van de ecologische beoordeling van de Vries (2014). Op basis hiervan is onderzocht of aanpassingen van de grondwaterstanden een negatief effect kunnen hebben op deze natuurwaarden.
In de quickscan is nagegaan of de doelstellingen kunnen worden gerealiseerd binnen de waterhuishoudkundige randvoorwaarden die volgen uit het gebruik als natuurbegraafplaats. De ecologische doelstellingen zijn vervolgens geconfronteerd met de gestelde waterhuishoudkundige randvoorwaarden voor de natuurbegraafplaats. Op basis van deze confrontatie is aangegeven of de ambities realiseerbaar zijn en of er risico's zijn dat bepaalde doelstellingen niet kunnen worden gerealiseerd. Daarnaast is ook een aantal suggesties gedaan om de biotische doelstellingen van het plan nog verder te verbeteren.
Ecologische Hoofdstructuur
Het plangebied en de bossen daaromheen zijn in het Natuurbeheerplan van de Provincie Fryslân aangeduid met beheertype 'N16.01 Droog bos met productie'. Het betreft hier een bostype waarvan de biodiversiteit (nog) relatief laag is. Dit wordt onder andere veroorzaakt door de uniforme aanleg en beheer in het verleden, door de jonge leeftijd van de bossen en onvoldoende abiotische kwaliteit als gevolg van verzuring en vermesting. De natuurwaarden die hier worden aangetroffen zijn veelal niet gevoelig voor waterhuishoudkundige ingrepen. Het gaat hier dan merendeels om insecten en vogels. Hieronder is voor de bossen binnen en rondom het plangebied aangegeven welke grondwaterafhankelijke natuurwaarden hier kunnen worden aangetroffen.
Grondwaterafhankelijke natuurwaarden
In het rapport van de Vries (2014) is uitgebreid aandacht besteed aan de aanwezigheid van de natuurwaarden in het plangebied en de directe omgeving. In onderhavige notitie is uitsluitend aandacht besteed aan natuurwaarden die afhankelijk zijn van grondwater en die in potentie direct of indirect kunnen worden beïnvloed door veranderingen in de grondwaterstand. Het gaat dan om vegetaties, ongewervelde diersoorten en amfibieën. Omdat alle waterlopen in het plangebied in de zomermaanden droogvallen, wordt er geen aandacht besteed aan de diergroep vissen. Overige natuurwaarden, zoals reptielen, vogels en zoogdieren zijn niet of nauwelijks grondwaterafhankelijk en zijn daarom niet meegenomen in deze toetsing.
Vegetaties
De vegetatie in het plangebied wordt gekenmerkt door eenvormigheid en bestaat voornamelijk uit aanplant van Robinia pseudoacacia. Aan de oostzijde is de begroeiing relatief ijl met een ondergroei van Gewone vogelkers, Grote brandnetel en Pitrus. In het centrale deel van het plangebied is de vegetatie open. Hier groeit voornamelijk Pijpenstrootje. Aan de westzijde is het plangebied dicht bebost met Robinia. De vegetatie kan worden gekarakteriseerd als droog en voor wat betreft de plekken met Grote brandnetel als voedselrijk. Wettelijk beschermde en bijzondere plantensoorten zijn er niet aangetroffen en worden hier ook niet verwacht. De botanische waarde van het gebied is daarom gering.
Ongewervelde diersoorten
In en rond het plangebied zijn greppels en sloten aanwezig voor het afwateren van overtollig water. Deze sloten zijn niet het hele jaar watervoerend en daarom niet geschikt voor libellen. Deze worden hier dan ook niet verwacht. Op 50 m ten noordwesten van het plangebied ligt een bosven. Hier kunnen algemene libellensoorten voorkomen, zoals Gewone pantserjuffer, Lantaarntje, Vuurjuffer, Viervlek, etc. Wettelijk beschermde libellensoorten zijn hier niet waargenomen (Boer et al. 2014).
Amfibieën
Uit het rapport van de Vries (2014) komt naar voren dat het plangebied mogelijk deel uitmaakt uit van het leefgebied van een aantal licht beschermde amfibieënsoorten (Kleine watersalamander, Bruine kikker, Meerkikker en Gewone pad). De sloten rond het plangebied zijn niet het hele jaar watervoerend en worden dus niet gebruikt als voortplantingsplaats voor voornoemde soorten. Het plangebied wordt daarom alleen door amfibieën gebruikt om te foerageren en te overwinteren. In de bosvennen in de directe omgeving van het plangebied kunnen bovengenoemde amfibieën tot voortplanting komen.
Effecten waterhuishoudkundige ingrepen op natuur-waarden
Vegetaties
Binnen het zuidwestelijk deel van het plangebied wordt een stelsel van greppels en sloten aangelegd, zodat de GHG wordt verlaagd naar 135 cm -mv. Er zijn geen effecten op de GLG. Binnen het plangebied bestaat de vegetatie voornamelijk uit Robinia pseudoacacia met in de ondergroei Grote brandnetel en Pijpenstrootje. Dit zijn droogtetolerante soorten. Zo ligt het kernbereik van de grondwaterstand voor heidevegetaties met Pijpenstrootje tussen de 40 en 270 cm onder maaiveld (www.synbiosis. alterra.nl). In onderhavig geval wordt hier aan voldaan, zodat als gevolg van de maatregel geen veranderingen worden verwacht in de vegetatiesamenstelling binnen het plangebied.
Mogelijk dat er als gevolg van de waterhuishoudkundige maatregel in een zeer smalle strook bos ten noordwesten van het plangebied een beperkte verlaging van de GHG optreedt. Ook hier zal gelden dat de GHG niet lager zal zakken dan 135 cm onder maaiveld. Het betreft hier een strook bos die grotendeels beplant is met eiken. Voor optimaal ontwikkelde eiken-beuken en/of berken-eikenbossen ligt het kernbereik van de grondwaterstand tussen de 40 - 276 cm onder maaiveld (www.synbiosis.nl). In onderhavig geval wordt hieraan voldaan, zodat als gevolg van de maatregel geen veranderingen worden verwacht in de vegetatiesamenstelling in het bos dat grenst aan het plangebied.
Door de aanleg van een aantal bosvennen met natuurlijke oevers, neemt het aantal locaties met een geleidelijke gradiënt van nat naar droog toe. Hier kan een versterking van de botanische waarden worden verwacht. Afhankelijk van de basenrijkdom moet hier worden gedacht aan Sphagnum sp, Knolrus, Veenpluis, Oeverkruid, Klein blaasjeskruid, etc.
Ongewervelde diersoorten
Het plangebied is ongeschikt voor libellen, zodat deze hier niet worden verwacht. Ten noordwesten van het plangebied ligt een bosven. Hier kunnen verscheidene soorten libellen tot voortplanting komen. Het bosven ligt op ongeveer 60 m afstand van de nieuw aan te leggen greppel. Gezien deze grote afstand, het gegeven dat er in het plangebied en de omgeving geen veranderingen optreden in de laagste grondwaterstanden en het feit dat de waterstanden in de nieuwe greppels niet zullen afwijken van die in bestaande waterlopen in de omgeving, kan worden geconcludeerd dat er geen noemenswaardige effecten zullen optreden op de waterstand in het nabijgelegen ven. Negatieve effecten op libellen worden daarom niet verwacht.
In het plangebied wordt een aantal nieuwe vennen aangelegd. Deze vennen kunnen op termijn worden gebruikt door verscheidene soorten libellen. Daardoor is er een positief effect op de biodiversiteit.
Amfibieën
Binnen het plangebied kunnen algemeen voorkomende amfibieën foerageren en overwinteren. Er is in het plangebied geen open water. Het plangebied is dus ongeschikt als voortplantingsplaats voor amfibieën. Het plangebied zal met name in de wintermaanden iets droger worden. Omdat de meeste amfibieën (Gewone pad, Bruine kikker, Kleine watersalamander) overwinteren op droge plekken, zijn er geen effecten te verwachten op de kwaliteit van de huidige overwinteringplaatsen. In het najaar, wanneer de meeste soorten amfibieën foerageren op land, zullen de grondwaterstanden niet veel wijzigen als gevolg van de maatregel. Een verandering van de vegetatiesamenstelling en dus ook de kwaliteit van het foerageergebied voor amfibieën is dus niet te verwachten.
De waterhuishoudkundige maatregelen leiden niet tot negatieve effecten op amfibieën.
Effecten op wezenlijke waarden EHS
Hierboven zijn de wezenlijke (natuur) waarden van het plangebied en de omgeving geschetst. Deze natuurwaarden corresponderen met het natuurbeheertype 'N16.01 Droog bos met productie' waarvoor het plangebied en de omgeving in het Provinciale Natuurbeheerplan is aangewezen. Bij het beschrijven van de natuurwaarden is met name de aandacht uitgegaan naar natuurwaarden die direct of indirect afhankelijk zijn van het grondwater. Uit de studie komt naar voren dat er als gevolg van de waterhuishoudkundige maatregelen geen negatieve effecten zijn te verwachten op deze natuurwaarden. Ook zijn er als gevolg van de maatregelen geen effecten te verwachten op overige wezenlijke waarden van EHS-gebieden, zoals rust en duisternis.
De conclusie is dat er ten aanzien van de waterhuishoudkundige maatregelen geen knelpunten zijn met het beschermingsregime van de EHS. Wel zijn er positieve effecten: de realisatie van de natuurbegraafplaats zal leiden tot een toename van de diversiteit aan abiotische factoren. Hierdoor nemen naar verwachting ook de natuurwaarden in het gebied toe.
Doelstellingen in het licht van waterhuishoudkundige maatregelen
Doelstellingen
In het beheer- en inrichtingsplan voor de natuurbegraafplaats is een aantal doelstellingen en maatregelen geformuleerd waardoor de abiotische en biotische diversiteit in het plangebied zal toenemen. In onderstaande tabel is aangegeven om welke doelstellingen het gaat en welke hydrologische randvoorwaarden hiervoor gelden. Uit de tabel kan worden afgeleid dat de gehanteerde doelstellingen niet bijzonder kritisch zijn ten aanzien van hydrologische randvoorwaarden.
Confrontatie doelstellingen met waterhuishoudkundige maatregelen
Op basis van de vastgestelde hydrologische randvoorwaarden is vervolgens per streefbeeld nagegaan of deze realiseerbaar zijn binnen de waterhuishoudkundige uitgangspunten zoals die in het beheer- en inrichtingsplan zijn geformuleerd. De beoordeling hieromtrent is verwoord in de derde kolom van onderstaande tabel. Uit de beoordeling komt naar voren dat er geen knelpunten zijn tussen de gehanteerde doelstellingen en de waterhuishoudkundige randvoorwaarden en uitgangspunten die voor de natuurbegraafplaats gelden. Dit betekent dat de doelstellingen, maatregelen en ambities van het beheer- en inrichtingsplan realistisch zijn en goed aansluiten bij het huidige door de Provincie vastgestelde natuurdoeltype van de EHS.
De aanvullende adviezen in de vierde kolom van onderstaande tabel zijn geen aanscherping van de maatregelen op grond van waterhuishoudkundige criteria, maar hebben tot doel om het gebiedseigen karakter van de flora en fauna in dit deel van de EHS te behouden. Geadviseerd wordt om geen gebiedsvreemd 'genetisch materiaal' in het plangebied te introduceren. Hiermee wordt floravervalsing en 'vervuiling' van bestaand genetisch materiaal voorkomen. Hierbij gaat het dan uitsluitend om kruidachtige soorten en Brem.
| Doelstellingen en maatregelen | Hydrologische randvoorwaarden | Realiseerbaar binnen de bestaande waterhuishoudkundige randvoorwaarden? | Aanvullend advies |
| Gevarieerd natuurlijk bos met verschillende soorten en ouderdom | Optimaal bereik eiken-beukenbos en/of eiken-berkenbos: GVG: 40-276 cm -mv, | GHG: 35 - 160 cm -mv Realiseerbaar |
- |
| Aanleggen bosvennen | Niet te grote drooglegging | Op basis van verwachte grondwaterstanden: realiseerbaar | Zorg voor voldoende lichtinval op de oevers in combinatie met natuurvriendelijke oevers |
| Milieugradiënten natte en droge plekken, met name bij de vennen | Niet te grote drooglegging | Op basis van verwachte grondwaterstanden realiseerbaar | - |
| Milieugradiënten open dicht, met name langs de bosranden en open plekken in bos | Geen randvoorwaarden | Realiseerbaar | - |
| Laten liggen van dood hout | Geen randvoorwaarden | Realiseerbaar | - |
| Aanplant Brem | Geen randvoorwaarden | Realiseerbaar | Gebruik hiervoor plantenmateriaal (zaden) uit de omgeving om floravervalsing en 'vervuiling' van genetisch materiaal van lokale populaties brem te voorkomen. |
| Inzaaien met kruiden | Geen randvoorwaarden | Realiseerbaar | In Ecologische Hoofdstructuur achterwege laten om floravervalsing te voorkomen. Open plekken e.d. worden snel genoeg door lokale populaties kruidachtigen gekoloniseerd |
| Afvoeren bagger uit sloten | Geen randvoorwaarden | Realiseerbaar | - |
Tabel: Overzicht van de doelstellingen en maatregelen uit het beheer- en inrichtingsplan en de hydrologische randvoorwaarden die hiervoor gelden. Op basis hiervan zijn de doelstellingen getoetst aan de waterhuishoudkundige randvoorwaarden, zoals die ook in het beheer- en inrichtingsplan zijn opgenomen. In de derde kolom zijn de resultaten van de toetsing verwoord. In de vierde kolom is ten aanzien van de te nemen maatregelen nog een aantal aanvullende adviezen gegeven.
Uit bovenstaande analyse kunnen de volgende conclusies worden getrokken:
Op basis van de uitgevoerde onderzoeken kan worden geconcludeerd dat het aspect flora en fauna de uitvoerbaarheid van het onderhavige bestemmingsplan niet in de weg staat.
Bij de verkenning van de mogelijkheden om nieuwe functies in een gebied te realiseren dient de bodemkwaliteit te worden betrokken. Inzicht in eventuele beperkingen aan het bodemgebruik (i.v.m. milieuhygiënische risico's voor mens, plant en dier) is noodzakelijk. Tevens dienen de mogelijkheden en kosten om eventuele beperkingen door middel van actief bodembeheer weg te nemen te worden aangegeven.
historie
Het plangebied is bestemd als bos en was tot voor kort in gebruik als productiebos voor Europees hardhout. Daarvoor is het in gebruik geweest als agrarisch gebied. Vanuit het gebruik in het verleden is geen verdenking van bodemverontreiniging.
Om inzicht te krijgen in de bodemkwaliteit is het bodemloket van de provincie Fryslân geraadpleegd. Hieruit blijkt dat binnen het plangebied enkele gedempte watergangen zijn gesitueerd. Het bodemloket geeft aan dat er onderzoek is uitgevoerd en er geen noodzaak is tot nader onderzoek of sanering. Er kan dan ook gesteld worden dat sprake is van een onverdachte locatie ten aanzien van bodemverontreiniging.
kaartbeeld bodemloket (bron: http://www.fryslan.nl/bodemloket)
Effect van natuurbegraven op de bodem
Uit het Alterra-rapport 'Terug naar de Natuur' uit 2009 blijkt dat het vergaan van het dode lichaam geen significant effect op de bodem en het bodemleven veroorzaakt. In dit rapport is een aantal theoretische studies beschreven waarin effecten van metalen, eutrofieërende stoffen, organische zuren en afbraakproducten, medische stoffen en stoffen als kwik op afzonderlijke milieuonderdelen onderzocht zijn. Het begraven zal niet leiden tot overschrijdingen van de milieunormen voor de bodem.
De Wet op de lijkbezorging voorziet afdoende in maatregelen om significante milieueffecten te voorkomen of te beperken. De Wet op de lijkbezorging is afgestemd op reguliere vormen van begraven.
Bij natuurbegraven wordt uitgegaan van een veel lagere grafdichtheid. Verder zal bij het natuurbegraven alleen gebruik worden gemaakt van makkelijk afbreekbare en niet schadelijke materialen voor de kist/het omhulsel. Effecten op de bodem zullen daarom verwaarloosbaar zijn.
In het kader van het bestemmingsplan is van belang in hoeverre de actuele bodemkwaliteit in overeenstemming is met de (beoogde) functie van een perceel. Gezien het actuele en voormalige gebruik van het terrein en het feit dat het perceel kan worden aangemerkt als een onverdachte locatie kan gesteld worden dat hieraan wordt voldaan. Het effect van natuurbegraven op de bodem is verwaarloosbaar. Gesteld kan worden dat het aspect 'bodem' dan ook geen belemmering vormt voor de uitvoering van voorliggend wijzigingsplan.
Op het gebied van cultuurhistorie is met name de ontwikkeling van het landschap van belang. Door een samenspel van natuurlijke factoren en menselijk handelen is het landschap geworden zoals het nu is.
Kenmerkend voor het heide-ontginningslandschap is de verkavelingsrichting haaks op de ontginningsas. In het plangebied weerklinkt dat nog in de lange lijn van de watergang die door het plangebied loopt. Deze verkavelingsrichting is als uitgangspunt genomen voor het inrichtingsplan.
De beoogde ontwikkeling van het bos sluit goed aan bij de gevarieerde bosontwikkeling, zoals die sinds de zeventiende eeuw in de omgeving heeft plaatsgevonden.
De onderhavige ontwikkeling voegt zich binnen de bestaande landschappelijke structuur. Bij de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats zijn geen cultuurhistorische waarden in het geding.
De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ontwikkeling is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valetta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag. De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn:
Het verdrag werd in 1998 door een goedkeuringswet bekrachtigd en op 1 september 2007 in de Wet op de archeologische monumentenzorg vertaald in nieuwe wetgeving. De wet regelt in aansluiting op het Europese verdrag de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, onder andere door inpassing van de belangen van archeologie in de ruimtelijke ordening.
Gemeenten zijn verplicht om bij de vaststelling van een nieuw bestemmingsplan rekening te houden met de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem.
Hiervoor is de Friese Archeologische Monumentenkaart Extra (FAMKE) een bruikbaar instrument. Op deze kaart is voor de hele provincie aangegeven wat de verwachtingswaarde is op het aantreffen van archeologische resten. Hieraan zijn adviezen gekoppeld over hoe om te gaan met deze waarden.
Omdat deze plannen met bodemverstorende ingrepen gepaard gaan, is er een archeologisch vooronderzoek uitgevoerd conform de Wet op de archeologische monumentenzorg (RAAP-NOTITIE 4955, Plangebied de Bremer Wildernis in Ruigahuizen, nabij Balk, 28 november 2014). Het onderzoek bestond uit een bureauonderzoek en een veldonderzoek. Het rapport is opgenomen als bijlage 4 bij dit bestemmingsplan.
bureauonderzoek
Het bureauonderzoek dient om een gespecificeerde archeologische verwachting op te stellen. Hiervoor worden verschillende bronnen gebuikt.
historisch gebruik
Op de kaart van Schotanus à Sterringa uit 1694 (postuum uitgegeven in 1718) is het meest zuidwestelijke deel van het plangebied aangegeven als akkerland. De rest van het plangebied was niet in cultuur gebracht. Op de kaart van Huguenin uit circa 1820 zijn beide percelen akkerland (Versfelt & Schoor, 2005). Op de kadastrale minuut uit 1832 staat bos aangegeven. Vervolgens wordt het weer bouwland, want op de kaart van Eekhoff van rond 1850 staat bij de percelen de opmerking ‘Hooge bouwlanden’. Tot in ieder geval 1998 blijft het akkerland. In de atlas van 2004 staan de percelen aangegeven als productiebos.
Gespecificeerde archeologische verwachting/advies
Volgens de FAMKE geldt voor het plangebied voor de periode Steentijd-Bronstijd een lage tot middelhoge verwachting. Voor de periode Ijzertijd - Middeleeuwen geldt een middelhoge tot hoge archeologische verwachting.
Gezien de FAMKE en de resultaten van het bureauonderzoek worden in het plangebied resten van nederzettingen uit de Steentijd verwacht, in de top van het dekzand, direct onder de bouwvoor. Oudere resten (uit het middenpaleolithicum) zullen zich dieper in het dekzand bevinden. Resten uit de Middeleeuwen worden in de top van het (eventueel nog aanwezige) veen verwacht.
Volgens de FAMKE is voor het plangebied voor de periode Steentijd-Bronstijd een quickscan nodig (extensief booronderzoek met 3 boringen per hectare). Als de bodem (voldoende) intact is, moeten 6 boringen per hectare gezet worden. Voor de periode Ijzertijd-Middeleeuwen geldt een karterend onderzoek 3 (historisch en karterend onderzoek).
Veldonderzoek
Karterend booronderzoek: laagopeenvolging en interpretatie
De laagopeenvolging in het plangebied wordt van boven naar beneden beschreven. De top bestaat uit een 0,35 tot 0,49 m dikke bouwvoor van donkergrijsbruin, matig fijn, zwak siltig, matig humeus zand. Daaronder ligt in de meeste boringen een 0,10 tot 0,50 m dikke verstoorde laag; donkergrijsbruin tot geel zwak siltig, matig fijn zand, soms met zandbrokken. Alleen in boring 1 bevindt zich onder deze lagen een laag 0,03 m dik zwartbruin, mineraalarm veraard veen. Hieronder, en in de overige boringen onder de bouwvoor of verstoorde laag, bevindt zich dekzand (bruingeel tot lichtgeel, zwak siltig, matig fijn zand).
In het dekzand is incidenteel een podzolbodem aanwezig. Intacte podzolbodems worden gekenmerkt door een humeuze bovenlaag (A-horizont; deze is doorgaans niet meer aanwezig) met daaronder een uitspoelingslaag (E-horizont) en een inspoelingslaag met humus- en ijzeraanrijking (B-horizont). Onder de B-horizont bevindt zich het niet door bodemvorming beïnvloede dekzand (C-horizont). Vaak is tussen de B- en de C-horizont nog sprake van een vlekkerig overgangsniveau (BC-horizont).
In de boringen 5, 6 en 30 zijn een E-, B-, BC- en C-horizont waargenomen; in boring 1 is ook nog de A-horizont aanwezig. Overal waar nog sprake is van een intacte podzolbodem, ligt de top van het dekzand relatief laag en is sprake van afdekking met een decimeters dikke laag verstoorde grond erboven (ter plaatse van boring 1 circa 0,9 m, bij de overige boringen circa 0,5 m). Dit duidt op egalisatiewerkzaamheden: zand van de hogere delen (waar nu alleen nog een C-horizont te vinden is) is afgeschoven in de lagere delen.
Waarderend booronderzoek
Conform de richtlijnen van FAMKE zijn in het uiterste noorden en in het centrale deel van de noordoostelijke helft van het plangebied megaboringen gezet ter plaatse van, en rond de boringen met een intacte podzolbodem.
In de megaboringen op en rond boring 1 bleek alleen ter plaatse van boring 1 nog een intacte podzol aanwezig te zijn. In megaboring 46 was nog sprake van een BC-horizont; megaboringen 44 en 45 bevatten slechts een C-horizont.
In de megaboringen 5, 6, 30, 35, 36 en 41 was de podzolbodem intact; in de megaboringen 37, 38, 42 en 43 was de bodem vanaf de B-horizont aanwezig, en in de megaboring 39 vanaf de BC-horizont.
Bij het zeven van de A-, E-, B- en BC-horizonten is in de B-horizont van boring 37 (0,56-0,67 m -Mv) een vuurstenen afslag aangetroffen. Deze vondst doet een archeologische vindplaats uit de Steentijd vermoeden. Een nadere datering van dit artefact is niet mogelijk. Overigens is in geen enkele boring houtskool opgemerkt. Houtskool vormt vaak (maar niet altijd) een eerste aanwijzing voor een nederzettingsterrein uit de prehistorie.
Aanbevelingen
Voor het overgrote deel van het plangebied wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen. Hier zijn geen intacte vindplaatsen meer te verwachten. De voorziene begravingen kunnen hier zonder bezwaar plaatsvinden. Ter plaatse van het zeer kleine gebiedje rond boring 1 ontbreken aanwijzingen voor archeologische waarden. Voor dit gebiedje wordt geen vervolgonderzoek aanbevolen.
In het gebied dat in bovenstaande figuur omgeven is met een oranje contour moet vanaf circa 0,5 m -Mv echter wel rekening worden gehouden met de aanwezigheid van archeologische waarden. In dit gebied zijn zonder archeologisch vervolgonderzoek geen begravingen (inhumaties) mogelijk.
Wel kunnen binnen deze contour crematies/urnen bijgezet worden, mits deze niet dieper reiken dan 0,4 m -Mv. Als aan deze voorwaarde wordt voldaan, kan hier van archeologisch vervolgonderzoek afgezien worden. In dat geval wordt geadviseerd dit terreingedeelte planologisch te beschermen door het te voorzien van een dubbelbestemming Waarde-Archeologie.
Als aan deze voorwaarden niet voldaan kan worden, dient hier gravend archeologisch onderzoek (een proefsleuvenonderzoek) uitgevoerd te worden.
vertaling in bestemmingsplan
Het gebied waarbinnen rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van archeologische waarden heeft in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' gekregen.
In de dubbelbestemming wordt geregeld dat binnen dat gebied, zonder archeologisch vervolgonderzoek, geen begravingen plaatsvinden. Wel kunnen binnen deze contour crematies/urnen bijgezet worden, mits deze niet dieper reiken dan 0,4 m. onder het huidige maaiveld.
De aspecten archeologie en cultuurhistorie staan de uitvoerbaarheid van de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering.
Milieuzonering betekent het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen:
VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering
In de brochure Bedrijven en milieuzonering (VNG, 2009) wordt een handreiking gegeven voor het verantwoord inpassen van bedrijfsactiviteiten in de omgeving. De handreiking geeft informatie over een aantal ruimtelijk relevante milieuaspecten (geur/stof/geluid/gevaar) van een scala aan bedrijfsactiviteiten.
In deze handreiking worden bedrijven ingedeeld in verschillende categorieën, al naar gelang de mate van hinder en inpasbaarheid. Ook maakt de handreiking onderscheid in verschillende gebiedstypen zoals een rustige woonwijk, rustig buitengebied en gemengd gebied. Aan de hand van de categorie-indeling kan bepaald worden of, en eventueel onder welke voorwaarden, een bedrijfsactiviteit inpasbaar is in de omgeving.
De omgeving is in te delen als rustig buitengebied. Een (reguliere) begraafplaats is ingedeeld in categorie 1. In deze situatie geldt een richtafstand van 10 meter, te meten tussen de grens van de bestemming voor de begraafplaats en de dichtstbijzijnde gevel van een woning.
Aan deze afstand wordt ruimschoots voldaan. Aangezien een natuurbegraafplaats veel extensiever is dan een reguliere begraafplaats is er zeker sprake van een goede ruimtelijke ordening.
Het aspect milieuzonering staat de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan niet in de weg.
Tussen de luchtkwaliteitseisen van de Wet ruimtelijke ordening en de Wet milieubeheer is een koppeling gelegd. Zo dienen ruimtelijke plannen te worden getoetst aan de in de Wet milieubeheer opgenomen richtwaarden en grenswaarden voor een aantal luchtvervuilende stoffen.
Wet ruimtelijke ordening
Ruimtelijke plannen die procedures doorlopen conform de Wet op de ruimtelijke ordening dienen te voldoen aan het beginsel van een goede ruimtelijke ordening. Een goede luchtkwaliteit is een van de belangen die afgewogen dient te worden. De luchtkwaliteit moet geschikt zijn voor de beoogde functie. Daarom is het wenselijk om inzicht te hebben in de luchtkwaliteitsituatie en te bepalen of de mate van blootstelling acceptabel is.
Wet milieubeheer
Voor luchtkwaliteit is de Wet luchtkwaliteit van toepassing. Deze Wet, onderdeel van de Wet milieubeheer, is onder meer verder uitgewerkt in het Besluit niet in betekenende mate (nibm) en de Regeling niet in betekenende mate (nibm). In het Besluit niet in betekenende mate is vastgelegd dat wanneer een ontwikkeling niet meer bijdraagt dan 3% aan de grenswaarde, deze niet hoeft getoetst te worden aan de wettelijke grenswaarden. Doorvertaald betekent dit, dat meer dan 1,2 microgram per m3 wordt aangemerkt als in betekenende mate. In de Regeling niet in betekenende mate is dit doorvertaald naar 1.500 woningen.
Luchtkwaliteit stikstofdioxide
Uit de monitoringronde 2011 van het Frysk Miljeuprogramma 2011-2014 blijkt dat overal in Fryslân de luchtkwaliteit voldoet aan de wettelijke normen voor stikstofdioxide. Op basis van scenarioberekeningen worden er tot 2020 geen nieuwe knelpunten door stikstofdioxide verwacht. De gehalten aan stikstofdioxide in de lucht nemen langzaam af. Dat betekent dat in 2011 Fryslân volledig aan de wettelijke doelen voor stikstofdioxide voldoet en dat dit naar grote waarschijnlijkheid ook voor de komende jaren zo zal blijven.
Luchtkwaliteit fijn stof
Uit de monitoringronde 2011 van het Frysk Miljeuprogramma 2011-2014 blijkt verder dat overal in Fryslân de luchtkwaliteit voldoet aan de wettelijke normen voor fijn stof. Er zijn geen grote veranderingen te verwachten maar het is onduidelijk wat de lange termijn ontwikkeling is voor de gehalten aan fijn stof in de lucht in Fryslân. Op basis van scenarioberekeningen worden er tot 2020 in elk geval geen nieuwe knelpunten door fijn stof verwacht.
Bijdrage van de beoogde ontwikkeling
Op basis van de beschikbare capaciteit en de geschatte benutting ervan in de tijd zal er gemiddeld één begrafenis per één à twee weken zijn. Uitgaande van 15 à 30 auto's per begrafenis zijn 30 à 60 autobewegingen (aankomst en vertrek) te verwachten op één dag in de één à twee weken.
Deze zeer geringe toename van het aantal verkeersbewegingen zal geen betekenis hebben voor de luchtkwaliteit ter plekke.
Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
In de Wet geluidhinder zijn geluidhindernormen voor toelaatbare equivalente geluidsniveaus opgenomen. De geluidhindernormen gelden voor woningen en andere geluidsgevoelige bestemmingen gelegen binnen de geluidszone van een weg. Een geluidszone is een aandachtsgebied aan weerszijden van een weg waarbinnen de geluidhindernormen van de Wet geluidhinder van toepassing zijn.
Een natuurbegraafplaats zelf is niet 'geluidgevoelig' in de zin van de Wet Geluidhinder. Gezien het extensieve gebruik en de geringe verkeersintensiteiten is geen geluidhinder voor de omgeving te verwachten.
Het aspect geluid staat de ontwikkeling van de natuurbegraafplaats niet in de weg.
Externe veiligheid heeft betrekking op de gevaren die mensen lopen als gevolg van aanwezigheid in de directe omgeving van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen zijn betrokken. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden bewaard en/of bewerkt, transportroutes waarlangs gevaarlijke stoffen worden vervoerd en ondergrondse buisleidingen. De aan deze activiteiten verbonden risico's moeten tot een aanvaardbaar niveau beperkt blijven.
Wettelijk kader
Het wettelijk kader voor risicobedrijven is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (BEVI). Voor het vervoer van gevaarlijke stoffen vormen de Wet vervoer gevaarlijke stoffen en de onderliggende regelgeving het beleidskader. Het beleid voor ondergrondse buisleidingen is vastgelegd in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
Bij de beoordeling van de externe veiligheidssituatie zijn twee begrippen van belang:
Het plaatsgebonden risico (PR) richt zich als maat voor het risico vanwege activiteiten met gevaarlijke stoffen vooral op de basisveiligheid voor personen in de omgeving van die activiteiten. Aan het PR is een wettelijke grenswaarde verbonden die niet mag worden overschreden. Het PR wordt 'vertaald' als een risicocontour rondom een risicovolle activiteit, waarbinnen geen kwetsbare objecten (bijv. woningen) mogen liggen.
Het groepsrisico (GR) is een maat voor de maatschappelijke ontwrichting als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen. Rondom een risicobron wordt een invloedsgebied gedefinieerd, waarbinnen grenzen worden gesteld aan het maximaal aanvaardbare aantal personen, de z.g. oriënterende waarde (OW). Dit is een richtwaarde, waarvan het bevoegd gezag, mits afdoende gemotiveerd, kan afwijken. Deze verantwoordingsplicht geldt voor elke toename van het GR, ook als de OW niet wordt overschreden.
Op de risicokaart worden in de omgeving van het plangebied geen risicobronnen aangeduid.
kaartbeeld risicokaart (bron: http://nederland.risicokaart.nl/)
In de omgeving zijn geen relevante risicobronnen aanwezig. De ontwikkeling van een natuurbegraafplaats zal niet leiden tot het ontstaan van een plaatsgebonden risico of een verhoging van het groepsrisico. Het aspect externe veiligheid staat de beoogde ontwikkeling niet in de weg.
In het kader van het bestemmingsplan dient rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van kabels en leidingen die ruimtelijke relevantie hebben en/of van belang zijn in het kader van beheer, externe veiligheid of gezondheidsrisico's. In het plangebied zijn geen relevante kabels of leidingen aanwezig.
Nieuwe bestemmingsplannen dienen met toepassing van de wettelijk verplichte Standaard Voorschriften Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012) te worden opgesteld. Deze standaarden zijn met een ministeriële regeling gekoppeld aan de Wro. Toepassing van de SVBP 2012 zorgt er voor dat nieuwe bestemmingsplannen alle dezelfde structuur en opbouw kennen. Hierdoor ontstaat er een uniform geheel, wat de rechtsgelijkheid voor burgers ten goede komt en de toetsing van aanvragen om een bouwvergunning alsmede de handhaving van bestemmingsplannen vergemakkelijkt.
Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding (plankaart), regels en een toelichting. De regels zijn gekoppeld aan de verbeelding. Deze vormen het juridische bindend deel van het bestemmingsplan.
Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de regels en de bijbehorende digitale verbeelding of de analoge verbeelding (papieren plankaart) waarop de diverse bestemmingen zijn aangegeven. De verbeelding en de regels dienen in samenhang te worden bekeken.
De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:
Hoofdstuk 1 - Inleidende regels;
Hoofdstuk 2 - Bestemmingsregels;
Hoofdstuk 3 - Algemene regels;
Hoofdstuk 4 - Overgangs- en slotregels.
In deze paragraaf worden de regels per hoofdstuk toegelicht.
Begrippen (artikel 1)
Dit artikel bevat definities van begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Daardoor worden verschillen van mening over de wijze waarop de begrippen moeten worden geïnterpreteerd zoveel mogelijk voorkomen. De begripsbepalingen staan op alfabetische volgorde. Van enkele in het ons land veel voorkomende begrippen, zijn de wettelijk in de SVBP 2012 voorgeschreven definitiebepalingen gebruikt.
Wijze van meten (artikel 2)
In dit artikel is geregeld op welke manier moet worden gemeten. Met dit artikel wordt verschil van mening over de wijze waarop wordt gemeten zoveel mogelijk voorkomen. Ook hier geldt dat enkele bepalingen wettelijk voorgeschreven zijn op grond van de SVBP 2012.
Natuur-natuurbegraafplaats (artikel 3)
Hoofdstuk 2 bevat de juridische beheersregeling voor de natuurbegraafplaats. Bij de indeling van deze is de volgende volgorde aangehouden.
In de bestemmingsomschrijving is opgenomen voor welke functies de gronden gebruikt mogen worden. Daarbij is aangesloten op de bestemmingsplansystematiek van het vigerende bestemmingsplan 'Herziening Buitengebied 2004'. Daaraan is de functie natuurbegraven toegevoegd.
Dat betreft allereerst de natuurbegraafplaats met de daarbij behorende gebouwen en overkappingen. Daarbij is expliciet en limitatief aangegeven waar deze bebouwing voor mag worden gebruikt: ceremoniële functies en beheer en onderhoud.
De maximale afmetingen van de bebouwing is vastgelegd op 100m2, een goothoogte van 4 m en een bouwhoogte van 8 m. Er is echter een ruim bouwvlak opgenomen, zodat in de exacte plaats van de bebouwing kan worden geschoven.
De bestemming bevat ook regels ten aanzien van het gebruik van de gronden. In de specifieke gebruiksregels is een koppeling gelegd met het beheer- en inrichtingsplan voor de natuurbegraafplaats. De natuurbegraafplaats mag alleen worden gebruikt worden als het beoogde inrichtingsplan wordt uitgevoerd en in stand wordt gehouden.
Waarde - Archeologie (artikel 4)
Het gebied waarbinnen rekening gehouden moet worden met de aanwezigheid van archeologische waarden heeft in het bestemmingsplan de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie' gekregen.
In de dubbelbestemming wordt geregeld dat binnen dat gebied, zonder archeologisch vervolgonderzoek, geen begravingen plaatsvinden. Wel kunnen binnen deze contour crematies/urnen bijgezet worden, mits deze niet dieper reiken dan 0,4 m onder het huidige maaiveld.
Waterstaat – Beschermingszone watergang (artikel 5)
De voor 'Waterstaat – Beschermingszone watergang' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming, beheer en onderhoud van primaire wateren, zoals watergangen en regenwaterbuffers, overeenkomstig de Keur van het waterschap.
De beschermende dubbelbestemming is opgenomen bij de hoofdwatergang. Op deze manier wordt de waterloop voldoende beschermd.
Hoofdstuk 3 bevat enkele algemene regels.
Anti-dubbeltelbepaling (artikel 6)
Deze regeling, waarvan de tekst overeenkomstig de landelijk vastgestelde standaard is bepaald, is bedoeld om aan te geven dat een eenmaal verleende afwijking niet nog een keer kan worden toegepast.
Algemene gebruiksregels (artikel 7)
In artikel 2.1 lid 1 sub c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) is bepaald dat het verboden is de gronden en bouwwerken te gebruiken strijdig met de in het plan aan de grond gegeven bestemmingen, tenzij voor dit afwijkende gebruik op grond van de regels in dit plan een omgevingsvergunning is verleend. Artikel 7 van de regels geeft daar een andere invulling aan door te bepalen wanneer daar in ieder geval sprake van is.
Hoofdstuk 4 tot slot geeft een regeling voor het overgangsrecht en de zogenoemde slotregel.
Overgangsrecht (artikel 8)
In dit artikel wordt geregeld dat bouwwerken mogen worden behouden of gebruik mag worden voortgezet vanaf het moment dat het plan rechtskracht heeft verkregen ondanks dat de bebouwing of het gebruik niet (langer) overeenkomstig is met de regels die in dit bestemmingsplan worden gegeven. De regeling is overgenomen uit de standaardbepaling in het Bro. Artikel 3.2.1 Bro stelt regels voor bouwovergangsrecht, artikel 3.2.2 stelt regels voor gebruiksovergangsrecht.
Slotregels (artikel 9)
Dit laatste artikel van de planregels bepaalt op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald.
Het voorontwerpbestemmingsplan heeft van 24 juni tot 22 juli 2016 ter inzage gelegen. Tevens is het voorontwerp toegestuurd aan de overlegpartners in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro.
Er zijn geen inspraakreacties op het voorontwerp binnengekomen.
Het Wetterskip Fryslân heeft gereageerd. De reacties zijn als bijlage bij de toelichting toegevoegd.
Het Wetterskip heeft verzocht om een digitale watertoets. Deze is uitgevoerd en is als bijlage toegevoegd aan de toelichting van het bestemmingsplan.
Tevens heeft het Wetterskip aandacht gevraagd voor de beschermingszone van vijf meter langs de hoofdwatergang. Daarnaast dient de sloot die in het plan wordt aangeduid als schouwwatergang, bereikbaar te blijven voor onderhoud. Het Wetterskip vraagt om de waterparagraaf uit te breiden met beide aspecten. Het bestemmingsplan is als volgt aangepast.
Hoofdwatergang: de beschermingszone met een afstand van vijf meter is een vaste maat in de keur van het Wetterskip. Het bouwvlak voor de eventuele ceremoniële ruimte ligt al vijf meter uit de kant van de sloot. Voor de grafrust is het dan ook gewenst buiten de beschermingszone c.q. onderhoudsstrook van de hoofdwatergang te blijven. De beschermingszone is vermeld in de toelichting, in de regels en op de verbeelding is de dubbelbestemming “Waterstaat - Beschermingszone watergang” opgenomen.
Schouwwater: het onderhoud is de verantwoordelijkheid van eigenaar. De bereikbaarheid daarvan is in de toelichting opgenomen.
Het ontwerpbestemmingsplan heeft van 16 september tot en met 28 oktober 2016 ter inzage gelegen. In deze periode zijn 2 zienswijzen binnengekomen. In bijlage 7 is de nota zienswijzen opgenomen. In deze nota worden de zienswijzen samengevat en beantwoord. Naar aanleiding van de zienswijzen is het bestemmingsplan gewijzigd. De wijzigingen worden ook in de nota benoemd.
De ontwikkeling van de natuurbegraafplaats betreft een particulier initiatief. De betreffende locatie is particulier eigendom. De met deze ontwikkeling samenhangende kosten komen ten laste van de initiatiefnemer. Er worden geen aanpassingen, kosten en dergelijke ten gevolge van de realisatie van de voorgestelde wijziging in het openbaar gebied gemaakt. Dit houdt in dat een exploitatieplan niet noodzakelijk is en er voor de gemeente geen financiële gevolgen zijn. Met de initiatiefnemer van het plan is een planschadeverhaalovereenkomst gesloten.
Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling mag worden verwacht dat de ontwikkeling economisch uitvoerbaar is.