| Plan: | Harich - Milieuterrein |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1940.BPHAR17MILIEUTERRE-VA01 |
De gemeente De Fryske Marren heeft in drie kernen een milieuterrein: in Balk, Lemmer en Joure. Het huidige milieuterrein in de kern Balk aan de Eigen Haard komt in 2018 te vervallen. De gemeente wil een nieuw milieuterrein realiseren op de huidige locatie van de gemeentewerf aan de Houtdyk 1a in Harich, waar op dit moment eveneens beperkte op- en overslag plaatsvindt.
Het nieuwe milieuterrein in Harich wordt ingericht als een volwaardig milieuterrein op het gebied van routing, serviceniveau en doorstroming. Het milieuterrein faciliteert circa 5.000 bezoekers per jaar.
Op het milieuterrein worden afval en grondstoffen van de burgers uit de gemeente De Fryske Marren ingenomen. De locatie in Harich voorziet in grof huishoudelijk afval, groenafval en de meest voorkomende recyclebare stromen. Vanwege de beschikbare ruimte en hoeveelheden worden op het milieuterrein de volgende afvalstromen niet toegestaan: KCA, bouw- en sloopafval, vloerbedekking, matrassen, asbest en gasflessen. Voor deze afvalstromen is het milieuterrein in de kern Lemmer beschikbaar.
Het voorliggende bestemmingsplan biedt de mogelijkheid om het milieuterrein te ontwikkelen aan de Houtdyk 1a in Harich.
Het plangebied van het bestemmingsplan Harich - Milieuterrein omvat het nieuw te ontwikkelen milieuterrein dat ontsloten wordt via de zuidoostelijk gelegen Houtdyk. Het plangebied is circa 4.300m2 en grenst aan de noordoostzijde aan het bedrijventerrein Eigen Haard. Aan de zuidwestelijke en noordwestelijke zijde grenst het plangebied aan agrarisch gebied.
Ligging plangebied
Overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) worden door middel van de op de verbeelding aangegeven bestemmingen en daarop betrekking hebbende regels de in het plan begrepen gronden voor bepaalde doeleinden aangewezen. Daarbij worden regels gegeven voor het bouwen van bouwwerken en voor het gebruik van de bouwwerken en onbebouwde gronden.De structuur van dit bestemmingsplan dient conform artikel 3.3.2 van het Bro te voldoen aan de "Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen" (SVBP 2012). Dit houdt in dat de verschijningsvorm van een bestemmingsplan en een aantal begrippen zijn gestandaardiseerd. Het bestemmingsplan " Harich - milieuterrein" is tevens opgesteld conform de in de gemeente De Fryske Marren gebruikelijke juridische regeling en is zodanig van opzet dat het duidelijke kaders biedt in het gebruik van het plan.
Het bestemmingsplan bestaat formeel uit twee juridische onderdelen:
Daarnaast worden in de toelichting de aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de verantwoording als bedoeld in artikel 3.1.6 Bro opgenomen. Ook maken de uitkomsten van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro deel uit van de toelichting.
Op de verbeelding zullen, met bijbehorende verklaringen, de bestemmingen van de in het plan begrepen gronden worden aangegeven. De verklaringen leggen een verbinding tussen de op de verbeelding aangegeven bestemmingen.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het vigerende bestemmingsplan Buitengebied 2004 Herziening 2010 (Gaasterlân-Sleat) dat op 9 februari 2010 is vastgesteld door de gemeenteraad. Het plangebied is bestemd als 'Bedrijfsdoeleinden'. Op het perceel zijn geen gebouwen toegestaan en is eveneens geen bedrijfswoning toegestaan.
Uitsnede plankaart
Na deze inleiding wordt in Hoofdstuk 2 een beschrijving gegeven van de huidige en toekomstige situatie. Naast de historie wordt daarbij ingegaan op de huidige ruimtelijke en functionele situatie in het plangebied. Vervolgens komt in Hoofdstuk 3 het algemene beleidskader van het Rijk, Provincie Friesland en Gemeente De Fryske Marren aan bod. In Hoofdstuk 4 worden de relevante milieu- en omgevingsaspecten nader toegelicht en volgen in Hoofdstuk 6 de planuitgangspunten en een beschrijving van het initiatief. Tenslotte wordt in Hoofdstuk 7 ingegaan op de maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid van het plan.
De kern Balk heeft zijn ontstaan te danken aan het verkeer zoals dat in vroeger tijden (de 13e eeuw) plaatsvond tussen Wijckel en Harich. De Luts vormde toentertijd, als natuurlijke afwatering voor de hoger gelegen Gaasterlandse gronden naar het Sleattemer Mar, de afscheiding tussen deze beide dorpen. De Luts was in het begin een nogal onbeduidende natuurlijke waterloop. Met het toenemen van de handelsactiviteiten echter, werd de Luts meer en meer gebruikt ten behoeve van het vervoer over water. De Luts in zijn huidige vorm is ontstaan tussen 1820 en 1830.
De huizen in Balk werden in eerste aanzet langs de Luts en langs de uitvalswegen in de richting van de dorpen Harich en Wijckel gebouwd. De bebouwing, zoals die aan het begin van de 18e eeuw langs de Luts bestond, strekte zich uit over een lengte die bijna gelijk is aan die in de huidige situatie.
In de richting van Harich liepen twee verbindingswegen: de Oostersteeke en de Westersteeke. Vermoedelijk was de Oostersteeke de oudste van de twee. Zowel langs deze verbindingswegen met Harich als langs de weg richting Wijckel ontwikkelde zich lintbebouwing.
Het meest oorspronkelijke gedeelte van Balk, het bebouwingslint langs de Luts, is nog goed herkenbaar. Dit is voor een deel terug te vinden in de aanwezige functiemenging in dit deel van het gebied.
In eerste instantie werden van hieruit de "oksels" opgevuld, welke worden gevormd door de bebouwing langs de Luts en de bebouwing langs de uitvalswegen. Langs deze wegen is dan ook nog de oudere, karakteristieke en qua bouwvorm waardevolle bebouwing aanwezig, veelal gelegen op ruimere erven.
Het oudere gedeelte van de kern Balk is aangewezen als een beschermd dorpsgezicht.
Ontwikkeling Balk
De uitbreidingen van Balk van na 1950 vertonen een meer planmatig en grootschaligere opzet. Tot 1960 zijn dit de uitbreidingen direct aansluitend aan de Luts en vanaf 1970 is meer in noordwestelijke en zuidoostelijke richting uitgebreid. Aan de westzijde is veel bedrijvigheid gelegen, onder andere op bedrijventerrein 'Eigen Haard'. Dit bedrijventerrein biedt onder meer ruimte aan bedrijvigheid die niet (meer) tussen de woonbebouwing past. Het huidige milieuterrein is hier eveneens gelegen. Het plangebied voor het Milieuterrein grenst aan de zuidwestzijde direct aan dit bedrijventerrein.
Spreiding van voorzieningen en bedrijvigheid in Balk - Noord
Het plangebied is gelegen in de Provincie Friesland aangrenzend aan de plaats Balk in de gemeente De Fryske Marren. Momenteel is het terrein in gebruik als opslagplaats van de gemeente en is grotendeels bestraat met op deze verharding containers voor opslag van afval, stenen, zand en diverse overige materialen. Het plangebied wordt omringd door een bosschage met verschillende bomen met daaromheen een watergang. De watergang betreft een kleine sloot met weinig begroeide oevers en veel gevallen blad in de bodem. Deze watergang valt buiten de begrenzing van het plangebied. De vegetatie in het plangebied kenmerkt zich als voedselrijk (o.a. brandnetels, berenklauw, braam).
De directe omgeving van het plangebied bestaat uit het volkstuinencomplex aan de westzijde, een weiland begraasd met pony's aan de noordzijde, een woning van een particulier aan de oostzijde en de weg Houtdyk aan de zuidzijde. Parallel hieraan loopt de provinciale weg, de N359 van Balk naar Galamadammen. Het terrein bevindt zich tegen de begrenzing van het dorp aan, ingeklemd door de provinciale weg, het industrieterrein van Balk en een volkstuinencomplex met daarachter een tuincentrum.
De gemeente De Fryske Marren heeft in drie kernen een milieuterrein: in Balk, Lemmer en Joure. Het huidige milieuterrein in de kern Balk aan de Eigen Haard komt in 2018 te vervallen. Het is echter in ieders belang om de inwoners van de regio Balk te kunnen blijven faciliteren om binnen een redelijke reisafstand hun afval gescheiden aan te kunnen bieden. In dat kader is de mogelijke aanleg van een nieuwe milieustraat onderzocht. Het terrein aan de Houtdyk 1a in Harich (Balk), dat reeds vele jaren in gebruik is voor opslag voor zand, bestratingsmaterialen en als wissellocatie voor de containers van inzamelvoertuigen, leent zich daarvoor als meest geschikte locatie; er wordt namelijk een bestaande locatie benut met een nagenoeg vergelijkbare functie, waardoor er geen nieuw ruimtebeslag hoeft plaats te vinden in de kern Balk of de directe omgeving.
Op het milieuterrein worden afval- en grondstoffen van de burgers uit de gemeente De Fryske Marren ingenomen. Gekozen is voor een milieustraat waarop grof huishoudelijk afval, groenafval en de meest voorkomende recyclebare stromen verzameld kunnen worden van de burgers uit de gemeente De Fryske Marren. Dit betekent dat het niet (langer) mogelijk is om in Balk klein chemisch afval, asbest, bouw- en sloopafval, vloerbedekking, matrassen, gasflessen af te voeren. Voor deze afvalstromen blijft het milieuterrein in de kern Lemmer beschikbaar.
Uitgangspunten
De uitgangspunten voor het nieuwe milieuterrein zijn:
Inrichting milieuterrein Harich
Het milieuterrein wordt voorzien van een bordes van 1,55 meter hoog om de zwaardere stromen gemakkelijk in te nemen. Aan het bordes worden 8 containers op maaiveld geplaatst. Ten behoeve van de containerhandeling is er rekening mee gehouden dat voor elke container minimaal 12 meter vrije ruimte moet zijn. Op het terrein wordt eveneens een stortvak voor het grof groenafval en blad/gras gecreëerd en er worden er nog diverse containers op maaiveld geplaatst voor de grond- en puinstromen en de kleinere/ lichtere fracties. Na de slagboom, net voor het bordes, wordt de unit voor de medewerkers van het milieuterrein gesitueerd.
Op het terrein is voldoende manoeuvreerruimte aanwezig om de containers te kunnen halen en brengen met een containerauto. Tevens is er voldoende manoeuvreerruimte aanwezig voor de mobiele kraan t.b.v. aandrukken van afvalstromen. Deze kraan is afkomstig van een naburig bedrijf en rijdt na de werkzaamheden weer terug.
Het terrein wordt aan de zijde van de woonlocatie voorzien van een geluidscherm van 3 meter hoog. Deze afscheiding wordt dicht en bekleed met geluidsabsorberende materialen. De andere kanten van het terrein worden afgezet door een spijlenhekwerk hoog 2,0 m met aan de bovenzijde een puntenkam in een nader te bepalen RAL kleur. Het terrein wordt bij de in- en uitgang voorzien van poorten (zie Bijlage 1 en Bijlage 2).
Om de milieuterrein af te scheiden van de naastgelegen woning wordt in overleg met de bewoners een goede uitstraling gegeven aan de afscheiding en worden aan de zijde van de woning en langs de Houtdyk groenstroken aangelegd.
Bezoekers rijden het milieuterrein op en betreden de opstelstrook (Bijlage 2), waarbij ze kunnen doorrijden tot aan de slagboom. Hier bevindt zich een registratiezuil voor de bezoeker. De bezoeker krijgt de mogelijkheid het milieuterrein op te rijden en kan vervolgens kiezen om de gratis route over maaiveld te nemen en daarbij de kleine-/lichte fracties, en groen- en grondstromen te kunnen storten of over het bordes te rijden. Via het bordes kunnen twee routes worden genomen, de gratis- en betaalde route. De gratis route sluit na het bordes weer aan bij het gratis deel op maaiveld maar de bezoeker kan ook direct naar de uitgang van het milieuterrein rijden. De betaalde route over het bordes gaat na het bordes over in de puinstromen en de uitgang. Door deze opzet is het gemakkelijk om routes te combineren, is er een goede doorstroming en voorziet de gemeente in een goed serviceniveau.
Het in- en uitgaande vrachtverkeer voor het ophalen van het afval gebruikt dezelfde in- en uitgang. Afvoer van afvalstromen vindt plaats buiten openingstijden.
Inrichting milieuterrein Harich
Ter beperking van geluidsoverlast bij het neerzetten van de containers en bescherming van de verharding ter plaatse van de opstelplaats van de containers (rond het bordes vaste en elders op het terrein mobiele) worden kunststof platen toegepast. De kunststof platen zijn 6,0 x 2,5 x 0,03 meter (LxBxH) en worden voorzien van minimaal 4 geïntegreerde hijsogen ten behoeve van het verplaatsen. De kunststof platen aan het bordes worden voorzien van een geleide en stopsysteem, zodat de containers geen schade kunnen veroorzaken aan de wanden van het bordes.
Beheer/ exploitatie
Het milieuterrein dient circa 5.000 bezoekers per jaar te faciliteren. Het milieuterrein is daarvoor 9 uur per week open. In onderstaande tabel zijn de openingstijden van het milieuterrein weergegeven.
| maandag | 9.00 - 12.00 uur |
| dinsdag | gesloten |
| woensdag | gesloten |
| donderdag | gesloten |
| vrijdag | 9.00 - 12.00 uur |
| zaterdag | 9.00 - 12.00 uur |
De werktijden van het personeel op de milieuterrein zijn: maandag, vrijdag en zaterdag tussen 8.15 uur en 12.45 uur.
Beheeraspecten van de exploitatie zijn onder meer:
Ontsluiting
Het milieuterrein heeft een aantrekkende werking op verkeer. Dit betreffen met name personenauto's met aanhanger en vrachtverkeer. Het aantal betreft gemiddeld 11 personenauto's per uur en tenminste 95 vrachtwagenbewegingen per jaar, van en naar het milieuterrein.
Een representatieve bedrijfssituatie gaat uit van:
Het ontwerp van het milieuterrein is op het gebied van verkeer en capaciteit nader uiteengezet in paragraaf 4.10 Verkeerstoets.
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het relevante beleid op op Rijks-, Provinciaal en gemeentelijk niveau.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte
Het ministerie van Infrastructuur en Milieu heeft op 12 maart 2012 de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte 'Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig' vastgesteld. Deze structuurvisie vervangt onder meer de Nota Ruimte en de nota Mobiliteit.
In de structuurvisie geeft de Rijksoverheid haar visie op de ruimtelijke en mobiliteitsopgaven voor Nederland richting 2040 en de manier waarop zij hiermee om zal gaan. Hierbij staat kwaliteit voor kwantiteit centraal. Daarmee biedt het een kader voor beslissingen die de Rijksoverheid in de periode tot 2028 wil nemen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden. In de structuurvisie maakt het rijk helder welke nationale belangen zij heeft in het ruimtelijk en mobiliteitsbeleid en welke instrumenten voor deze belangen door de rijksoverheid worden ingezet. Het rijk heeft daarvoor 3 hoofddoelen geformuleerd:
Daarbij zijn 13 nationale belangen benoemd; hiervoor is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. De nationale belangen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte die juridische borging vragen, worden geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro). De AMvB is gericht op doorwerking van nationale belangen in gemeentelijke bestemmingsplannen en provinciale inpassingsplannen en zorgt voor sturing en helderheid van deze belangen vooraf. Met het Barro geeft het Rijk aan dat ingezet wordt op zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare gebieden en bescherming van het land tegen overstroming en wateroverlast.
Streekplan Fryslân 2007
Op 13 december 2006 hebben Gedeputeerde Staten het “Streekplan Fryslân 2007”, genaamd ‘Om de kwaliteit fan de romte’, vastgesteld. Het streekplan geeft de visie van Gedeputeerde Staten op het ruimtelijk beleid van de provincie weer. Het streekplan gaat vergezeld met een ‘strategische milieubeoordeling’, een milieurapport dat op grond van een nieuwe Europese richtlijn is opgesteld.
Als centraal uitgangspunt voor het ruimtelijke beleid kiest de provincie voor een ondeelbaar Fryslân met ruimtelijke kwaliteit. Een ondeelbaar Fryslân benadrukt dat stad en platteland elkaar nodig hebben en elkaar ondersteunen. Een Fryslân met ruimtelijke kwaliteit benadrukt het bovenlokale belang bij het instandhouden en verder ontwikkelen van de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde van de ruimte. Deze drie waarden waarborgen op de langere termijn een doelmatig gebruik en herkenbaarheid van de ruimte. Het betekent ook een ruimtelijke inrichting die bijdraagt aan duurzame ontwikkeling. Bij een duurzame ontwikkeling wordt voorzien in de behoeften van de huidige generatie, zonder daarbij de behoeften van toekomstige generaties in gevaar te brengen. De provincie wil deze doelstellingen koppelen aan een krachtige sociaaleconomische ontwikkeling in een leefbare omgeving, waarbij tegelijkertijd wordt ingezet op de instandhouding en het verder ontwikkelen van aanwezige bodem-, water-, landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische kwaliteiten.
De provincie Fryslân zet meer dan voorheen in op de verhoging van de ruimtelijke kwaliteit bij veranderingen in het gebruik en de inrichting van de ruimte. Ruimtelijke kwaliteit dient zowel in economische, sociale en culturele belangen en is daarmee voor alle functies in de provincie essentieel. Met ruimtelijke kwaliteit wordt bedoeld dat in ruimtelijke plannen, in ontwerpen en in de uitvoering, expliciet de gebruikswaarde, de belevingswaarde en de toekomstwaarde worden toegevoegd aan de omgeving.
Kernenbeleid
Naast versterking van de stedelijke gebieden, wordt met het Streekplan ingezet op een vitaal platteland. Binnen dit vitale platteland, waar ontwikkelingen binnen de aanwezige kwaliteiten en binnen de plaatselijke verhoudingen mogelijk zijn, wordt ingezet op een ruimtelijk gespreid voorzieningenniveau. Balk wordt in de voorzieningenstructuur aangemerkt als een regionaal centrum. Voor dergelijke kernen gelden onder meer de volgende uitgangspunten:
Het plangebied bevat geen ontwikkelingen die strijdig zijn met het provinciale beleid ten aanzien van de regionale kernen.
Structuurvisie 2014 Grutsk op 'e Romte
In het Streekplan Fryslân 2007 worden de ˜kernkwaliteiten" van het cultuurhistorische erfgoed en het landschap beschreven. Onder kernkwaliteiten wordt verstaan: die ruimtelijke eigenschappen die zo typisch zijn voor het Friese landschap, dat zij tezamen de ruimtelijke identiteit van Fryslân vormen. Het Streekplan kondigt een nadere uitwerking en waardering aan van deze kernkwaliteiten. Deze uitwerking en waardering gaan verder dan alleen een beschrijving van kernkwaliteiten, er wordt ook een richting aangegeven voor de toekomst. Deze thematische structuurvisie 'Grutsk op 'e Romte' bundelt de waarden op het gebied van landschap en cultuurhistorie (inclusief archeologie en stedenbouw) in een samenhangende waardering en geeft richting aan toekomstige ruimtelijke veranderingen.
Het doel hiervan is behoud en verdere ontwikkeling van de ruimtelijke kwaliteit door middel van informeren, adviseren en inspireren. Op deze wijze verwacht de provincie Fryslân de doorwerking van de provinciale belangen in ruimtelijke plannen van gemeenten, rijk en provincie binnen Fryslân te borgen.
Het plangebied is gelegen in het deelgebied "Gaasterlân" en kent geen specifieke provinciale belangen.
Verordening Romte Fryslân 2014
Op 25 juni 2014 hebben Provinciale Staten de Verordening Romte Fryslân 2014 vastgesteld. De verordening is in werking getreden op 1 augustus 2014. In de verordening zijn regels gesteld die ervoor moeten zorgen dat de provinciale ruimtelijke belangen doorwerken in de gemeentelijke ruimtelijke plannen. Als daaraan niet wordt voldaan, zal de provincie een zienswijze indienen en eventueel een aanwijzing geven als onvoldoende aan die zienswijze tegemoet wordt gekomen. Het streekplanbeleid is in het kader van de verordening voorzien van concrete beleidsregels. In de verordening is onder meer de grens tussen het buitengebied en het stedelijk gebied vastgelegd. In stedelijk gebied bestaat een grotere mate van beleidsvrijheid wat betreft de ruimtelijke ordening dan in het buitengebied.
De ontwikkeling die met dit bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt, doet op geen enkele wijze afbreuk aan het ruimtelijk beleid van de provincie. Het Provinciaal beleid vormt dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
Op gemeentelijk niveau gelden er diverse beleidsnota's. De gemeentelijke beleidsnota's geven voor het plangebied geen ontwikkelingen aan die voor het bestemmingsplan van belang zijn. Net als op rijks- en provinciaal niveau wordt gestreefd naar voortzetting en verbetering van het bestaande kwaliteitsniveau.
In dit hoofdstuk wordt beschreven hoe rekening is gehouden met de in en rond het plangebied voorkomende relevante milieu- en omgevingsaspecten. De onderzoeken die hieraan ten grondslag liggen zijn door FUMO gecontroleerd (Bijlage 6 en 7)
Ten behoeve van de milieuzonering is door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) het systeem 'Bedrijven en milieuzonering' ontwikkeld, in de vorm van een bedrijvenlijst, waarin de bedrijven zijn gecategoriseerd op hun milieueffecten (2009). Afhankelijk van de mate waarin de in deze lijst opgenomen bedrijven milieuhinder (uitgaande van de gemiddelde bedrijfssituatie) kunnen veroorzaken, kent de lijst aan de bedrijven een milieucategorie toe. Naarmate de milieuhinder toeneemt, loopt de milieu-indeling op van 1 tot en met 6, met bijbehorende richtafstanden.
In het plangebied vindt momenteel beperkte op- en overslag van de gemeentewerf plaats. Een gemeentewerf valt in milieucategorie 3.1. De grootste richtafstand voor deze milieucategorie is 50 meter (geluid).
Het nieuwe milieuterrein in Harich wordt ingericht als een volwaardig milieuterrein. Ook een milieuterrein (afval-inzameldepot) valt in milieucategorie 3.1 en kent dezelfde richtafstand van 50 meter.
Dit bestemmingsplan legt voor het plangebied de ontwikkeling van een milieuterrein vast, echter de bestaande milieuhygiënische situatie blijft gehandhaafd en een planologische verslechtering is niet aan de orde. In deze specifieke situatie wordt, in afwijking van het vigerende bestemmingsplan, een klein gebouw (unit) toegestaan op deze locatie voor de medewerkers van het milieuterrein.
Vanuit milieuzonering gelden er geen belemmeringen voor de omgeving van het plangebied.
Voor de nadere uitwerking van de hinderaspecten wordt verwezen naar de paragrafen 4.2 tot en met 4.6.
Door M+P raadgevende adviseurs BV is in februari 2017 een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied (zie Bijlage 3).
Ter beperking van geluidsoverlast bij het neerzetten van de containers en bescherming van de verharding ter plaatse van de opstelplaats van de containers worden kunststof platen toegepast. Het terrein wordt aan de zijde van de woning Houtdyk 1 (noordoostzijde van het terrein) voorzien van een afscheiding van 3 meter hoog. Deze afscheiding wordt dicht en bekleed met geluidsabsorberende materialen.
In het kader van het akoestisch woon- en leefklimaat wordt bij de nabijgelegen woningen gerekend op een hoogte van 5 meter om de geluidsbelasting op de (meer belaste) 1e verdieping in beeld te hebben. De omgeving wordt getypeerd als gelegen aan een provinciale weg met een richtgrenswaarde van 50 dB(A).
Uit de berekeningsresultaten kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de standaardgrenswaarden voor geluid uit het Activiteitenbesluit. Uitgangspunt daarbij is dat de flessenzuil maximaal 4 maal per jaar wordt geleegd tijdens de werktijden.
Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voornemen om het milieuterrein te realiseren.
Indirecte hinder
Conform de circulaire"geluidshinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de vergunningverlening op basis van de wet milieubeheer" d.d. 29 februari 1996 is de geluidsbelasting berekend ten gevolge van het inrichtingsgebonden verkeer op de Houtdyk. De hinder is berekend voor de situatie dat alle inrichtingsgebonden verkeer aankomt en vertrekt in noordelijke richting.
Er is gerekend met de volgende aantallen voertuigbewegingen in de dagperiode:
De indirecte hinder bedraagt bij de woningen maximaal 43 dB(A). De berekende waarden liggen onder de in de circulaire genoemde voorkeursgrenswaarde (LAetmaal = 50 dB(A)).
Sinds 15 november 2007 zijn de hoofdlijnen voor regelgeving van de luchtkwaliteitseisen vastgelegd in de Wet milieubeheer [1]. Artikel 5.16 Wm geeft weer onder welke voorwaarden de bestuursorganen bepaalde bevoegdheden (o.a. wijzigingen van bestemmingsplan en verlenen van een milieuvergunning) mogen uitoefenen. Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen luchtkwaliteitseisen in principe geen belemmering:
Door M+P raadgevende adviseurs BV is in februari 2017 een onderzoek luchtkwaliteit uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied (zie Bijlage 4).
De berekeningen zijn uitgevoerd met het verspreidingsmodel Geomilieu versie 4.10.
Overal in de omgeving van de inrichting wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5.
Overal wordt tevens voldaan aan het maximale toegestane aantal overschrijdingen van de grenswaarde voor de daggemiddelde concentratie PM10 en de uurgemiddelde grenswaarde voor NO2.
Vanwege de algemene verwachting dat de achtergrondconcentraties in Nederland in de toekomst zullen blijven afnemen en het wegverkeer schoner zal blijven worden, kan gesteld worden dat ook in de jaren na 2017 voldaan wordt aan alle grenswaarden in de omgeving van het plangebied.
Vanuit het oogpunt van de luchtkwaliteit bestaan geen belemmeringen voor het ontwikkelen van het milieuterrein aan de Houtdyk.
Door M+P raadgevende adviseurs BV is geuronderzoek uitgevoerd ten behoeve van de ontwikkeling van het plangebied (zie Bijlage 5).
De Provincie Friesland heeft geen vastgelegd geurbeleid. Om deze reden is enkel het rijksbeleid gehanteerd. Er zijn voor het onderzoek geurverspreidingsberekeningen uitgevoerd. De resultaten hiervan zijn getoetst aan voorgestelde streefwaarden.
Bij alle woningen wordt voldaan aan de streefwaarde van 1 ouE/m3 als 98-percentiel en aan de streefwaarde van 5 ouE/m3 als 99,99-percentiel. De volgende feiten dienen in overweging genomen te worden bij de afweging of de berekende concentraties een acceptabel hinderniveau representeren:
Het betreft een nieuwe inrichting.
De hoogst berekende geurconcentratie als 99,99-percentiel is 3,7 ouE/m3 bij de woning aan de Houtdyk 1. Bij alle onderzochte woningen wordt met de gehanteerde conservatieve benadering voldaan aan de streefwaarde van 5 ouE/m3.
De voorgenomen maatregelen ter reductie van geuremissie (gesloten containers, gebruik van een veegwagen en het frequent afvoeren van afvalstoffen) kunnen als Beste Beschikbare Techniek (BBT) worden beschouwd. Een verdere reductie in geuremissie is niet haalbaar.
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen, als op het vervoer van deze stoffen.
De volgende besluiten zijn relevant:
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi);
Uit deze besluiten vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico's in het plangebied en naar de omgeving als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico's worden beoordeeld op twee soorten risico: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.
Groepsrisico (GR)
Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf.
Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.
Plaatsgebonden risico (PR)
Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden.Uit de risicokaart blijkt dat er in de nabijheid van het plangebied ook geen riscivolle functies gelegen zijn die een rol spelen in het kader van externe veiligheid.
De Fryske Utfieringstjinst Miljeu en Omjouwing heeft de ontwikkeling van het milieuterrein te Harich beoordeeld aan de hand van het Besluit externe veiligheidsinrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Activiteitenbesluit Milieubeheer (Activiteitenbesluit). Daarbij is vastgesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van het plan. Geadviseerd wordt om te voorzien in een brandkraan op de bestaande waterleiding ter hoogte van de ingang van het perceel aan de Houtdyk om een snelle brandweer- inzet te kunnen garanderen in geval van brand op het terrein. Dit advies wordt door de gemeente overgenomen. Zie tevens Bijlage 7 Advies Externe Veiligheid FUMO en Bijlage 8 Advies brandweer Fryslân.
Toetsing en uitgangspunten bestemmingsplan
In opdracht van Modulo Milieustraten heeft Arcadis Nederland BV een verkennend milieukundig bodemonderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van grond en grondwater uitgevoerd (zie Bijlage 9). Tevens is een nader bodemonderzoek naar de aanwezigheid van asbest in de bodem uitgevoerd (zie Bijlage 10) vanwege het voorkomen van puin. Aanleiding voor het onderzoek zijn de plannen om de locatie opnieuw in te richten tot milieustraat. Hiervoor is enerzijds een milieukundig bodemonderzoek nodig om de eindsituatie te bepalen, maar anderzijds om de nulsituatie voor de toekomstige situatie vast te stellen. Daarnaast is gekeken of de aanwezige asfaltverharding teerhoudend is.Het onderzochte terrein (de onderzoekslocatie) heeft een oppervlakte van circa 4.300 m².
Uit de resultaten van het milieukundig bodemonderzoek blijkt dat de bodem plaatselijk sterk verontreinigd is met de zware metalen zink, lood, koper en PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Verder zijn andere zware metalen (cadmium, kobalt, koper, kwik) en minerale olie licht verhoogd aangetroffen. In het nader onderzoek naar de aanwezigheid van asbest blijkt dat er op één plek asbest is aangetroffen. Het gehalte is lager dan de interventiewaarde (= 100 mg/kg d.s). Er is zeer waarschijnlijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging.
Bij de herinrichting van het terrein dient rekening te worden gehouden met de aangetroffen verontreinigingen in de grond en asbest. Vrijkomende grond kan ter plaatse op dezelfde plek worden hergebruikt, mits hiervoor civieltechnisch geschikt. Overtollige grond kan afhankelijk van de kwaliteit elders worden hergebruikt of dient naar een erkende verwerker te worden afgevoerd. Voordat met de werkzaamheden wordt gestart, dienen de juiste procedures in het kader van de Wet Bodembescherming en het Besluit bodemkwaliteit te worden gevolgd.
Conclusies van het onderzoek en advies
De watertoets is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets zorgt ervoor dat in alle ruimtelijke plannen aandacht wordt besteed aan veiligheid, kwaliteit én kwantiteit van water waardoor ruimte klimaatbestendig en waterrobuust worden ingericht. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets kent twee onderdelen. Enerzijds is de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling verplicht om de waterbeheerder (het waterschap) vroegtijdig in de planvorming te betrekken. Anderzijds heeft de initiatiefnemer van een ruimtelijke ontwikkeling de verplichting om in het plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder.
Wet en regelgeving en eisen
Voor het uitvoeren en opstellen van de watertoets is gebruik gemaakt van de Leidraad inrichting openbare ruimte en de Leidraad watertoets Wetterskip Fryslan. De leidraad is gebaseerd op het gevoerde beleid van de gemeente en waterschap.
Er zijn verschillende wetten, beleid en regelgeving die de basis leggen voor de watertoets:
De bovengenoemde Waterwet verplicht het Rijk, de provincies en waterbeheerders tot het opstellen van een waterplan. Het resultaat daarvan is een Nationaal Waterplan, een Regionaal Waterplan en een Waterbeheerplan. Deze plannen vormen de basis voor de watertoets.
Nationaal Waterplan
De strategie van het Rijk voor duurzaam waterbeheer kan kort worden samengevat in 4 punten:
Waterhuishoudingsplan Fryslân
Hoofddoelstelling voor het waterbeleid in Fryslân is: Het hebben en houden van een veilige en bewoonbare provincie en het in stand houden en versterken van gezonde en veerkrachtige watersystemen, zodat een duurzaam gebruik blijft gegarandeerd. De doelstellingen zijn ingedeeld in Water Veiligheid, Voldoende Water en Schoon Water. Waterveiligheid betreft de duurzame veiligheid tegen overstromingen vanuit de Noordzee, Waddenzee, IJsselmeer en vanuit de Friese boezem. Voldoende water gaat over de vraag hoe functies als natuur en landbouw kunnen worden voorzien van voldoende water. Schoon water betreft de algemene kwaliteit van het oppervlaktewater en de eisen die worden gesteld aan zwem- en natuurwateren.
Het Waterhuishoudingsplan is een structuurvisie voor ruimtelijk beleid. Met betrekking tot de watertoets wordt in het plan op de volgende onderwerpen in gegaan:
Waterbeheerplan
In het Waterbeheerplan geeft Wetterskip Fryslân aan welke maatregelen het neemt om het watersysteem op orde te houden en te verbeteren. Maatregelen kunnen uitvoeringswerken zijn, maar ook het opstellen van beleidsregels en verordeningen en het normale beheer en onderhoud vallen er onder.
In het kader van de Watertoets worden de gemeenten geadviseerd over hun ruimtelijke plannen. Een belangrijk aspect bij de advisering op ruimtelijke plannen, is het ordenend principe van water. Er wordt naar gestreefd dat water meegenomen wordt als ordenend principe bij de keuze van de locatie van het nieuwe plangebied. Dit aspect in de watertoets geldt vooral bij de structuurvisies die gemeenten opstellen. De gemeenten worden dan ook gevraagd om het waterschap in een vroegtijdig stadium te betrekken bij het opstellen van deze structuurvisies. De advisering heeft verder betrekking op de inpassing van bestaande en nieuwe waterstaatswerken met beschermingszones in het plangebied. Daarnaast wordt in het wateradvies (Bijlage 11) aangegeven welke waterhuishoudkundige randvoorwaarden gelden voor nieuwe bestemmingen. Dit is vanuit het oogpunt van Waterveiligheid, Voldoende water en Schoon water. Het gaat onder andere om eisen voor drooglegging, waterberging, lozingen, de inrichting van kaden en oevers en vispassages. Al in een vroeg stadium van de planvorming voor ruimtelijke ordening wordt aangegeven waar boezemuitbreiding, waterbergingsgebieden en extra berging in stedelijk en landelijk gebied wenselijk is. Ook afspraken over het beheer en onderhoud worden vaak al in dit stadium meegenomen. Samen met de Provincie Fryslân is de Watertoets online gezet. Zo worden de gemeenten en andere initiatiefnemers ondersteund bij het opstellen van de waterparagraaf van hun ruimtelijke plannen.
Gemeentelijke watertaken
De Waterwet verplicht het Rijk, de provincies en de waterbeheerders tot het opstellen van een waterplan. De gemeente is géén waterbeheerder in de zin van de Waterwet en in de Waterwet is dan ook geen gemeentelijke planfiguur voorgeschreven. De gemeente heeft echter wel watertaken. Hieronder volgt een korte toelichting op deze watertaken.
In de Leidraad Inrichting Openbare Ruimte van de gemeente Fryske Marren zijn de volgende punten met betrekking tot de watertaken genoemd:
Huidige situatie
Type oppervlak
Het perceel wordt momenteel gebruikt als gemeentewerf voor de op- en overlag van materiaal. Het totaaloppervlak van het perceel betreft 4206 m2. Hiervan is 2015 m2 gesloten verhard oppervlak. Het overige deel is onverhard beplant met bomen. Het vigerende bestemmingsplan laat een totale oppervlakteverharding toe.
Maaiveldhoogte
De maaiveldhoogte van het perceel ligt tussen de NAP +1,0 en +1,5 m. Dat is ongeveer 1 meter hoger dan de omliggende agrarische percelen. Rond het plangebied ligt het maaiveld relatief laag ten opzichte van de omgeving dal. In de volgende afbeelding is het hoogteverloop in de regio weergegeven.
Hoogtekaart regio volgens het AHN2.
Bodemopbouw en geologie
De bodem op het terrein en in de omgeving kenmerkt zich door zwak lemige zandgronden met een matig dik cultuur dek. De bodemtypes in de omgeving zijn weergegeven in de volgende afbeelding . In onderstaande tabel is de bodemopbouw beschreven op basis van boringen B15E1010, B15E0147, B15E0148, B15E1013 en B15E0052 uit Dinoloket. Daarbij is B15E0052 leidend geweest omdat deze boring op 50 meter afstand van het perceel is uitgevoerd.
De bodem kenmerkt zich door fijn zand in de bovenste 2 tot 4 meter ten opzichte van maaiveld. Daaronder zijn enkele meters aan leem aanwezig, soms zandig. Deze bodemtypes hebben een lage doorlatendheid. Uit onderzoek blijkt dat lokaal gebroken asfalt aangetroffen tot 0,5 m-mv dat niet doorboorbaar is.
|
|
Bodemtype in de omgeving van het plangebied (Bofek2012, Alterra).
Bodembeschrijving op basis van boringen B15E1010, B15E0147, B15E0148, B15E1013 en B15E0052 uit Dinoloket
Oppervlaktewatersysteem
Het plangebied bevindt zich in peilgebied GPG-F12430. Dit peilgebied is een vrij-afstromend gebied met een streefpeil van NAP -0,52 m. Dit peil wordt nagestreefd door middel van peilregulerende kunstwerken zoals stuwen. Niet overal in het peilgebied is het peil gelijk aan het streefpeil, door opstuwing in sloten en watergangen is op grotere afstand van het kunstwerk de waterstand hoger dan het streefpeil. Het kan voorkomen dat in extreem natte periode de waterstand hoger is dan het streefpeil en in droge periode de waterstand onder streefpeil weg zakt. Voor een eventuele peilwijziging dient een peilwijziging aangevraagd te worden.
De drooglegging is het verschil tussen het streefpeil en de maaiveldhoogte. De minimale drooglegging bij het terrein is 1,5 tot 2,0 meter.
Het perceel wordt aan de oost- en zuidzijde begrenst door een schouwsloot. Een dergelijke watergang is belangrijk voor de aan- of afwatering van water. Langs de schouwsloten ligt geen beschermingszone. Bovendien is het onderhoud van de sloot de verantwoordelijkheid van de eigenaar van het aangrenzend perceel. Van de sloot zijn geen afmetingen bekend. De schouwsloot watert af op een hoofdwatergang van het waterschap op ca. 180 meter van de perceelsgrens.
Overzicht watersysteem rond het plangebied (Watersysteemgegevens Wetterskip Fryslan)
In de directe omgeving van deze watergang zijn geen duikers of andere kunstwerken opgenomen in de legger. Het dichtstbijzijnde kunstwerk opgenomen in de legger ligt op ca. 180 meter van de ontwikkeling. Op basis van de luchtfoto is vastgesteld dat een of meerdere duikers aanwezig moeten zijn om de afwatering te garanderen. Hier zijn geen gegevens van beschikbaar. Een eventuele vervanging of aanbrenging van duikers moeten voldoen aan bepaalde eisen, hiervoor dient een watervergunning te worden aangevraagd.
Grondwatersysteem
Het Wetterskip Fryslan heeft beschikking over rasters van de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) en Gemiddeld Laagste Grondwaterstand (GLG). Deze rasters zijn gegenereerd op basis van grondwatermodellen en zijn een benadering van de werkelijkheid. De GHG ligt op 1 tot 1,5 meter onder maaiveld en de GLG op 1,5 tot 2,0 meter onder maaiveld. Ten opzichte van NAP ligt de grondwaterstand gemiddeld rond NAP -0,45 m. Deze grondwaterstanden komen overeen met de gemeten grondwaterstanden in peilbuizen B15E0147 en B15E0148.
De stijghoogte in diepere onderliggende grondlagen is in beeld gebracht aan de hand van peilbuis B15E0078 op 1,5 km afstand ten zuiden van het betreffende perceel. De stijghoogte op 17 meter diepte is hier gemiddeld NAP -1,00 m. Dit is een verschil van ca. 0,5 meter met de gemeten grondwaterstanden. De verwachting op basis van deze gegevens is dat er sprake is van infiltratie ter hoogte van de ontwikkeling.
Verontreinigingen
In het kader van de ontwikkelingen is een milieukundig onderzoek uitgevoerd [5]. De bodem is verontreinigd met zink, lood, koper en PAK (gehaltes boven de interventiewaarde) en heeft licht verhoogde gehaltes voor cadmium, kobalt, koper, kwik, zink en minerale olie (boven streefwaarde). Uit veldonderzoek is gebleken dat de bodem op veel plekken asfalhoudend en puinhoudend is. Omdat de verontreiniging als historische verontreiniging is aangeduid mag het functioneel worden gesaneerd door middel van afdekken.
Het slib in de waterbodem van de omliggende sloot voldoet aan klasse A, klasse industrie en is niet verspreidbaar op aangrenzende percelen. Het grondwater bevat licht verhoogde (boven streefwaarde) gehalten naftaleen, barium en molybdeen. De zuurgraad van het grondwater is normaal voor het type bodem.
Toekomstige situatie
Verhard oppervlak en bergingsopgave
Vergeleken met de huidige - feitelijke - situatie is sprake van een toename van het verhard oppervlak met 1.255 m2. Het waterschap hanteert het uitgangspunt dat 10% van de toename verhard oppervlak gecompenseerd dient te worden door het aanleggen van water. Een alternatief is gebruik te maken van infiltratievoorzieningen. Uitgaande van de 10% regel moet er 125,50 m2 wateroppervlak of 62,50 m3 gerealiseerd worden. Dit is het benodigd oppervlak water bij streefpeil.
Oppervlaktewater
In de huidige situatie ligt aan de oost- en zuidzijde van het plangebied een waterloop. De wateropgave kan worden opgelost door de waterlijn aan de zijde van het plangebied te verbreden met 1 meter.
Voor het verbreden van de watergang ziet het waterschap geen bezwaar. Daarbij worden wel twee aandachtspunten meegegeven:
Infiltratiemogelijkheden
De bergingsopgave mag, indien mogelijk, gecompenseerd worden door het realiseren van een infiltratievoorziening. Dit is technisch lastig haalbaar omdat de bodem zeer fijn zandig, asfalthoudend en puinhoudend is.
Hemelwaterafvoer
Het waterschap stimuleert om zoveel mogelijk verhard oppervlak af te koppelen om de zuiveringsinstallatie zo min mogelijk te belasten met niet vervuild water. Het vereist echter wel dat het afstromend water schoon is. In de situatie van het milieuterrein is er sprake van afval als metalen, autobanden, plastic en dakleer composiet. Enkele materialen vergroten het risico op verontreinigde stromen en zijn niet alle gedefinieerd als inert zoals dakleer composiet. In het Activiteitenbesluit is opgenomen dat niet-inerte goederen:
Voor inerte stoffen is het volgende gedefinieerd:
Als de afstroming goed kan worden gescheiden, kan een deel van het afstromend hemelwater op het oppervlaktewater worden geloosd, mits de concentraties opgeloste en niet-opgeloste stoffen aan de normen voldoen. Voor niet-inerte uitlogende stoffen is een aparte afvalstroom nodig dat op het vuilwaterriool kan lozen onder voorwaarde genoemd in artikel 3.34 van hoofdstuk 3.4.3 Activiteitenbesluit.
De ruimtelijke ingrepen die voor de herinrichting van het terrein plaatsvinden, kunnen mogelijk negatieve gevolgen hebben voor aanwezige beschermde natuurwaarden op en rondom de planlocatie. Daarom is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezige natuurwaarden om zo de voorgenomen plannen te toetsen aan de natuurwetgeving. (zie Bijlage 12).
De Wet natuurbescherming (verder Wnb) is op 1 januari 2017 in werking getreden. De wet is in de plaats gekomen van de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De wet is ingedeeld in hoofdstukken en kent een algemeen deel (hoofdstuk 1), delen over Natura 2000-gebieden (hoofdstuk 2), soorten (hoofdstuk 3), houtopstanden, hout en houtproducten (hoofdstuk 4), verder delen die gaan over vrijstellingen, beschikkingen en verplichtingen (hoofdstuk 5), financiële bepalingen (hoofdstuk 6), handhaving (hoofdstuk 7), overige bepalingen (hoofdstuk 8) en tot slot een beschrijving van het overgangsrecht (hoofdstuk 9) en een beschrijving van de wijziging van overige wetten (hoofdstuk 10).
Gebiedsbescherming
Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige EHS) en grenst ook niet aan dit Netwerk. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op ongeveer 150 meter van het plangebied. Het beschermingskader van het Natuurnetwerk Nederland kent geen externe werking. In artikel 7.1.1, lid 3 van de geldende Verordening Romte Fryslân is de externe werking opgenomen: 'Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden nabij de ecologische hoofdstructuur kan nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur'.
Het plangebied voor het milieuterrein ligt op circa 150 meter uit gronden die als NNN (EHS) worden aangemerkt. Volgens de toelichting op de regeling staat aangegeven dat vooral verstoring wordt verwacht door recreatieve ontwikkelingen grenzend aan/in de nabijheid van de EHS. 'Artikel 7.1.1, derde lid bevat daarom de bepaling dat niet-agrarische ontwikkelingen buiten de EHS mogelijk zijn, mits die geen significante negatieve effecten op de EHS tot gevolg hebben ('ja, mits' principe). Anders dan binnen de EHS beperken de effecten zich waarschijnlijk tot verstoring door betreding of door geluid of licht. Betreding kan relevant zijn als er sprake is van een fundamentele toename van recreanten in een natuurgebied dat door wat betreft het gevoerde beheer minder geëigend is. Dat kan in samenspraak met de beheerder worden beoordeeld. Verstoring door geluid of licht kan relevant zijn in relatie tot bepaalde diersoorten.'
Gelet op het feit dat er geen sprake is van recreatieve ontwikkelingen en dat er geen verwachting bestaat dat de gronden met de EHS status zullen worden betreden door bezoekers van het milieuterrein is er op dat vlak geen effect te verwachten. Verstoring door licht is evenmin relevant omdat het milieuterrein gedurende de avonduren en nachtelijke uren niet in gebruik is. Verstoring door geluid ligt evenmin voor de hand gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek.
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in de nabijheid van de ecologische hoofdstructuur niet leidt tot significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/EHS.
De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen beide op 4,9 kilometer afstand, te weten Natura 2000-gebied IJsselmeer en Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving.
Gezien de afstand en de aard van de voorgenomen ingrepen zijn effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Toetsing van de maatregelen aan de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming is daarom niet aan de orde.
Soortenbescherming
Middels een een bureaustudie en een veldbezoek is onderzocht of beschermde soorten mogelijk voorkomen of dat ze op basis van habitat- en verspreidingsgegevens op voorhand uitgesloten kunnen worden. Voor de bureaustudie is verspreidingsdata van de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF) geraadpleegd en vrij beschikbare verspreidingsinformatie. Het veldbezoek is uitgevoerd op 21 maart 2017 door C.E. Onnes, ecologisch adviseur bij Arcadis. Het betrof droog half bewolkt weer met een temperatuur van 8°C en windkracht 2. Bij het bezoek is een habitatgeschiktheidsbeoordeling uitgevoerd om op grond van fysieke, landschappelijke en vegetatie kenmerken van het terrein inzicht te krijgen in het mogelijk voorkomen van beschermde planten en dieren.
De mogelijke gevolgen van de ingrepen zijn hieronder voor de relevante soortgroepen beschreven:
Vleermuizen
In het plangebied zijn mogelijk vleermuisverblijfplaatsen aanwezig. Bij de kap van bomen in de noordwestelijke bosrand in het plangebied gaan mogelijk vleermuisverblijfplaatsen verloren en kunnen vleermuizen gedood en/of verstoord worden.
Grondgebonden zoogdieren
Voor de steenmarter, boommarter en de das worden geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van algemene klein zoogdieren vernietigd of verstoord worden en individuen verwond of gedood worden. Effecten op beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn niet uitgesloten.
Vogels
In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden in het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels verloren gaan indien bomen verwijderd worden en legsels of broedsels kunnen daarbij worden vernietigd. Effecten op algemene broedvogels kunnen niet worden uitgesloten.
Amfibieën
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van amfibieën vernietigd of verstoord worden van boven genoemde soorten en kunnen soorten gedood worden tijdens de werkzaamheden. Effecten op beschermde soorten amfibieën zijn niet uitgesloten.
Mitigerende en compenserende maatregelen en zorgplicht
Hierna worden de mitigerende maatregelen beschreven die noodzakelijk zijn om overtreding van de verbodsbepalingen zo veel als mogelijk te voorkomen en de compenserende maatregelen die nodig zijn om een aantasting van de gunstige staat van instandhouding te voorkomen. Het toepassen van deze maatregelen tijdens de uitvoering van de werkzaamheden is niet vrijblijvend. De Wnb schrijft namelijk voor dat een ontheffing alleen verleend kan worden als er geen andere bevredigende oplossing is en de staat van instandhouding van de soort niet in gevaar komt. Dat betekent dat als mitigatie in redelijkheid mogelijk is, dit ook verplicht is. Verder zijn vaak ook nadere maatregelen noodzakelijk om tegemoet te komen aan de zorgplicht. Verder kan een ontheffing alleen verleend worden wanneer er geen gevolgen zijn voor de gunstige staat van instandhouding van de soort. Om dit zeker te stellen kan het nodig zijn een compenserende maatregel uit te voeren.
Vleermuizen
Mitigerende maatregelen voor vleermuizen worden bepaald na afronding van soortgericht vleermuisonderzoek conform het Vleermuisprotocol 2017.
Vogels
Algemeen
Conclusie
Als gevolg van het toepassen van de mitigerende maatregelen zal een deel van de beschreven mogelijke overtredingen van de verbodsbepalingen worden voorkomen. Het gaat voor de algemene broedvogels en om de verbodsbepalingen van artikel 3.1, lid 1, 2 en 4 en voor algemeen voorkomende zoogdieren en amfibieën om artikel 3.10, lid 1 a en b. Voor de algemeen voorkomende soorten zoogdieren en amfibieën geldt bovendien een provinciale vrijstelling van de provincie Friesland.
Het is echter niet mogelijk alle overtredingen op voorhand uit te sluiten, zodat voor vleermuizen op het moment dat bomenkap aan de orde is, nader onderzoek noodzakelijk is om vast te stellen of overtreding van de Wet natuurbescherming uitgesloten kan worden of dat een ontheffing Wet natuurbescherming noodzakelijk is.
Nader vleermuizenonderzoek
In november 2017 is het nader vleermuizenonderzoek uitgevoerd (zie Bijlage 13 ). Tijdens dit soortgericht onderzoek zijn in het plangebied geen balts- en paarverblijfplaatsen (en mogelijke winterverblijfplaatsen) van vleermuizen aangetroffen. Uit de endoscopische inspectie kwam naar voren dat de boom bij de ingang - die overigens niet wordt gekapt - minder geschikt is als verblijfplaats voor vleermuizen. De andere twee bomen (welke bij de voorgenomen ontwikkeling gekapt worden) hebben geen holtes die geschikt zijn als vleermuisverblijfplaats. Hierdoor kunnen verblijfplaatsen van vleermuizen in deze bomen op voorhand uitgesloten worden en kunnen effecten op vleermuisverblijfplaatsen uitgesloten worden.
Conclusie
Aan de hand van de endoscopische inspectie is vast komen te staan dat de holtes in de te kappen bomen niet geschikt zijn als vleermuisverblijfplaatsen en is nader soortgericht onderzoek in de kraamperiode van 2018 niet noodzakelijk. Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling worden er geen vleermuisverblijfplaatsen verstoord, vernietigd en/of beschadigd. Door het nemen van mitigerende maatregelen welke genoemd zijn in de Quickscan flora en fauna Milieustraat te Balk (Arcadis, 2017), wordt overtreding op de Wet natuurbescherming voorkomen.
Archeologie
Uit de website FAMKE (de archeologische waardenkaart van Friesland) blijkt dat archeologische waarden niet uitgesloten worden in het plangebied. Echter, pas wanneer de ingreep meer dan 5.000 m2 beslaat dan wordt geadviseerd om karterend onderzoek uit te voeren voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen en een booronderzoek voor de periode Bronstijd-IJzertijd. De oppervlakte van het plangebied is 2.820 m2 exclusief de te behouden groenstroken, waarmee uit hoofde van het provinciaal beleid geen nader archeologisch onderzoek hoeft te worden.
Cultuurhistorie
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.
Het ontwikkelen van een bestaande of nieuwe locatie vraagt naast een goede ruimtelijke afweging over functie, vormgeving en inpassing, ook om het in beeld brengen van de verkeerseffecten. Bij een bestemmingsplanwijziging wordt gesteld dat de effecten van de ontwikkeling voor verkeer goed moeten worden onderbouwd. De onderbouwing van de verkeersaspecten speelt mee bij de beoordeling van het plan. Hierbinnen ligt nadruk op de effecten van de ontwikkeling op de verkeersafwikkeling en parkeren (bereikbaarheid), de verkeersveiligheid en de verkeershinder (leefbaarheid).
Wegenstructuur
Functie en vormgeving
Het nieuwe milieuterrein wordt gesitueerd aan de Houtdyk 1a te Harich. De Houtdyk is een parallelweg van de N359 (Sudergoawei) en de weg is gecategoriseerd als erftoegangsweg buiten de bebouwde kom. De maximumsnelheid is 80 km/u, wat niet overeenkomt met een duurzaam veilige wegcategorisering. De Houtdyk is een smalle weg (3,5 – 4,5 m breed), geasfalteerd, en er is geen belijning aanwezig.
De N359 is een stroomweg buiten de bebouwde kom (autoweg) met een maximumsnelheid van 100 km/u en vormt de doorgaande verbinding voor Zuidwest Fryslân.
Wegencategorisering Balk (bron: GVVP De Fryske Marren, harmonisatie en actualisatie van het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid, mei 2016)
Verkeer naar het milieuterrein rijdt over de N359 en draait ter hoogte van Gaaikemastraat 62 de parallelweg op. Deze aansluiting is vormgegeven als een voorrangskruising, ongeveer 150 m ten zuidwesten van de rotonde N359/N928. Aangezien op een autoweg gelijkvloerse kruisingen zonder extra voorzieningen als een voorsorteerstrook voor linksafslaand verkeer niet zijn toegestaan, is de N359 na de rotonde ook pas na deze voorrangskruising een autoweg (verkeersborden G3 en G4).
De parallelweg van de N359 wordt gebruikt door aanwonenden, fietsers en landbouwverkeer. De N359 is gesloten voor tractoren, fietsen en bromfietsen (verkeersbord C09). Dit geldt ook voor de rotonde N359 (Sudergoawei)/N928 (Suderséwei). Ten behoeve van het langzaam verkeer en landbouwverkeer is daarom vanaf de Gaaikemastraat in Balk (ten oosten van de rotonde) een parallelweg gerealiseerd, die uitkomt op de Houtdyk. Deze parallelweg kruist de N928 direct ten noorden van de rotonde. De parallelweg is bedoeld voor gecombineerd gebruik van langzaam verkeer en landbouwverkeer. Dit betekent echter, dat ook personenauto's hiervan gebruik kunnen maken.
Gebruik
Huidige situatie/Autonome situatie
Er is door gemeente De Fryske Marren in maart 2017 een verkeerstelling uitgevoerd op de Houtdyk, ter hoogte van huisnummer 1. Er rijden ca. 300 mvt/etmaal, ongeveer gelijk verdeeld over beide richtingen.
Ook de snelheid van het verkeer is bij deze telling gemeten. Ondanks het feit dat men officieel 80 km/u mag rijden op de Houtdyk, is de V85-snelheid 50 km/u. Dit betekent dat 85% van de automobilisten niet harder rijdt dan 50 km/u. De V50 snelheid is 29 km/u, dus 50% van de automobilisten rijdt niet harder dan 29 km/u. De verwachting is dat de snelheid op de Houtdyk verder richting het zuidwesten hoger wordt, aangezien daar geen bebouwing meer aanwezig is.
Op basis van het telpunt tussen Balk en afslag Ruigahuizen is in het jaar 2016 de gemiddelde etmaalintensiteit gemeten op 7.140 voertuigen (bron Provincie Fryslân). Op basis van het Nederlands Regionaal Model 2017 (NRM) is de groeiprognose voor 2030 bepaald op een etmaalintensiteit van 8.800 voertuigen.
Verkeersgeneratie milieuterrein
Het milieuterrein faciliteert maximaal 5.000 bezoekers per jaar en is geopend op maandag, vrijdag en zaterdag van 09:00 uur tot 12:00 uur.
Het milieuterrein heeft een verkeersaantrekkende werking. Dit betreffen met name personenauto's met aanhangers en vrachtverkeer. Het aantal bezoekers betreft gemiddeld 11 personenauto's per uur en tenminste 95 vrachtwagenbewegingen per jaar, van en naar het milieuterrein (bron: Toelichting Milieuterrein Balk, Modulo Milieustraten Advies, 12 januari 2017).
Het milieuterrein is drie dagen per week geopend en genereert dan ca. 70 ritten van personenauto's met aanhangwagen per etmaal (3 uur geopend met 22 ritten per uur en in het drukste uur 26 ritten).
Daarnaast genereert het milieuterrein in de drukste week nog 3 vrachtwagenritten per etmaal (1 tot 2 vrachtwagens per dag).
In de huidige situatie is er sprake van een milieuterrein in Balk, aan de Eigen Haard 11. Door de aanleg van het nieuwe milieuterrein worden daarom geen nieuwe ritten gegenereerd. De ritten van en naar Eigen Haard 11 vervallen en worden vervangen door ritten van en naar Houtdyk 1.
Plansituatie 2030
Op de N359 rijden in 2030 ca. 8.800 mvt/etmaal.
Het nieuwe milieuterrein genereert ca. 73 mvt/etmaal.
Op de N359 rijden in de plansituatie 8.873 mvt/etmaal. De N359 kan deze toename van verkeer goed verwerken.
Op de Houtdyk rijden in de plansituatie 373 mvt/etmaal. Deze verkeersintensiteit is voor een erftoegangsweg buiten de bebouwde kom in principe geen probleem. Echter, de toename van verkeer wordt met name veroorzaakt door personenauto's met aanhangwagens en vrachtwagens. De Houtdyk is een smalle weg, waar deze voertuigen elkaar nauwelijks of niet kunnen passeren. Er ontstaat daarmee een grotere kans op verkeersonveiligheid (ook fietsers en landbouwverkeer op de Houtdyk) en op het kapot rijden van de bermen van de Houtdyk.
Verkeersstructuur op het milieuterrein
De automobilist rijdt het milieuterrein op en betreedt de opstelstrook. Hij rijdt door tot aan de slagboom. Hier bevindt zich de registratiezuil waar de bestuurder zijn milieupas voor houdt en kan kiezen uit optie 1 (gratis) of 2 (betaald). Het terrein is zo opgezet dat men de routes kan kiezen voor alleen de gratis route (en daarna direct naar de uitgang), de betaalde route (en daarna direct naar de uitgang) of een combinatie van beide waarbij men na de gratis route de betaalde route neemt, of andersom. Zie ook met de inrichting van het terrein.
Het in- en uitrijdende vrachtverkeer gebruikt dezelfde in- en uitgang als de personenauto's. Afvoer van afvalstromen vindt plaats buiten de openingstijden van het milieuterrein.
Het terrein is zodanig ontworpen dat 8 auto's met aanhangwagen voor de slagboom kunnen staan en 16 auto's met aanhangwagen tegelijkertijd op het milieuterrein zelf aanwezig kunnen zijn (Bijlage 14). Een bezoeker is gemiddeld 10 minuten aanwezig op het terrein. Behoudens de piekuren zal er dus geen wachtrij op de openbare weg zijn.
Overige aspecten
Langzaam verkeer
In de volgende afbeelding is het fietsnetwerk van Balk weergegeven. De fietsroute van Balk naar Rijs/Oudemirdum loopt via de parallelweg aan de zuidoostzijde van de N359, de Lutswâl. Echter, de Gaaikemastraat/Houtdyk maakt wel deel uit van een recreatieve fietsroute (knooppuntenroute).
Ten opzichte van de huidige situatie verslechtert de verkeersveiligheid voor het fietsverkeer. Dit komt niet zozeer door de toename in verkeersintensiteit, maar door het soort voertuigen: auto's met aanhangwagens en vrachtwagens. Op de smalle Houtdyk kunnen deze voertuigen elkaar niet of nauwelijks passeren, waardoor er geen ruimte meer is voor fietsers. Dit speelt met name tijdens de openingstijden van het milieustation, op maandag-, vrijdag- en zaterdagochtend. Zie verder onder het kopje Verkeersveiligheid.
Bovenlokaal fietsnetwerk Balk (bron: GVVP De Fryske Marren, harmonisatie en actualisatie van het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid, mei 2016)
Openbaar vervoer
De Houtdyk maakt geen onderdeel uit van een busroute.
Landbouwverkeer
De Houtdyk maakt onderdeel uit van een zoekgebied voor het landbouwnetwerk van Balk.
Landbouwnetwerk Balk (bron: GVVP De Fryske Marren, harmonisatie en actualisatie van het gemeentelijk verkeers- en vervoerbeleid, mei 2016)
Landbouwverkeer maakt in de huidige situatie gebruik van de Houtdyk (mede gezien de inrichting van de parallelweg bij de rotonde N359/N928) en uitgangspunt is dat in de toekomst landbouwverkeer van deze weg gebruik blijft maken. Gezien de lage verkeersintensiteiten op de Houtdyk levert dit geen problemen op voor de doorstroming van de weg. Echter, de Houtdyk is een smalle weg en de toename van verkeer door het milieuterrein zorgt er wel voor dat er meer kans is op verkeersonveilige situaties.
Toegankelijkheid voor hulpdiensten
Het milieuterrein is zowel vanaf de oostzijde als vanaf de westzijde toegankelijk voor hulpdiensten via de N359 en de Houtdyk. Hiermee is de bereikbaarheid voor hulpdiensten gewaarborgd.
Verkeersveiligheid
Ter verhoging van de verkeersveiligheid zal op de Houtdyk een maximumsnelheid van 60 km per uur worden ingesteld en zullen ter hoogte van het millieuterrein maatregelen worden getroffen om de verkeersveiligheid van met name het langzame verkeer te waarborgen. Onder andere zullen veilige opstelruimtes langs de Houtdyk worden gerealiseerd (Bijlage 2).
Er zijn in het plangebied geen planologisch relevante kabels en leidingen aanwezig.
Inleiding
Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), in samenhang met het Besluit milieueffectrapportage (hierna: Besluit m.e.r.), moet bij initiatieven voor (het wijzigen van) bepaalde activiteiten worden beoordeeld of er sprake is van milieueffecten. In gevallen dat een besluit of plan betrekking heeft op activiteiten die voorkomen op de C- of D-lijst van de bijlage bij het Besluit m.e.r. dient bepaald te worden welke procedure doorlopen moet worden om mogelijke milieueffecten te beoordelen.
De ontwikkeling van het milieuterrein valt onder categorie D18.1, "De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7".
De drempelwaarden uit het Besluit m.e.r. zijn indicatief, omdat ook externe factoren kunnen leiden tot 'belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu'. Hierbij gaat het bijvoorbeeld om cumulatie met andere projecten, ligging in of bij een gevoelig gebied (zoals een natuurgebied) of een dichtbevolkt gebied en de duur, frequentie en omkeerbaarheid van het effect. De vormvrije m.e.r.-beoordeling geeft antwoord op de vraag of belangrijke nadelige milieugevolgen door de gewenste ontwikkelingen kunnen worden uitgesloten. Met de voorliggende vormvrije m.e.r.-beoordeling ondersteunt Arcadis het bevoegd gezag bij de voorbereiding van de bestuurlijke keuze en motivatie om al dan niet een m.e.r.-, of m.e.r.- beoordelingsprocedure te doorlopen.
Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling geeft de informatie voor de invulling van de vergewisplicht, die gekoppeld is aan het op te stellen bestemmingsplan. Bij de analyse en beslissing dient rekening gehouden te worden met de bijlage III van de EEG-richtlijn m.e.r. voor projecten aangegeven omstandigheden. Deze zijn:
Voor de kenmerken van de activiteit en de plaats waar de activiteit wordt verricht, wordt verwezen naar Hoofdstuk 1 en paragraaf 2.2 van dit bestemmingsplan.
Kenmerken van de gevolgen van de activiteit
Geluid
Ter beperking van geluidsoverlast bij het neerzetten van de containers en bescherming van de verharding ter plaatse van de opstelplaats van de containers worden kunststof platen toegepast. Het terrein wordt aan de zijde van de woning Houtdyk 1 (noordoostzijde van het terrein) voorzien van een afscheiding van 3 meter hoog. Deze afscheiding wordt dicht en bekleed met geluidsabsorberende materialen.
In het kader van het akoestisch woon- en leefklimaat is bij de nabijgelegen woningen gerekend op een hoogte van 5 meter om de geluidsbelasting op de (meer belaste) 1e verdieping in beeld te hebben.
Uit de berekeningsresultaten kan worden geconcludeerd dat wordt voldaan aan de standaardgrenswaarden voor geluid uit het Activiteitenbesluit. Uitgangspunt daarbij is dat de flessenzuil maximaal 4 maal per jaar wordt geleegd tijdens de werktijden. Dit is als eis vastgelegd in de planregels van het bestemmingsplan.
Hiermee leidt het aspect geluid niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens Bijlage 3).
Luchtkwaliteit
Overal in de omgeving van de inrichting wordt voldaan aan de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5.
Overal wordt tevens voldaan aan het maximale toegestane aantal overschrijdingen van de grenswaarde voor de daggemiddelde concentratie PM10 en de uurgemiddelde grenswaarde voor NO2.
Vanwege de algemene verwachting dat de achtergrondconcentraties in Nederland in de toekomst zullen blijven afnemen en het wegverkeer schoner zal blijven worden, kan gesteld worden dat ook in de jaren na 2017 voldaan wordt aan alle grenswaarden in de omgeving van het plangebied. Hiermee leidt het aspect luchtkwaliteit niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens Bijlage 4).
Externe veiligheid
De Fryske Utfieringstjinst Miljeu en Omjouwing (FUMO) heeft de ontwikkeling van het milieuterrein te Harich beoordeeld aan de hand van het Besluit externe veiligheidsinrichtingen (Bevi), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het Activiteitenbesluit Milieubeheer (Activiteitenbesluit). Daarbij is vastgesteld dat het aspect externe veiligheid geen belemmering vormt voor de haalbaarheid van het plan.
Door zowel FUMO als door de Brandweer Fryslân wordt geadviseerd om op de bestaande waterleiding aan de zijde langs de Houtdyk een brandkraan aan te brengen en de vestigingsmogelijkheid van risicovolle bedrijven (Bevi-inrichtingen) uit te sluiten binnen het plangebied (zie tevens Bijlage 7 en Bijlage 8). In de planregels van het bestemmingsplan wordt de vestiging van risicovolle inrichtingen uitgesloten. Hiermee leidt het aspect externe veiligheid niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu
Bodem
Bij de herinrichting van het terrein dient rekening te worden gehouden met de aangetroffen verontreinigingen in de grond en asbest. Uit de resultaten van het milieukundig bodemonderzoek blijkt dat de bodem plaatselijk sterk verontreinigd is met de zware metalen zink, lood, koper en PAK (polycyclische aromatische koolwaterstoffen). Verder zijn andere zware metalen (cadmium, kobalt, koper, kwik) en minerale olie licht verhoogd aangetroffen. In het nader onderzoek naar de aanwezigheid van asbest blijkt dat er op één plek asbest is aangetroffen. Het gehalte is lager dan de interventiewaarde (= 100 mg/kg d.s). Er is zeer waarschijnlijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging op een oppervlak van méér dan 25 m3. De verontreining betreft echter een historische verontreiniging en mag in dat geval functioneel worden gesaneerd. Dit houdt in dat in een toekomstige situatie de aanwezige verontreiniging in de grond mag worden afgedekt met een verharding of een leeflaag. Hiertoe is reeds een zogenaamde BUS-procedure in gang gezet.
Hiermee leidt het aspect bodem niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie ook Bijlage 9 en Bijlage 10).
Water
Voor het bepalen van de effecten ten aanzien van water, is onderzoek verricht naar de waterstaatkundige aspecten in het plangebied en is aandacht besteed aan de bergingsopgave.
Vergeleken met de huidige - feitelijke - situatie is sprake van een toename van het verhard oppervlak met 1.255 m2. De watergang aan de zuid- en oostzijde van het plangebied wordt op de waterlijn met 1 meter verbreed aan de zijde van het plangebied. Hiermee leidt het aspect water niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens paragraaf 4.7).
Ecologie-gebiedsbescherming
De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen beide op 4,9 kilometer afstand, te weten Natura 2000-gebied IJsselmeer en Natura 2000-gebied Oudegaasterbrekken, Fluessen en omgeving.
Gezien de afstand en de aard van de voorgenomen ingrepen zijn effecten op Natura 2000-gebieden op voorhand uit te sluiten. Toetsing van de maatregelen aan de Wet natuurbescherming, onderdeel gebiedsbescherming, is daarom niet aan de orde.
Het plangebied ligt niet binnen de begrenzing van het Natuurnetwerk Nederland (NNN; de voormalige EHS) en grenst ook niet aan dit Netwerk. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op ongeveer 200 meter van het plangebied. In artikel 7.1.1, lid 3 van de geldende Verordening Romte Fryslân is de externe werking opgenomen: 'Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden nabij de ecologische hoofdstructuur kan nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur'.
Het plangebied voor het milieuterrein ligt op circa 150 meter uit gronden die als NNN (EHS) worden aangemerkt. Volgens de toelichting op de regeling staat aangegeven dat vooral verstoring wordt verwacht door recreatieve ontwikkelingen grenzend aan/in de nabijheid van de EHS. 'Artikel 7.1.1, derde lid bevat daarom de bepaling dat niet-agrarische ontwikkelingen buiten de EHS mogelijk zijn, mits die geen significante negatieve effecten op de EHS tot gevolg hebben ('ja, mits' principe). Anders dan binnen de EHS beperken de effecten zich waarschijnlijk tot verstoring door betreding of door geluid of licht. Betreding kan relevant zijn als er sprake is van een fundamentele toename van recreanten in een natuurgebied dat door wat betreft het gevoerde beheer minder geëigend is. Dat kan in samenspraak met de beheerder worden beoordeeld. Verstoring door geluid of licht kan relevant zijn in relatie tot bepaalde diersoorten.'
Gelet op het feit dat er geen sprake is van recreatieve ontwikkelingen en dat er geen verwachting bestaat dat de gronden met de EHS status zullen worden betreden door bezoekers van het milieuterrein is er op dat vlak geen effect te verwachten. Verstoring door licht is evenmin relevant omdat het milieuterrein gedurende de avonduren en nachtelijke uren niet in gebruik is. Verstoring door geluid ligt evenmin voor de hand gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek.
Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in de nabijheid van de ecologische hoofdstructuur niet leidt tot significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de NNN/EHS.
Ecologie-soortenbescherming
Voor de steenmarter, boommarter en de das worden geen negatieve effecten verwacht als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Ten gevolge van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van algemene klein zoogdieren vernietigd of verstoord worden en individuen verwond of gedood worden. Effecten op beschermde soorten grondgebonden zoogdieren zijn niet uitgesloten.
In het plangebied kunnen algemene broedvogels broeden. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden in het broedseizoen kunnen nesten van algemene broedvogels verloren gaan indien bomen verwijderd worden en legsels of broedsels kunnen daarbij worden vernietigd. Effecten op algemene broedvogels kunnen niet worden uitgesloten.
Als gevolg van de werkzaamheden kunnen verblijfplaatsen van amfibieën vernietigd of verstoord worden van bovengenoemde soorten en kunnen soorten gedood worden tijdens de werkzaamheden. Effecten op beschermde soorten amfibieën zijn niet uitgesloten.
Om de bovemgenoemde effecten uit te sluiten zijn mitigerende en compenserende maatregelen opgenomen (zie ook paragraaf 4.8) en geldt een zorgplicht .
Uit aanvullend ecologisch onderzoek is gebleken dat in het plangebied geen vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn. Bij de kap van twee bomen in de noordwestelijke bosrand in het plangebied gaan geen vleermuisverblijfplaatsen verloren.
Hiermee leidt het aspect ecologie niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu (zie tevens Bijlage 12 en Bijlage 13).
Archeologie en cultuurhistorie
Uit de website FAMKE (de archeologische waardenkaart van Friesland) blijkt dat archeologische waarden niet uitgesloten worden in het plangebied. Echter, pas wanneer de ingreep meer dan 5.000 m2 beslaat dan wordt geadviseerd om karterend onderzoek uit te voeren voor de periode IJzertijd-Middeleeuwen en een booronderzoek voor de periode Bronstijd-IJzertijd. De oppervlakte van het plangebied is 2.820 m2 exclusief de te behouden groenstroken, waarmee uit hoofde van provinciaal beleid geen nader archeologisch onderzoek uitgevoerd hoeft te worden.
Binnen het plangebied zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig.
Hiermee leidt de aspecten archeologie en cultuurhistorie niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu.
Verkeer
Het milieuterrein heeft een beperkte verkeersaantrekkende werking. Dit betreffen met name personenauto's met aanhangers en vrachtverkeer. Het aantal bezoekers betreft gemiddeld 11 personenauto's per uur en tenminste 95 vrachtwagenbewegingen per jaar, van en naar het milieuterrein Het milieuterrein is drie dagen per week geopend en genereert dan ca. 70 ritten van personenauto's met aanhangwagen per etmaal (3 uur geopend met 22 ritten per uur en in het drukste uur 26 ritten).
Daarnaast genereert het milieuterrein in de drukste week nog 3 vrachtwagenritten per etmaal (1 tot 2 vrachtwagens per dag).
In de huidige situatie is er sprake van een milieuterrein in Balk, aan de Eigen Haard 11. Door de aanleg van het nieuwe milieuterrein worden daarom geen nieuwe ritten gegenereerd. De ritten van en naar Eigen Haard 11 vervallen en worden vervangen door ritten van en naar Houtdyk 1.
Ter verhoging van de verkeersveiligheid zal op de Houtdyk een maximumsnelheid van 60 km per uur worden ingesteld en zullen ter hoogte van het millieuterrein maatregelen worden getroffen om de verkeersveiligheid van met name het langzame verkeer te waarborgen. Onder andere zullen veilige opstelruimtes langs de Houtdyk worden gerealiseerd.
Hiermee leidt het aspect verkeer niet tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu .
Conclusie
Uit de vormvrije m.e.r.-beoordeling blijkt dat er geen sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen. Een nadere m.e.r.(beoordeling) is dan ook niet noodzakelijk.
Algemeen
Het bestemmingsplan regelt de gebruiks- en bebouwingsmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied. Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het bijbehorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) in werking getreden. Het voorliggende bestemmingsplan wordt volgens de nieuwe eisen die hieruit voortvloeien opgesteld. Het bestemmingsplan is dan ook opgesteld volgens de nieuwe methode 'Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen' (SVBP 2012). Ook is in de juridische regeling van het plan rekening gehouden met de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) die per 1 oktober 2010 in werking is getreden.
Het gebruik van de gronden wordt vastgelegd in de bestemmingsregels van het bestemmingsplan, deze worden gemotiveerd in de toelichting. Op een analoge kaart worden de bestemmingen gevisualiseerd, in de digitale versie worden de bestemmingsregels direct gekoppeld aan de betreffende gronden en spreekt men niet langer over een plankaart, maar een 'digitale verbeelding' van de bestemmingsregels.
Flexibiliteit
Het bestemmingsplan uitsluitend flexibiliteitsbepalingen in de vorm van regels ter afwijking van het bestemmingsplan. Deze afwijkingsregels zijn bedoeld voor ondergeschikte aanpassingen ten opzichte van hetgeen bij recht is toegestaan. Toestemming voor afwijkingen kan via een (integrale) omgevingsvergunning worden aangevraagd.
Het voorliggende bestemmingsplan kent slechts twee bestemmingen, namelijk de bestemmingen ‘Bedrijf - Milieuterrein’, 'Groen' en 'Verkeer'. Binnen deze bestemmingen wordt het nieuw te realiseren milieuterrein te Harich geregeld.
De bouwmogelijkheden zijn beperkt. Gebouwen zijn uitsluitend toegestaan voor zover het betreft een beheerdersgebouw met een oppervlakte van 25 m2. Voor dit gebouw is op de verbeelding een maximale bouwhoogte opgenomen. Een bedrijfswoning is niet toegestaan. Wel zijn overkappingen toegelaten tot een hoogte van 3,5 meter. Verder zijn er bouwwerken, geen gebouwen toegelaten.
Met het oog op het het verzekeren van een goed woon- en leefklimaat, is een tweetal voorwaardelijke verplichtingen in de regels opgenomen:
In verband met het waarborgen van de verkeersveiligheid is tevens een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het treffen van maatregelen aan de Houtdyk.
Bovendien is een gebruiksverbod opgenomen om de flessenzuil vaker dan vier keer per jaar te legen. Deze leging mag enkel tijdens werktijden plaatsvinden.
Wettelijk bestaat de verplichting om inzicht te geven in de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan. In dat verband wordt een onderscheid gemaakt tussen de maatschappelijke en de economische uitvoerbaarheid.
Door middel van de grondexploitatieregeling in de Wet ruimtelijke ordening (Wro) beschikken gemeenten over mogelijkheden voor het verhalen van kosten. Hierbij valt te denken aan kosten voor het bouw- en woonrijp maken, planschade en kosten voor het opstellen van een bestemmingsplan. Indien sprake is van bepaalde bouwplannen, dient de gemeente in beginsel een exploitatieplan vast te stellen. Hier kan van worden afgezien als voornoemde kosten 'anderszins verzekerd' zijn en het stellen van eisen met betrekking tot kwaliteit en fasering niet noodzakelijk wordt geacht.
In dit bestemmingsplan wordt slechts een gebouw in de vorm van beheerdersgebouwtje met een omvang van 25 m2 toegestaan. Deze ontwikkeling is geen bouwplan in de zin van het Bro. Het opstellen van een exploitatieplan is daardoor niet aan de orde.
Tussen de initiatiefnemers en de gemeente wordt een overeenkomst gesloten waarin het verhaal van overige kosten, zoals eventuele planschade, privaatrechtelijk geregeld is.
Planschade
Het planschademanagement is dat deel van het planschadevergoedingsrecht dat betrekking heeft op het beperken en eventueel voorkomen van planschade. In casu geeft dit aspect aanleiding voor de volgende opmerkingen.
Het aanbrengen en in stand houden van een geluidscherm en van een afschermende groenstrook naast de woning Houtdyk 1 dient als een voorwaardelijke verplichting in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Indien dit niet geschiedt dan mag de beoogde bufferwerking in het kader van de planvergelijking niet worden meegenomen.
In het bestemmingsplan kunnen ook de werktijden en het legen van de flessenzuil gedurende een periode van 4 maal per jaar worden geregeld, omdat zij planologisch relevant zijn. Indien dit niet niet planologisch wordt geregeld (met name voor het legen van de flessenzuil) zal sprake zijn van groter planologisch nadeel.
De hoogte en omvang van de beheerdersruimte, bordes en andere bouwwerken dient conform de uitgangspunten van de risicoanalyse planschade in de regels te worden aangegeven.
Op grond van artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het bestuursorgaan dat is belast met de voorbereiding van een bestemmingsplan verplicht om daarbij overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten, waterschappen en die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening.
Het bestemmingsplan is daartoe verzonden naar in elk geval de volgende instanties:
De ingekomen reacties zijn als Bijlage 15 aan het plan toegevoegd. De overlegreacties komen hierna aan de orde.
Provinsje Fryslân te Leeuwarden, brief d.d. 22 augustus 2017
Samenvatting van de reactie:
Boswet (cat. 3, overige provinciale belangen).
Uit de stukken blijkt dat op het noordelijk deel van het terrein bomen zullen worden gekapt. Niet duidelijk is in welke omvang. Ik vraag u inzicht te geven in de beoogde activiteiten en na te gaan of daarbij de Boswet van kracht is en een herplantplicht van toepassing is.
Ecologie: Vleermuizen (cat . 3 omgevingsaspecten).
Uit de toelichting en de bijlage blijkt dat nader onderzoek nodig is naar de aanwezigheid van vleermuizen. Ik adviseer u om de dat onderzoek voor de ter inzage legging van het ontwerp af te ronden en de consequenties daarvan te beschrijven, waaronder begrepen de beoordeling of een ontheffing van de Wet natuurbescherming nodig is en naar verwachting verleend kan worden.
Reactie gemeente:
Boswet.
Het gaat om drie bomen, één aan de voorkant en twee achterop het terrein. Uitgangspunt is dat de monumentale boom (eik) rechts van de ingang gehandhaafd blijft, net als de groenstroken links en rechts van de ingang. De andere (twee) bomen op de achterkant van het terrein kunnen zonder kapvergunning of anderszins worden geveld.
Vleermuizen.
We hebben opdracht gegeven voor het doen van nader vleermuisonderzoek; het betreffende onderzoek is als Bijlage 13 aan het ontwerpbestemmingsplan toegevoegd . Uit het onderzoek is gebleken dat er geen sporen / geschikte holen voor vleermuizen zijn aangetroffen.
Samenvatting van de reactie:
Watertoets (cat. 5, omgevingsaspecten).
In het advies van het Wetterskip wordt ervan uitgegaan dat, ter compensatie van de extra verharding een verbreding van de noordelijke en westelijke sloot plaatsvindt. In de toelichting op het plan staat echter dat geen compenserende maatregelen nodig zijn omdat het vorige plan al voorzag in de mogelijkheid van verharding van het hele terrein. Ik wijs op deze tegenstelling, die in de toelichting niet nader wordt gemotiveerd. Uit oogpunt van duurzame waterhuishouding lijkt het mij dat het materiële aspect, voldoende mogelijkheid voor wateropvang, zwaarder zou moeten wegen dan de nu gevolgde formele formulering.
Reactie gemeente:
Naar aanleiding van de reactie van het wetterskip heeft nader overleg met die instantie plaatsgehad, daaruit is gebleken dat er van die kant op voorhand geen bezwaren bestaan tegen het beperkt verbreden van de watergang aan de oost- en zuidzijde op de waterlijn. We verwijzen verder naar paragraaf 4.7 onder toekomstige situatie.
Samenvatting van de reactie:
Ecologische hoofdstructuur (cat.5, omgevingsaspecten).
Ik wijs u erop dat, anders dan in het ecologisch onderzoek en in de plantoelichting (paragraaf 4.8) is beschreven, bij ontwikkelingen in de nabijheid van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS, in het plan NNN), nagegaan moet worden of deze al dan niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke waarden en kenmerken van de EHS. Die bepaling inzake externe werking is opgenomen in de provinciale Verordening Romte Fryslân, artikel 7.1.1., lid 3. Ik ga er overigens van uit dat in dit geval van negatieve effecten geen sprake zal zijn.
Reactie gemeente:
In artikel 7.1.1, lid 3 van de geldende Verordening Romte Fryslân is de externe werking opgenomen: '3. Een ruimtelijk plan dat betrekking heeft op gronden nabij de ecologische hoofdstructuur kan nieuwe, niet-agrarische activiteiten en ontwikkelingen mogelijk maken, mits die niet leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de ecologische hoofdstructuur'.
Het plangebied voor het milieuterrein ligt op circa 150 meter uit gronden die als EHS worden aangemerkt. Volgens de toelichting op de regeling staat aangegeven dat men vooral verstoring verwacht van recreatieve ontwikkelingen grenzend aan/in de nabijheid van de EHS. 'Artikel 7.1.1, derde lid bevat daarom de bepaling dat niet-agrarische ontwikkelingen buiten de EHS mogelijk zijn, mits die geen significante negatieve effecten op de EHS tot gevolg hebben ('ja, mits' principe). Anders dan binnen de EHS beperken de effecten zich waarschijnlijk tot verstoring door betreding of door geluid of licht. Betreding kan relevant zijn als er sprake is van een fundamentele toename van recreanten in een natuurgebied dat door wat betreft het gevoerde beheer minder geëigend is. Dat kan in samenspraak met de beheerder worden beoordeeld. Verstoring door geluid of licht kan relevant zijn in relatie tot bepaalde diersoorten.'
Gelet op het feit dat er geen sprake is van recreatieve ontwikkelingen en dat er geen verwachting bestaat dat de gronden met de EHS status zullen worden betreden door bezoekers van het milieuterrein is er op dat vlak geen effect te verwachten. Verstoring door licht is evenmin relevant omdat het milieuterrein gedurende de avonduren en nachtelijke uren niet in gebruik is. Verstoring door geluid ligt evenmin voor de hand gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek. Het maken van b.v. een stikstofberekening is niet door de provincie aangegeven. Ook de toelichting op de Verordening Romte noemt stikstof niet als een te onderzoeken aspect voor EHS. Daarnaast kan worden opgemerkt dat in het kader van Natura 2000 gebieden waarvoor de stikstofdepositie wettelijk moet worden bepaald, als uitgangspunt wordt gehanteerd dat wanneer het aantal motorvoertuigen onder de grens van 250 motorvoertuigen per etmaal blijft, het uitvoeren van een stikstofberekening met AERIUS (het voorgeschreven rekenprogramma) geen meerwaarde heeft omdat de uitkomst zeker nul is (geen toename). Het programma AERIUS kijkt overigens niet naar NNN-gebieden maar enkel naar Natura2000-gebieden. Een dergelijk onderzoek heeft geen meerwaarde.
Gelet op het gewijzigde Besluit m.e.r. kan nog worden opgemerkt dat de ontwikkeling van het milieuterrein valt onder categorie D18.1, "De oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor de verwijdering van afval, anders dan bedoeld onder D 18.3, D 18.6 of D 18.7". In de plantoelichting (Hoofdstuk 5) wordt verder ingegaan op de vormvrije m.e.r.- beoordeling. Bij de plantoelichting kan worden vastgesteld dat belangrijke negatieve milieueffecten kunnen worden uitgesloten en dat voor het plan geen milieueffectrapportage conform het Besluit m.e.r. nodig is.
Aan de hand van het voorgaande zal in de plantoelichting verder worden beschreven dat er geen sprake is van negatieve effecten zoals bedoeld door de provincie.
Wetterskip Fryslân, reactie d.d. 16 augustus 2017
Samenvatting van de reactie:
Het wetterskip gaat er vanuit dat de compensatie van de toename aan verhard oppervlak alsnog verwerkt wordt in het plan.
Reactie gemeente:
Er is positief overleg met het Wetterskip Fryslân geweest over het deels verbreden van de watergang. Voor het vergraven van een watergang is een watervergunning nodig en bij mechanische graafwerkzaamheden moet een graafmelding worden gedaan. Een graafmelding is niet nodig bij handmatige graafwerkzaamheden of als je ondiepe werkzaamheden uitvoert in eigen grond. In de plantoelichting (paragraaf 4.7 ) wordt hier op ingegaan.
Brandweer Fryslân, brief d.d. 6 september 2017
Samenvatting van de reactie:
Brandweer Fryslân vindt het van belang dat risicovolle bedrijven (Bevi-inrichtingen) worden uitgesloten binnen het plan. Verder wordt geadviseerd om op de bestaande waterleiding aan de zijde langs de Houtdyk een brandkraan aan te brengen.
Reactie gemeente:
Risicovolle bedrijven (Bevi-inrichtingen) sluiten we alsnog uit in de planregels; het advies om bij de realisatie van het milieuterrein een brandkraan aan te brengen nemen we over.
Tennet, Mw. M. ter Maat, mail d.d. 15 augustus 2017
Samenvatting van de reactie:
Tennet heeft met betrekking tot het plangebied geen hoogspanningslijnen in beheer en maakt verder geen opmerkingen.
Reactie gemeente:
De reactie wordt voor kennisgeving aangenomen.
Overeenkomstig de gemeentelijke inspraakverordening is het voorontwerp bestemmingsplan met ingang van 18 augustus 2017 gedurende 6 weken in het kader van de inspraak voor iedereen ter inzage gelegd. De stukken lagen ter inzage bij de centrale balie van het gemeentehuis, Herema State 1 te Joure, het servicepunt Balk (Dubbelstraat 1) en het servicepunt Lemmer (Vissersburen 88).
Daarnaast was informatie over het voorontwerp bestemmingsplan te raadplegen via de gemeentelijke website www.defryskemarren.nl en kon het plan digitaal worden ingezien op www.ruimtelijkeplannen.nl. Van de terinzagelegging van het voorontwerp bestemmingsplan is kennis gegeven in het Gemeenteblad en de Staatscourant. Daarbij is vermeld dat een ieder gedurende de termijn van terinzagelegging schriftelijk of mondeling kon reageren bij burgemeester en wethouders.
Er is één schriftelijke inspraakreactie ontvangen, namelijk van Van Eysinga & Oostra c.s. te Ysbrechtum, namens de familie W.A. Bergsma, Houtdyk 1 te Harich.
Voor een volledige weergave van de inspraakreactie en ons antwoord daarop verwijzen wij naar Bijlage 16. De inspraakreactie heeft geen aanleiding gegeven om aanpassingen in het bestemmingsplan aan te brengen dan wel om de procedure stop te zetten.
Op de voorbereiding van het besluit omtrent de aanpassingen is de in artikel 3.8 Wro geregelde procedure van toepassing, dat wil zeggen dat het ontwerp gedurende zes weken ter inzage dient te liggen, waarbinnen eenieder zijn zienswijze kenbaar heeft kunnen maken.
Vooor een volledige weergave van de zienswijzen en ons antwoord daarop verwijzen wij naar Bijlage 17.
De zienswijzen hebben geen aanleiding gegeven om aanpassingen in het bestemmingsplan aan te brengen.
Op 18 april 2017 is door Brandweer Fryslân een advies uitgebracht omtrent de externe veiligheid. Hieronder volgt een korte samenvatting.
Bestrijding en beperking van rampen en zelfredzaamheid
Onder bestrijdbaarheid van een (dreigende) calamiteit vallen alle maatregelen die invloed hebben op de bestrijdbaarheid van een calamiteit ten gevolge van een risicovolle activiteit.
De zelfredzaamheid heeft betrekking op de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied om zichzelf in veiligheid te brengen (of in veiligheid gebracht te worden). Niet zelfredzame personen binnen een invloedsgebied van een risicobron zijn vanuit hulpverleningsperspectief onwenselijk.
Externe veiligheid
Brandweer Fryslân ziet geen noodzaak om bij dit voornemen opmerkingen te plaatsen in het kader van externe veiligheid.
Repressief advies
Brandweer Fryslân heeft de mogelijkheid een repressief advies te geven in het kader van bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen. In een dergelijk advies komen aspecten aan bod die van belang zijn voor de basisbrandweerzorg. Hierbij valt te denken aan onder meer bereikbaarheid, de beschikbaarheid van bluswater en de opkomsttijden.
Opkomsttijden
Het perceel aan de Houtdyk valt in het uitrukgebied van de brandweerkazerne van Balk. Het eerste standaard brandweervoertuig kan hierdoor binnen gemiddeld 8,5 minuten aanwezig zijn op het adres. Ten aanzien van deze opkomsttijd voorziet Brandweer Fryslân geen aandachtspunten. Er wordt voldaan aan de wettelijke normtijden.
Bereikbaarheid
Het perceel is vanaf de Houtdyk van twee zijden te benaderen. Omdat een inrichtingsschets op dit moment nog ontbreekt is het voor Brandweer Fryslân onbekend of het terrein één of meer toegangen krijgt. Gezien de functie en verwachte verkeersbewegingen wordt dit echter niet direct als knelpunt gezien.
Bluswatervoorzieningen
Om een snelle brandweer inzet te kunnen garanderen valt de brandweer in de praktijk terug op zogenaamde primaire bluswatervoorzieningen, ook wel brandkranen. Een standaard brandweereenheid heeft ongeveer 1.500 liter water aan boord, voldoende voor het bestrijden van een beginnende brand of bijvoorbeeld autobrand. Voor branden van grotere omvang is deze 1.500 liter niet toereikend. Wanneer er geen primaire bluswatervoorzieningen aanwezig zijn zal de eerste eenheid aangewezen zijn op een tweede eenheid om secundair bluswater op te gaan bouwen. Dit kost echter meer tijd waardoor het incident mogelijk niet volledig en snel bestreden kan worden. Daarom adviseert Brandweer Fryslân in de verdere planvorming te voorzien in een brandkraan ter hoogte van het perceel aan de Houtdyk. Op deze manier zijn de mogelijke incidenten (containerbranden etc.) in eerste instantie voldoende afgedekt.