| Plan: | Tussenlanen 39-41 Bergambacht |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | wijzigingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1931.BPW2102BG045-VG01 |
Aan de Tussenlanen 39-41 in het buitengebied van Bergambacht ligt een voormalig agrarisch bedrijf. De initiatiefnemer is voornemens om de in onbruik geraakte agrarische bebouwing te slopen. De karakteristieke woonboerderij aan de voorzijde van het perceel zal worden behouden. Als compensatie voor sloop van de overige bebouwing wordt de mogelijkheid verkregen om een extra woning te bouwen.
De voorgestelde ontwikkeling is middels een wijzigingsregeling mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. In dit plan wordt aangetoond dat het initiatief voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).
Het plangebied is gelegen aan de Tussenlanen 39-41, in het buitengebied van Bergambacht. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.
Globale ligging plangebied (bron: openstreetmap.org)
Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.
In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.
Het plangebied ligt aan de Tussenlanen 39-41 in het buitengebied ten noordoosten van Bergambacht. Aan beide zijden van de Tussenlanen bevinden zich woningen en agrarische bedrijven in verspreide lintbebouwing. Het gebied direct achter het bebouwingslint betreft het open veenweidegebied. Tussen de bebouwing liggen relatief veel onbebouwde percelen. Het landschap in de omgeving bestaat uit smalle percelen grasland met daartussen een stelsel van afwateringssloten die in het verleden zijn aangelegd om het gebied te ontwateren. Onderstaand een luchtfoto van het plangebied met het plangebied rood omkaderd.
Luchtfoto van het plangebied (bron: Google Maps)
Aan de voorzijde van het oostelijke perceel staat een karakteristieke boerderij. Daar aan vast staat een voormalige stal en een schuur. Op het perceel ten westen van de boerderij staan enkele schuren. Tenslotte is er nog veel verharding aanwezig. Het perceel is grotendeels omzoomd door opgaand groen en bomen. Rondom het perceel lopen watergangen van het veenweidegebied.
Zicht op het perceel vanuit het noorden (bron: Verstoep bouwadvies en architectuur)
De initiatiefnemer is voornemens om het grootste deel van de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing te slopen. De woonboerderij aan de voorzijde van het perceel heeft een cultuurhistorische waarde en blijft behouden als woning. De schuur die tegen de boerderij is aangebouwd wordt verkleind door circa 225 m² aan vloeroppervlak van deze schuur te slopen. De overige schuren aan de achterzijde en op het perceel ten westen van de boerderij worden geheel gesloopt. De gezamenlijke oppervlakte van de te slopen gebouwen bedraagt ruim 1.000 m². Ter compensatie van de sloop wordt een extra woning teruggebouwd op de locatie waar nu ook reeds schuren staan, op het perceel ten westen van de woonboerderij.
Onderstaande afbeelding geeft de voorgenomen toekomstige situatie weer.
De nieuwe woning wordt wat naar achteren op het perceel gesitueerd ten opzichte van de bestaande boerderij. In het straatbeeld blijft de cultuurhistorisch waardevolle boerderij daardoor beeldbepalend en is de nieuwe woning minder nadrukkelijke aanwezig. De nieuwe woning ligt in eenzelfde rooilijn als het naastgelegen (niet-karakteristieke) pand en de opstallen die nu gesloopt worden. Door de sloop worden de doorzichten op het perceel versterkt.
De nieuwe woning wordt uitgevoerd in één bouwlaag met kap. Er wordt gebruik gemaakt van traditionele, natuurlijke materialen als baksteen, hout, zink en gebakken pannen. De gevels van bijbehorende bouwwerken worden voorzien van potdekseldelen.
Impressie van de nieuwe woning (ontwerp: Verstoep bouwadvies en architectuur)
Impressie van de achterzijde van de nieuwe woning (ontwerp: Verstoep bouwadvies en architectuur)
Landschappelijke inpassing
De bomen op het perceel blijven behouden. Dit geldt zowel voor de bomen aan de voorzijde van het perceel als langs de slootranden. Door de sloop van de gebouwen worden de doorzichten versterkt. Aan de oostzijde ligt een bestaand kavelpad. Deze blijft in stand om het achtergelegen agrarisch perceel te kunnen bereiken. Dit is ook het ontsluitingspad voor de nieuwe woning.
Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)
Gebiedsgericht
De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.
In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.
In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.
Ladder duurzame verstedelijking
Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).
De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."
Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.
Planspecifiek
Gebiedsgericht
Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Er zijn geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.
Ladder duurzame verstedelijking
Voorliggend initiatief omvat de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van één nieuwe woning (één woning is reeds planologisch toegestaan). Uit jurisprudentie blijkt dat er bij minder dan 12 nieuwe woningen geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking is niet nodig.
Het rijksbeleid staat uitvoering van dit plan niet in de weg.
Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland
Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Deze zijn op 01-04-2019 in werking getreden. Met het samenvoegen van verschillende beleidsplannen c.q. verordeningen sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Onder meer de Visie ruimte en mobiliteit en de Verordening ruimte zijn in het Omgevingsbeleid opgegaan.
Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).
Beleid voor ruimtelijke kwaliteit
De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking
van de ruimtelijke kwaliteit, zoals benoemd op de kwaliteitskaart en uitgewerkt in richtpunten. De
kwaliteitskaart toont in vier lagen de gebiedskenmerken en kwaliteiten die de provincie belangrijk
vindt. De vier lagen zijn samengevat in één kaartbeeld; de integrale kwaliteitskaart. De vier lagen zijn:
Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied.
Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van
belang. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact is. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
(bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland, 2019)
Planspecifiek
Regels voor ruimtelijke kwaliteit
Op basis van de Kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland behorende bij de Omgevingsvisie zijn twee landschapstypen relevant voor het plangebied. Dit zijn het veen(weide)landschap en de linten.
De structuur van het veenweidegebied wordt bepaald door de rivieren en de parallel aan de rivieren aangelegde tiendwegen, kades en weteringen. Hierdoor is een landschap ontstaan met lange rechte lijnen en lange smalle kavels. Voor dit landschapstype worden de volgende richtpunten beschreven:
Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Voor de linten worden de volgende richtpunten beschreven:
Met voorliggend plan wordt voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesaneerd en daarvoor in de plaats wordt één nieuwe woning gebouwd. De woning wordt gebouwd ter plaatse van de te slopen bedrijfsbebouwing op het westelijke perceel waardoor de bebouwing geclusterd blijft op dezelfde locatie en de overige gronden rond de woningen open blijft. Dit pas in het bestaande landschapsbeeld. Met de voorgenomen ontwikkeling blijven de landschappelijke kwaliteiten van het veenweidelandschap en de linten behouden.
De fusiegemeente Krimpenerwaard, ontstaan op 1 januari 2015, heeft geen eigen structuurvisie. De voormalige gemeente Bergambacht heeft in 2008 de structuurvisie 'Beleef Bergambacht' gepubliceerd. Deze structuurvisie is van rechtswege komen te vervallen, de inhoud en het gedachtegoed van de visie leven echter nog voort. De ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Bergambacht wordt grotendeels gevormd door de cultuurhistorische waarde van de historische lintbebouwing en het slagenlandschap in het buitengebied. Het is daarom van belang dat deze cultuurhistorische waarden behouden blijven en beschermd worden en dat de transparantie van het lint door de doorzichten naar het open landschap zoveel mogelijk worden behouden. Nieuwe bebouwing en functies moeten passen in deze karakteristiek.
Planspecifiek
Onderhavig initiatief betreft het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing en het daarvoor in de plaats bouwen van één woning. De woning wordt zo gepositioneerd dat de nieuwe woning visueel ondergeschikt is aan de huidige woonboerderij op het naastgelegen perceel dat reeds onderdeel uitmaakt van het agrarisch erf. De woning wordt gesitueerd op de plek van voormalige agrarische opstallen. De structuur van losse lintbebouwing en onbebouwde percelen ertussen met doorzichten naar het achterliggende open landschap blijft behouden.
De gemeente Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de 'Nota Ruimtelijke kwaliteit' vastgesteld. Doel van de Nota is het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist te harmoniseren en dereguleren met behoud van kwaliteit. Bij de Nota Ruimtelijke kwaliteit horen twee kaarten; de niveaukaart en de gebiedenkaart. Op de niveaukaart is aangegeven wat het minimale toelatingsniveau is om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Op de gebiedenkaart zijn de gebieden weergegeven die zich onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën.
Planspecifiek
Op onderstaande afbeeldingen zijn een uitsnede van de niveaukaart en de gebiedenkaart weergegeven. Het plangebied is rood omcirkeld.
Uitsnede Gebiedenkaart Uitsnede Niveaukaart
Het plangebied heeft ter plaatse van de bebouwing de aanduidingen 'bijzonder' en 'polderlint'. Tussenlanen is één van de bebouwingslinten in het buitengebied waar een bijzonder welstandsniveau geldt. In deze gebieden gelden extra criteria die aansturen op een zorgvuldige inpassing van bouwplannen. Inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit zijn hier gewenst. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld.
Op de Gebiedenkaart ligt het plangebied in de 'polderlinten'. De polderlinten hebben een bijzonder welstandsniveau. De waarde is in ieder geval gelegen in het goed behouden historische karakter met als basis de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lintbebouwing. De verkaveling met dicht op elkaar gelegen sloten leidt tot langwerpige kavels met tussen de kavels doorzichten op het achterland. Het uitgangspunt is dat bouwplannen een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren.
Voorliggend plan omvat de sloop van agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van één nieuwe woning. Hiermee neemt de hoeveelheid bebouwing af en verbetert de ruimtelijke kwaliteit. Door de situering van de nieuwe woning op de plek van de te slopen bebouwing blijft de lintstructuur in stand. Doordat de nieuwbouw op wel op enige afstand van de karakteristieke woonboerderij wordt geplaatst, gaat deze niet conflicteren met dit cultuurhistorisch waardevolle pand. Het plan levert een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit. Bij uitwerking van het bouwplan zal rekening worden gehouden met bovenstaande welstandeisen.
Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Buitengebied 2011", vastgesteld op 25 juni 2013. Het plangebied heeft de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden', de bouwaanduiding 'karakteristiek', de gebiedsaanduidingen 'milieuzone - grondwaterbeschermingsgebied' en 'ruwvoederteelt' en de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 2' en 'Waarde - Archeologie 5'. Tevens geldt in het plangebied het 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', vastgesteld op 29 januari 2019.
Uitsnede bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De nieuwe woning kan worden gerealiseerd op basis van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.7.3. die het mogelijk maakt om bij sloop van 1.000 m² één woning terug te bouwen. Deze wijzigingsbevoegdheid vormt de basis voor dit plan.
De aanduiding 'karakteristiek' ligt over het gehele bouwvlak en houdt in dat ter plaatse van deze aanduiding de gronden tevens bestemd zijn voor behoud van de cultuurhistorisch waardevolle bebouwing. Artikel 35.1.5 bevat een wijzigingsbepaling waarmee de aanduiding 'karakteristiek' kan worden geschrapt. Van deze bepaling wordt hier gebruik gemaakt om de sloop van de voormalige agrarische opstallen mogelijk te maken.
Hieronder zijn de wijzigingsregelingen in zijn volledigheid opgenomen, waarna is aangegeven op welke wijze dit plan passend is binnen de gestelde voorwaarden.
Haalbaarheid van het wijzigingsplan
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen, indien de wijziging betrekking heeft op het bouwen van een extra woning in combinatie met een wijziging van de bestemming in Wonen bedoeld in lid 3.7.2, bij sanering van voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing, indien er sprake is van een volledige sanering van:
waarbij:
Toetsing aan de wijzigingsbevoegdheid
In het kader van het wijzigen van de bestemming van het perceel is getoetst aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid.
a en 1) In onderhavig plan wordt 1.000,8 m² aan voormalige (agrarische) bedrijfsbebouwing -geen kassen zijnde- gesloopt, waarmee wordt voldaan wordt aan de sloopeis voor een nieuwe woning.
2) Het bestemmingsvlak 'Wonen' beslaat 3.000 m². De regels van de bestemming 'Wonen' zijn van toepassing, waarin is opgenomen dat de inhoud van een woning niet meer dan 700 m³ mag bedragen en de gezamenlijke oppervlakte van bijgebouwen niet meer dan 50 m².
3) Op het hoofdperceel wordt voldoende bebouwing gesloopt. Tevens wordt aan de gestelde voorwaarden voldaan:
Burgemeester en wethouders zijn met betrekking tot het bepaalde in lid 35.1.2, bevoegd het plan te wijzigen indien de wijziging betrekking heeft op het wijzigen van de verbeelding, waarbij de aanduiding “karakteristiek” mag worden toegevoegd en mag worden geschrapt, indien dit op basis van nadere inventarisatie gewenst is; alvorens toepassing te geven aan deze bepaling winnen burgemeester en wethouders advies in bij de gemeentelijke monumentencommissie.
Toetsing aan de wijzigingsbevoegdheid
De aanduiding 'karakteristiek' ligt over het gehele bouwvlak. Er heeft een bouwhistorisch onderzoek plaatsgevonden naar de cultuurhistorische waarden van de boerderij en de bijgebouwen. Het voorhuis van de boerderij heeft (op onderdelen) een hoge waarde. Deze blijft ook in stand. Bescherming van de overige bijgebouwen wordt niet nodig geacht. In paragraaf 4.5 wordt hier nader op ingegaan.
Conclusie
Het initiatief voldoet daarmee aan de gestelde voorwaarden behorende bij de wijzigingsregelingen uit artikel '3.7.3.' en '35.1.5' om een deel van de bebouwing te slopen en een extra woning te mogen realiseren op het perceel, zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Er is geen sprake van aantasting van de karakteristieke of cultuurhistorische waarden van deze plek na uitvoering van het initiatief. Het college kan door middel van dit wijzigingsplan de bestemming wijzigen.
De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.
Planspecifiek
Voorliggend initiatief omvat de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van één nieuwe woning. Voor deze ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 1. Uit het uitgevoerde bodemonderzoek blijkt dat de bodem geschikt is voor de beoogde functie wonen en er geen milieutechnische belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanherziening.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.
De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.
Luchtkwaliteit ter plaatse
In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5(fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.
Bijdrage aan luchtkwaliteit
In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).
Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.
Planspecifiek
Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief
Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15826243 (aan de Tussenlanen ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:
| NO2 (stikstofdioxide) |
PM10
(fijnstof) |
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof) | |
| Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2020 (µg/m3) | 16,2 µg/m3 | 17,8 µg/m3 | 10,9 µg/m3 |
| Grenswaarde concentratie (µg/m3) | 40 µg/m3 | 40 µg/m3 | 25 µg/m3 |
De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.
Bijdrage initiatief
Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (slopen van agrarische bedrijfsbebouwing en realiseren van één woning) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.
De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.
Planspecifiek
De nieuwe woningen komen te liggen binnen de geluidzone van de Tussenlanen. Om te onderzoeken of de geluidbelasting van wegverkeer op de nieuwe woningen voldoet aan de eisen van de Wgh is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 2. In het onderzoek is opgenomen dat wanneer de woning op minimaal 32,5 m afstand tot de wegas van de Tussenlanen wordt gerealiseerd er wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Op de verbeelding van voorliggend plan ligt het bouwvlak voor de nieuwe woning op 32,5 meter van de wegas, zodat hier aan wordt voldaan. Er is geen hogere waarde nodig.
Er is sprake is van een goed woon- en leefklimaat.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.
Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:
| geurgevoelig object gelegen in: | maximaal toegestane geurbelasting (odour units per m3 lucht) |
| concentratiegebied binnen bebouwde kom | 3,0 ouE/m3 |
| concentratiegebied buiten bebouwde kom | 14,0 ouE/m³ |
| niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom | 2,0 ouE/m3 |
| niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom | 8,0 ouE/m3 |
Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:
Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.
De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.
De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.
De gemeente Krimpenerwaard heeft een eigen geurbeleid, vastgesteld in de Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017. Hierin zijn de afstandsnormen voor dieren zonder geuremissiefactor gehalveerd, waarbij sprake is van een eenzijdige werking. Dat betekent dat bij het oprichten, uitbreiden of veranderen van een veehouderij buiten de bebouwde kom een afstand van 25 meter wordt gehanteerd tussen de dichtstbijzijnde gevel van de stal en het geurgevoelige object. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 50 meter. Woningen in het buitengebied dienen wel op 50 meter afstand te blijven.
Planspecifiek
Met voorliggend plan wordt een agrarisch bedrijf gesaneerd. Dit betekent een vermindering van de geurbelasting ter plaatse. In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven gevestigd. Het dichtstbijzijnde bedrijf ligt direct ten noorden van het plangebied, aan de Tussenlanen 22a. Dit betreft een melkveebedrijf. Voor de nieuwe woning geldt dat een afstand van 50 m moet worden aangehouden tot een melkveebedrijf. Aangezien de afstand tussen het bedrijf en het nieuwe woonperceel minimaal 52 meter bedraagt, wordt aan de geëiste afstand voldaan. Omgekeerd leidt de bouw van de woning niet tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van het agrarische bedrijf, er wordt voldaan aan de minimale afstand van 50 m.
Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.
Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.
De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.
Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.
Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.
Planspecifiek
In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven gesitueerd. Het aspect geur is reeds in paragraaf 4.1.4 behandeld. Voor de aspecten stof en geluid geldt op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' een maximale richtafstand van 50 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Verder liggen er in de directe omgeving geen bedrijven op een kortere afstand die van invloed zijn op het plan. Met voorliggend plan is sprake van een goed woon- en leefklimaat voor de nieuw te bouwen woningen. Daarnaast worden met de ontwikkeling geen bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.
Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.
De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.
De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.
Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.
Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.
Planspecifiek
Voorliggend initiatief omvat de sloop van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van één nieuwe woning. Daarmee wordt één extra kwetsbaar object toegevoegd binnen het plangebied. Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.
Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)
Uit de uitsnede van de risicokaart is op te maken dat binnen het plangebied en in de omgeving op enkele locaties propaan is opgeslagen. In de huidige situatie is er naast het bijgebouw op het westelijke perceel een bovengrondse propaantank aanwezig. De tank heeft een inhoud van 3000 liter. De plaatsgebonden risicocontour bedraagt 10 meter.
De gastank wordt verplaatst naar het perceel van de boerderij, zoals op onderstaande tekening met de rode cirkel is aangegeven. De afstand tussen de propaantank en (het bouwvlak van) de nieuwe woning bedraagt ruim 20 meter, waarmee voldaan wordt aan de minimaal aan te houden afstand.
Nieuwe locatie van de te verplaatsen propaantank
Op circa 490 meter afstand van het plangebied ligt de N210 waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. De woning ligt niet binnen het invloedsgebied van deze weg.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.
Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.
Waterbeleid voor de 21e eeuw
De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
Waterwet
De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.
Nationaal Waterplan
Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
Waterbeheerplan HHSK 2016-2021
Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder HHSK) is vastgelegd in het waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, peilbesluiten en de leggers. In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK houdt het land veilig en bewoonbaar, nu en in de toekomst, en draagt bij aan de leefbaarheid van het gebied. Het beheer en onderhoud zijn gericht op het vergroten van de toekomstbestendigheid van het (afval)watersysteem. Bij grote investeringen in nieuwe infrastructuur en de aanleg van woon- of werkgebieden, denkt het Hoogheemraadschap actief mee met initiatiefnemers over de mogelijke gevolgen van hun plannen voor overstromingsrisico's, wateroverlast, de waterkwaliteit en de afvalwaterketen.
Watertoets
De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:
Planspecifiek
Voorliggend plan betreft het saneren van voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van één woning met een bijgebouw. De hoeveelheid verhard oppervlak neemt hiermee sterk af. Er zijn derhalve geen waterhuishoudkundige belangen in het geding. Het Hoogheemraadschap heeft aangegeven te kunnen instemmen met het plan.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.
Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.
Gebiedsbescherming
In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.
Soortenbescherming
Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.
Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek
In het kader van voorliggende ontwikkeling is een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 3. De conclusies uit het onderzoek zijn:
Gebiedsbescherming
De planlocatie maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied of beschermd natuurmonument. De planlocatie is gelegen op een afstand van ruim 6 km van de Natura 2000-gebieden Donkse Laagte en Lekuiterwaarden. Het meest nabij gelegen NNN-gebied betreffen de Buitenlanden Ammerstol op 1420 meter.
Gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling en de afstand tot beschermd gebied worden geen effecten verwacht op deze gebieden. Ook een effect op stikstofgevoelige natuur is niet te verwachten.
Soortenbescherming
In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het initiatief geen negatieve effecten heeft voor beschermde soorten flora en fauna. Er hoeven geen ontheffingen te worden aangevraagd en er is geen specialistisch vervolgonderzoek noodzakelijk, mits aan een aantal mitigerende en compenserende voorwaarden tijdens de uitvoering van de werkzaamheden wordt voldaan:
Daarnaast dient te allen tijde de Algemene zorgplicht voor flora en fauna in acht te worden genomen. Het volledige Ecologische werkprotocol voor de uitvoering van werkzaamheden is opgenomen in bijlage 4.
De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.
Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Voorliggend initiatief betreft het slopen van agrarische bedrijfsbebouwing en de bouw van één nieuwe woning. De bestaande woonboerderij blijft behouden op het perceel. Door de beëindiging van het agrarische bedrijf neemt vooral het aantal verkeersbewegingen van zwaar vrachtverkeer af. De nieuwe woning wordt ontsloten via de Tussenlanen via een eigen inrit. Hiervoor kan gebruik worden gemaakt van de bestaande toegang tot het perceel.
In het plangebied geldt het 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', waarbij de gemiddelde parkeerkencijfers van de CROW publicatie 'toekomstbestendig parkeren' als norm worden gehanteerd. Voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied (in een weinig stedelijk gebied) is de minimale parkeernorm 2,4 parkeerplaatsen per woning. In het plangebied is bij zowel de nieuwe als de bestaande woning voldoende ruimte om op eigen terrein minimaal 3 auto's te parkeren. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.
In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.
Cultuurhistorie
Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.
Archeologie
De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.
Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.
Planspecifiek
Cultuurhistorie
Het plangebied ligt in een cultuurhistorisch waardevol veenweidegebied en bebouwingslint. In het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' is het gehele perceel aangeduid als 'karakteristiek'. Om te beoordelen of de voormalige bedrijfsgebouwen gesloopt mogen worden heeft er een bouwhistorische verkenning plaatsgevonden voor alle bouwwerken op het perceel. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 5.
Uit het onderzoek blijkt dat met het voorhuis van de boerderij een aantal authentieke onderdelen bevat met een hoge cultuurhistorische waarde: dit zijn net name de voorgevel, de T-vormige plattegrond, de kapconstructie, de kelder en het dak. Het achterhuis is van latere datum en heeft an sich geen cultuurhistorische waarde. Het is echter wel onderdeel van een gebouw dat zijn cultuurhistorische waarde deels aan de T-vorm te danken heeft. Om de herkenbaarheid van de T-vorm te waarborgen wordt voorgesteld om een deel van het achterhuis (minimaal 50%) te behouden. Met voorliggend plan wordt hier aan voldaan.
De overige bijgebouwen op het erf zijn van recentere datum en ondersteunen het agrarisch cultuurlandschap onvoldoende om bescherming te rechtvaardigen. Er is derhalve geen bezwaar voor sloop.
Door de nieuwe woning op het westelijk perceel te situeren, blijft de verkavelingsstructuur met zijn afwateringssloten in tact. De cultuurhistorische waarden van het veenweidelandschap en de linten blijven behouden.
Archeologie
Onderstaand is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard weergegeven. Hierop is te zien dat het plangebied voornamelijk 'Waarde Archeologie 3' heeft en een heel klein deel aan de zuidelijke rand 'Waarde Archeologie 5'. Ter plaatse van de bebouwing geldt de aanduiding 'Waarde Archeologie 3'. Dit is een hoge archeologische verwachtingswaarde met een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld.
Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Krimpenerwaard
In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 6. In het onderzoeksrapport is opgenomen dat de locatie waar de nieuwbouw is voorzien vrij gegeven kan worden voor de voorgenomen ontwikkeling ten aanzien van de archeologische verwachting. Uit het onderzoek blijkt dat de bodem reeds is verstoord, o.a. door de aanwezigheid van een schuur en een mestkelder van 2 meter diep. Aanvullend is geadviseerd om een gedeelte van het perceel in het noordwesten (zie navolgende figuur) graafwerkzaamheden dieper dan 50 cm -mv te vermijden. In dit gedeelte van het plangebied zijn geen grondroerende werkzaamheden voorzien. Om deze archeologische waarden te beschermen zal de dubbelbestemming voor Archeologie blijven gelden voor het gehele plangebied.
Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.
Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
Planspecifiek
De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.
Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.
Het wijzigingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).
Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.
Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.
Verbeelding
De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.
Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.
Regels
De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.
Bij dit wijzigingsplan is geen eigen set regels opgenomen, maar wordt verwezen naar de regels van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2011' met identificatienummer NL.IMRO.0491.BP1030BG011-vg01. Voorliggend wijzigingsplan bevat de volgende bestemmingen en bijzonderheden:
Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.
Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.
Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.
Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door het college wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Dit plan is in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de provincie en aan het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard. Beide instanties hebben aangegeven met het plan te kunnen instemmen.
De initiatiefnemer heeft zijn buren op de hoogte gesteld van het plan.
Het ontwerpwijzigingsplan heeft van 16 maart tot en met 26 april 2022 voor een ieder ter inzage gelegen. Er zijn geen zienswijzen ingediend.