direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Beijerscheweg 2 Stolwijk
Status: vastgesteld
Plantype: wijzigingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Aan de Beijerscheweg 2 in het buitengebied van Stolwijk ligt een voormalig agrarisch bedrijf. De initiatiefnemer is voornemens om de in onbruik geraakte agrarische bebouwing te slopen en zijn aannemersbedrijf, gespecialiseerd in grond-, straat- en rioleringswerkzaamheden op het perceel te vestigen. Daarvoor is een wijziging van de bestemming nodig. De nieuwe bedrijfsbebouwing bestaat uit een bedrijfsgebouw met een kantoor aan de voorzijde en een opslagruimte aan de achterzijde. De bestaande bedrijfswoning wordt gesloopt en vervangen door een nieuwe bedrijfswoning.

De voorgestelde ontwikkeling is middels een wijzigingsregeling mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. In dit plan wordt aangetoond dat het initiatief voldoet aan de wijzigingsvoorwaarden en waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Beijerscheweg 2 in het buitengebied van Stolwijk in de gemeente Krimpenerwaard. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0002.png"

Globale ligging plangebied (bron: openstreetmap.org)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

De bestemmingsregeling van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' van de gemeente Krimpenerwaard is voor voorliggend wijzigingsplan van toepassing.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied is gelegen aan de Beijerscheweg 2 in het buitengebied tussen de kern Stolwijk en de stad Gouda. In de directe omgeving bevinden zich woningen, (agrarische) bedrijven en natuur. Direct ten oosten van het plangebied loopt de provinciale weg N207. Het gebied direct achter het bebouwingslint betreft het open veenweidegebied. Het landschap in de omgeving bestaat uit smalle percelen grasland met daartussen een stelsel van afwateringssloten die in het verleden zijn aangelegd om het gebied te ontwateren. Onderstaand een luchtfoto van het plangebied met het plangebied rood omkaderd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0003.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: Google Maps)

De aanwezige bebouwing op het perceel is sterk verouderd en verkeert in slechte bouwkundige staat. De gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen (inclusief de bedrijfswoning) bedraagt circa 725 m². De buitenruimte wordt grotendeels gebruikt voor buitenopslag. Navolgende afbeeldingen geven de huidige situatie weer van de aanwezige schuren, bedrijfswoning en omliggende buitenruimte.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0004.png"

Vooraanzicht van het perceel gezien vanuit de Beijerscheweg. Bron: Verstoep bouwadvies, architectuur en ontwikkeling

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0005.png"

Huidige situatie op het perceel, een deel van de buitenopslag is reeds verwijderd. Bron: Verstoep bouwadvies, architectuur en ontwikkeling

Het perceel is geheel omzoomd door opgaand groen en bomen. Het terrein is te bereiken via een brug die aansluit op de Beijerscheweg. Rondom het perceel lopen watergangen van het veenweidegebied.

2.2 Toekomstige situatie

De nieuwe eigenaar en tevens initiatiefnemer heeft het perceel recent aangekocht om hier zijn aannemersbedrijf voort te zetten. Momenteel is zijn bedrijf gevestigd op een andere locatie aan de Beijerscheweg en huurt hij een opslagruimte naast dat perceel voor opslag van materieel.

Het aannemersbedrijf verricht grond-, straat- en rioleringswerken, De werkzaamheden worden bij klanten op locatie verricht, niet op het eigen bedrijfsperceel. De werkzaamheden die wel op het bedrijfsperceel plaatsvinden betreffen met name de stalling van materieel. Daarnaast zijn er kantoor- en vergaderruimtes gepland.

Het voornemen is om de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing geheel te slopen en de buitenopslag te verwijderen. Het nieuwe bedrijfsgebouw bestaat uit een kantoor en een opslag-/stallingsruimte en wordt op het noordoostelijke deel van het perceel gerealiseerd. Aan de voorzijde is ruimte om te parkeren op eigen terrein. De bedrijfswoning met bijgebouw wordt gerealiseerd aan de zuidwestzijde van het perceel. Achter het perceel ligt een stuk weiland dat als schapenwei in gebruik zal blijven. Hier komt een schuilgelegenheid voor de schapen. Het oppervlak van de bedrijfsbestemming komt overeen met het agrarisch bouwvlak.

De nieuwe bedrijfsbebouwing wordt zorgvuldig landschappelijk ingepast en zodanig georiënteerd dat het slagenlandschap wordt gevolgd. De bedrijfsbebouwing krijgt een vriendelijke en passende uitstraling met zwarte potdekseldelen. Het bestaande groen op en rond het perceel blijft zo veel mogelijk behouden en zal worden aangevuld met streekeigen beplanting.

Onderstaande afbeelding geeft de voorgenomen toekomstige situatie weer.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0006.png"

Inrichtingsschets van de toekomstige situatie (bron: Verstoep bouwadvies en architectuur)

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0007.png"

Aanzicht perceel van de toekomstige situatie (bron: Verstoep bouwadvies en architectuur)

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Ladder duurzame verstedelijking

Een meer algemeen onderwerp uit de SVIR is 'duurzame verstedelijking'. Via de 'ladder voor duurzame verstedelijking' wordt een zorgvuldige afweging en besluitvorming geborgd bij ruimtelijke vraagstukken in stedelijk gebied. Het gebruik van deze ladder is opgenomen in het Bro (artikel 3.1.6 onder 2).

De ladder richt zich op nieuwe stedelijke ontwikkelingen. In de toelichting van een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, dient de behoefte aan die ontwikkeling te worden beschreven. Als de ontwikkeling buiten het bestaand stedelijk gebied plaatsvindt, moet bovendien gemotiveerd worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.

Het Bro beschrijft wat een stedelijke ontwikkeling is: "een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen." Onder 'bestaand stedelijk gebied' wordt het volgende verstaan: "bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur."

Per 01 juli 2017 is de ladder voor duurzame verstedelijking herzien. Bij de herziening zijn onder meer de drie afzonderlijke 'treden' van de ladder losgelaten en is het begrip 'actuele regionale behoefte' gewijzigd in 'behoefte'. Nieuw is dat de laddertoets bij flexibele plannen kan worden doorgeschoven naar het moment van vaststelling van een wijzigings- of uitwerkingsplan.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro. Er zijn geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

 

Ladder duurzame verstedelijking

Voorliggend initiatief betreft de bestemmingswijziging van een agrarisch bedrijf naar aannemersbedrijf. Hieronder wordt het plan onderbouwd aan de hand van de ladder voor duurzame verstedelijking.

Doorlopen Ladder duurzame verstedelijking

  • 1. Is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling?

Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in

relatie tot de omgeving. Uit jurisprudentie blijkt dat wanneer een bestemmingsplan voorziet in een stedelijke ontwikkeling in de vorm van een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte kleiner dan 500 m² er geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling.

Voorliggend plan voorziet in de vestiging van een aannemersbedrijf in grond-, straat- en rioleringswerk op de locatie van een voormalig agrarisch bedrijf. Een aannemersbedrijf is geen bedrijf dat aan het buitengebied gebonden is. De oppervlakte aan bedrijfsbebouwing neemt niet toe ten opzichte van de huidige situatie, maar de nieuwe functie beslaat wel meer dan 500 m². Daarmee is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. aan bedrijfs

  • 2. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?

Het aannemersbedrijf heeft op de huidige locatie te weinig ruimte voor uitvoering van de bedrijfsactiviteiten. Voor een duurzame en toekomstbestendige bedrijfsvoering is een verplaatsing van het bedrijf noodzakelijk. Het aannemersbedrijf is vooral lokaal werkzaam en zoekt daarom een locatie in de directe omgeving.

Vanuit de gemeente is het beleid erop gericht om de linten, zoals de Beijerscheweg, hun levendige en sociaal-economische functie te laten behouden. Het gemeentelijk beleid maakt de vestiging van nieuwe functies mogelijk ter plaatse van voormalige agrarische bedrijven. Voorliggende locatie is heel geschikt voor de vestiging van een andersoortig bedrijf, temeer daar een andere optie voor herontwikkeling moeilijk te vinden is. De locatie ligt op korte afstand van de provinciale weg N207. Het realiseren van een nieuwe woning, middels de ruimte-voor-ruimteregeling, is lastig vanwege de geluidscontour van de provinciale weg. In voorliggend initiatief zijn bedrijfswoning en bedrijfsgebouw om die reden ook omgedraaid: de positionering van het bedrijfsgebouw tussen de weg en de bedrijfswoning heeft een geluiddempende werking op het wegverkeerslawaai. Het woon- en leefklimaat van de (planologisch bestaande) woning verbetert daardoor.

Ruimtelijk gezien is er sprake van een grote kwaliteitsverbetering door de sloop van de slecht onderhouden gebouwen en het opruimen van de grootschalige buitenopslag. De nieuwe bedrijfsbebouwing en de bedrijfswoning worden zorgvuldig landschappelijk ingepast met streekeigen beplanting en zodanig georiënteerd dat het perceel een vriendelijke en passende uitstraling krijgt bij het omliggende slagenlandschap. Per saldo neemt de hoeveelheid bebouwing op de locatie af.

3. Kan binnen bestaand stedelijk gebied in de behoefte worden voorzien?

Binnen de gemeente Krimpenerwaard is geen ruimte beschikbaar op lokale bedrijventerreinen. Het bedrijf opereert uitsluitend lokaal. Uitwijken naar de regionale bedrijventerreinen in de omgeving past niet bij de bedrijfsvoering en evenmin bij de kenmerken van een regionaal bedrijventerrein.

Conclusie

Er is sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, omdat het plan voorziet in het realiseren van een gebouw voor een niet-agrarisch bedrijf met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m². Om de bedrijfsvoering toekomstigbestendig te kunnen voortzetten is verplaatsing van het bedrijf wel noodzakelijk. De ruimtelijke kwaliteit van het perceel aan de Beijerscheweg zal met het realiseren van het initiatief sterk verbeteren. De komst van een nieuwe economische functie in het lint past binnen het gemeentelijke beleid. Op grond van bovenstaande onderbouwing voldoet het plan aan de eisen voor duurzame verstedelijking.
 
Het rijksbeleid staat uitvoering van dit plan niet in de weg.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Deze zijn op 01-04-2019 in werking getreden. Met het samenvoegen van verschillende beleidsplannen c.q. verordeningen sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Onder meer de Visie ruimte en mobiliteit en de Verordening ruimte zijn in het Omgevingsbeleid opgegaan.

Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).

Beleid voor ruimtelijke kwaliteit

De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking

van de ruimtelijke kwaliteit, zoals benoemd op de kwaliteitskaart en uitgewerkt in richtpunten. De

kwaliteitskaart toont in vier lagen de gebiedskenmerken en kwaliteiten die de provincie belangrijk

vindt. De vier lagen zijn samengevat in één kaartbeeld; de integrale kwaliteitskaart. De vier lagen zijn:

  • laag van de ondergrond
  • laag van de cultuur- en natuurlandschappen
  • laag van de stedelijke occupatie
  • laag van de beleving

Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van

belang. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact is. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0008.png"

(bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland, 2019)

Regels voor ruimtelijke kwaliteit

Op basis van de Kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland behorende bij de Omgevingsvisie zijn twee landschapstypen relevant voor het plangebied. Dit zijn het veen(weide)landschap en de linten.

De structuur van het veenweidegebied wordt bepaald door de rivieren en de parallel aan de rivieren aangelegde tiendwegen, kades en weteringen. Hierdoor is een landschap ontstaan met lange rechte lijnen en lange smalle kavels. Voor dit landschapstype worden de volgende richtpunten beschreven:

  • Behoud van het veenlandschap door het afremmen van bodemdaling.
  • Behoud van het contrast tussen (meer verdichte) oeverwallen langs de rivieren en de linten in het gebied en het uitgestrekte, ingeklonken veen.
  • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen, waarbij lengtesloten als beeldbepalend worden beschouwd.
  • Behoud van de veenstroom, dijk en kade als herkenbare landschappelijke structuurdrager van het veen(weide)landschap en begrenzing van poldereenheden.
  • Het gebruik is zoveel mogelijk gericht op behoud van de karakteristieken (maat van de poldereenheden, verkavelingspatroon, beplanting, kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems).
  • Ontwikkelingen zijn gericht op een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoren tot de mogelijkheid.


Linten zijn lineaire, aangesloten bebouwing langs wegen, waterwegen of dijken met een sterke relatie met het omliggende landschap. Ze bepalen mede de kenmerken van het landschap en zijn daarvan niet los te zien. Voor het landschapstype linten worden de volgende richtpunten beschreven:

  • Linten blijven linten als onderscheidende bebouwingsvorm in het gebied.
  • Linten behouden hun lineaire karakter, waarbij de achterzijde van de bebouwing een direct contact met het landschap heeft en de voorzijde aan de openbare weg of waterloop grenst.
  • Bij nieuwe ontwikkelingen zijn de huidige korrel, profiel, transparantie en respect voor historische gaafheid van een lint richtinggevend.
  • Bij grootschalige ontwikkelingen blijft het lint herkenbaar als bebouwingsvorm. Dit betekent dat op gepaste afstand van het lint gebouwd wordt, waarbij het landschap, het lint en de nieuwe ontwikkeling bepalend zijn voor deze afstand. Het lint behoudt zijn eigen gezicht.

Kroonjuweel cultureel erfgoed

Het middengebied van de Krimpenerwaard aangemerkt als een cultuurhistorisch kroonjuweel: een uniek, zeer karakteristiek en gaaf erfgoedensemble van het Zuid-Hollands landschap. De cope-verkaveling en het fijnmazige watersysteem zijn nog grotendeels intact en bepalend voor de maat van de openheid, het regelmatige landschapspatroon en de oost-west georiënteerde nederzettingsstructuur. Voor kroonjuwelen geldt dat cultuurhistorie hier dé drager van ruimtelijke ontwikkeling is. Uitgangspunt is om bij toekomstige ontwikkelingen: zowel de structuur alsook van fysieke elementen (gebouwen, waterlopen, kades, e.d.) te behouden en versterken van door het herkenbaar houden van de ruimtelijke kenmerken hiervan (verkavelingspatroon, openheid, bebouwingsstructuur, profiel van kades, wegen en waterlopen).

Planspecifiek

Met voorliggend plan worden de voormalige agrarische bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning vernieuwd. De huidige bebouwing is sterk verouderd, verkeert in slechte bouwkundige staat en is gelegen op een rommelig erf, waardoor vernieuwing de enige optie is. De bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning worden gebouwd ter plaatse van de te slopen bebouwing. Daarmee wordt voldaan aan de richtpunten die horen bij het bouwen in het landschapstype van de linten: de woning blijft vooraan op het perceel gepositioneerd aan de weg, de bijgebouwen en bedrijfsbebouwing staan achter de woning. Het bouwperceel wordt niet vergroot. De bebouwing is geclusterd op het perceel en de bebouwing past qua maat en schaal in het lint en in het beeld van een boerderijerf. De verkavelingsstructuur en het watersysteem blijven ongewijzigd. Het plan past goed in het cultuurhistorisch waardevolle patroon van het kroonjuweel Middengebied Krimpenerwaard

Geconcludeerd wordt dat met de voorgenomen ontwikkeling de cultuurhistorische en landschappelijke kwaliteiten van het veenweidelandschap en de linten behouden blijft.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Vlist 2020

Met deze structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente (i.c. de voormalige gemeente Vlist) op hoofdlijnen weergegeven. Het is daarmee het ruimtelijk afwegingskader voor nieuwe initiatieven. Het beleid voor het buitengebied is gericht op behoud en herstel van landschap, cultuurhistorie en natuur, in balans met de ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame grondgebonden veehouderij. Voor overige functies wordt een consoliderend beleid voorgestaan.

Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kwaliteiten van het gebied. Indien deze verder gaan dan het bestemmingsplan mogelijk maakt, moet een nieuwe afweging worden gemaakt. Voorwaarden binnen die afweging zijn:

  • het betreft een duurzame ontwikkeling;
  • er is sprake van toevoeging van kwaliteit (op het gebied van cultuurhistorie, landschap en/of natuur);
  • de ontwikkeling past bij de identiteit en schaal van de omgeving;
  • draagt bij aan de economie van het buitengebied.

Planspecifiek

Met voorliggend initiatief wordt de bestemming 'Agrarisch' gewijzigd naar bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van de vestiging van een aannemersbedrijf. De voormalige agrarische bebouwing en bedrijfswoning op het perceel worden vernieuwd en de buitenopslag op het perceel wordt geheel verwijderd. De nieuwe bebouwing behoudt de boerderijerfopzet, het bestaande groen rond het perceel blijft behouden en wordt aangevuld met streekeigen beplanting. Zodoende is sprake van verbetering van kwaliteit van het gebied.

3.3.2 Structuurvisie K5 Gemeenten

Vijf gemeenten in de Krimpenerwaard hebben in 2009 een structuurvisie vastgesteld, waarin de hoofdlijnen voor de gewenste ontwikkeling van het gebied staan. De centrale opgave voor de K5 is het voeren van een evenwichtige koers in het spanningsveld tussen het versterken van sociaal-economische aspecten enerzijds en het waarborgen van de cultuurhistorische, natuur- en landschapskwaliteiten anderzijds. Met name het patroon van dijk- en dorpslinten en het waterrijke slagenlandschap zijn kenmerkend voor de regio. In een groot deel van het gebied blijft de grondgebonden melkveehouderij de belangrijkste functie. In de bepaalde gebieden zal natuur ontwikkeld worden met recreatief medegebruik. In het zuiden van de Krimpenerwaard zijn ook beperkte mogelijkheden voor hervestiging van bedrijven die in het kader van natuurontwikkeling worden uitgekocht. Daarnaast wordt, binnen bestaande opstallen, ruimte geboden aan activiteiten op het vlak van verbrede landbouw en vernieuwend ondernemerschap.

De belangrijkste uitgangspunten voor de kernen zijn leefbaarheid, bereikbaarheid van voorzieningen en een woningbouwcapaciteit die het mogelijk maakt om in de eigen woningbehoefte te voorzien. Daarbij is het de inzet om enerzijds zuinig om te springen met de ruimte en anderzijds woon- en werkmilieus te creëren van een schaal en ruimtelijke kwaliteit die passen bij de schaal van de kernen. De K5 structuurvisie voorziet in een kernenprofilering, die een kader biedt voor de afstemming en sturing van investeringen tussen kernen.

Planspecifiek

De koers van de Structuurvisie voor de K5 gemeenten komt op hoofdlijnen overeen met de visie van de voormalige gemeente Vlist. Voor inpassing van voorliggend plan in dit beleid wordt kortheidshalve verwezen naar paragraaf 3.3.1.

3.3.3 Nota Ruimtelijke Kwaliteit

De gemeenteraad van Krimpenerwaard heeft op 13 december 2016 de "Nota Ruimtelijke Kwaliteit gemeente Krimpenerwaard" vastgesteld. De nota is op 1 januari 2017 in werking getreden. Doel van de Nota Ruimtelijke kwaliteit is het welstandsbeleid van de voormalige gemeenten Bergambacht, Nederlek, Ouderkerk, Schoonhoven en Vlist te harmoniseren en dereguleren met behoud van kwaliteit. Bij de Nota Ruimtelijke kwaliteit horen twee kaarten; de Niveaukaart en de Gebiedenkaart. Op de Niveaukaart is aangegeven wat het minimale toelatingsniveau is om de gewenste kwaliteit van de omgeving te regelen. Op de Gebiedenkaart zijn de gebieden weergegeven die zich onderscheiden met samenhangende bebouwingstypologieën.

Planspecifiek

Op onderstaande afbeeldingen zijn een uitsnede van de Niveaukaart en een uitsnede van de Gebiedenkaart weergegeven met in de rode cirkel het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0009.png" Uitsnede Niveaukaart (links) en uitsnede Gebiedenkaart (rechts) (bron: Nota Ruimtelijke Kwaliteit)

De gebieden met de aanduiding 'bijzonder' zijn de gebieden waar het uiterlijk van de bebouwing van aanzienlijk belang is voor de identiteit van de Krimpenerwaard. In deze gebieden is inspanning ten behoeve van het behoud en de eventuele versterking van de ruimtelijke kwaliteit gewenst. Een plan moet een bijdrage leveren aan de kwaliteit van het straatbeeld.

Op de Gebiedenkaart ligt het plangebied in de 'polderlinten' (groen). De polderlinten hebben een bijzonder welstandsniveau. De waarde is in ieder geval gelegen in het goed behouden historische karakter met als basis de combinatie tussen de oorspronkelijke structuurelementen en de afwisselende lintbebouwing. De verkaveling met dicht op elkaar gelegen sloten leidt tot langwerpige kavels met tussen de kavels doorzichten naar het achterland. Het uitgangspunt is dat bouwplannen een positieve bijdrage leveren aan de ruimtelijke kwaliteit van de omgeving. In verband hiermee wordt verwacht dat er in ieder geval aandacht geschonken wordt aan de hoofdoriëntatie van de bebouwing en de mate van afwisseling en individualiteit in de massa in combinatie met een terughoudende vormgeving en traditioneel gebruik van materialen en kleuren.

Onderhavig plan draagt bij aan de kwaliteit van het straatbeeld, juist door de vervallen agrarische bebouwing te slopen en de buitenopslag te verwijderen. De nieuwe bedrijfsbebouwing en bedrijfswoning krijgen een passende uitstraling bij het gebied, de boerderij erf opzet blijft behouden en het geheel is landschappelijk ingepast. Hiermee levert het plan een positieve bijdrage aan de ruimtelijke kwaliteit.

Het initiatief sluit aan op het beleid volgens de Nota Ruimtelijke Kwaliteit 2017.

3.3.4 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)', vastgesteld op 15 december 2015. De gronden van het plangebied heeft de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden' en zijn bestemd voor reële grondgebonden graasdierbedrijven (met o.a. neven en aanverwant gebruik). Tevens geldt in het plangebied het 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', vastgesteld op 29 januari 2019.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0010.png"

Uitsnede bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' is op basis van de wijzigingsbevoegdheid in artikel 3.7.4. van bestemmingsplan 'Landelijk gebied (voormalige gemeente Vlist)' het realiseren van een opvolgfunctie zoals het aannemersbedrijf toegestaan. Deze wijzigingsbevoegdheid vormt de basis voor dit plan. Hieronder is de wijzigingsregeling in zijn volledigheid opgenomen, waarna is aangegeven op welke wijze dit plan passend is binnen de gestelde voorwaarden.


Haalbaarheid van het wijzigingsplan

Voorwaarden van de wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het plan te wijzigen bij algehele bedrijfsbeëindiging van het

agrarische bedrijf alsmede ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - voormalig agrarisch bedrijf' ten behoeve van bedrijfsactiviteiten als opgenomen in de Staat van bedrijfsactiviteiten – nevenfuncties en opvolgfuncties, alsmede bedrijfsactiviteiten die niet zijn genoemd in de Staat, maar die naar aard en invloed op de omgeving met de wel genoemde bedrijfsactiviteiten zijn gelijk te stellen, met dien verstande dat:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de vrijkomende of voormalige agrarische bebouwing binnen het betreffende bouwvlak niet mag worden vergroot;
  • b. de omliggende (agrarische) bedrijven niet in hun bedrijfsvoering mogen worden belemmerd;
  • c. de hoeveelheid extra verkeer moet passen bij de wegenstructuur;
  • d. het parkeren behorende bij het ander gebruik dient binnen het bouwvlak op eigen terrein plaats te vinden;
  • e. er geen opslag van goederen in de open lucht plaatsvindt, met dien verstande dat dit niet geldt voor agrarisch aanverwante bedrijven;
  • f. het gebruik qua aard en schaal past bij de specifieke kwaliteiten en schaal van de omgeving, met name op het gebied van visuele uitstraling, zoals reclame-uitingen en technische installaties;
  • g. detailhandel in zelfgemaakte, -bewerkte, -gekweekte of –geteelde producten is toegestaan;
  • h. ondergeschikte horeca ten dienste van de opvolgfuncties is toegestaan tot een oppervlakte van niet meer dan 30% van de totale vloeroppervlakte van de opvolgfunctie met een maximum van 100 m²;
  • i. ter plaatse van de aanduiding 'horeca uitgesloten' ondergeschikte horeca als bedoeld onder h niet is toegestaan;
  • j. per bouwvlak maximaal drie bedrijven zijn toegestaan;
  • k. gevoelige functies niet binnen een risico-afstand van een propaantank, een lpg station dan wel een transportleiding zijn gelegen.

Toetsing aan de wijzigingsbevoegdheid 

Een aannemersbedrijf (tot 1.000 m² b.o.) is een bedrijfstype dat, volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten die als bijlage bij het moederplan is opgenomen, als opvolgfunctie mogelijk is. Voorliggend initiatief beslaat weliswaar een perceel dat groter is dan 1.000 m², maar in paragraaf 4.1.5 wordt onderbouwd dat het bedrijf geen onevenredige hinder oplevert voor de omgeving en naar aard en invloed vergelijkbaar kan worden gesteld met categorie 2-bedrijf.

De toetsing aan de voorwaarden uit de wijzigingsbevoegdheid laat het volgende zien:

  • a. De voormalige agrarische bebouwing wordt vervangen door nieuwbouw met een oppervlak van circa 630 m² aan bedrijfsgebouwen. Dit is eenzelfde oppervlakte als wat er aan bedrijfsgebouwen wordt gesloopt. Daarmee wordt voldaan aan deze voorwaarde;
  • b. Zoals besproken in paragraaf 4.1.5 worden de belangen van de omliggende (agrarische) bedrijven niet geschaad;
  • c. Zoals besproken in paragraaf 4.4 kan de omliggende wegenstructuur de verkeersbewegingen van het aannemersbedrijf goed verwerken;
  • d. Zoals besproken in paragraaf 2.2 en 4.4 is te lezen dat het parkeren geheel op eigen terrein plaats vindt;
  • e. Zoals besproken in paragraaf 2.2 verdwijnt alle buitenopslag op het perceel. In de nieuwe situatie zal geen buitenopslag plaatsvinden;
  • f. Het agrarische gebruik maakt plaats voor het aannemersbedrijf. Het aannemersbedrijf is bezoekersextensief. De werkzaamheden vinden plaats binnen de bedrijfsgebouwen en veelal elders op locatie. De verkeersbelasting is niet groter dan die van een agrarisch bedrijf. Een aannemersbedrijf is goed passend qua aard en schaal in dit gebied;
  • g. op het perceel vindt geen detailhandel plaats;
  • h. op het perceel wordt geen (ondergeschikte) horeca uitgebaat;
  • i. n.v.t.;
  • j. er wordt één bedrijf op het perceel opgericht;
  • k. Zoals besproken in paragraaf 4.1.6 zijn geen woningen binnen een risico-afstand van een propaantank, een lpg station dan wel een transportleiding gelegen.

Conclusie

Het initiatief voldoet daarmee aan de gestelde voorwaarden behorende bij de wijzigingsregeling uit artikel 3.7.4. om een opvolgfunctie te mogen realiseren op het perceel, zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan. Het college kan door middel van dit wijzigingsplan de bestemming wijzigen.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

Op grond van de Wet Bodembescherming (Wbb) moet aangetoond worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Bij een functiewijziging zal in veel gevallen een specifiek bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd.

Planspecifiek

In het kader van voorliggende ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek uitgevoerd. Het onderzoeksrapport is opgenomen in bijlage 1. In dit onderzoek wordt geconcludeerd dat er matige tot sterke verontreiniging in de grond is aangetroffen en conform de Wet bodembescherming (Wbb) aanleiding is voor de uitvoering van nader en omvangbepalend onderzoek. In het grondwater zijn ten hoogste lichte verontreinigingen aangetoond. Deze licht verhoogde gehalten geven geen beperkingen ten aanzien van het gebruik van de locatie. Op basis van de resultaten van het verkennend asbestonderzoek in bodem is geen overschrijding van de tussenwaarde voor asbest vastgesteld en geeft eveneens geen beperkingen ten aanzien van het gebruik van de locatie.

De resultaten van het nader bodemonderzoek (zie bijlage 2) geven aan dat op basis van de ingeschatte omvang van de twee aangetroffen sterke verontreinigingen sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging op het perceel. De locatie wordt, zonder de uitvoering van saneringsmaatregelen, niet geschikt geacht voor de beoogde nieuwbouwplannen. Voorafgaand aan de aanvraag omgevingsvergunning dient een saneringsplan te worden opgesteld of een BUS-melding te worden verricht. Het saneringsplan of de BUS-melding dient ter goedkeuring te worden voorgelegd aan het bevoegd gezag (Omgevingsdienst Midden-Holland). De sanering van de verontreiniging dient plaats te vinden onder milieukundige begeleiding.

Voor het wijzigingsplan is er voldoende onderzoek gedaan naar de bodemkwaliteit. Voordat gestart kan worden met de bouw moet een BUS-melding of saneringsplan worden ingediend.

4.1.2 Lucht

De mate van blootstelling aan luchtverontreiniging speelt een rol in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Met betrekking tot 'luchtkwaliteit' zijn twee aspecten van belang. Ten eerste of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

Luchtkwaliteit ter plaatse

In de Wet milieubeheer zijn normen opgenomen voor de concentraties van een aantal stoffen in de buitenlucht ter bescherming van de mens. De twee belangrijkste stoffen zijn PM10 en PM2,5 (fijnstof) en NO2 (stikstofdioxide). Voor grenswaarde van PM10 en NOx bedraagt 40 µg/m3, van PM2,5 is dat 25 µg/m3.

Bijdrage aan luchtkwaliteit

In de Wet milieubeheer zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen. De Wet maakt een onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen).

Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur "Niet in betekenende mate bijdragen" (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 procent bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m3) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 procent bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een toevoeging van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit, omdat een dergelijk project per definitie niet boven de 3%-norm komt.

Planspecifiek

Luchtkwaliteit ter plaatse van het initiatief

Vanuit een goede ruimtelijke ordening is de huidige luchtkwaliteit ter plaatse getoetst met behulp van de NSL Monitoringstool (www.nsl-monitoring.nl). Door de metingen ter plaatse te toetsen aan de grenswaarden is gekeken of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Uit metingen van het rekenpunt 15852032 (aan de Beijerscheweg 2 ter hoogte van plangebied) zijn de volgende concentraties naar voren gekomen:

  NO2 
(stikstofdioxide)  
PM10
(fijnstof)  
PM2,5 (fijnere fractie van fijnstof)  
Gemeten totale concentratie jaargemiddelde 2018 (µg/m3)   18,6 µg/m3   19,1 µg/m3   11,8 µg/m3  
Grenswaarde concentratie (µg/m3)   40 µg/m3   40 µg/m3   25 µg/m3  

De gemeten concentraties stikstofdioxide en fijn stof liggen ruim onder de gestelde grenswaarden. Met betrekking tot de luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen voor onderhavig initiatief.

Bijdrage initiatief

Ten aanzien van de bijdrage aan luchtkwaliteit is het initiatief (het wijzigen van de bestemming van een agrarische functie naar een (aannemers)bedrijf) van geringe omvang ten opzichte van de benoemde grenswaarde (3%). Op basis van de te verwachten toename aan verkeersbewegingen ten gevolge van het project is te concluderen dat dit project 'niet in betekende mate' bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een nadere toetsing ten aanzien van het aspect luchtkwaliteit kan daarom achterwege blijven.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd:

  • woningen;
  • geluidgevoelige gebouwen, zoals scholen, ziekenhuizen, verzorgings- en verpleeghuizen, psychiatrische instellingen en kinderdagverblijven;
  • geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen en bestemde ligplaatsen voor woonschepen).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. Binnen deze zones bepaalt het bevoegd gezag de te hanteren grenswaarden. Er geldt een voorkeursgrenswaarde en een bovengrens (hoger mag niet). De Wgh gaat verder onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Voorliggende wijziging van de bestemming leidt niet tot het toestaan van nieuwe geluidgevoelige objecten. De bedrijfswoning is reeds aanwezig. Het aannemersbedrijf is geen geluidgevoelige functie.

Voor wat betreft het geluid afkomstig van het bedrijf wordt verwezen naar paragraaf 4.1.5 Milieuzonering.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren'). De Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv) bepaald in bijlage 1 voor welke dieren geuremissies zijn vastgelegd. Als het (beoogde) veehouderijbedrijf niet in deze regeling wordt genoemd betreft het vaste afstandsdieren.

Op grond van artikel 3 lid 1 van de Wgv gelden de volgende normen ten behoeve van vergunningverlening voor dieren met een geuremissiefactor:

geurgevoelig object gelegen in:   maximaal toegestane geurbelasting
(odour units per m3 lucht)  
concentratiegebied binnen bebouwde kom   3,0 ouE/m3   
concentratiegebied buiten bebouwde kom   14,0 ouE/m³  
niet-concentratiegebied binnen bebouwde kom   2,0 ouE/m3  
niet-concentratiegebied buiten bebouwde kom   8,0 ouE/m3  

Als het geen bedrijf is waar een geuremissiefactor voor is vastgelegd gelden de volgende eisen:

  • binnen de bebouwde kom geldt een afstand van 100 meter;
  • buiten de bebouwde kom geldt een afstand van 50 meter.

Tot slot geldt voor zowel dieren met als voor dieren zonder geuremissiefactoren altijd een minimumafstand tussen de buitenzijde van een dierenverblijf en de buitenzijde van een geurgevoelig object. Dit betreft 50 respectievelijk 25 meter voor hetzij binnen dan wel buiten de bebouwde kom.

De Wet geurhinder en veehouderij kent een omgekeerde werking. Dat wil zeggen dat ook bij plannen die woningbouwlocaties mogelijk maken wordt getoetst aan de normen van de Wet geurhinder en veehouderij. Bij ruimtelijke ordeningsplannen moet worden beoordeeld of sprake is van een goed woon- en verblijfklimaat.

De gemeenteraad is bevoegd lokale afwegingen te maken betreffende de te accepteren geurbelasting en in afwijking van de ten hoogste toegestane geurbelasting een andere waarde of een andere afstand te stellen. Bij deze afweging moet rekening gehouden worden met de ligging van het bedrijf, waarbij onderscheid gemaakt wordt tussen buiten de bebouwde kom of binnen de bebouwde kom en rekening wordt gehouden of het bedrijf ligt in een concentratiegebied of in een niet-concentratiegebied. Voor de onderbouwing van andere normen wordt de geursituatie berekend met het verspreidingsmodel.

De gemeente Krimpenerwaard heeft een eigen geurbeleid, vastgesteld in de Verordening geurhinder en veehouderij, gemeente Krimpenerwaard 2017. Hierin zijn de afstandsnormen voor dieren zonder geuremissiefactor gehalveerd, waarbij sprake is van een eenzijdige werking. Dat betekent dat bij het oprichten, uitbreiden of veranderen van een veehouderij buiten de bebouwde kom een afstand van 25 meter wordt gehanteerd tussen de dichtstbijzijnde gevel van de stal en het geurgevoelige object. Binnen de bebouwde kom bedraagt deze afstand 50 meter. Woningen in het buitengebied dienen wel op 50 meter afstand te blijven.

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt een agrarisch bedrijf gesaneerd. Dit betekent een vermindering van de geurbelasting ter plaatse. In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven gevestigd. Het dichtstbijzijnde bedrijf ligt aan de Beijerscheweg 11, ten westen van het plangebied. Dit betreft een melkveehouderij. Voor melkvee geldt een vaste afstand. Conform de gemeentelijke geurverordening bedraagt de minimaal aan te houden afstand 25 meter tot geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom. Aangezien de afstand tussen het bedrijf en het plangebied circa 210 meter bedraagt, wordt aan de geëiste afstand voldaan. Omgekeerd leidt de bouw van één nieuwe woning niet tot een beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van de bedrijven, omdat er woningen op kortere afstand liggen die in dat geval maatgevend zijn.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Milieuzonering is het aanbrengen van een ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Doel is om bij het opstellen van een ruimtelijk plan een goed en veilig leefklimaat te waarborgen, maar tegelijkertijd ook aan bedrijven voldoende milieuruimte te bieden voor het uitoefenen van hun activiteiten.

De mate waarin bedrijven invloed hebben op hun omgeving is afhankelijk van de aard van de bedrijvigheid en de afstand tot een gevoelige bestemming. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Milieuzonering heeft betrekking op aspecten met een ruimtelijke dimensie, zoals geluid, geur, gevaar en stof. De mate van belasting, en daarmee de gewenste aan te houden afstand, kan per aspect en per bedrijfstype en verschillen. In de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) is een lijst opgenomen met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Van deze richtafstanden kan worden afgeweken, mits wordt onderbouwd waarom de feitelijke milieuhinder als minder belastend wordt gezien.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'.

Planspecifiek

In de omgeving van het plangebied zijn enkele agrarische bedrijven gesitueerd. Het aspect geur is reeds in paragraaf 4.1.4 behandeld. Ten aanzien van de melkveehouderij aan de Beijerscheweg 11 geldt voor de aspecten stof en geluid op grond van de Staat van bedrijfsactiviteiten uit de publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' een maximale richtafstand van 30 meter. Aan deze richtafstand wordt voldaan. Aan de Beijerscheweg 4 is een loonwerkbedrijf gevestigd. Dit betreft een bedrijf met een milieucategorie 3.1 en een richtafstand van 50 m voor geluid en 10 voor stof. De afstand tot het plangebied betreft 77 m waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Tenslotte bevindt zich aan de Beijerscheweg 8 een tuinbouwbedrijf. Dit betreft een bedrijf met een milieucategorie 2 en een richtafstand van 30 m voor geluid en 30 voor stof, gevaar en geur. De afstand tot het plangebied betreft 150 m waarmee aan de richtafstand wordt voldaan. Verder liggen er in de directe omgeving geen bedrijven op een kortere afstand die van invloed zijn op het plan. Met voorliggend plan is sprake van een goed woon- en leefklimaat binnen het plangebied. Daarnaast worden met de ontwikkeling geen bedrijven belemmerd in hun bedrijfsvoering.

Andersom kan het te vestigen aannemersbedrijf hinder veroorzaken op gevoelige functies in de omgeving. Maatgevend is de woning Beijerscheweg 1, aan de overzijde van de weg. De oprit van het bedrijf eindigt op 25 meter van deze woning. Een aannemersbedrijf van deze omvang wordt volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten ingedeeld als een categorie 3-bedrijf met een richtafstand van 50 meter vanwege geluid en 30 meter vanwege stof. Om te bepalen of het bedrijf akoestisch inpasbaar is in de omgeving is een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Deze rapportage is opgenomen in bijlage 4.

Uit het onderzoek blijkt dat het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de onderzochte bedrijfssituatie voldoet aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit, ook als er incidenteel rijbewegingen van vrachtwagens in de avond- en/of nachtperiode plaatsvinden.

Ook het maximale geluidsniveau voldoet aan de normstelling uit het Activiteitenbesluit, behalve als er in de avond of nacht rijbewegingen zijn van een vrachtwagen. De overschrijding (max. 6 dB) wordt veroorzaakt door de piekgeluiden van de vrachtwagen op het moment dat het erf wordt op- of afgereden. Door de ligging van de oprit ten opzichte van de woning zijn afschermende voorzieningen niet mogelijk. Door middel van een maatwerkvoorschrift kan een hogere normstelling worden vastgesteld. Argumenten daarvoor zijn:

  • het maximale geluidsniveau als gevolg van het op- of afrijden van het erf heeft dezelfde ordegrootte als het maximale geluidsniveau vanwege het verkeer op de N207;
  • de rijbewegingen van vrachtwagens in de avond- en/of nachtperiode komen alleen incidenteel voor;

De Omgevingsdienst Midden Holland heeft hier een positieve opstelling geadviseerd. Het maatwerkvoorschrift dient te zijn verleend voordat het bedrijf in werking is.

Gelet dat de werkzaamheden van het aannemersbedrijf vooral plaatsvinden bij klanten op locatie en het eigen bedrijfsperceel vooral wordt gebruikt voor de stalling van materieel en kantoorwerkzaamheden, zal er geen sprake zijn van hinder door stof.

Geconcludeerd kan worden dat het aannemersbedrijf, dat volgens de Staat van bedrijfsactiviteiten een categorie 3.1 bedrijf is, een hinder veroorzaakt die vergelijkbaar is met de hinder van de al aanwezige activiteiten.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving die ontstaan door opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen. Hierbij gaat het om risicovolle inrichtingen, transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en buisleidingen.

De verplichting om in een ruimtelijk plan in te gaan op deze risico's komt voort uit het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' (Bevi), het 'Besluit externe veiligheid transportroutes' (Bevt) en het 'Besluit externe veiligheid buisleidingen' (Bevb). Daarnaast zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en het Vuurwerkbesluit veiligheidsafstanden genoemd die moeten worden aangehouden rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting.

De wetgeving richt zich op het beschermen van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, en kinderopvang- en dagverblijven, en grote kantoorgebouwen (>1500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn kleinere kantoren en winkels, horeca, parkeerterreinen en bedrijfsgebouwen waarin geen grote aantallen personen aanwezig zijn.

Binnen het beoordelingskader voor externe veiligheid staan twee kernbegrippen centraal: het plaatsgebonden risico (PR) van 10-6 per jaar en het groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risicobeleid bestaat uit harde afstandscontouren tussen risicobron en (beperkt) kwetsbaar object. Het wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 per jaar (de kans dat per jaar 1 persoon overlijdt door een ongeluk met een gevaarlijke stof mag niet groter zijn dan 1 op een miljoen). Het groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij de berekening van het groepsrisico spelen mee de aard en hoeveelheid van de gevaarlijke stoffen en het aantal potentiële slachtoffers.

Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen de PR en/of de invloedsgebieden van het GR. Binnen de 10-6-contour is het realiseren van kwetsbare objecten niet toegestaan.

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt geen (beperkt) kwetsbaar object toegevoegd gezien er in de huidige situatie reeds sprake is van een (bedrijfs)woning op het perceel. Daarnaast zijn bij het aannemersbedrijf alleen overdag mensen aanwezig. Via de website risicokaart.nl kan voor de locatie worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, buisleidingen en / of belangrijke transportroutes aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. Bijgevoegd een screenshot van die website.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0011.png"

Uitsnede risicokaart (bron: risicokaart.nl)

Uit de uitsnede van de risicokaart is op te maken dat het plangebied op korte afstand van een provinciale weg en een buisleiding ligt.

Buisleiding

Op ruim 500 m afstand ligt een buisleiding van defensie. De buisleiding heeft een diameter van 323,80 mm en een leidingdruk van 8000 kPa. Voor een dergelijke buisleidingen geldt een toetsafstand van 180 m ten aanzien van het groepsrisico. Gezien de grote afstand tot het plangebied valt het plangebied buiten de 1% letaliteitsgrens. Een verdere verantwoording van het groepsrisico is daarmee dan ook niet nodig.

Provinciale weg N207

De provinciale weg N207 ligt op 47 m ten oosten van het plangebied. De N207 heeft een PR 10-8 contour van 17 meter (gemeten vanaf buitenste rijbaan). Het plangebied valt buiten de plaatsgebonden risico contour. De relevante zone voor een verantwoording van het groepsrisico (GR) reikt tot 200 m vanaf de buitenrand van de weg. Op grond van het Besluit externe veiligheid transport (Bevt) moet daarnaast bij ontwikkelingen die plaatsvinden binnen het invloedsgebied van een transportroute het groepsrisico altijd worden verantwoord. Op grond van artikel 7 van het Bevt moet voor de (spoor-)wegen, gezien de ligging, worden ingegaan op de mogelijkheden voor:

  • de bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroute en
  • de zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied.

Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. In dit geval is sprake van een standaardsituatie, waarvoor onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

Bestrijdbaarheid

Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Mogelijkheden tot zelfredzaamheid

Bij een calamiteit, waarbij toxische vloeistoffen of gassen vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In dit kader is het ook nodig dat de mechanische ventilatie met één druk op de knop kan worden uitgeschakeld in geval van een incident in de omgeving. Daarnaast is er gezien de aard van het omliggende landschap voldoende ruimte om te vluchten. Er zijn voldoende mogelijkheden om dit advies tijdig op te volgen.

4.2 Water

Water is een belangrijk thema in de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.
Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

Waterbeleid voor de 21e eeuw

De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport 'Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw' (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

  • vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Indien nodig wordt overtollig water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen niet meer mogelijk is wordt het water afgevoerd.
  • schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet

De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Daarnaast levert de Waterwet een flinke bijdrage aan kabinetsdoelstellingen zoals vermindering van regels, vergunningstelsels en administratieve lasten. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de aloude vergunningstelsels uit de voorheen afzonderlijke waterbeheerwetten zijn gebundeld. Dit resulteert in één vergunning, de watervergunning.

Nationaal Waterplan

Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Dit Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.


Watertoets

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets, maar een proces waarbij de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek gaan voorafgaand aan de vaststelling van het plan. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en
  • de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

Planspecifiek

Met voorliggend initiatief wordt de bestemming 'Agrarisch' gewijzigd naar bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van de vestiging van een aannemersbedrijf. De voormalige agrarische bebouwing en bedrijfswoning op het perceel wordt vernieuwd. De hoeveelheid verhard oppervlak neemt met voorliggend initiatief licht af. Er zijn derhalve geen waterhuishoudkundige belangen in het geding. Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.


Soortenbescherming

Een hoofdstuk in de Wet natuurbescherming regelt de bescherming van de in het wild voorkomende inheemse planten en dieren: de soortenbescherming. De wet richt zich vooral op het in stand houden van populaties van soorten die bescherming behoeven. In de wet zijn algemene en specifieke verboden vastgelegd ten aanzien van beschermde dier- en plantensoorten. Bekeken moet worden in hoeverre ruimtelijke plannen negatieve gevolgen hebben op beschermde dier- en plantensoorten en of er compenserende of mitigerende maatregelen genomen moeten worden. De wet geeft de mogelijkheid aan provincies om voor een bepaald aantal soorten via een verordening een algemene vrijstelling op bepaalde verbodsbepalingen te geven.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menige soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek

Ten behoeve van de ontwikkeling is een ecologisch onderzoek uitgevoerd. De conclusies van dit onderzoek zijn hieronder weergegeven. Het gehele rapport is opgenomen in bijlage 3.

Gebiedsbescherming

Op ca. 2,7 km van de planlocatie ligt het Natura 2000-gebied Reeuwijkse Plassen en polder Stein. Dit gebied wordt niet gerekend tot 'stikstofgevoelige natuur'. Op basis van de aard en omvang van voorgenomen ontwikkeling, tussenliggende gebieden, wegen en waterwegen worden geen effecten verwacht op Natura 2000. Volledigheidshalve is een voortoets stikstof uitgevoerd. De onderzoeksrapportage is opgenomen in bijlage 5. In het onderzoeksrapport wordt geconcludeerd dat voor zowel het aanleggen als het gebruik geen depositieresultaten boven 0,00 mol/ha/jr op de omliggende Natura 2000-gebieden is gemeten. Er kan geconcludeerd worden dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor de Natura 2000-gebieden. De stikstofdepositie die uitvoering van de plannen zal veroorzaken vormt een zodanig gering percentage van de kritische depositiewaarde van de meest kritische ter plaatse voorkomende stikstofgevoelige habitattypen, dat er ecologisch gezien geen zichtbare of meetbare effecten zullen optreden en er zeker geen sprake is van significante gevolgen waardoor de instandhoudingsdoelstellingen van de betrokken Natura 2000-gebieden in gevaar zouden kunnen komen.

Daarnaast grenst de planlocatie direct aan de Beijersche polder, wat deel uitmaakt van het Nationaal Natuur Netwerk (NNN) en is aangewezen voor Kruiden- en faunarijk grasland met een verbindingszone voor kleine dieren van vochtige terreinomstandigheden. Dit beheertype is weinig gevoelig voor verstoring. De ontwikkeling leidt niet tot negatieve effecten. Ook ten aanzien van weidevogels zijn er geen effecten te verwachten.

Soortenbescherming

In het plangebied zijn geen beschermde soorten aangetroffen. Er is geen noodzaak tot het aanvragen van ontheffingen of specialistisch vervolgonderzoek. Wel wordt vanuit de Algemene zorgplicht voor wilde flora en fauna geadviseerd om een aantal mitigerende en compenserende maatregelen te nemen:

  • verwijderen van grote bomen aan de zuidzijde van de huidige woning buiten het broedseizoen uitvoeren;
  • voorafgaand aan het uitvoeren van sloopwerken in de periode maart-juli een broedvogelcheck uitvoeren;
  • geen gebruik maken van bouwplaatsverlichting. Indien dit toch noodzakelijk wordt geacht, dient de verlichting naar beneden gericht en afgeschermd te worden;
  • inspectie uitvoeren op winterrustplaatsen voor de egel, voordat rommelhopen worden verwijderd;
  • zorgvuldig te werk gaan bij het ruimen van steenhopen. Eventueel aangetroffen amfibieën naar een veilige en beschutte plaats verplaatsen.

Daarnaast geldt op grond van de Wet natuurbescherming te allen tijde de algemene zorgplicht voor flora en fauna voor alle in het wild levende planten en dieren.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect ecologie.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur. Met voorliggend initiatief worden de voormalige agrarische bebouwing en bedrijfswoning gesaneerd en nieuwe bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning gerealiseerd voor het aannemersbedrijf. In de nieuwe situatie is geen sprake meer van (zwaar) landbouwverkeer. Een arbeidsextensief / bezoekersextensief bedrijf in het buitengebied in een weinig stedelijk gebied kent volgens de CROW kent een gemiddelde verkeersgeneratie van 10,9 motorvoertuigbewegingen per 100 m² bvo. Het aannemersbedrijf zorgt daarmee voor een verkeerstoename van circa 69 motorvoertuigen per etmaal. Het verkeer van en naar het bedrijf komt via enkele meters op de Beijerscheweg direct op de provinciale weg, waarmee het effect op de omgeving zeer beperkt zal zijn. De Beijerscheweg zelf is geen doorgaande route waardoor het aannemelijk is dat het verkeer deze route niet zal gebruiken. Het perceel is en blijft tenslotte ontsloten via de brug aangesloten op de Beijerscheweg.

In het plangebied geldt het 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', waarbij de gemiddelde parkeerkencijfers van de CROW publicatie 'toekomstbestendig parkeren' als norm worden gehanteerd. Voor vrijstaande koopwoningen in het buitengebied (in een weinig stedelijk gebied) is de minimale parkeernorm 2 parkeerplaatsen per woning. Bij de nieuwe woning is voldoende ruimte om op eigen terrein minimaal 2 auto's te parkeren. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernorm. Voor het aannemersbedrijf geldt een parkeernorm van 1,3 parkeerplaatsen per 100 m² bvo waarmee voor het bedrijf van 630 m² in totaal 9 parkeerplaatsen nodig zijn. Hiervoor is voldoende ruimte gereserveerd aan de voorzijde van het kantoor op eigen terrein.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

In elk bestemmingsplan moet een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Denk aan aanwezige monumenten, historische gebieden, kenmerkende (straat)beelden en landschapselementen. Bij het maken van plannen kan ook (weer) rekening gehouden worden met al deze elementen die er vroeger wel waren maar nu niet meer. Een bijzonder onderdeel van cultuurhistorie is archeologie.

Cultuurhistorie

Het belang van cultuurhistorie is wettelijk vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit geeft aan dat “een beschrijving van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden” in het bestemmingsplan opgenomen moet worden. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

Archeologie

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

Het plangebied ligt in een cultuurhistorisch waardevol veenweidegebied (Kroonjuweel cultureel erfgoed, zie paragraaf 3.2) en bebouwingslint. Met voorliggend initiatief wordt de voormalige agrarische bebouwing en bedrijfswoning gesaneerd en nieuwe bedrijfsbebouwing en een bedrijfswoning gerealiseerd. Door de situering van de nieuwe bedrijfswoning aan de voorzijde van het perceel en de bedrijfsbebouwing iets naar achter, vormgegeven als een schuur met zwarte potdekseldelen wordt het beeld van een boerderijerf behouden. Het boerderijensemble past in de landschappelijke structuur. Hiermee blijven de cultuurhistorische waarden van het veenweidelandschap en de linten behouden. De bestaande bebouwing heeft geen cultuurhistorische waarde.

Archeologie

Onderstaand is een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard weergegeven. Hierop is te zien dat het plangebied 'Waarde Archeologie 3' heeft. Dit is een hoge archeologische verwachtingswaarde met een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 0,30 meter onder het maaiveld. In het kader van de bestemmingswijziging is het uitvoeren van een archeologisch onderzoek niet nodig.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BPW2010BG035-VG01_0012.png"

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Krimpenerwaard (plangebied blauw omcirkeld)

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

  • het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
  • het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
  • het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Hiertoe zal de gemeente voorafgaand aan de planologische procedure met de initiatiefnemer een exploitatieovereenkomst afsluiten. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges. Eventuele extra gemeentelijke kosten worden gedekt door de exploitatieovereenkomst.

Tevens zal een overeenkomst betreffende planschade worden afgesloten. Deze kosten komen eveneens geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd kan worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het wijzigingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het wijzigingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het wijzigingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het wijzigingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Bij dit wijzigingsplan is geen geheel eigen set regels opgenomen, maar wordt verwezen naar de regels van het bestemmingsplan 'Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)' met identificatienummer NL.IMRO.1931.BP1511BG001-VG01. Voorliggend wijzigingsplan bevat de volgende bestemmingen en bijzonderheden:

  • De bestemming 'Bedrijf' ten behoeve van het aannemersbedrijf met bedrijfswoning. Op de verbeelding is het maximale bebouwingspercentage aangegeven (23%). Dit betreft de oppervlakte aan bedrijfsgebouwen, exclusief de bedrijfswoning en erfbebouwing bij de bedrijfswoning.
  • De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' ten behoeve van de bescherming van te verwachten archeologische waarden in de bodem. In het meest noordelijke puntje van het plangebied is dit de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 7'.
  • Het 'Parapluplan Parkeren' van de gemeente Krimpenerwaard blijft onverminderd van toepassing.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door het college wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

In het voortraject is met diverse overlegpartners contact geweest. Dit betreft het Hoogheemraadschap, Omgevingsdienst Midden-Holland en de provincie. De reacties zijn verwerkt in het ontwerpwijzigingsplan.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

De initiatiefnemer heeft zijn buren op de hoogte gesteld van het plan.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpwijzigingsplan heeft vanaf 29 december 2021 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend.