direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Benedenkerkseweg 113, Stolwijk
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding voor het bestemmingsplan

Het tuinbouwbedrijf De Gier is momenteel gevestigd op drie locaties in Stolwijk: de Beijerscheweg 8, de Benedenkerkseweg 113 en de Bovenkerkseweg 82a. In het kader van het realiseren van het Natuurnetwerk Nederland (verder: NNN) in de Krimpenerwaard wordt de open tuinbouw op de locatie aan de Beijerscheweg 8 beëindigd. Om de activiteiten voort te kunnen zetten wil de eigenaar de tuinbouwteelt verplaatsen naar de bedrijfslocatie aan de Benedenkerkseweg 113 in Stolwijk.

De bovenstaande ontwikkeling past niet binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' in het geldende bestemmingsplan "Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)". Om open tuinbouw hier mogelijk te maken dient de locatie een passende bestemming / functieaanduiding te krijgen (tuinbouw). Omdat het initiatief wel passend is op de locatie en de bedrijfseconomische noodzaak voldoende is onderbouwd, wordt medewerking verleend aan een herziening van het bestemmingsplan. In dit document wordt dit toegelicht en gemotiveerd waarom dat kan volgens de Wet ruimtelijke ordening (Wro).

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied is gelegen aan de Benedenkerkseweg 113, in het buitengebied van Stolwijk. Bijgevoegde afbeelding toont globaal de ligging van het plangebied in de omgeving.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0003.png"

Globale ligging plangebied (bron: openstreetmap.org)

1.3 Leeswijzer

Hoofdstuk 2 bevat een beschrijving van de bestaande situatie en van het plan. Daarna wordt in hoofdstuk 3 ingegaan op het relevante Rijks-, provinciale-, en gemeentelijke beleid. In hoofdstuk 4 wordt de haalbaarheid van het project getoetst op grond van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Ook wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische opzet van het plan. Tot slot gaat hoofdstuk 6 in op de wijze hoe burgers en andere belanghebbenden betrokken zijn bij het plan (maatschappelijke uitvoerbaarheid). Hierin zijn de uitkomsten van inspraak, vooroverleg en zienswijzen opgenomen.

Hoofdstuk 2 Het initiatief

In dit hoofdstuk wordt het initiatief beschreven. Eerst wordt ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied en de relatie met de omgeving. Daarna wordt ingezoomd op het beoogde initiatief.

2.1 Huidige situatie

Het plangebied ligt aan de Benedenkerkseweg 113, ten zuidwesten van de kern Stolwijk. De Benedenkerkseweg is een bebouwingslint dat loopt van Stolwijk richting Berkenwoude. Het plangebied ligt in een gebied met een overwegend agrarisch karakter. Het slagenlandschap in het veenweidegebied bestaat uit twee verschillende werelden: die van de kleinschalige linten met bebouwing, bruggetjes en knotwilgen en die van de ruimte met sloten en weilanden daarachter. De bebouwingslinten, zoals de Benedenkerkseweg, kennen een divers gebruik: agrarische bedrijven, woningen en niet-agrarische bedrijven liggen naast elkaar. Typerend voor de Krimpenerwaard is de slagenverkaveling met zeer lange en smalle kavels, afgewisseld door veelal brede sloten en de graslandvegetaties. Onderstaande afbeelding toont een luchtfoto met het plangebied rood omkaderd.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0004.png"

Luchtfoto van het plangebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Op het adres Benedenkerkseweg 113 is reeds een glastuinbouwbedrijf gevestigd. Deze is reeds planologisch geregeld en valt derhalve buiten onderhavig plan. In het achtergelegen plangebied, nu deels in gebruik voor tuinbouw en deels als grasland, staat geen bebouwing. Langs de randen en door het plangebied liggen meerdere verkavelingssloten.

2.2 Toekomstige situatie

Gebiedsovereenkomst Veenweiden Krimpenerwaard 2014-2021

Op één van de drie bedrijfslocaties van het tuinbouwbedrijf De Gier, de Beijerscheweg 8, wordt door de provincie Zuid-Holland, het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard en de gemeente Krimpenerwaard ingezet op natuurontwikkeling binnen het NNN (voorheen het Veenweidepact Krimpenerwaard). Het bestemmingsplan 'Natuurgebieden Veenweiden Krimpenerwaard' is op 5 maart 2019 door de gemeenteraad vastgesteld. Met het plan zijn de bestaande tuinbouwgronden omgezet naar de bestemmingen 'Natuur' en 'Natuur met extensief agrarisch medegebruik'.

Gevolgen voor het agrarisch bedrijf

Voor het tuinbouwbedrijf vallen hierdoor de tuinbouwgronden op één van de drie bedrijfslocaties weg. Hier worden aardbeien en lage groenten, zoals verschillende soorten sla en paksoi geteeld. De eigenaar wil de tuinbouwteelt verplaatsen naar de bedrijfslocatie aan de Benedenkerkseweg 113.

Gewenste ontwikkeling
Van de locatie aan de Beijerscheweg 8 worden de tuinbouwgronden verplaatst naar de locatie aan de Benedenkerkseweg 113. Hiervoor dient het perceel een passende bestemming te krijgen (functieaanduiding 'tuinbouw' binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden'). Volgens het geldende bestemmingsplan is op de huidige weidegronden alleen het gebruik ten behoeve van graasdierbedrijven toegestaan. Op onderstaande afbeeldingen is de huidige situatie aan de Beijerscheweg en de gewenste situatie aan de Benedenkerkseweg weergegeven. Het reeds in gebruik zijnde tuinbouwperceel, direct achter de kas, is eveneens in dit plan meegenomen. In totaal zal 1,7 ha grond voor open tuinbouw gebruikt worden.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0005.png"

Bestaande tuinbouwgronden aan de Beijerscheweg, thans bestemd als 'Natuur - extensief agrarisch medegebruik (tekening: Verstoep bouwadvies en architectuur)

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0006.png"

Gewenst gebruik Benedenkerkseweg (tekening: Verstoep bouwadvies en architectuur)

De provincie Zuid-Holland staat achter het voornemen om de bedrijfslocatie aan de Beijerscheweg 8 uit te plaatsen naar een andere locatie (zie bijlage 1). Door op de achtergebleven locatie natuur te ontwikkelen, wordt invulling gegeven aan de beleidsdoelstellingen van de provincie voor dit gebied. Daarom ziet zij uitplaatsing als een positieve ontwikkeling. Wel dient rekening te worden gehouden met de ruimtelijke kwaliteiten van het gebied, waaronder het verkavelingspatroon, waterlopen, kades, monumentale boerderijlinten, beplanting en profiel van wegen en waterlopen. Glastuinbouw of sierteelt is niet toegestaan.

De activiteiten in het plangebied betreffen open tuinbouw (teelt van aardbeien, aardbeienplanten en lage groenten tot ca. 20 cm hoog). De verkavelingsstructuur en het slotenpatroon blijven intact. In paragraaf 3.2 wordt nader ingegaan op het behoud van de landschappelijke kwaliteiten. In het plangebied zelf wordt daarmee rekening gehouden door langs de watergangen een teeltvrije zone van 1,5 meter aan te houden. Deze oevers worden ingericht als bloemrijk (nat) grasland. In de regeling van voorliggend plan is dit als voorwaardelijke verplichting opgenomen.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro)

Gebiedsgericht

De SVIR benoemt een aantal aspecten van nationaal ruimtelijk belang. Het betreft de bescherming van de waterveiligheid aan de kust en rond de grote rivieren, bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, de uitoefening van defensietaken, het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de ecologische hoofdstructuur), de elektriciteitsvoorziening, de toekomstige uitbreiding van het hoofd(spoor)wegennet en de veiligheid rond rijksvaarwegen. Voorts betreft het enkele specifieke gebieden zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam en Schiphol.

In het Barro heeft het Rijk voor deze onderwerpen regels opgesteld waarmee de SVIR juridisch verankerd is richting lagere overheden. Via het Besluit ruimtelijke ordening en het Besluit omgevingsrecht zijn deze regels aanvullend vastgelegd.

In de SVIR worden, naast de onderwerpen van nationaal belang, accenten geplaatst op het gebied van bestuurlijke verantwoordelijkheden. Het beleid betekent een decentralisatie van rijkstaken en bevoegdheden. Het Rijk gaat zo min mogelijk op de stoel van provincies en gemeenten zitten en lagere overheden, burgers en bedrijven krijgen, zolang het nationaal belang niet in het geding is, de ruimte om oplossingen te creëren.

Planspecifiek

Gebiedsgericht

Het plangebied ligt niet in een van de aangewezen gebieden van de SVIR en het Barro.

Het rijksbeleid staat uitvoering van dit plan niet in de weg.

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Zuid-Holland

Het Omgevingsbeleid van Zuid-Holland omvat al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving. Het bestaat uit twee kaderstellende instrumenten: de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. Deze zijn op 01-04-2019 in werking getreden. Met het samenvoegen van verschillende beleidsplannen c.q. verordeningen sorteert de provincie voor op de Omgevingswet. Het gehele Omgevingsbeleid is alleen redactioneel gewijzigd, de beleidsinhoud is niet veranderd. Onder meer de Visie ruimte en mobiliteit en de Verordening ruimte zijn in het Omgevingsbeleid opgegaan.

Met het Omgevingsbeleid streeft de provincie naar een optimale wisselwerking tussen gewenste ruimtelijke ontwikkelingen en een goede leefomgevingskwaliteit. Vanuit het bestaande beleid gaat het hier om een samenvoeging van ruimtelijke kwaliteit (belevingswaarde, gebruikswaarde en toekomstwaarde) en milieukwaliteit (gezondheid en veiligheid).

Beleid voor ruimtelijke kwaliteit

De inzet van de provincie is dat ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en versterking

van de ruimtelijke kwaliteit, zoals benoemd op de kwaliteitskaart en uitgewerkt in richtpunten. De

kwaliteitskaart toont in vier lagen de gebiedskenmerken en kwaliteiten die de provincie belangrijk

vindt. De vier lagen zijn samengevat in één kaartbeeld; de integrale kwaliteitskaart. De vier lagen zijn:

  • laag van de ondergrond
  • laag van de cultuur- en natuurlandschappen
  • laag van de stedelijke occupatie
  • laag van de beleving

Het kwaliteitsbeleid gaat uit van 'ja, mits': ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en geldt in principe voor het grondgebied van de gehele provincie, dat wil zeggen zowel in het stedelijk als in het landelijk gebied.

Om te kunnen bepalen of een ruimtelijke ontwikkeling passend is, is vooral de ruimtelijke impact van

belang. De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact is. Er wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0007.png"

(bron: Omgevingsvisie Zuid-Holland, 2019)

Op basis van de Verordening ruimte valt het plangebied binnen het 'kroonjuweel cultureel erfgoed'. Dit gebied is onderstaand op figuur 1 aangegeven met schuine arcering. Het plangebied is rood omcirkeld. Hoe het plan past binnen hiervoor geformuleerde richtpunten wordt hieronder weergegeven.

Richtpunten voor ruimtelijke kwaliteit

Op basis van de Kwaliteitskaart van de provincie Zuid-Holland behorende bij de structuurvisie zijn naast het 'kroonjuweel cultureel erfgoed' (PRV) nog een landschapstype relevant voor het plangebied. Dit is het veen(weide)landschap (zie onderstaand figuur 2). Tevens is het gebied in de omgeving van het plangebied aangeduid als stiltegebied. Onderstaand de Kwaliteitskaart en twee uitsnedes van de Kwaliteitskaart met het plangebied rood omcirkeld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0008.png"

Kwaliteitskaart provincie Zuid-Holland

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0009.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0010.png"

Figuur 1: 'Kroonjuweel cultureel erfgoed' Figuur 2: veen(weide)landschap

Kroonjuweel cultureel erfgoed (onderdeel PRV)
Het middengebied van de Krimpenerwaard is aangeduid als 'kroonjuweel cultureel erfgoed' en wordt begrensd door landscheidingskaden, vaarten en vlieten. De oude opstrekkende verkaveling en het watersysteem zijn nog grotendeels intact en bepalend voor het regelmatige en de oostwest georiënteerde nederzettingsstructuur. Erfbeplanting, rijen knotwilgen en het opgaand groen van kades en eendenkooien en geriefbosjes zijn accenten in het vlakke en waterrijke veenweidelandschap. De lange bebouwingslinten zijn rijk aan historische boerderijen en hebben door de vele open ruimtes tussen de bebouwing een sterke relatie met het landschap.

Richtpunt :

  • Herkenbaar houden en versterken van de kwaliteiten (ontginningspatroon met verkaveling, waterlopen, kades, monumentale boerderijlinten, beplanting, profiel van wegen en waterlopen), alsook hun onderlinge samenhang.

Veen(weide)landschap
De structuur in de veengebieden is sterk bepaald door de rivieren en veenstromen, de op enige afstand daarvan aangelegde weteringen en andere ontginningsbasissen. Loodrecht daarop staan de (regelmatige) verkavelingspatronen. Het landschap is tussen deze structuren weids met lange zichtlijnen. Andere kenmerken zijn de smalle kavels, vele sloten met hoog waterpeil en overwegend grasland als bodemgebruik. Het agrarisch gebruik overheerst. Belangrijke kenmerken van het veenweidegebied zijn het contrast tussen (meer verdichte) hooggelegen boezems, linten en bovenlanden en het uitgestrekte, ingeklonken veen (open gebied). Veenstromen, dijken en kades vormen landschappelijke structuurdragers en begrenzen de (open) poldereenheden. Het gebruik richt zich op behoud van de maat van de poldereenheden, het verkavelingspatroon, de beplanting, de kades en dijken en de zichtbaarheid van water in de vorm van sloten, weteringen en boezems. Een duurzaam gebruik en eigenaarschap van het veen(weide)gebied is van belang. Het maken van nieuwe (agrarische) natuurlandschappen met een (extensieve) recreatieve functie behoort daarbij tot de mogelijkheid.

Richtpunten:

  • Bewaren diversiteit aan verkavelingspatronen. Lengtesloten zijn beeldbepalend en worden behouden.
  • Ontwikkelingen houden rekening met het behoud van kenmerkende landschapselementen.
  • Ontwikkelingen dragen bij aan behoud van de maat en weidsheid van de poldereenheden.
  • Nieuwe bebouwing en bouwwerken worden geplaatst binnen de bestaande structuren/ linten en niet in de veenweidepolders.

Stiltegebieden

Stiltegebieden zijn de (relatief) luwe gebieden met beperkte verstedelijking, waar het dagelijks geluid de 40 decibel niet overstijgt. Hier vindt men rust en stilte als contrast met het dynamisch stedelijk gebied.

Richtpunt:

  • In de stiltegebieden is alleen ruimte voor "gebiedseigen" geluid.

Planspecifiek

Voorliggend plan betreft een functiewijziging van agrarische gronden ten behoeve van graasdierbedrijven naar tuinbouw. De gronden zijn reeds in eigendom van het bedrijf en er wordt aangesloten bij het bestaande glastuinbouwcomplex dat op deze locatie aanwezig is. Het grondgebruik verandert van grasland in tuinbouwgrond. Dit grondgebruik is weliswaar minder passend in het veenweidelandschap, echter het bestaande ontginningspatroon, de verkaveling en de bestaande waterlopen blijven intact en herkenbaar. Binnen het gebied in de directe omgeving van het plangebied zijn reeds percelen aanwezig met de functieaanduiding 'tuinbouw'. Het gaat hier om 'lage' teelt en niet van opgaande gewassen zoals bomen of struiken. Het heeft derhalve geen gevolgen voor de openheid van het landschap. Met de voorgenomen ontwikkeling blijven de landschappelijke kwaliteiten van het veenweidelandschap en het 'kroonjuweel cultureel erfgoed' behouden. Bovendien wordt het door de verplaatsing mogelijk om de achtergebleven locatie tot NNN-gebied te ontwikkelen.

Het plangebied ligt, net als een groot gebied eromheen, in een stiltegebied. De achterblijflocatie aan de Beijerscheweg ligt ook in dit stiltegebied. Het geluid dat het bedrijf produceert kan worden gezien als "gebiedseigen" geluid. Het plangebied is reeds een bedrijfslocatie van hetzelfde bedrijf. Er zal in het plangebied geen sprake zijn van een grote verandering in geluidsbronnen. Het plan is niet in strijd met het beleid ten aanzien van stiltegebieden.

Geconcludeerd wordt dat het initiatief past binnen het beleid van de provincie Zuid-Holland.

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie Vlist 2020

Met deze structuurvisie wordt de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van de gemeente (i.c.m. de voormalige gemeente Vlist) op hoofdlijnen weergegeven. Het is daarmee het ruimtelijk afwegingskader voor nieuwe initiatieven. Het beleid voor het buitengebied is gericht op behoud en herstel van landschap, cultuurhistorie en natuur, in balans met de ontwikkelingsmogelijkheden voor een duurzame grondgebonden veehouderij. Voor overige functies wordt een consoliderend beleid voorgestaan.

Nieuwe ontwikkelingen moeten bijdragen aan de kwaliteiten van het gebied. Indien deze verder gaan dan het bestemmingsplan mogelijk maakt, moet een nieuwe afweging worden gemaakt. Voorwaarden binnen die afweging zijn:

  • het betreft een duurzame ontwikkeling;
  • er is sprake van toevoeging van kwaliteit (op het gebied van cultuurhistorie, landschap en/of natuur);
  • de ontwikkeling past bij de identiteit en schaal van de omgeving;
  • draagt bij aan de economie van het buitengebied.

Specifieke aandachtspunten binnen het beleid voor het buitengebied die nog verdere uitwerking behoeven zijn:

  • de zone langs de Vlist;
  • het Veenweidepact Krimpenerwaard.


Veenweidepact Krimpenerwaard

Er ligt een opgaven van het Rijk om 2.450 hectare nieuwe natuur aan te leggen in de Krimpenerwaard. Tegelijkertijd moet het probleem van bodemdaling aangepakt worden. Bij deze ontwikkeling wil het pact kansen benutten die er liggen voor het agrarisch bedrijf, nieuw ondernemerschap, het waterbeheer en de recreatie. Voor de natuurontwikkeling ‘Natuurgebieden Veenweidepact Krimpenerwaard 2011’ is recent het bestemmingsplan vastgesteld (maart 2019).

Planspecifiek

Onderhavig initiatief voorziet in een functiewijziging van agrarische gronden ten behoeve van graasdierbedrijven naar tuinbouw. Hiermee wordt de teelt van aardbeien en groenten mogelijk gemaakt die op een andere locatie van het bedrijf wegvalt ten behoeve van natuurontwikkeling. Hiermee is in het plangebied niet direct sprake van toevoeging van kwaliteit, maar per saldo wel. Tevens draagt het plan bij aan het in stand houden van de economie van het buitengebied. Dit past binnen het beleid van de Structuurvisie Vlist 2020.

3.3.2 Structuurvisie K5 Gemeenten

Vijf gemeenten in de Krimpenerwaard hebben in 2009 een structuurvisie vastgesteld, waarin de hoofdlijnen voor de gewenste ontwikkeling van het gebied staan. De centrale opgave voor de K5 is het voeren van een evenwichtige koers in het spanningsveld tussen het versterken van sociaal-economische aspecten enerzijds en het waarborgen van de cultuurhistorische, natuur- en landschapskwaliteiten anderzijds. Met name het patroon van dijk- en dorpslinten en het waterrijke slagenlandschap zijn kenmerkend voor de regio. In een groot deel van het gebied blijft de grondgebonden melkveehouderij de belangrijkste functie. In bepaalde gebieden zal natuur ontwikkeld worden met recreatief medegebruik. In het zuiden van de Krimpenerwaard zijn ook beperkte mogelijkheden voor hervestiging van bedrijven die in het kader van natuurontwikkeling worden uitgekocht. Daarnaast wordt, binnen bestaande opstallen, ruimte geboden aan activiteiten op het vlak van verbrede landbouw en vernieuwend ondernemerschap.

De belangrijkste uitgangspunten voor de kernen zijn leefbaarheid, bereikbaarheid van voorzieningen en een woningbouwcapaciteit die het mogelijk maakt om in de eigen woningbehoefte te voorzien. Daarbij is het de inzet om enerzijds zuinig om te springen met de ruimte en anderzijds woon- en werkmilieus te creëren van een schaal en ruimtelijke kwaliteit die passen bij de schaal van de kernen. De K5 structuurvisie voorziet in een kernenprofilering, die een kader biedt voor de afstemming en sturing van investeringen tussen kernen.

Planspecifiek

Voorliggend plan maakt het mogelijk om de tuinbouwteelt van het bedrijf te verplaatsen naar de locatie aan de Benedenkerkseweg, zodat een andere locatie, in het kader van de NNN, tot natuur ontwikkeld kan worden. De instandhouding van het bedrijf is ook van belang voor het behoud van de sociaal-economische structuur van het gebied. De uitplaatsing vindt plaats aan de achterzijde van het perceel en wordt ingepast in de structuur van het slagenlandschap. Het plan heeft geen invloed op het karakter van de linten.

3.3.3 Geldend bestemmingsplan

Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan "Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)", vastgesteld door de gemeente Krimpenerwaard op 15 december 2015. Het plangebied heeft de enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'. Binnen deze bestemming mogen de gronden gebruikt worden ten behoeve van reële grondgebonden graasdierbedrijven. Een klein noordelijk deel van het plangebied heeft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. Tevens geldt in het plangebied het "Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', vastgesteld op 29 januari 2019.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0011.png"

Uitsnede bestemmingplan "Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)"

Omdat de beoogde bedrijfsactiviteiten niet passen binnen de huidige agrarische bestemming, is een herziening van het bestemmingsplan nodig.

Hoofdstuk 4 Uitvoerbaarheid

De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet als gevolg van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) aangetoond worden (artikel 3.1.6 van het Bro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, etc.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieu

4.1.1 Bodem

In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied.

Planspecifiek

In voorliggend plan behouden de percelen de agrarische bestemming en wordt hier de functieaanduiding 'tuinbouw' aan toegevoegd. Deze ontwikkeling is niet aan te merken als een gevoelige functie in het kader van het Besluit bodemkwaliteit. Een bodemonderzoek is voor onderhavig plan daarom niet noodzakelijk.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect bodem.

4.1.2 Lucht

Bij het onderwerp luchtkwaliteit spelen twee aspecten: de vraag of de luchtkwaliteit ter plaatse de nieuwe functie toelaat (in relatie tot de gevoeligheid van de bestemming) en ten tweede wat de bijdrage is van het plan aan die luchtkwaliteit.

 

Planspecifiek

Voorliggend plan betreft het bestemmen van een agrarisch perceel met de functieaanduiding 'tuinbouw'. Deze ontwikkeling heeft geen significante effecten op de luchtkwaliteit in de omgeving. Het plan draagt 'niet in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er worden ook geen gevoelige objecten aan het plangebied toegevoegd die aanleiding zijn om de luchtkwaliteit ter plaatse te onderzoeken.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect luchtkwaliteit.

4.1.3 Geluid

De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten, waaronder woningen, worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. De belangrijkste bronnen van geluidhinder die bij een ruimtelijke ontwikkeling aan de orde kunnen zijn betreffen industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai.

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt enkel een functieaanduiding toegevoegd aan een agrarisch perceel. Hierbij is geen sprake van een geluidsgevoelig object. Daarom hoeft het plan niet te worden getoets aan de Wet geluidhinder.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geluid.

4.1.4 Geur

De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor milieuvergunningen als het gaat om geurhinder van veehouderijen met landbouwhuisdieren. De Wgv maakt onderscheid in dieren met en dieren zonder een vastgestelde geuremissiefactor. Voor de eerste soort wordt de geurbelasting bij geurgevoelige objecten berekend, voor de tweede gelden minimumafstanden tot dergelijke objecten (ook wel bekend onder de term 'vaste afstandsdieren').

Planspecifiek

Met voorliggend plan wordt enkel een functieaanduiding toegevoegd aan een agrarisch perceel. Het plan maakt geen geurgevoelige objecten mogelijk. Een verdere toetsing aan geurnormen is niet nodig.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect geur.

4.1.5 Milieuzonering

Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Planspecifiek

Met de functiewijziging naar tuinbouw wordt geen milieugevoelige functie toegevoegd. Verder onderzoek vanuit milieuzonering is daarom niet noodzakelijk.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect milieuzonering.

4.1.6 Externe veiligheid

Externe veiligheid beschrijft de externe risico's met een externe werking, die ontstaan door het transport van, de opslag van of handelingen met gevaarlijke stoffen. Dit kan betrekking hebben op risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen.

Planspecifiek

Met de functiewijziging uit voorliggend plan wordt in het kader van externe veiligheid geen gevoelig object toegevoegd. Om deze reden wordt verder onderzoek met betrekking tot externe veiligheid achterwege gelaten.


Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect externe veiligheid.

4.1.7 Niet-gesprongen explosieven

Uit ervaring blijkt dat circa 10 tot 50% van de gebruikte Conventionele Explosieven (CE) uit WOII tijd niet functioneerde en als blindganger in de bodem is achtergebleven. Een blindganger vormt een wezenlijk risico tijdens grondroerende werkzaamheden. In de gemeente Krimpenerwaard is historisch vooronderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van niet-gesprongen explosieven (NGE) voor het beheergebied van HHSK. Hieruit blijkt dat het plangebied onverdacht is voor wat betreft het voorkomen van NGE. Verder onderzoek naar NGE is naar de mening van de ODMH niet noodzakelijk. Hoewel er geen indicaties zijn voor de aanwezigheid van NGE, kan niet met zekerheid worden gesteld dat die er niet zijn. Als men bij graafwerk stuit op een verdacht object, zijn passende maatregelen nodig.

4.2 Water

Water is een belangrijk aspect binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan.

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten.

Beleid Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard

Het beleid van het Hoogheemraadschap van Schieland en de Krimpenerwaard (verder: HHSK) is vastgelegd in het Waterbeheerplan HHSK 2016-2021, de Keur van Schieland en de Krimpenerwaard, algemene regels bij de Keur, peilbesluiten, leggers en andere documenten (zie: www.hhsk.nl/diensten/publicaties).

In deze documenten heeft HHSK de hoofdlijnen van het beleid voor de taken van het waterschap met betrekking tot de waterveiligheid, het oppervlaktewater- en grondwaterbeheer, het beheer van afvalwaterketen en emissies, en het wegenbeheer in de Krimpenerwaard vastgelegd. HHSK streeft ernaar om samen met gemeenten als partners op te trekken. Er moet worden ingezet op intensief overleg met gemeentebesturen voor het kunnen realiseren van projecten. De ruimtelijke ordening en de waterhuishouding moeten in onderlinge relatie worden ontwikkeld. Op basis van ervaring en deskundigheid adviseert HHSK over de mogelijkheden voor een duurzaam watersysteem. De laatste jaren is het inzicht gegroeid dat op een duurzamer wijze met het stedelijk waterbeheer dient te worden omgegaan, mede gezien de klimaatveranderingen. Aandachtspunten voor het duurzame stedelijk waterbeheer zijn het minimaliseren van wateroverlast, het realiseren van voldoende waterberging waarbij zoveel mogelijk een ecologische inrichting wordt nagestreefd, het verantwoord afkoppelen van verhard oppervlak en het voorkomen van diffuse verontreinigingen door toepassing van duurzame bouwmaterialen. De visie is uitgewerkt in een concreet maatregelenplan:

• Het woongenot, de belevingswaarde en de recreatieve mogelijkheden op en in het water voor burgers nemen toe.

• De waterkwaliteit voldoet tenminste aan de algemene milieukwaliteitseisen.

• Het waterhuishoudkundig systeem kent goede aan- en afvoermogelijkheden, waarbij de doorspoelbaarheid en de mogelijkheid om onder normale omstandigheden het waterpeil binnen zekere marges te handhaven, voldoende worden gewaarborgd.

• Het watersysteem is zo ingericht dat het de ontwikkeling van biologisch gezond water bevordert.

In zijn algemeenheid geldt dat voor aanpassingen aan het bestaande waterhuishoudingsysteem bij het

hoogheemraadschap vergunning dient te worden aangevraagd op grond van de Keur, tenzij voor de activiteit algemene regels van toepassing zijn.

Planspecifiek

Het plan voorziet niet in toename van oppervlakteverharding, alleen het agrarisch grondgebruik wijzigt. Langs de watergangen wordt een strook van 1,5 meter vrijgehouden van teelt. Deze strook wordt ingericht als bloemrijk, nat grasland. Het plan heeft derhalve geen nadelige invloed op de waterhuishouding. Het HHSK adviseert om met hen in overleg te gaan over de natuurvriendelijke inrichting.

Voor het inrichten, het dempen van een watergang, het aanleggen van een brug en het aanleggen van verharding geldt een vergunning/meldingsplicht bij het hoogheemraadschap.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit het aspect water.

4.3 Ecologie

Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Per 01-01-2017 zijn de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora en faunawet en de Boswet opgegaan in de nieuwe Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming beschermt natuurgebieden, inheemse soorten en het bosopstanden in Nederland.

Gebiedsbescherming

In de Wet natuurbescherming worden de zogenoemde Natura 2000-gebieden beschermd. Natura 2000 is de overkoepelende naam voor gebieden die worden beschermd vanuit de Vogel- en Habitatrichtlijn. Volgens deze Europese richtlijnen moeten lidstaten specifieke diersoorten en hun natuurlijke leefomgeving (habitat) beschermen om de biodiversiteit te behouden. Natura 2000-gebieden kennen een zogenaamde 'externe werking'. Dit betekent dat ontwikkelingen die buiten de begrenzing van de Natura 2000-gebieden gelegen zijn, ook getoetst moeten worden of er significant negatieve effecten optreden op het betreffende gebied.

Soortenbescherming

De soortenbescherming is geregeld in de Wet natuurbescherming (Wnb). Op dit punt vervangt de Wnb per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet. Het doel van de Wnb is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Wnb kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het ‘nee, tenzij’-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kunnen vrijstellingen en ontheffingen (door het bevoegd gezag) worden verleend van de verbodsbepalingen.

De Wnb kent een apart beschermingsregime voor Vogelrichtlijnsoorten (alle vogels), Habitatrichtlijnsoorten en nationaal beschermde soorten. Voor Vogel- en Habitatrichtlijnsoorten geldt een strikte bescherming. Voor de nationaal beschermde soorten hebben provincies de bevoegdheid om in het kader van ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden een vrijstelling te verlenen van de verbodsbepalingen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening.

Planspecifiek

Gebiedsbescherming

In de omgeving van het plangebied is het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Broekvelden, Vettenbroek & Polder Stein'. Dit gebied ligt op ruim 5 kilometer afstand van het plangebied. Door de geringe omvang van de ontwikkeling (functiewijziging naar tuinbouw) en de afstand tot het te beschermen gebied, kan het optreden van significante negatieve effecten worden uitgesloten.

Soortenbescherming

Het gebruik van het grasland is nu vrij intensief door het gebruik ten behoeve van het beweiden van vee, bemesten en graswinning. Het toekomstig gebruik is vergelijkbaar met de huidige intensiteit van gebruik. Hierdoor komt de gunstige staat van instandhouding van de soorten naar verwachting niet in gevaar. De rand van de percelen worden ingevuld met bloemrijk grasland. Dit is goed voor de biodiversiteit, omdat bloemen en kruiden veel insecten aantrekken die op hun beurt weer insectenetende vogels aantrekken en een leefgebied kunnen vormen voor kleinere zoogdieren en een landbiotoop voor amfibieën. Daarbij geldt altijd de algemene zorgplicht voor flora en fauna uit de Wet natuurbescherming.

De uitvoerbaarheid van het initiatief voor ecologie is hiermee aangetoond.

4.4 Verkeer

Onderdeel van goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur.

Onderhavig plan betreft enkel een functiewijziging van een agrarisch bedrijf. Met de realisatie van het plan nemen het aantal verkeersbewegingen en de parkeerbehoefte niet noemenswaardig toe in relatie tot het glastuinbouwbedrijf dat reeds op dit adres gevestigd is.

In het plangebied geldt het 'Parapluplan Parkeren Krimpenerwaard', waarbij de gemiddelde parkeerkencijfers van de CROW-publicatie 'toekomstbestendig parkeren' als norm worden gehanteerd. In het plangebied is voldoende ruimte om op eigen terrein te parkeren. Dit betreft met name de parkeerbehoefte van eigen werknemers.

Het initiatief is uitvoerbaar met betrekking tot het aspect verkeer.

4.5 Cultuurhistorie en archeologie

Elk ruimtelijk plan dient een beschrijving te bevatten van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische en archeologische waarden wordt omgegaan. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau te behouden en te versterken.

De bescherming van archeologische waarden bij ruimtelijke ontwikkelingen is geregeld in de Erfgoedwet. De essentie van de wettelijke bescherming is dat archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem bewaard blijven. Bij ruimtelijke plannen geldt de verplichting om rekening te houden met bekende en te verwachten archeologische waarden. Indien ingrepen gepaard gaan met een verstoring van de bodem, kan het nodig zijn om nader onderzoek te doen, zodat - waar nodig - de archeologische waarden veiliggesteld kunnen worden en/of het plan aangepast kan worden. De verantwoordelijkheid voor archeologische waarden ligt bij de gemeente.

Op basis van artikel 5.10 van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Er geldt een meldingsplicht bij het vinden van (mogelijke) waardevolle zaken.

Planspecifiek

Cultuurhistorie

Het plangebied ligt in een cultuurhistorisch waardevol veenweidegebied en in het gebied dat is aangeduid als 'kroonjuweel cultureel erfgoed'. Met voorliggend plan wordt een functieaanduiding (tuinbouw) toegevoegd aan agrarische gronden. Tuinbouw is een teelt die afwijkt van het gangbare bodemgebruik in veenweidegebied. Met het plan blijven de cultuurhistorische kenmerken, zoals het bestaande ontginningspatroon, de verkaveling en de bestaande watergangen, intact en herkenbaar, waarmee de bestaande cultuurhistorische waarden van het veenweidelandschap en het 'kroonjuweel cultureel erfgoed' behouden blijven. De voorgenomen ontwikkeling is gerechtvaardigd, omdat elders op grote schaal natuurontwikkeling kan plaatsvinden.

Archeologie

Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van de archeologische beleidskaart van de gemeente Krimpenerwaard met het plangebied blauw omcirkeld. Het grootste deel van het plangebied is aangeduid als 'Waarde - Archeologie 7'. Hiervoor geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen groter dan 10.000 m2 en dieper dan 3 meter onder het maaiveld. Een klein noordelijk deel van het plangebied is aangeduid als 'Waarde - Archeologie 3'. Hiervoor geldt een onderzoeksverplichting bij bodemingrepen groter dan 100 m2 en dieper dan 30 centimeter onder het maaiveld.

afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0012.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1931.BP1902BG023-VG01_0013.png"

Uitsnede archeologische beleidskaart gemeente Krimpenerwaard

Voorliggend plan betreft een bestemmingswijziging van een agrarisch bedrijf naar de functieaanduiding 'tuinbouw', om de teelt van aardbeien en groenten mogelijk te maken. De aardbeien worden geteeld in de open grond. Er vinden geen bodemingrepen dieper dan 30 cm plaats. Een archeologisch onderzoek is daarom niet nodig voor de voorgenomen ontwikkeling. De dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' voor het noordelijke deel van het plangebied wordt in voorliggend plan overgenomen. De aanduiding 'Waarde - Archeologie 7' behoeft geen juridische vertaling in het bestemmingsplan.

Het initiatief is uitvoerbaar vanuit de aspecten cultuurhistorie en archeologie.

4.6 Economische uitvoerbaarheid

Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan.

De ontwikkelingskosten komen geheel voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de realisatie van het plan hoeft de gemeente geen investering te doen. De kosten die door de gemeente gemaakt worden voor het voeren van de planologische procedure zijn verrekend in de leges.

Op basis van het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het plan economisch uitvoerbaar is.

Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving

5.1 Algemeen

Het bestemmingsplan is opgezet volgens de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar is wel een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan dit plan ten grondslag liggen. De toelichting is van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing.

Daarnaast maken ook eventuele bijlagen onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

Verbeelding

De verbeelding is een digitale kaart, waarop bestemmingen en aanduidingen zijn weergegeven. Aanduidingen worden gebruikt om bepaalde zaken specifieker te regelen, bijvoorbeeld in de vorm van gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, functieaanduidingen etc.

Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart). Daar waar een verschil is tussen de digitale en de analoge verbeelding, is de digitale versie leidend.

Regels

De planregels zijn standaard onderverdeeld in vier hoofdstukken.

  • Hoofdstuk I : Inleidende regels, deze bevatten de begrippen en wijze van meten;
  • Hoofdstuk II: Bestemmingsregels, dit zijn de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. De regels bevatten een bestemmingsomschrijving en regels voor het bouwen en het gebruik.
  • Hoofdstuk III: Algemene regels, dit zijn regels die gelden voor alle bestemmingen. Dit zijn onder meer (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden.
  • Hoofdstuk IV: Overgangs- en slotbepalingen.

5.2 Wijze van bestemmen

Voor de bestemmingen en de opzet van de regels is aangesloten bij de systematiek van het bestemmingsplan "Landelijk Gebied (voormalige gemeente Vlist)", vastgesteld door de gemeente Krimpenerwaard (2015).

Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen:

  • 'Agrarisch met waarden'; waarbij met de specifieke functieaanduiding 'tuinbouw' de agrarische bedrijfsactiviteiten die het bedrijf mag uitvoeren worden omschreven. Dit betreft enkel het gebruik van agrarische gronden.
  • Dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'; in het noordelijk deel van het plangebied, voor de bescherming van te verwachten archeologische waarden.

Met dit hoofdstuk is voldaan aan artikel 3.1.3 van het Bro.

Hoofdstuk 6 Procedure

6.1 Algemeen

Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Dit is het vooroverleg, waarin het conceptplan wordt voorgelegd aan het waterschap en aan die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg.

Op basis van artikel 3.1.6 Bro dient verslag te worden gedaan van de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de voorbereiding van het bestemmingsplan zijn betrokken. Dit is de inspraak. Van (formele) inspraak kan, zeker bij wat kleinere plannen, worden afgezien. De gemeentelijke inspraakverordening is daarbij ook van belang.

Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd te worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid voor belanghebbenden beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

6.2 Verslag vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro

Dit bestemmingsplan is in het kader van het wettelijk overleg toegezonden aan de overleginstanties. Er bestaan geen bezwaren tegen het plan. In bijlage 2 zijn de verschillende reacties samengevat en van antwoord voorzien. De reacties hebben geleid tot enkele tekstuele aanvullingen in de toelichting.

Het bestemmingsplan is tevens toegezonden aan de Omgevingsdienst Midden-Holland. Zij hebben een positief advies gegeven met betrekking tot het plan.

6.3 Verslag inspraak ex artikel 3.1.6 Bro

Gelet op de beperkte gevolgen van dit plan wordt er geen inspraak georganiseerd. De naaste buren zijn op de hoogte van het plan.

6.4 Verslag zienswijzen

Het ontwerpbestemmingsplan heeft met ingang van 12 februari 2020 gedurende zes weken voor een ieder ter inzage gelegen. Tijdens de termijn is één zienswijze ingediend. In de Nota beantwoording zienswijze in bijlage 3 is de zienswijze samengevat en beantwoord. Tevens is aangegeven waar dit heeft geleid tot aanpassing van het plan.