direct naar inhoud van 4.2 Provincie en regio
Plan: Bestemmingsplan Multifunctionele Accommodatie Bisonspoor
Status: onherroepelijk
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1904.BPmfabisonspoorMKB-OH01

4.2 Provincie en regio

Met de inwerkingtreding van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) per 1 juli 2008 heeft de provincie Utrecht de 'Beleidslijn nieuwe Wro' vastgesteld bij besluit van Provinciale Staten op 23 juni 2008 om het Streekplan Utrecht 2005-2015 als beleidskader slagvaardig te kunnen blijven toepassen.

De Beleidslijn markeert het provinciaal belang en legt de inzet van de nieuwe Wro-instrumenten vast. Met nadruk geldt dat deze Beleidslijn géén nieuw beleid bevat: de beleidsdoelen zoals deze zijn vastgelegd in het Streekplan zijn niet gewijzigd.

In de bijlage van de Beleidslijn zijn de beleidsuitspraken uit het streekplan gecategoriseerd als wettelijk provinciaal belang (1), provincie alleen sturend (2) en geen provinciaal belang (3).

4.2.1 Streekplan Utrecht 2005-2015

De provincie Utrecht heeft het provinciaal ruimtelijke beleid neergelegd in het Streekplan Utrecht 2005-2015, vastgesteld door Provinciale Staten op 13 december 2004. Het credo van het streekplan is duurzaamheid door kwalitatief hoogwaardige oplossingen, ontwikkelingsgericht ruimtelijk beleid en samenwerking als voorwaarde.

Het primaire doel van het streekplan is een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving, door een evenwicht tussen (leef)kwaliteit en de druk op de ruimte. De provincie kiest nadrukkelijk voor een beheerste groei. Dit betekent dat niet de kwantitatieve vraag, maar de ruimtelijke mogelijkheden bepalend zijn voor nieuwe ontwikkelingen. De ruimtelijke mogelijkheden en de randvoorwaarden vanuit water, natuur en milieu stellen grenzen aan de verstedelijking. Om te voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in een hogere laag leiden tot moeilijk of niet omkeerbare aantasting van lagere lagen hanteert de provincie een lagenbenadering. De consequenties dienen bij het beoordelen van de aanvaardbaarheid van nieuwe ontwikkelingen in beeld te worden gebracht – zie voor deze beoordeling de onderzoeken in hoofdstuk 5 'Ruimtelijke plan'.

De hoofdlijnen van het provinciaal ruimtelijke beleid voor het stedelijk gebied zijn:

  • Zorgvuldig ruimtegebruik: de verstedelijkingsopgave wordt primair benaderd vanuit de mogelijkheden van het bestaande stedelijk gebied. Bij nieuwbouw van woningen wordt prioriteit gegeven aan herstructurering en revitalisering, inbreiding en intensivering; pas daarna kan uitbreiding aan de orde komen. Het initiatief voor het plangebied kenmerkt zich als een intensivering en herstructurering van het gebruik van het bestaande stedelijk gebied.
  • Water als ordenend principe: de locatiekeuze voor functies als verstedelijking worden mede gebaseerd op de randvoorwaarden die het watersysteem stelt. Hierdoor kan de ruimtelijke ordening meer dan tot op heden bijdragen aan een duurzaam watersysteem, zowel kwalitatief als kwantitatief.- zie de watertoets in paragraaf 5.5 'Groen, natuur en blauw'.
  • Beschikbaarheid en capaciteit van de bestaande infrastructuur: de keuze voor nieuwe verstedelijkingslocaties is zoveel mogelijke gebaseerd op de beschikbaarheid en (toekomstige) capaciteit van de bestaande infrastructuur. De binnenstedelijke locatie van het plangebied kan voor de ontsluiting gebruik maken van het bestaande wegennet en openbaar vervoer.
  • Verstedelijking: nieuwe woningbouw en bedrijventerreinen worden vooral gerealiseerd in het stadsgewest Utrecht - waar de gemeente Maarssen onderdeel van uit maakt – met een accent in differentiatie qua programma en leefmilieu.

Rode contouren
Het principe van beheerste groei is in het ruimtelijke beleid voor de verstedelijking vertaald naar het principe van rode contouren, waar binnen de verstedelijkingsambities dienen plaats te vinden. Het ruimtelijke beleid is immers gericht op stedelijke vernieuwing en kwaliteitsvergroting in het bestaand stedelijk gebied én de aantasting van waardevolle en kwetsbare open ruimte door nieuwe verstedelijking zo veel mogelijk te vermijden. Vanuit deze optiek is het gewenst nieuwe bouwmogelijkheden binnen het bestaand stedelijk gebied goed te benutten. De rode contouren zijn per bebouwingskern op een specifieke contourenkaart opgenomen. Onderstaand is een uitsnede van Kaart 43 voor de kern Maarssen opgenomen, het plangebied – globaal aangeduid met een rode cirkel – is gelegen binnen de rode contour. Als de ontwikkelingen binnen de contour passen in het kwalitatieve en kwantitatieve ruimtelijk beleid uit het streekplan (behoud van kwaliteiten en waardevolle structuren, voldoende ruimte voor groen en water in de stad), worden (her)ontwikkelingen als passend beschouwd in het proces van vernieuwing en functieaanpassing van de kern.

afbeelding "i_NL.IMRO.1904.BPmfabisonspoorMKB-OH01_0023.jpg" Figuur 4.1 Uitsnede Kaart 43 kern Maarssen behorende bij het streekplan.

Wonen
In het woonbeleid is in het bijzonder aandacht voor inbreidingslocaties, waar efficiënt ruimtegebruik (bouwen in hoge dichtheden) noodzakelijk is, maar de aandacht voor de kwalitatieve aspecten essentieel blijkt . De gemeente heeft de ruimte om binnen de rode contour meer woningbouw te realiseren dan indicatief voorzien. Bij de kwalitatieve invulling – woningbouwprogramma – van de inbreidingslocaties dient de leefbaarheid en de specifieke waardevolle kwaliteiten behouden te blijven. De stedenbouwkundige en cultuurhistorische waarden, waardevol groen en speelterreinen dienen in stand te worden gehouden en veiligheid, gezondheid, milieu en waterhuishoudkundige situaties zo mogelijk te worden verbeterd.

In het gemeentelijke woningbouwprogramma dient daarnaast te worden ingespeeld op specifieke doelgroepen zoals starters, senioren, minder draagkrachtigen en combinatie van wonen en zorg. Hetgeen regionale afstemming en lokaal maatwerk vereist. Het initiatief voor het plangebied speelt met name in op de specifieke doelgroepen starters en senioren.

In het specifieke ruimtelijk beleid voor het Stadsgewest Utrecht is voor de kern Maarssen in de planperiode een woningbouwprogramma van ruim 1.100 woningen voorzien. Hiervoor beschikt Maarssen over rest- en inbreidingscapaciteit en vooral ook over transformatie- en intensiveringsmogelijkheden.

Voorzieningen
In het streekplan zijn geen specifieke beleidslijnen opgenomen voor de (her)ontwikkeling van binnensport- en recreatieaccommodaties op gemeentelijk niveau. De commerciële plint van circa 360 m² op de bibliotheeklocatie kan op diverse wijze worden ingevuld, zoals zakelijke dienstverlening, persoonlijke dienstverlening en winkelruimte. Gezien de omvang in relatie tot het aangrenzende winkel- en kantorencomplex past de ontwikkeling binnen de bredere opgave om het bestaande complex duurzaam te revitaliseren en te versterken - zie paragraaf 3.3.

4.2.2 ontwerp-Provinciale ruimtelijke verordening

Op 28 april 2009 hebben Gedeputeerde Staten van Utrecht het ontwerp van de Provinciale ruimtelijke verordening vastgesteld. Het ontwerp van de verordening is gebaseerd op artikel 4.1, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening. Doel van de verordening is om provinciale belangen op het gebied van de ruimtelijke ordening te laten doorwerken naar het gemeentelijk niveau. De verordening bevat daartoe bepalingen die bij het opstellen van gemeentelijke bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheers­verordeningen, in acht moeten worden genomen. Vooruitlopend op de definitieve vaststelling is het voorliggende bestemmingsplan reeds afgestemd op de provinciale verordening.

Voor het plangebied zijn de artikelen in hoofdstuk 7 'Stedelijk gebied' van de verordening van toepassing – zie figuur 4.2. Een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als 'Stedelijk gebied' bevat bestemmingen en regels voor woningbouw op nieuwe uitbreidingslocaties, waarbij de woningbouwaantallen genoemd in bijlage Woningbouwaantallen, onder het kopje nieuwe uitbreiding, richtinggevend zijn. De woningen - die middels het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt – maken onderdeel uit van de gemeentelijke capaciteit van 500 woningen voor de periode 2005-2015, zoals opgenomen in Bijlage Woningbouwaantallen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1904.BPmfabisonspoorMKB-OH01_0024.jpg" Figuur 4.2 Uitsnede kaart horende bij artikel 7 Provinciale ruimtelijke verordening, het plangebied is aangeduid met een rode stippellijn.

De toelichting op een bestemmingsplan voor een gebied dat is aangeduid als 'Mobiliteitstoets' – zie figuur 4.2 – en waarin ruimtelijke ontwikkelingen zijn voorzien, bevat een beschrijving van het aantal verplaatsingen die de ruimtelijke ontwikkelingen tot gevolg hebben – artikel 7.2, lid 1. Een toets zoals beschreven in bijlage Mobiliteitstoets van de verordening wordt niet nodig geacht – artikel 7.2, lid 2. De ruimtelijke ontwikkeling betreft grotendeels een vernieuwing van de bestaande voorzieningen, waar van het netto verkeerseffect beperkt is – zie ook paragraaf 5.4.

4.2.3 Regionaal Structuurplan 2005-2015

Het Bestuur Regio Utrecht heeft op 21 december 2005 het Regionaal Structuurplan 2005-2015 (RSP) vastgesteld. Het structuurplan geeft de hoofdlijnen van beleid voor de ontwikkeling van de regio Utrecht op het gebied van wonen, werken, groen en bereikbaarheid. Het plan vormt de basis voor de uitvoeringscontracten (2006) tussen gemeenten die samenwerken in het BRU.

Het centrale thema in het ruimtelijke beleid is 'beheerste dynamiek'- in aansluiting op het provinciale beleid – om sturing te geven aan de verstedelijkingsdruk (in kwantitatieve en kwalitatieve zin) ten behoeve van een evenwichtige ontwikkeling. Het verbeteren van de binnensport- en recreatieaccommodaties, het toevoegen van een jongerencentrum en intensiveren van het gebied met woningen past binnen de uitgangspunten in het RSP met betrekking tot het verbeteren van het woon- en leefklimaat én het bouwen van voldoende nieuwe woningen om de groei van de regio op te kunnen vangen.

Ruimte en wonen
Voor de ambities van de regio dient ruimte te worden gevonden voor 52.500 nieuwe woningen, waarbij het de opgave is de (landschappelijke) kwaliteiten van de regio zoveel mogelijk in stand te houden. De inzet is er daarom op gericht de toekomstige verstedelijking zoveel mogelijk binnen bestaand stedelijk gebied te realiseren. Naast de kwantitatieve opgave wil de regio ook inspelen op de veranderende woonwensen, de kwalitatieve opgave. Het accent ligt op de woonmilieus die binnen de regio nu niet of onvoldoende aanwezig zijn: de centrumstedelijke en landelijk dorpse woonmilieus.

Het woningbouwprogramma in een (sub)centrumstedelijke omgeving in het bestaand stedelijk gebied sluit qua locatie en programma goed aan op de regionale doelstellingen.

Uitvoeringscontract gemeente Maarssen
Het woningbouwprogramma past kwantitatief en kwalitatief – sociale sector – binnen de afspraken in het uitvoeringscontract van de gemeente Maarssen met het BRU.