direct naar inhoud van Regels
Plan: Stavoren - Zuid 2017
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1900.2017BPstavorenzuid-vast

Regels

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1 Begrippen

1.1 plan:

het Bestemmingsplan Stavoren - Zuid 2017 met identificatienummer NL.IMRO.1900.2017BPstavorenzuid-vast van de gemeente Súdwest-Fryslân;

1.2 bestemmingsplan

de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;

1.3 aan-huis-verbonden beroep

een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en de daarbij behorende gebouwen, met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.4 aanduiding

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels, regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;

1.5 aanduidingsgrens

de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;

1.6 aangebouwd bijgebouw

een aan het (hoofd)gebouw aanwezig gebouw, dat ruimtelijk ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

1.7 agrarisch bedrijf

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren;

1.8 bebouwing

één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;

1.9 bebouwingspercentage

een in het bestemmingsplan aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van een terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd;

1.10 bedrijfsgebouw

een gebouw dat dient voor de uitoefening van een bedrijf;

1.11 bedrijfsvloeroppervlakte

de totale (bruto) vloeroppervlakte van de ruimte die wordt gebruikt voor een aan-huis-verbonden beroep, een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, een (dienstverlenend) bedrijf en/of een dienstverlenende instelling, inclusief opslag- en administratieruimten en dergelijke;

1.12 bedrijfswoning

een woning in of bij een gebouw of op een terrein, kennelijk slechts bedoeld voor (het huishouden van) een persoon, wiens huisvesting daar gelet op de bestemming van het gebouw of het terrein noodzakelijk is;

1.13 bestaand

het legale gebruik dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig is en/of bebouwing die op dat tijdstip aanwezig of in uitvoering is, krachtens een bouwvergunning (vóór 1 oktober 2010) of een omgevingsvergunning voor het bouwen (ná 1 oktober 2010);

1.14 bestemmingsgrens

de grens van een bestemmingsvlak;

1.15 bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;

1.16 bijgebouw

een gebouw, behorende bij een op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en qua afmetingen ondergeschikt aan dat (hoofd)gebouw;

1.17 bouwen

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats;

1.18 bouwgrens

de grens van een bouwvlak;

1.19 bouwperceel

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;

1.20 bouwperceelgrens

een grens van een bouwperceel;

1.21 bouwvlak

een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten;

1.22 bouwwerk

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, welke direct of indirect met de grond verbonden is, danwel direct of indirect steun vindt in of op de grond;

1.23 camper

voor kamperen ingericht motorvoertuig;

1.24 cultuurgrond

grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden;

1.25 dagrecreactie

recreatie in de open lucht, niet zijnde verblijfsrecreatie of een dagrecreatieve voorziening;

1.26 dak

iedere bovenbeëindiging van een gebouw of overkapping;

1.27 detailhandel

het bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen en/of leveren van goederen aan personen die die goederen kopen voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsmatige activiteit;

1.28 dienstverlenend bedrijf en/of dienstverlenende instelling

een bedrijf of instelling waarvan de werkzaamheden bestaan uit het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, waaronder zijn begrepen kapperszaken, schoonheidsinstituten, fotostudio's, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijven en instellingen, met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting;

1.29 erotisch getinte vermaaksfunctie

een vermaaksfunctie, welke is gericht op het doen plaats vinden van voorstellingen en/of vertoningen van porno-erotische aard, waaronder begrepen een seksbioscoop, een seksclub en een seksautomatenhal;

1.30 erf

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan van toepassing is, deze die inrichting niet verbiedt;

1.31 erf- en terreinafscheiding

een bouwwerk, dat geen gebouw is en dat dient als scheiding tussen 2 of meer erven of terreinen, zoals muren, schuttingen, hekwerken of bouwwerken van vergelijkbare aard en omvang;

1.32 erker

een kleine grondgebonden uitbouw van maximaal één bouwlaag aan een voor- of zijgevel van een hoofdgebouw die in overwegende mate (minimaal 70%) een

transparante uitstraling heeft;

1.33 gebouw

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

1.34 grondgebonden agrarische bedrijfsvoering

een agrarische bedrijfsvoering die hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, zoals een melkveehouderij, een akkerbouwbedrijf of een tuinbouwbedrijf, waarbij het gebruik van agrarische gronden noodzakelijk is voor het functioneren van het bedrijf;

1.35 hoofdgebouw

een gebouw dat op een bouwperceel door zijn constructie en/of afmetingen als belangrijkste bouwwerk is aan te merken, met dien verstande dat aangebouwde en/of vrijstaande bijbehorende bouwwerken niet tot het hoofdgebouw worden gerekend;

1.36 horeca(bedrijf)

een bedrijf, in hoofdzaak gericht op:

  • a. het verstrekken van ter plaatse te nuttigen spijzen en/of dranken;
  • b. het verstrekken van nachtverblijf;
  • c. het verhuren en ter plaatse beschikbaar stellen van zaalruimten.

één en ander al dan niet in combinatie met een vermaaksfunctie, met uitzondering van erotisch getinte vermaaksfuncties;

1.37 jachthaven

een haven met de daarbij behorende grond waar overwegend gelegenheid wordt gegeven voor het aanleggen, afmeren of afgemeerd houden van recreatie- of pleziervaartuigen;

1.38 kampeermiddel

een tent, tentwagen, kampeerauto (camper) of caravan, niet zijnde een stacaravan, dan wel enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voorzover geen bouwwerk zijnde, één en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen geheel of ten dele blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;

1.39 kampeerterrein

een terrein met daarbij behorende voorzieningen, ter beschikking gesteld voor het houden van recreatief nachtverblijf of voor het plaatsen, dan wel het geplaatst houden van kampeermiddelen;

1.40 kantine

een ruimte waarin bedrijfsuitoefening is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van maaltijden, eenvoudige etenswaren en dranken;

1.41 kap

een dak met een zekere helling;

1.42 kleinschalige bedrijfsmatige activiteit

de in Bijlage 1 Lijst toegestane bedrijven genoemde bedrijvigheid, dan wel naar de aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen bedrijvigheid, die door zijn beperkte omvang in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend;

1.43 kleinschalig kamperen

een terrein in een kleinschalige opzet met een beperkt aantal staanplaatsen voor kampeermiddelen, niet zijnde stacaravans, inclusief de bij die kampeermiddelen behorende gemeenschappelijke faciliteiten, welk terrein uitsluitend in het toeristische seizoen opengesteld is en op welk terrein de kampeermiddelen ook alleen in het toeristische seizoen aanwezig zijn;

1.44 landschappelijke waarden

de aan een gebied toegekende waarden in verband met de waarneembare verschijningsvorm van dat gebied;

1.45 ligplaats

een gedeelte van het openbare water, bestemd of geschikt om door een woonschip met toegestane voorzieningen te worden ingenomen;

1.46 maatschappelijke voorzieningen

educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, levensbeschouwelijke, sport- en recreatieve voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel ten dienste van deze voorzieningen;

1.47 milieusituatie

het begrip zoals omschreven in Bijlage 2 Algemene toetsingscriteria;

1.48 natuur- en milieu-educatie

betreft alle vormen van (systematische en planmatige) leeractiviteiten met betrekking tot natuur, ecologie, milieu, landschap en duurzaamheid.

1.49 nutsvoorzieningen

een voorziening ten behoeve van de telecommunicatie en de gas-, water-, en elektriciteitsdistributie, alsmede soortgelijke voorzieningen van openbaar nut, waaronder in ieder geval worden begrepen transformatorhuisjes, pompstations, gemalen, telefooncellen, inzamelpunten huishoudelijk afval, oplaadpalen accu's

en zendmasten;

1.50 overkapping

elk bouwwerk, geen gebouw zijnde, dat een overdekte ruimte vormt met ten hoogste één wand;

1.51 peil
  • voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de kruin van de weg ter plaatse van de hoofdtoegang;
  • voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
  • indien in, op, of over het water wordt gebouwd: het gemiddelde waterpeil;
  • indien de onder a tot en met c genoemde peilen in het veld aanleiding geven tot onduidelijkheden, een door of namens het bevoegd gezag aan te wijzen peil;
1.52 pension

een horecabedrijf waar de bedrijfsuitoefening hoofdzakelijk is gericht op het tegen vergoeding verstrekken van logies;

1.53 permanente bewoning

bewoning van een ruimte als hoofdverblijf waardoor die ruimte als reguliere woning is aan te merken. Er is sprake van hoofdverblijf als de huurder/eigenaar, binnen een periode van 360 dagen, die ruimte meer dan 180 dagen gebruikt voor nachtverblijf;

1.54 prostitutie

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding;

1.55 recreatief medegebruik

een recreatief gebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan;

1.56 recreatieve bewoning

de bewoning die plaatsvindt in het kader van weekend- en/of verblijfsrecreatie door personen die elders hun hoofdverblijf hebben;

1.57 recreatiewoning

een gebouw of een complex van ruimten in een gebouw dat naar de aard en inrichting is bedoeld voor recreatieve bewoning;

1.58 risicovolle inrichting

een inrichting, bij welke ingevolge het 'Besluit externe veiligheid inrichtingen' een grenswaarde, een richtwaarde voor het risico c.q. een risico-afstand moet worden aangehouden bij het in het bestemmingsplan toelaten van kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten

1.59 schiphuis

Een overdekte lig- of opslagplaats voor één of meerdere boten.

1.60 seksinrichting

een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch/pornografische aard plaatsvinden;

Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar;

1.61 sociale veiligheid

het begrip zoals omschreven in Bijlage 2 Algemene toetsingscriteria;

1.62 straat- en bebouwingsbeeld

het begrip zoals omschreven in Bijlage 2 Algemene toetsingscriteria;

1.63 stacaravan en chalets

een kampeermiddel in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen, dat mede gelet op de afmetingen, kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstanden als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen;

1.64 trekkershut

een kleine houten verblijfplaats op een camping bedoeld voor recreatieve bewoning;

1.65 verkeersveiligheid

het begrip zoals omschreven in Bijlage 2 Algemene toetsingscriteria;

1.66 verkoopvloeroppervlakte

de voor het publiek zichtbare en toegankelijke (besloten) winkelruimte ten behoeve van de (productiegebonden) detailhandel;

1.67 voorbouwgrens

de naar de weg gekeerde bouwgrens, met dien verstande dat, indien een bouwvlak gericht is op meerdere wegen, de bouwgrens die door de ligging en/of de situatie ter plaatse als voorbouwgrens moet worden aangemerkt;

1.68 voorgevel

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die door de ligging, de situatie ter plaatse en/of de indeling van het gebouw als voorgevel moet worden aangemerkt;

1.69 voorkeursgrenswaarde

de bij een bestemmingsplan in acht te nemen maximale waarde voor de geluidsbelasting van geluidsgevoelige objecten, zoals deze rechtstreeks kan worden afgeleid uit de Wet geluidhinder en/of het Besluit geluidhinder;

1.70 vrijstaand bijgebouw

een niet met het (hoofd)gebouw verbonden gebouw, dat ruimtelijk ondergeschikt is aan het op hetzelfde bouwperceel gelegen (hoofd)gebouw en ten dienste staat van dat (hoofd)gebouw;

1.71 waarde - archeologie

Binnen de gemeente SWF wordt gebruikt gemaakt van twee soorten archeologische waarden. Het betreft de dubbelbestemmingen “Waarde archeologie 1” en “Waarde archeologie 2”. Waarde archeologie 1 wordt gehanteerd voor terreinen of gebieden die op de FAMKE het advies 'streven naar behoud' en 'waarderend onderzoek' hebben meegekregen, dus de bekende archeologisch waardevolle terreinen. Waarde archeologie 2 wordt gehanteerd voor gebieden die op de FAMKE het advies 'karterend onderzoek' en 'quickscan' hebben gekregen en derhalve de gebieden met een archeologische verwachtingswaarde. Waterbodems, die op de FAMKE nog niet zijn opgenomen, hebben eveneens een archeologische verwachtingswaarde gekregen. Voor dit bestemmingsplan is alleen sprake van Waarde archeologie 2.

1.72 weg

alle voor het openbaar rij- of ander verkeer openstaande wegen of paden, daaronder begrepen de daarin gelegen bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen en zijkanten, alsmede de aan de weg liggende parkeergelegenheden;

1.73 woning

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden;

1.74 woongebouw

een gebouw, dat meerdere naast elkaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat met één of meer gemeenschappelijke toegangen en dat qua uiterlijke verschijningsvorm als een eenheid beschouwd kan worden;

1.75 woonsituatie

het begrip zoals omschreven in Bijlage 2 Algemene toetsingscriteria.

Artikel 2 Wijze van meten

Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

  • a. de bouwhoogte van een bouwwerk:
    vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen;
  • b. de dakhelling:
    langs het dakvlak ten opzichte van het horizontale vlak;
  • c. de goothoogte van een bouwwerk:
    vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
  • d. de inhoud van een bouwwerk:
    tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen;
  • e. de oppervlakte van een bouwwerk:
    tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk;
  • f. de afstand tot de zijdelingse perceelgrens:
    de kortste afstand van enig punt van een gebouw tot de zijdelingse perceelgrens;
  • g. de lengte, breedte en diepte van een gebouw:
    tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenkant van de gevels en/of het hart van de scheidingsmuren.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Agrarisch' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. agrarische cultuurgronden;
  • b. (landbouw) ontsluitingswegen;
  • c. water;
  • d. dagrecreatieve voorzieningen, uitsluitend in de vorm van parkeer- en picknickvoorzieningen, visplaatsen, aanlegplaatsen en naar de aard daarmee gelijk te stellen kleinschalige voorzieningen;

3.2 Bouwregels
3.2.1 Gebouwen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen gebouwd worden.

3.2.2 Bouwwerken geen gebouwen zijnde

Voor het bouden van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, geldt dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, buiten de denkbeeldige rechthoek of bouwvlak, niet meer dan 2 m mag bedragen.

3.3 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik strijdig met deze bestemming wordt begrepen het gebruik dat afwijkt van de bestemmingsomschrijving, waaronder in elk geval wordt begrepen:

  • a. het gebruik van gronden als standplaats voor kampeermiddelen;
  • b. het gebruik van gronden voor trekkershutten;
  • c. het gebruik van gronden voor voer- en mestopslag;
  • d. het gebruik van de gronden ten behoeve van houtproductie, boomgaarden en boomkwekerijen;
  • e. het gebruik van gronden ten behoeve van de opslag van afbraak- en bouwmaterialen, grond- en bodemspecie, puin en hekkelmateriaal;
  • f. het gebruik van gronden voor beplantingsstroken, met uitzondering van bestaande beplantingsstroken en beplantingsstroken welke op grond van dit plan dienen te worden gerealiseerd ten behoeve van landschappelijke inpassing.

Artikel 4 Agrarisch - Agrarisch bedrijf

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Agrarisch - Agrarisch bedrijf ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. gebouwen en overkappingen ten behoeve van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
  • b. één bedrijfswoning;
  • c. bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning;
  • d. sanitair en beheersgebouwen ten behoeve van het naastliggende kleinschalige kampeerterrein;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. nutsvoorzieningen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. paden;
  • i. sloten, bermen en beplanting;
  • j. tuinen, erven en terreinen;

met de daarbij behorende:

  • k. overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
4.2 Bouwregels
4.2.1 Gebouwen
a Bedrijfsgebouwen

Voor het bouwen van de in lid 4.1 sub a genoemde gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. per bestemmingsvlak mogen uitsluitend gebouwen ten behoeve van één agrarisch bedrijf worden gebouwd;
  • b. er mogen geen kassen en naar de aard daarmee gelijk te stellen bedrijfsgebouwen worden gebouwd;
  • c. de goothoogte zal ten hoogste 4,50 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte zal ten hoogste 14,00 meter bedragen.
b Bedrijfswoning

Per agrarisch bedrijf zal ten hoogste één bedrijfswoning worden gebouwd, waarvoor geldt dat:

  • a. de oppervlakte ten hoogste 150 m2 zal bedragen;
  • b. de goothoogte ten hoogste 4,00 meter zal bedragen;
  • c. de bouwhoogte ten hoogste 10,00 meter zal bedragen;
  • d. de dakhelling niet minder dan 35° en niet meer dan 65° zal bedragen;
c Sanitair en beheergebouwen ten behoeve van kleinschalig kamperen

Voor het bouwen van sanitair en beheergebouwen ten behoeve van het naastliggende kleinschalige kampeerterrein gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte aan gebouwen ten behoeve van beheervoorzieningen en sanitaire voorzieningen mag maximaal 200m² bedragen;
  • b. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 3,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 6,00 meter bedragen.
4.2.2 Bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. de bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 meter achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;
  • b. in afwijking van het bepaalde in sub a mag een overkapping op ten minste 1,00 meter achter naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning worden gebouwd;
  • c. de afstand van een vrijstaand bijgebouw en een niet aan de bedrijfswoning gebouwde overkapping tot de bedrijfswoning zal ten minste 3,00 meter bedragen;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning zal ten hoogste 100 m² bedragen, op voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer zal bedragen dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning;
  • e. de goothoogte van de bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 3,00 meter bedragen;
  • f. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 6,00 meter bedragen;
  • g. de bouwhoogte van een aangebouwd bijgebouw zal ten minste 1,00 meter lager zijn dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning tot een maximum van 7,00 meter .
  • h. ter plaatse van de aanduiding 'opslag' mag in afwijking van bovenstaande een overkapping gerealiseerd worden voor het agrarisch bedrijf en SkipsMaritiem met een oppervlakte van maximaal 100m².
4.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 10,00 meter bedragen.
4.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. een goede woonsituatie;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de verkeersveiligheid;
  • d. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
4.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor opslag van niet-agrarische producten en/of het stallen van auto's, boten en caravans anders dan in gebouwen;
  • b. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor een niet-grondgebonden agrarische bedrijfsvoering;
  • c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van detailhandel;
  • d. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor recreatieve doeleinden met uitzondering van gebouwen ten behoeve van beheer en sanitair als bedoeld in lid 4.2.1 onder c.
4.5 Afwijken van de gebruiksregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de milieusituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 4.4 sub c in die zin dat gronden en bouwwerken worden gebruikt voor de uitoefening van ondergeschikte productiegebonden detailhandel.

 

Artikel 5 Agrarisch met waarden

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Agrarisch met waarden ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. cultuurgrond;
  • b. het behoud, het herstel en/of de ontwikkeling van de landschappelijke en natuurwetenschappelijke waarden;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. kleinschalig kamperen;
  • d. paden en kavelontsluitingswegen;
  • e. groenvoorzieningen;
  • f. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • g. openbare nutsvoorzieningen;
  • h. water;

met de daarbij behorende:

overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.

5.2 Bouwregels
5.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

5.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 6,00 meter bedragen.
5.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

5.4 Specifieke gebruiksregels

Een kleinschalig kampeerterrein is alleen toegestaan indien voldaan wordt aan de volgende gebruiksregels:

  • a. het kleinschalig kampeerterrein wordt op of in aansluiting bij het erf gerealiseerd uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - kleinschalig kamperen';
  • b. het kleinschalig kampeerterrein dient op ten minste 500 meter van een bestaand kleinschalig kampeerterrein te worden gesitueerd;
  • c. het kleinschalig kampeerterrein is niet toegestaan voor zover de gronden grenzen aan de bebouwde kom of gelegen zijn binnen een afstand van 50 meter tot een woon- of een bedrijfsperceel van derden;
  • d. het kleinschalig kampeerterrein is slechts toegestaan indien er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
  • e. rond (de uitbreiding van) het kleinschalig kampeerterrein wordt voorzien in een algehele of gedeeltelijke afschermende beplantingsstrook, waarbij een beplantingsstrook met een breedte van 5 meter in ieder geval als afschermend wordt aangemerkt;
  • f. het aantal standplaatsen voor het kleinschalig kampeerterrein ten hoogste 25 mag bedragen;
  • g. er mogen geen stacaravans worden gebouwd/ geplaatst;
  • h. in de periode van 1 november tot en met 14 maart van elk kalenderjaar mogen er geen kampeermiddelen aanwezig zijn;
  • i. Het aanleggen en exploiteren van het in artikel 5.1 onder c bedoelde terrein is alleen toegestaan indien de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd zoals bepaald in hoofdstuk 3.3 van bijlage 4 van de regels;
  • j. gebouwen ten behoeve van het kleinschalig kamperen (beheer en sanitair) moeten worden gebouwd binnen de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf'.
5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
5.5.1 Vergunningplicht

Het is verboden om zonder een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

  • a. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen, niet zijnde perceel- en/of kavelontsluitingswegen, met een oppervlakte van meer dan 20 m²;
  • b. het afgraven, ophogen of egaliseren van gronden over een oppervlakte groter dan 1 hectare, zodanig dat er een verschil in hoogte, c.q. diepte ten opzichte van het bestaande maaiveld ontstaat van meer dan 0,3 meter;
  • c. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het recreatief medegebruik;
  • d. het graven of dempen van watergangen, uitsluitend indien dit een wijziging van het kavelpatroon tot gevolg heeft.
5.5.2 Uitzonderingen

Het in 5.5.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud en/of de normale exploitatie betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn dan wel krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.
5.5.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning wordt slechts verleend, indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de landschappelijke en/of natuurlijke waarden van de gronden.

Artikel 6 Groen

6.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Groen ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. groenvoorzieningen;
  • b. speelterreinen;
  • c. bermen en beplanting;
  • d. het recreatief medegebruik;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. wegen, straten en paden;
  • f. tuinen;
  • g. parkeervoorzieningen;
  • h. speelvoorzieningen;
  • i. openbare nutsvoorzieningen;
  • j. water;
  • k. incidentele evenementen;

met de daarbij behorende:

  • l. overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
6.2 Bouwregels
6.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

6.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 3,00 meter bedragen.
6.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid; en
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
6.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden voor verblijfsrecreatieve doeleinden.

Artikel 7 Horeca

7.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een hotel / restaurant;
  • b. recreatie appartementen;

met de daarbij behorende:

  • c. groenvoorzieningen;
  • d. wegen en paden;
  • e. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
7.2 Bouwregels
7.2.1 Gebouwen en overkappingen ten behoeve van horeca

Voor het bouwen van de in lid 7.1 genoemde gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 1.120 m² bedragen;
  • c. het aantal appartementen ten behoeve van recreatieve bewoning mag niet meer dan 30 bedragen;
  • d. de goot- en bouwhoogte van een gebouw zal ter plaatse van de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' ten hoogste de aangegeven hoogte bedragen.
7.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 6,00 meter bedragen.
7.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
7.4 Afwijken van de bouwregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.2  voor wat betreft het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak en toestaan dat buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits de genoemde gezamenlijke oppervlakte niet wordt overgeschreden en de bouw- en goothoogte overeenkomstig de bebouwing binnen het bouwvlak wordt gebouwd.

7.5 Specifieke gebruiksregels
7.5.1 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing

Een omgevingsvergunning, als bedoeld in artikel 2.1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, voor het bouwen van een gebouw als bedoeld in artikel 7.2.1, kan slechts worden verleend, indien de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en instand gehouden zoals bepaald in hoofdstuk 3.3 van bijlage 4 van de regels.

Artikel 8 Natuur - IJsselmeer

8.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ‘Natuur - IJsselmeer’ aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. doeleinden van natuur en landschap, zijnde het behoud, het herstel en de ontwikkeling van het waterecosysteem IJsselmeer en de daaraan eigen natuurlijke en landschappelijke waarden;

 

met daaraan ondergeschikt:

  • b. vaarwegen;
  • c. dagrecreatie;
  • d. beroepsscheepvaart;
  • e. beroepsvisserij;
  • f. zandwinning;
  • g. aanleggelegenheid;

 

met de daarbijbehorende:

  • h. kaden en dijken;
  • i. verhardingen;
  • j. nutsvoorzieningen;
  • k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

8.2 Specifieke gebruiksregels

 

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van verblijfsrecreatieve doeleinden;
  • b. het gebruik van gronden ten behoeve van het zoeken naar en het winnen van diepe delfstoffen;
  • c. het gebruik van gronden als permanente ligplaats voor vaartuigen en/of woonschepen;
  • d. het innemen van een ligplaats.

8.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. het aanplanten van riet en biezen;
    • 2. het aanleggen van stranden;
    • 3. het aanleggen van kaden en dijken;
    • 4. het verdiepen, verbreden, aanbrengen en/of verleggen van vaargeulen.

 

  • b. Het bepaalde in sub a en sub b geldt niet voor het uitvoeren van werken of werkzaamheden die:
    • 1. het normale onderhoud en/of het normale natuurbeheer betreffen;
    • 2. al in uitvoering waren op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan;
    • 3. mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning.

 

  • c. De omgevingsvergunning als bedoeld in sub a kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden.

Artikel 9 Recreatie - Dagrecreatie

9.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Recreatie - Dagrecreatie ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. voorzieningen ten behoeve van water- en oeverrecreatie;
  • b. gebouwen, voor zover ten dienste van de recreatie, ten behoeve van:
    • 1. onderhoud en beheer;
    • 2. sanitaire voorzieningen;
  • c. strand en oeverlanden;
  • d. water;

met de daarbij behorende:

  • e. surfaccommodaties;
  • f. sport- en speelterreinen;
  • g. groenvoorzieningen;
  • h. wegen en paden;
  • i. parkeervoorzieningen, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend parkeervoorzieningen zijn toegestaan;
  • j. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
9.2 Bouwregels
9.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van de in lid  9.1 sub b genoemde gebouwen en overkappingen gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal niet meer dan de bestaande oppervlakte bedragen;
  • c. de oppervlakte per gebouw zal niet meer dan de bestaande oppervlakte bedragen;
  • d. de goot- en bouwhoogte van een gebouw zal ter plaatse van de aanduiding 'maximale goot- en bouwhoogte' ten hoogste de aangegeven hoogte bedragen.
9.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 6,00 meter bedragen.
9.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
9.4 Afwijken van de bouwregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid 9.2  voor wat betreft het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak en toestaan dat buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits de genoemde gezamenlijke oppervlakte niet wordt overgeschreden en de bouw- en goothoogte overeenkomstig de bebouwing binnen het bouwvlak wordt gebouwd.

9.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden voor verblijfsrecreatieve doeleinden.

Artikel 10 Recreatie - Jachthaven 1

10.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Recreatie - Jachthaven 1 ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. terreinen en water ten behoeve van aanleggelegenheid en een kampeerterrein;
  • b. gebouwen, voor zover ten dienste van de recreatie, ten behoeve van:
    • 1. horeca ter plaatse van de aanduiding 'horeca';
    • 2. detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel', met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen, waarbij geldt dat de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van detailhandel ten hoogste 250 m2 zal bedragen;
    • 3. dienstverlening, ter plaatse van de aanduiding 'gemengd';
    • 4. een reparatiewerf, niet zijnde een Wgh-inrichting en/of een inrichting als genoemd in bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage;
    • 5. schiphuizen;
    • 6. natuur- en milieu-educatie met een daarin opgenomen dienstwoning;
  • c. bedrijfswoningen, waarbij geldt dat het aantal bedrijfswoningen per bestemmingsvlak ten hoogste 3 zal bedragen, waarvan ten minste 1 bedrijfswoning ten behoeve van natuur en milieueducatie;
  • d. bijbebouwen bij bedrijfswoningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • e. gebouwen en overkappingen ten behoeve van:
    • 1. sanitaire voorzieningen;
    • 2. onderhoud en beheer;
  • f. groenvoorzieningen;
  • g. parkeervoorzieningen, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend parkeervoorzieningen zijn toegestaan;
  • h. speelvoorzieningen, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'zwembad' een zwembad is toegestaan;
  • i. wegen, straten en paden;
  • j. openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • k. tuinen, erven en terreinen;
  • l. overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, waaronder steigers en kaden.
10.2 Bouwregels
10.2.1 Gebouwen voor horeca, detailhandel en dienstverlening

Voor het bouwen van de in lid 10.1 sub b onder 1, 2 en 3 genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 2.500 m2 bedragen;
  • b. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 6,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 10,00 meter bedragen;
  • d. de dakhelling van een gebouw zal ten hoogste 45° bedragen.
10.2.2 Gebouwen voor reparatiewerf

Voor het bouwen van de in lid  10.1 sub b onder 4 genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 5.000 m2 bedragen;
  • b. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 6,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 10,00 meter bedragen;
  • d. de dakhelling van een gebouw zal ten hoogste 45° bedragen.
10.2.3 Gebouwen voor schiphuizen

Voor het bouwen van de in lid  10.1 sub b onder 5 genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 2.000 m2 bedragen;
  • b. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 4,00 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 7,00 meter bedragen;
  • d. de dakhelling van een gebouw zal ten hoogste 45° bedragen.
10.2.4 Gebouwen voor natuur- en milieu-educatie

Voor het bouwen van de in lid  10.1 sub b onder 6 genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 4.000 m2 bedragen;
  • b. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 3,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 7,00 meter bedragen;
  • d. de dakhelling van een gebouw zal ten hoogste 45° bedragen.
10.2.5 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. de oppervlakte zal ten hoogste 150 m2 bedragen;
  • b. de goothoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 3,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een bedrijfswoning zal ten hoogste 10,00 meter bedragen;
  • d. de dakhelling zal niet minder dan 35° en niet meer dan 65° bedragen;
  • e. als de bedrijfswoning wordt ingebouwd in een ander gebouw gelden in afwijking van het bepaalde sub b, c en d de maximale goothoogte, de maximale bouwhoogte en de maximale dakhelling die voor dat andere gebouw gelden.
10.2.6 Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. de bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 meter achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;
  • b. in afwijking van het bepaalde in sub a mag een overkapping op ten minste 1,00 meter achter naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning worden gebouwd;
  • c. de afstand van een vrijstaand bijgebouw en een niet aan de bedrijfswoning gebouwde overkapping tot de bedrijfswoning zal ten minste 3,00 meter bedragen;
  • d. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning zal ten hoogste 50 m² bedragen, op voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer zal bedragen dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning, tenzij de bestaande oppervlakte groter is, in welk geval de bestaande oppervlakte als maximum geldt;
  • e. de goothoogte van de bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 3,00 meter bedragen;
  • f. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 5,00 meter bedragen;
  • g. de bouwhoogte van een aangebouwd bijgebouw zal ten minste 1,00 meter lager zijn dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning.
10.2.7 Gebouwen voor sanitair, beheer en onderhoud

Voor het bouwen van de in lid  10.1 onder f genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 500 m2 bedragen;
  • b. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 3,50 meter bedragen, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 6,00 meter bedragen, tenzij anders op de verbeelding is aangegeven.
10.2.8 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van steigers zal ten hoogste 3,00 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 10,00 meter bedragen.
10.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
10.4 Afwijken van de bouwregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. lid  10.2 en worden toegestaan dat op een kampeerterrein trekkershutten worden gebouwd, waarvoor geldt dat:
    • 1. de oppervlakte van een trekkershut ten hoogste 30 m2 zal bedragen;
    • 2. de goothoogte van een trekkershut ten hoogste 3,50 meter zal bedragen;
    • 3. de bouwhoogte van een trekkershut ten hoogste 6,00 meter zal bedragen;
  • b. lid  10.2.6 sub e in die zin dat de goothoogte van een bijgebouw of een overkapping wordt verhoogd tot ten hoogste 4,50 meter ;
  • c. lid 10.2 voor wat betreft het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak en toestaan dat buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits de genoemde gezamenlijke oppervlakte niet wordt overgeschreden en de bouw- en goothoogte overeenkomstig de bebouwing binnen het bouwvlak wordt gebouwd.
10.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van vaartuigen, kampeermiddelen en gebouwen, anders dan bedrijfswoningen, voor permanente bewoning;
  • b. het gebruik van bijgebouwen voor recreatieve bewoning.
10.6 Afwijken van de gebruiksregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid  10.1  sub b onder 2 en toestaan dat de gebouwen worden gebruikt ten behoeve van detailhandel in voedings- en genotmiddelen.

Artikel 11 Recreatie - Jachthaven 2

11.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Recreatie - Jachthaven 2 ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. terreinen en water ten behoeve van aanleggelegenheid;
  • b. gebouwen, voor zover ten dienste van de recreatie, ten behoeve van:
    • 1. horeca;
    • 2. detailhandel ter plaatse van de aanduiding 'detailhandel', met uitzondering van detailhandel in voedings- en genotmiddelen, waarbij geldt dat de verkoopvloeroppervlakte ten behoeve van detailhandel ten hoogste 150 m2 zal bedragen;
    • 3. dienstverlening, waaronder ter plaatse van de aanduiding 'kantoor' voor een havenkantoor;
    • 4. een reparatiewerf ter plaatse van de aanduiding 'haven', niet zijnde een Wgh-inrichting en/of een inrichting als genoemd in bijlage C en D van het Besluit milieueffectrapportage;
  • c. bedrijfswoningen;
  • d. bijgebouwen bij bedrijfswoningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. ter plekke van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend parkeervoorzieningen;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. gebouwen en overkappingen ten behoeve van:
    • 1. sanitaire voorzieningen;
    • 2. onderhoud en beheer;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. speelvoorzieningen;
  • j. wegen, straten en paden;
  • k. openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • l. tuinen, erven en terreinen;
  • m. overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, waaronder steigers en kaden.
11.2 Bouwregels
11.2.1 Gebouwen voor horeca, detailhandel en dienstverlening

Voor het bouwen van de in lid 11.1 sub b onder 1, 2 en 3 genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 3.325 m2 bedragen;
  • c. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 9,00 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 12,00 meter bedragen;
  • e. de dakhelling van een gebouw zal ten hoogste 45° bedragen.
11.2.2 Gebouwen voor reparatiewerf

Voor het bouwen van de in lid  11.1 sub b onder 4 genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 5.000 m2 bedragen;
  • c. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 9,00 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 12,00 meter bedragen;
  • e. de dakhelling van een gebouw zal ten hoogste 45° bedragen.
11.2.3 Gebouwen voor sanitair, beheer en onderhoud

Voor het bouwen van de in lid  11.1 onder e genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 900 m2 bedragen;
  • b. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 3,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 6,00 meter bedragen.
11.2.4 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. een bedrijfswoning dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. het maximaal aantal bedrijfswoningen mag niet meer dan twee bedragen;
  • c. de oppervlakte zal ten hoogste 150 m2 bedragen;
  • d. de goothoogte zal ten hoogste 5,50 meter bedragen;
  • e. de bouwhoogte zal ten hoogste 10,00 meter bedragen;
  • f. de dakhelling zal niet minder dan 35° en niet meer dan 65° bedragen;
  • g. als de bedrijfswoning wordt ingebouwd in een ander gebouw gelden in afwijking van het bepaalde sub c, d en e de maximale goothoogte, de maximale bouwhoogte en de maximale dakhelling die voor dat andere gebouw gelden.
11.2.5 Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 meter achter de naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;
  • c. in afwijking van het bepaalde in sub a mag een overkapping op ten minste 1,00 meter achter naar de weg gekeerde gevel(s) van de bedrijfswoning worden gebouwd;
  • d. de afstand van een vrijstaand bijgebouw en een niet aan de bedrijfswoning gebouwde overkapping tot de bedrijfswoning zal ten minste 3,00 meter bedragen;
  • e. de gezamenlijke oppervlakte van de bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning zal ten hoogste 100 m² bedragen, op voorwaarde dat de gezamenlijke oppervlakte niet meer zal bedragen dan 90% van de oppervlakte van de bedrijfswoning;
  • f. de goothoogte van de bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 3,00 meter bedragen;
  • g. de bouwhoogte van vrijstaande bijgebouwen en overkappingen zal ten hoogste 5,00 meter bedragen;
  • h. de bouwhoogte van een aangebouwd bijgebouw zal ten minste 1,00 meter lager zijn dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning.
11.2.6 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van steigers zal ten hoogste 3,00 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 10,00 meter bedragen.
11.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
11.4 Afwijken van de bouwregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. lid 11.2 voor wat betreft het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak en toestaan dat buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits de genoemde gezamenlijke oppervlakte niet wordt overgeschreden en de bouw- en goothoogte overeenkomstig de bebouwing binnen het bouwvlak wordt gebouwd.
11.5 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van vaartuigen, kampeermiddelen en gebouwen die ter plaatse niet zijn aangeduid als 'bedrijfswoning' voor permanente bewoning;
  • b. het gebruik van bijgebouwen voor recreatieve bewoning.
11.6 Afwijken van de gebruiksregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in lid  11.1  sub b onder 2 en toestaan dat de gebouwen worden gebruikt ten behoeve van detailhandel in voedings- en genotmiddelen.

Artikel 12 Recreatie - Kampeerterrein

12.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Recreatie - Kampeerterrein ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. een kampeerterrein en ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - stacaravans' tevens voor recreatief verblijf in stacaravans en/of chalets;
  • b. camperstandplaats en kampeerterrein, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperterrein';
  • c. gebouwen en overkappingen ten behoeve van:
    • 1. sanitaire voorzieningen;
    • 2. onderhoud en beheer;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. parkeervoorzieningen;
  • f. ter plekke van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend parkeervoorzieningen;
  • g. speelvoorzieningen;
  • h. wegen, straten en paden;
  • i. openbare nutsvoorzieningen, waaronder ondergrondse opvangbakken van campertoiletten;

met daaraan ondergeschikt:

  • j. water;

met de daarbij behorende:

  • k. tuinen, erven en terreinen;
  • l. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
12.2 Bouwregels
12.2.1 Gebouwen ten behoeven van het kampeerterrein

Voor het bouwen van de in lid  12.1 onder a genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. stacaravans en chalets mogen uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - stacaravans' gebouwd worden;
  • b. de oppervlakte per gebouw mag maximaal 70m² bedragen;
  • c. de goothoogte mag maximaal 3 meter bedragen.
  • d. de bouwhoogte mag maximaal 4 meter bedragen.
12.2.2 Gebouwen voor sanitair, beheer en onderhoud

Voor het bouwen van de in lid  12.1 onder c genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. een gebouw dient binnen een bouwvlak te worden gebouwd;
  • b. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 250 m2 bedragen;
  • c. de oppervlakte per gebouw zal ten hoogste 100 m2 bedragen;
  • d. de bouwhoogte van een gebouw zal ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' ten hoogste de aangegeven hoogte bedragen;
12.2.3 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 5,00 meter bedragen.
12.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
12.4 Afwijken van de bouwregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde in:

  • a. lid 12.2 en worden toegestaan dat op het kampeerterrein trekkershutten worden gebouwd, waarvoor geldt dat:
    • 1. de oppervlakte van een trekkershut ten hoogste 30 m2 zal bedragen;
    • 2. de goothoogte van een trekkershut ten hoogste 3,50 meter zal bedragen;
    • 3. de bouwhoogte van een trekkershut ten hoogste 6,00 meter zal bedragen;
  • b. lid 12.2 voor wat betreft het bouwen van gebouwen binnen een bouwvlak en toestaan dat buiten het bouwvlak wordt gebouwd, mits de genoemde gezamenlijke oppervlakte niet wordt overgeschreden en de bouw- en goothoogte overeenkomstig de bebouwing binnen het bouwvlak wordt gebouwd.
12.5 Specifieke gebruiksregels
12.5.1 Strijdig gebruik

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van kampeermiddelen en stacaravans voor permanente bewoning.
  • b. ter plaatse van de aanduiding ''specifieke vorm van recreatie - camperterrein' het gebruik van de gonden voor de plaatsing van meer dan 30 campers en/of 60 kampeermiddelen.
12.5.2 Voorwaardelijke verplichting

Het aanleggen en exploiteren van het in artikel 12.1 onder b bedoelde terrein is alleen toegestaan indien de landschappelijke inpassing wordt gerealiseerd en instandgehouden zoals bepaald in hoofdstuk 3.3 van bijlage 4 van de regels.

Artikel 13 Recreatie - Recreatiewoning

13.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Recreatie - Recreatiewoning ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. gebouwen, voor zover ten dienste van de recreatie, ten behoeve van:
    • 1. appartementen ten behoeve van recreatieve bewoning;
    • 2. groepsverblijf;
    • 3. horeca;
    • 4. dienstverlening;
    • 5. watersportrecreatieonderwijs;
  • b. bedrijfswoningen;
  • c. bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning;
  • d. recreatiewoningen, waarbij ter plaatse van de aanduiding 'schiphuis' schiphuizen zijn toegestaan;
  • e. bijgebouwen en overkappingen bij een recreatiewoning;
  • f. kampeerterrein, met dien verstande dat ook stacaravans zijn toegestaan;
  • g. gebouwen ten behoeve van:
    • 1. sanitaire voorzieningen;
    • 2. onderhoud en beheer;
  • h. waterlopen en waterpartijen;
  • i. aanleggelegenheid, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'ligplaats';
  • j. groenvoorzieningen;
  • k. parkeervoorzieningen, waarbij geldt dat ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein' uitsluitend parkeervoorzieningen zijn toegestaan;
  • l. tuinen en erven;
  • m. sport- en speelterreinen;
  • n. openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbij behorende:

  • o. bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, waaronder steigers.
13.2 Bouwregels
13.2.1 Appartementen ten behoeve van recreatieve bewoning

Voor het bouwen van de in lid  13.1 sub a onder 1 genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 4.000 m2 bedragen of de bestaande oppervlakte ten tijde van het ter inzage leggen van het ontwerp bestemmingsplan;
  • b. de goothoogte van de gebouwen zal ten hoogste 6,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van de gebouwen zal ten hoogste 10,00 meter bedragen;
  • d. de dakhelling van de gebouwen zal ten hoogste 45° bedragen.
13.2.2 Gebouwen voor groepsverblijf, horeca, dienstverlening en watersportrecreatieonderwijs

Voor het bouwen van de in lid  13.1 sub a onder 2, 3 en 4 genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 2.000 m2 bedragen;
  • b. de goothoogte van de gebouwen zal ten hoogste 6,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van de gebouwen zal ten hoogste 10,00 meter bedragen;
  • d. de dakhelling van de gebouwen zal ten hoogste 45° bedragen.
13.2.3 Recreatiewoningen

Voor het bouwen van recreatiewoningen gelden de volgende regels:

  • a. het aantal aaneengebouwde recreatiewoningen zal ten hoogste 4 bedragen;
  • b. de onderlinge afstand tussen de recreatiewoningen of een blok van aaneengebouwde recreatiewoningen zal ten minste 10,00 meter bedragen;
  • c. de oppervlakte van een recreatiewoning zal ten hoogste 120 m2 bedragen;
  • d. de goothoogte van een recreatiewoning zal ten hoogste 5,50 meter bedragen;
  • e. de bouwhoogte van een recreatiewoning zal ten hoogste 10,00 meter bedragen;
  • f. de dakhelling van een recreatiewoning zal ten hoogste 60° bedragen.
13.2.4 Bijgebouwen en overkappingen bij een recreatiewoning

Voor het bouwen van bijgebouwen en overkappingen bij een recreatiewoning gelden de volgende regels:

  • a. het aantal bijgebouwen per recreatiewoning zal ten hoogste één bedragen;
  • b. een bijgebouw zal aan de recreatiewoning worden aangebouwd;
  • c. de oppervlakte van een bijgebouw zal ten hoogste 20 m2 bedragen;
  • d. de goothoogte van een bijgebouw zal ten hoogste 3,00 meter bedragen;
  • e. de bouwhoogte van een bijgebouw zal ten hoogste 6,00 meter bedragen.
13.2.5 Bedrijfswoningen

Voor het bouwen van bedrijfswoningen gelden de volgende regels:

  • a. het aantal bedrijfswoningen zal ten hoogste 2 per bestemmingsvlak bedragen;
  • b. de oppervlakte per bedrijfswoning zal ten hoogste 150 m2 bedragen;
  • c. de goothoogte zal ten hoogste 3,50 meter bedragen;
  • d. de bouwhoogte zal ten hoogste 10,00 meter bedragen;
  • e. de dakhelling zal niet minder dan 35° en niet meer dan 65° bedragen;
  • f. als de bedrijfswoning wordt ingebouwd in een ander gebouw gelden in afwijking van het bepaalde in sub c, d en e de maximale goothoogte, de maximale bouwhoogte en de maximale dakhelling die voor dat andere gebouw gelden.
13.2.6 Bijgebouwen en overkappingen bij bedrijfswoningen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een bedrijfswoning gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij de bedrijfswoning mag niet meer dan 50 m² bedragen;
  • b. de goothoogte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen mag niet meer dan 3 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een aan- of uitbouw dient ten minste 1 meter lager te zijn dan de bouwhoogte van de bedrijfswoning, met dien verstande dat de bouwhoogte van een aan- of uitbouw niet meer dan 5 meter mag bedragen.
13.2.7 Gebouwen voor sanitair, beheer en onderhoud

Voor het bouwen van de in lid  13.1  onder g genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 500 m2 bedragen;
  • b. de goothoogte van een gebouw zal ten hoogste 3,50 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van een gebouw zal ten hoogste 6,00 meter bedragen.
13.2.8 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van steigers en aanmeerpalen ten behoeve van ligplaatsen mag niet meer dan 2 meter bedragen;
  • c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 10,00 meter bedragen.
13.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de goede woonsituatie;
  • b. de milieusituatie;
  • c. de sociale veiligheid;
  • d. de verkeersveiligheid;
  • e. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
13.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend het gebruik van gronden en bouwwerken, anders dan bedrijfswoningen, voor permanente bewoning.

Artikel 14 Verkeer

14.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Verkeer ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. wegen, straten en paden;
  • b. parkeervoorzieningen;
    waarbij gestreefd wordt naar een inrichting hoofdzakelijk gericht op de afwikkeling van het verkeer;

met daaraan ondergeschikt:

  • c. groenvoorzieningen;
  • d. tuinen, erven en terreinen;
  • e. water;
  • f. openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbijbehorende:

  • g. overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde.
14.2 Bouwregels
14.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

14.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, anders dan rechtstreeks ten behoeve van de geleiding, beveiliging en regeling van het verkeer, zal ten hoogste 10,00 meter bedragen.
14.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen, ten behoeve van de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

Artikel 15 Water

15.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Water ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. kanalen en waterlopen;
  • b. kaden en oevers;
  • c. aanleggelegenheid;
  • d. ligplaatsen voor (recreatie)vaartuigen, overeenkomstig de Ligplaatsenverordening Súdwest-Fryslân, zoals deze geldt ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  • e. de waterhuishouding;
  • f. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van natuurlijke waarden;

met daaraan ondergeschikt:

  • g. het recreatief medegebruik;
  • h. groenvoorzieningen;
  • i. wegen, straten en paden;
  • j. waterhuishoudkundige voorzieningen;
  • k. openbare nutsvoorzieningen;

met de daarbijbehorende:

  • l. overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder kunstwerken.
15.2 Bouwregels
15.2.1 Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd.

15.2.2 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van steigers en aanmeerpalen ten behoeve van ligplaatsen mag niet meer dan 2 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 6,00 meter bedragen.
15.3 Nadere eisen

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, ten behoeve van:

  • a. de verkeersveiligheid;
  • b. de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.
15.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een gebruik, strijdig met deze bestemming, wordt in ieder geval gerekend:

  • a. het gebruik van gronden als (permanente) liggelegenheid voor (recreatie)vaartuigen, met uitzondering van gebruik als ligplaats overeenkomstig de Ligplaatsenverordening Súdwest-Fryslân, zoals deze geldt ten tijde van het van kracht worden van het plan;
  • b. het gebruik van vaartuigen voor permanente bewoning;
  • c. ten behoeve van het behoud van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, het dempen van vaarten en sloten’

Artikel 16 Water - Waterstaat

16.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Water - Waterstaat ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. werken ten behoeve van de waterstaat;
  • b. gebouwen ten behoeve van de waterstaat, waaronder sluizen en gemalen - niet zijnde een wgh-inrichting -, met daaraan ondergeschikte maatschappelijke voorzieningen, zoals een informatiecentrum;

met de daarbij behorende:

  • c. erven en terreinen;
  • d. groenvoorzieningen;
  • e. verhardingen;
  • f. parkeervoorzieningen;
  • g. wegen en paden;
  • h. waterlopen en andere wateren;
  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.
16.2 Bouwregels
16.2.1 Gebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van de in lid 16.1 sub b genoemde gebouwen gelden de volgende regels:

  • a. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen zal ten hoogste 2.000 m2 bedragen;
  • b. de bouwhoogte van gebouwen zal ten hoogste 10,00 meter bedragen.
16.2.2 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor een bouwwerk, geen gebouw en geen overkapping zijnde gelden de volgende regels:

  • a. de bouwhoogte van erfafscheidingen zal ten hoogste 2,00 meter bedragen;
  • b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen en geen overkappingen zijnde, zal ten hoogste 10,00 meter bedragen.

Artikel 17 Waarde - Archeologie 2

17.1 Bestemmingsomschrijving

De gronden en/of waterbodem met een archeologisch verwachtingsgebied, bestemd voor ‘Waarde - Archeologie 2’ zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud van archeologische waarden.

17.2 Bouwregels
  • a. Voor bouwwerken (waaronder begrepen het heien van heipalen en het slaan van damwanden) met een oppervlakte groter dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven en dieper dan 40 cm, of 200cm voor de specifieke al onderzochte delen van het plangebied zoals weergegeven in Bijlage 5 van deze regels, moet alvorens een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk wordt verleend, door de aanvrager een rapport worden overgelegd waarin, naar het oordeel van het bevoegd gezag:
    • 1. de archeologische waarden van de gronden die blijkens de aanvraag kunnen worden verstoord in voldoende mate zijn vastgesteld; en
    • 2. in voldoende mate is aangegeven op welke wijze de archeologische waarden worden bewaard en/of gedocumenteerd.
  • b. Indien uit het in lid 17.2 onder a genoemde rapport blijkt dat de archeologische waarden van de gronden door het verlenen van de omgevingsvergunning zullen worden verstoord, kan het bevoegd gezag één of meer van de volgende voorwaarden verbinden aan de omgevingsvergunning:
    • 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen (zoals een archeologisch vriendelijk heipalenplan), waardoor de archeologische waarden in de (water)bodem kunnen worden behouden;
    • 2. de verplichting tot het doen van opgravingen;
    • 3. de verplichting de werken of werkzaamheden die leiden tot de bodemverstoring, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties. Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sublid b, wordt de gemeentelijk archeoloog om advies gevraagd.
  • c. In principe moeten alle activiteiten in de waterbodem worden gemeld bij het bevoegd gezag, ongeacht het al dan niet overschrijden van de vrijstellingsgrens van 500 m². Dit om te toetsen of er sprake is van wrakken en/of andere bekende (punt)locaties met archeologische waarde. Hiermee wordt omgegaan zoals beschreven in sub 17.3.2;
  • d. Het bepaalde onder 17.2 onder a is niet van toepassing, indien het bouwplan betrekking heeft op één of meer van de volgende activiteiten of bouwwerken:
    • 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering, met uitzondering van nieuwe kelders;
    • 2. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven;
    • 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 centimeter, of 200 cm voor de al onderzochte gebieden zoals weergegeven onder artikel 16 lid 2 sub a, en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst;
    • 4. aanvaardbaar zijn op basis van eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
    • 5. die reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
    • 6. die mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden.
17.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
17.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren met een oppervlakte groter dan de oppervlakte die in de desbetreffende advieszone van de gemeentelijke FAMKE wordt aangegeven en dieper gaan dan 40 centimeter, of 200 cm voor de al onderzochte gebieden zoals weergegeven onder artikel 16 lid 2 sub a, in afwijking hiervan geldt voor waterbodem een vrijstellingsgrens tot 500 m² en geen vrijstellingsdiepte, zulks ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden van toepassing zijnde bestemmingen:

  • a. het ontgronden, afgraven, egaliseren, mengen, diepploegen en ontginnen van gronden met dien verstande dat het werken, geen bouwwerken zijnde;
  • b. het graven, verdiepen en/of verbreden van sloten, vijvers en andere wateren;
  • c. het uitvoeren van werkzaamheden aan oevers en kaden;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en drainage (met uitzondering van drainage van agrarische percelen) en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het permanent verlagen van het waterpeil;
  • f. het aanplanten en/of het rooien van bos of boomgaard, waarbij stobben worden verwijderd op meer dan 40 centimeter diepte, of 200 cm voor de al onderzochte gebieden zoals weergegeven onder artikel 16 lid 2 sub a, en/of voor zover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 40 centimeter of 200 cm voor de al onderzochte gebieden zoals weergegeven onder artikel 16 lid 2 sub a wordt geroerd;
  • g. het aanleggen en/of verbreden van wegen, paden, banen en/of parkeergelegenheden.

In principe moeten alle activiteiten in de waterbodem worden gemeld bij het bevoegd gezag, ongeacht het al dan niet overschrijden van de vrijstellingsgrens van 500 m2. Dit om te toetsen of er sprake is van wrakken en/of andere bekende (punt)locaties met archeologische waarde. Hiermee wordt omgegaan zoals beschreven in sub 17.3.2.

17.3.2 Verlening

Een vergunning als bedoeld in lid  17.3.1 wordt slechts verleend indien:

  • a. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn; of
  • b. op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad; of
  • c. de volgende voorwaarden in acht worden genomen, wanneer op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden kunnen worden verstoord:
    • 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; of
    • 2. een verplichting tot het doen van opgravingen; of
    • 3. een verplichting de uitvoering van de werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg.

Indien het bevoegd gezag voornemens is om aan de omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden als bedoeld in sub 17.3.2, onder 3 wordt de gemeentelijk archeoloog om advies gevraagd.

17.3.3 Uitzonderingen

Het verbod als bedoeld in lid  17.3.1 is niet van toepassing op werken, geen bouwwerken zijnde, of van werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud betreffen, met inbegrip van onderhoud – en vervangingswerkzaamheden van bestaande riolen, bestratingen, beplantingen en binnen bestaande tracés van kabels en leidingen, waarbij onderhoudsbaggerwerkzaamheden aantoonbaar niet dieper gaan dan in het recente verleden bereikte baggerdieptes en het normale agrarische gebruik betreffen;
  • b. reeds in uitvoering zijn ten tijde van de inwerkingtreding van het plan;
  • c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn;
  • e. op archeologisch onderzoek gericht zijn mits verricht door een daartoe bevoegde instantie;
  • f. te maken hebben met de aanleg van systematische drainage, mits sleufloos uitgevoerd.
17.4 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en Wethouders kunnen, overeenkomstig de Wet ruimtelijke ordening, het plan wijzigen door:

  • a. de dubbelbestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde (Waarde - Archeologie 2) te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat ter plaatse geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn.
  • b. aan gronden alsnog de medebestemming gebieden van archeologische en cultuurhistorische waarde (Waarde - Archeologie 2) toe te kennen indien uit archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.

Artikel 18 Waterstaat - Waterkering

18.1 Bestemmingsomschrijving

De voor ' Waterstaat - Waterkering ' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

  • a. werken ten behoeve van de waterkering;
  • b. het behoud van de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden;
  • c. het agrarisch medegebruik;
  • d. het extensief dagrecreatief medegebruik;

met de daarbij behorende:

  • e. wegen en paden;
  • f. sloten, bermen en beplanting;
  • g. nutsvoorzieningen;
  • h. parkeervoorzieningen;
  • i. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, waaronder dammen, uitlaten en/of duikers.
18.2 Bouwregels

Ter plaatse van de in deze bestemming bedoelde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten behoeve van de bestemming, en voorts met inachtneming van de volgende regels:

  • a. uitsluitend toegelaten zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van de waterstaatsdoeleinden;
  • b. de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mag maximaal 10,0 meter bedragen.
18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden
18.3.1 Vergunningplicht

Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming Waterstaat – Waterkering zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde of van werkzaamheden de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren, te doen of te laten uitvoeren:

  • a. het ontginnen, verlagen, afgraven, ophogen of egaliseren van gronden;
  • b. het aanleggen of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;
  • c. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en/of bomen;
  • d. het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en de daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;
  • e. het aanleggen of aanbrengen van oeverbeschoeiingen, aanlegplaatsen of verhardingen voor de watersport.
18.3.2 Uitzonderingen

Het in lid  18.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

  • a. het normale onderhoud, gebruik en beheer betreffen;
  • b. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning;
  • c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht van worden van het bestemmingsplan.
18.3.3 Toetsingscriteria

De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 18.3.1 wordt slechts verleend, indien:

  • a. door de uitvoering van de bedoelde werken en/of werkzaamheden, dan wel door de daarvan direct of indirect te verwachten gevolgen het normaal functioneren van de waterkering niet wordt of kan worden aangetast;
  • b. vooraf advies wordt ingewonnen bij de betreffende waterstaatsbeheerder.

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Artikel 19 Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 20 Algemene aanduidingsregels

20.1 vrijwaringszone - dijk
20.1.1 Aanduidingsomschrijving

Ter plaatse van de aanduiding ' vrijwaringszone - dijk ' zijn de gronden, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming, ophoging, verbreding en verbetering van het doelmatig en veilig functioneren van de nabij gelegen primaire waterkering met de daarbij behorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

20.1.2 Bouwregels

In afwijking van het bepaalde bij de andere aangewezen bestemmingen geldt ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk' dat er geen gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen worden gebouwd, anders dan ten behoeve van de bestaande primaire waterkering, met uitzondering van bestaande gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

20.1.3 Afwijken van de bouwregels

Het bevoegd gezag is bevoegd, na voorafgaand advies van de beheerder van de waterkering, met een omgevingsvergunning af te wijken van het bepaalde in lid 20.1.2, in die zin dat binnen de vrijwaringszone op een afstand van 75 meter tot 100 meter vanaf de primaire waterkering gebouwen en bouwwerken voor de andere daar voorkomende bestemming(en) mogen worden gebouwd, mits is aangetoond dat de stabiliteit van de primaire waterkering niet nadelig wordt beïnvloed.

20.1.4 Specifieke gebruiksregels

Tot een strijdig gebruik van gronden met deze aanduiding wordt in elk geval gerekend:

  • a. het diepploegen, egaliseren, afgraven en/of ophogen van gronden;
  • b. het dempen en/of graven van sloten en/of andere waterlopen en/of –partijen;
  • c. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen.
20.1.5 Afwijken van de gebruiksregels
  • a. Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag, op gronden ter plaatse van de aanduiding “vrijwaringszone – dijk” de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:
    • 1. Het diepploegen, egaliseren, afgraven en/of ophogen van gronden;
    • 2. Het dempen en/of graven van sloten en/of andere waterlopen en/of partijen;
    • 3. Het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen.
  • b. De in sub a bedoelde vergunning is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden die:
    • 1. Het normale onderhoud en beheer betreffen;
    • 2. In uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;
    • 3. Mogen worden uitgevoerd op basis van een reeds verleende omgevingsvergunning.
  • c. De in sub a bedoelde vergunning wordt slechts verleend indien geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de cultuurhistorische en landschappelijke waarden.

Artikel 21 Algemene afwijkingsregels

Mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het straat- en bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de sociale veiligheid, de verkeersveiligheid, de milieusituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden, kan met een omgevingsvergunning worden afgeweken van:

  • a. de bij recht in de regels gegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages, indien dit om bouwtechnische redenen of om redenen van doelmatigheid van de bouw noodzakelijk is.
  • b. het bepaalde ten aanzien van het bouwen van gebouwen binnen het bouw- c.q. het bestemmingsvlak in die zin dat de grenzen van het bouw- c.q. het bestemmingsvlak naar de buitenzijde worden overschreden door:
    • 1. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen en schoorstenen;
    • 2. gevel- en kroonlijsten en overstekende daken;
      erkers over maximaal de halve gevelbreedte, ingangspartijen, luifels, balkons en galerijen;

mits:

  • de bouwgrens met niet meer dan 1,50 meter overschrijdend.

Artikel 22 Algemene wijzigingsregels

  • a. Burgemeester en wethouders kunnen de bestemmingen 'Recreatie - Kampeerterrein', 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' en 'Agrarisch met waarden' wijzigen in de bestemming 'Recreatie - Recreatieterrein', zoals deze bestemming is opgenomen in Bijlage 3 Bestemming Recreatie-Recreatieterrein met dien verstande dat:
    • 1. deze wijzigingsbevoegdheid niet mag worden toegepast op gronden met de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - camperterrein'.
    • 2. vóór toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dient te worden afgewogen of verstoring van openheid en rust in het weidenvogelkansgebied aanvaardbaar is. Hiervoor dient voor het starten van de procedure een positief advies te worden verkregen van de provincie Fryslân.

  • b. De onder a bedoelde wijzigingen worden slechts toegepast indien:
    • 1. er sprake is van een goede landschappelijke inpassing;
    • 2. vóór toepassing van de wijzigingsbevoegdheid is nagegaan of er sprake is van een archeologische verwachtingswaarde en, voor zover deze aanwezig, een archeologisch onderzoek dient te zijn uitgevoerd;
    • 3. vóór toepassing van de wijzigingsbevoegdheid dient ecologisch onderzoek in de vorm van een Natuurtoets te zijn uitgevoerd.
    • 4. er geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

.

Artikel 23 Overige regels

23.1 Voldoende parkeergelegenheid
  • a. Een nieuw bouwwerk, verandering van een bouwwerk, verandering van gebruik van een bouwwerk of van gronden - al dan niet gecombineerd - , waarvan een behoefte aan parkeergelegenheid wordt verwacht, is niet toegestaan wanneer op het bouwperceel of in de omgeving daarvan niet in voldoende parkeergelegenheid is voorzien en in stand wordt gehouden;
  • b. bij een omgevingsvergunning, dan wel bij de beoordeling of het gebruik in overeenstemming is met het bestemmingsplan wordt op basis van de door de CROW vastgestelde richtlijnen (publicatie 311, d.d. juli 2012), dan wel aan de hand van de op dat moment van toepassing zijnde beleidsregels bepaald of er sprake is van voldoende parkeergelegenheid;
  • c. bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in sub a en worden toegestaan dat in minder dan voldoende parkeergelegenheid wordt voorzien, mits dit geen onevenredige afbreuk doet aan de parkeersituatie.
23.2 Verwijzing naar wettelijke bepalingen

De wettelijke regelen (en begrippen) waarnaar in deze regels wordt verwezen, gelden zoals deze luiden op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Artikel 24 Overgangsrecht

24.1 Overgangsrecht bouwwerken
  • a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot,
    • 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd;
    • 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan.
  • b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde in sublid a. een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het sublid a. met maximaal 10%.
  • c. Sublid a. is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
24.2 Overgangsrecht gebruik
  • a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet.
  • b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in sublid a., te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind.
  • c. Indien het gebruik, bedoeld in sublid a., na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
  • d. Sublid a. is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

Artikel 25 Slotregel

Deze regels worden aangehaald als:

Regels van het bestemmingsplan Stavoren - Zuid 2017 .