| Plan: | TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | bestemmingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.TAMKKROSGROTESTR4-VG01 |
Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op een plangebied gelegen binnen de gemeente Dinkelland. Het gaat om de Grotestraat 4 te Rossum. De bestaande horecafunctie wordt (gedeeltelijk) herontwikkeld ten behoeve van meerdere woningen.
Ter plaatse van het plangebied is in de bestaande situatie een horecagelegenheid gevestigd. Deze horecafunctie bestaat onder andere uit een café en een zalencentrum. Het gebruik van het zalencentrum is in de afgelopen jaren aanzienlijk afgenomen. Tegelijkertijd is in de gemeente Dinkelland zowel sprake van een kwantitatieve woningbehoefte (aantal woningen) als een kwalitatieve woningbehoefte (o.a. woningen voor starters en senioren).
In dat kader is initiatiefnemer voornemens een herontwikkeling plaats te laten vinden in het plangebied aan de Grotestraat 4 te Rossum. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt het zalencentrum gesloopt. Daarvoor in de plaats is de bouw van 14 wooneenheden met bijbehorende (bouw)werken en voorzieningen zoals wegen, parkeerplaatsen en groen beoogd. Het woningprogramma bestaat uit 5 rijwoningen, 5 levensloopbestendige woningen en 4 appartementen voor starters. Het café, de bedrijfswoning en naastgelegen bedrijfsbebouwing worden behouden.
Op basis van het "Omgevingsplan gemeente Dinkelland" geldt ter plaatse van het plangebied de functie 'Horeca'. Binnen deze functie zijn onder andere horeca van categorie 2, verschillende bouwwerken ten behoeve van de horecafunctie, een bedrijfswoning en wonen op de tweede en derde bouwlaag toegestaan. De realisatie van reguliere grondgebonden woningen is in strijd met het vigerend planologisch regime.
De beoogde ontwikkeling past niet binnen de regels van het geldende omgevingsplan. Om het planvoornemen juridisch-planologisch mogelijk te maken, dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggende ruimtelijke motivering bevat de toelichting voor de benodigde wijziging van het omgevingsplan en vormt de onderbouwing van het besluit. Gemotiveerd wordt dat met deze wijziging tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt gekomen.
Ligging plangebied
Het plangebied ligt in de kern Rossum, direct ten westen van de Oldenzaalsestraat (N736). In figuur 1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1: Ligging plangebied
Begrenzing plangebied
Het plangebied ligt aan de Grotestraat 4 te Rossum, staat kadastraal bekend als kadastrale gemeente Weerselo, sectie F, perceel 2669 en heeft een oppervlak van 8.550 m2. In figuur 1.2 is een luchtfoto opgenomen van de huidige situatie en begrenzing van het plangebied.
1.2: Begrenzing en huidige situatie plangebied
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijzen worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan van rechtswege en worden de strijdigheden in beeld gebracht. Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject. In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten. In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde. Tot slot is in hoofdstuk 7 een juridische verantwoording opgenomen.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling wordt een deel van de bestaande horecagelegenheid gesloopt. Daarvoor in de plaats zijn 14 wooneenheden beoogd, waarvan 5 rijwoningen, 5 levensloopbestendige woningen en 4 appartementen voor starters. Het café, de bedrijfswoning en naastgelegen bedrijfsbebouwing worden behouden. Om de woningen te kunnen bereiken worden wegen en andere verharding aanlegd. Door de aanleg van voldoende parkeerplaatsen, zowel op het eigen terrein van de woningen als in de openbare ruimte, wordt binnen het plangebied voorzien in de parkeerbehoefte van de beoogde functies en activiteiten. In de benodigde waterberging wordt voorzien middels de aanleg van een infiltratie- en transportriool en een wadi. Om ruimte te maken voor de beoogde ontwikkeling, dient een deel van de bestaande bomen te worden geveld. Elders in het plangebied worden deze bomen gecompenseerd door een duurzaam soort. De beoogde ontwikkeling wordt middels de aanleg van groenstructuren ingepast in de omgeving. Op de oostelijke perceelsgrens wordt een geluidsscherm gerealiseerd, om ter plaatse van de woningen te komen tot een aanvaardbaar geluidniveau en een goed woon- en leefklimaat.
Door het verwijderen van het bestaande zalencentrum, waarvan het gebruik aanzienlijk is afgenomen, en de realisatie van de 14 wooneenheden, waar een concrete behoefte naar is en die worden ingepast in de bebouwde omgeving, wordt een synergie gevonden tussen de gebruikswaarde, belevingswaarde en toekomstwaarde in het plangebied. Hiermee wordt een positieve bijdrage geleverd aan de omgevingskwaliteit.
In figuur 2.1 is een impressie opgenomen van de beoogde stedenbouwkundige opzet en inpassing. Voor het document waaruit deze uitsnede afkomstig is wordt verwezen naar Bijlage 1 Groenplan.
Figuur 2.1: Uitsnede groenplan
Zoals weergegeven op bovenstaande figuur wordt de zuidelijke rand van het plangebied (links op de tekening) voorzien van een groene strook, waarin onder andere bomen, kruidachtige planten en een wadi zijn beoogd. De noordelijke zijde (bovenin op de tekening) wordt ter plaatse van de parkeerplaatsen voorzien van een haag. Tevens worden de openbare parkeerplaatsen aangelegd met grasbetontegels. Ook elders in het plangebied wordt voorzien in de aanleg van groen zoals bomen, hagen en bodembedekkers. Los van het bestaande groen dat aanwezig is in het plangebied, resulteert dit in een groen karakter van het initiatief in de bebouwde omgeving. De bestaande bomen blijven behouden.
In de zuidwestzijde (linksonder op de tekening) van het plangebied is een toegansweg beoogd van de Grotestraat naar de woningen. Ter hoogte van de splitsing van de weg zijn 4 appartementen beoogd, ten noordwesten hiervan 5 rijwoningen en ten noordoosten van de splitsing 5 levensloopbestendige woningen. De gevels van de beoogde woningen worden naar de weg toegekeerd, waarmee wordt aangesloten bij de bestaande stedenbouwkundige structuur in de directe omgeving van het plangebied. Ook doormiddel van de maximale bouw- en goothoogte van respectievelijk 10 m en 6 m wordt aangesloten bij de bestaande bebouwing in de directe omgeving. Ten behoeve van een goede stedenbouwkundige inpassing hebben de levensloopbestendige woningen een lage goothoogte. In onderstaande figuren zijn impressies van de gevelbeelden opgenomen, deze zijn in het kader van welstand ook overeengekomen met de stadsbouwmeester. Voor het volledige document met gevelbeelden wordt verwezen naar Bijlage 3 Impressie gevelbeelden.
Figuur 2.2: Impressie voorgevels rijwoningen en appartementen
Figuur 2.3: Impressie voorgevels levenloopbestendige woningen en appartementen
De relevante aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en het milieu zijn beschreven in hoofdstuk 5.
Burgers, bedrijven en overheden kunnen activiteiten uitvoeren, die de fysieke leefomgeving beïnvloeden. In de Omgevingswet staan regels over deze activiteiten. In hoofdstuk 2 is reeds een beschrijving opgenomen van de beoogde ontwikkeling, dit hoofdstuk richt zich specifiek op de beoogde activiteiten.
Het voornemen omvat het juridisch-planologisch mogelijk maken van een woonfunctie, met bijbehorende functies verkeer en groen, ten behoeve van de realisatie van 14 wooneenheden en bijbehorende activiteit 'wonen' in een deel van het plangebied aan de Grotestraat 4, Rossum. De bestaande horecafunctie wordt daartoe verkleind.
Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet zijn vigerende bestemmingsplannen onderdeel geworden van het Omgevingsplan van rechtswege. Ter plaatse van het plangebied geldt het “Omgevingsplan gemeente Dinkelland", laatst gewijzigd 03-07-2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat uit (ruimtelijke) regels uit verschillende in artikel 4.6 Invoeringswet aangewezen vervallen instrumenten, zoals bestemmingsplannen, wijzigingsplannen én uit rijksregels over activiteiten, die zijn aangeduid als de bruidsschat.
Ter plaatse van het plangebied gelden de volgende bestemmingsplannen, die onderdeel uitmaken van het Omgevingsplan van rechtswege:
Navolgend wordt ingegaan op de relevante onderdelen van de respectievelijke bestemmingsplannen.
Bestemmingsplan Rossum
Onderstaand is een uitsnede opgenomen van de verbeelding van dit bestemmingsplan, ter plaatse van het plangebied.
Figuur 3.1: Verbeelding bestemmingsplan "Rossum"
Ter plaatse van het plangebied geldt in de bestaande situatie een horecafunctie. De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn onder andere aangewezen voor horecabedrijven categorie 1 en horecabedrijven categorie 2, ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 2'. Ter plaatse van het plangebied geldt deze aanduiding 'horeca van categorie 2', waarmee horecabedrijven van categorie 2 zijn toegestaan.
Ondergeschikt is ook toegestaan:
Een gebouw mag uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd. Ook gelden maatvoeringen met betrekking tot de maximum bouw- en goothoogte ter plaatse van de bestaande gebouwen.
In de zuidoostelijke hoek van het plangebied ligt een smalle strook met een groenfunctie, onder andere bestemd voor groenvoorzieningen.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop van een gedeelte van de bestaande horecagelenheid. Daarvoor in de plaats zijn 14 reguliere woningen en bijbehorende (bouw)werken en voorzieningen beoogd. In de bestaande situatie geldt ter plaatse van het plangebied geen woonfunctie ten behoeve van reguliere grondgebonden woningen, waardoor de beoogde ontwikkeling in strijd is met het vigerend planologisch regime. Ook de geldende planologische bouwmogelijkheden, onder andere de bouwvlakken, zijn niet toereikend voor de beoogde ontwikkeling.
Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken, dient het Omgevingsplan te worden gewijzigd.
Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland
Dit paraplubestemmingsplan herziet de geldende plannen, onder andere het bestemmingsplan 'Rossum', op een aantal onderwerpen. Dit bestemmingsplan heeft als doel het herstellen in de geldende bestemmingsplannen aanwezige tekortkomingen in de regels. Deze herziening van het planologisch regime brengt geen belemmeringen met zich mee met betrekking tot de beoogde ontwikkeling. In de beoogde situatie wordt binnen het plangebied voldaan aan de geldende parkeerbehoefte op basis van het gemeentelijk beleid. Voor een nadere toelichting hierop wordt verwezen naar 5.3 Verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren. Er is geen sprake van strijdigheid.
In het tijdelijke deel van dit omgevingsplan worden zowel ruimtelijke besluiten (artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet) als de omgevingsplanregels van rijkswege (artikel 22.1, onder c, van de Omgevingswet) opgenomen. Deze omgevingsplanregels van rijkswege worden ook wel de bruidsschat genoemd.
De bruidsschat bestaat uit de volgende onderdelen:
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-omgevingsplan opgestelde regels wordt aan de regels voldaan. De regels van afdeling 22.3 zijn relevant voor zover sprake is van milieubelastende activiteiten.
Artikel 22.41 Bruidsschat omgevingsplan regelt voor welke milieubelastende activiteiten de regels van afdeling 22.3 van toepassing zijn. Uitzonderingen daarop zijn, conform artikel 22.41 lid 2 Bruidsschat omgevingsplan, onder andere de activiteiten 'wonen' en 'het feitelijk verrichten van bouw- en sloopwerkzaamheden aan bouwwerken of het feitelijk verrichten van onderhoudswerkzaamheden aan een bouwwerk of van een terrein'. De regels uit afdeling 22.3 Bruidsschat zijn dus niet van toepassing op de beoogde activiteit 'wonen' en de beoogde bouw- en sloopwerkzaamheden in het plangebied. De regels van afdeling 22.3 Bruidsschat zijn wel van toepassing op de beoogde horecafunctie.
De overige in de bruidsschat opgenomen regels zijn niet relevant voor dit plan.
Voor zover sprake is van gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan van rechtswege wordt aan deze verordeningen getoetst in Hoofdstuk 5 van dit TAM-omgevingsplan.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee moet ingespeeld worden op de grote uitdagingen die te wachten staan. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste op regionaal niveau worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden.
Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. In de NOVI benoemt het Rijk 21 nationale belangen voor het omgevingsbeleid, inclusief de opgaven en de rol van het Rijk in het realiseren van deze opgaven. Deze opgaven komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is om combinaties te maken en win-win situaties te creëren. In sommige gevallen moeten belangen worden afgewogen en scherper keuzes worden gemaakt. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
In voorliggende situatie is er sprake van een lokale ontwikkeling waarmee geen Rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het Rijksbeleid zoals verwoord in de NOVI. Bovendien draagt de beoogde ontwikkeling in de kern Rossum bij aan een sterke en gezonde ontwikkeling van de regio. Dit door de sloop van het zalencentrum, waarvan het gebruik aanzienlijk is afgenomen, en de realisatie van 14 wooneenheden, waar een concrete behoefte naar is.
Omgevingsvisie Overijssel
In de Omgevingsvisie schetsen Provinciale Staten hun visie op de ontwikkeling van de fysieke leefruimte van Overijssel. In de Omgevingsvisie worden de onderwerpen beschreven die de provincie op dit moment tot haar belang rekent. Per thema is nader uitgewerkt wat de provinciale ambities zijn. In paragraaf 4.2 van de Omgevingsvisie zijn de provinciale ambities op hoofdlijnen samengevat.
In de Omgevingsvisie is het instrumentarium aangewezen waarmee aan de ene kant ruimte wordt geboden aan de sociaaleconomische ontwikkeling van Overijssel en tegelijkertijd de kwaliteit van het Overijssels landschap versterkt. Instrumentarium waarmee de provincie haar ambities realiseert en waarmee tegelijk partners ruimte houden hun eigen doelen te realiseren.
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Deze instrumenten volgen uit de drie 'productielijnen' van de provincie: visie, waarborg en realisatie.
Omgevingsverordening Overijssel
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie Overijssel te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De provincie zet de verordening in voor onderwerpen waarvoor de provincie het belangrijk vindt dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt niet meer geregeld dan nodig is voor het belang zoals dat in de Omgevingsvisie is verwoord. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie dus niet in nieuw beleid.
De Omgevingsverordening richt zich dan ook - net zo breed als de Omgevingsvisie Overijssel - uitsluitend op de fysieke leefomgeving in de provincie Overijssel. Dit betekent dat regels worden gesteld op het gebied van de ruimtelijke ordening, maar ook op het gebied van mobiliteit, milieu, natuur, water en bodem. Het uitgangspunt 'decentraal wat kan, centraal wat moet' is toegepast bij de flexibiliteitsbepalingen in de verordening. Waar mogelijk zijn afwijkingsmogelijkheden toegepast in plaats van ontheffingsbepalingen. Voorliggend plan is getoetst aan de relevante beleidsregels uit de provinciale verordening en worden in de navolgende hoofdstukken beschreven.
Artikel 4.7 van de verordening richt zich op het versterken van ruimtelijke kwaliteit door het toepassen van de OF-, WAAR- en HOE-benadering volgens het uitvoeringsmodel van de omgevingsvisie Overijssel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus. Aan de hand van de drie niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling passend is binnen het provinciaal beleid voor de fysieke leefomgeving. In navolgende afbeelding wordt het uitvoeringsmodel weergegeven.
Figuur 4.1: Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De betreffende niveaus worden hierna toegelicht waarbij het plan wordt getoetst aan het betreffende niveau uit het uitvoeringsmodel.
Generieke beleidskeuzes (of)
Generieke beleidskeuzes vloeien voort uit keuzes van EU, Rijk of provincie. Het zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen nodig dan wel mogelijk zijn. De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Als deze beleidskeuzes het gevolg zijn van provinciale keuzes zijn ze verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel.
Doorwerking in het onderhavige plan
Onderstaand wordt de beoogde ontwikkeling aan de relevante artikelen uit de provinciale Omgevingsverordening getoetst.
Artikel 4.4 (principe van concentratie)
Lid 1.: In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Op basis van de motivering zoals opgenomen in subparagraaf 4.1.4 wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling zowel voorziet in een lokale behoefte als in de behoefte van (bijzondere) doelgroepen. De beoogde ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met artikel 4.4 van de provinciale Omgevingsverordening. Daarnaast is het plangebied conform gemeentelijk beleid geschikt als inbreidingslocatie, hiervoor wordt verwezen naar de toetsing zoals opgenomen in subparagraaf 4.1.5.
Artikel 4.6 (toekomstbestendigheid)
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
De beoogde ontwikkeling voorziet in de sloop van het bestaande zalencentrum, waarvan het gebruik aanzienlijk is afgenomen, en de realisatie van 14 permanente woningen, waarnaar zowel een concrete kwantitatieve als kwalitatieve behoefte is. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het aannemelijk is dat de nieuwe ontwikkeling toekomstbestendig is. De beoogde ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met artikel 4.6 van de provinciale Omgevingsverordening.
Artikel 4.13 (klimaatrobust water- en bodemsysteem)
Lid 1.: In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een waterhuishoudkundig plan opgesteld, onder andere voor een klimaatrobuust water- en bodemysteem. Een verdere motivering hiervan is opgenomen in paragraaf 5.12 Waterbelang. Op deze manier is onderbouwd dat het plan bijdraagt aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Artikel 4.14 (woonafspraken)
Lid 1.: Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuwe woningen worden gerealiseerd als de bouw van deze woningen past binnen de geldende woonafspraken, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.
Lid 2.: Nieuwe woningen zijn nog te realiseren woningen waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.
In subparagraaf 4.1.4 wordt de beoogde ontwikkeling getoetst aan het woonbeleid van de gemeente Dinkelland, op basis waarvan wordt geconcludeerd dat de bouw van de woningen past binnen de geldende woonafspraken.
Artikel 4.9 (onderbouwing Ruimtelijke kwaliteit)
Lid 1
Ontwikkelingsperspectieven (waar)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van ontwikkelperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven. De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend en bieden de nodige flexibiliteit voor de toekomst.
Voor het voorliggende plan is het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken' van toepassing.
'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'
De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico's op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie.
De beoogde ontwikkeling bestaat uit de sloop van het bestaande zalencentum, waarvan het gebruik aanzienlijk is afgenomen, en de realisatie van 14 wooneenheden voor verschillende doelgroepen. Het initiatief draagt binnen bestaande stedelijk gebied bij aan een concrete lokale behoefte aan wonen. Door de transformatie van (een gedeelte van) de bestaande horecafunctie wordt voorzien in een vitaal en aantrekkelijk milieu. Daarnaast wordt middels de aanleg van een infiltratie- en transportriool en een wadi geanticipeerd op klimaatverandering, waarbij door de relatief lage grondwaterstand wordt afgestemd op de kenmerken van het watersysteem.
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met het ter plaatse geldende ontwikkelingsperspectief.
Gebiedskenmerken (hoe)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De kwaliteitsopgaven en –voorwaarden op basis van gebiedskenmerken kunnen te maken hebben met landschappelijke -inpassing, infrastructuur,- milieuaspecten, bodemaspecten, cultuurhistorie, toeristische en recreatieve aantrekkingskracht, natuur, water, etc. De gebiedskenmerken zijn over het algemeen richtinggevend of inspirerend.
De provincie onderscheidt de volgende vier lagen:
Gelet op de ligging van het plangebied, binnen de kern Rossum in het bestaand stedelijk gebied van de gemeente Dinkelland, kan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' buiten beschouwing worden gelaten. Hieronder wordt nader ingegaan op de 'Natuurlijke laag', 'Stedelijke laag' en 'Laag van de beleving'.
Natuurlijke laag
Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkeling op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen, bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in steden en dorpen.
Het plangebied ligt binnen het gebiedskenmerk 'Beekdalen en natte laagtes'.
De kenmerken van de 'Beekdalen en natte laagtes' is dat het een dynamisch landschap betreft, open karakter met hogere randen. Bij ontwikkelingen in of directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water.
Ten oosten van het plangebied is een beek gelegen. De beoogde ontwikkeling ziet dan ook niet toe op aanpassingen van deze watergang dan wel de onderhoudsstrook ten oosten daarvan. Hemelwater dat afvloeit als gevolg van (de toename van) het afvoerend verhard oppervlak wordt geïnfiltreerd middels de aanleg van een infiltratie- en transportriool en een wadi. Voor nadere motivering van de waterhuishoudkundige situatie in het plangebied wordt verwezen naar paragraaf 5.12.
Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met de kenmerken uit de 'natuurlijke laag'.
Stedelijke laag
Het plangebied ligt binnen het gebiedskenmerk "Woonwijken 1955 - nu".
De "Woonwijken 1955 - nu" kenmerken zich als planmatig opgezette uitbreidingswijken. Er is sprake van tijdsgebonden verkavelingsstructuur op basis van verschillende ordeningsprincipes. De tijdsgeest van de bouwperiode is af te lezen in de stedenbouwkundige structuur en architectuur. Ontwikkelingen moeten zich voegen in de aard, maat en het karakter van het grotere geheel (patroon van o.a. wooneenheden en parken), maar is als onderdeel daarvan wel herkenbaar.
Zoals toegelicht in Hoofdstuk 2 wordt zowel wat betreft de stedenbouwkundige structuur als architectuur aangesloten bij de bestaande bebouwing in het stedelijk gebied van de kern Rossum.
Op basis van bovenstaande wordt geconcludeerd dat het plan is overeenstemming is met de kenmerken uit de 'stedelijke laag'.
Laag van de beleving
Het plangebied ligt op de gebiedskenmerkenkaart 'Laag van beleving' binnen de laag 'Donkerte'.
'Donkerte'
Lichte gebieden geven een beeld van economische dynamiek; zoals de steden en dorpen, de snelwegen, de kassengebieden, attractieparken en grote bedrijventerreinen. De donkere gebieden geven daarentegen een indicatie van het rustige buitengebied van Overijssel. Het zijn relatief luwe en dunbevolkte gebieden met een lage gebruiksdruk. De ambitie is gericht op het koesteren van donkerte als kwaliteit. Het streven is gericht op het handhaven van de donkerte en, waar mogelijk, de gebieden bij ontwikkelingen nog donkerder te maken.
De sturing is gericht op het minimaal toelaten van kunstlicht. Het vereist het selectief inzetten en 'richten' van kunstlicht en het vermijden van onnodig kunstlicht bij ontwikkelingen. De kansen hiervoor doen zich met name voor bij ontwikkelingen die een grote invloed hebben op het aspect donkerte, zoals grotere woon- en werklocaties en wegen. Ook de projectering van passages van auto(snel)wegen en regionale wegen speelt daarbij een grote rol vanwege het feit dat op- en afritten veelal leiden tot stedelijke ontwikkelingen.
De beoogde ontwikkeling vindt binnen de bebouwde kom plaats op een perceel waar reeds een horecafunctie is toegestaan. Zowel het bestaande zalencentrum als het omliggende parkeerterrein binnen plangebied zijn in de bestaande situatie verlicht. Ook de Grotestraat is reeds voorzien van straatverlichting, waardoor van echte donkerte geen sprake is. De nieuwe woningen brengen mogelijk meer licht met zich mee, maar niet meer dan noodzakelijk. Bovendien, gezien het feit dat de beoogde woningen omgeven zijn door bestaande (woon)bebouwing, levert deze geen lichthinder op. De ontwikkeling wordt passend geacht in het gebied. De beoogde ontwikkeling heeft geen negatieve effecten op de kenmerken van de donkere gebieden.
Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat het plan in overeenstemming is met de kenmerken binnen de 'laag van de beleving'.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat het beoogde ruimtelijke initiatief niet strijdig is met het provinciale beleid. Het initiatief is in overeenstemming met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en het in de Omgevingsverordening Overijssel verankerde beleid.
De gemeenteraad van de gemeente Dinkelland heeft op 31 maart 2021 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' vastgesteld. Deze visie gaat over de toekomst van de leefomgeving van de gemeente Dinkelland, waarbij wordt ingegaan op diverse thema's (o.a. leefbaarheid, gezondheid, veiligheid en duurzaamheid). De visie geeft aan hoe de gemeente Dinkelland en samenleving willen sturen. Wat moet er behouden worden, wat moet er versterkt worden en wat moet er worden ontwikkeld.
De omgevingsvisie 'MijnOmgevingsvisie Dinkelland' gaat uit van vier kernprincipes. Dit zijn manieren van werken: werkwijzen die altijd gelden. De vier principes zijn:
De gemeente Dinkelland wil kernen waar het lekker wonen is, waar bedrijvigheid is en waar mensen werk kunnen vinden. Maar vooral ook kernen waar ruimte is om elkaar te ontmoeten en om samen te komen.
De inwoners zien hun leefomgeving veranderen. Het wordt moeilijker om voorzieningen in stand te houden. Dit geldt voor winkels, horeca, kerken, cultuurhuizen, sportvoorzieningen en scholen. Aan de andere kant ziet de gemeente ook nieuwe plannen en combinaties van functies van onderop die kernen juist krachtiger maken.
Van oudsher zijn inwoners van de kernen gewend om de leefbaarheid van hun omgeving in eigen hand te nemen en te zorgen dat het er goed toeven is. Het versterken van de leefbaarheid van de kernen wordt door inwoners en gemeente via MijnDorp al langer samen opgepakt. Dit wil de gemeente Dinkelland voortzetten aan de hand van vier speerpunten:
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Op basis van de gemeentelijke waardenkaart behoort het plangebied tot de 'Landelijke kernen'. De waarden hiervoor zijn:
Bij ontwikkelingen wordt ingespeeld op het kleinschalige bebouwingsbeeld, aanwezigheid van en zicht op groen, behoud van (zicht op) de kerk, ontmoetingsmogelijkheden, verbinding en toegankelijkheid van het buitengebied en omliggende landschap en de afwisselende dorpsrand.
Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de sloop van het zalencentrum aan de Grotestraat en de realisatie van 14 reguliere wooneenheden met bijbehorende (bouw)werken en voorzieningen, waar een concrete behoefte naar is. Het café, de bedrijfswoning en naastgelegen bedrijfsbebouwing worden behouden.
Voor deze ontwikkeling is het thema 'leefbare kernen' van belang met daarin het speerpunt 'aantrekkelijk wonen'.
Bij dit speerpunt geeft de gemeente aan dat ze wil dat het aantal en het soort woningen in de kern past bij de vraag. Inwoners moeten voor hun woning zoveel mogelijk in hun eigen gemeente terecht kunnen. Het is belangrijk dat woningen voor elke doelgroep bereikbaar en toegankelijk zijn. Tevens wil ze graag binnen de grenzen van een kern bouwen, in de meeste gevallen gaat het om plekken die verbeterd moeten worden of waarvan de bestaande functie vervalt. Daarbij moet het soort woningen passen binnen de woonvisie. Huidige knelpunten zijn betaalbare woningen voor starters en woningen voor senioren.
Op basis van de toetsing aan de gemeentelijke woonvisie, zoals opgenomen in 4.1.4, wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de vraag. Zo voorziet het plan zowel in een kwantitatieve woningbehoefte (aantal woningen) als een kwalitatieve woningbehoefte (o.a. betaalbare woningen en woningen voor starter en senioren). Daarnaast heeft voorliggend plan betrekking op een ontwikkeling binnen de grenzen van de kern Rossum. Bovendien wordt het plangebied conform 4.1.5 aangemerkt als geschikte inbreidingslocatie, waarbinnen een gedeelte van de bestaande horecafunctie vervalt. De 'lege ruimte' wordt opgevuld met 14 wooneenheden en bijbehorende (bouw)werken en voorzieningen zoals wegen en groen.
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Dinkelland en geen negatieve invloed uitoefent op de omgeving.
De 'Woonvisie 2021+' is op 5 juli 2021 door de gemeenteraad van de gemeente Dinkelland vastgesteld. De Woonvisie is achterhaald door Volkshuisvestingsprogramma 2025-2029, dat door het college is vastgesteld op 1 april 2025, omdat daarin de meest recente kwantitatieve en kwalitatieve behoefte is opgenomen. In paragraaf 5.1 is de toets aan dit programma opgenomen in de zogenoemde laddertoets.
De "Nota inbreidingslocaties 2020" biedt een kader voor beoordeling van woningbouwontwikkeling op inbreidingslocaties binnen de kernen van de gemeente Dinkelland. De Nota biedt ruimte aan de realisatie van woningen op structuurversterkende plekken.
Plannen op structuurversterkende plekken dienen, conform de Beleidsnota, te voldoen aan het gemeentelijk woonbeleid en stedenbouwkundige voorwaarden. Een aanvraag moet tenminste voldoen aan onderstaande stedenbouwkundige voorwaarden:
Doorwerking in het onderhavige plan en conclusie
Er is op deze locatie sprake van een structuurversterkende plek. Het plangebied ligt binnen bestaand stedelijk gebied en is goed bereikbaar voor al het verkeer. Er is sprake van een herontwikkeling van een zalencentrum naar woningbouw.
Het plangebied wordt conform beleid aangemerkt als structuurversterkende plek en in die zin passend geacht binnen de Nota Inbreidingslocaties 2020.
Vervolgens dient wat betreft de beoogde ontwikkeling te worden voldaan aan het gemeentelijk woonbeleid en stedenbouwkundige voorwaarden. Voor een toets aan het gemeentelijk woonbeleid wordt verwezen naar subparagraaf 4.1.4. Aan de stedenbouwkundige voorwaarden wordt, op basis van Hoofdstuk 2 Toekomstige situatie, voldaan door:
Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan, en aansluit bij de voorwaarden zoals opgenomen in de Beleidsnota inbreidingslocaties 2020.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).
Beoordeling van een aanvraag Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.
Dit TAM-omgevingsplan maakt de oprichting van bouwwerken mogelijk. Deze bouwwerken moeten voldoen aan de redelijke eisen van welstand. De welstandscomissie van de gemeente Dinkelland heeft reeds op hoofdlijnen akkoord gegeven op de beoogde ontwikkeling zoals toegelicht in voorliggend TAM-omgevingsplan. Bij de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen van een bouwwerk wordt getoetst of de bouwwerken voldoen aan de welstandseisen.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden. Daarnaast moeten nieuwe ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen in het stedelijk gebied passen binnen de geldende gebiedskenmerken. Ook moeten zij de ruimtelijke kwaliteit versterken in lijn met deze gebiedskenmerken. In subparagraaf 4.1.2 is reeds aangetoond dat de beoogde ontwikkeling passend is binnen de geldende gebiedskenmerken en de ruimtelijke kwaliteit versterkt.
Bij ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen in stedelijk gebied, bestaand bebouwd gebied zoals omschreven in de provinciale Omgevingsverordening, is geen vooroverleg met provincie nodig als het gaat om woningbouw tot en met 11 woningen met bijbehorende voorzieningen zoals wegen en groen, en in lijn met de regionale woonagenda's Twente 2021-2025 in kernen met een inwoneraantal van meer dan 1000 inwoners.
In voorliggend geval is sprake van woningbouw in de kern Rossum, deze kern heeft een inwoneraantal van meer dan 1000 inwoners. De beoogde ontwikkeling bestaat onder andere uit de sloop van het bestaande zalencentrum en toevoeging van 14 woningen met bijbehorende (bouw)werken en voorzieningen zoals wegen en groen. Aangezien dit meer dan 11 woningen betreft, is ten behoeve van de beoogde ontwikkeling vooroverleg benodigd met de provincie Overijssel.
In dat kader wordt voorliggend TAM-omgevingsplan gedeeld met de Provincie Overijssel.
In het kader van het vooroverleg is de digitale watertoets uitgevoerd via hetwateradvies.nl. Hiermee is het waterschap geïnformeerd over het plan. Op basis van het wateradvies is sprake van de normale procedure. Derhalve is contact opgenomen met het waterschap Vechtstromen.
Het toetsingsdocument is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 5 Wateradvies.
In het kader van het informeel vooroverleg heeft in juli van 2025 afstemmingsoverleg plaatsgevonden met het waterschap. Hierbij is het concept plan doorgenomen waarbij het waterschap advies heeft afgegeven over enkele uitgangspunten. Naar aanleiding hiervan is de waterparagraaf aangepast.
Tijdens de ruimtelijke procedure wordt het TAM-omgevingsplan formeel voorgelegd aan het waterschap.
De gemeente Dinkelland beschikt over het participatiebeleid "Inwonersparticipatie gemeente Dinkelland". Het beleidsstuk, inclusief stappenplan richt zich onder andere op participatie bij ruimtelijke ontwikkelingen. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling heeft uitvoerig participatie plaatsgevonden met belanghebbenden. Onderstaand is hiervan een toelichting opgenomen.
Op donderdagavond 13 juni 2024 is het plan door de eigenaar van de bestaande horecagelegenheid en de architect van het plan in het bijzijn van enkele adviseurs aan een tiental direct omwonenden/betrokkenen en een vertegenwoordiger van de gemeente Dinkelland gepresenteerd. Alle belanghebbenden hebben hier voortijdig een schriftelijke uitnodiging voor ontvangen. In totaal waren 15 adressen aanwezig op de participatieavond. Er zijn geen afmeldingen ontvangen op deze uitnodiging, de opkomst was in die zin volledig te noemen. De beoogde ontwikkeling is met enthousiasme ontvangen. Gedurende de participatieavond zijn enkele vragen gesteld over het plan. De betreffende belanghebbenden zijn voorzien van inhoudelijke reactie hierop. Ook is hen toegelicht dat wordt geborgd dat het plan geen belemmeringen oplevert voor de bestaande functies en activiteiten in de omgeving van het plangebied. Een voorbeeld hiervan is dat de uitgangspunten en gegevens zoals gehanteerd in de akoestische onderzoeken met betrekking tot industrielawaai tot stand zijn gekomen na bezoek op locatie en uitvoerig overleg met de eigenaren van betreffende bedrijven. Voor het verslag van de participatieavond wordt verwezen naar Bijlage 6.
Daarnaast heeft initiatiefnemer kenbaar gemaakt dat belanghebbenden gedurende het hele proces op de hoogte worden gehouden van relevante ontwikkelingen. Dit betekent dat de participatie zich niet beperkt tot hetgeen dat voorgaand is opgenomen maar een proces betreft dat gedurende de verdere uitwerking van de beoogde ontwikkeling plaats blijft vinden.
Zoals blijkt uit paragraaf 1.2 geldt dat een wijziging van het Omgevingsplan alleen wordt vastgesteld met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow). Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de wijziging zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl bevat een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er zijn meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over de begripsdefinitie van ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Op het realiseren van woningen is ondermeer de uitspraak ABRvS 16 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2921 van toepassing. Uit deze uitspraak blijkt dat het realiseren van 11 woningen niet wordt gezien als stedelijke ontwikkeling.
Voorliggend plan ziet toe op het toevoegen van maximaal 14 woningen. De Ladder voor duurzame verstedelijking is dan ook van toepassing. In Bijlage 4 Ladderonderbouwing van deze motivering is dit nader uitgewerkt. Uit deze uitwerking blijkt dat:
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot de ladder voor duurzame verstedelijking, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De mer-regelgeving is uitgewerkt in verschillende onderdelen van de Omgevingswet. Afdeling 16.4 van de Omgevingswet bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit staan de projecten en de besluiten waarvoor een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt.
Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije MER-beoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één MER-beoordelingsprocedure.
Het aparte m.e.r.-beoordelingsbesluit dat nu nog moet worden genomen vervalt onder de Omgevingswet. Het resultaat en de motivering van de m.e.r.-beoordeling moeten straks in het (ontwerp)plan of (-)programma (zie art. 16.36, vijfde lid Omgevingswet en 11.1, eerste lid van het Omgevingsbesluit) of in het (ontwerp)besluit zelf (zie de artt. 16.43, tweede en derde lid Omgevingswet en 11.11, tweede lid van het Omgevingsbesluit) worden opgenomen.
Op grond van artikel 16.43 van de Ow en artikel 11.6 van het Ob is de lijst met project-mer-plichtige en project-mer-beoordelingsplichtige projecten opgenomen in bijlage V van het Ob. In bijlage V is een tabel opgenomen met vier kolommen:
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een mer-beoordeling opgesteld, hiervoor wordt verwezen naar Bijlage 7.
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave. De toename en de verkeersveiligheid moet vervolgens worden beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2018. Er moet worden aangetoond dat de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties.
Het parkeren moet worden getoetst aan de 'Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018'. Indien nodig worden de aanleg en instandhouding van de parkeerplaatsen opgenomen als voorwaarde aan een vergunning.
Ten behoeve van de beschouwing van de verkeerskundige effecten en de parkeerbehoefte zijn, op basis van de 'Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018' en de CROW-publicaties 317 en 381, de volgende uitgangspunten gehanteerd:
Verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en -afwikkeling)
In de bestaande situatie zijn in het plangebied een horecagelegenheid, onder andere bestaande uit een café en zalencentrum, een bedrijfswoning en de naastgelegen loods toegestaan. Voor de bedrijfswoning is als type 'Koop, huis, vrijstaand' gehanteerd. Voor de loods is 'Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief' gehanteerd. Een zalencentrum is niet opgenomen in de lijst met functies van het CROW. De functie die hier het dichtst bij in de buurt komt is een 'Discotheek'. Omdat in de feitelijke situatie sprake is van leegstand mag verkeersgeneratie van het zalencentrum niet worden meegerekend. Onderstaand wordt de huidige verkeersgeneratie berekend.
Tabel 5.1: Huidige verkeersgeneratie
| Type woning/ bebouwing | Gem. per eenheid | Aantal eenheden | Verkeersgeneratie |
| Café/bar/cafetaria | 7 (per 100 m2 bvo) | 2,02 | 14,04 |
| Discotheek | 20,8 (per 100 m2 bvo) | leegstand | 0 |
| Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief | 4,8 (per 100 m2 bvo) | 3,95 | 18,96 |
| Koop, huis, vrijstaand | 8,2 | 1 | 8,2 |
| Totaal | 41,2 | ||
In de beoogde situatie wordt het zalencentrum gesloopt en worden 14 reguliere woningen gerealiseerd. Onder andere het café, de bedrijfswoning en naastgelegen loods worden behouden. Onderstaand wordt de toekomstige verkeersgeneratie berekend.
Tabel 5.2: Toekomstige verkeersgeneratie
| Type woning/bebouwing | Gem. per eenheid | Aantal eenheden | Verkeersgeneratie | |
| Koop, huis, tussen/hoek | 7,4 | 10 | 74 | |
| Koop, appartement, < 75 m2 bvo | 5,6 | 4 | 22,4 | |
| Café/bar/cafetaria | 7 (per 100 m2 bvo) | 3,16 | 22,12 | |
| Bedrijf arbeidsextensief/bezoekersextensief | 4,8 (per 100 m2 bvo) | 3,95 | 18,96 | |
| Koop, huis, vrijstaand | 8,2 | 1 | 8,2 | |
| Totaal | 145,68 | |||
Op basis van voorgaande neemt de verkeersgeneratie in de beoogde situatie toe met circa 105 verkeersbewegingen ten opzichte van de bestaande situatie. Deze verkeergseneratie vindt verspreid over de dag plaats. Het verkeer van en naar het plangebied wordt, net als in de bestaande situatie, ontsloten via de Grotestraat. De 14 nieuwe wooneenheden zijn bereikbaar door de aanleg van een toegangsweg in de zuidwestzijde van het plangebied. De horecagelegenheid, bedrijfswoning en naastgelegen loods zijn te bereiken via de toegangsweg in de noordwestzijde van het plangebied. Ook alle beoogde parkeerplekken in het plangebied zijn via de wegenstructuur goed bereikbaar.
Gezien de inrichting van de Grotestraat wordt aangenomen dat er voldoende capaciteit op deze weg is om het verkeer te ontsluiten. Daarnaast wordt de omliggende wegenstructuur, gezien de aanwezigheid van belijning en separate stroken, ook veilig geacht voor fietsers. Ook is op minder dan 100m van het plangebied bushalte 'Rossum, De Weelbaan' gelegen, waardoor het plangebied bereikbaar is met het openbaar vervoer.
De toekomstige verkeersgeneratie en -afwikkeling als gevolg van het planvoornemen hebben hiermee geen onevenredige gevolgen voor de omgeving. De verkeersveiligheid en -afwikkeling komen daardoor niet in het geding.
Parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven.
In tabel 5.3 wordt de parkeerbehoefte, inclusief bezoekers, behorende bij de beoogde ontwikkeling berekend. Voor de rijwoningen en aaneengebouwde levensloopbestendige woningen is uitgegaan van het type 'vrijstaand' omdat het hoofdgebouw is losgekoppeld. Twee levensloopbestendige woningen zijn met het hoofdgebouw wel aan elkaar verbonden en worden gerekend als 'twee-onder-een-kap'.
Tabel 5.3: Toekomstige parkeerbehoefte
| Type woning/bebouwing | Parkeereis | Aantal eenheden | Parkeerbehoefte |
| Café/bar/cafetaria | 7,0 | 3,16 | 22,12 |
| Loods, opslag, bergplaats | 1,05 | 3,95 | 4,15 |
| Koop, huis, vrijstaand (bestaande bedrijfswoning) | 2,3 | 1 | 2,3 |
| Twee-onder-een-kap (levensloopbestendig) | 2,2 | 2 | 4,4 |
| Koop, huis, tussen/hoek (rijwoningen) | 2,0 | 5 | 10 |
| Koop, huis, vrijstaand (overige levensloopbestendig) | 2,3 | 3 | 6,9 |
| Koop, appartement, < 75 m2 bvo | 1,6 | 4 | 6,4 |
| Totaal | 56,27 | ||
Zoals volgt uit figuur 5.1, een uitsnede van de verhardingstekening zoals opgenomen in Bijlage 2, is aan de voorzijde van de bedrijfswoning voldoende ruimte om op eigen terrein te voorzien in parkeerbehoefte van de bestaande bedrijfswoning. Dit betreft een bestaande parkeerbehoefte welke niet wijzigt.
Het aantal benodigde parkeerplaatsen voor de overige functies en activiteiten in het plangebied bedraagt daarmee 54 parkeerplaatsen (56,27 - 2,3 voor de bestaande bedrijfswoning = 53,97 = 54). Daarnaast verdwijnen ten behoeve van de ontsluiting ten noorden van de horecagelegenheid, parallel aan de Grotestraat, 2 parkeerplaatsen uit de openbare ruimte. Deze dienen te worden gecompenseerd. In de openbare ruimte aan de Grotestraat en ten zuidwesten van het plangebied (links op onderstaande tekening) worden 2 parkeerplaatsen toegevoegd, waarmee wordt voorzien in de compensatie van de verdwenen parkeerplaatsen. Daarmee rest enkel nog de parkeerbehoefte en parkeernorm van de nieuwe functies met een totale parkeervraag van 54 parkeerplaatsen.
In figuur 5.1, afkomstig uit Bijlage 2, zijn de beoogde parkeerplaatsen ingetekend. De beoogde ontwikkeling voorziet in 28 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen in de noordzijde van het plangebied (bovenin op onderstaande tekening). Ten zuidoosten van de horecagelegenheid, voor de rijwoningen en appartementen, wordt voorzien in 15 openbaar toegankelijke parkeerplaatsen. Bij de levensloopbestendige woningen kan op eigen terrein worden geparkeerd, hier kunnen in de praktijk twee auto's naast elkaar staan. Voor een dubbele oprit met garage geldt een theoretische parkeernorm van 1,8 parkeerplaatsen per woning, maakt 9 parkeerplaatsen. In totaal worden in het plangebied dus (theoretisch) 52 parkeerplaatsen gerealiseerd. Benadrukt wordt dat bij de levensloopbestendige woningen in de praktijk gewoon 2 auto's per woning kunnen worden geparkeerd.
Het is onrealistisch dat het café een daadwerkelijke parkeerbehoefte van 22,12 parkeerplaatsen heeft. Dit komt doordat de meeste bezoekers niet met de auto naar het café zullen afreizen. Een parkeerbehoefte van 10 á 12 parkeerplaatsen wordt aannemelijker geacht. Er zal derhalve naar verwachting sprake zijn van een overschot aan parkeerplaatsen. Voor zover elders in het plan, bijvoorbeeld bij de levensloopbestendige woningen, in theorie sprake zou zijn van een parkeerplaatsentekort wordt dat hiermee gecompenseerd.
In totaal worden zodoende theoretisch 52 nieuwe parkeerplaatsen gerealiseerd. Desalniettemin wordt voorzien in de daadwerkelijke parkeerbehoefte.
Figuur 5.1: Uitsnede verhardingstekening inclusief parkeerplaatsen
Een groot gedeelte van de beoogde parkeerplaatsen is dus openbaar toegankelijk. Bovendien kan zowel via de noordelijke ontsluiting als via de zuidelijke ontsluiting nabij de rijwoningen worden geparkeerd, waardoor het verkeer zich kan verdelen over de parkeerplaatsen in het plangebied. Nabij de levensloopbestendige woningen zijn geen openbare parkeerplaatsen gesitueerd. Bezoekers kunnen parkeren op de parkeerplaatsen tegenover de rijwoningen. Hierdoor wordt ook voor de verschillende functies in het plan voorzien in voldoende en toereikende parkeergelegenheid.
Op basis van voorgaande wordt in de beoogde situatie aan de geldende parkeerbehoefte voldaan.
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, het Natuurnetwerk Nederland (NNN) en beschermde soorten.
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel - zonder vergunning - niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebied
Het plangebied ligt op 1,8 kilometer afstand van Natura 2000-gebied. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied is Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek. Op onderstaande figuur wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de omliggende Natura 2000-gebieden weergegeven.
Figuur 5.2: Ligging van Natura 2000-gebied in de omgeving van het plangebied
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Dit rapport is opgenomen in Bijlage 10 Stikstofdepositieberekening. Onderstaand de conclusie uit dit rapport.
Uit de rekenresultaten van AERIUS Calculator blijkt dat als gevolg van onderhavig project zowel in de gecombineerde fase (aanleg & doorgezet gebruik) als in de (beoogde) gebruiksfase geen sprake is van stikstofdeposities op de stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden in de omliggende Natura 2000-gebieden hoger dan 0,00 mol N/ha/jr. Stikstofemissie afkomstig van onderhavig project heeft geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden.
Middels het onderzoek is daarmee aangetoond dat de beoogde ontwikkeling, voor wat betreft stikstofdepositie, geen Natura 2000-activiteit betreft. Een omgevingsvergunning voor een Natura 2000-activiteit zoals bedoeld in artikel 5.1 lid 1 van de Omgevingswet is niet noodzakelijk. Het onderhavige project is niet vergunningplichtig.
Conclusie
Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl).
In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie plangebied
Het plangebied ligt op circa 830 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling zal geen negatief effect hebben op het NNN.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie plangebied
Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een Quickscan Flora & Fauna uitgevoerd, zie Bijlage 8 Quickscan flora en fauna.
De in het onderzoeksgebied voorkomende grondgebonden zoogdieren en amfibieën staan op de provinciale vrijstellingslijst voor ruimtelijke ingrepen. Voor deze soorten hoeft geen nader onderzoek te worden uitgevoerd dan wel omgevingsvergunning te worden aangevraagd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties voor beschermde plantensoorten en beschermde ongewervelden. Voor de aanwezige vogelsoorten geldt dat het uitvoeren van voorgenomen activiteiten buiten de broedperiode moet plaatsvinden of er dient een broedvogelscan te worden uitgevoerd. Er dient te allen tijde gewerkt te worden conform de specifieke zorgplicht. Op basis van de Quickscan konden negatieve gevolgen voor vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen niet worden uitgesloten.
In dat kader is nader soortenonderzoek verricht naar de aanwezigheid van vleermuizen, huismussen en gierzwaluwen in het plangebied, zie Bijlage 9 Nader soortenonderzoek.
In het nader soortenonderzoek is vastgesteld dat er geen nestplaats van de huismuis en gierzwaluw in de onderzochte bebouwing is vastgesteld. Tevens vormt het onderzoeksgebied geen essentieel foerageergebied dan wel leefgebied voor de huismus en gierzwaluw.
Uit het nader onderzoek naar vleermuizen is gebleken dat er één verblijfplaats van de gewone dwergvleermuis in de onderzochte bebouwing is vastgesteld. Dit betreft een deel van het te slopen zalencentrum. De sloop van de bestaande bebouwing is vergunningplichtig voor de flora- en fauna-activiteit. Om werkzaamheden uit te mogen voeren, met nadelige gevolgen voor de vleermuis en de verblijfplaats, dient een vergunning aangevraagd te worden bij de provincie Overijssel. Deze vergunningaanvraag dient een activiteitenplan te bevatten, waarin wordt beschreven welke werkzaamheden worden uitgevoerd, de planning van de werkzaamheden, de aanwezige beschermde soorten, welke effecten optreden op de beschermde soorten en welke mitigerende maatregelen worden genomen.
Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan pas plaatsvinden wanneer de omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is verleend en de voorschriften uit de omgevingsvergunning zijn nageleefd. De omgevingsvergunning voor de flora- en fauna-activiteit is bij de provincie Overijssel (bevoegd gezag) aangevraagd. Deze vergunning is verleend. Hiermee is aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling uitvoerbaar is met betrekking tot soortenbescherming.
Conclusie
Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10).De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De vergunningverlener toetst aan de omgevingswaarden, tenzij de activiteit niet in betekenende mate (NIBM) bijdraagt aan de stikstofdioxide- (NO2) of fijnstof- (PM10) concentraties. De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Deze gaan over:
Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Met dit plan wordt de functie wonen mogelijk gemaakt. Als gevolg hiervan zullen afgerond 146 verkeersbewegingen per etmaal plaatsvinden. Als wordt uitgegaan van een worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op worst-case 200 verkeersbewegingen per dag gesteld worden. Daarbij is uitgegaan van 5% vrachtverkeer.
In figuur 5.3 is de worst-case berekening weergegeven met aantal extra bewegingen extra voertuigbewegingen.
Figuur 5.3: Uitsnede NIBM
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot luchtkwaliteit, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Hoofdstuk 5 Bkl, paragraaf 5.1.4.2 (geluid door activiteiten):
Paragraaf 5.1.4.2.1 Bkl bevat specifieke instructieregels voor regels in het omgevingsplan over geluid door activiteiten. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een BOPA op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
Het toepassingsbereik van deze instructieregels bestaat uit activiteiten die geluid veroorzaken op legale geluidgevoelige gebouwen. De planologische status is bepalend.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
In artikel 5.59 Bkl is bepaald dat rekening moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen, dit geluid moet aanvaardbaar zijn. De gemeenteraad moet, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (art. 4.2 lid 1 Ow), de ter plaatse van geluidgevoelige gebouwen optredende geluidbelasting als gevolg van activiteiten, beoordelen en betrekken in de belangenafweging. Het bepaalde in het eerste en tweede lid zijn cumulatieve vereisten. Het kan voorkomen dat het geluid door een individuele activiteit aanvaardbaar is (en dus voldaan is aan het tweede lid), maar ter uitvoering van het eerste lid ook rekening gehouden moet worden met bijvoorbeeld de cumulatieve geluidbelasting als gevolg van meerdere activiteiten. Ook andersom is dit mogelijk: de aanvaardbaarheidseis, die op zich voor één activiteit geldt, kan betekenis hebben voor de toedeling van functies van meerdere activiteiten ten opzichte van elkaar en ten opzichte van geluidgevoelige gebouwen en geluidgevoelige locaties.
Ook niet wettelijk genormeerde geluidverschijnselen (zoals cumulatie van geluidbronnen, menselijk stemgeluid) en de bescherming van niet-geluidgevoelige objecten (zoals kantoren) dient onderdeel te zijn van de afweging in verband met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 5.1.4.2.2 Bkl is van toepassing op het geluid op een geluid gevoelig gebouw door activiteiten, met uitzondering van de specifieke activiteiten uit paragraaf 5.1.4.2.3 (windturbines, windparken, schietbanen). In deze paragraaf zijn standaardwaarden (artikel 5.65 Bkl) en grenswaarden (artikel 5.66 Bkl) voor geluid opgenomen. De activiteit die als BOPA wordt aangevraagd, moet hieraan worden getoetst. Er is flexibiliteit om af te wijken tot aan de grenswaarden. De beleidsruimte om af te wijken tot de grenswaarde wordt ingevuld met het Gebiedsgerichte geluidbeleid, waarin de wenselijk geachte gebiedsgerichte waarden zijn opgenomen.
Hoofdstuk 5, paragraaf 5.1.4.2a (toelaten nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, industrieterreinen):
Paragraaf 5.1.4.2a Bkl gaat het om geluid door wegen en industrieterreinen op een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw is geregeld in paragraaf 5.1.4.2a.4.
Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden (zie art. 5.78t). Onder voorwaarden kan daarvan worden afgeweken tot de grenswaarden (zie art. 5.78u). In drie gevallen waarin sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie kan onder voorwaarden geluid tot maximaal 5 dB boven de grenswaarden toelaatbaar worden geacht. Het gaat om vervangende nieuwbouw (art. 5.78v), functiewijziging (art. 5.78w) en nieuwbouw in het geluidaandachtsgebied van zeehavengebonden activiteiten (art. 5.78x). Is er geen sprake van zo'n bijzondere stedenbouwkundige situatie, dan kan een geluidgevoelig gebouw met geluid boven de grenswaarden worden toegelaten indien de gevel geen te openen delen bevat of bouwkundige maatregelen worden toegepast waardoor het geluid op te openen delen niet hoger is dan de grenswaarden (zie art. 5.78y). Een laatste mogelijkheid om een geluidgevoelig gebouw desondanks toe te laten bestaat als zwaarwegende economische of andere maatschappelijke belangen dit rechtvaardigen (zie art. 5.78aa).
De beleidsruimte om af te wijken tot de grenswaarde wordt ingevuld met de beleidsnota Hogere grenswaarde waarin de gemeentelijke beleidsuitgangspunten met betrekking tot verkeer en bedrijven is vervat.
De beoogde ontwikkeling ziet toe op de toevoeging van 14 woningen binnen het plangebied. Dit betreffen geluidgevoelige objecten. Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een aandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid. Navolgend worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.
Weg- en railverkeerslawaai
In het omgevingsplan zijn nog geen geluidaandachstgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:
In de nabije omgeving liggen geen spoorwegen. Railverkeerslawaai behoeft derhalve geen nadere beschouwing.
Het plangebied ligt wel binnen het aandachtsgebied van de omliggende gemeentelijke wegen en de Oldenzaalsestraat (N736). In dat kader is een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de geluidbelasting afkomstig van deze wegen. Navolgend wordt de uitkomst van dit onderzoek beknopt toegelicht, voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 11.
Maatgevend voor de geluidbelasting op het planvoornemen is de provinciale weg, waarvoor nog geen geluidproductieplafondwaarden zijn vastgesteld. Voor deze weg geldt in de overgangssituatie onder de Omgevingswet nog de systematiek uit de Wet geluidhinder. De te toetsten geluidbelasting op de geluidgevoelige gebouwen in het plangebied bedraagt maximaal 52 dB na aftrek ex artikel 110 G. Voor het plan dient een hogere waarde te worden vastgesteld voor de meest oostelijk gelegen woning. Hierbij is reeds voorzien in het afschermen van het plan in het tussengebied, door in het akoestisch onderzoek rekening te houden met het beoogde geluidsscherm. Ook worden gevels op de verdieping van de meest oostelijk gelegen woning aan zijde van de provinciale weg aangemerkt en uitgevoerd als dove gevels.
Daarnaast geldt de voorwaarde dat de benodigde gevelisolatie gelijk moet zijn aan het verschil tussen de werkelijke geluidbelasting en het niveau van 33 dB. De geluidwering van de woningen is nog niet onderzocht. In een afzonderlijk akoestisch onderzoek, bij de aanvraag van de technische bouwactiviteit, wordt inzichtelijk dat wordt voldaan aan de vereiste geluidwering. Hiermee is een evenwichtige toedeling van functies aan locaties geborgd.
Bij de betreffende woning(en) waar sprake is van een overschrijding van de geluidbelasting moet worden uitgegaan van een gezamenlijke geluidbelasting van de bronsoort industrielawaai en wegverkeerslawaai van maximaal 59 dB. Vanwege deze lage gezamenlijke geluidbelasting kan worden afgewogen dat de cumulatieve geluidbelasting ook acceptabel is en er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Navolgend wordt nader ingegaan op het akoestisch onderzoek naar geluid afkomstig van industrielawaai en bedrijvigheid.
Industrielawaai
In de nabijheid van het plangebied is geen gezoneerd industrieterrein aanwezig. Industrielawaai van industrieterreinen vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Solitaire bedrijvigheid
In de nabije omgeving van het plangebied zijn geluidsbronnen aanwezig die de beoogde geluidgevoelige gebouwen (woningen) kunnen hinderen.
Akoestisch onderzoek industrielawaai loonbedrijf
Ten eerste is aan de overzijde van de N736 een loonbedrijf gelegen met een oppervlak > 500 m2. Voor een dergelijk bedrijf geldt op basis van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' een indicatieve richtafstand van 50 m voor het onderdeel 'Geluid'. De dichtstbijzijnde woonfunctie ligt op circa 40 m van de perceelgrens van het loonbedrijf, en daarmee binnen het geluidaandachtsgebied. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is daarom akoestisch onderzoek uitgevoerd naar het industrielawaai afkomstig van het loonbedrijf.
Zoals toegelicht in subparagraaf 4.2.3 zijn de gehanteerde uitgangspunten en gegevens voor het loonbedrijf overeengekomen na bezoek aan, en uitvoerig overleg met de eigenaar hiervan. Navolgend wordt de uitkomst van het onderzoek beknopt toegelicht, voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 12.
Uit de berekeningen blijkt dat ter plaatse van het planvoornemen de geluidbelasting niet hoger is dan 50 dB(A) etmaalwaarde, nadat maatregelen in het plan zijn getroffen in de vorm van een geluidscherm en dove gevels op de verdieping van de meest oostelijk gelegen woning in combinatie met een bijbehorend bouwwerk met een verhoogde daknok. De geluidbelasting voldoet aan de standaardwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde.
Ter plaatse van de toekomstige woonfuncties wordt tevens voldaan aan de standaardregels voor de maximale A-gewogen geluidniveaus in de dag- en avondperiode. In de nachtperiode zijn de piekgeluiden hoger dan 60 dB(A). De piekgeluiden bedragen maximaal 64 dB(A). Deze piekgeluiden treden op ten gevolgde het vertrek van voertuigen in de vroege ochtend. Deze piekgeluiden treden ook op ter plaatse van de bestaande woningen nabij het loonbedrijf. Voor het bedrijf wordt middels een maatwerkbesluit een hogere geluidbelasting op een deel van de woningen toegestaan van 5 dB.
De woningen worden langs een provinciale weg gebouwd. Over deze weg zullen meerdere zware voertuigen rijden. De hogere piekgeluiden ten gevolge van het komen en gaan van voertuigen zijn ondergeschikt aan de piekgeluiden van het wegverkeer. De hogere piekgeluiden ten gevolge het komen en gaan van voertuigen leidt niet tot meer hinder bij de beoogde woningen, gezien de piekgeluiden als gevolg van de provinciale weg.
Met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, tweede lid van het Bkl) kan de vergunning worden verleend, indien de genoemde maatregelen worden geborgd.
Akoestisch onderzoek horeca
Ten tweede wordt een deel van de bestaande horecagelegenheid in het plangebied in de beoogde situatie voortgezet. Voor horeca van categorie 2 geldt op basis van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' dat, in gemengd gebied, functiemenging is toegestaan. Gezien de aanwezigheid van verschillende functies en activiteiten naast wonen, zowel binnen als in de directe omgeving van het plangebied, wordt gesteld dat in voorliggend geval sprake is van gemengd gebied en daarmee functiemenging is toegestaan. Desondanks is, om een evenwichtige toedeling van functies aan locaties te garanderen, ook voor de horecagelegenheid een akoestisch onderzoek verricht. Onderstaand wordt de uitkomst beknopt toegelicht, voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 13.
Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wordt het bestaande zalencentrum in het plangebied verwijderd. Het café en een kleine zaal/barruimte blijven behouden. De activiteiten van de horecagelegenheid worden beperkt tot hetgeen wat mogelijk is om ter plaatse tot de omliggende woningen te voldoen aan de geldende geluidwaarden. De geluidbelasting is zowel bepaald bij de bestaande woningen nabij het plangebied als ter plaatse van de beoogde woningen in het plangebied. De mogelijkheden van de horecagelegenheid zoals dit na het verwijderen van het zalencentrum overblijft, worden beperkt tot de mogelijkheden ten opzichte van de bestaande woningen. Indien op de gevels van de bestaande woningen wordt voldaan aan de geldende geluidwaarden, dan zal de geluidwaarde op de beoogde woningen op basis van het akoestisch onderzoek 2 dB lager zijn.
Met de beoogde opbouw van de gevels is, op basis het van het akoestisch onderzoek, het volgende geluidniveau mogelijk voor de horecagelegenheid:
Dit geluidniveau is toereikend voor de gewenste bedrijfsvoering in de beoogde situatie.
De aandachtsgebieden voor geluid voor de overige functies en activiteiten in de omgeving overlappen niet met de beoogde woningen. Deze behoeven dan ook geen nadere beschouwing.
Figuur 5.4 toont een impressie van de betreffende te verbouwen gevels gezien vanaf de nieuwe woningen (appartementen).
Figuur 5.4: Impressie verbouwde gevel horeca
Gecumuleerd en gezamenlijk geluid
Op basis van de rekenresultaten zijn de bovenstaande resultaten samengevat wat betreft het gecumuleerde en gezamenlijk geluid.
In het omgevingsplan dient een gezamenlijk geluid van 54 dB voor de woning op kavel 13 en 59 dB voor kavel 14 te worden vastgelegd. Op basis van het gezamenlijk geluid dient de woning op kavel 14 een karakteristieke geluidwering van minimaal 26 dB en kavel 13 van minimaal 21 dB te hebben.
Figuur 5.5 toont de verschillende berekende geluidbelastingen per kavel. In figuur 5.6 is kavel 14 aangeduid in blauw en kavel 13 in rood.
Figuur 5.5: Geluidbelastingen woningen kavel 14 en kavel 13.
Figuur 5.6: Kavels toekomstige situatie
Als gevolg van de in bovengenoemde onderzoeken geluidbelastingen zijn maatregelen noodzakelijk om de evenwichtige toedeling van functies aan locaties te borgen. Deze worden hier opgesomd.
In de planregels van dit plan is geborgd dat bovengenoemde maatregelen worden getroffen.
De planregel met betrekking tot het vaststellen van hogere waarden voor het gezamenlijk geluid op gevels bij woning 13 en woning 14 geeft uitvoering aan artikel 5.78ad Bkl door de waarde van het gezamenlijk geluid op de gevel in het omgevingsplan zelf op te nemen. Bij de aanvraag voor de zogenoemde technische bouwactiviteit moet de initiatiefnemer aantonen dat met de te treffen gevelmaatregelen kan worden voldaan aan de binnenwaarde, gebruikmakend van de in deze regel vastgelegde geluidbelasting.
Zodoende is de evenwichtige toedeling van functies aan locaties geborgd.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geluid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 5.1.4.6.1 Bkl bevat instructieregels die zorgen voor de toedeling van functies die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Er zijn voor drie bronnen regels gesteld: zuiveringtechnische werken (subparagraaf 5.1.4.6.2), het houden van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf (subparagraaf 5.1.4.6.3) en enkele andere agrarische activiteiten (subparagraaf 5.1.4.6.4).
Volgens artikel 5.92 Bkl wordt rekening gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat deze aanvaardbaar is. Met deze bepaling is geregeld dat bij de vaststelling van een omgevingsplan/BOPA in ieder geval rekening wordt gehouden met de geur van activiteiten op geurgevoelige gebouwen. Daarbij moet rekening houden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. Wat aanvaardbaar is, kan afhankelijk zijn van de specifieke plaatselijke situatie en vergt een zorgvuldige belangenafweging van de gemeenteraad.
Bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functie moet ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Om dat te beoordelen moet er worden getoetst aan de normen in de BS en Bal waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als deze er niet toe leidt dat het geur emitterende bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor hem geldende normen (BS en Bal) dan is er sprake van een beperking in de bedrijfsvoering.
De beoogde ontwikkeling voorziet onder andere in de toevoeging van 14 wooneenheden in het plangebied. Dit betreffen geurgevoelige objecten.
Aan de overzijde van de N736 is een loonbedrijf gelegen met een oppervlak > dan 500 m2. Voor een dergelijk bedrijf geldt op basis van de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' een richtafstand van 30 m voor het onderdeel 'Geur'. De dichtstbijzijnde beoogde woonfunctie in het plangebied ligt op circa 40 m van de perceelsgrens van het loonbedrijf. De beoogde geurgevoelige objecten liggen conform de VNG-handreiking 'Activiteiten en milieuzonering' buiten de richtafstand voor geur voor het loonbedrijf aan de overzijde van de Oldenzaalsestraat (N736). Nader onderzoek naar geur afkomstig van bijbehorende activiteiten wordt niet benodigd geacht. Verder zijn geen functies en activiteiten in de directe omgeving van het plangebied gelegen waarvan geurhinder te verwachten is.
Buiten de kern Rossum bevinden zich in de omgeving van het plangebied enkele agrarische bedrijven. Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gelegen aan de Oldenzaalsestraat 4, Rossum. Ter plaatse is een grondgebonden agrarisch bedrijf toegestaan. De afstand tussen het bijbehorende agrarische bouwvlak en het plangebied bedraagt circa 250 m. Hiermee wordt ruimschoots voldaan aan de geldende afstanden met betrekking tot geur zoals opgenomen in het Omgevingsplan gemeente Dinkelland. Gelet op vorenstaande wordt gesteld dat er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot geur, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.
Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl. Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl).
Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen worden dan opgenomen in de omgevingsvergunning.
Een berekening van het groepsrisico is onder de Omgevingswet optioneel; het is niet meer verplicht om het groepsrisico te bepalen, maar een gemeente mag hier nog wel om vragen (via een voorschrift) om de toelaatbaarheid van de situatie te beoordelen.
Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
De beoogde ontwikkeling voorziet onder andere in de toevoeging van 14 wooneenheden. Deze woningen worden in het kader van omgevingsveiligheid aangemerkt als 'kwetsbare objecten'. De bestaande horeca wordt gedeeltelijk gesloopt. Aan de hand van het Register Externe Veiligheid, zoals opgenomen in Atlas Leefomgeving, is een inventarisatie verricht van de risicobronnen in en rondom het plangebied (blauwe druppel).
Figuur 5.7: Inventarisatie risicobronnen
Uit bovenstaande inventarisatie volgt dat het plangebied is gelegen binnen het explosieaandachtsgebied van het nabij gelegen LPG-tankstation. In dat kader is door AVIV onderzoek verricht naar de omgevingsveiligheid, inclusief groepsrisicoberekening. Onderstaand zijn de conclusies van dit onderzoek opgenomen, voor het volledige rapport wordt verwezen naar Bijlage 14.
Het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor het planvoornemen.
Het plangebied ligt binnen het explosieaandachtsgebied. Omdat het gaat om kwetsbare gebouwen is het aanwijzen van voorschriftengebieden niet noodzakelijk.
Het bevoegd gezag kan met behulp van de gereedsschapskist van maatregelen bepalen of en welke aanvullende maatregelen genomen kunnen worden ter verbetering van de externe veiligheidssituatie.
Het groepsrisico is in zowel de huidige als de toekomstige situatie kleiner dan 0,01 keer de oriëntatiewaarde. Door de beoogde ontwikkeling, onder andere de sloop van het bestaande zalencentrum en het mogelijk maken van 14 wooneenheden, neemt het groepsrisico in geringe mate af.
Omgevingsveiligheid vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
Advies brandweer
In het kader van het vooroverleg is door de Brandweer een advies met betrekkeing tot veiligheid afgegeven. Er is geen sprake van een belemmering voor het plan indien:
1. Geborgd wordt dat het plan voldoet aan de handreiking Bluswatervoorziening en Bereikbaarheid van Brandweer Nederland (2019);
2. Geborgd wordt dat de aanwezigen geïnformeerd worden over de mogelijke risico's en de mogelijke handelingsperspectieven.
Voor het volledige advies wordt verwezen naar Bijlage 15 Advies brandweer.
Geconstateerd wordt dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor wat betreft omgevingsveiligheid.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot omgevingsveiligheid, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels die zien op activiteiten, anders dan het wonen, die op een locatie worden uitgevoerd en die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. De instructieregels gelden zowel bij het toestaan van de trillingveroorzakende activiteit, als bij het toestaan van trillinggevoelige gebouwen. De in deze paragraaf vastgelegde instructieregels zijn niet van toepassing op trillingen die afkomstig zijn van het gebruik van woningen.
Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie. De instructieregels voor trillingen zien uitsluitend op trillingen die door een activiteit worden veroorzaakt ter plaatse van een trillinggevoelig gebouw dat planologisch legaal is (toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit). In het tweede lid zijn een aantal gevallen aangewezen waarin de instructieregels voor trillingen niet van toepassing zijn. De omstandigheid dat de instructieregels voor trillingen in een aantal gevallen (zoals omschreven in het tweede lid) niet van toepassing zijn, laat onverlet dat – in verband met de toets aan een 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' – bij de verlening van een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit gemotiveerd dient te worden dat de ter plaatse van trillinggevoelige objecten optredende trillingen aanvaardbaar zijn. Afhankelijk van deze beoordeling, dient bij de verlening van BOPA bezien te worden of de te verwachten trillingen genormeerd moeten worden door bijvoorbeeld het stellen van emissie- en/of immissienormen als voorwaarden aan de vergunning.
Uit artikel 5.83 Bkl volgt dat bij de vaststelling van het omgevingsplan/verlenen BOPA de aanvaardbaarheid van optredende trillingen die kunnen optreden in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen moet worden beoordeeld. De regels in het omgevingsplan/voorwaarden BOPA moeten vervolgens bewerkstelligen dat de trillingen die een activiteit ter plaatse van trillinggevoelige ruimten die zijn gelegen in trillinggevoelige gebouwen, aanvaardbaar zijn (lid 2). De strekking van art. 5.83 is vergelijkbaar met de in art. 5.59 opgenomen regeling voor het aspect geluid.
Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven
In de omgeving van het plangebied is geen spoorlijn gesitueerd, hiervan zal geen trillinghinder optreden. In het plangebied is in de toekomstige situatie een horecabedrijf gevestigd. Als gevolg hiervan kan trillinghinder optreden door transport en laden en lossen. Gelet op de aard en omvang van de horeca en de goede staat van de infrastructuur (geen slecht wegdek), zal het optreden van trillingen minimaal en incidenteel zijn. Van trillinghinder zal geen sprake zijn.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot trillingen, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap.
Zo zijn er in het Bkl ten aanzien van de bescherming een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.
Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorischedubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.
Op basis van het omgevingsplan van rechtswege geldt ter plaatse van het plangebied geen aanduiding met betrekking tot archeologie. Daarnaast is ter beoordeling van het aspect 'Archeologie' de archeologische verwachtings- en advieskaart van de gemeente Dinkelland geraadpleegd.
Figuur 5.8: Uitsnede archeologische verwachtings- en advieskaart
Het plangebied (blauwe ster) ligt in het gebiedstype 'Beekdalen en overige laagten'. De archeologische verwachting is laag voor archeologische resten uit alle perioden. Het beleidsadvies is vrijstelling voor archeologisch onderzoek bij bodemingrepen dieper dan 40 cm. Op basis van voorgaande wordt geconcludeerd dat archeologie geen nadere beschouwing behoeft.
Ook in een vrijgegeven plangebied bestaat altijd de mogelijkheid dat er tijdens graafwerkzaamheden toch losse sporen en vondsten worden aangetroffen. Op grond van artikel 5.10 Erfgoedwet dient zo spoedig mogelijk melding te worden gemaakt van de vondst bij de gemeente, provincie of de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed.
Uit de Cultuurhistorische kaart van KICH (Kennisinfrastructuur Cultuurhistorie) en de provinciale cultuurhistorische waardenkaart blijkt dat er geen cultuurhistorische waarden in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn waarmee rekening dient te worden gehouden. In het plangebied zelf zijn geen monumenten aanwezig. Ook volgens de gemeentelijk waardenkaart bevat het plan geen waardevolle cultuurhistorie. Het initiatief doet geen afbreuk aan het aspect cultuurhistorie.
Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot archeologie, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
De bodem moet geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m2.
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen.
Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
In het kader van de beoogde ontwikkeling is verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Lycens B.V. Naar aanleiding hiervan is nader onderzoek uitgevoerd. De rapportage behorende bij de onderzoeken is bijgevoegd bij voorliggende motivering als Bijlage 18 Bodemonderzoek.
Resultaten
Tijdens het verkennende bodemonderzoek is gebleken dat er een sterke asbest- en koper verontreiniging is ter plaatse van de parkeerplaats in het onderzoeksgebied. Hiernaast zijn lichte verontreinigingen aangetroffen aan minerale olie, PAK 10 VROM, PCB, cadmium, lood, zink en koper. Om een beter beeld te kunnen krijgen van de sterke verontreinigen, is er een nader onderzoek gestart naar asbest en koper.
Rondom de eerder gevonden koper verontreiniging ter plekke van boring 15 zijn nieuwe boringen geplaatst welke geanalyseerd zijn op koper. De verontreiniging is hierbij verticaal afgeperkt, doordat er in de boring van 0,60-1,00 geen verhoogd kopergehalte meer is aangetroffen. Hiermee is er uitgesloten dat verontreiniging zich tot het grondwater heeft verspreidt. Doordat er nog wel koperverontreinigingen zijn aangetroffen in de overige boringen, is de verontreiniging horizontaal nog niet afgeperkt. Hierdoor zijn er nieuwe boringen gezet in het verdachte deel. Uit de analyseresultaten is nog één monster gekomen die de interventiewaarde overschrijd voor koper. Hiernaast zijn er zijn twee monsters aangetroffen waarbij de interventiewaarde niet wordt overschreden, maar de waarde voor de kwaliteitsklasse wonen wel wordt overschreden (functieklasse industrie). Echter is door de aangrenzende bebouwing, de aanwezige groenstrook en de omliggende boringen welke na analyse onder de klasse wonen bleken te liggen, de verontreiniging alsnog voldoende afgeperkt.
Tijdens het nader onderzoek met betrekking tot asbest zijn sleuven rondom de eerder gevonden asbest verontreiniging geplaatst. Ook uit deze resultaten is de verticale verontreiniging voldoende in beeld, maar de horizontale nog niet. Er zijn twee sleuven aangetroffen waarbij de interventiewaarde voor asbest reeds wordt overschreden. Om deze reden zijn er tevens nieuwe sleuven geplaatst. Met betrekking tot asbest is er één sleuf aangetroffen waarbij de wettelijke norm voor nader onderzoek is overschreden. In het opvolgende nader onderzoek zijn er nieuwe sleuven rondom de betreffende sleuf geplaatst. Uit de analyseresultaten is gebleken dat er in de onderzochte sleuven geen asbest meer is aangetroffen. Hierbij is tevens de asbestverontreiniging volledig afgeperkt.
De verontreinigingen bevinden zich onder de puinverharding, welke circa 15 cm dik is. De koper- en asbestverontreiniging zit tot een diepte van circa 50/80 cm-mv.
Gezien het PFAS-gehalte mag de grond ter plekke van de onderzoekslocatie niet worden toegepast in een grondwaterbeschermingsgebied, tenzij gebied specifiek beleid dit toestaat.
De bestaande verontreinigingen dienen te worden gesaneerd alvorens de locatie geschikt is voor het beoogde gebruik voor wonen.
Het aspect bodem staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Watersysteem
In het waterbeheer van de 21e eeuw worden duurzame, veerkrachtige watersystemen nagestreefd. Dit betekent concreet dat droge perioden worden doorstaan zonder droogteschade, vissterfte en stank, en dat in natte perioden geen overlast optreedt door hoge grondwaterstanden of inundaties vanuit oppervlaktewateren. Problemen worden niet afgewenteld op andere gebieden of latere generaties. Het principe 'eerst vasthouden, dan bergen, dan pas afvoeren' is hierbij leidend. Rijk, provincies en gemeenten hebben in het Nationaal Bestuursakkoord Water doelen vastgelegd voor het op orde brengen van het watersysteem.
Afvalwaterketen
Het zoveel mogelijk scheiden van vuil en schoon water is belangrijk voor het bereiken van een goede waterkwaliteit. Door te voorkomen dat grote hoeveelheden relatief schoon hemelwater door rioolstelsels worden afgevoerd, neemt het aantal overstorten van verontreinigd rioolwater op oppervlaktewater af en neemt de doelmatigheid van de rioolwaterzuivering toe. Hierdoor verbetert zowel de kwaliteit van oppervlaktewateren waarop overstorten plaatsvinden als de kwaliteit van het effluent ontvangende oppervlaktewater. Indien het schone hemelwater door middel van infiltratie in het gebied wordt vastgehouden alvorens het wordt afgevoerd naar oppervlaktewater, draagt dit bovendien bij aan de duurzaamheid van het watersysteem. Vandaar dat het principe 'eerst schoonhouden, dan scheiden, dan pas zuiveren' een belangrijk uitgangspunt is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen. Als het hemelwater niet wordt aangekoppeld of wordt afgekoppeld van het bestaande rioolstelsel is oppervlakkige afvoer en infiltreren in de bodem uitgangspunt. Als infiltratie in de bodem niet mogelijk is, is lozing op het oppervlaktewater via een bodempassage gewenst.
Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is door civieltechnisch ingenieursbureau Twin een waterhuishoudkunig plan opgesteld. In Bijlage 16 is de Rioleringstekening opgenomen en in Bijlage 17 de Waterbergingsopgave.
Lycens B.V. heeft het waterschap Vechtstromen geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets. De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de normale procedure toepassing is.
Weging van het waterbelang
Bestaande waterhuishoudkundige situatie
Wateroverlast
Figuren 5.9 en 5.10 tonen uitsnedes van de Klimaateffectatlas. De figuren tonen de resultaten van modelmatig onderzoek naar het optreden van wateroverlast bij piekbuien van 70 mm en 140 mm per 2 uur. Op basis van de figuren kan in het plangebied wateroverlast optreden wanneer nu een hevige bui plaatsvindt.
Figuur 5.9: Waterdiepte bij hevige bui 70 mm
Figuur 5.10: Waterdiepte bij hevige bui 140 mm
Overstromingsrisico
Figuur 5.11 toont een uitsnede van de overstromingskansenkaart van Rijkswaterstaat. Op basis van het kaartbeeld geldt voor het plangebied geen overstromingsrisico.
Figuur 5.11: Kaart overstromingskans
Grondwater
In het Twents waternet zijn drie peilbuizen opgenomen in Rossum. Figuur 5.12 toont hier een uitsnede van. Figuur 5.13 toont de hoogste grondwaterstanden van deze peilbuizen. Op basis hiervan is sprake van een GHG van circa 1,00 tot 1,80 m-mv. Tijdens het door Lycens uitgevoerde verkennend bodemonderzoek is grondwater aangetroffen op 0,75 m-mv.
Figuur 5.12: Peilbuizen Rossum
Figuur 5.13: Grondwaterstanden
Op basis van figuur 5.14 ligt het plangebied niet in een grondwaterbeschermingsgebied.
Figuur 5.14: Grondwaterbeschermingsgebieden
Afvalwater
In de bestaande situatie wordt afvalwater afgevoerd op het bestaande vuilwaterriool onder de Grotestraat.
Toekomstige waterhuishoudkundige situatie
Het voornemen loopt geen verhoogd risico op mogelijke wateroverlast als gevolg van overstromingen. Het plan heeft geen schadelijke gevolgen voor de waterkwaliteit en ecologie. In het verleden is er in of rondom het plangebied geen wateroverlast of grondwateroverlast geconstateerd.
Waterberging
In de planvorming is met gemeente een waterbergingseis in voorzieningen overgeengekomen van 26 mm per m2 verhard oppverlak. Het waterschap adviseert bij inbreidingen de toename in verharding te compenseren. Deze berging hoeft niet alleen in voorzieningen, maar kan bijvoorbeeld ook op maaiveld.
Conform Bijlage 17 is het totaal verhard oppervlak in de beoogde situatie 2427,5 m2. De bergingseis in voorzieningen bedraagt daarmee 63 m3. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling worden in het plangebied zowel een infiltratie- & transportriool als een wadi aangelegd, om hemelwater vast te houden en vervolgens te infiltreren. Deze voorzieningen hebben een bergingscapaciteit van 63 m3. In de beoogde situatie wordt dus voldaan aan de geldende bergingseis in voorzieningen. Op basis van de grondwaterstanden zoals beschreven onder 'Toekomstige situatie' vormt de grondwaterstand geen belemmering voor de functionering van het infiltratieriool en de wadi.
Daarnaast zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om de toename in verharding te compenseren, door bij intense regenval hemelwater tijdelijk vast te houden in het infiltratie- & transportriool, de wadi, op het maaiveld zoals in de groenstroken, ter plaatse van de halfverharding of op straat, vervolgens te infiltreren en vertraagd af te voeren.
Aanleghoogte
Het waterschap adviseert een aanleghoogte van de woningen van 30 cm boven de as van de weg. Dit is een advies, geen eis. Voor kavel 1 - 7 is de aanleghoogte 23 cm boven de as van de weg. Voor kavel 8 - 14 is de aanleghoogte 27 cm boven de as van de weg. Dit zal niet leiden tot wateroverlast omdat in de te realiseren wadi sprake is van overcapaciteit.
Afvalwater
Er wordt een nieuw gescheiden riool aangelegd. Afvalwater afkomstig van de beoogde bebouwing wordt afgevoerd op het bestaande riool. Voor de Rioleringstekening wordt verwezen naar Bijlage 16. Hemelwater van bebouwing wordt via het aan te leggen infiltratieriool afgevoerd op de nieuw te realiseren wadi.
Oppervlaktewater
Direct ten oosten van het plangebied is een beek gelegen, die in beheer is van het waterschap. Ten oosten van de beek is een onderhoudsstrook gelegen. De beoogde ontwikkeling, zowel de realisatie van de woningen als het geluidscherm, vindt plaats buiten de watergang en naastgelegen onderhoudsstrook. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling worden dus geen watergangen gedempt dan wel aangetast.
Grondwater
Bij een GHG hoger dan 80cm-maaiveld adviseert het waterschap kruipruimtevrij te bouwen. In het plan zijn geen kelders voorzien.
Ten behoeve van een goede waterhuishoudkundige inrichting is in de planregels een voorwaardelijke verplichting opgenomen ten behoeve van de realisatie van voldoende waterberging. Geconcludeerd wordt dat met de wijziging van het omgevingsplan middels voorliggend TAM-omgevingsplan, met betrekking tot het waterbelang, sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Er zijn in Nederland geen wettelijke bepalingen over het minimaal aan te houden afstand tussen gronden waarop gewassen (zoals fruitbomen) in de open lucht worden geteeld en nabij gelegen woningen.
Op dit moment bestaat er nog geen wetgeving die spuitzones regelt. Om deze reden is vanuit de rechtspraak de norm van 50 meter afstand ontstaan. “In het algemeen wordt een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische activiteiten waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk geacht.” Dit blijkt uit vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) (zie bijvoorbeeld ABRvS 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2044, rechtsoverweging 19.4 en ABRvS 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:807, rechtsoverweging 6.1).
Daarnaast is het op basis van jurisprudentie mogelijk om deze afstand te verkleinen als daar onderzoek aan ten grondslag ligt en dient per geval een locatiespecifieke afweging plaats te vinden. Hierbij dient opgemerkt te worden dat vrijwel alle jurisprudentie en discussie m.b.t. spuitzones betrekking heeft op het telen van fruit- en laanbomen.
Met voorliggend plan wordt een gevoelige functie mogelijk gemaakt, namelijk wonen. Ten noordoosten van het plangebied liggen percelen met een agrarische functie. Uit onderstaande figuur volgt dat slechts een klein deel van het agrarische perceel (ca. 40 m2) binnen de 50 meter zonering van de woonfunctie ligt.
Figuur 5.15: Contouren
In werkelijkheid lijkt het er bovendien op dat de betreffende gronden als opslagplek voor landbouwvoertuigen wordt gebruikt. Daarmee is het zeer onwaarschijnlijk dat op het betreffende deel van het perceel gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, of dat dit in de nabije toekomst zal gaan gebeuren.
Figuur 5.16: Werkelijk gebruik
Tussen het plangebied en het agrarische perceel ligt de Oldenzaalsestraat, een weg met een hoge verkeersintensiteit. Ook staan op beide perceelgrenzen bomen en opgaand groen. In de bestaande situatie worden op het betreffende deel van het agrarische perceel binnen de 50 meter contour geen gewasbeschermingsmiddelen toegepast. Gelet op de situatie stuit het realiseren van een gevoelige functie binnen de 50 meter contour van het agrarische perceel niet op zwaarwegend bezwaar, aangezien uit de beoordeling blijkt dat er geen sprake is van onevenredige hinder of belemmering van het agrarisch gebruik.
Geconcludeerd wordt dat het aspect spuitzonering geen belemmering vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten.
Los van het kostenverhaal zijn initiatiefnemers leges verschuldigd voor het doorlopen van de planologische procedure. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het onderhavige initiatief financieel uitvoerbaar.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.
Met het TAM-IMRO omgevingsplan ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22g Rossum, Grotestraat 4’ wordt de bestaande horecafunctie verkleind ten behoeve van het mogelijk maken van 14 wooneenheden, bijbehorende (bouw)werken en voorzieningen zoals wegen en groen. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Dinkelland is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie Grotestraat 4 in Rossum, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMKKROSGROTESTR4-OW01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
In de preambule is opgenomen dat het TAM-IMRO omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk in het gemeentelijk omgevingsplan en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.
Hoofdstuk 1 van de regels bevat inleidende regels die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:
In hoofdstuk 2 van de regels is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.
Hoofdstuk 3 van de regels bevat de algemene bepalingen. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.
Bij het opstellen van voorliggend TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Hierbij worden de functies in dezelfde volgorde behandeld als in de regels.
Wat betreft de opzet van de regels is zo veel mogelijk aangesloten op de bestaande regels zoals opgenomen in het bestemmingsplan Rossum, dat onderdeel uitmaakt van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Dinkelland.
Groen
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en water & waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Gezien de functieomschrijving is ook ter plaatse van de beoogde wadi de functie 'Groen' opgenomen. De groenfunctie is op een zodanige manier opgenomen dat wordt aangesloten bij de omliggende groenstructuren en de beoogde ontwikkeling wordt ingepast in de bebouwde omgeving van de kern Rossum.
Horeca
De voor 'Horeca' aangewezen gronden zijn bedoeld voor horecabedrijven categorie 1 en horecabedrijven categorie 2, ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 2'. Daaraan ondergeschikt is onder andere wonen in de vorm van een bedrijfswoning ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning' en wonen, voor zover het de tweede en/of hogere bouwlaag betreft met uitzondering van wonen ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning'. Op de gronden ter plaatse van het beoogde café, de bedrijfswoning, naastgelegen bedrijfsbebouwing en de bijbehorende gronden, onder andere het terras van het café en oprit & tuinen van de bedrijfswoning, is de functie 'Horeca' opgenomen. De horecafunctie wordt doorsneden door de functie 'Verkeer'. In dat kader is een relatie opgenomen tussen de twee delen in het plan met de functie 'Horeca'.
Verkeer
De gronden met de functie 'Verkeer' zijn onder meer bestemd voor wegen, straten & (fiets)paden en parkeervoorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd. Daar waar binnen het plangebied parkeer- en verkeersvoorzieningen zijn beoogd is de functie 'Verkeer' opgenomen. Ook ter plaatse van de beoogde (voet)paden is deze functie opgenomen.
Wonen - Wonen in de bebouwde kom
Ter plaatse van de beoogde woningen en bijbehorende gronden is de functie 'Wonen – Wonen in de bebouwde kom' opgenomen. Deze gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor wonen. Op de voor 'Wonen – Wonen in de bebouwde kom' bestemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd voor zover dit in overeenstemming is met de omschrijving. Als hoofdgebouw mogen uitsluitend woningen worden gebouwd. Er zijn bouwvlakken opgenomen. De bouwvlakken zijn, ten behoeve van de verschillende typen woningen, voorzien van bouwaanduidingen. Het maximum aantal woningen per bouwvlak mag maximaal het aangegeven aantal met de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden' bedragen. Verder is met de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' de maximale goot- en bouwhoogte aangegeven. Middels een gevellijn is geborgd dat de voorgevels van de beoogde woningen naar het bestaande straatbeeld van de kern Rossum gericht zijn.