| Plan: | Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155 |
|---|---|
| Status: | vastgesteld |
| Plantype: | TAM-omgevingsplan |
| IMRO-idn: | NL.IMRO.1774.TAMGKOOTMDEMORS155-VG01 |
De initiatiefnemer is voornemens om de functie te wijzigen van een deel van zijn perceel aan De Mors 155 in Ootmarsum op het bedrijventerrein 'De Mors'. De functie wordt gewijzigd van een agrarische functie naar de functie 'bedrijventerrein'. Met het wijzigen van de functie kan de initiatiefnemer één nieuwe bedrijfshal realiseren op zijn terrein. Het voorliggende plan is strijdig met het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland door de functie 'agrarisch' die geldig is op het plangebied.
Om het voorgenomen plan mogelijk te maken dient het omgevingsplan gewijzigd te worden. Voorliggend TAM-Omgevingsplan is opgesteld om de voorgenomen ontwikkeling te maken.
Ligging
Het plangebied is gelegen aan De Mors 155 in de kern Ootmarsum in de gemeente Dinkelland. Het plangebied is onderdeel van het bedrijventerrein 'De Mors'. Aan de noordoost zijde van het plangebied bevinden zich agrarische gronden.
De planlocatie staat kadastraal bekend als gemeente Ootmarsum, sectie C, perceel nummer 2483. Het perceel heeft een totale oppervlakte van 4.200 m2. In figuur 1.1 is de globale ligging en de omgeving van het plangebied te zien. Figuur 1.2 geeft de kadastrale begrenzing weer van het plangebied.
Figuur 1.1 Luchtfoto globale locatie plangebied, plangebied in rood omcirkeld (Bron: PDOK viewer)
Figuur 1.2 Uitsnede kadastrale kaart, plangebied in blauw omkaderd (Bron: kadastralekaart)
Beoordelingskader
De voorgenomen activiteit voldoet niet aan de regels van het omgevingsplan.
Het initiatief kan alleen leiden tot een wijziging van het omgevingsplan als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Om dit te kunnen beoordelen moeten alle voor de fysieke leefomgeving en milieu relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader worden onderzocht en afgewogen.
De taak om te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties ligt primair bij de gemeente. De beleidsruimte van de gemeente wordt op verschillende manieren ingekaderd. De belangrijkste zijn de instructieregels van het Rijk en de provincie. Op basis van artikel 8.0b lid 1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld.
Bij de beoordeling of wij een besluit willen nemen tot wijziging van het omgevingsplan is rekening gehouden met deze regels dan wel zijn de regels betrokken of in acht genomen.
Daarnaast heeft de gemeente haar beleidsruimte ingevuld met beleidsregels voor de fysieke leefomgeving, zodat de wijziging van het omgevingsplan ook hieraan wordt getoetst. Het gaat hier om de omgevingsvisie en de andere beleidsdocumenten voor de verschillende specifieke onderdelen.
De evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze zijn afgewogen. De aanvrager wenst de gevraagde activiteiten te realiseren. De gemeente wenst de doelen uit haar beleid te verwezenlijken. De belangen van de omwonenden zijn gelegen in een goed woon- en leefklimaat. De omliggende bedrijven hebben belang bij een ongehinderde bedrijfsvoering en een goed werkklimaat.
Belangenafweging
De raad heeft bij het bepalen om een besluit tot wijziging van het omgevingsplan vast te stellen beleidsruimte om te bepalen of een bepaalde ontwikkeling met de daarbij behorende functies en maatvoering vanuit het oogpunt van evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar is.
Een dergelijk besluit is immers in belangrijke mate afhankelijk van de inzichten die bij de gemeente bestaan over de wenselijk geachte ontwikkelingen in het projectgebied. Verder mag het project niet in strijd zijn met de instructie(regels)s van het Rijk en de provincie. Een evenwichtige toedeling van functies aan locaties brengt met zich mee dat alle in het geding zijnde (individuele) belangen die bij dit projectgebied aan de orde zijn op een zorgvuldige wijze worden afgewogen.
Ondanks dat het initiatief in strijd is met het omgevingsplan kan worden besloten tot wijziging van het omgevingsplan, omdat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
Zoals uit de hierna opgenomen hoofdstukken blijkt draagt het initiatief bij aan de visie en beleid die de gemeente voor dit plangebied heeft en blijkt dat wordt voldaan de instructieregels van het Rijk en provincie. In de voorbereidingsfase heeft bestuurlijke afstemming plaatsgevonden. Provincie en het waterschap zijn akkoord met het project. Verder is het project afgestemd met omwonenden en heeft initiatiefnemer daarvan een verslag overgelegd. Voorts zijn in hoofdstuk 5 de ruimtelijk relevante aspecten voor het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit afgewogen.
Gelet op alle aspecten die zijn afgewogen en de belangen van omwonenden, levert de wijziging van het omgevingsplan geen onaanvaardbare aantasting van deze belangen op. Het wijzigen van het omgevingsplan is evenwichtig en geschikt om het project te realiseren.
In hoofdstuk 2 wordt een omschrijving gegeven van de gewenste ontwikkeling.
In hoofdstuk 3 wordt het voorgenomen plan getoetst aan het omgevingsplan en worden de strijdigheden in beeld gebracht.
Hoofdstuk 4 omschrijft de toetsing van de ontwikkeling aan de visie en beleid voor het plangebied op rijks-, provinciaals en gemeentelijk niveau. Daarna wordt ingegaan op de resultaten van het (bestuurlijk) vooroverleg en het participatietraject.
In hoofdstuk 5 wordt getoetst aan de aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving waarbij eveneens wordt ingegaan op de verschillende milieuaspecten.
In hoofdstuk 6 komt de financiële haalbaarheid van het initiatief aan de orde.
Tot slot is in hoofdstuk 7 een toelichting op de planregels opgenomen.
De initiatiefnemer is voornemens om één nieuwe opslaghal te realiseren achter op zijn perceel. Om de bedrijfshal te realiseren wordt de functie 'Bedrijventerrein' aan De Mors 155 in Ootmarsum uitgebreid. De nieuw te bouwen bedrijfshal krijgt een oppervlakte van circa 450 m2. Deze hal zal dienen als opslaghal voor het bouwbedrijf. Deze hal wordt niet aangesloten op het gasnetwerk, daarnaast wordt de bestaande bedrijfshal aangesloten op een warmtepomp en zal de gasaansluiting komen te vervallen. Op de gronden tussen de bestaande hal en de nieuw te bouwen hal vindt buitenopslag plaats. Dit zal in de nieuwe situatie niet wijzigen.
Voor het voorliggende initiatief is er een landschapsplan opgesteld. Het gehele landschapsplan is te zien in Bijlage 1. Met de inrichting van het perceel wordt er rekening gehouden met de bestaande groenstructuren die in de omgeving van het plangebied liggen. Deze houtsingel krijgt een afmeting van 5 meter breed en circa 100 meter aan lengte. Deze beplanting krijgt een hoogte van 80 tot 100 cm. Er worden in deze houtsingel onder andere de soorten hazelaar, Gelderse roos, lijsterbes, inlandse vogelkers, sleedoorn en berk aangeplant. Met deze houtsingel wordt de nieuwe bedrijfshal voldoende ingepast binnen de omgeving en vormt deze een logische afsluiting van het bedrijventerrein.
Figuur 2.1 Uitsnede landschapsplan, locatie van de nieuwe hal bij nummer 4 (Bron: Ad Fontem)
De initiatiefnemer is voornemens om een nieuwe bedrijfshal te realiseren aan het einde van het perceel. Dit wordt gedaan middels het uitbreiden van het bedrijventerrein aan De Mors 155. Hierbij komt de agrarische functie op dit deel van het perceel te vervallen. De totale uitbreiding van het terrein bedraagt circa 2585 m2. Door deze functie uit te breiden is het mogelijk om een nieuwe bedrijfshal te realiseren. De hal krijgt in de toekomstige situatie een oppervlakte van circa 450 m2. Deze opslaghal wordt in de toekomstige situatie ingezet als opslaghal voor bedrijfsgerelateerde materialen. Het buitenterrein van het perceel is in de huidige situatie in gebruik als opslagplaats of parkeerplaats. In de nieuwe situatie dient deze als toegangsweg tot de opslaghal, opslagplaats en parkeerplaats. Figuur 3.1 geeft het ontwerp van de hal weer.
Figuur 3.1 Ontwerp nieuwe bedrijfshal (Bron: Architom Architecten)
Het initiatief heeft betrekking op de volgende activiteiten:
De planlocatie is gelegen binnen het omgevingsplan 'Omgevingsplan gemeente Dinkelland' met als onderdeel het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Ootmarsum', 'Uitbreiding de Mors 155 te Ootmarsum', 'Facetbestemmingsplan parkeren Dinkelland' en 'Paraplubestemmingsplan kernen gemeente Dinkelland'. Het betreffende perceel heeft de functie 'agrarisch' en 'groen'. Figuur 3.2 en figuur 3.3 geven het geldende omgevingsplan weer.
Figuur 3.2 Uitsnede deel van Omgevingsplan gemeente Dinkelland, bestemmingsplan 'Bedrijventerrein Ootmarsum', plangebied in rood omkaderd (Bron: regels op de kaart)
Figuur 3.3 Uitsnede deel van Omgevingsplan gemeente Dinkelland, bestemmingsplan 'Uitbreiding de Mors 155 te Ootmarsum, plangebied in rood omkaderd (Bron: regels op de kaart)
De voor 'agrarisch' aangewezen gronden zijn in eerste instantie aangewezen voor het agrarisch gebruik van de gronden. Tevens ook voor het uitoefenen van een agrarisch bedrijf met een grondgebonden agrarische bedrijfsvoering. De voor 'groen' aangewezen gronden zijn in eerste instantie aangewezen voor groenvoorzieningen
Het voorliggende initiatief is strijdig met het omgevingsplan, omdat de grond bedoeld is voor 'agrarisch' en 'groen' en niet bebouwd mogen worden voor bedrijfsvoering dat geen agrarisch bedrijf is of algeheel bebouwd mogen worden. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient er afgeweken te worden van het omgevingsplan. In voorliggend TAM-Omgevingsplan wordt aangetoont dat het plan voldoet aan de vereisten van de evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL).
De bruidsschat bevatten regels over onderwerpen die tot het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet in nationale regelgeving waren opgenomen (door het Rijk opgestelde regels). Onder de Omgevingswet worden deze door gemeenten geregeld. De bruidsschat maakt onderdeel uit van het tijdelijke deel van het omgevingsplan. De bruidsschat bevat regels op het gebied van bouwen, milieubelastende activiteiten en overige activiteiten en is opgenomen in hoofdstuk 22 van de regels van het omgevingsplan. Het grootste gedeelte van deze regels is gericht op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dit geldt bijvoorbeeld voor milieuregels (zoals regels over geurnormen en de afstand tot een geurgevoelig object). Voor dat deel van de regels geldt dat het mogelijk is om van het omgevingsplan af te wijken.
De regels van afdeling 22.2 zijn relevant voor onderhavig initiatief, omdat deze betrekking hebben op het bouwen van bouwwerken. Met de in dit TAM-Omgevingsplan opgestelde regels wordt er voldaan aan de regels.
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de Nederlandse leefomgeving. Hiermee kunnen we inspelen op de grote uitdagingen die voor ons liggen. De NOVI biedt een kader, geeft richting en maakt keuzes waar dat kan. Tegelijkertijd is er ruimte voor regionaal maatwerk en gebiedsgerichte uitwerking. Omdat de verantwoordelijkheid voor het omgevingsbeleid voor een groot deel bij provincies, gemeenten en waterschappen ligt, kunnen inhoudelijke keuzes in veel gevallen het beste regionaal worden gemaakt. Met de NOVI zet de Rijksoverheid een proces in gang waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Die komen samen in vier prioriteiten:
De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven vanuit de NOVI is combinaties te maken en win-win situaties te creëren. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:
Toets
Één van de vier prioriteiten die de nationale omgevingsvisie stelt dat er word ingezet op duurzaam economisch groeipotentieel. Daarbij is de opgave te zorgen voor een excellent vestigingsklimaat met optimale (internationale) bereikbaarheid, een aantrekkelijke, groene, veilige en gezonde leefomgeving, en op de vraag afgestemd aanbod van ruimte voor bedrijvigheid, waarbij overschotten en tekorten worden voorkomen. Met het uitbreiden van het bedrijventerrein en het realiseren van de nieuwe bedrijfshal blijft een lokale ondernemer in zijn eigen kern. Gezien het feit dat sprake is van een lokale ontwikkeling waarbij voldaan wordt aan gemeentelijk beleid en een bijdrage levert aan het verwezenlijken van de nationale doelstelling om duurzaam economisch te groeien, wordt geconcludeerd dat voorliggend plan niet in strijd is met de NOVI.
Provinciale Omgevingsvisie
De omgevingsvisie is het overkoepelende provinciale beleidsplan voor de fysieke leefomgeving in Overijssel. De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn vertaald in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. De hoofdambitie van de Omgevingsvisie is een toekomstvaste groei van welvaart en welzijn met een verantwoord beslag op de beschikbare natuurlijke hulpbronnen en voorraden.
Provinciale Omgevingsverordening
De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. De keuze voor inzet van deze instrumenten is bepaald aan de hand van een aantal criteria. In de Omgevingsvisie is bij elke beleidsambitie een realisatieschema opgenomen waarin is aangegeven welke instrumenten de provincie zal inzetten om de verschillende onderwerpen van provinciaal belang te realiseren. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel van de provincie Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied. Om te bepalen of een initiatief bijdraagt aan en/of passend is binnen de ambities van de provincie Overijssel, wordt het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel gebruikt.
Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel
De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:
Deze begrippen worden hieronder nader toegelicht.
Generieke beleidskeuzes (OF)
Generieke beleidskeuzes zijn keuzes die bepalend zijn voor de vraag of ontwikkelingen mogelijk zijn. In deze fase wordt beoordeeld of er sprake is van een behoefte aan een bepaalde voorziening. Ook wordt in deze fase het zgn. principe van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik gehanteerd. Hierin komt er kort gezegd op neer dat eerst bestaand bebouwd gebied wordt benut, voordat er uitbreiding in de groene omgeving kan plaatsvinden. Andere generieke beleidskeuzes betreffen de reserveringen voor waterveiligheid, randvoorwaarden voor externe veiligheid, grondwaterbeschermingsgebieden, bescherming van de ondergrond (aardkundige en archeologische waarden), landbouwontwikkelingsgebieden voor intensieve veehouderij, begrenzing van Nationale Landschappen, Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland en verbindingszones enzovoorts. De generieke beleidskeuzes zijn veelal normstellend en verankerd in de Omgevingsverordening Overijssel 2024.
Ontwikkelingsperspectieven (WAAR)
Als uit de beoordeling in het kader van de generieke beleidskeuzes blijkt dat de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling aanvaardbaar is, vindt een toets plaats aan de ontwikkelingsperspectieven. In de Omgevingsvisie is een spectrum van zes ontwikkelingsperspectieven beschreven voor de groene en stedelijke omgeving. Met dit spectrum geeft de provincie ruimte voor het realiseren van de in de visie beschreven beleids- en kwaliteitsambities.
De ontwikkelingsperspectieven geven richting aan wat waar ontwikkeld zou kunnen worden. Daar waar generieke beleidskeuzes een geografische begrenzing hebben, zijn ze consistent doorvertaald in de ontwikkelingsperspectieven.
Gebiedskenmerken (HOE)
Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch cultuurlandschap, stedelijke laag en laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. Het is de vraag 'hoe' een ontwikkeling invulling krijgt. Aan de hand van de drie genoemde niveaus kan worden bezien of een ruimtelijke ontwikkeling mogelijk is en er behoefte aan is, waar het past in de ontwikkelingsvisie en hoe het uitgevoerd kan worden.
Figuur 4.1 Uitvoeringsmodel omgevingsvisie Overijssel (Bron: provincie Overijssel)
Toets
Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld:
Generieke beleidskeuzes
Of een ontwikkeling mogelijk is, wordt bepaald op basis van generieke beleidskeuzes. Onder afdeling 4.2 (Overijsselse ladder voor duurzame verstedelijking) van de Omgevingsverordening 2024 staan de generieke beleidskeuzes opgenomen. Artikel 4.3 stelt voor de provinciale doelstellingen voor ruimtelijke kwaliteit, duurzaamheid en sociale kwaliteit, aanvullende eisen op de Ladder voor duurzame verstedelijking en is gericht op de concentratie van stedelijke functies in kernen, het bevorderen van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en toekomstbestendigheid. Met betrekking tot dit project zijn de volgende beleidskeuzes van belang:
Artikel 4.4 principe van concentratie
Lid 1
In omgevingsplannen worden alleen de ontwikkeling van woningbouw, bedrijventerrein, stedelijke voorzieningen, met bijbehorende infrastructuur en groenvoorzieningen mogelijk gemaakt als die voorzien in een lokale behoefte of in de behoefte van bijzondere doelgroepen.
Lid 2
Daarbij geldt voor bedrijventerreinen dat lokale behoefte wordt ingevuld als bedoeld voor lokaal gewortelde bedrijvigheid.
Situatie plangebied
Voorliggend initiatief voorziet in de realisatie van een nieuwe bedrijfshal waarbij ook de functie van de grond gewijzigd wordt. Door de bedrijfshal te realiseren op eigen perceel kan er vermeden worden dat er elders ruimte benodigd is in bijvoorbeeld de groene ruimte. Daarnaast blijkt uit paragraaf 4.1.4 dat er behoefte is aan lokale bedrijvigheid. Voorliggend initiatief is in lijn met artikel 4.4 van de omgevingsvisie Overijssel.
Artikel 4.5 zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik
Lid 1
Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:
a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.
Situatie plangebied
Door het voorliggend initiatief te realiseren in gebied waar reeds andere bedrijven zitten (bedrijventerrein De Mors Ootmarsum) hoeft er elders in de groene omgeving geen ruimte te worden geclaimed voor een nieuwe bedrijfshal. De oppervlakte van de bestaande bedrijfsfunctie binnen het perceel is niet groot genoeg om de bedrijfshal te realiseren en om voldoende ruimte te bieden voor de buitenopslag. De bedrijfsuitbreiding vindt plaats aan de achterzijde van het perceel op gronden die conform de feitelijke situatie al worden gebruikt voor opslag en stalling van zwaar materiaal. De nieuwe bedrijfshal zal aan de achterzijde van het perceel worden gerealiseerd zodat de tussenliggende gronden gebruikt kunnen worden voor buitenopslag. Het perceel wordt op deze wijze zo optimaal mogelijk benut.
Hiermee wordt er zuinig en zorguldig omgegaan met de bestaande ruimte. Het voorliggende initiatief is in lijn met artikel 4.5.
Artikel 4.6 toekomstbestendigheid
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt, anders dan voor tijdelijk gebruik, waarvan aannemelijk is dat die toekomstbestendig zijn en dus:
a. de mogelijkheden van toekomstige generaties om in hun behoeften te voorzien niet in gevaar brengen;
b. duurzaam en evenwichtig bijdragen aan het welzijn van mensen, economische welvaart en het beheer van natuurlijke voorraden; en
c. ook op lange termijn toegevoegde waarde hebben.
Situatie plangebied
Voorliggend initiatief voorziet in het wijzigen van functie van een deel van het perceel om een nieuwe bedrijfshal te realiseren. Deze hal zal gebruikt worden voor opslag van diverse materialen. De uitbreiding van de bedrijfshal zorgt ervoor dat de huidige en toekomstige generaties de hal voor hun bedrijfsvoering in kunnen zetten.
Door de realisatie van de bedrijfshal op deze locatie kan er aansluiting worden gezocht aan het bestaande industrieterrein. Hiermee kan in eerste instantie voorkomen worden dat er elders (in bijvoorbeeld de groene omgeving) nieuwe ruimte wordt geclaimd voor een nieuwe bedrijfshal.
Door de realisatie van de nieuwe bedrijfshal worden er kansen geboden om de logistieke efficiëntie te verbeteren en is er ruimte voor innovatie. De nieuwe bedrijfshal maakt het mogelijk om in te spelen op de veranderende logistieke eisen, waardoor het bedrijf concurrerend blijft. Hierdoor wordt de economische positie van het bedrijf en de regio versterkt. Hiermee is de ontwikkeling in lijn met artikel 4.6 van de Omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
Artikel 4.8 ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.
Situatie plangebied
Voorliggend plan voorziet in het uitbreiden van het bedrijventerrein. Met deze uitbreiding krijgt de initiatiefnemer de ruimte om een nieuwe opslaghal te realiseren op zijn eigen perceel. Met de realisatie van de opslaghal en het uitbreiden van het bedrijventerrein wordt rekening gehouden met de geldende gebiedskenmerken. Voor de ontwikkeling is een landschapsplan opgesteld (Bijlage 1), waarbij rekening is gehouden met de bestaande groenstructuren. Om het terrein af te sluiten word er een groenstrook aangelegd van ca. 6 meter breed, die bestaat uit inheemse beplanting. Deze groenstrook sluit aan bij de bestaande groenstroken in het gebied. Voorliggend plan is in lijn met artikel 4.8.
Artikel 4.13 sturen op water en bodem
In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt als onderbouwd is dat deze ontwikkelingen bijdragen aan het behoud en het versterken van een klimaatrobuust water- en bodemsysteem.
Situatie plangebied
Voor het voorliggende plan is een waterhuishoudkundig plan opgesteld. Het gehele waterhuishoudkundigplan is te lezen in Bijlage 5. In dit waterhuishoudkundigplan is rekening gehouden met klimaatrobuuste maatregelen om wateroverlast op het terrein zo veel mogelijk te beperken. Gesteld kan worden dat voorliggend plan is in lijn met artikel 4.13.
Artikel 4.23 Afspraken bedrijventerrein
1. Omgevingsplannen staan alleen toe dat nieuw bedrijventerrein wordt gerealiseerd als de aanleg van dat bedrijventerrein past binnen de geldende afspraken bedrijventerreinen, zoals deze zijn gemaakt door de regio en vastgelegd in bestuurlijke afspraken tussen provincie en gemeenten.
2. Nieuw bedrijventerrein is een locatie voor bedrijvigheid en bij die bedrijven behorende kantoorruimte, waarvoor nog geen omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit is afgegeven.
Situatie plangebied
Programmeringsafspraken Bedrijventerrein Regio Twente (2023-2026)
In de programmeringsafspraken staat het behoud van de balans tussen vraag en aanbod als basis voor een krachtige en regionale en lokale economie nog steeds centraal, maar daarnaast ligt de nadruk op de ambitie om toekomstbestendige bedrijventerreinen te ontwikkelen. Dit betekent dat;
Om met name lokaal een plaatselijk gebonden bedrijvigheid te kunnen blijven faciliteren is het noodzakelijk dat de gemeente ook in de toekomst kan beschikken over voldoende en kwalitatief goede bedrijventerreinen. Deze afspraken bieden de mogelijkheid nieuwe hectares bedrijventerrein toe te voegen. Voor de gemeente Dinkelland betekent dat een ontwikkelruimte van ca. 10 hectare netto voor de komende jaren. Dit is conform de uitkomsten van het onderzoek 'Ruimtebehoefte bedrijventerreinen in Dinkelland' dat de gemeente eerder heeft laten uitvoeren.
In onderliggend plan gaat het niet om de nieuwvestiging van een bedrijf maar om een uitbreiding van een bestaand bedrijf waarvoor uitbreidingsruimte nodig is. Gelet op de omvang van bedrijventerrein de Mors betreft onderliggende uitbreiding een relatief kleinschalige ontwikkeling. De planlocatie betreft een logische uitbreidingslocatie van bedrijventerrein de Mors, waarmee een lokaal gevestigd bedrijf zich kan blijven ontwikkelen.
Voorliggend plan is in lijn met artikel 4.23 van de omgevingsvisie van de provincie Overijssel.
Ontwikkelingsperspectieven
In het kader van sturen op ruimtelijke kwaliteit wordt de gemeenteraad gevraagd om in hun onderbouwing in te gaan op het ontwikkelingsperspectief dat voor het gebied van toepassing is. De provincie heeft zes ontwikkelingsperspectieven op hoofdlijnen haar beleidsambities neergelegd voor de sociaaleconomische en maatschappelijke ontwikkeling die leiden tot claims op de fysieke leefomgeving. Deze ontwikkelingsperspectieven zijn globaal van aard en daarom wordt de mogelijkheid geboden om daarna gemotiveerd af te wijken. In figuur 4.2 is een fragment van de kaart van de ontwikkelingsperspectieven behorende bij de Omgevingsvisie weergegeven.
Figuur 4.2 Uitsnede kaart omgevingsvisie provincie Overijssel, plangebied in zwart gemarkeerd (Bron: provincie Overijssel)
Zoals in figuur 4.2 is afgebeeld (zie zwarte markering), ligt het plangebied op de grens van het gebied dat is aangemerkt als 'woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
De steden en dorpen buiten de stedelijke netwerken mogen altijd bouwen voor de lokale behoefte aan wonen, werken en voorzieningen, inclusief lokaal gewortelde bedrijvigheid, mits onderbouwd en regionaal afgestemd. Herstructurering en transformatie van de woon-, werk-, voorzieningen- en mixmilieus moeten deze vitaal en aantrekkelijk houden en de diversiteit aan milieus versterken. Herstructurering en transformatie bieden kansen om te anticiperen op klimaatverandering (bijvoorbeeld door ruimte voor groen, natuur en water te reserveren). Van belang is de stedelijke ontwikkeling altijd af te stemmen op de kenmerken van het watersysteem, bijvoorbeeld in laaggelegen gebieden bij bouw- en evacuatieplannen rekening houden met risico’s op overstroming of wateroverlast. Herstructurering en transformatie kunnen ook bijdragen aan de energietransitie (door het nemen van energie-efficiënte maatregelen en/of het opwekken van duurzame energie door bijvoorbeeld het aanwezige dakoppervlak te benutten).
Toets
Voorliggend initiatief voorziet in het wijzigen van functie van het plangebied en de realisatie van een nieuwe bedrijfshal. De realisatie van de nieuwe bedrijfshal voorziet in de lokale behoefte aan bedrijfsruimte, zoals te lezen in paragraaf 4.1.4. Hiermee wordt er voldaan aan het bouwen voor de lokale behoefte aan werken. De realisatie van de nieuwe bedrijfshal past binnen het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'.
Gebiedskenmerken
Gelet op de ligging van het plangebied zijn de 'stedelijke laag', de 'laag van het agrarisch cultuurlandschap' en de 'natuurlijk laag' van belang. Er zijn volgens de omgevingsvisie van de provincie Overijssel geen kenmerken van de laag van de beleving aanwezig. Deze wordt hierdoor achterwege gelaten in de toetsing.
Stedelijke laag
Figuur 4.3 Uitsnede gebiedskenmerk kaart omgevingsvisie provincie Overijssel, plangebied in zwart omkaderd (Bron: provincie Overijssel)
Overijssel kent verschillende typen werklocaties, zoals bedrijventerreinen, stationsomgevingen, kantoor- en retaillocaties. Bedrijventerreinen zijn functioneel aangelegde locaties aan de rand van steden en kernen. De opzet en verkaveling van bedrijventerreinen houden vooral rekening met de milieuruimte, autobereikbaarheid en (manoeuvreer) ruimte voor vrachtwagens. Het zijn meestal monofunctionele werklocaties die gescheiden liggen van omliggende woonwijken en het buitengebied.
Ontwikkelingen op of rond werklocaties gaan zuinig en zorgvuldig om met de ruimte, maken optimaal gebruik van de locatiekwaliteiten. Bovendien dragen de ontwikkelingen bij aan het herstel van het bodem- en watersysteem, een toekomstbestendige inrichting (klimaatadaptatie, energietransitie, biodiversiteit, gezondheid, circulaire economie, groene mobiliteit en veiligheid), het verbeteren de ruimtelijke kwaliteit en de verbinding met de omgeving. Bestaande cultuurhistorische en architectonische kwaliteiten benutten.
Toets
Het plangebied is volgens figuur 4.3 reeds meegenomen in de gebiedskenmerk 'Bedrijventerreinen'. De planlocatie sluit ook direct aan, aan het bestaande bedrijventerrein 'bedrijventerrein Ootmarsum/ De Mors'. Door de nieuwe bedrijfshal op de planlocatie te realiseren wordt er voorkomen dat er elders binnen de gemeente Dinkelland ruimte geclaimed wordt in onder andere de groene omgeving.
De nieuwe bedrijfshal draagt bij aan de beleidsdoelen op het gebied van ruimtegebruik en economische ontwikkeling. Door de nieuwe kansen die ontstaan door de realisatie van de nieuwe bedrijfshal, zoals ook beschreven bij de generieke beleidskeuzes. Hiermee is voorliggend initiatief in lijn met het gebiedskenmerk 'bedrijventerreinen' van de provincie Overijssel.
Laag van het agrarisch cultuurlandschap
Figuur 4.4 Uitsnede gebiedskenmerk kaart omgevingsvisie provincie Overijssel, plangebied in zwart omkaderd (Bron: provincie Overijssel)
De grote oppervlakte aan - voormalige - natte en droge heidegronden was oorspronkelijk functioneel verboden met het essen- en oude hoevenlandschap; hier werd geweid en werden de plaggen gestoken voor in de stal; in de stal bemeste plaggen dienden als structuurverbeteraar en bemesting voor de akkergronden op de essen. Na de uitvinding van de kunstmest ging deze functie verloren en werden deze gronden grotendeels in cultuur gebracht.
Als ontwikkelingen plaatsvinden in de agrarishe ontginningslandschappen, dan dragen deze bij aan behoud en versterking van de dragende lineaire structuren van lanen, bosstroen en waterlopen en ontginningslinten met erven en de kenmerkende ruimtematen.
Toets
Het plangebied is in de bestaande situatie reeds in gebruik als buitenopslag door de initiatiefnemer, zoals te zien is op de luchtfoto van figuur 4.4. Hierdoor is het aannemelijk dat de kenmerken van het agrarisch cultuurlandschap niet meer aanwezig zijn op het plangebied.
Wel wordt er met de realisatie van de nieuwe bedrijfshal rekening gehouden met de inrichting van het erf. Zo wordt het erf zo ingericht dat er aansluiting wordt gezocht bij de bestaande groenstructuren. Op deze manier kan er wel worden bijgedragen aan de omliggende kenmerken van de jong heide- en broekontginningslandschap en worden de lineaire dragende groen structuren versterkt. Zoals ook te zien is in het landschapsplan in Bijlage 1.
Natuurlijke laag
Figuur 4.5 Uitsnede gebiedskenmerk kaart omgevingsvisie provincie Overijssel, plangebied in zwart omkaderd (Bron: provincie Overijssel)
De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk – door de wind gevormd – zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied. Soms vlak bij elkaar, soms verder van elkaar verwijderd.
Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.
Toets
Het plangebied wordt in de bestaande situatie reeds gebruikt als buitenopslag voor onder andere gemotoriseerde voertuigen en materialen gerelateerd aan het bedrijf. Door het gebruik als buitenopslag is het aannemelijk dat de kenmerken van de dekzandvlakte en ruggen niet meer aanwezig zijn op het plangebied. Verdere toetsing wordt hierdoor niet noodzakelijk geacht.
Conclusie
Geconcludeerd kan worden dat voorliggend plan in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.
MijnOmgevingsvisie gaat over de toekomst van de leefomgeving; de visie van samenleving én gemeente. De visie gaat namelijk over leefbaarheid van de kernen én over het buitengebied , gezondheid, veiligheid en duurzaamheid. De visie geeft aan hoe de gemeente, samenleving en gemeenteraad, willen sturen; wat men wil behouden, versterken en ontwikkelen.
MijnOmgevingsvisie gaat in op:
Mijn Omgevingsvisie gaat uit van vier kernprincipes. Kernprincipes zijn manieren van werken; werkwijzen die altijd gelden. Als keuzes worden gemaakt, als plannen worden gemaakt en gewoon als we wonen, leven, ondernemen of verblijven past men de kernprincipes toe. De vier kernprincipes zijn:
Speerpunten
In de omgevingsvisie zijn speerpunten opgenomen op de thema's Buitengebied in balans, Leefbare kernen, Leefomgeving van de toekomst. In voorliggend geval is gezien de ontwikkeling met name het thema leefbare kernen van belang. Daarbij gelden de volgende speerpunten: voldoende voorzieningen, aantrekkelijk wonen en ruimte voor ondernemen. Voor het voorliggende initiatief is het speerpunt ruimte voor ondernemen van belang.
Figuur 4.6 Uitsnede waardenkaart gemeente Dinkelland, plangebied in zwart omkaderd (Bron: gemeente Dinkelland)
Bij dit gebied horen de volgende kenmerken:
Bij ontwikkelingen binnen dit gebied wordt ingespeeld op:
Voorliggend plan heeft betrekking op het uitbreiden van de bedrijventerrein functie aan De Mors 155 om een nieuwe bedrijfshal te realiseren. Het plangebied is gelegen in de gebiedswaarde 'Kernen met woon- en centrumfunctie', zie figuur 4.6. Als in deze waarde ontwikkelingen plaatsvinden moet er worden ingespeeld op o.a. de verbinding met de groene omgeving en voldoende vestigingsmogelijkheden voor bedrijven en ondernemers. Door het bedrijventerrein uit te breiden wordt er meer ruimte geboden voor de ondernemer om zijn bedrijf uit te breiden. Dit geeft kansen voor innovatie voor de ondernemer. Om deze bedrijfshal te realiseren is er een landschapsplan opgesteld. In dit landschapsplan is rekening gehouden met de omliggende groenstructuren. Dit zorgt ervoor dat er aansluiting gevonden wordt aan de groene omgeving van Ootmarsum.
Conclusie
Voorliggend plan is in lijn met de omgevingsvisie van de gemeente Dinkelland.
De interesse voor- en uitgifte van bedrijfskavels is de afgelopen jaren onverwacht sterk toegenomen in de gemeente Dinkelland. Waar de gemeente Dinkelland op basis van de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen en programmeringsafspraken had verwacht nog voldoende te hebben aan de bestaande kavels en plannen voor uitbreiding, dreigt nu de situatie dat de gemeente Dinkelland ‘nee’ moet verkopen aan bedrijven met een vraag voor een bouwkavel. Het aantal beschikbare bouwkavels wordt steeds beperkter en niet in iedere (grote) kern zijn nog kavels aanwezig.
Ruimtelijk-economisch beeld
Bedrijventerreinen in Denekamp, Ootmarsum en Weerselo huisvesten meeste bedrijven
De bedrijventerreinen in de (concentratie)kernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo zijn het grootst van omvang, huisvesten van alle bedrijventerreinen het grootste aantal vestigingen en de meeste werkgelegenheid. Dat lijkt een logisch gevolg van een combinatie van drie variabelen: (1) Denekamp, Ootmarsum en Weerselo zijn in inwoneraantal en beroepsbevolking de grootste kernen van de gemeente, (2) de bedrijventerreinen zijn goed ontsloten aan de belangrijkste hoofdwegen binnen de gemeente en (3) het concentratiebeleid dat binnen de gemeente wordt gevoerd.
De bedrijventerreinen in de overige kernen zijn aanzienlijk kleiner. Deze bedrijventerreinen huisvesten ieder slechts een handvol, vaak van oudsher lokaal gewortelde bedrijven.
Aanbod op de bedrijventerreinen
Op dit moment beschikt de gemeente Dinkelland niet meer over uitgeefbare kavels. In de kernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo zijn in de eerste helft van dit jaar de laatste kavels verkocht of in optie gegeven. Op dit moment kan de gemeente dus geen nieuwe initiatieven meer faciliteren binnen het bestaande aanbod.
Figuur 4.7 Uitsnede tabel 3 Ruimtebehoefte bedrijventerrein (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland)
Geen sprake van overmatige leegstand
Over het algemeen wordt een leegstandspercentage van 5% in de markt beschouwd als een gezond percentage. Hierbij heeft leegstand geen negatieve werking op de directe omgeving, maar is er wel sprake van voldoende schuifruimte voor verhuizende en groeiende bedrijven. Op dit moment bevindt de leegstand in de gemeente Dinkelland zich tussen de 0,5% en 2% van het aanbod. De 0,5% volgt uit een actuele meting van het zichtbare aanbod via fundainbusiness.nl, zie hieronder; de 2% volgt uit een meting van het CBS op peildatum 1 januari 2020.
Op kernniveau constateerd Stec dat de leegstand in alle kernen laag is. Op basis van deze leegstandscijfers is er geen noodzaak tot herinvulling of herontwikkeling van leegstand vastgoed. Er is eerder sprake van een noodzaak tot het toevoegen van aanbod om voldoende schuifruimte voor de markt te voorzien. Op basis van de huidige leegstandscijfers is er in de gemeente Dinkelland in kwantitatieve zin behoefte aan toevoeging van ongeveer 15.000 m2 aan aanbod (ca. 2,2 hectare kavels), alleen al om tot een gezonde 5% leegstand te komen en om in voldoende schuifruimte te kunnen voorzien. Uiteraard laat dat onverlet dat dat aanbod dan ook kwalitatief moet voldoen en op de goede plekken moet worden gesitueerd. Met andere woorden, het moet wel courant zijn. In theorie zou dat aanbod ook gerealiseerd kunnen worden door uitplaatsing van bedrijven die niet noodzakelijkerwijs op een bedrijventerrein gevestigd hoeven te zijn.
Figuur 4.8 Uitsnede tabel 4 ruimtebehoefte bedrijventerrein (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland)
Hoeveel behoefte is er aan nieuwe bedrijfskavels in de gemeente Dinkelland?
Op dit moment zijn er in de gemeente Dinkelland geen bedrijfskavels meer beschikbaar om nieuwe initiatieven te faciliteren. Daarnaast is er ook geen sprake van bovenmatige leegstand, waardoor de schuifruimte binnen het bestaande vastgoed grotendeels ontbreekt.
In de verzorgingskernen Denekamp, Ootmarsum en Weerselo is er in het middelste en hoge groeiscenario nog behoefte aan ruimte. Daarbij gaat het in Denekamp en Ootmarsum over een verwachte vraag op basis van de modelmatige berekening, maar concreet voorziet Stec daar op korte termijn nog beperkt dynamiek.
Figuur 4.9 Uitsnede tabel 7 ruimtebehoefte bedrijventerrein (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland)
Toets
Met het voorliggende plan wordt het bedrijventerrein in Ootmarsum uitgebreid met circa 2500 m2 (0,25 ha). In Ootmarsum is er in totaal een behoefte van 2 tot 2,8 ha netto aan bedrijventerrein. Met de uitbreiding van het bedrijventerrein wordt er lokaal bijgedragen aan de behoefte van bedrijventerrein. Daarnaast veroorzaakt de realisatie van de nieuwe bedrijfshal niet voor extra leegstand. Dit mede door de eigen behoefte van de initiatiefnemer. Er hoeft voor deze hal dan niet elders nog ruimte worden opgevraagd. Voorliggend plan past binnen de gestelde ruimtebehoefte van bedrijventerreinen in de gemeente Dinkelland.
De gemeente Dinkelland heeft de beleidsnota 'De casco-benadering in Noordoost-Twente' vastgesteld. Het Nationaal Landschap Noordoost Twente is een gebied met zeldzame en unieke landschapskwaliteiten. Het is een gebied met stuwwallen, bronnen, beken en fraaie cultuurlandschappen. Kernkwaliteit is het waardevolle cultuurlandschap met een variatie in open en een kleinschalig besloten landschap. Schaalvergroting in de grondgebonden landbouw staat op gespannen voet met deze kleinschaligheid. Het verdwijnen van landschapselementen op perceelsgrenzen tast het kleinschalige groene karakter aan en leidt tot een afname van landschapsdiversiteit. De gemeente Dinkelland heeft samen met de provincie Overijssel en de gemeenten Tubbergen, Losser en Oldenzaal de ambitie uitgesproken om de tendens van schaalvergroting in de grondgebonden landbouw zodanig vorm te geven dat deze niet ten koste gaat van de kwaliteit van het landschap.
Om vorm en inhoud te geven aan deze ambitie is een generieke methode ontwikkeld: de casco benadering. Voor de gemeente is de casco-benadering te gebruiken als beoordelingskader voor ingrepen in het landschap. Aan de hand van de casco-kaart kan bezien worden of landschappelijke structuren deel uitmaken van het casco.
Op basis van de casco-kaart kan vastgesteld worden of het landschapselement tot het casco behoort of niet; daaruit volgen drie mogelijk aanvragen op basis van het casco, dit zijn:
Toets
Uit de Casco kaart blijkt dat er casco elementen op het perceel aanwezig waren, zoals te zien is in figuur 4.10. Dit Casco element wordt met het voorliggende plan verplaatst naar de grens van het perceel.
Figuur 4.10 Uitsnede Cascokaart provincie Overijssel, plangebied in paars globaal omkaderd (Bron: provincie Overijssel)
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Nota 'De casco benadering in Noordoost-Twente'.
Op grond van artikel 4.114 Invoeringswet Omgevingswet, geldt de welstandsnota die is vastgesteld op basis van art. 12a Woningwet (oud), als een beleidsregel als bedoeld in 4.19 Omgevingswet. De aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit wordt getoetst aan de Nota Omgevingskwaliteit.
Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen, denk aan vorm, kleur of gebruikte materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsnota van de gemeente. In de bruidsschat zijn regels opgenomen met betrekking tot (1) repressief welstand (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en (2) beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).
Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota.
De nota omgevingskwaliteit Dinkelland en Tubbergen (geldend van 3 juni 2020, tot op heden) beschrijft het welstandsbeleid voor de gemeentes Dinkelland en Tubbergen (Noaberkracht). De nota omgevingskwaliteit is bedoeld om te kunnen beoordelen of bouwplannen voldoen aan redelijke eisen van welstand.
De locatie is in de Nota Omgevingskwaliteit aangewezen als 'Buitengebied - Niveau Midden'. Zie figuur 4.11.
Figuur 4.11 Kaart welstandsnota gemeente Dinkelland plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: gemeente Dinkelland)
Het plangebied is gelegen in het gebied dat beschreven staat als 'Buitengebied - Niveau Midden'. Hierbij zijn er vooral ambities geformuleerd voor (historische)invalswegen. Het plangebied is niet gelegen aan een (historische)invalsweg. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning wordt het plan getoetst of deze niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand. Hierdoor wordt nadere toetsing aan de Nota omgevingskwaliteit niet noodzakelijk geacht.
In de voorfase is er sprake geweest van een principeverzoek waarop het college een positief principe-uitspraak heeft gedaan.
De provincie Overijssel heeft de 'uitzonderingenlijst vooroverleg ruimtelijke initiatieven 2023' vastgesteld. In dit document is opgenomen welke ruimtelijke initiatieven/ontwikkelingen de provincie niet hoeft te zien zolang geen ander provinciaal beleid en/of andere provinciale belangen zoals NNN en grondwaterbescherming geraakt worden.
Op woensdag 8 oktober 2025 is het plan in het kader van de voorkantsamenwerking ingediend bij de provincie Overijssel. Op dinsdag 14 oktober 2025 heeft de provincie Overijssel de volgende beoordeling gegeven:
Beoordeling
Het plan past in ons ruimtelijk beleid. Er zijn dan ook geen belemmeringen wanneer dit plan in deze vorm in procedure gebracht wordt. Ook is hiermee het ambtelijk vooroverleg met de provincie afgerond.
Op 4 juni 2025 is via www.hetwateradvies.nl de digitale watertoets verricht. Uit de watertoets is gebleken dat er een normale procedure moet worden gevolgd. De procedure in het kader van de voortoets is goed doorlopen. De ingevulde watertoets is te vinden in Bijlage 4.
In januari 2025 heeft er overleg plaatsgevonden met naastgelegen buren. Op het plan zijn positieve reacties gekomen. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 6.
Deze paragraaf wordt ingevuld nadat het ontwerpbesluit tot wijziging van het omgevingsplan voor een periode van zes weken ter inzage heeft gelegen.
Zoals blijkt uit hoofdstuk 1.2 geldt dat alleen een besluit tot wijziging van het omgevingsplan mogelijk is als er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Ow).
Om dit te kunnen beoordelen zijn alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten (voor zover betrekking hebbend op de gevraagde activiteit) nader onderzocht en afgewogen. Voor de beoordeling van de wijziging van het omgevingsplan zijn op basis van artikel 8.0b lid 1 Bkl de volgende regels en instructies van toepassing:
In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties zijn niet alleen de in het Bkl geregelde milieu aspecten beoordeeld, maar zijn alle relevante aspecten van de fysieke leefomgeving en milieu beoordeeld, zoals bijvoorbeeld het effect van cumulatie. Voor zover relevant is er voor de aspecten fysieke leefomgeving en milieu ook getoetst aan het gemeentelijk beleid.
De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik van de fysieke leefomgeving en het tegengaan van leegstand van gebouwen. De instructieregel in artikel 5.129g van het Bkl verplicht om bij een wijziging van het omgevingsplan, dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, rekening te houden met de behoefte aan de voorgenomen nieuwe stedelijke ontwikkeling.
Artikel 5.129g lid 2 van het Bkl behelst een motiveringseis en vraagt om explicitering van gemaakte keuzes. Voor het maken en onderbouwen van die keuzes is zo nodig, op grond van artikel 3:2 Algemene wet bestuursrecht (Awb), onderzoek geboden waarbij de nodige kennis wordt vergaard omtrent de behoefte aan de in het project voorziene nieuwe stedelijke ontwikkeling. Met de uitkomsten daarvan dient in het omgevingsplan rekening te worden gehouden. Het bestuursorgaan heeft bij de toepassing van deze instructieregel beoordelingsvrijheid. Andere belangen dan het belang dat wordt gediend met de instructieregel kunnen de doorslag geven.
De ladder is geen blauwdruk voor een optimale ruimtelijke inpassing van alle nieuwe ontwikkelingen, maar bewerkstelligt dat de wens om in een nieuwe stedelijke ontwikkeling te voorzien aan de hand van het toetsingskader van dit artikellid nadrukkelijk wordt gemotiveerd en afgewogen met oog voor de ontwikkelingsbehoefte van een gebied en met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en de ontwikkeling van de omgeving waarin het gebied ligt. Deze bepaling schrijft geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent en de verantwoordelijkheid draagt voor de ruimtelijke afweging met betrekking tot die ontwikkeling (ABRS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1421 en ABRS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2579.
De laddertoets is in ieder geval van toepassing op een stedelijk ontwikkeling of uitbreiding van o.a. bedrijventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening. De opsomming in het eerste lid is niet limitatief, ook andere dan de genoemde ontwikkelingen kunnen zich als een stedelijke ontwikkeling kwalificeren. Voorts geldt dat een stedelijke ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als nieuwe stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Of aan dit criterium wordt voldaan is in sterke mate afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval.
Toets
Voorliggend plan maakt de realisatie van één nieuwe bedrijfshal en het uitbreiden van het bestaande bedrijventerrein aan De Mors 155 in Ootmarsum mogelijk.
Op grond van vaste jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2018:52) dient de uitbreiding van een bedrijventerrein aangemerkt te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Voorliggend plan voorziet in de uitbreiding van de bedrijventerrein functie met een oppervlakte van circa 2.585 m2. Deze uitbreiding is nodig om een nieuwe bedrijfshal te realiseren. De bedrijfshal krijgt een totale oppervlakte van 450 m2.
Middels voorliggend plan wordt de functie 'bedrijventerrein' uitgebreid en is de mogelijkheid aanwezig om een nieuwe bedrijfshal te realiseren. Hierdoor is er sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Er moet worden aangetoond dat er behoefte is aan de uitbreiding.
Als een omgevingsplan een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, wordt rekening gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling. Dit met het oog op het belang van zorgvuldig ruimtegebruik en het tegengaan van leegstand. Hiervoor is niet relevant of het plangebied binnen of buiten het stedelijk gebied ligt. In beide gevallen moet rekening worden gehouden met de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling.
Ten eerste moet worden beoordeeld of er concreet behoefte bestaat aan de betreffende vorm van verstedelijking van de betreffende kwaliteit. Daarbij moet de ruimtevraag (kwantitatief én kwalitatief) in ogenschouw worden genomen. Het gaat om de ruimtevraag waarin elders in de regio nog niet is voorzien. Bij aanbod elders kan worden gedacht aan al geplande woningbouw- of werklocaties, een binnenstedelijke herstructurering, of bijvoorbeeld leegstand.
Behoefte
Kwantitatieve behoefte Dinkelland
De interesse voor- en uitgifte van bedrijfskavels is de afgelopen jaren onverwacht sterk toegenomen in de gemeente Dinkelland. Gemeente Dinkelland verwachte op basis van de provinciale behoefteraming bedrijventerreinen en de regionale programmeringsafspraken tot 2030 voldoende bestaande kavels en plannen voor uitbreiding te hebben. Echter wordt het aantal beschikbare bouwkavels wordt steeds beperkter en niet in iedere (grote) kern zijn nog kavels aanwezig.
De gemeente Dinkelland beschikt over vijf bedrijventerreinen in vijf kernen. In de praktijk hebben veel kernen van oudsher een eigen bedrijventerrein(tje), waar bedrijven uit die kern of met een voorkeur voor die kern zich hebben kunnen vestigen. In haar beleid focust de gemeente Dinkelland zich op concentratie: nieuwe ontwikkelingen van bedrijventerreinen werd geconcentreerd in Denekamp, Ootmarsum en Weerselo, zodat versnippering, problemen met ontsluiting en aantasting van het landschap werd beperkt.
Figuur 5.1 Uitsnede tabel 7 ruimtebehoefte bedrijventerreinen Dinkelland (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland)
Figuur 5.1 geeft de totale behoefte aan netto hectare bedrijventerrein aan. Voor de kern Ootmarsum is de behoefte aan bedrijventerrein tussen de 2,0 en 2,8 hectare. Voorliggend initiatief voorziet in de uitbreiding van het bedrijventerrein met ongeveer 0,25 hectare. Het voorziet hierdoor kleinschalig in de behoefte aan bedrijfsruimte in Ootmarsum en hoeven niet elders binnen de gemeente extra grond te worden aangekocht. De gronden zijn namelijk al in eigendom van de intiatiefnemer. Dit bespaarde geld kan worden geïnvesteerd in de nieuwe (duurzame)bedrijfshal. Door op de bestaande locatie uit te breiden kan hierdoor een langdurige vestiging worden gegarandeerd en is dit goed voor het bedrijfsleven in de kern van Ootmarsum.
Kwalitatieve behoefte Dinkelland
Binnen de behoefteraming van bedrijventerrein in Dinkelland heeft Stec een kwalitatieve behoefte geformuleerd. Hierin heeft Stec gekeken naar locatievoorkeuren, beweegredenen voor de uitbreidings- of verhuisplannen en de beoogde bedrijfsomvang en vastgoedtype.
Voor de kern Ootmarsum geldt dat bedrijven uitgesproken hebben een voorkeur te hebben om op hun bestaande locatie uit te breiden. Ze hebben hierbij geen uitgesproken voorkeur voor nieuwbouw of bestaand vastgoed, maar ook geen uitgesproken voorkeur om bij uitbreiding of verhuizing in de eigen kern te blijven. Stec geeft aan dat het verstandig is om maatwerk te realiseren voor de uitbreiding van het bedrijventerrein.
Figuur 5.2 geeft de voorkeuren van ondernemers in Ootmarsum weer. De tabellen gaan in voorkeuren van ondernemers op locatie, beweegredenen en de omvang en vastgoedtype.
Figuur 5.2 Uitsnede voorkeuren ondernemers in Ootmarsum (Bron: Stec groep, gemeente Dinkelland)
De initiatiefnemer van het voorliggende plan heeft de behoefte om op zijn eigen terrein uit te breiden. Dit is in lijn met de verwachtingen die Stec heeft gesteld voor de voorkeuren en beweegredenen van de ondernemers. Daarnaast is het voorliggende plan een maatwerkplan, gezien het gaat om een relatieve kleine uitbreiding. Het plangebied wordt daarnaast landschappelijk ingepast middels een landschapsplan. Dit landschapsplan is te zien in Bijlage 1. Voorliggend plan voldoet aan de kwalitatieve behoefte van de gemeente Dinkelland.
Bestaand stedelijk gebied
Het plangebied is onderdeel van het vastgestelde bestemmingsplan voor het bedrijventerrein in Ootmarsum. Het plangebied ligt niet binnen de bebouwde kom van Ootmarsum. Hierdoor valt het plangebied niet binnen bestaand gebied. Echter is er binnen het bestaand bebouwd gebied geen ruimte om de nieuwe bedrijfshal te realiseren. Zoals ook blijkt uit de behoefteraming van bedrijventerreinen in Dinkelland.
Als het initiatief voorziet in een behoefte, dan wordt voldaan aan de Ladder. Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat voldaan wordt aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
Op basis van het vorenstaande wordt geacht dat voorliggend plan in overeenstemming is met de ladder voor duurzame verstedelijking.
Afdeling 16.4 van de Ow bevat de regelgeving over milieueffectrapportage. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. De regels voor de milieueffectrapportage (mer) staan in afdeling 16.4 van de Ow. De uitwerking ervan staat in hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit. Het gaat hier om de implementatie van 2 richtlijnen:
De regels schrijven voor bepaalde plannen, programma's en projecten een zogenoemde milieubeoordeling voor. Deze mer-procedure gaat vooraf aan het nemen van een besluit over het vaststellen van het plan of het toestaan van een project.
In een aantal situaties is het mogelijk om een plan-mer-beoordeling te doen in plaats van een milieueffectrapportage. Voor een plan-mer-plicht gelden de volgende eisen:
De inhoud van een plan bepaalt mede de eventuele mer-plicht. In een aantal gevallen is het echter mogelijk om eerst een plan-mer- beoordeling te doen. Uit een plan-mer-beoordeling blijkt of het plan of programma aanzienlijke milieueffecten heeft. Als dat niet het geval is, kan een planmilieueffectrapportage achterwege blijven. Een plan-mer-beoordeling kan in de volgende twee situaties aan de orde zijn:
In een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 en lid 4 Ow) toetst het bevoegd gezag of er bij het plan of programma aanzienlijke milieueffecten kunnen optreden. Er zijn twee mogelijke resultaten:
Beoordeling of het plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is
De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit. Voorliggend plan heeft betrekking op het uitbreiden van het bedrijventerrein en de realisatie van één nieuwe bedrijfshal. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V bij het Omgevingsbesluit, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J10, 'Industrieterrein'.
Het begrip 'stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:
Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken (art. 16.36 lid 3 Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.
Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. Dit kan in sommige gevallen gemotiveerd worden op basis van jurisprudentie.
Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Onder andere de aard en de omvang van de voorziene wijziging van de stedelijke ontwikkeling spelen daarbij een rol. Of de ontwikkeling per saldo aanzienlijke negatieve gevolgen voor het milieu kan hebben, is daarbij niet relevant, waarbij de bestaande planologische mogelijkheden meegewogen mogen worden (ABRS 18 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2414).
Voorliggend plan wordt het bedrijventerrein aan De Mors 155 uitgebreid. Hierbij wordt er een nieuwe bedrijfshal van 450 m2 gerealiseerd. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling kan gesteld worden dat sprake is van een 'kleine wijziging' op lokaal niveau. Er kunnen echter nog steeds milieugevolgen optreden. Er is hierom een schriftelijke mededeling aan het bevoegd gezag gepresenteerd in de vorm van een aanmeldnotitie, deze is tevens opgenomen in Bijlage 2 van deze toelichting.
In de bijgevoegde aanmeldnotitie is getoetst aan verschillende omgevingsaspecten zoals archeologie, bodem, natuur en stikstofdepositie, water, geluid, lucht. De algehele conclusie uit de aanmeldnotitie is dat er geen nadelige milieueffecten optreden als gevolg van dit project.
Conclusie
Op basis van bovengenoemde beoordeling van kenmerken en locatie van het project en de kernmerken van het potentiële effect van het project is vastgesteld dat er geen sprake is van een project dat belangrijke gevolgen heeft, zodat er geen milieueffectrapport hoeft te worden gemaakt (artikel 16.43 jo. artikel 16.53 Ow).
Situatie plangebied verkeerskundige effecten ontwikkeling (verkeersgeneratie en –afwikkeling)
De visie op verkeer en vervoer is opgenomen in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. De verkeersgeneratie moet worden bepaald aan de hand van de meest recente CROW-uitgave 'toekomstig parkeren' (uitgave 381). De toename en de verkeersveiligheid wordt beoordeeld aan de hand van de verkeersgeneratie en de wegencategorisering in het Strategisch verkeer- en vervoerplan 2019. Er moet worden beoordeeld of de betreffende weg/wegen de toename aan het verkeer kunnen afwikkelingen en niet leidt tot verkeersonveilige situaties. Het parkeren wordt getoetst aan de Beleidsnotitie bouwen & parkeren 2018.
Verkeer
Voor het berekenen van de verkeersgeneratie zijn de volgende uitgangspunten gebruikt:
De plan locatie is gelegen aan De Mors. Dit is tevens een belangrijke toegangsweg tot het industrieterrein. Met de realisatie van de nieuwe bedrijfshal neemt de verkeersintensiteit toe. Voorliggend plan voorziet in de volgende verkeersgeneratie:
Voor de nieuwe bedrijfshal worden de volgende kengetallen van de CROW gehanteerd:
((3,9 + 5,7)/2) = 4,8 per 100 m2 BVO
In totaal zal de verkeersintensiteit met 21,6 (4,8x4,5) verkeersbewegingen toenemen. Met voorliggend plan neemt de verkeersintensiteit in beperkte mate toe. De Mors (ontsluitingsweg) kan de lichte toename aan verkeerbewegingen gemakkelijk afwikkelen.
Situatieplangebied parkeren
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte vormen de gemeentelijke parkeernormen, de rekensystematiek definities, uitgangspunten en de afmetingen van de parkeerplaatsen in de gemeentelijke 'Beleidsnotitie Bouwen en Parkeren 2018' het toetsingskader.
Uitgangspunt is dat het parkeren op het eigen erf plaatsvindt. Als een aanvrager alle parkeergelegenheid voor het bouwplan op eigen erf realiseert, wordt er een positief parkeeradvies gegeven.
Om de parkeerbehoefte te bepalen zijn de volgende uitgangspunten gebruikt:
Per 100 m2 moet er 1,05 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. Bij een bedrijfshal van 450 m2 komt het neer op 4,7 (1,05x4,5) parkeerplaatsen die extra op het erf moeten worden gerealiseerd. Op het erf is voldoene ruimte beschikbaar om de parkeerplaatsen te realiseren.
Conclusie
Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect verkeersgeneratie, -afwikkeling en parkeren geen belemmeringen vormt voor de ontwikkeling.
Bij een ruimtelijk plan moeten de gevolgen van de voorgenomen ontwikkeling met betrekking tot aanwezige natuurwaarden in beeld worden gebracht. Daarbij wordt ingegaan op de relatie van het plan met beschermde gebieden, beschermde soorten, en het Natuurnetwerk Nederland (NNN).
Het gebiedsbeschermingsdeel van de Omgevingswet heeft als doel het beschermen van Natura 2000- gebieden (Vogelrichtlijn- en/of Habitatrichtlijngebieden) in Nederland. Projecten die significante gevolgen voor deze gebieden kunnen hebben, zijn in beginsel – zonder vergunning – niet toegestaan.
Ook het vaststellen van plannen is niet toegestaan, indien het betreffende plan significante gevolgen kan hebben voor Natura 2000-gebieden. Naast directe effecten (bijv. ruimtebeslag), dient ook gekeken te worden naar indirecte effecten als gevolg van externe werking (bijv. door geluid, licht en stikstofdepositie). De eerste stap in de toetsing is vaak een voortoets. Als significante gevolgen in de voortoets niet op voorhand met zekerheid kunnen worden uitgesloten, dan is een passende beoordeling noodzakelijk. In dat geval is voor een project een Omgevingsvergunning voor de Natura-2000-activiteit noodzakelijk.
Het Besluit activiteiten leefomgeving regelt in hoofdstuk 11 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor:
De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op. In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door het ministerie van LNV. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden.
Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een 'voortoets'. Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden.
Situatie plangebied
Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied 'Springendal & Dal van de Mosbeek' ligt op circa 1,1 kilometer afstand. In figuur 5.3 is de globale ligging van het plangebied en de onderlinge afstand met het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied weergegeven en met andere Natura 2000-gebieden op grotere afstand, zoals 'Achter de Voort, Agelerbroek & Voltherbroek' op circa 2,6 kilometer afstand en 'Bergvennen & Brecklenkampse Veld' op circa 6,5 kilometer afstand.
Figuur 5.3 Uitsnede Natura 2000-gebieden kaart, plangebied globaal in rood omcirkeld (Bron: AERIUS Calculator)
Gelet op de onderlinge afstand is er een AERIUS-berekening uitgevoerd. Hieronder worden kort de belangrijkste conclusies benoemd. Het gehele rapport is te lezen in Bijlage 3.
De berekening is uitgevoerd met het programma AERIUS Calculator 2025. Voor de doorlooptijd van de aanlegfase is uitgegaan van een zes weken. Ervan uitgaande dat het plan begin 2027 kan starten, kan het in 2027 worden afgerond en zal de bedrijfshal gereed zijn voor gebruik in 2027. Voor zowel de aanlegfase als ook de gebruiksfase is derhalve gerekend voor het rekenjaar 2027.
De bijdrage aan de stikstofdepositie in de omliggende Natura 2000-gebieden is in alle gevallen berekend voor een omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit. In de bijlage is een uitdraai van de resultaten van de AERIUS Calculator opgenomen.
Aanlegfase
De totale NOx-emissie bedraagt in de aanlegfase in totaal 12,1 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,6 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Gebruiksfase
De totale NOx-emissie bedraagt in de gebruiksfase in totaal 18,9 kg/j. De totale NH3-emissie bedraagt 0,6 kg/j. Er zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j.
Als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling komt er zowel stikstof als ammoniak vrij. Door uitvoering van de voorliggende AERIUS-berekening is aangetoond dat dit – met inachtneming van de in dit rapport beschreven uitgangspunten – niet leidt tot een meetbare depositie van stikstof of ammoniak in Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor stikstof en ammoniak. In de aanleg en gebruiksfase ligt de emissie dan ook niet hoger dan 0,00 mol/ha/j. Als gevolg van de berekende emissie, tijdens de aanlegfase en gebruiksfase, vindt er dan ook géén meetbare verhoging van de depositie NOx of NH3 plaats in Natura 2000-gebieden als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling.
De ontwikkeling leidt niet tot een verslechtering van de milieukwaliteit van Natura 2000-gebieden. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden. De AERIUS Calculator 2025 biedt voldoende inzicht in het effect van de voorgenomen activiteit op Natura 2000-gebieden voor het aspect stikstof en ammoniak. De uitkomsten van de berekeningen met de AERIUS Calculator zijn geldig en toepasbaar voor ruimtelijke plannen.
Het aspect stikstof en ammoniak vormen geen belemmering voor de uitvoering van de plannen van de initiatiefnemer. Er hoeft geen omgevingsvergunning worden aangevraagd voor een Natura 2000-activiteit.
Conclusie
Het project betreft, ten aanzien van de effecten van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden, geen Natura 2000-activiteit en is gezien artikel 5.1 van de Omgevingswet niet vergunningplichtig. De voortoets voor het plan voldoet ten aanzien van de effecten van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden aan artikel 10.24, lid 1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
In het Besluit kwaliteit leefomgeving is het ruimtelijk beleid op rijks-, provinciaal, en gemeentelijk niveau vastgesteld, waarin onder andere de bescherming van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is verankerd (voorheen Ecologische Hoofdstructuur). De EHS werd officieel geïntroduceerd in het Natuurbeleidsplan en is daarna opgenomen in de Nota Ruimte, welke inmiddels vervangen is door de Nationale omgevingsvisie (NOVI). Kaderstellende regels ten aanzien van o.a. NNN zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Bij geplande ingrepen die binnen het NNN vallen moet het belang van de natuurbescherming worden afgewogen tegen andere belangen, indien de voorgenomen ingreep negatief uitwerkt op de aanwezige natuurwaarden. De kern van de afweging vormt het 'nee, tenzij'-principe. Dit wil zeggen dat schadelijke ingrepen niet zijn toegestaan, tenzij er andere belangen zijn die de ingreep rechtvaardigen. In dat geval zijn compenserende maatregelen voorgeschreven. Concrete beleidsregels ten aanzien van de NNN in Overijssel zijn opgenomen in de vigerende provinciale ruimtelijke verordening van de provincie Overijssel.
Situatie plangebied
Het dichtstbijzijnde NNN-gebied ligt op een afstand van circa 354 m van de planlocatie. NNN-gebieden kennen geen externe werking en het plangebied is niet gelegen binnen het NNN-gebied. De afstand tot de planlocatie is weergegeven in figuur 5.4.
Figuur 5.4 Uitsnede natuurnetwerk Nederland kaart, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: Atlas Leefomgeving)
Conclusie
Het plangebied ligt op 354 meter afstand van gronden die behoren tot het NNN. De invloedsfeer van het kleinschalige voornemen is lokaal, waardoor de voorgenomen ontwikkeling geen negatief effect zal hebben op de kernkwaliteiten en omgevingscondities van het NNN.
In de Omgevingswet (Bal; Besluit activiteit leefomgeving) is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de wet zijn lijsten opgenomen met beschermde soorten. In de Omgevingswet worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld:
Tevens geldt een specifieke zorgplicht op grond van de Omgevingswet. Een flora- en fauna-activiteit kan nadelig zijn voor bijvoorbeeld natuurbescherming. Iemand die dat weet of kan weten, moet zich altijd houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit (artikel 11.27 Bal). De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten.
Situatie plangebied
In de bestaande situatie wordt er al gebruik gemaakt van de agrarische grond als opslag plaats voor motorvoertuigen. Daarnaast is het een braakliggend terrein. Hierdoor is het aannemelijk dat er geen flora of fauna aanwezig zijn op het terrein.
Conclusie
Het aspect soortenbescherming staat niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg.
Ter bescherming van de gezondheid zijn onder paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl instructieregels opgenomen voor de luchtkwaliteit. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in zogeheten aandachtsgebieden, dit zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide of fijnstof.
In een aandachtsgebied moet de overheid de omgevingswaarden in acht nemen. Dit geldt voor de besluiten, als deze zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen een aandachtsgebied. Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Dit volgt uit artikel 5.51 van het Bkl. Hierbij gaat het om activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied, als deze activiteiten zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Het gaat in zulke gevallen om activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben (bijvoorbeeld verkeer of bedrijfsemissies). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
De specifieke beoordelingsregels voor luchtkwaliteit staan in artikel 8.17 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bk). Deze gaan over:
Uit artikel 5.53 en 5.54 van het Bkl volgt dat een project niet in betekende mate (NIMB) bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m³. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. In artikel 5.54 staan standaardgevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn:
Als een plan binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen valt, is het alsnog mogelijk om via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden. Een andere manier om aannemelijk te maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt is een kwalitatieve berekening. Met de NIBM-tool kan bekeken worden of een project in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Soms zijn detailberekeningen nodig als aanvulling op de NIBMtool.
Situatie plangebied
In de toekomstige situatie wordt er een nieuwe bedrijfshal gerealiseerd in de kern van Ootmarsum. Als gevolg van de realisatie van deze bedrijfshal neemt de verkeerintensiteit toe met 21,6 per etmaal. Als er uit wordt gegaan van de worst-case scenario kan het aantal verkeersbewegingen op 22 per etmaal gesteld worden. Hierbij wordt er rekening gehouden met 5,0% aan vrachtverkeer.
In figuur 5.5 is de worst-case berekening weergegeven met 22 extra voertuigbewegingen.
Figuur 5.5 Worst-case berekening, rekening houdend met het dubbele aantal verkeersbewegingen (Bron: INFOMIL)
Conclusie
Uit deze berekening volgt dat de bijdrage van het extra verkeer niet in betekende mate is. Er is geen nader onderzoek nodig. Uit de jaarlijkse rapportage van de luchtkwaliteit blijkt bovendien dat er, in de omgeving van het plangebied, langs wegen geen overschrijdingen van de grenswaarden aan de orde zijn. Een overschrijding van de grenswaarden is ook in de toekomst niet te verwachten. Aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is derhalve niet nodig. Het aspect 'luchtkwaliteit' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit project.
Veel activiteiten in de fysieke leefomgeving hebben te maken met geluid; ze veroorzaken geluid(hinder) of worden eraan blootgesteld. Daarom worden er regels gesteld aan geluid. Deze regels gaan over het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen enerzijds en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en locaties anderzijds. In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit rekening wordt gehouden met het aspect geluid.
Geluid door activiteiten
In het Bkl onder paragraaf 5.1.4.2.1 zijn regels voor het aspect geluid opgenomen die gelden voor milieubelastende activiteiten die geluid voortbrengen. Deze instructieregels zijn van toepassing op het moment dat een omgevingsplan of omgevingsvergunning op een locatie een geluidbelastende activiteit of een geluidgevoelig gebouw planologisch mogelijk maakt. Daarmee gelden de instructieregels zowel bij het toestaan van de activiteit, als bij het toestaan van geluidgevoelige gebouwen in de nabijheid van de activiteit.
Met uitzondering van het geluid van woonactiviteiten, zijn de instructieregels van deze paragraaf van toepassing op het geluid van alle denkbare activiteiten. Het gaat hierbij niet alleen om geluid van bedrijven en/of instellingen, maar bijvoorbeeld ook geluid afkomstig van locaties waar openbare voorzieningen zijn voorzien, zoals groen of speeltuinen. De instructieregels zijn ook van toepassing op geluid afkomstig van een locatie waar woningen met een bedrijf aan huis zijn toegelaten. Dat betekent dat het geluid dat afkomstig is van het wonen niet wordt beoordeeld, maar het geluid van de bedrijfsmatige activiteiten wel.
De instructieregels zijn niet van toepassing op tijdelijk gebouwen (minder dan 10 jaar) en op geluid afkomstig van doorgaand verkeer op wegen en spoorwegen.
Geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen
Paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl gaat over het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw bij wegen, spoorwegen en industrieterreinen alsook het geluid veroorzaakt door wegen, spoorwegen en industrieterreinen op geluidgevoelige gebouwen gelegen binnen een geluidaandachtsgebied. Onder geluidgevoelige gebouwen wordt verstaan:
Een geluidaandachtsgebied is een locatie langs een weg, spoorweg of rond een industrieterrein waarbinnen het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde zoals opgenomen in de tabel in art. 5.78t van het Bkl. Een nieuw geluidgevoelig gebouw kan zonder meer worden toegelaten als het geluid niet hoger is dan de standaardwaarden zoals opgenomen in onderstaande tabel:
Figuur 5.6 Standaardwaarden (Bron: Art. 5.78T van het Bkl)
Er zal bij de voorbereiding van een omgevingsplan of omgevingsvergunning, onderzoek moeten worden gedaan naar de geluidbelasting op de gevels van geluidgevoelige objecten, wanneer deze zich binnen het geluidaandachtsgebied van een industrieterrein, wegen en/of spoorwegen bevinden.
Geluidbeleid
De gemeente beschikt over een eigen geluidsbeleid, namelijk het 'Gebiedsgericht geluidbeleid van de gemeente Dinkelland' en de 'Nota hogere grenswaarden'. Het bevoegd gezag kan gemotiveerd afwijken van het geluidbeleid en een hogere waarde toekennen, indien aangetoond is dat aan de hoofd- en ontheffingscriteria kan worden voldaan. De gemeente past hierbij primair akoestische compensatiemaatregelen toe. Deze zijn per geluidsklasse verschillend.
Het plangebied maakt onderdeel uit van het gebiedstype 'Bedrijventerrein'. Voor dit gebiedstype geldt de ambitiewaarde 'onrustig' (53 dB) en de bovengrens 'lawaaiig' (63 dB).
Situatie plangebied, weg- en verkeerslawaai
Met voorliggend initiatief wordt geen nieuwe geluidsgevoelige functie of bebouwing mogelijk gemaakt. Derhalve vormt geluid van weg- en verkeerslawaai geen belemmering voor het voorliggende plan.
Situatie plangebied, industrielawaai
Met voorliggend initiatief wordt geen nieuwe geluidgevoelige functie of bebouwing toegestaan. Derhalve vormt geluid van de industrie geen belemmering voor de uitbreiding van het bedrijventerrein. Anderzijds geeft deze uitbreiding geen belemmering voor omliggende gevoelige functies. De dichtstbijzijnde gevoelige functie ligt op circa 160 meter van het plangebied, zie figuur 5.7 industrielawaai vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Figuur 5.7 Uitsnede geldend omgevingsplan, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: Atlas Leefomgeving)
Situatie plangebied, geluid door belastende activiteiten
Met voorliggend initiatief wordt geen nieuwe geluidgevoelige functie toegestaan. Wel kan er geluid ontstaan vanuit het plangebied. De dichtstbijzijnde gevoelige functie (wonen) ligt op een afstand van ca. 160 meter van het plangebied (figuur 5.7). Op het plangebied is bedrijvigheid tot milieucategorie tot 3.2 toegestaan. Deze bedrijfsactiviteit heeft een geluidzone van ca. 100 meter. De meest dichtbijgelegen geluidgevoelige functie ligt ruim buiten de gestelde richtlijnen. Er kan gesteld worden dat de uitbreiding van het bedrijventerrein geen belemmering vormt voor deze woning en andersom.
Conclusie
Gelet op het vorengaande leidt het aspect geluid afkomstig van o.a. wegen niet tot een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat.
In paragraaf 5.1.4.6.1 van het Bkl zijn de instructieregels opgenomen die geurbelastende activiteiten en/of geurgevoelige gebouwen in elkaars nabijheid mogelijk maken. Het gaat hierbij om drie geurbronnen waarvoor regels zijn gesteld, namelijk:
In artikel 5.92 van het Bkl staat vastgelegd dat in een omgevingsplan rekening gehouden wordt met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen en dat het omgevingsplan erin voorziet dat dit aanvaardbaar is. Hierbij moet rekening worden gehouden met de lokale specifieke omstandigheden en de (cumulatieve) gevolgen van activiteiten. De specifieke plaatselijke situatie kan mede bepalend zijn voor wat aanvaardbaar is en per geval verschillen. Afhankelijk van de gemeente kan lokaal beleid van toepassing zijn voor het aspect geur. Dit wordt dan vastgelegd in een Geurgebiedsvisie en Geurverordening. Naast het toetsen van de geurbelasting door activiteiten op geurgevoelige functies, moet bij het toelaten van een nieuwe geurgevoelige functies ook worden getoetst of bedrijven in de omgeving worden beperkt in hun bedrijfsvoering. Wanneer hier sprake van is moet getoetst worden aan de geldende normen waar het bedrijf aan moet voldoen. Een nieuwe geurgevoelige functie is alleen aanvaardbaar als dit er niet toe leidt dat het bedrijf daardoor niet meer kan voldoen aan de voor het bedrijf geldende normen. Er mag geen sprake zijn van een beperking in de bedrijfsmogelijkheden.
Situatie plangebied
Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Ootmarsum. Voorliggend plan voorziet niet in de realisatie van een geur belastende activiteit en/of een geurgevoelig gebouw, zoals beschreven is in paragraaf 5.1.4.6.1. Wel is er een bedrijf toegestaan met een milieucategorie tot 3.2. Hierdoor zou zich een bedrijf kunnen vestigen die geuroverlast kan veroorzaken. Echter liggen de dichtbijgelegen geurgevoelige functie(s) op voldoende afstand (circa 160 meter) van het plangebied af. Gesteld kan worden dat geur geen belemmering vormt voor de bestaande woningen en de woningen geen belemmering vormt voor het voorliggende plan.
Conclusie
Milieuaspect 'geur' vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. De hoofdlijnen van het (wettelijk) kader voor de omgevingsveiligheid zijn opgenomen in instructieregels in afdeling 5.1.2 van het Bkl. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:
De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Plaatsgebonden risico
Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een Omgevingsplan in acht genomen. Met standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).
Groepsrisico
Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht. Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen (RIVM a, z.d.). Aandachtsgebieden zijn er voor brand, explosie en gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn er voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).
Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).
Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Los van een eventueel voorschriftengebied kan een gemeente aanvullende eisen stellen, bijvoorbeeld aan vluchtroutes en de bereikbaarheid van het gebied door hulpdiensten. Dergelijke eisen kunnen worden opgenomen in de omgevingsvergunning. Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:
Situatie plangebied
In de omgeving van het plangebied zijn geen risicobronnen (gevaarlijke buisleidingen en gastransportleidingen, transport van gevaarlijke stoffen en andere externe veiligheidsbronnen) gelegen die invloed kunnen hebben op het woon- en leefklimaat. Eveneens ligt het plangebied niet binnen een aandachtsgebied op grond van omgevingsveiligheid. Zoals te zien is in figuur 5.8.
Figuur 5.8 Uitsnede omgevingsveiligheidkaart, plangebied onder het blauwe bolletje (Bron: Atlas Leefomgeving)
Conclusie
Het milieuaspect 'omgevingsveiligheid' vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
In paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl staan de instructieregels over het omgevingsaspect trillingen opgenomen. De regels zien op activiteiten, anders dan wonen, die trillingen veroorzaken in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw. Uit artikel 5.79 Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op trillingen door alle denkbare activiteiten. Een uitzondering op deze hoofdregel betreft de (tijdelijke) activiteiten die niet bepalend zijn voor de functie van een locatie.
De belangrijkste instructieregel is het vereiste van aanvaardbaarheid, zoals opgenomen in artikel 5.83 van het Bkl. Het eerste lid van dat artikel verplicht gemeenten om in het omgevingsplan rekening te houden met trillingen door activiteiten in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen. Dit is een concretisering van het beginsel van 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties' waar het omgevingsplan invulling aan geeft.
Rekening houden met trillingen door activiteiten werkt twee kanten op: bij het mogelijk maken van activiteiten nabij bestaande trillinggevoelige gebouwen, maar omgekeerd ook bij toelaten van trillinggevoelige gebouwen in de nabijheid van bestaande trillingen veroorzakende activiteiten.
Het tweede lid van artikel 5.83 van het Bkl bepaalt dat een omgevingsplan erin voorziet dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn. Het gaat hierbij, anders dan in het eerste lid, om trillingen door een individuele activiteit. Het Bkl geeft standaardwaarden aan waarmee in ieder geval wordt voldaan aan artikel 5.83 lid 2 van het Bkl. In afwijking van de standaardwaarden kan de gemeente aan de 'aanvaardbaarheid' ook voldoen door het gebruik van andere waarden. Ander dan het voormalige Activiteitenbesluit bevat het Bkl ook standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen. Onder trillingsgevoelige gebouwen worden gebouwen of gedeelten daarvan verstaan met een:
Situatie plangebied
Met voorliggend initiatief worden geen trillingsgevoelige ruimten gerealiseerd. Daarnaast wordt met de realisatie van de nieuwe opslaghal geen activiteit toegestaan die trilling veroorzaakt. Wel is het zo dat een toekomstig bedrijf wel trilling kan veroorzaken. Echter ligt de dichtsbijzijnde gevoelige functie op meer dan 100 meter van het plangebied, waardoor deze functies geen last hebben van trillingen afkomstig van het plangebied.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'trillingen' geen belemmeringen zijn voor de voorliggende ontwikkeling.
De essentie van het Europees beleid is dat voorafgaand aan de uitvoering van plannen onderzoek moet worden gedaan naar de aanwezigheid van waarden en daar in de ontwikkeling van plannen zoveel mogelijk rekening mee te houden. De essentie van deze wetgeving is behoud van archeologische resten zoveel mogelijk in de bodem en de bescherming van het cultureel erfgoed en landschap. Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet rekening worden gehouden met bepaalde uitgangspunten. Het Rijk geeft hiervoor instructieregels (artikel 5.130 lid 2 Bkl). Deze gaan over:
Archeologische resten
Het gemeentelijk beleid voor archeologie en cultuurhistorie staat veelal opgenomen in de archeologische beleidskaart en cultuurhistorische waardenkaart. Dit document schrijft per gebied voor welke onderzoekverplichtingen ter plaatse gelden. Wanneer een project binnen een archeologisch waardevol gebied ligt wordt hieraan getoetst.
Situatie plangebied
Cultuurhistorie
Op en rondom het plangebied bevinden zich geen cultuurhistorische waardevolle monumenten. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
Archeologie
Uit de archeologische waardenkaart van de gemeente Dinkelland blijkt dat het plangebied bedekt is met dekzandhoogten en -ruggen. Dit heeft een hoge archeologische waarde, zie figuur 5.9.
Figuur 5.9 Uitsnede archeologische waardenkaart gemeente Dinkelland, plangebied globaal in rood omkaderd (Bron: gemeente Dinkelland)
Volgens de beleidskaders van de gemeente Dinkelland geldt voor een gebied van groter dan 2500 m2 en bodemingrepen van dieper dan 40 cm verplichting tot archeologisch onderzoek. Voorliggend plan voorziet in het uitbreiden van het bedrijventerrein in Ootmarsum. Hierbij is het totale oppervlakt waarbij bodemingrepen gebeuren kleiner dan 2500 m2. De totale oppervlakte van de uitbreiding is wel groter dan 2500 m2, maar hier worden geen bodemingrepen uitgevoerd die dieper dan 40 cm zijn. Archeologisch onderzoek is hierom niet noodzakelijk. Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor uitvoering van het voorliggende plan.
Conclusie
Derhalve word geconcludeerd dat voorliggend plan geen negatieve gevolgen heeft voor de aspecten 'archeologie' en 'cultuurhistorie'.
Wanneer ontwikkelingen plaatsvinden m.b.t. de fysieke leefomgeving is het van belang om te weten of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde functie en/of activiteit. De bodemkwaliteit mag geen gezondheidsrisico opleveren voor gebruikers van de bodem. In deze paragraaf wordt omschreven hoe bij voorliggend project rekening zal worden gehouden met het aspect bodem.
Voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie moet worden getoetst aan paragraaf 5.1.4.5.1 van het Bkl. Deze paragraaf bevat regels voor het tegengaan van bouwen op verontreinigde bodem. De instructieregels zijn mede gesteld met het oog op het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit. Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw.
Uit artikel 5.89g van het Bkl volgt dat deze paragraaf van toepassing is op o.a. een bodemgevoelig gebouw en definieert het als een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. Deze paragraaf is niet van toepassing op bijbehorende bouwwerken tot 50 m².
Waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (art. 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89k Bkl, art. IIIa onder 2 Aanvullingsbesluit Bodem).
Situatie plangebied
Voorliggend plan voorziet in de realisatie van een nieuwe opslaghal. In deze opslaghal bevinden zich doorgaans geen mensen die 2 uur of langer aan één stuk aanwezig zijn in het gebouw. Hierdoor is er geen sprake van een bodemgevoelig gebouw zoals beschreven in artikel 5.89g van het Bkl. Nader onderzoek is niet benodigd.
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat vanuit het aspect 'bodem' geen belemmeringen zijn voor de voorliggende ontwikkeling.
Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken.
Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels (al dan niet ter nastreving van omgevingswaarden*) uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl rijksregels met betrekking tot:
Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.
Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de bruidsschat zijn.
Situatie plangebied
Met het voorliggende plan neemt het verharde oppervlakte toe. Het verhard oppervlakte neemt toe in de toekomst. Dit bestaat uit circa 2.095 m2 voor de toekomstige opslaghal en verharding. Voor het voornemen is een waterhuishoudkundig plan opgesteld door Ad Fontem. Het waterhuishoudkundig plan is toegevoegd als Bijlage 5.
Op circa 300 meter afstand van de ontwikkeling bevindt zich een grondwatermeetpunt. Het maaiveld is hier ongeveer 24,3 meter + NAP. Op de grafiek hierboven is de meting gedurende vier jaar weergegeven.
Hierbij valt op dat het grondwater fluctueert tussen zomer en winter. Het hoogste winterpeil dat af te lezen is, ligt op ongeveer dezelfde waarde als het maaiveld. Dit betekent dat de drooglegging zeer minimaal is. Dit komt door de aanwezige storende lagen van klei en leem. Hierdoor ontstaan zogenoemde schijngrondwaterstanden. In de zomer is het laagst gemeten peil gemiddeld een kleine meter (ca. 70–80 cm) lager dan het winterpeil. Dit betekent dat de drooglegging minimaal is.
De locatie van de ontwikkeling ligt hoger dan de meetlocatie; deze ligt op 27,1 meter + NAP. Dit is een verschil van 2,6 meter. De opbolling van grondwater zal minimaal zijn. Hoewel er diverse watergangen in de buurt aanwezig zijn, ligt de waterspiegel daar op 26,4 meter + NAP. De drooglegging van het te ontwikkelen gebied zal tussen de 0,7 en 2,6 meter liggen. Dit is ook deels afhankelijk van de storende lagen.
Het totaal te verwerken water volgens de gemeentelijke norm van een bui van 40mm in een uur is 84 m3 water.
Het water wat van het dak en de verharding vrijkomt kan ondergronds geborgen worden. Het advies is echter om zeer oppervlakkig te blijven, zodat de voorziening niet in het grondwater komt te liggen. Hierdoor zou de werking van het systeem aanzienlijk afnemen.
Wanneer er 84 m3 geborgen moet worden in een voorziening van 0,5 meter diep, is er circa 170 m2 voorziening nodig, zoals kratten of Rockflow-elementen. Zie ook onderstaande berekening en tekening van de maatregelen.
Figuur 5.10 Uitsnede maatregelen voorzieningen waterberging (Bron: Ad Fontem)
Conclusie
De waterbelangen zijn in de planvorming voldoende gewaarborgd. Door het nemen van infiltratie- of bergingsmaatregelen wordt de extra belasting van het watersysteem gecompenseerd. Het plan is daarmee in lijn met het beleid van Waterschap Vechtstromen en draagt bij aan een klimaatbestendige inrichting.
De investeringen die nodig zijn voor de te realiseren ontwikkelingen moeten passen in de budgetten die daarvoor beschikbaar zijn. Partijen die bouwen in de kernen, dorpen en in het buitengebied dragen op twee manieren bij aan Dinkelland. Enerzijds door direct invulling te geven aan de visie voor de fysieke leefomgeving, zoals verwoord in MijnOmgevingsvisie. Anderzijds via financiering van deze ruimtelijke ontwikkelingen via kostenverhaal en financiële bijdragen voor ontwikkelingen ter verbetering van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Ter uitvoering van deze visie heeft de gemeenteraad het Programma Kostenverhaal vastgesteld ten behoeve van een eenduidige en transparante manier van kosten verhalen bij bouwplannen en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen in de gemeente.
De gemeente borgt het kostenverhaal en de financiële bijdrage voor een ruimtelijke ontwikkeling in een anterieure overeenkomst. Naast het kostenverhaal en een financiële bijdrage wordt in een anterieure overeenkomst ook het verhaal van nadeelcompensatie geregeld. Mogelijke claims voor nadeelcompensatie worden altijd doorgelegd aan initiatiefnemer.
Voor onderhavige ontwikkeling is met initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten over nadeelcompensatie.
Los van het kostenverhaal is initiatiefnemer leges verschuldigd voor het wijzigen van het omgevingsplan. Hierop is de legesverordening en de bijbehorende tarieventabel van toepassing, welke jaarlijks wordt vastgesteld.
Gelet op het vorengaande is het project financieel uitvoerbaar.
In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de relevante milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van dit TAM-IMRO Omgevingsplan, bestaande uit een plankaart (verbeelding) en regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit TAM-IMRO omgevingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde functies zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is.
Met het ‘TAM-Omgevingsplan Hoofdstuk 22w Ootmarsum, De Mors 155’ wordt het bedrijventerrein uitgebreid en één nieuwe bedrijfshal gerealiseerd. Deze wijziging op het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland is technisch opgesteld conform het InformatieModel Ruimtelijke Ordening (IMRO), maar is inhoudelijk uitgewerkt op basis van de vereisten volgens de Omgevingswet.
Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.
Toepassing TAM-IMRO
De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de – onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte – IMRO-standaard en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.
Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-IMRO omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO.
Werkingsgebied
De regels in dit TAM-IMRO omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie De Mors 155 te Ootmarsum, waarvan de geometrisch bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1774.TAMGKOOTMDEMORS155-Ow01 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In hoofdstuk 1 van deze ruimtelijke motivering is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.
Dit plan beoogt het uitbreiden van het bedrijventerrein en de realisatie van één bedrijfshal aan De Mors 155 te Ootmarsum.
Juridisch is het plan een nieuw hoofdstuk in het omgevingsplan van de gemeente Dinkelland. Dit hoofdstuk is op grond van artikel 11.1 lid 2 Besluit elektronische publicaties bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening www.ruimtelijkeplannen.nl. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.
Hoofdstuk 1 bevat bepalingen die gelden voor het gehele plangebied en bestaat uit:
In Hoofdstuk 2 is opgenomen welke functies binnen het plangebied zijn toegestaan. Per toegestane functie is aangegeven waar en hoe bouwen ten behoeve van de functie is toegestaan.
Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels voor activiteiten. Deze bepalingen gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit:
Kenmerk van de Nederlandse regelgeving op het gebied van de fysieke leefomgeving is dat er sprake is van een ‘ja, mits’-principe. Het omgevingsplan geeft voor veel functies aan onder welke voorwaarden ze voorstelbaar/inpasbaar zijn binnen het werkingsgebied of specifieke deelgebieden binnen het werkingsgebied. Het omgevingsplan vormt het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan welke functies op welke locaties binnen het werkingsgebied voorstelbaar worden geacht (en onder welke voorwaarden).
Toelichting op de regels
'Bedrijventerrein'
De gronden met de functie 'Bedrijventerrein' mogen worden gebruikt voor bedrijven. Ter plaatse van de aanduiding 'bedrijf tot en met categorie 3.2' zijn uitsluitend bedrijven tot en met categorie 3.2 toegestaan. Gebouwen dienen binnen het bouwvlak gebouwd te worden.
'Groen'
De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bedoeld voor groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, voet- en fietspaden, in- en uitritten, parkeervoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Op deze gronden mogen geen gebouwen worden gebouwd.