direct naar inhoud van Toelichting
Plan: TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22p Mossendamsweg 4a Ambt Delden
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Voorliggend TAM-omgevingsplan heeft betrekking op de gronden aan de Mossendamsweg 4a te Ambt Delden. De wens is om het erf te (her)ontwikkelen. Reden hiervoor is het besluit om de agrarische activiteiten (varkenshouderij) op deze plek volledig te beëindigen in het kader van de LBV-regeling. Er worden vijf voormalig agrarisch bedrijfsgebouwen gesloopt (met een oppervlakte van 3.693 m2). Hiervoor worden de volgende vervolgfuncties mogelijk gemaakt:

  • Het realiseren van één rood-voor-rood kavel;
  • Kleinschalig kampeerterrein met sanitaire voorziening;
  • Reguliere bewoning van de voormalige bedrijfswoning en een loods voor timmerwerkplaats en opslag bij het extensief akkerbouwbedrijf.

Het KGO-beleid van de gemeente Hof van Twente biedt hiervoor kaders. Voor het kleinschalige kampeerterrein is reeds een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit verleend. Het voorliggende TAM-omgevingsplan legt deze ontwikkeling vast in het omgevingsplan. Tevens wordt in het omgevingsplan vastgelegd dat het houden van landbouwhuisdieren op deze locatie niet langer is toegestaan. De gronden die bij het voormalig agrarisch bedrijf horen, zullen voortaan extensief als akkerbouwgrond worden beheerd. De sloopvouchers zijn reeds aangevraagd en vastgelegd.

Het voornemen is op verschillende onderdelen strijdig met het geldende omgevingsplan. Om het voornemen te realiseren, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. De gemeente Hof van Twente heeft middels een positief principebesluit (5 maart 2024) laten weten onder voorwaarden mee te willen werken aan het initiatief. Voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridisch-planologische kader en toont aan de het voornemen in overeenstemming is met 'een evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

1.2 Ligging van het plangebied

Het plangebied ligt aan de Mossendamsweg 4a te Ambt Delden, in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Het perceel staat kadastraal bekend als gemeente Hof van Twente, sectie G, perceelnummers 2579 en 1688.

In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied ten opzichte van de kernen Goor en Delden (links) en de ligging ten opzichte van de directe omgeving (rechts) weergegeven. Het plangebied is in de afbeeldingen indicatief weergegeven met de rode ster en stippellijn.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0001.png"  
Afbeelding 1.1: Ligging van het plangebied (Bron: Plattekaart.nl, bewerkt)  

1.3 De bij het plan behorende stukken

Het "TAM-omgevingsplan gemeente Hof van Twente Hoofdstuk 22p Mossendamsweg 4a Ambt Delden" bestaat uit de volgende stukken:

  • verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10) en een renvooi;
  • regels (met bijbehorende bijlagen)

Op de verbeelding zijn de functies van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het TAM-omgevingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het TAM-omgevingsplan.

1.4 Huidig planologisch regime

1.4.1 Algemeen

Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 1 januari 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit de volgende documenten:

  • Bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" (vastgesteld 9 december 2015);
  • Bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023" (vastgesteld 4 juni 2024);
  • Omgevingsplan gemeente Hof van Twente (in werking vanaf 1 januari 2024).

Voor de duiding van het planologische regime is met name het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" in combinatie met “Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023” van belang. Het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023" bevat namelijk de meest actuele voorschriften.

1.4.1.1 Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente en Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023

Het bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente” is opgenomen in het tijdelijke deel van het omgevingsplan, daarom wordt er nog gesproken over 'bestemmingen' in plaats van 'functies'. Op basis van het voorgenoemde bestemmingsplan is het plangebied voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Binnen de agrarisch bestemming is een bouwvlak opgenomen. Daarnaast gelden de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachting 1', 'Waarde - Archeologische verwachting 2', 'Waarde - Archeologische verwachting 3', 'Leiding - Water' en 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'. Tot slot gelden de gebiedsaanduidingen 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied' en 'vrijwaringszone - radar'. In het bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023" staan de meest actuele voorschriften voor deze bestemmingen.

In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding van de geldende planologische situatie weergegeven. Hierop is het plangebied indicatief aangegeven met de rode omlijning. In de volgende paragraaf wordt nader op de geldende bestemmingen ingegaan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0002.png"  
Afbeelding 1.2: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan "Buitengebied Hof van Twente" (Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  
1.4.2 Beschrijving bestemmingen
1.4.2.1 Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente en Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023

Enkelbestemming 'Agrarisch met waarden'

De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn onder meer bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf, het bestaande en legale aantal bedrijfswoningen, hobbymatig agrarisch gebruik en ontsluitingswegen en -voorzieningen voor naastgelegen bestemmingen. Bedrijfsgebouwen en bedrijfswoningen zijn uitsluitend toegestaan binnen een bouwvlak.

Dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 1', 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 2' en 'Waarde - Archeologische verwachtingswaarde 3'

Deze gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Er is archeologisch onderzoek nodig bij voor het bouwen benodigde grondbewerkingen een diepte van meer dan 0,40 meter en een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 (archeologische verwachtingswaarde 1), 5.000 m2 (archeologische verwachtingswaarde 2) en 10 ha (archeologische verwachtingswaarde 3).

Dubbelbestemming 'Leiding - Water'

De voor 'Leiding - Water' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming van een ondergrondse hoofdwatertransportleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - water' en het beheer en onderhoud van de leiding met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Dubbelbestemming 'Leiding - Hoogspanningsverbinding'

De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor het beheer en onderhoud van de verbinding, de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding, met bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Gebiedsaanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied'

Voor de gronden ter plaatse van de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied, gelden de regels zoals opgenomen in de bestemming 'Agrarisch met waarden'.

'vrijwaringszone - radar'

De gronden ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - radar' zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor een radarverstoringsgebied.

1.4.3 Strijdigheid

Het voornemen is op verschillende onderdelen strijdig met het geldende omgevingsplan:

  • Eén rood-voor-rood compensatiekavel realiseren en het regulier bewonen van de voormalig bedrijfswoning is niet passend binnen de bouw- en gebruiksregels van de bestemming 'Agrarisch met waarden'.
  • Het uitbreiden van de timmerwerkplaats en opslagloods voor extensieve akkerbouw is niet passend binnen de bouw- en gebruiksregels van de bestemming 'Agrarisch met waarden'.
  • Het is op basis van het omgevingsplan van rechtswege niet rechtstreeks toegestaan om een kleinschalig kampeerterrein te realiseren binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden'.

Daarnaast dient in het omgevingsplan te worden geborgd dat op de locatie geen landbouwhuisdieren meer mogen worden gehouden. Voorliggend plan voorziet in het gewenste juridisch planologische kader om de voorgenomen ontwikkelingen te kunnen realiseren.

Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 8 nader op ingegaan.

1.5 Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 gaat achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het plangebied de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 5 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 6 de bescherming van de gezondheid, het milieu en de natuur. Hoofdstuk 7 gaat in op het wateraspect. Hoofdstuk 8 gaat in op de juridische planopzet en regels. Hoofdstuk 9 en 10 behandelen ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Beschrijving plangebied en omgeving

Het plangebied ligt aan de Mossendamsweg 4a te Ambt Delden, in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. In de huidige situatie bevindt zich op de locatie een varkenshouderij. In drie schuren op de locatie worden 2.750 vleesvarkens gehouden. Eén ander bedrijfsgebouw dient als timmerwerkplaats, werktuigenberging en opslag. Daarnaast bevindt zich op de locatie een bedrijfswoning met bijgebouw. De overige ruimte is in gebruik als manoeuvreerruimte, tuin, verharding of grasland. De ontsluiting van het bedrijf doorsnijd het erf, waarbij het geheel ontsloten is op zowel de Mossendamsweg als de Bollenweg. In het zuidoosten van het plangebied staat een hoogspanningsmast. Aan alle zijden wordt het plangebied begrensd door agrarische cultuurgronden.

In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0003.png"  
Afbeelding 2.1: Luchtfoto van het plangebied (Bron: Cyclomedia, bewerkt)  

Hoofdstuk 3 Planbeschrijving

In hoofdstuk 2 is ingegaan op de huidige situatie in het plangebied. Hoofdstuk 3 gaat in op de voorgenomen ontwikkeling.

3.1 Gewenste situatie

3.1.1 Algemeen

Op het erf worden de volgende vervolgfuncties mogelijk gemaakt:

  • Het realiseren van één rood-voor-rood kavel:
    Voor het realiseren van de compensatiewoning met bijgebouw in het kader van de rood-voor-rood regeling is in totaal 1.000 m2 aan sloopmeters nodig.
  • Kleinschalig kampeerterrein:
    Het kleinschalige kampeerterrein bestaat uit 24 camperplaatsen, twee trekkershutten en een sanitair gebouw van in totaal 96 m2.
  • Reguliere bewoning van de voormalige bedrijfswoning en een loods voor timmerwerkplaats en opslag bij het extensief akkerbouwbedrijf:
    Voor de niet-agrarische vervolgfunctie, in de vorm van een timmerwerkplaats, extensief akkerbouwbedrijf en opslag moet één schuur behouden worden. Het gebouw is in de huidige situatie 871 m2 groot. Deze wordt uitgebreid met 400 m2. Voor het uitbreiden van het gebouw zijn 992 m2 aan sloopmeters nodig. Voor het omzetten van de voormalig bedrijfswoning naar reguliere woning zijn geen sloopmeters nodig.

Voor het kleinschalige kampeerterrein is reeds een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit verleend. Het voorliggende TAM-omgevingsplan legt deze ontwikkeling vast in het omgevingsplan. Tevens wordt in het omgevingsplan vastgelegd dat het houden van landbouwhuisdieren op deze locatie niet langer is toegestaan. De gronden die bij het voormalig agrarisch bedrijf horen, zullen voortaan extensief als akkerbouwgrond worden beheerd. Voor de overige sloopmeters geldt dat deze worden vervat in sloopvouchers. Deze sloopvouchers zijn reeds aangevraagd en vastgelegd. Dit gaat over totaal 3.693 - 1.000 - 992 = 1.701 m2.

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een ruimtelijk kwaliteitsplan opgesteld. Deze is als Bijlage 1 bijgevoegd. Hierna is een uitsnede opgenomen van het inrichtingsplan uit het ruimtelijk kwaliteitsplan, vervolgens wordt in de volgende paragraaf ingegaan op de uitgangspunten van het ruimtelijk kwaliteitsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0004.png"  
Afbeelding 3.1: Toekomstige situatie, erfinrichtingstekening (Bron: BJZ.nu)  

3.1.2 Ruimtelijk kwaliteitsplan

Bij de voorgenomen ontwikkeling wordt zorgvuldig aangesloten bij de karakteristieke indeling van het erf, passend binnen het bestaande kampenlandschap. Hierna wordt ingegaan op de inpassing van het nieuwe woonerf evenals het kampeerterrein.

Woonerf

De nieuwe woning wordt gebouwd aan de oostzijde van de voormalig bedrijfswoning en wordt ontsloten via de bestaande eigen weg die aansluit op de Mossendamsweg. Er ontstaat een woonerf met de twee woningen en de te behouden schuur (timmerwerkplaats en opslag voor extensieve akkerbouw) aan de overzijde van de eigen weg. Aan en om de voormalige bedrijfswoning vinden verder geen fysieke ingrepen plaats. De nieuwe woning en het bijgebouw worden uitgevoerd in een passende, gedekte kleurstelling en volgens traditionele erfstructuren, met het werkgedeelte aan de achterzijde en siertuin aan de voorkant.

Om de nieuwe woning op een natuurlije wijze in te passen in het landschap, wordt rondom het voorerf een inheemse haag aangeplant. Dit accentueert het voorerf en zorgt voor een duidelijke erfafscheiding. Aan de oostzijde van de woning komt een boomgaard met diverse fruitbomen, passend binnen het traditionele kampenlandschap en bevorderlijk voor de biodiversiteit. Op het achtererf wordt slechts één solitaire boom geplant, om het zicht op het omliggende open landschap zoveel mogelijk te behouden.

Kampeerterrein

De camping wordt gesitueerd ten oosten van de nieuwe woning. De ontsluiting wordt wederom aan de eigenweg gesloten. Bij de ingang van het terrein wordt een sanitair gebouw geplaatst. Daarnaast wordt ten zuiden van het sanitair gebouw een parkeerplaats gerealiseerd eveneens ontsloten via de eigen weg.

De camperplaatsen worden omzoomd door inheemse struiken en bomen. Deze begroeiing draagt bij aan de biodiversiteit, biedt schaduw en zorgt voor een natuurlijke afscherming tussen de plaatsen, terwijl tegelijkertijd zichtlijnen naar het open landschap behouden blijven.

In de zuidoosthoek van het terrein wordt een geriefhoutbosje (ook wel houthakbosje genoemd) aangelegd. Dit is een traditioneel landschapselement binnen het kampenlandschap en zal worden voorzien van een inheemse kruidlaag en boomvormers.

De camperplaatsen worden op speelse wijze rond een lusvormig gravelpad ingericht. Op het centrale ‘eiland’ binnen deze lus worden enkele solitaire bomen geplant, wat zorgt voor een gevarieerd en aantrekkelijk beeld.

Waar mogelijk wordt de bestaande beplanting behouden. Door de toepassing van streekeigen beplanting en een zorgvuldige inrichting wordt het projectgebied op een natuurinclusieve en landschappelijk verantwoorde wijze ingepast. Dit draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit, versterkt de landschappelijke identiteit en bevordert de biodiversiteit in het gebied.

3.2 Verkeer en parkeren

3.2.1 Algemeen

Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte die daardoor ontstaat. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Parkeerkencijfers 2024 - Basis voor parkeernormering' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren, waaronder kencijfers voor de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens.

Bij de berekening van de parkeernormen zal er een gemiddelde worden genomen. De gemeente Hof van Twente heeft in 2016 een 'Gemeentelijk Mobiliteitsplan' vastgesteld. De gemeente Hof van Twente heeft de parkeernormen gebaseerd op de hiervoor genoemde CROW publicatie.

Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd:

  • Verstedelijkingsgraad: weinig stedelijk (Bron: CBS Statline)
  • Stedelijke zone: buitengebied.
3.2.2 Parkeren

Voor de twee trekkershutten wordt aangegeven dat deze functie niet is opgenomen in de CROW-publicatie. Daarom wordt aangesloten bij de kencijfers voor de functie ‘Bungalowpark (huisjescomplex)’.

Het plan betreft daarnaast de realisatie van 24 camperplaatsen. Campers worden beschouwd als verplaatsbare verblijfsobjecten en mogen uitsluitend voor eigen gebruik op de daarvoor aangewezen camperplaatsen worden geplaatst. Hierdoor is het niet noodzakelijk om aanvullende parkeerruimte voor de camperplaatsen te realiseren.

Wat betreft de niet-agrarische bedrijvigheid, in de vorm van een timmerwerkplaats, geldt dat er slechts één personeelslid werkzaam is, namelijk de bewoner van de woning aan de overzijde van de straat. Voor deze activiteit hoeft dan ook geen extra parkeerruimte te worden voorzien.

Voor de bedrijfswoning die wordt omgezet naar reguliere woning geldt dat deze reeds op eigen woning in parkeren kan voorzien. Hier hoeft in de verdere parkeertoetsing dan ook geen rekening mee te worden gehouden.

Op basis van de uitgangspunten bedraagt de parkeerbehoefte:

Functie   Aantal   Parkeernorm   Parkeerbehoefte totaal  
Koop, huis, vrijstaand   1   2,1   2,1  
Bungalowpark (huisjes complex)   2   2,1   4,2  

In afbeelding 3.1 is tevens zichtbaar dat er voor de trekkershutten vijf parkeerplaatsen worden aangelegd, waarmee ook voor deze activiteit in de parkeerbehoefte wordt voorzien. Op afbeelding 3.1 is tevens zichtbaar dat er op het inrit van de nieuwe rood-voor-rood woning voldoende ruimte is om de parkeerbehoefte op te vangen.

In de regels is daarnaast bepaald dat bij vergunningverlening in voldoende parkeergelegenheid moet worden voorzien. Dit is met name van belang voor de nieuwe ontwikkelingen, de rood-voor-rood kavel en het kampeerterrein. Het aspect parkeren is hiermee voldoende geborgd.

3.2.3 Verkeer

Voor het berekenen van de verkeersgeneratie van de camperplaats wordt aangesloten bij de kengetallen van een camping (kampeerterrein). Wat betreft de niet-agrarische bedrijvigheid, in de vorm van een timmerwerkplaats, geldt dat er slechts één personeelslid werkzaam is, namelijk de bewoner van de woning aan de overzijde van de straat. Voor deze activiteit geldt dat er geen rekening hoeft te worden gehouden met extra verkeersgeneratie, met de verkeersgeneratie hiervan is immers reeds rekening gehouden binnen de functie 'Koop, huis, vrijstaand'. Op basis van de uitgangspunten bedraagt de verkeersgeneratie:

Functie   Aantal   Verkeersgeneratie   Verkeersgeneratie totaal  
Koop, huis, vrijstaand   2   8,2   16,4  
Bungalowpark (huisjes complex)   2   2,7   5,4  
Camping (kampeerterrein)   24   0,4   9,6  

Op basis van bovenstaande bedraagt de verkeersgeneratie van de ontwikkeling in totaal 31,4 (afgerond 32) verkeersbewegingen per etmaal op een gemiddelde weekdag. Hierbij wordt opgemerkt dat één van de woningen al aanwezig is (de voormalige bedrijfswoning), waardoor de feitelijke toename in verkeersbewegingen 8,2 per etmaal lager uitvalt.

Het erf zou kunnen worden ontsloten via de Mossendamsweg en de Bollenweg. Beide wegen betreffen eigen wegen. In het kader van de ontwikkelingen hebben gesprekken met omwonenden plaatsgevonden. Hieruit is gebleken dat verkeersafwikkeling via de Bollenweg niet wenselijk is. Omwille van naoberschap is de afspraak gemaakt dat het verkeer van de campers en de woningen geen gebruik zal maken van de toegang via de Bollenweg. Het verkeer van de woningen en campers zal exclusief plaatsvinden via de Mossendamsweg. Via deze weg wordt de aansluiting op het omliggende wegennet verzorgd, dat voldoende capaciteit heeft om de extra verkeersgeneratie te verwerken.

3.2.4 Conclusie

Met voorliggend omgevingsplan wordt in voldoende mate rekening gehouden met het aspect verkeer en parkeren.

Hoofdstuk 4 Beleidskader

Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit TAM-omgevingsplan afgewogen en doorvertaald op de verbeelding en in de regels.

4.1 Rijksbeleid

4.1.1 Nationale omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving.

4.1.1.2 Vier prioriteiten

Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten.

  • 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie
    Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
  • 2. Duurzaam economisch groeipotentieel
    Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
  • 3. Sterke en gezonde steden en regio's
    Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
  • 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
    Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zet het Rijk in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
4.1.1.3 Afwegingsprincipes

De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes:

  • 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;
  • 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere;
  • 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
4.1.1.4 Toetsing aan de NOVI

In voorliggend geval betreft een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit TAM-omgevingsplan opgenomen ontwikkeling.

4.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.2.1 Algemeen

De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen:

  • de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling;
  • bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.

Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen 'stedelijk gebied' en een 'stedelijke ontwikkeling'.

Stedelijk gebied: Op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen;

Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is.

Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.

Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).

4.1.2.2 Toetsing van het initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking

Uit jurisprudentie is inmiddels gebleken dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is voor zeer kleinschalige ontwikkelingen. Wanneer een plan voorziet in de toevoeging van maximaal 11 woningen, wordt dit niet beschouwd als een stedelijke ontwikkeling. Een uitgangspunt hiervoor is de rechtsuitspraak 'ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921'. Voorliggende ontwikkeling voorziet in het toevoegen van één rood-voor-rood kavel en het omzetten van een bedrijfswoning naar reguliere woning. Dit is kleinschaliger dan de ondergrens die in jurisprudentie gehanteerd wordt en zodoende is een nadere laddertoetsing hiervoor niet noodzakelijk. De vervolgfunctie, zoals een timmerwerkplaats, een extensief akkerbouwbedrijf en opslag, maakt onderdeel uit van de woonfunctie en hoeft daardoor niet afzonderlijk getoetst te worden. Het betreffen immers geen zelfstandige stedelijke ontwikkelingen, maar functies die zijn toegestaan binnen de woonfunctie.

Voorgenomen ontwikkeling maakt tevens een kampeerterrein mogelijk (twee trekkershutten en 24 camperplekken). Uit een overzichtsuitspraak omtrent de ladder (ECLI:NL:RVS:2017:1724) blijkt dat een kampeerterrein met een omvang van 3 hectare en waar ruimte wordt geboden aan uitsluitend tenten, kampeerauto’s, (sta)caravans, dan wel andere daarmee vergelijkbare voertuigen of onderkomens niet als een stedelijke ontwikkeling wordt aangemerkt. De ruimte die de beoogde camperplaatsen inclusief bijbehorende voorzieningen innemen, bedraagt aanzienlijk minder dan 3 hectare (circa 7.500 m2). Dit betekent dat geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling en dat daardoor de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is op de voorgenomen ontwikkeling.

4.1.2.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

4.1.3 Conclusie toetsing van het initiatief aan het rijksbeleid

Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van strijd met het rijksbeleid.

4.2 Provinciaal beleid

Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. Het belangrijkste plan betreft de Omgevingsvisie Overijssel, welke is verankerd in de Omgevingsverordening. Onderstaand wordt het provinciale beleid nader uitgewerkt.

4.2.1 Omgevingsvisie Overijssel

De Omgevingsvisie is een integrale visie waarin de beleidsambities en doelstellingen staan die van provinciaal belang zijn voor de ontwikkeling van de fysieke leefomgeving van Overijssel. Het uitgangspunt is gericht op het jaar 2030. De visie biedt kaders in de vorm van ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Daarbinnen krijgen gemeenten, waterschappen, maatschappelijke organisaties en andere initiatiefnemers mogelijkheden om ruimtelijke ontwikkelingen te realiseren.

De opgaven en kansen waar de provincie Overijssel voor staat, zijn verwerkt in centrale beleidsambities voor negen beleidsthema's. Deze beleidsthema's worden benaderd vanuit de overkoepelende rode draden duurzaamheid, ruimtelijke kwaliteit en sociale kwaliteit.

  • Duurzame ontwikkeling voorziet in de behoefte van de huidige generatie, zonder voor toekomstige generaties de mogelijkheden in gevaar te brengen om ook in hun behoeften te voorzien.
  • Ruimtelijke kwaliteit is datgene wat de ruimte geschikt maakt en houdt voor wat voor mens, plant en dier belangrijk is. Ruimtelijke kwaliteit gaan vooral over 'goed': mooi, functioneel en toekomstbestendig.
  • Sociale kwaliteit gaat over het welzijn of 'goed voelen' van de mens. In de omgevingsvisie gaat het over het welzijn van de mens in relatie tot de fysieke leefomgeving.
4.2.2 Omgevingsverordening Overijssel

De provincie beschikt over een palet aan instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. Het gaat er daarbij om steeds de meest optimale mix van instrumenten toe te passen, zodat effectief en efficiënt resultaat wordt geboekt voor alle ambities en doelstellingen van de Omgevingsvisie. Eén van de instrumenten om het beleid uit de Omgevingsvisie te laten doorwerken is de Omgevingsverordening Overijssel. De Omgevingsverordening is het provinciaal juridisch instrument dat wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch geborgd is. Er wordt nadrukkelijk gestuurd op ruimtelijke kwaliteit en duurzaamheid. Uitgangspunt is dat verstedelijking en economische activiteiten gebundeld worden ten behoeve van een optimale benutting van bestaand bebouwd gebied.

4.2.3 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn in de Omgevingsvisie Overijssel 2017 geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving.

Om de ambities van de provincie waar te maken, bevat de Omgevingsvisie een uitvoeringsmodel. Dit model is gebaseerd op drie niveaus, te weten:

  • 1. Of - generieke beleidskeuzes;
  • 2. Waar - ontwikkelingsperspectieven;
  • 3. Hoe - gebiedskenmerken.
4.2.3.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Maatschappelijke opgaven zijn leidend in het handelen. Allereerst is het dan ook de vraag of er een maatschappelijke opgave is. Of een initiatief mogelijk is, wordt onder andere bepaald door generieke beleidskeuzes van EU, Rijk of provincie. Denk hierbij aan beleidskeuzes om basiskwaliteiten als schoon drinkwater en droge voeten te garanderen. Maar ook aan beleidskeuzes om overaanbod van bijvoorbeeld woningbouw- en kantorenlocaties – en daarmee grote financiële en maatschappelijke kosten – te voorkomen. In de omgevingsvisie zijn de provinciale beleidskeuzes hieromtrent vastgelegd.

De generieke beleidskeuzes zijn vaak normstellend. Dit betekent dat ze opgevolgd moeten worden: het zijn randvoorwaarden waarmee iedereen rekening moet houden vanwege zwaarwegende publieke belangen. De normstellende beleidskeuzes zijn vastgelegd in de omgevingsverordening.

4.2.3.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

Na het beantwoorden van de of-vraag, is de vraag waar het initiatief past of ontwikkeld kan worden. De Omgevingsvisie onderscheid zes ontwikkelingsperspectieven. Deze ontwikkelingsperspectieven schetsen een ruimtelijk perspectief voor een combinatie van functies en geven aan welke beleids- en kwaliteitsambities leidend zijn. De ontwikkelingsperspectieven geven zo richting aan waar wat ontwikkeld zou kunnen worden.

De ontwikkelingsperspectieven zijn richtinggevend. Dit betekent dat er ruimte is voor lokale afweging: een gemeente kan vanwege maatschappelijke en/of sociaal-economische redenen in haar Omgevingsvisie en bestemmings- of omgevingsplan een andere invulling kiezen. Die dient dan wel te passen binnen de – voor dat ontwikkelingsperspectief – geldende kwaliteitsambities. Daarbij dienen de nieuwe ontwikkelingen verbonden te worden met de bestaande kenmerken van het gebied, conform de Catalogus Gebiedskenmerken (de derde stap in het uitvoeringsmodel). Naast ruimte voor een lokale afweging ten aanzien van functies en ruimtegebruik, is er ruimte voor een lokale invulling van de begrenzing: de grenzen van de ontwikkelingsperspectieven zijn signaleringsgrenzen.

4.2.3.3 Hoe - Gebiedskenmerken

Ten slotte is de vraag hoe het initiatief ingepast kan worden in het landschap. De gebiedskenmerken spelen een belangrijke rol bij deze vraag. Onder gebiedskenmerken worden de ruimtelijke kenmerken van een gebied of gebiedstype die bepalend zijn voor de karakteristiek en kwaliteit van dat gebied of gebiedstype verstaan. Voor alle gebiedstypen in Overijssel beschrijft de Catalogus Gebiedskenmerken welke kwaliteiten en kenmerken van provinciaal belang zijn en behouden, versterkt of ontwikkeld moeten worden.

De gebiedskenmerken zijn soms normstellend, maar meestal richtinggevend of inspirerend. Voor de normerende uitspraken geldt dat deze opgevolgd dienen te worden; ze zijn in de omgevingsverordening geregeld. De richtinggevende uitspraken zijn randvoorwaarden waarmee in principe rekening gehouden moet worden. Hier kan gemotiveerd van worden afgeweken, mits aannemelijk is gemaakt dat met het alternatief de kwaliteitsambities even goed of zelfs beter gerealiseerd kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. De inspirerende uitspraken bieden een wenkend perspectief: het zijn voorbeelden van de wijze waarop ruimtelijke kwaliteitsambities ingevuld kunnen worden. Initiatiefnemers kunnen zich hierdoor laten inspireren, maar dit hoeft niet.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0005.png"  
Afbeelding 4.1 Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  
4.2.4 Toetsing van het initiatief aan het Uitvoeringsmodel Omgevingsvisie Overijssel

Indien het concrete initiatief wordt getoetst aan de Omgevingsvisie Overijssel ontstaat globaal het volgende beeld.

4.2.4.1 Of - Generieke beleidskeuzes

Bij de afwegingen in de eerste fase 'generieke beleidskeuzes' zijn met name artikelen 4.5, 4.8, 4.9 en 4.11 van de Omgevingsverordening Overijssel van belang. Op deze artikelen wordt hierna ingegaan.

Artikel 4.5: Zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik

Omgevingsplannen maken alleen extra ruimtebeslag voor stedelijke functies in de Groene Omgeving mogelijk aansluitend op bestaand bebouwd gebied en als aannemelijk gemaakt is dat:

  • a. er voor deze opgave in redelijkheid geen ruimte beschikbaar is binnen het bestaande bebouwd gebied;
  • b. de ruimte binnen het bestaand bebouwd gebied ook niet geschikt te maken is door herstructurering en transformatie; en
  • c. mogelijkheden voor meervoudig ruimtegebruik binnen het bestaand bebouwd gebied optimaal zijn benut.

Toetsing van het initiatief aan artikel 4.5 van de Omgevingsverordening Overijssel

De ontwikkeling vindt plaats in het buitengebied, op een bestaand erf. In zijn totaliteit neemt de hoeveelheid bebouwing af in het plangebied, gezien de sloop van de voormalig agrarische bedrijfsbebouwing. Hierdoor wordt optimaal gebruikgemaakt van een reeds bestaand agrarisch erf, zonder dat er sprake is van nieuwe bebouwing in de groene omgeving. Daarnaast wordt er in het gehele plangebied een inpassing geleverd ten behoeve van de landschappelijke inpassing. Er is dan ook sprake van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik.

Artikel 4.8: Ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit

In omgevingsplannen worden alleen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt die de ruimtelijke kwaliteit versterken.

Artikel 4.9: Onderbouwing ruimtelijke kwaliteit

Lid 1

omgevingsplannen bevatten een onderbouwing waaruit blijkt dat nieuwe ontwikkelingen bijdragen aan ruimtelijke kwaliteit waarin:

  • a. het uitvoeringsmodel (OF-, WAAR- en HOE-benadering) uit de omgevingsvisie Overijssel wordt toegepast;
  • b. wordt gemotiveerd dat de nieuwe ontwikkeling past binnen het ontwikkelingsperspectief dat volgens de omgevingsvisie Overijssel van toepassing is voor het gebied; en
  • c. inzichtelijk gemaakt wordt hoe de vier-lagenbenadering van het uitvoeringsmodel is toegepast en de catalogus Gebiedskenmerken (Bijlage VII) is gebruikt bij de ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling.

Toetsing van het initiatief aan artikelen 4.8 en 4.9 van de Omgevingsverordening Overijssel

Zoals blijkt uit de beschrijving in paragraaf 3.1 in combinatie met de verantwoording in dit hoofdstuk wordt de ontwikkeling landschappelijk ingepast conform de ter plaatse geldende gebiedskenmerken en het ontwikkelingsperspectief (zie verderop in deze paragraaf). De hoeveelheid verharding in het buitengebied neemt als gevolg van de ontwikkeling af. De beplantingskeuze en de locatie van de aanplant is mede gebaseerd op de geldende gebiedskenmerken. Gezien het vorenstaande wordt geconcludeerd dat de in dit plan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met deze artikelen.

Artikel 4.11: Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving

Omgevingsplannen laten alleen nieuwvestiging en grootschalige uitbreiding van bestaande functies toe in de Groene Omgeving als:

  • a. daarvoor sociaaleconomische of maatschappelijke redenen voor zijn;
  • b. het verlies aan ecologische of landschappelijke waarden in voldoende mate wordt gecompenseerd door investeringen in versterking van de ruimtelijke kwaliteit in de omgeving;

Toetsing van het voornemen aan afdeling 4.3 van de Omgevingsverordening Overijssel

het voorliggende plan leidt tot een kwaliteitsimpuls in de groene omgeving (buitengebied) van de gemeente Hof van Twente. De meerwaarde vertaald zich in:

  • Sloop van 3.693 m2 aan landschapsontsierende bebouwing;
  • de verwijdering van overtollige erfverharding en agrarische voorzieningen;
  • het landschappelijke inpassen van de nieuwe erfsituatie.

De basis hiervoor is het ruimtelijk kwaliteitsplan dat is opgenomen in Bijlage 1 van deze motivering. Het plan draagt bij aan de Kwaliteitsimpuls Groene Omgeving.

4.2.4.2 Waar - Ontwikkelingsperspectieven

De opgaven, kansen, beleidsambities en ruimtelijke kwaliteitsambities voor de provincie zijn geschetst in ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving en stedelijke omgeving. Met de ontwikkelingsperspectieven wordt de ruimtelijke ontwikkelingsvisie van de provincie Overijssel vorm gegeven. Hiervoor gelden de gebiedskenmerken als onderligger.

In dit geval zijn de ontwikkelingsperspectieven voor de groene omgeving van belang. In de groene ruimte gaat het - kort door de bocht - om het behoud en de versterking van het landschap, het realiseren van een samenhangend netwerk van gebieden met natuur- en waterkwaliteit, ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, het toerisme en andere economische dragers, realisatie van waterkwaliteitsdoelen, het duurzaam beheer van drinkwatervoorraden én het opwekken van hernieuwbare energie. In de Groene Omgeving onderscheidt de provincie de volgende drie ontwikkelingsperspectieven:

  • de zone Ondernemen met Natuur en Water (ONW);
  • agrarisch ondernemen in het grootschalig landschap;
  • wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap.

Het plangebied behoort tot het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'. op de grens met het ontwikkelingsperspectief 'Woon- en werklocaties buiten de stedelijke netwerken'. In afbeelding 4.2 is een uitsnede van de ontwikkelingsperspectievenkaart opgenomen, waarin het plangebied indicatief met rode contour is omlijnd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0006.png"  
Afbeelding 4.2: Uitsnede ontwikkelingsperspectievenkaart Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

'Wonen en werken in het kleinschalig mixlandschap'

Het ontwikkelingsperspectief 'Wonen en werken in het kleinschalige mixlandschap' richt zich op het in harmonie met elkaar ontwikkelen van de diverse functies in het buitengebied. Aan de ene kant melkveehouderij, akkerbouw en opwekking van hernieuwbare energie als belangrijke vormen van landgebruik. Aan de andere kant gebruik voor natuur, recreatie, wonen en andere bedrijvigheid. De ontwikkelingsmogelijkheden voor de landbouw, maar ook die voor de andere sectoren, willen we in dit ontwikkelingsperspectief nadrukkelijk verbinden met behoud en versterking van cultuurhistorische, natuurlijke en landschapselementen.

Toetsing van het initiatief aan het 'Ontwikkelingsperspectief'

Het maakt diverse functies mogelijk, waaronder extensieve akkerbouw en niet-agrarische activiteiten zoals een timmerwerkplaats en een kleinschalig kampeerterrein. Door zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en het inzetten van sloopcompensaties wordt het behoud van landschappelijke kwaliteit gewaarborgd. Daarnaast draagt het plan bij aan de versterking van recreatie en wonen in het buitengebied. Hierdoor ontstaat een dynamisch, multifunctioneel en toekomstbestendig buitengebied.

4.2.4.3 Hoe - Gebiedskenmerken

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen.

Op basis van gebiedskenmerken in vier lagen (natuurlijke laag, laag van het agrarisch-cultuurlandschap, stedelijke laag en de laag van de beleving) gelden specifieke kwaliteitsvoorwaarden en –opgaven voor ruimtelijke ontwikkelingen. De 'Laag van de beleving' wordt buiten beschouwing gelaten, aangezien geen kenmerken of elementen vanuit deze laag op het plangebied van toepassing zijn. De 'Stedelijke laag' wordt eveneens buiten beschouwing gelaten, gezien door de ligging in het buitengebied geen kenmerken of elementen vanuit deze laag op het plangebied van toepassing zijn.

De 'Natuurlijke laag'

Overijssel bestaat uit een rijk en gevarieerd spectrum aan natuurlijke landschappen. Deze vormen de basis voor het gehele grondgebied van Overijssel. Het beter afstemmen van ruimtelijke ontwikkelingen op de natuurlijke laag kan ervoor zorgen dat de natuurlijke kwaliteiten van de provincie weer mede beeldbepalend worden. Ook in steden en dorpen bijvoorbeeld in nieuwe waterrijke woonmilieus en nieuwe natuur in stad en dorp.

Het plangebied is op de gebiedskenmerkenkaart van de 'Natuurlijke laag' aangeduid met het gebiedstypes 'Dekzandvlakte en ruggen' en 'Beekdalen en natte laagtes'. Onderstaande afbeelding betreft een uitsnede van de gebiedskenmerkenkaart van de “Natuurlijke laag”. De ligging van het plangebied is indicatief weergegeven met een blauwe omlijning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0007.png"  
Afbeelding 4.3: Uitsnede Natuurlijke Laag Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

"Dekzandvlakte en ruggen"

De dekzandgronden beslaan een groot gedeelte van de oppervlakte van de provincie. Na de ijstijden bleef er in grote delen een reliëfrijk - door de wind gevormd - zandlandschap achter, dat gekenmerkt wordt door relatief grote verschillen tussen hoog/droog en laag/nat gebied.

Als ontwikkelingen plaats vinden, dan dragen deze bij aan het beter zichtbaar en beleefbaar maken van de hoogteverschillen en het watersysteem. Beiden zijn tevens uitgangspunt bij (her)inrichting. Bij ontwikkelingen is de (strekkings)richting van het landschap, gevormd door de afwisseling van beekdalen en ruggen, het uitgangspunt.

"Beekdalen en natte laagtes"

Het Overijsselse zandlandschap is van oorsprong kletsnat. In de laagtes van het zandgebied verzamelde zich het water. Hier ontwikkelden zich moerassen en broekbossen, waar het water in de loop van het seizoen geleidelijk uit weg sijpelde naar de lager gelegen delen, naar de beken en rivieren.

Als ontwikkelingen plaats vinden in of in de directe nabijheid van beekdalen en natte laagtes, dan dragen deze bij aan extra ruimte voor de dynamiek van het stromende water en het vasthouden van water, aan versterking van de samenhang in het beeksysteem en aan vergroting van de zichtbaarheid, bereikbaarheid en beleefbaarheid van het water. Dit zijn uitgangspunten bij (her)inrichting.

Toetsing van het initiatief aan de 'Natuurlijke Laag'

Voor het voorliggende plan is een ruimtelijke kwaliteitsplan opgesteld (zie paragraaf 3.1.2 en Bijlage 1), waarin rekening is gehouden met de natuurlijke ondergrond van het plangebied. De gekozen beplanting sluit aan bij de potentiële natuurlijke vegetatie op deze locatie. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de 'Natuurlijke laag'.

De 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

In de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap' gaat het er altijd om dat de mens inspeelt op de natuurlijke omstandigheden en die ten nutte maakt. Hierbij hebben nooit ideeën over schoonheid een rol gespeeld. Wel zijn we ze in de loop van de tijd gaan waarderen om hun ruimtelijke kwaliteiten. Vooral herkenbaarheid, contrast en afwisseling worden gewaardeerd. De ambitie is gericht op het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen door óf versterking óf behoud óf ontwikkeling of een combinatie hiervan. Het plangebied ligt in de gebiedstype 'Oude hoevenlandschap'. In afbeelding 4.4 is dat met blauwe omlijning weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0008.png"  
Afbeelding 4.4: Uitsnede Laag van het agrarisch cultuurlandschap Omgevingsvisie Overijssel (Bron: Provincie Overijssel)  

"Oude hoevenlandschap"

Het Oude Hoevenlandschap betreft een landschap met verspreide erven. Het werd ontwikkeld nadat de complexen met de grote essen 'bezet' waren en een volgende generatie boeren nieuwe ontwikkelingsruimte zocht. Die vonden ze bij kleine dekzandkopjes die individueel werden ontgonnen. Dit leidde tot een landschap dat de zelfde opbouw kent als het essenlandschap, alleen in een meer kleinschalige, meer individuele en jongere variant. Deze kleinere maat en schaal is tevens de reflectie van de natuurlijke ondergrond. Het landschap is contrastrijk met veel variatie op de korte afstand.

Als ontwikkelingen plaats vinden in het oude hoevenlandschap, dan dragen deze bij aan behoud en accentuering van de dragende structuren (groenstructuur en routes) van het oude hoevenlandschap, en aan de samenhang en de karakteristieke verschillen tussen de landschapselementen.

Toetsing van het initiatief aan de 'Laag van het agrarisch cultuurlandschap'

De ontwikkeling vindt plaats binnen een bestaand erf in het buitengebied, waarbij een gedeelte van de bestaande agrarische bebouwing wordt gesloopt en een combinatie van functies (zoals wonen, extensieve akkerbouw, kleinschalige bedrijvigheid en recreatie) wordt gerealiseerd. Dit is passend binnen het Oude Hoevenlandschap met verspreid liggende erven. Door zorgvuldig ruimtegebruik, landschappelijke inpassing en het inzetten van sloopcompensaties wordt het behoud van landschappelijke kwaliteit gewaarborgd.

4.2.5 Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het in de Omgevingsvisie Overijssel verwoorde en in de Omgevingsverordening verankerde provinciaal ruimtelijk beleid.

4.3 Gemeentelijk beleid

Het gemeentelijk beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste beleidsdocumenten die van toepassing zijn op de gewenste ontwikkeling worden hieronder behandeld.

4.3.1 Strategische Visie 'Hof van Twente - Zicht op 2030'
4.3.1.1 Algemeen

In de strategische visie 'Hof van Twente, zicht op 2030' heeft de gemeente Hof van Twente de toekomstvisie voor haar grondgebied vastgelegd. De gemeenteraad heeft de strategische visie op 1 juni 2010 definitief vastgesteld. De visie bevat naast een overzicht van te verwachten trends en ontwikkelingen ook informatie over de gewenste identiteit voor Hof van Twente. Over deze gewenste identiteit is in januari 2009 meegedacht door ruim 60 inwoners uit allerlei geledingen van de gemeente en daarbuiten. In 20 streefbeelden geeft het gemeentebestuur aan in welke richting het beleid voor de komende jaren moet worden ontwikkeld. Streefbeeld 10 en 11 zijn voornamelijk van belang. Deze worden hierna behandeld.

4.3.1.2 Streefbeeld 10: Unieke landschappelijke en cultuurlandschappelijke kwaliteiten verder ontwikkeld

Het landschap, de parel van Hof van Twente, heeft in 2030 nog altijd een belangrijke plaats. De structuur van het landschap, met deelgebieden stuwwal/verzamelgebied (westelijk), dekzandgebied (midden) en plateau (oostelijk), maar ook het reliëf en het watersysteem zijn leidend. In de waardevolle ensembles (landschap met natuur- en cultuurhistorische waarden) wordt behoud, onderhoud en herstel van cultuurhistorische en ecologische waarden in praktijk gebracht. Voltooiing van de ecologische hoofdstructuur is eveneens een herkenbaar resultaat. In 2030 is deze een feit. Bestaande natuurgebieden zijn binnen de gemeente en daarbuiten verbonden met elkaar, waardoor duurzame instandhouding van flora en fauna mogelijk is geworden.

De reconstructieplannen die aan het begin van de eeuw zijn gemaakt, zijn uitgevoerd. Dit betekent dat ruimtelijke knelpunten, zoals agrarische bedrijven in de directe nabijheid van natuur of milieuhinderveroorzakende bedrijven in het buitengebied, zijn opgelost. Voor nieuwe inrichting van het landschap door functiewijziging zijn oorspronkelijke landschapstypen richtinggevend.

Landgoederen hebben in 2030 hun ruimtelijke visies uit het begin van de eeuw uitgevoerd en de Bovenregge slingert weer als vanouds door het landschap. Dit lint van water door het landschap refereert aan de historie. Het project Bovenregge van Schipbeek tot Elsenerbroek visualiseert de verbinding tussen stad en landelijk gebied.

4.3.1.3 Streefbeeld 11: Nieuw evenwicht in functies in het buitengebied is ontstaan met een nieuwe toeristisch-recreatieve publiekstrekker

Hof van Twente kenmerkt zich door kleinschalige initiatieven en een hoge mate van vakmanschap. In deze combinatie zijn in 2030 veel kleine innovaties gemaakt. Denk aan knooperven waar eigenaren zorgdragen voor landschapselementen als paden en houtwallen. Of verschillende vormen van CO2 reductie bij agrarische bedrijven en hun toe- en afvoer. Of de kennis die we opbouwen in het toekomstbestendig maken van onze gemeente in het licht van vergrijzing en krimp.

Het aandeel van recreatie en toerisme in de lokale economie is in 2030 onverminderd groot in Hof van Twente. De toeristisch-recreatieve infrastructuur is geoptimaliseerd. Het landschap is de belangrijkste drager voor recreatie en toerisme en is daarom sturend in de mogelijkheden die er zijn. Er is invulling gegeven aan de behoefte die er was aan de toevoeging van een attractie van bovenregionaal belang. Hierbij is actief gebruik gemaakt van de toeristisch-recreatieve potentie die het gebied de Domelaar in Markelo bood, na de afbouw van de zandwinningsactiviteiten.

Er zijn attracties voor gezinnen en er is een verbeterde verknoping van de bestaande attracties en verblijfaccommodaties in de regio in de vorm van arrangementen.

4.3.1.4 Streefbeeld 14: Kwaliteit woningenbestand is hoog en divers, aansluitend op de markt/behoefte van inwoners

De grotere kernen in Hof van Twente houden een belangrijke woonfunctie; de meeste mensen wonen daar. Ze hebben ook de functie om woonruimte te bieden aan mensen die uit het buitengebied komen. Als centraal gelegen kern heeft Goor het meest een stedelijk karakter. In de buurtschappen en het buitengebied wordt het wonen zorgvuldig geïntegreerd in het landschap. Vrijkomende agrarische gebouwen krijgen alleen een andere, bijvoorbeeld woonfunctie, na een zorgvuldige afweging. Structuurvisies en het omgevingsplan zijn op deze uitgangspunten aangepast. In het buitengebied en de buurtschappen zal het wonen kleinschalig, groen en duurzaam zijn. Belangrijker in omvang dan uitbreiding zijn de plannen voor inbreiding in kernen en voor vernieuwing/verduurzaming van de bestaande woningvoorraad. In 2030 bestaat op het gebied van de volkshuisvesting de grootste opgave uit het vervangen van in de jaren vijftig en zestig van de twintigste eeuw gebouwde wijken/woningen. Dit gaat gepaard met een verduurzaming. Tegelijk komen als gevolg hiervan ruimtes in kernen vrij die niet direct weer voor woningbouw gebruikt worden. Dit biedt stedenbouwkundig nieuwe kansen. Hier is nadrukkelijk ingespeeld op de kansen van de demografische krimp. De kwaliteit gaat in alles boven de kwantiteit in 2030. Waar vanaf 2020 in de nieuwbouw energieneutrale woningen de standaard zijn, zijn in 2030 ook enkele energiepositieve wijken ontstaan. Daarbij is een verschuiving van type wooneenheden opgetreden. Wooncomplexen met een diversiteit van wooneenheden zijn in de grotere kernen ontstaan. Combinaties met zorgaanbod passen in die opzet. De traditionele twee-onder-één kap woningen zijn geleidelijk wat teruggelopen in aandeel. Daarnaast wordt in 2030 gewerkt aan het energieneutraal maken van relatief nieuwe wijken.

4.3.1.5 Toetsing aan de Strategische Visie 'Hof van Twente - Zicht op 2030'

De beoogde ontwikkeling sluit aan bij de strategische visie 'Hof van Twente – Zicht op 2030'. Door het slopen van overtollige bebouwing ontstaat ruimte voor een compensatiewoning (rood-voor-rood) en landschappelijke inpassing, waarmee de landschappelijke kwaliteit wordt versterkt. Het regulier bewonen van de voormalige bedrijfswoning en de benutting van de loods als timmerwerkplaats en akkerbouwopslag passen bij het gemeentelijke beleid om vrijkomende agrarische gebouwen zorgvuldig te herbestemmen. Dit draagt bij aan kleinschalig, groen en duurzaam wonen in de buurtschappen. Het kleinschalige kampeerterrein met camperplaatsen en trekkershutten ondersteunt de ambitie om recreatie en toerisme in het buitengebied te stimuleren. De omschakeling naar extensieve akkerbouw bevordert het behoud van het landschap en de ecologie. Het ruimtelijk kwaliteitsplan zorgt ervoor dat deze ontwikkelingen landschappelijk zorgvuldig worden ingepast.

4.3.2 Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025
4.3.2.1 Algemeen

In de gemeente Hof van Twente is het goed wonen, werken, recreëren en vertoeven. Een groene, landelijke gemeente met levendige kernen. De ambitie is: voor iedere inwoner een passende woning. Dit betekent niet alleen dat de huidige woningvoorraad optimaal benut moet worden, maar ook dat er gericht woningen bijgebouwd moeten worden. Dit vraagt om flexibiliteit en maatwerk, waarbij ten allen tijden de landelijke kwaliteit van de gemeente wordt gewaarborgd.

Deze woonvisie behandelt de belangrijkste ambities, speerpunten en acties van de gemeente om dit doel te bereiken. De belangrijkste ambities zijn:

  • 1. Versnelling van de woningbouwproductie.
  • 2. Meer betaalbare woningen realiseren.
  • 3. Passende huisvesting realiseren voor jongeren en de ouder wordende bevolking en zorgen voor meer doorstroming op de woningmarkt.
  • 4. Energieneutraal in 2035 en de bestaande woningvoorraad verder verduurzamen.
  • 5. Leefbaarheid en vitaliteit waarborgen in de kernen en het buitengebied.
  • 6. Bouwen aan een inclusieve samenleving: huisvesten van mensen met een zorgvraag en zorgen voor een evenwichtige huisvesting van huishoudens binnen de gemeente en instromers van buiten.
4.3.2.2 Kwantitatieve behoefte

Er is sprake van toenemende krapte op de woningmarkt in Hof van Twente. De afgelopen tien jaar zijn er weinig woningen gerealiseerd in de gemeente. De woningvraag is groot en de woningmarkt in de Hof is krap. Zowel starters als gezinnen en ouderen ervaren moeite bij het vinden van een geschikte woningen. 'Bouwen, bouwen, bouwen…. er is een tekort aan woningen, in alle kernen' is een stelling die in alle georganiseerde woontafels door alle betrokkenen onderschreven werd. Er wordt een piek verwacht in de woningbehoefte in de jaren tot 2030, waarna de behoefteontwikkeling stabiliseert en licht afvlakt.

In de koopsector is er momenteel door gebrek aan aanbod nauwelijks keuze. Hof van Twente heeft vanouds een grote voorraad grondgebonden koopwoningen. Door grote vraag van binnen en buiten de gemeente is de beschikbaarheid gering en stijgen de gemiddelde koopprijzen fors. De vrije huursector is nog erg klein in de gemeente. Een deel van de behoefte aan geschikte ouderenwoningen zit in de vrije huursector.

Tot en met 2030 is er in de gemeente Hof van Twente een woningbehoefte van ongeveer 675 tot 730 woningen. Deze aantallen zijn niet in beton gegoten en vormen een leidraad voor de woningbouwplannen.

Concreet betekent dit dat naast de bouwvraag in de kernen, zoals de 240–245 woningen in Goor en de 85–90 in Markelo, er in het buitengebied van Hof van Twente minimaal zo'n 160–165 nieuwe woningen nodig zijn.

4.3.2.3 Kwalitatieve behoefte

Momenteel bestaan de kernen en het buitengebied van Hof van Twente voornamelijk uit landelijke en dorpse woonmilieus. Deze wil de gemeente vitaal en sterk houden, maar ook nieuwe kwaliteiten toevoegen zoals bijvoorbeeld met Op Stoom in Goor. Dit is in lijn met de regionale ambities om meer verstedelijking en stedelijke vernieuwing in Twente te realiseren. Per locatie bepaalt de gemeente welk woonmilieu het meest passend is. Ruimtelijk wordt eerst ingezet op transformatie, inbreiding en verdichting en als laatste op uitbreiding. Zo wordt niet alleen het waardevolle groen behouden, maar wordt ook gezorgd voor verdichting.

De gemeente wil passende huisvesting kunnen bieden voor alle doelgroepen in verschillende levens- fasen en met diverse woonwensen. Met een wachttijd van minder dan 12 maanden lijkt er in Hof van Twente geen sprake van een grote druk op de sociale huurmarkt. Wel staat betaalbaarheid in het koopsegment en de geliberaliseerde huur onder druk. Uit woontafels met jongeren blijkt dat zij moeite hebben om een betaalbare, geschikte starterwoning te vinden. De prijzen zijn hoog en het beschikbare aanbod is beperkt door gebrek aan doorstroming en weinig nieuwe (betaalbare) toevoegingen. Een andere uitdaging is de demografische verandering in de gemeente. In de komende tien jaar komen er circa 1.500, 75-plussers bij. Daarmee zal de zorgvraag groter worden evenals de wens van veel oudere huishoudens om zo lang mogelijk zelfstandig thuis te wonen. Er wordt daarom ingezet op het bouwen van betaalbare starters- en gezinswoningen, maar ook levensloopbestendige grondgebonden woningen voor senioren.

In onderstaande tabel is een uitsnede van het woonprogramma voor de gemeente Hof van Twente voor de periode 2020-2030 weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0009.png"  

4.3.2.4 Toetsing van het initiatief aan de Woonvisie gemeente Hof van Twente 2021-2025

Door het slopen van overtollige bebouwing ontstaat ruimte voor een compensatiewoning (rood-voor-rood). Het regulier bewonen van de voormalige bedrijfswoning en de benutting van de loods als timmerwerkplaats en akkerbouwopslag passen bij het gemeentelijke beleid om vrijkomende agrarische gebouwen zorgvuldig te herbestemmen. Dit draagt bij aan kleinschalig, groen en duurzaam wonen in de buurtschappen. Er wordt een kleinschalige bijdrage geleverd aan zowel de kwalitatieve als kwantitatieve woningbouwbehoefte binnen de gemeente Hof van Twente.

4.3.3 Nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0'
4.3.3.1 Algemeen

De nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0' is de opvolger van de nota Recreatie en Toerisme 2021-2027 en geeft een visie op de recreatieve sector tot 2030. De visie komt voort uit een aantal gezamenlijk gedragen uitgangspunten:

  • Niet voor, maar door stakeholders.
    We vinden het belangrijk dat de visie samen met de sector is vormgegeven. Dit levert de meeste input op en zorgt -naast draagvlak- ook voor eigenaarschap.
  • Toerisme en recreatie geen doel op zich.
    De vrijetijdseconomie biedt kansen om het woonplezier van inwoners te vergroten en bezoekers van buiten de gemeente aan te trekken. Goede toeristisch-recreatieve voorzieningen kunnen hier een mooie bijdrage aan leveren. Dit vraagt om een goede balans tussen 'people, planet, profit'.
  • Denken vanuit kansen met oog voor deelgebieden/-thema's.
    Elke kern in de gemeente heeft zijn eigen karakteristieken, zo ook het buitengebied. Om de gemeente in samenhang te ontwikkelen én tegelijkertijd oog te hebben voor de afzonderlijke kenmerken- werken wij in deze visie vanuit thema's. Dit brengt focus aan in de visie en maakt het mogelijk om deze thema's individueel en vanuit samenhang te versterken.
  • In samenwerking met de regio.
    Recreanten en toeristen denken niet vanuit gemeentegrenzen en daarom is het essentieel om de regio te betrekken. Van belang is om als gemeente aan te sluiten bij de regio waar mogelijk en uit te blinken op onderscheidende aspecten.

Dit laat zich vertalen naar een ambitie voor 2030:

"We zijn ambitieus en leggen de lat hoog. Niet door te kiezen voor meer, maar door te kiezen voor beter. We zetten in op een vrijetijdseconomie die jaarrond zorgt voor levendigheid. We blinken uit in ons culturele aanbod. Genieten van activiteiten in de natuur. En zetten de landgoederen en kastelen verder in de spotlights. Kortom, we willen hetgeen wat we hebben nog beter (beleefbaar) maken.

We staan open voor nieuw onderscheidend aanbod. Daarvoor geldt dat onze eigen inwoners symbool staan voor de bezoekers die we willen trekken. We maken ons hard om onze eigen (regio)inwoner beter te bedienen. Dit maakt ons ook aantrekkelijk voor bezoekers van verder weg. We richten ons expliciet op de Millennials (met jonge kinderen). Gaan voor kwaliteit en kleinschaligheid. En bedienen nog beter dan nu de actieve natuur- & cultuurliefhebber. Nieuw aanbod laten we aansluiten bij de leefstijlen van eigen inwoners: de inzicht- en stijlzoekers.

Met alles wat we doen, dragen we bij aan het geluk en de vitaliteit van inwoners, bezoekers en ondernemers. Niet alleen voor vandaag, maar ook voor toekomstige generaties."

4.3.3.2 Doelen

De doelen voor de vrijetijdseconomie 2030 zijn onderverdeeld in de volgende onderdelen:

  • Bewegen & beleven;
  • Jaarrond;
  • Kwalitatief & in samenhang.

In voorliggend geval zijn met name de doelen ten aanzien van 'Kwalitiatief & in samenhang' van toepassing. Hierna worden de betreffende doelen benoemd:

  • een divers en kwalitatief aanbod;
    • 1. Groei verblijfsaanbod gericht op stijlzoekers en inzichtzoekers. Van de huidige 7% stijlzoekers die ons bezoekt, streven we naar 10% in 2030.
    • 2. Versterken huidige aanbod: Groei trendsetters dagrecreatie. Behoud hoge middenmoters.
    • 3. Versterken culinair-& agrofood aanbod
    • 4. Groei dagrecreatiefaanbod gericht op stijlzoekers en inzichtzoekers.
    • 5. Gastvrije informatiepunten voor iedereen vindbaar en toegankelijk.
  • een hoffelijke samenwerking;
    • 1. Versterken verbinding onderwijs en vrijetijdseconomie.
    • 2. Versterken onderlinge samenwerking ondernemers.
    • 3. Aansluiten bij regionale samenwerkingsverbanden en hierbij vanuit eigen positionering uitblinken.
    • 4. Op gedeelde thema's actief samenwerken met de Achterhoek.
4.3.3.3 Toetsing aan de nota 'Beleef hoffelijkheid 2.0'

De voorgenomen ontwikkeling sluit goed aan bij de uitgangspunten van de nota ‘Beleef hoffelijkheid 2.0’ van de gemeente Hof van Twente. Met de realisatie van een kleinschalig kampeerterrein met camperplaatsen en trekkershutten wordt het kwalitatieve en diverse vrijetijdsaanbod in het buitengebied versterkt, precies zoals beoogd in de nota. De nadruk op kwaliteit, kleinschaligheid en natuurbeleving komt overeen met de ambitie om unieke, onderscheidende recreatiemogelijkheden te bieden die aansluiten bij de wensen van (regio)inwoners en actief ingestelde bezoekers.

4.3.4 KGO beleid 2023 "Grond voor gebruik, ontwikkel nu de erfenis voor de toekomst"
4.3.4.1 Algemeen

Het gemeentelijke KGO beleid is vastgelegd in de beleidsnota "Grond voor gebruik, ontwikkel nu erfenis voor de toekomst". De beleidsnota voorziet in kaders met betrekking tot rood-voor-rood, het uitbreiden van niet agrarische bedrijven in het buitengebied, hergebruik van Vrijkomende Agrarisch Bebouwing (VAB) en sloopvoucher regeling. Hierna wordt ingegaan op deze kaders.

4.3.4.2 Rood-voor-rood

De Rood voor Rood-regeling gaat in de basis nog steeds uit van slopen met gesloten beurs. In de Hof van Twente wordt uitgegaan van de sloop van een minimum oppervlakte van 1.000 m2, waarvoor ter compensatie een nieuwe woning kan worden gerealiseerd.

De eventuele overige opstallen op het erf dienen ook gesloopt te worden en daarvoor kan een zogeheten sloopvoucher worden verkregen. Die ingezet kan worden bij projecten waar de zogeheten restmeters van toepassing zijn.

De resterende meters boven de 1.000 m2 die overblijven en niet ingezet kunnen worden voor het realiseren van nieuwe compensatiewoningen. Deze rest meters kunnen bijvoorbeeld ingezet worden voor het vergroten van de oppervlakte aan bijgebouwen, extra inhoud van bestaande woningen of de uitbreiding van niet agrarische bedrijfsgebouwen.

Afbakening van beleid:

  • De maximale inhoud voor de te realiseren woning op de compensatiekavel bedraagt 750 m3.
  • De compensatiekavel wordt bij voorkeur toegekend op de locatie waar het meest wordt gesloopt en wordt gesitueerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning, om de erfstructuur te handhaven en de daarbij behorende clustering van bebouwing (ensemble) te bewerkstelligen.
  • De compensatiekavel mag nabijgelegen (agrarische) bedrijven niet hinderen in hun bedrijfsvoering. Het erf en de tuin worden samen met de nieuwe woning en het daarbij behorende bijgebouw op de compensatiekavel gerealiseerd. Uitgangspunt voor de grootte van het bijgebouw op de compensatiekavel is maximaal 150m2.
  • Ook kan extra sloopoppervlakte worden ingezet voor het realiseren van een extra bijgebouw, conform de regels van afwijking “extra bijgebouwen bij woonbestemming tot 450 m2”.
  • De Rood voor Rood-regeling gaat altijd uit van de sloop van het gehele complex met voormalige agrarische gebouwen, erfverhardingen, mestplaten, mestsilo’s, mestkelders, kassen voor hobby en nevenactiviteiten, sleufsilo’s met uitzondering van de bedrijfswoning en karakteristieke bebouwing. Eventueel aanwezige (karakteristieke) bebouwing kan functioneel worden aangewend. De beoordeling vindt plaats conform het beleid betreffende hergebruik voormalig agrarische bedrijfsgebouwen (VAB-beleid). In specifieke situaties kan een gebouw blijven staan voor het uitoefenen van een hobby of economische activiteit, ook als het gebouw niet direct karakteristiek is. Hierbij vindt per geval maatwerk plaats, afhankelijk van de relatie van deze gebouwen met de omgeving, de overig aanwezige en te realiseren gebouwen op het erf en de relatieve afname van de bebouwde oppervlakte.
4.3.4.3 Hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)

Uitgangspunt is dat bestaande vrijgekomen voormalige agrarische bedrijfsgebouwen hergebruikt worden voor de nieuwe bedrijfsactiviteiten. In uitzonderlijke situaties kan medewerking worden verleend aan kleinschalige uitbreiding.

Daarbij moet wel inzichtelijk worden gemaakt worden of het bedrijf nog wel op de juiste locatie zit en niet beter kan verhuizen naar een bedrijventerrein. Voor iedere uitbreiding geldt dat als basis inspanning het terrein zorgvuldig landschappelijk dient te worden ingepast, waarbij aansluiting wordt gezocht met de identiteit van het omringende landschap.

In aanvulling op de basis inspanning moet voor elke 1 m2 bebouwing het tweevoudige aan landschap ontsierende bebouwing worden gesloopt binnen de Hof van Twente.

Verder gelden de volgende toetsingscriteria:

  • de activiteiten moeten binnen de gebouwen plaatsvinden;
  • er mag geen buitenopslag plaatsvinden;
  • de nieuwe functie moet leiden tot een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit en mag geen ongewenste verstedelijking of aantasting van de landschappelijke waarden veroorzaken. Dit kan eventueel gepaard gaan met sloop van een deel van de bestaande bebouwing.
  • de nieuwe activiteit mag de bestaande agrarische bedrijven in de omgeving niet belemmeren in hun bedrijfsvoering;
  • de nieuwe activiteit moet behoren tot de categorie 1 en 2 van de VNG-brochure “Bedrijven en milieuzonering” dan wel een daarmee gelijk te stellen activiteit;
  • het milieu mag niet extra worden belast ten opzichte van de milieubelasting van het stoppende of gestopte (deel van het) bedrijf (stank, geluid, luchtkwaliteit, veiligheid etc.;
  • de bestaande infrastructuur moet berekend zijn op de nieuwe activiteit, er mag geen sprake zijn van een onevenredige verkeersaantrekkende werking;
  • eventuele parkeerplaatsen worden ingepast in het groen c.q. omgeving;
  • er mag geen sprake zijn van een industriële uitstraling, dergelijke activiteiten behoren op een industrieterrein;
  • er moet sprake zijn van een goede landschappelijke inpassing, waarvoor het noodzakelijk is om een landschapsplan voor het totale erf( en de directe omgeving) ingediend moet worden;
  • er mag geen sprake zijn van detailhandel, anders dan ter plaatse vervaardigde producten, waarbij er geen sprake is van enige tussenhandel.
  • reclame-uitingen dienen in overeenstemming te zijn met het reclamebeleid van de gemeente Hof van Twente.
4.3.4.4 Sloopvoucher-regeling

Erf eigenaren die graag de vrijkomende landschap ontsierende gebouwen op het erf willen slopen kunnen hiervoor een sloopvoucher aanvragen. Deze voucher kan op een later moment ingebracht worden bij een project waarvoor sloopcompensatie nodig is. In deze sloopvoucher wordt vastgelegd hoeveel oppervlakte te slopen bebouwing in aanmerking komt. Deze voucher is 10 jaar geldig en kan ingezet worden bij projecten waarvoor sloopcompensatie nodig is. Om gebruik te kunnen maken van de voucher-regeling moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden:

  • de oppervlakte te slopen bebouwing kan niet terug worden gebouwd;
  • de oppervlakte te slopen bebouwing is afkomstig uit de gemeente Hof van Twente;
  • op de slooplocaties blijft maximaal 150 m2 aan bijgebouwen gehandhaafd, bij een grotere oppervlakte is de regeling ‘herbouw bijgebouw tot 450 m2’ van toepassing;
  • eerdere verplichtingen kunnen niet in de regeling worden ingebracht;
  • Alles asbest moet worden gesaneerd.
  • er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan, bij het opstellen wordt een
  • landschapsdeskundige wordt geraadpleegd;
  • Als de bestemming nog Agrarisch is moet deze gewijzigd worden naar een bestemming wonen.
4.3.4.5 Toetsing van het initiatief aan het KGO beleid 2023

Hierna wordt getoetst aan de relevante aspecten van het KGO beleid 2023.

Rood-voor-rood

In dit geval wordt 1.000 m2 van de sloopmeters ingezet voor het realiseren van een rood-voor-rood kavel. De kaders die gelden voor de maximale inhoud en oppervlakte aan bijgebouwen worden vastgelegd in de regels van dit TAM-omgevingsplan. De woning wordt gerealiseerd in de directe omgeving van de te handhaven bedrijfswoning, hiervoor wordt ook verwezen naar afbeelding 3.1 en Bijlage 1. In dit geval wordt niet alle agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt. In specifieke situaties kan een gebouw blijven staan voor het uitoefenen van een hobby of economische activiteit, ook als het gebouw niet direct karakteristiek is. Hierbij vindt per geval maatwerk plaats, afhankelijk van de relatie van deze gebouwen met de omgeving, de overig aanwezige en te realiseren gebouwen op het erf en de relatieve afname van de bebouwde oppervlakte. De beoordeling vindt plaats conform het beleid betreffende hergebruik voormalig agrarische bedrijfsgebouwen (VAB-beleid). Daar wordt in de volgende paragraaf aan getoetst.

Hergebruik Vrijkomende Agrarische Bebouwing (VAB)

Voor de niet-agrarische vervolgfunctie, in de vorm van een timmerwerkplaats, extensief akkerbouwbedrijf en opslag, moet één schuur behouden worden, welke uitgebreid mag worden. Het te behouden bedrijfsgebouw is 871 m² groot. De wens is daarnaast om het bedrijfsgebouw met 400 m² uit te breiden. Daarnaast moet er een sanitair gebouw van 96 m² worden gerealiseerd bij het kleinschalig kampeerterrein. Over het sanitair gebouw wordt uitgeweid in paragraaf 4.3.5

In dit geval is sprake van maatwerk. Voor de uitbreiding wordt het dubbele aantal sloopmeters ingezet, namelijk 992m². Alle activiteiten vinden plaats binnen bestaande gebouwen en er is geen sprake van buitenopslag. In Bijlage 1 wordt onderbouwd dat de inpassing zorgvuldig gebeurt en dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft. In deze motivering worden de parkeersituatie, de verkeersafwikkeling, de ruimtelijke inpassing en de milieueffecten toegelicht. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling geen belemmeringen oplevert.

Volgens de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' valt een 'timmerwerkfabriek, vervaardiging van overige artikelen van hout' normaal gesproken onder milieucategorie 3.2. In dit specifieke geval betreft het echter kleinschalige activiteiten met slechts één personeelslid, waardoor de situatie afwijkt van de standaardindeling in categorie 3.2. De werkzaamheden bestaan vooral uit het voorbereiden van kleinschalig timmerwerk, zoals trappen, gevelbekleding en overkappingen. Uiteindelijk wordt dit bij opdrachtgever op locatie geassembleerd en afgemaakt. Hierdoor wordt de locatie niet de volledige werkweek gebruikt. De werkzaamheden vinden alleen overdag plaats. Buiten worden, behalve bij het laden en lossen, vrijwel geen bedrijfsactiviteiten uitgevoerd. Dit soort werkzaamheden zijn vergelijkbaar met kleinschalige aannemersbedrijven. Daarom is een meer passende classificatie milieucategorie 2, zoals van toepassing op 'aannemersbedrijven met werkplaats' van maximaal 1.000 m².

Bovendien biedt het gemeentelijke beleid ruimte voor maatwerk, waarbij per individueel geval wordt gekeken naar de ruimtelijke uitstraling en omgevingskwaliteit. Uit de onderliggende motivering blijkt dat deze aspecten niet worden geschaad. Daarnaast heeft de gemeente aangegeven dat het acceptabel is om de betreffende schuur te gebruiken voor een niet-agrarische vervolgfunctie.

Sloopvoucher-regeling

Na het realiseren van de rood-voor-rood-compensatiekavel, en de niet-agrarische vervolgactiviteiten, blijft er dus (3.693 m² - 1.000 m² - 992 m² =) 1.701 m² aan sloopmeters over. Aan de voorwaarden die worden gesteld om gebruik te kunnen maken van de voucher-regeling wordt voldaan. De sloopvouchers zijn reeds aangevraagd en vastgelegd.

4.3.5 Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023, artikel 4.5.4
4.3.5.1 Algemeen

Voor het kleinschalige kampeerterrein is reeds een vergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit verleend. Het voorliggende TAM-omgevingsplan legt deze ontwikkeling vast in het omgevingsplan. De voorwaarden van deze binnenplanse afwijking zijn als volgt (artikel 4.5.4):

  • a. de afstand tot de bouwperceelgrens van het dichtstbijzijnde (kleinschalige) kampeerterrein minimaal 100 m bedraagt;
  • b. de afstand tot de bouwperceelgrens van gronden met een (bedrijfs)woning van derden minimaal 100 m bedraagt;
  • c. de (sanitaire) voorzieningen binnen de op het moment van het toepassen van de afwijking bestaande bebouwing worden opgericht met een maximale oppervlakte van 75 m2;
  • d. indien het onder c gestelde niet mogelijk is, de bebouwing ten behoeve van de (sanitaire) voorzieningen wordt opgericht binnen het bouwvlak;
  • e. maximaal twee trekkershutten zijn toegestaan met een oppervlakte per trekkershut van 30 m2, een goothoogte van maximaal 3 m en een bouwhoogte van maximaal 5 m;
  • f. er wordt voorzien in een goede landschappelijke inpassing en erfinrichting door middel van een erfinrichtings- en/of beplantingsplan waartoe een landschapsdeskundige wordt geraadpleegd;
  • g. voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid op eigen terrein;
  • h. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van in de omgeving aanwezige functies en waarden;
  • i. geen onevenredige aantasting plaatsvindt van de belangen van eigenaren en gebruikers van omliggende gronden;
  • j. een positieve bijdrage wordt geleverd aan het toeristisch profiel van de gemeente.
4.3.5.2 Toetsing van het initiatief aan Bestemmingsplan Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023, artikel 4.5.4
  • a. Hier wordt aan voldaan.
  • b. Hier wordt aan voldaan.
  • c. De sanitaire voorziening is 96 m2. Er is echter sprake van maatwerk. In ruil voor deze ontwikkel ruimte worden sloopmeters ingezet. Hier is in paragraaf 4.3.4 reeds op ingegaan.
  • d. Niet van toepassing.
  • e. Er worden twee trekkershutten gerealiseerd. De vereisten hieraan met betrekking tot oppervlakte en afmeting worden vastgelegd in de regels van dit TAM-omgevingsplan.
  • f. In Bijlage 1 wordt onderbouwd dat de inpassing zorgvuldig gebeurt en dat de ruimtelijke kwaliteit behouden blijft.
  • g. Hier wordt voor verwezen naar paragraaf 3.2.
  • h. Dit wordt aangetoond in voorliggende motivering.
  • i. Dit wordt aangetoond in voorliggende motivering.
  • j. In paragraaf 4.3.3 is reeds uiteengezet dat met voorgenomen ontwikkeling wordt bijgedragen vrijetijdsaanbod in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente.
4.3.6 Conclusie toetsing aan gemeentelijk beleid

Geconcludeerd kan worden dat de in dit voorliggende TAM-omgevingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met het geldende gemeentelijke beleid.

Hoofdstuk 5 Omgevingsveiligheid

5.1 Algemeen

Op basis van paragraaf 5.1.2 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het waarborgen van de veiligheid. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze bij de activiteit de veiligheid gewaarborgd wordt. Gedoeld wordt op het waarborgen van de veiligheid ter voorkoming van een branden, rampen of crises. In bijlage VII van het Bkl zijn activiteiten aangewezen als risicobronnen. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en aandachtsgebieden. Het betreft de volgende activiteiten:

  • Activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven. Dit zijn verschillende milieubelastende activiteiten uit het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Het basisnet vervoer gevaarlijke stoffen (weg, water en spoor);
  • Buisleidingen met gevaarlijke stoffen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving;
  • Windturbines die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteit leefomgeving.

Daarnaast staan in het Bkl ook instructieregels voor de volgende risicobronnen die zijn aangewezen als milieubelastende activiteit in het Besluit activiteiten leefomgeving:

  • Opslaan, bewerken en herverpakken van vuurwerk (afdeling 5.1.2.4 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Exploiteren van een IPPC-installatie voor het maken van explosieven (afdeling 5.1.2.5 Bkl);
  • Opslaan en bewerken van ontplofbare stoffen voor militair gebruik (afdeling 5.1.2.5 Bkl).

Het werken met aandachtsgebieden voor externe veiligheidsrisico's is een nieuwe manier van omgaan met het groepsrisico (artikel 5.12 t/m 5.15 Bkl). Een aandachtsgebied geldt van rechtswege. Deze worden vastgelegd in het Register Externe Veiligheid en zijn digitaal raadpleegbaar. Voor het project moet binnen deze aandachtsgebieden rekening worden gehouden met het groepsrisico. Hier wordt aan voldaan door in het aandachtsgebied geen beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen toe te laten en ook geen beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat dient te geschieden met voorschriftengebieden.

Voor een project dient in principe een aandachtsgebied als voorschriftengebied te worden aangewezen als er met het project kwetsbare gebouwen worden toegestaan. In een voorschriftengebieden gelden de extra bouweisen van paragraaf 4.2.14 Besluit bouwwerken leefomgeving (hierna: Bbl).

5.2 Situatie plangebied

Aan hand van de Atlas Leefomgeving is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het projectgebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In afbeelding 5.1 is een uitsnede van de Risicokaart externe veiligheid met betrekking tot het plangebied en omgeving weergegeven. Het plangebied is met de blauwe omlijning indicatief weergegeven.

Uit de inventarisatie blijkt dat het plangebied niet binnen aandachtsgebieden van een risicobron ligt. Er hoeven zodoende geen (veiligheids)maatregelen getroffen te worden in het kader van het voorkomen, beperken en bestrijden van een brand, een ramp of een crisis.

Het aspect externe veiligheid is hiermee voldoende geborgd.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0010.png"  
Afbeelding 5.1: Risicokaart externe veiligheid (Bron: Atlasleefomgeving.nl, bewerkt)  

5.3 Conclusie

Voorliggende wijziging van het omgevingsplan is in overeenstemming met de wet- en regelgeving in het kader van omgevingsveiligheid.

Hoofdstuk 6 Bescherming gezondheid en het milieu

Op basis van paragraaf 5.1.4 houdt een omgevingsplan rekening met de bescherming van de gezondheid en het milieu, waaronder in ieder geval begrepen:

  • geluid;
  • bodemkwaliteit;
  • de kwaliteit van de buitenlucht;
  • geur en;
  • trillingen.

In dit hoofdstuk wordt beschreven op welke wijze het voornemen rekening houdt met bovenstaande onderwerpen. Daarnaast wordt het aspect 'gezondheid' behandeld.

6.1 Geluid door activiteiten

6.1.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu stelt het Besluit kwaliteit leefomgeving regels voor het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken (afdeling 3.5 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge).

Voor een aantal geluidgevoelige gebouwen en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl) gelden specifieke regels. In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.21 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

In dat kader zijn de regels in paragraaf 22.3.4 Bruidsschat van toepassing. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (artikel 22.57 Bruidsschat). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);

geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

Geluidsgevoelige gebouwen
De geluidsgevoelige gebouwen worden aangewezen in artikel 3.21 Bkl. Het betreft gebouwen, waaronder een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat een woonfunctie heeft. De geluidsnormen hebben betrekking op het geluid op de gevel van een geluidsgevoelig gebouw en hebben primair als doel het beschermen van de gezondheid door het stellen van eisen aan het geluid op en rond woningen, waar mensen langdurig verblijven en slapen. Hierbij wordt onderscheid gemaakt tussen de voorgevel, zijgevel en achtergevel.

Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect geluid instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.2 Bkl. Het omgevingsplan bevat op grond van en in overeenstemming met instructieregels waarden voor geluid (immissienormen) die leiden tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.1.2 Situatie plangebied

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van één nieuw geluidgevoelig gebouw (woning) mogelijk gemaakt. De huidige bedrijfswoning is al aangemerkt als een geluidgevoelig gebouw. Het plan omvat verder de aanleg van een kleinschalig kampeerterrein en een sanitaire voorziening. Zowel de camperplaats, de trekkershutten als de sanitaire voorziening worden niet beschouwd als geluidgevoelige gebouwen. Ook de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten en de opslagplaats voor de extensieve akkerbouw vallen niet onder de categorie geluidgevoelige gebouwen. Een geluidgevoelig gebouw is namelijk een gebouw, of een gedeelte daarvan, met een woonfunctie en eventuele nevengebruiksfuncties.

Het bevoegd gezag beoordeelt het geluid bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied. Dit is een gebied waar het geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde. Wegen, spoorwegen en industrieterreinen hebben een geluidsaandachtsgebied. Verder kan geluidhinder worden ondervonden als gevolg van omliggende bedrijvigheid en de bedrijvigheid die plaatsvindt binnen het plangebied zelf. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling.

Weg- en railverkeerslawaai

In het omgevingsplan zijn nog geen geluidsaandachtsgebieden opgenomen. Daarom gelden voor wegen en spoorwegen de volgende afstanden:

  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken en een maximumsnelheid van 30 km/u of minder: 100 m;
  • voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken, waarvoor een maximumsnelheid van meer dan 30 km/u geldt, en een spoorweg, bestaande uit een of twee sporen: 200 m; en
  • voor een weg, bestaande uit drie of meer rijstroken, en een spoorweg, bestaande uit drie of meer sporen: 350 m.

In voorliggend geval bevindt de toe te voegen zich niet binnen een geluidsaandachtsgebied van een spoorweg. De meest nabijgelegen spoorweg bevindt zich op ruim 2,5 kilometer afstand.

De meest nabijgelegen wegen zijn de Mossendamsweg (circa 220 meter, twee rijstroken met max. snelheid van meer dan 30 km/uur) en Bollenweg (circa 561 meter, twee rijstroken met max. snelheid van meer dan 30 km/uur) bevinden zich op voldoende afstand. Een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai kan daarom achterwege blijven.

Industrielawaai

Het plangebied ligt niet in de nabijheid van een industrieterrein. Dit behoeft dan ook geen nadere motivering.

Solitaire bedrijvigheid (milieuzonering)

Onder milieuzonering wordt verstaan het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende activiteiten enerzijds en milieugevoelige gebouwen anderzijds.

Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009. In 2024 is er een nieuwe handreiking uitgebracht 'Activiteiten en milieuzonering'. De nieuwe handreiking 'Activiteiten en Milieuzonering' is bedoeld voor de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen en andere werkterreinen en het inwaarts zoneren daarvan. De handreiking biedt handvatten om op grond van artikel 5.69 en 5.93 uit het Bkl een aanvullende regeling in het omgevingsplan op te nemen waarmee geluid - en geurwaarden die normaal op de gevel van een geluids- of geurgevoelig gebouw gelden, op een andere locatie te laten gelden. Gedurende de overgangsfase onder de Omgevingswet is er in veel gevallen echter nog sprake van het omgevingsplan van rechtswege, waar de bestemmingsplannen onderdeel van uitmaken. Hiermee is de zoneringssystematiek uit 2009 nog aan de orde, waardoor de nieuwe handreiking niet aansluit op het omgevingsplan. Daarom kan nog gebruik worden gemaakt van de systematiek uit 2009.

Volgens deze systematiek dient eerst te worden beoordeeld of in de omgeving sprake is van een 'rustige woonwijk' of een 'gemengd gebied'. De omgeving van het plangebied kan worden aangemerkt als 'rustige woonwijk' aangezien ter plaatse geen sprake is van een menging van functies.

Rood-voor-rood kavel

In eerste instantie wordt er getoetst aan het woon- en leefklimaat voor de woning op de rood-voor-rood kavel. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het geluid van het kampeerterrein evenals niet-agrarische bedrijfsactiviteiten (timmerwerkplaats) en de opslagplaats voor de extensieve akkerbouw die binnen het plangebied worden toegestaan. Opgemerkt wordt dat er wordt gemeten vanaf de gevel van de nieuwe woning tot aan de bebouwingsmogelijkheden (bouwvlak) van de genoemde bedrijven.

Adres en functie   Maximale toegelaten milieucategorie   Richtafstand geluid (in meters)   Daadwerkelijke afstand (circa)  
Mossendamsweg 4a
Kampeerterrein  
3.1   50   55* m  
Mossendamsweg 4a**
Timmerwerkplaats  
2   30   30 m  
Mossendamsweg 4b-6
Intensieve veehouderij  
4.1   50   100 m  
Bollenweg 10
Intensieve veehouderij  
4.1   50   290 m  

* Hiervoor is gemeten vanaf de gevel van de woning tot aan de eerste standplaats van de campers. Het gaat in dit geval verder om een zeer kleinschalig kampeerterrein dat niet te vergelijken is met een regulier recreatiebedrijf. Er is geen sprake van een centrale voorziening zoals een zwembad of receptie. Het gaat puur om een kampeerterrein voor met name rust- en natuurzoekers. In dit geval zijn de campers en trekkershutten de voornaamste geluidsbronnen (leefgeluiden, rijgeluiden, motorgeluid van de campers zelf). De sanitaire voorziening en parkeerplaats vormen daarnaast een buffer tussen de rood-voor-rood kavel en het kampeerterrein.
**In paragraaf 4.3.4.5 is reeds uiteengezet waarom de timmerwerkplaats kan worden geclassificeerd als milieucategorie 2.

Gelet op vorenstaande en rekening houdend met de benoemde kanttekeningen wordt aan alle richtafstanden voldaan.

Kampeerterrein

De dichtstbijzijnde geluidsgevoelige functie, met uitzondering van de woningen binnen het plangebied is de bedrijfswoning aan de Mossendamsweg 4b. Deze bevindt zich op een afstand van meer dan 100 meter van de camperplaats. Aan de richtafstand kan worden voldaan.

Niet-agrarische bedrijvigheid (timmerwerkplaats)

Hier geldt eveneens dat de dichtstbijzijnde geluidsgevoelige functie, uitgezonderd de woningen binnen het plangebied, de bedrijfswoning aan de Mossendamsweg 4b is. Deze bevindt zich op een afstand van ruim 71 meter van de loods. Aan de richtafstand kan worden voldaan.

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat ter plaatse van de beoogde compensatiewoning sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Bovendien worden omliggende bestaande en toekomstige functies niet in de ontwikkelmogelijkheden belemmerd.

6.1.3 Conclusie

Het aspect 'geluid' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.

6.2 Bodemkwaliteit

6.2.1 Algemeen

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 Bkl. Het aanvullingsbesluit bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door in onderlinge samenhang;

  • beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • evenwichtig toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

De gemeente stelt de waarde voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem vast. Deze waarde mag niet hoger zijn dan het blootstellingsniveau van het maximaal toelaatbaar risico voor de mens. Dit is opgenomen in bijlage VA van het Bkl. De toelaatbare kwaliteit van de bodem is een voorwaarde voor bouwen op verontreinigde bodem en is geen omgevingswaarde.

Het Rijk stelt instructieregels aan gemeenten voor het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie. De gemeente moet:

  • Op grond van artikel 5.89i en artikel 5.89j Bkl de waarde vaststellen waarboven er bij de realisatie van gebouwen op bodemgevoelige locaties maatregelen nodig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89k Bkl aangeven welke sanerende of andere beschermende maatregelen nodig zijn bij overschrijding van de waarde.
  • Op grond van artikel 5.89l Bkl een meldingsplicht instellen voor locaties die op grond van het omgevingsplan niet vergunningplichtig zijn.
  • Op grond van artikel 5.89m Bkl een bepaling opnemen over de ingebruikname.

Deze regels zorgen voor zowel een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als het beschermen van de gezondheid en van het milieu, in het bijzonder van de bodemkwaliteit.

6.2.2 Situatie plangebied

Door Montferland Milieu is een milieuhygiënisch bodemonderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusie. Het volledige bodemonderzoek is opgenomen als Bijlage 2 bij deze motivering.

Onderzoeksresultaten

  • Tijdens het veldwerk is de opgeboorde grond zintuiglijk beoordeeld op de mogelijke aanwezigheid van bodemverontreiniging. Ter plaatse van boringen A02 tot en met A05 en E01, E02 en E04 is in de laag van 0,10 tot 0,50 m-mv uiterst puinhoudend materiaal waargenomen.
  • De exacte locatie van de voormalige bovengrondse dieseltank is niet bekend.
  • In de bovengrond ter plaatse van de vml. luchtwasser is de kwaliteitsklasse 'Landbouw/natuur' vastgesteld. Er zijn geen verhoogde gehalten van verontreinigende stoffen aangetroffen.
  • Het grondwater is licht verontreinigd met barium.
  • Voor zowel Kjeldahl-stikstof als sulfaat bestaan geen normwaarden voor grond. De gemeten gehalten in de grond (1300 mg N/kg d.s. en 64 mg/kg d.s.) liggen binnen de bandbreedte van natuurlijke bodems en zijn niet saneringsrelevant. In het grondwater is 1,7 mg/L Kjeldahl-N en 290 mg/L sulfaat aangetroffen. Het Kjeldahl-gehalte is laag. Het sulfaatgehalte overschrijdt de drinkwater indicatieve waarde (250 mg/L), maar valt binnen waarden die in natuurlijke situaties in Nederland voorkomen. Er is daarom geen directe aanleiding om te spreken van bodemverontreiniging.
  • De tevoren gestelde hypothese 'De vml. chemische luchtwasser kan op basis van het vooronderzoek als verdacht worden beschouwd' dient te worden verworpen. Het aangetroffen barium gehalte wordt toegeschreven aan een natuurlijke oorsprong.
  • In zowel de boven- als ondergrond ter plaatse van de locatie waar de bestemming wijzigt van agrarisch naar wonen met een kleinschalig kampeerterrein is de kwaliteitsklasse 'Landbouw/natuur' vastgesteld. Er zijn geen verhoogde gehalten van verontreinigende stoffen aangetroffen.
  • De tevoren gestelde hypothese 'De locatie waar de bestemming wijzigt van agrarisch naar wonen met een kleinschalig kampeerterrein kan op basis van het vooronderzoek als onverdacht worden beschouwd' wort aangenomen. Er is geen aanleiding voor een aanvullend grondwateronderzoek.
  • Bij het verkennend asbestonderzoek zijn geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de grove fractie van de bodem/puin is geen asbest aangetroffen. In de fijne fractie van mengmonster B-ASMM02 is een gehalten van 4,4 mg/kg d.s aangetoond. De mengmonsters bevinden zich onder het criterium voor nader onderzoek (50 mg/kg d.s.) en een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.
  • Zintuiglijk is ter plaatse van de vermoedelijke restverontreiniging geen asbest(pulp) waargenomen.
  • In het onderhavige en eerdere bodemonderzoek op de bodemgevoelige locatie zijn geen verhoogde gehalten vastgesteld die een belemmering vormen voor het huidige of toekomstige gebruik.
  • Uit milieukundig oogpunt is er dan ook naar onze mening geen bezwaar tegen de voorgenomen planologische procedure, aangezien de vastgestelde verontreinigingen geen directe risico's voor de volksgezondheid opleveren. De bodem wordt geschikt geacht voor het huidige en toekomstige gebruik.
  • Wanneer toch tijdens eventuele graafwerkzaamheden waarnemingen worden gedaan die op een verontreiniging wijzen, dan moet het werk direct gestopt worden en moet met het bevoegd gezag worden overlegd.

6.2.3 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect bodem geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied, mits de aanvullende onderzoeken worden uitgevoerd en is aangetoond dat de bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik. Als er sprake is van verontreinigde grond dient dit te worden gesaneerd en moeten de juiste meldingen worden gedaan in het Omgevingsloke

6.3 Luchtkwaliteit

6.3.1 Algemeen

De hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen staan beschreven in de instructieregels opgenomen in het Bkl. Ter bescherming van de gezondheid zijn voor het aspect luchtkwaliteit instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.4.1 Bkl. Volgens deze regels gelden zogeheten omgevingswaarden voor onder andere de in de buitenlucht voorkomende stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10). Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt alleen niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging.

Mede door het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) is in de afgelopen jaren in Nederland de luchtkwaliteit aanzienlijk verbeterd. Vanwege deze verbetering is het NSL met de inwerkingtreding van de Omgevingswet dan ook komen te vervallen.

De beoordeling van de luchtkwaliteit vindt niet overal plaats. Voor een activiteit die niet in betekende mate (NIBM) bijdraagt aan de luchtverontreiniging, is geen toetsing aan de rijksomgevingswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof nodig. Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties.

Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • 1. Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen? Het is dan mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • 2. Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Veelal kan een kwalitatieve berekening met de NIBM-tool op een eenvoudige en snelle manier inzichtelijk maken of een project in betekende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Wanneer deze tool aangeeft dat er sprake is van een betekende mate, dan zijn aanvullende detailberekeningen nodig.
6.3.2 Situatie plangebied

Gelet op de aard en omvang van voorliggende ontwikkeling, in verhouding tot de standaardgevallen NIBM (artikel 5.54 Bkl) kan worden gesteld dat voorliggend project ‘niet in betekenende mate bijdraagt’ aan luchtverontreiniging. Zo is de verkeersgeneratie (een belangrijke bron van luchtvervuiling) afkomstig van de woningen beperkt.

Bovendien dient beoordeeld te worden of de luchtkwaliteit ter plaatse aanvaardbaar is. Hiertoe dienen de huidige concentraties luchtverontreinigende stoffen in beeld te worden gebracht. Hiervoor is gebruik gemaakt van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN). De gegevens voor het plangebied worden weergegeven in de onderstaande tabel:

Parameter     Achtergrondwaarde [µg/m3] 2024   Achtergrondwaarde [µg/m3] 2030   Normen Bkl [µg/m3]   WHO advieswaarde [µg/m3]   Voldoet (ja/nee)  
Stikstofdioxide NO2     8,519   6,541   40   10   Ja  
Zwevende deeltjes PM10   7,652   6,369   40   15   Ja  
Zwevende deeltjes PM2,5   7,652   6,369   25   5   Nee  

Uit de tabel blijkt dat aan de normen uit het Bkl voor NO2 en PM10 en de blootstellingsconcentratieverplichting voor PM2,5 voldaan wordt. Aan de advieswaarden van de WHO wordt niet voldaan voor Zwevende deeltje PM2,5 wordt niet voldaan, voor NO2 en PM10 wel. Echter is de verwachting dat de luchtkwaliteit steeds meer zal verbeteren, waardoor in de toekomst wel aan de advieswaarden zal worden voldaan. Derhalve wordt gesteld dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de het plangebied aanvaardbaar is.

6.3.3 Conclusie

Vanuit het aspect luchtkwaliteit is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.4 Geur

6.4.1 Algemeen

In het kader van het beschermen van de gezondheid en het milieu (artikel 2.1 lid 3 onder b en c Ow) worden ten aanzien van diverse sectoren regels gesteld op het gebied van geur(hinder). Het gaat onder meer om veehouderijen en andere landbouwactiviteiten, de mengvoederindustrie, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties, slachterijen, en (andere) milieubelastende activiteiten. Regels over geur zijn verdeeld over verschillende Amvb's. Het verschilt per type activiteit waar er regels zijn opgenomen.

Na inwerkingtreding van de Omgevingswet dienen de activiteiten allereerst te voldoen aan de regels die in het tijdelijk omgevingsplan staan. Indien er nog geen aanpassing heeft plaatsgevonden van het tijdelijk omgevingsplan en sprake is van een activiteit/inrichting die/dat voorheen onder het Activiteitenbesluit milieubeheer viel, dan gelden de regels uit de Bruidsschat. De Bruidsschat bevat regels over:

  • Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony's voor het berijden in een dierenverblijf (par. 22.3.6.2 Bruidsschat);
  • Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 Bruidsschat);
  • Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, champost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 Bruidsschat);
  • Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 Bruidsschat).

Voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het (Bal). In afdeling 8.5 'Omgevingsvergunning milieubelastende activiteit' van het (Bkl) staan beoordelingsregels. Het bevoegd gezag gebruikt deze beoordelingsregels bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. In het Bkl staan algemene beoordelingsregels en specifieke beoordelingsregels voor geur.

De vergunningverlener moet bij het beoordelen van het aanvaardbaar geurhinderniveau rekening houden met het omgevingsplan. Zo staat in het omgevingsplan wat de geurgevoelige gebouwen en locaties zijn. Ook kunnen in het omgevingsplan andere regels voor geur staan (of een omgevingswaarde voor geur). In het omgevingsplan staan bijvoorbeeld geurregels voor veehouderijen. De vergunningverlener moet dan rekening houden met deze regels.

Veehouderijen

In het omgevingsplan regelt de gemeente de geur van veehouderijen. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl staan de instructieregels hiervoor. De instructieregels gelden alleen voor geur van landbouwhuisdieren in een dierenverblijf op een geurgevoelig gebouw en gaan over:

  • Geurnormen in het omgevingsplan
  • Rekenen
  • Afstandseisen
  • Randvoorwaarden
6.4.2 Situatie plangebied

Met de voorgenomen ontwikkeling wordt de realisatie van één nieuw geurgevoelig gebouw (woning) mogelijk gemaakt. De huidige bedrijfswoning is al aangemerkt als een geurgevoelig gebouw. Het plan omvat verder de aanleg van een kampeerterrein en een sanitaire voorziening. Zowel de camperplaats als de sanitaire voorziening worden niet beschouwd als geurgevoelige gebouwen. Ook de niet-agrarische bedrijfsactiviteiten en de opslagplaats voor de extensieve akkerbouw vallen niet onder de categorie geurgevoelige gebouwen. Een geurgevoelig gebouw is immers een gebouw met een woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidsfunctie of bijeenkomstfunctie.

Met betrekking tot de rood-voor-rood kavel wordt benoemd dat de dichtstbijzijnde veehouderijen de intensieve veehouderij aan de Mossendamsweg 4b-6 (circa 100 meter) en Bollenweg 10 (circa 290 meter) zijn. Gezien de ruime onderlinge afstand worden belemmeringen vanuit geur niet voorzien. Daarnaast bevinden zich op kortere afstand andere geurgevoelige functies. De bedrijven worden dan ook niet belemmerd in hun ontwikkelingsmogelijkheden. Er blijft sprake van een aanvaardbare situatie aangaande geur.

Grondgebonden veehouderijen bevinden zich op meer dan 50 meter afstand. De onderlinge afstand is ruim meer dan de benodigde vaste afstand van 50 meter conform artikel 22.101 van de Bruidsschat en tevens ook artikel 5.110 en 5.111 van het Bkl.

Solitaire bedrijvigheid (milieuzonering)

Geurhinder kan ook worden ondervonden als gevolg van omliggende niet-agrarische bedrijvigheid en de bedrijvigheid die plaatsvindt binnen het plangebied zelf. Hierna worden deze aspecten behandeld voor de beoogde ontwikkeling. Om dit te toeten wordt gebruik gemaakt van de VNG-uitgave 'Bedrijven en milieuzonering'. In paragraaf 6.1 is reeds ingegaan op deze systematiek met bijbehorende uitgangspunten.

Rood-voor-rood kavel

In eerste instantie wordt er getoetst aan het woon- en leefklimaat voor de woning op de rood-voor-rood kavel. Hierbij wordt ook rekening gehouden met het geluid van de camperplaats evenals niet-agrarische bedrijfsactiviteiten (timmerwerkplaats) en de opslagplaats voor de extensieve akkerbouw die binnen het plangebied worden toegestaan. Opgemerkt wordt dat er wordt gemeten vanaf de gevel van de nieuwe woning tot aan de bebouwingsmogelijkheden (bouwvlak) van de genoemde bedrijven.

Adres en functie   Maximale toegelaten milieucategorie   Richtafstand geur (in meters)   Daadwerkelijke afstand (circa)  
Mossendamsweg 4a
Kampeerterrein  
3.1   30   55* m  
Mossendamsweg 4a**
Timmerwerkplaats  
2   10   30 m  

* Hiervoor is gemeten vanaf de gevel van de woning tot aan de eerste standplaats van de campers. Het gaat in dit geval verder om een zeer kleinschalig kampeerterrein dat niet te vergelijken is met een regulier recreatiebedrijf. Er is geen sprake van een centrale voorziening zoals een zwembad of receptie. Het gaat puur om een kampeerterrein voor met name rust- en natuurzoekers. In dit geval zijn de campers en trekkershutten de voornaamste geurbronnen. Er is geen restaurant of extra horeca. De sanitaire voorziening en parkeerplaats vormen daarnaast een buffer tussen de rood-voor-rood kavel en het kampeerterrein.
**In paragraaf 4.3.4.5 is reeds uiteengezet waarom de timmerwerkplaats kan worden geclassificeerd als milieucategorie 2.

Gelet op vorenstaande en rekening houdend met de benoemde kanttekeningen wordt aan alle richtafstanden voldaan.

Kampeerterrein

De dichtstbijzijnde geurgevoelige functie, met uitzondering van de woningen binnen het plangebied is de bedrijfswoning aan de Mossendamsweg 4b. Deze bevindt zich op een afstand van meer dan 100 meter van de camperplaats. Aan de richtafstand kan worden voldaan.

Niet-agrarische bedrijvigheid (timmerwerkplaats)

Hier geldt eveneens dat de dichtstbijzijnde geurgevoelige functie, uitgezonderd de woningen binnen het plangebied, de bedrijfswoning aan de Mossendamsweg 4b is. Deze bevindt zich op een afstand van ruim 71 meter van de loods. Aan de richtafstand kan worden voldaan.

Omliggende bedrijven worden met de ontwikkeling niet in de activiteiten belemmerd, daarnaast is er bij de woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

6.4.3 Conclusie

Vanuit het aspect geur is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.5 Trillingshinder

6.5.1 Algemeen

De beoordeling van het aspect trillingen vindt zijn grondslag in artikel 4.2 van de Omgevingswet. Trillingshinder kan op twee manier optreden. Ten eerste kan er sprake zijn van de toevoeging van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. In artikel 22.88 van de bruidsschat, die onderdeel uitmaakt van het tijdelijke omgevingsplan, zijn maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen.

Ten tweede kan er sprake zijn van de toevoeging van een trillinggevoelig gebouw. De Omgevingswet beschermt trillinggevoelige gebouwen tegen trillingen van activiteiten. In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan hiervoor instructieregels. Voor de activiteiten wonen, wegen, vaarwegen en spoorwegen zijn er geen instructieregels voor trillingen. De gemeente kan hier eigen regels voor opstellen.

Om de mogelijke trillingshinder in kaart te brengen kan de SBR-richtlijn worden gebruikt, de Beleidsregel Trillingshinder Spoor en de Handreiking Nieuwbouw en Spoortrillingen. De gebruikelijke gehanteerde afstand waarbinnen trillingshinder als gevolg van een spoorweg wordt getoetst is een zone tot 100 meter van het spoor. Uit verschillende trillinghinderonderzoeken blijkt dat buiten deze afstand tot het spoor meestal geen trillingsniveaus optreden boven de streefwaarde van Vmax van 0,1. Binnen een afstand van 100 meter tot het spoor moet bij nieuwbouw rekening worden gehouden met spoortrillingen en het voorkomen van hinder hierdoor. Indien de afstand tot het spoor meer dan 100 meter en minder dan 250 meter bedraagt, kan een quickscan trillinghinder raadzaam zijn indien bestaande klachten, de bodemopbouw en/of het treinbeeld hiertoe aanleiding geven.

6.5.2 Situatie plangebied

In dit geval is geen sprake van het toevoegen van een milieubelastende activiteit met een trillingsemissie. Wel is sprake van trillinggevoelige gebouwen.

Aangezien de afstand tot de dichtst bijgelegen spoorlijn circa 10,2 kilometer bedraagt, is geen nader onderzoek nodig naar spoortrillingen.

6.5.3 Conclusie

Vanuit het aspect trillingshinder is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6.6 Gezondheid

6.6.1 Algemeen

Conform artikel 1.3 sub a Omgevingswet is het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. De aspecten veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit hangen nauw met elkaar samen. Gelet op de centrale rol van het gezondheidsaspect binnen de Omgevingswet dient dit aspect breed te worden gemotiveerd.

Omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk doel is van de Omgevingswet bevat het Bkl een aantal instructieregels die specifiek de bescherming van de gezondheid en het milieu tot doel hebben. De instructieregels hebben onder andere betrekking tot de aspecten geluid, geur, trillingen, luchtkwaliteit en bodem. Deze aspecten zijn in voorgaande paragrafen reeds behandeld gemotiveerd. Het is wenselijk om daarnaast aan te geven op welke wijze het gezondheidsaspect bij de motivering is meegenomen. Dit niet alleen omdat het bereiken en in stand houden van een gezonde fysieke leefomgeving een belangrijk maatschappelijk doel is van de Omgevingswet, waar logischerwijs bij het nemen van een besluit op grond van deze wet aandacht voor moet zijn. Ook omwonenden en rondom het project gevestigde bedrijven zijn vaak geïnteresseerd in de gezondheidssituatie die ten gevolge van de activiteit optreedt.

6.6.2 Situatie plangebied

In dit hoofdstuk van de onderbouwing zijn al meerdere aspecten behandeld die raken aan gezondheid (zoals geluidhinder en bodemkwaliteit). Uit de voorgaande paragrafen blijkt dat telkens wordt voldaan aan het wettelijk kader. Ook draagt het voornemen 'niet in betekenende mate' bij aan luchtverontreiniging.

Daarnaast wordt vermeld dat ook de ter plaatse aanwezige milieukwaliteit verbeterd. Doordat op de locatie in de toekomst geen veehouderijbedrijf mag worden uitgeoefend, wordt zowel het uitoefenen van een grondgebonden veehouderijbedrijf als een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf uitgesloten. In de toekomstige situatie worden hobbymatig dieren gehouden. De geurbelasting zal afnemen wanneer geen sprake meer is van het bedrijfsmatig houden van landbouwhuisdieren. Door beëindiging van de veehouderij, met als gevolg dat de ammoniakemissie aanzienlijk zal afnemen, wordt bovendien bijgedragen aan verbetering en bescherming van de natuur.

Daarmee wordt de leefomgeving verbeterd, wat een positieve invloed heeft op de gezondheid. Daarom kan geconcludeerd worden dat het voornemen bijdraagt aan het maatschappelijk doel uit artikel 1.3 Omgevingswet.

6.6.3 Conclusie

Vanuit het aspect gezondheid is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies op locaties.

6.7 Ecologie

In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze binnen het voornemen rekening wordt gehouden met het aspect natuur. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Voor deze aspecten zijn diverse regels opgenomen in het Bkl.

6.7.1 Gebiedsbescherming
6.7.1.1 Natura 2000

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit.

Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan of afwijking van het omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats.

Een ruimtelijk plan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.
6.7.1.1.1 Situatie plangebied

Als onderdeel van gebiedsbescherming en de beoordeling van of het voorliggende plan negatieve effecten heeft voor Natura 2000-gebieden, is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (AERIUS) door Van Westreenen.

Na invoer van de noodzakelijke gegevens in de AERIUS Calculator blijkt dat het project niet zal leiden tot een toename van stikstofdepositie op omringende Natura 2000-gebieden. Er is zelfs sprake van een afname van stikstofdepositie door een afname van de stikstofemissie afkomstig van het houden van dieren. Deze afname van stikstofdepositie kan benut worden voor het realiseren van nieuwe activiteiten op een andere locatie doormiddel van intern salderen.

De stukken behorende bij de berekening zijn opgenomen in van deze motivering. Voor een gedetailleerde inhoud wordt kortheidshalve verwezen naar Bijlage 3.

6.7.1.2 Natuurnetwerk Nederland

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. Het NNN is in provinciale omgevingsvisies- en verordeningen uitgewerkt. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het 'nee, tenzij'- principe. In principe zijn er geen ontwikkelingen toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten.

6.7.1.2.1 Situatie plangebied

Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als NNN ligt op circa 1,9 kilometer afstand. Gezien de onderlinge afstand, de aard en omvang van de ontwikkeling, wordt gesteld dat er geen sprake is van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN.

6.7.2 Soortenbescherming
6.7.2.1 Algemeen

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Het kan de vorm hebben van wet- en regelgeving, maar ook van fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Omgevingswet zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hierover actief beleid voeren. Hierbij kan worden gedacht aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming. Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

6.7.2.2 Situatie plangebied

Door Natuurbank Overijssel is een quickscan natuurwaarden uitgevoerd. Hieronder wordt ingegaan op de resultaten en conclusie. De volledige rapportage is opgenomen als Bijlage 4 bij deze onderbouwing.

Onderzoeksresultaten

De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied niet tot een geschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten, maar wel tot geschikt functioneel leefgebied voor verschillende beschermde dieren. Verschillende beschermde grondgebonden zoogdieren, amfibieën, vogels en vleermuizen benutten het plangebied als foerageergebied. Beschermde grondgebonden zoogdieren en amfibieën bezetten ook een voortplantings- en rustplaats in het plangebied. Vogels bezetten daarnaast ook een nest in het plangebied. Vleermuizen bezetten mogelijk een verblijfplaats in de woning binnen het plangebied. Deze verblijfplaatsen worden niet nadelig beïnvloed bij uitvoer van de voorgenomen werkzaamheden. Nesten van huismus zijn mogelijk aanwezig onder de dakpannen van de woning. Potentieel aanwezige nesten van huismus in het plangebied worden niet nadelig beïnvloed.

Als gevolg van het uitvoeren van de voorgenomen sloop en rooiwerkzaamheden tijdens de voortplantingsperiode van vogels wordt mogelijk een bezet vogelnest verstoord, beschadigd of vernield. Van de in het plangebied nestelende vogelsoorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest of de nestplaats. Voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van een bezet nest (eieren) of het opzettelijk doden van een vogel kan geen omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit verkregen worden omdat de voorgenomen activiteiten niet als een in de wet genoemd belang worden beschouwd. Werkzaamheden die kunnen leiden tot het beschadigen, vernielen of verstoren van vogelnesten dienen daarom buiten de voortplantingsperiode van vogels uitgevoerd te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is september-februari.

Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor beschermde grondgebonden zoogdieren, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaatsen negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het doden van beschermde grondgebonden zoogdieren geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde grondgebonden zoogdieren opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Dat kan door het werkterrein te ontdoen van spullen/materialen buiten de voortplantingsperiode. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.

Door het onvoorbereid uitvoeren van de voorgenomen activiteiten kan niet uitgesloten worden dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden en dat voortplantings- en rustplaatsen opzettelijk beschadigd of vernield worden. Voor beschermde amfibieën, waarvan mogelijk de voortplantings- en rustplaats negatief beïnvloed wordt geldt een vrijstelling van de verbodsbepaling ‘beschadigen/vernielen van voortplantings- en rustplaats’. Voor het opzettelijk doden van beschermde amfibieën geldt echter geen vrijstelling. Om te voorkomen dat beschermde amfibieën opzettelijk gedood worden, dienen ze weggevangen te worden, of dient het werkterrein natuurvrij gemaakt te worden, zodat de dieren op eigen beweging vertrekken. Voor het natuurvrij maken van het werkterrein is geen Omgevingsvergunning flora- en fauna-activiteit vereist.

Uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden heeft geen negatief effect op essentieel foerageergebied van vleermuizen.

6.7.3 Conclusie

Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de bescherming van de natuur.

6.8 Archeologie & Cultuurhistorie

6.8.1 Wettelijk kader

Artikel 5.130 van het Bkl bepaalt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het belang van het behoud van cultureel erfgoed, met inbegrip van bekende of aantoonbaar te verwachten archeologische monumenten. In dit hoofdstuk komt aan de orde op welke wijze binnen deze ontwikkeling rekening is gehouden met cultureel erfgoed en archeologische waarden.

De regelgeving over het behoud en beheer van cultureel erfgoed is sinds 2016 ondergebracht in de Erfgoedwet. Samen met de Erfgoedwet maakt de Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk. Wat onder cultureel erfgoed wordt verstaan is opgenomen in bijlage A (begrippen) van de Omgevingswet. Het gaat hierbij om monumenten, archeologische monumenten, stads- en dorpsgezichten, cultuurlandschappen en, voor zover dat voorwerp is of kan zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties in het omgevingsplan, ander cultureel erfgoed als bedoeld in artikel 1.1 van de Erfgoedwet.

6.8.2 Archeologie
6.8.2.1 Algemeen

Lid 3 van artikel 5.130 Bkl bepaalt dat in het belang van de archeologische monumentenzorg in een omgevingsplan regels kunnen worden gesteld over eisen aan onderzoek naar de archeologische waarde van een locatie. Ook kunnen eisen worden gesteld aan de wijze van het verrichten van opgravingen of archeologische begeleiding van andere activiteiten die tot bodemverstoring leiden.

6.8.2.2 Situatie plangebied

In onderstaande afbeelding is een uitsnede opgenomen van de archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart van de gemeente Hof van Twente. Ter plaatse van het plangebied gelden de aanduidingen 'hoge verwachting in zone om historisch element', 'middelhoge verwachting' en 'lage verwachting'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10_0011.png"  
Afbeelding 6.1: Uitsnede archeologische verwachtings- en beleidsadvieskaart (Bron: gemeente Hof van Twente)  

De grenzen voor archeologisch onderzoek worden niet overschreden. Archeologisch onderzoek is daarmee niet noodzakelijk. Ter bescherming van de (mogelijke) archeologische waarden zijn de functies 'Waarde - Archeologische verwachting 1', 'Waarde - Archeologische verwachting 2' en 'Waarde - Archeologische verwachting 3' opgenomen in de regels en op de verbeelding van dit TAM-omgevingsplan.

6.8.3 Cultuurhistorie
6.8.3.1 Algemeen

Onder cultuurhistorische waarden worden alle structuren, elementen en gebieden bedoeld die cultuurhistorisch van belang zijn. Zij vertellen iets over de ontstaansgeschiedenis van het Nederlandse cultuurlandschap. Vaak is er een sterke relatie tussen aardkundige aspecten en cultuurhistorische aspecten. Hierbij kan ook gedacht worden aan in de nabijheid het plangebied gelegen werelderfgoed.

Bij het beschermen van cultureel erfgoed in het omgevingsplan moet de gemeente rekening houden met bepaalde uitgangspunten. In artikel 5.130 lid 2 Bkl staan de instructieregels gesteld door het Rijk. Deze gaan over:

  • ontsiering, beschadiging of sloop van beschermde monumenten of archeologische monumenten;
  • verplaatsing van beschermde monumenten;
  • gebruik van monumenten ter voorkoming van leegstand;
  • aantasting van de omgeving van een beschermend monument;
  • aantasting van karakteristieke stads- en dorpsgezichten en cultuurlandschappen;
  • conserveren en in stand houden van archeologische monumenten.
6.8.3.2 Situatie plangebied

Er bevinden zich in het plangebied zelf geen rijks- dan wel gemeentelijke monumenten. In het plangebied of in de directe nabijheid van het plangebied is er geen sprake van bijzondere cultuurhistorische waarden waar voorliggend plan invloed op heeft. Geconcludeerd wordt dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor dit plan.

6.8.4 Conclusie

Geconcludeerd wordt dat geen archeologisch onderzoek benodigd is. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor het plan.

6.9 M.e.r.-beoordeling

6.9.1 Kader

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) brengt het effect van een project op het milieu in beeld. De regelgeving voor de m.e.r. is te vinden in afdeling 16.4 van de Omgevingswet (Ow) en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Uit bijlage V van het Ob kan worden bepaald of een plan mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is. In deze bijlage is een tabel opgenomen met vier kolommen:

  • In kolom 1 staan de projecten opgesomd;
  • In kolom 2 zijn de gevallen genoemd waarin een project-mer verplicht is;
  • In kolom 3 staan de gevallen genoemd waarin de project-mer-beoordelingsplicht geldt;
  • Tot slot bevat kolom 4 de besluiten waarvoor dan de mer-verplichtingen gelden. Het gaat dan om besluiten waarmee de toestemming voor het project wordt verleend.

Indien een wijziging van het omgevingsplan wordt opgesteld dat een kader vormt voor een project-mer-(beoordelings)plichtige projecten dan is een plan-mer aan de orde (artikel 16.36 lid 1 Ow). Ook is een plan-mer aan de orde als voor een plan een passende beoordeling voor natuur moet worden opgesteld zoals bedoeld in artikel 16.53c Ow (artikel 16.36 lid 2 Ow). Als een plan wordt gemaakt voor een klein gebied op lokaal niveau of het plan maakt een kleine wijziging mogelijk, kan worden volstaan met een plan-mer-beoordeling (artikel 16.36 lid 3 Ow) als uit de beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

6.9.2 Situatie plangebied

De eerste vraag die beantwoord moet worden is of het project voldoet aan de omschrijving die is opgenomen in kolom 1 van bijlage V van het Ob. Een dergelijk project wordt niet expliciet benoemd in kolom 1 van bijlage V van het Ob, de meest logische aansluiting kan worden gevonden onder nummer J11, een 'Stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen'.

Het begrip 'Stedelijk ontwikkelingsproject' is niet gedefinieerd, wel zijn er een aantal voorbeelden van bouwprojecten die als stedelijk ontwikkelingsproject kunnen worden aangemerkt. Dit betreft o.a. woningen, parkeerterreinen, theaters, sportcentra, kantoorgebouwen en dergelijke of een combinatie daarvan. Of sprake is van een 'stedelijk ontwikkelingsproject' hangt af van de concrete omstandigheden van het geval. Gelet op de uitspraak van de Raad van State van 31 januari 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:348) lijken de volgende aspecten relevant voor de vraag of sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject:

  • de aard en omvang van de ontwikkeling;
  • de vormgeving en opzet;
  • de schaalgrootte;
  • de ligging;
  • de voorgenomen functie(wijziging), en;
  • de vraag of sprake is van een bestaand of van een te realiseren bouwwerk.

Wanneer sprake is van een zogenaamde 'kleine wijziging' of voor situaties waarbij het voorgenomen plan of programma betrekking heeft op 'kleine gebieden op lokaal niveau', dan is het toegestaan om eerst een plan-mer-beoordeling uit te voeren. Als uit deze plan-mer-beoordeling blijkt dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten kan hebben, bestaat er geen verplichting een plan-MER te maken( art. 16.36, lid 3, Ow). Als niet gekozen wordt voor de plan-mer-beoordeling, geldt een plan-mer-plicht.

Wanneer de ontwikkeling van zodanig kleinschalige aard is kan het zo zijn dat geen sprake is van een project in de zin van m.e.r. onder het Ob. In dit geval gaat het om een zeer kleinschalige ontwikkeling in het buitengebied van de gemeente Hof van Twente. Uit voorgaande hoofdstukken is gebleken dat de milieueffecten minimaal zijn. De beoogde functies zijn minder milieubelastend dat de varkenshouderij die voorheen binnen het plangebied gevestigd was. Daarnaast wordt opgemerkt dat ook de aanwezige landschappelijke en natuurlijke eigenschappen van het plangebied met het voornemen in stand wordt gehouden en bovenal versterkt. Deze ontwikkeling op zich zelf heeft reeds een positieve uitwerking voor wat betreft milieu. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject.

6.9.3 Conclusie

Gelet op het vorenstaande wordt geconcludeerd dat het project niet voorziet in een nieuw stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom 1, nummer J11 van bijlage V van het Ob. Er is geen sprake van een project-m.e.r. plicht of project-m.e.r. beoordelingsplicht.

Hoofdstuk 7 Wateraspecten

7.1 Vigerend beleid

7.1.1 Europees beleid

De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

7.1.2 Rijksbeleid

Het Nationaal Water Programma 2022–2027 (vastgesteld op 18 maart 2022) geeft een overzicht van de ontwikkelingen binnen het waterdomein en legt nieuw ontwikkeld beleid vast. We werken aan schoon, veilig en voldoende water dat klimaatadaptief en toekomstbestendig is. Ook is er aandacht voor de raakvlakken van water met andere sectoren.

Er liggen grote opgaven voor het waterdomein:

  • Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering;
  • We moeten blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte;
  • Ook de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening verdient aandacht.

Daarnaast zijn allerlei functies afhankelijk van water, zoals de scheepvaart, de landbouw en de natuur. Op de Noordzee moeten vele functies, waaronder de opgaven voor windenergie, natuurontwikkeling, duurzame visserij, scheepvaart en zandwinning, in balans met elkaar een plek krijgen. Om aan te geven om te gaan met de uitdagingen van ons water, ontwikkelde de Rijksoverheid het Nationaal Water Programma 2022-2027.

7.1.3 Provinciaal beleid

In de Omgevingsvisie Overijssel wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

7.1.4 Waterschap Vechtstromen

Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld.

In het Waterbeheerplan is aangegeven hoe het waterschap zijn taken de komende jaren (2022-2027) wil uitvoeren. In het plan zijn doelen en maatregelen gesteld voor de thema's waterveiligheid, voldoende water, schoon water en het zuiveren van afvalwater. Deze zijn gericht op:

  • Voorkomen of beperken van overstromingen, wateroverlast en droogte;
  • Beschermen en verbeteren van de kwaliteit van het oppervlaktewater en grondwater;
  • Het zorgen voor een goed functionerend regionaal watersysteem;
  • Het effectief en efficiënt behandelen van afvalwater in de afvalwaterzuiveringsinstallaties.

Het waterbeheerprogramma volgt inhoudelijk op de Watervisie 2050, die op 14 april 2021 door het algemeen bestuur is vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft welke maatregelen Vechtstromen wil nemen in de planperiode 2022-2027 om te werken aan de ambities uit de Watervisie. Daarbij kan gaan om zowel nieuw beleid als staand beleid en maatregelen. Voor het nieuwe beleid, dat nog niet is vastgesteld door dagelijks en/of algemeen bestuur en waarbij het participatieproces nog niet voltooid is, heeft het waterbeheerprogramma een agenderende functie. Dit betekent dat invulling van de inhoud van dit nieuwe beleid buiten de scope van het waterbeheerprogramma ligt.

7.1.5 Waterplan Hof van Twente

Het waterplan is een overkoepelend beleidsstuk over het waterbeheer in de gemeente Hof van Twente dat ook door de waterbeheerders – de waterschappen Vechtstromen (voorheen Regge en Dinkel) en Rijn en IJssel en drinkwaterleidingbedrijf Vitens is vastgesteld. Het waterplan geeft een visie hoe het watersysteem binnen de gemeente over ongeveer 25 jaar er uit ziet en welke maatregelen er op korte en lange termijn daarvoor nodig zijn. De visie wordt op basis van drie invalshoeken beschreven, te weten:

  • Twents landschap: Water speelt een belangrijke rol in het gevarieerde en kleinschalige landschap. Het water is zo ingericht dat meerdere functies tegelijk kunnen vervullen. Het waterbeheer sluit zoveel mogelijk aan bij de natuurlijke omstandigheden, zoals hoogteligging, grondwaterstroming en bodemsoort.
  • Ruimte voor water: De visie is gericht op het ontwikkelen van een robuust en veerkrachtig watersysteem met als doel wateroverlast en verdroging zoveel mogelijk te voorkomen. Om dit te bereiken is er voldoende ruimte nodig voor het vasthouden en tijdelijk bergen van water. Voor de verbetering van de waterkwaliteit dienen de vervuilende lozingen te worden beperkt. Door het afkoppelen van schoon hemelwater van de riolering wordt de emissie door lozingen vanuit riooloverstorten en rioolwaterzuiveringen gereduceerd.
  • Beleving van water: In de woon- en werkomgeving is water zichtbaar, bereikbaar en veilig voor bijvoorbeeld vissers en wandelaars. Zichtbaar water dat beleefd wordt, is er niet alleen om van te genieten, maar ook er van bewust van te zijn. Om dit te bereiken wordt het hemelwater bij voorkeur met bovengrondse voorzieningen ingezameld en geïnfiltreerd.

7.2 Waterparagraaf

7.2.1 Algemeen

Zoals in voorgaande paragrafen uiteen is gezet, wordt in het moderne waterbeheer (waterbeheer 21e eeuw) gestreefd naar duurzame, veerkrachtige watersystemen met minimale risico's op wateroverlast of watertekorten. Belangrijk instrument hierbij is de watertoets, die sinds 1 november 2003 in ruimtelijke plannen is verankerd. In de toelichting op ruimtelijke plannen dient een waterparagraaf te worden opgenomen. Hierin wordt verslag gedaan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishoudkundige situatie (watertoets).

Het doel van de watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen. Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater).

7.2.2 Watertoetsproces

Middels een watertoets is het Waterschap geïnformeerd over het voornemen (zie Bijlage 5 bij deze toelichting). De beantwoording van de vragen heeft ertoe geleid dat de korte procedure van toepassing is. Er worden geen waterbelangen geraakt. Hierna is de standaard waterparagraaf opgenomen.

7.2.3 Water- en klimaataspecten

Wateroverlast

Door de ontwikkelingen in het plangebied neemt het verhard oppervlak af. Daarnaast is het mogelijk om ook bestaand verhard oppervlak af te koppelen van het rioolstelsel zodat de kans op wateroverlast door toekomstige regenbuien wordt verminderd. Er is geen sprake van het afkoppelen van bestaand verhard oppervlak. Om wateroverlast te voorkomen wordt het hemelwater niet afgevoerd naar het rioolstelsel maar volgens de trits vasthouden - bergen – afvoeren behandeld. Op deze wijze kan regenbui T=100+10% worden opgevangen in het plangebied tot aan maaiveld of op maaiveld geborgen worden zonder dat waterschade optreedt, en vertraagd worden afgevoerd.

Waterkwaliteit

Het plan maakt geen functies mogelijk die tot verslechtering van de waterkwaliteit leiden.

Riolering en Afvalwaterketen

Een toename van het afvalwater heeft effect op het functioneren van de afvalwaterketen. Het (gemeentelijk) rioolstelsel, de gemalen (overnamepunten) en de rioolwaterzuiveringsinstallatie kunnen de toename van afvalwater van verwerken zonder daarmee het milieu zwaarder te belasten. Het hemelwater wordt niet aangesloten op het rioolstelsel en zal ter plaatse infiltreren/geborgen worden.

Grondwaterbeheer

De ontwikkeling leidt niet tot wijziging van de grondwaterstand. Er wordt niet gebouwd in een gebied met een hoge grondwaterstand of kwel.

7.2.4 Conclusie

Met de voorgenomen activiteit en latere uitwerking in het stedenbouwkundige plan worden de waterbelangen in voldoende mate beschermd.

Hoofdstuk 8 Juridische planopzet

8.1 Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het plangebied, het relevante beleid en de milieu- en omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het maken van het juridische deel van voorliggend TAM-omgevingsplan: de verbeelding en de regels. In dit hoofdstuk wordt dieper ingegaan op de opzet van dit juridische deel. Daarnaast wordt een verantwoording gegeven van de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom een bepaalde functie ergens is toegestaan en waarom bepaalde bebouwing daar acceptabel is.

8.2 Opbouw van de regels

8.2.1 Algemeen

Zoals in paragraaf 1.3.2 is aangegeven, betreft het hier een TAM-omgevingsplan. TAM-IMRO is bedoeld voor gemeenten die nog geen gebruik kunnen maken van het planvormingsdeel van het DSO. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. De TAM-IMRO vraagt niet om alternatieve software. Het gaat meer om langduriger gebruik van de bestaande systemen en koppelingen. Dit TAM-omgevingsplan is dan ook digitaal vormgegeven conform de standaarden van IMRO2012.

Het juridisch bindend gedeelte van het TAM-omgevingsplan bestaat uit de planregels en de bijbehorende verbeelding waarop de functies zijn aangegeven. Deze verbeelding kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De verbeelding en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken.

De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken:

  • Inleidende regels;
  • Functieregels en gebiedsaanwijzingen;
  • Algemene regels aan activiteiten;
  • Overgangsrechtbepalingen.
8.2.2 Preambule

De IMRO-standaarden maken het niet mogelijk om een regeling te beginnen met een ander hoofdstuk dan hoofdstuk 1. De naamgeving van het hoofdstuk kan worden gewijzigd, maar hoofdstuk 1 blijft altijd zichtbaar. De IMRO-standaarden bieden ook geen mogelijkheid tot het gebruik van paragrafen. Ook voor de artikelen geldt dat deze in IMRO automatisch worden genummerd en dat de nummering dus bij 'artikel 1' begint. Voor het TAM-IMRO omgevingsplan is de IMRO hoofdstuk- en artikelnummering onhoudbaar, omdat het omgevingsplan van rechtswege al een hoofdstuk 1 en een artikel 1 kent. Deze nummers zijn dus al bezet.

Om duidelijk te maken hoe een TAM-IMRO omgevingsplan zich verhoudt tot de rest van het omgevingsplan, is een preambule opgenomen. De preambule geeft aan hoe het TAM-omgevingsplan in samenhang met de rest van het omgevingsplan gelezen moeten worden. Hieronder is de preambule weergeven.

Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het toestaan van verschillende vervolgfuncties na beëindiging van het agrarisch bedrijf aan de Mossendamsweg 4a te Ambt Delden. Het TAM-omgevingsplan is als een nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22p) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen.

De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22p van het omgevingsplan van de gemeente Hof van Twente. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22p' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord ‘Bijlage’, na de spatie en direct voor het nummer van de bijlage ‘22p’ gelezen worden.

8.2.3 Toepassingsbereik

Het voor een bepaalde locatie vaststellen van nieuwe regels in een TAM-IMRO omgevingsplan zorgt er niet voor dat de oude regels op die locatie automatisch vervallen. Met andere woorden: het is niet mogelijk om in een TAM-IMRO omgevingsplan te 'ponsen'. Om te voorkomen dat op een bepaalde locatie zowel nieuwe als oude regels gelden, wordt in dit TAM-omgevingsplan een toepassingsbereikbepaling opgenomen in artikel 3 van de inleidende regels:

Artikel 3 (Toepassingsbereik)

  • 1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid.
  • 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk.
  • 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Mossendamsweg 4a, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1735.BGxMossendamsw4a-VS10 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.
8.2.4 Algemene regels
  • Anti-dubbeltelregel (Artikel 12): deze regel is opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een plan bepaalde gebouwen en bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld;
  • Algemene beoordelingsregels (Artikel 13): dit artikel bevat algemene beoordelingsregels ten aanzien van het bouwen.
  • Algemene functieregels (Artikel 14): in deze regel is aangegeven wat onder verboden gebruik wordt verstaan. Deze regel gaat uit van de gedachte dat het gebruik uitsluitend mag plaatsvinden in overeenstemming met de functie;
  • Algemene aanduidingsregels (Artikel 15): in dit artikel worden gebieden aangeduid waarvoor specifieke, sectorale regels gelden.
  • Algemene afwijkingsregels (Artikel 16): in deze regel is aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om bij een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde onderwerpen. De criteria, die bij toepassing van deze bevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn aangegeven.
  • Overige regels (Artikel 17): in dit artikel zijn regels in verband met parkeren opgenomen.
8.2.5 Overgangsregels

In hoofdstuk 4 van de regels staan de overgangsregels. In de overgangsregels is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met deze wijziging van het omgevingsplan.

8.3 Verantwoording van de regels

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een TAM-omgevingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing mag worden opgericht. Bij het opstellen van dit TAM-omgevingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar worden mogelijk gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden.

Het is noodzakelijk dat het TAM-omgevingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het TAM-omgevingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is.

In deze paragraaf worden de gemaakte keuzes nader onderbouwd. Ten aanzien van de plansystematiek voor de functies is zoveel mogelijk aansluiting gezocht bij de plansystematiek van het geldende bestemmingsplan “Buitengebied Hof van Twente, Veegplan 2023”. Op enkele onderdelen is maatwerk geleverd in de juridische regeling. Deze systematiek is opgesteld met oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, praktijkgerichtheid, rechts zekere en juridisch houdbare regels en handhaafbare regels. Deze uitgangspunten zijn in het omgevingsplan vertaald.

Artikel 4 Agrarisch met waarden

De gronden die agrarisch in gebruik blijven zullen de functie 'Agrarisch met waarden' krijgen. De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn tevens bedoeld voor behoud van de aanwezige landschapswaarden zijnde: beeldbepalende landschapselementen, beslotenheid, hoogteverschillen, rustige omstandigheden, natuur en waterhuishouding.

De gronden zijn niet voorzien van bouwvlak, waardoor er ook geen bedrijfsgebouwen mogen worden gebouwd. Tevens is het houden van landbouwhuisdieren expliciet uitgesloten. Ter plaatse van de aanduiding 'kampeerterrein' is het toegestaan om twee trekkershutten en camperplaatsen te realiseren.

Artikel 5 Wonen

De rood-voor-rood kavel is voorzien van de functie 'Wonen'. Gronden met de functie 'Wonen' zijn bedoeld voor het wonen met bijbehorende bouwwerken en daaronder begrepen wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen. In de regels is de maximale inhoud (750 m3) en oppervlakte aan bijgebouwen (150 m2) vastgelegd die voortkomen uit het KGO-beleid van de gemeente Hof van Twente. Woningen dienen binnen het bouwvlak te worden gebouwd. Tevens is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschappelijke inpassing.

Artikel 6 Wonen - VAB

De voormalig bedrijfswoning, de sanitaire voorziening voor het kampeerterrein, de schuur voor opslag, timmerwerkplaats en extensief akkerbouwbedrijf zijn voorzien van de functie 'Wonen - Vab'. Gronden met de functie 'Wonen - Vab' zijn bedoeld voor het wonen met bijbehorende bouwwerken en daaronder begrepen wegen en paden, groenvoorzieningen, parkeervoorzieningen, speelvoorzieningen, water en nutsvoorzieningen. Woningen mogen alleen binnen het bouwvlak worden gesitueerd. De bestaande inhoud is toegestaan. Tevens zijn de sanitaire voorzieningen en de sanitaire voorziening voor het kampeerterrein, de schuur voor opslag, timmerwerkplaats en extensief akkerbouwbedrijf expliciet vastgelegd met maximale oppervlaktes. Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor de landschappelijke inpassing.

Artikel 7 Leiding - Hoogspanningsverbinding

De gronden met de functie 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor het beheer en onderhoud van de verbinding, de bescherming van het woon- en leefklimaat in verband met de leiding, en bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Artikel 8 Leiding - Water

De gronden met de functie 'Leiding - Water' zijn, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor de bescherming van een ondergrondse hoofdwatertransportleiding ter plaatse van de aanduiding 'hartlijn leiding - water', het beheer en onderhoud van de leiding, en bijbehorende bouwwerken geen gebouwen zijnde.

Artikel 9 Waarde - Archeologische verwachting 1, Artikel 10 Waarde - Archeologische verwachting 2 en Artikel 11 Waarde - Archeologische verwachting 3

Gronden met deze functies zijn mede bedoeld voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

Hoofdstuk 9 Economische uitvoerbaarheid

In deze paragraaf wordt getoetst of de betreffende ontwikkeling niet evident onuitvoerbaar is. Vastgesteld moet kunnen worden dat er geen financieel-economische redenen zijn waardoor het op voorhand aannemelijk is dat de ontwikkeling niet uitgevoerd kan worden.

Kostenverhaal

Overheden zijn verplicht om de kosten te verhalen. Het afsluiten van een overeenkomst tussen de initiatiefnemer van de bouwactiviteit en het bevoegd gezag heeft daarbij de voorkeur. Als het niet mogelijk is een overeenkomst af te sluiten, is de publiekrechtelijke weg verplicht. Dan verhaalt het bevoegd gezag de kosten op basis van de regels in een omgevingsplan, een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of een projectbesluit.

Kostenverhaal geldt voor kostenverhaalplichtige activiteiten. Het Omgevingsbesluit bevat relevante regels over (verplicht) kostenverhaal (zie artikel 8.13 Ob voor aangewezen activiteiten waarvoor kostenverhaal verplicht is, artikel 8.14 Ob voor de mogelijkheden om af te zien van kostenverhaal en artikel 8.15 Ob voor de kostensoortenlijst). Pas nadat is betaald, is het toegestaan de activiteiten uit te voeren (zie artikel 13.12 Ow). Eén van de bouwactiviteiten waarvoor kosten verhaald worden is de bouw van hoofdgebouwen, anders dan gebouwen met een woonfunctie van 1.000 m2 bvo of meer (zie artikel 8.13 aanhef en sub b Ob). Er zijn bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet nog geen activiteiten vanwege gebruikswijzigingen aangewezen.

Situatie plangebied

In dit geval is een overeenkomst gesloten tussen initiatiefnemer en de gemeente. Hierin is verzekerd dat het risico op nadeelcompensatie voor rekening van de initiatiefnemer komt. De gemeentelijke kosten zijn hier ook in opgenomen. Het kostenverhaal voor de gemeente is hiermee volledig verzekerd.

Hoofdstuk 10 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

10.1 Afstemming overlegpartners

10.1.1 Het Rijk

Geoordeeld wordt dat dit TAM-omgevingsplan geen nationale belangen schaadt. Daarom is afgezien van het voeren van vooroverleg met het Rijk.

10.1.2 Provincie Overijssel

Gelet op de aard en omvang van dit TAM-omgevingsplan wordt dit plan ter vooroverleg naar de provincie Overijssel gezonden.

10.1.3 Waterschap Vechtstromen

Door middel van de digitale watertoets is het waterschap geïnformeerd. Uit de digitale watertoets bleek dat sprake is van de 'korte procedure', zoals te zien in paragraaf 7.2 en Bijlage 5 bij deze toelichting. Gesteld wordt dat met een goede uitvoering van de plannen er voldaan wordt aan de uitgangspunten van het waterschap.

10.1.4 Participatie

Het plan is besproken met de bewoners van omliggende percelen (Mossendamsweg 6, Mossendamsweg 4 en 2c, Bollenweg 10 en Mossendamsweg 4b). In Bijlage 6 is de verslaglegging van het participatietraject opgenomen. De belangrijkste zorgen hebben betrekking op een mogelijke beperking van de ontwikkelingsmogelijkheden van omliggende (agrarische) bedrijven. Zoals toegelicht in hoofdstuk 6 van deze motivering worden deze bedrijven echter niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden belemmerd. Daarnaast zijn er enkele opmerkingen gemaakt over de ontsluiting via een gezamenlijke inrit en het recht van overpad. Over deze aandachtspunten zal de initiatiefnemer in overleg treden met de omwonenden. Dit geldt eveneens over de benoemde wensen over groene invulling van het gebied.

10.2 Inspraak

Conform de gemeentelijke inspraakverordening kan het bestuursorgaan zelf besluiten of inspraak wordt verleend bij de voorbereiding van gemeentelijk beleid. In dit geval wordt er, vanwege aard en omvang van het plan, geen voorontwerp TAM-omgevingsplan ter inzage gelegd.

10.3 Zienswijzen

Het ontwerp TAM-omgevingsplan heeft van 27 november 2025 tot en met 7 januari 2026 voor een periode van 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.