direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Hoenderkamp 4
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1734.0245HTRNhoenderkmp-VSG1

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

Breure en Janssen BV (hierna: initiatiefnemer) heeft de wens om ter plaatse van de voormalige supermarkt aan de Hoenderkamp 4 te Heteren drie vrijstaande woningen te realiseren. Een deel van de bestaande bebouwing, namelijk de bebouwing aan de Onze Lieve Vrouwestraat, blijft behouden. De bebouwing aan de Hoenderkamp wordt gesloopt.

Ter plaatse van het plangebied gelden momenteel de bestemmingen 'Detailhandel', 'Horeca', 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied'. Om de ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening in ruimtelijk en functioneel opzicht noodzakelijk. Daarom is (ex artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening) voorliggend bestemmingsplan 'Hoenderkamp 4' opgesteld. Dit bestemmingsplan legt de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch vast.

1.2 Ligging plangebied

Het plangebied betreft het perceel aan de Hoenderkamp 4, alsmede enkele omliggende gronden aan de Hoenderkamp. Laatstgenoemde gronden betreffen momenteel nog openbaar gebied. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Heteren, sectie C, perceelnummers 1144 (ged.), 1158, 1445 en 2486 (ged.).

Het plangebied is gelegen in het centrum van Heteren. Direct ten zuiden van het plangebied zijn een museum, pizzeria, restaurant en twee winkels gevestigd. Voor het overige bestaat de omgeving overwegend uit burgerwoningen. De kern Heteren wordt ingesloten door de Nederrijn en A50.

Op afbeelding 1 is de globale ligging van het plangebied in groter verband weergegeven. Daaronder is een gedetailleerde luchtfoto afgebeeld waarop de ligging van het plangebied in de nabije omgeving te zien is. De exacte begrenzing van het plangebied is ingetekend op de verbeelding van dit bestemmingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0245HTRNhoenderkmp-VSG1_0001.png"  
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0245HTRNhoenderkmp-VSG1_0002.png"  
Afbeelding 1: boven: globale ligging plangebied in groter verband (Bron: Bing Maps), onder: gedetailleerde ligging plangebied (beide blauw omlijnd) (Bron: Buro Stedenbouw)  

1.3 Vigerend bestemmingsplan

In het plangebied vigeert het bestemmingsplan 'Heteren Indoornik', dat sinds 28 juni 2011 onherroepelijk is.

Het plangebied heeft de bestemmingen ''Detailhandel', 'Horeca', 'Groen' en 'Verkeer-Verblijfsgebied' . Daarnaast heeft het gehele plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie'. Ter plaatse van de bestemming 'Detailhandel' geldt tevens een bouwvlak met een maximum bouw- en goothoogte van respectievelijk 10 en 4 meter. Een uitsnede van het vigerende bestemmingsplan is opgenomen in afbeelding 2.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0245HTRNhoenderkmp-VSG1_0003.png"  
Afbeelding 2: Uitsnede vigerend bestemmingsplan 'Heteren-Indoornik'
(Bron: www.ruimtelijkeplannen.nl)  

1.4 Leeswijzer

Allereerst wordt in hoofdstuk 2 ingegaan op het beleid dat van toepassing is op de onderhavige ontwikkeling. Daarna worden in hoofdstuk 3 de milieu- en omgevingsaspecten beschreven die van toepassing zijn. Het daarop volgende hoofdstuk bevat de planbeschrijving (huidige en toekomstige situatie alsmede verkeer en parkeren). Hoofdstuk 5 bevat de juridische vertaling van de gewenste ontwikkeling. Daaropvolgend wordt de financiële en economische haalbaarheid van het plan aangeduid. Afgesloten wordt met het hoofdstuk over de te volgen procedure (hoofdstuk 7).

Hoofdstuk 2 Beleidskader

2.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR)
In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte1 staan de plannen van de Rijksoverheid voor ruimte en mobiliteit. Het Rijk streeft naar een concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig Nederland. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de ruimtelijke ordening meer over aan de decentrale overheden (provincie en gemeenten) en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor die belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Tevens werkt het Rijk aan een eenvoudigere regelgeving. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van ruimtelijke ordening. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Bijvoorbeeld ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is en ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bijvoorbeeld de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners.

Conclusie
De voorliggende ontwikkeling speelt zich gezien de aard, omvang en situering af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconcludeerd wordt dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) (2011)
Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. Het besluit (eerste tranche) is vastgesteld op 22 augustus 2011 en is op 30 december 2011 in werking getreden. Op 1 oktober 2012 zijn enkele wijzigingen in werking getreden.

De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling.

Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling speelt zich af op lokaal niveau en heeft geen relatie met het ruimtelijke ordeningsbeleid op nationaal niveau. Geconcludeerd wordt dat het initiatief niet conflicteert met het nationaal ruimtelijk ordeningsbeleid. Het Barro heeft dan ook geen doorwerking naar dit bestemmingsplan.

Ladder voor duurzame verstedelijking
Per 1 oktober 2012 is in artikel 3.1.6 Bro een lid 2 ingevoegd waarin een motiveringsplicht is opgenomen voor nieuwe stedelijke ontwikkelingen in bestemmingsplannen. In de toelichting van het bestemmingsplan moet, voor zover nieuwe stedelijke ontwikkelingen plaatsvinden, een verantwoording aan de hand van een drietal opeenvolgende treden (de 'ladder voor duurzame verstedelijking'). De eerste trede in deze ladder is een beschrijving dat de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte. Hierbij kan het gaan om zowel kwantitatieve als kwalitatieve aspecten. De beide vervolgstappen uit de genoemde ladder hebben betrekking op vraag of de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied ingepast kan worden en als dat niet mogelijk is op andere locaties, die vooral goed ontsloten moeten zijn.

Conclusie
Dit bestemmingsplan voorziet in de realisatie van drie nieuwe woningen in bestaand stedelijk gebied. Gelet op de kleinschaligheid van het plan, wordt geconcludeerd dat de ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. Waar de grens exact ligt hangt af van de omstandigheden van het geval. Een plan van 8 woningen vindt de Afdeling bestuursrechtspraak bijvoorbeeld kleinschalig (ABRvS, 24 december 2014, nr. 201405237/1/R2), maar een plan met 14 woningen is dit niet meer (ABRvS 9 april 2014, nr. 201307658/1/R4). Voor de 'grensbepaling' is uiteindelijk aansluiting gezocht bij de minimumnorm van twaalf woningen uit de Crisis- en herstelwet. Hier voldoet het plan ruimschoots aan. Bovendien vindt de ontwikkeling plaats op een bouwperceel in bestaand stedelijk gebied. Derhalve is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling.

2.2 Provinciaal en regionaal beleid

Omgevingsvisie Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsvisie Gelderland op 9 juli 2014 vastgesteld. Nadien zijn nog twee actualisatieplannen vastgesteld, waarvan de meest recente op 11 november 2015. De provincie kiest er in de Omgevingsvisie voor om vanuit twee hoofddoelen bij te dragen aan gemeenschappelijke maatschappelijke opgaven. Deze zijn:

  • een duurzame economische structuur(versterking);
  • het borgen van de kwaliteit en veiligheid van onze leefomgeving.


Deze twee hoofddoelen benadrukken de rol en kerntaken van de provincie als middenbestuur. Zij beïnvloeden elkaar. Economische structuurversterking vraagt om een aantrekkelijk vestigingsklimaat. Dat is een goede bereikbaarheid en voldoende vestigingsmogelijkheden. Het betekent ook een aantrekkelijke woon- en leefomgeving met de unieke kwaliteiten van natuur, water en landschap in Gelderland. De provinciale hoofddoelen zijn uitgewerkt en vertaald in provinciale ambities, die moeten resulteren in een divers, dynamisch en mooi Gelderland.

Conclusie
De Omgevingsvisie is concreet uitgewerkt in de hierna beschreven Omgevingsverordening Gelderland. Deze bevat concrete regels, waaraan de voorliggende initiatieven worden getoetst. De Omgevingsvisie zelf bevat geen aanduidingen, die voor het voorliggende bestemmingsplan van belang zijn.

Omgevingsverordening Gelderland
Provinciale Staten hebben de Omgevingsverordening Gelderland vastgesteld op 24 september 2014. De meest recente actualisatie van de verordening dateert van 11 november 2015.

De regels in de verordening kunnen betrekking hebben op het hele provinciale grondgebied, delen of gebiedsgerichte thema's. Gemeenten moeten binnen een bepaalde termijn hun bestemmingsplan afstemmen op de in de verordening opgenomen regels. De regels in de verordening zijn gebaseerd op de provinciale omgevingsvisie en hebben de status van algemeen verbindende voorschriften.

Conclusie
Nieuwe woonlocaties zijn volgens de Omgevingsvisie uitsluitend toegestaan wanneer dit in het vigerende door Gedeputeerde Staten vastgestelde Kwalitatief/Kwantitatieve Woonprogramma past. De gemeente Overbetuwe heeft haar woningbouwprogramma, zowel kwalitatief als kwantitatief, vastgesteld in de Woonagenda Overbetuwe 2020. Zie daarover nader paragraaf 2.3. Er wordt maatwerk binnen het woningaanbod geleverd, een belangrijk speerpunt in beide woningbouwprogramma's. Deze ontwikkeling past binnen het woningbouwprogramma zoals vastgelegd is in de Woonagenda.

Voor het overige gelden er binnen het plangebied nog twee aanduidingen, namelijk 'Bescherming Romeinse Limes' en 'Intrekgebied'. De ontwikkeling heeft geen invloed op de kernkwaliteiten van de Romeinse Limes. De oude bebouwing van een supermarkt, gelegen in de kern van Heteren, wordt gesloopt en vervangen voor drie vrijstaande woningen. Het wordt met dit initiatief niet mogelijk gemaakt om fossiele energie te winnen.

Voorliggend bestemmingsplan is derhalve in overeenstemming met de Omgevingsverordening.

Regionaal Plan 2005-2020, Stadsregio Arnhem-Nijmegen
Het 'Regionaal Plan 2005-2020' is in 2006 door de Stadsregio Arnhem-Nijmegen vastgesteld met als doel bewoners, bedrijven en bezoekers aan de regio te binden door het verbeteren van condities voor 'het goede leven': het bieden van mogelijkheden voor prettig wonen en succesvol werken in een mooi, aantrekkelijk landschap en waar men zich snel en comfortabel kan verplaatsen. Het Regionaal Plan zet hiervoor de hoofdlijnen uit en biedt andere partijen aanknopingspunten om de komende jaren hieraan samen te werken.

Het Regionaal Plan signaleert een grote vraag naar landelijke woonmilieus. Deze behoefte kan grotendeels worden opgevangen door inbreiding en uitbreiding van de dorpen. Ruimtelijke ontwikkelingen vormen wel een bedreiging voor de ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de dorpen. Bij uitbreidingsplannen worden karakteristieke, streekeigen dorpsstructuren maar zelden als drager of inspiratiebron gebruikt. De ruimtelijke verscheidenheid en identiteit van de regio dreigt hiermee verloren te gaan. Daarom dient met uiterste zorgvuldigheid om te worden gegaan met nieuwbouw in en uitbreiding van kernen.

Conclusie
Eén van de kernpunten van beleid is het behouden van de karakteristiek van de dorpskernen. De voorgenomen ontwikkeling betreft het vervangen van leegstaande bebouwing welke voorheen ten dienste stond van een supermarkt. De bebouwing wordt vervangen voor drie nieuwe vrijstaande woningen. Er wordt intensiever van de bestaande ruimte gebruik gemaakt, met als doel de bestaande ruimte te revitaliseren. Stedenbouwkundig wordt aangesloten bij de karakteristieken die passen in de omgeving. De karakteristieken van het gebied blijven hiermee bewaard. De toekomstige invulling sluit in zowel functioneel als ruimtelijk-stedenbouwkundig opzicht beter aan op de omgeving dan de huidige bebouwing en bestemming. De voorgenomen ontwikkeling is dan ook in overeenstemming met het regionaal beleid.

2.3 Gemeentelijk beleid

Toekomstvisie 2020+ Overbetuwe verbindt..
Op 8 september 2009 heeft de gemeenteraad van de Overbetuwe de 'Toekomstvisie 2020, Overbetuwe verbindt..' vastgesteld. De Toekomstvisie+ van Overbetuwe is het kader voor de ontwikkeling van de gemeente Overbetuwe tot 2020. De visie geeft een richting voor de ruimtelijke, maatschappelijke en economische ontwikkeling. De geschetste identiteit kan bijdragen aan het behouden en aantrekken van inwoners en bedrijven. De visie kan mensen inspireren en motiveren die werken aan stedenbouw, sport, ondernemerschap, onderwijs, openbare ruimte, welzijnswerk en dergelijke.. De visie is tenslotte ook een duidelijke positionering naar andere gemeenten en partners; het geeft Overbetuwe een eigen gezicht in de regio. De Toekomstvisie+ omvat het gehele gemeentelijke beleidsterrein. Voor wat betreft de ruimtelijke onderdelen is de Toekomstvisie+ te zien als structuurvisie in de zin van artikel 2.1 van de Wro voor het grondgebied van de gemeente Overbetuwe. In de toekomstvisie zijn de aspecten leefomgeving, vergrijzing, economische gesteldheid (werk en werkgelegenheid) en duurzaamheid opgenomen om een gewenste identiteit uiteen te zetten. De opgave die is vastgelegd in de toekomstvisie is gebaseerd op een lagenbenadering. Aan de hand van deze methodiek is aandacht voor de volgende doelstellingen:

  • Eigenheid en kenmerken landschap behouden en versterken;
  • Parels en panorama's behouden en versterken;
  • Zorgvuldige inpassing bij eventueel noodzakelijke dijkverleggingen;
  • Linge als drager van structuur;
  • Zichtbaar maken en versterken van cultuurhistorische elementen;
  • Verbeteren doorstroming verkeer;
  • Optimaliseren van het Rondje Overbetuwe;
  • Verbeteren en optimaliseren openbaar vervoernetwerk en verbeteren kwaliteit waternetwerken;
  • Uitbreiden recreatieve netwerken en snelfietsroute realiseren;
  • Groei passend bij het oostelijk en westelijk deel van de gemeente;
  • Kwaliteit van de kernen is uitgangspunt bij eventuele groei;
  • Waarborgen kwaliteit bedrijventerreinen;
  • Diversiteit in werkgelegenheid;
  • Voorzieningen bezien in clusters;
  • Duurzaamheid;
  • Verankeren kwaliteit samenleving;
  • Borgen van een sociaal netwerk en impuls leren en ontwikkelen;
  • Versterken ontmoeten en cultuur als bindende elementen.

Conclusie
Het plangebied aan de Hoenderkamp is in een bebouwingscontour gelegen, tegen een gedeelte van Heteren aan waarvan de gemeente de cultuurhistorische waarde wenst te behouden en versterken. Dit betreft de bebouwing aan de Onze Lieve Vrouwestraat, ten zuiden van het plangebied. Voor de bebouwingscontouren geldt dat zoveel mogelijk aangesloten dient te worden op de gewenste identiteit van Overbetuwe en specifiek de kern Heteren. Vooral herstructurering van de bestaande bebouwing en inbreiding binnen de kleinere kernen zijn van belang. Het 'dorpse' moet dorps blijven. Met het initiatief aan de Hoenderkamp wordt een inbreiding/intensivering van de gronden in het plangebied mogelijk gemaakt. De ontwikkeling zal tot een revitalisering van dit gebied, dat momenteel wordt ontsierd door de bestaande leegstaande bebouwing, leiden.

De toekomstige invulling met vrijstaande woningen, sluit beter aan op de bebouwings- en functionele structuur van de directe omgeving. De opzet is zodanig, dat van een dorpse uitstraling sprake zal zijn. Ten noorden van de woningen worden verschillende bomen van de bestaande groenstrook gehandhaafd. Hiermee worden de eigenheid en de kenmerken van het plaatselijke groen waar mogelijk behouden en versterkt. Gelet op het voorgaande past het bestemmingsplan in de Structuurvisie+.

Woonvisie Overbetuwe 2010-2015
In de Woonagenda 2020 verwoordt de gemeente Overbetuwe haar doelen en ambities op het gebied van wonen. Als basis voor deze woonagenda is een opgavennotitie opgesteld. Deze woningmarktanalyse geeft zicht op huidige en toekomstige kansen en knelpunten en is het startpunt voor de uitwerking van de woonagenda. De woonagenda bevat geen gedetailleerd uitvoeringsprogramma, maar de koers waarbinnen de komende jaren plannen voor kernen en locaties kunnen worden uitgewerkt. De ontwikkelingen die de komende jaren afkomen op de gemeente (vergrijzing, gezinsverdunning) vragen om meer variatie in het woonaanbod. Over het algemeen zijn inwoners tevreden over hun woonsituatie. Niet voor iedereen is het echter even makkelijk om een woning naar wens te vinden. De gemeente wil over voldoende woningen met de juiste kwaliteit beschikken om huishoudens de gewenste stappen in hun wooncarrière te laten maken. Dat wil zeggen voor iedere stap in de levensloop een geschikt woonalternatief.

Accentpunten zijn:

  • Aandacht voor urgente huisvestingsnood: inzetten op geschikte woningen voor bijzondere doelgroepen;
  • Betaalbaarheid en beschikbaarheid: meer betaalbare huurwoningen beschikbaar;
  • Wijs omgaan met de bestaande woningvoorraad: inzetten op verduurzaming;
  • Een levensloopvriendelijke gemeente: langer thuis wonen en er op uit;
  • Een gezonde woningmarkt in balans: prioriteren én versnellen van onze woningbouwplannen.

Het aantal huishoudens binnen de gemeente neemt in de periode 2015-2040 naar verwachting toe met ca. 2.250. Tot 2025 is een uitbreiding van de woningvoorraad met 1.400 woningen nodig voor het oplossen van bestaande tekorten en het opvangen van de autonome huishoudengroei.

Variatie in het woonaanbod is bij realisatie van nieuwbouw een speerpunt. De grootste vraag bestaat naar woningen voor starters en ouderen. Een ander uitgangspunt is dat nieuwe woningen zoveel mogelijk levensloopbestendig worden gebouwd. De gemeente legt het accent op het bestaande bebouwde gebied: kwaliteitsverbetering van de woningvoorraad en mogelijkheden voor inbreiding en intensivering, bijvoorbeeld door functieverandering. Daarnaast blijft nieuwbouw nodig om in te spelen op de ambities. Doel van de nieuwbouw is, naast het in de pas lopen met die groei van het aantal huishoudens, meer variatie in het woonaanbod te realiseren en beter aan te sluiten op de kwalitatieve behoefte.

Conclusie
Het gemeentelijk beleid als vastgelegd in de Woonagenda Overbetuwe 2020, is gericht op kwaliteitsverbetering van de bestaande woningvoorraad en op mogelijkheden voor inbreiding en intensivering. Onderhavig initiatief past binnen deze uitgangspunten, aangezien sprake is van inbreiding binnen een bestaande dorpskern. Er vindt een functiewijziging plaats van 'Detailhandel' naar 'Wonen'. De huidige bebouwing staat leeg en de omgeving maakt mede hierdoor een rommelige indruk. Door de wijziging wordt leegstand van bebouwing tegengegaan en wordt de bestaande stedelijke ruimte optimaal gebruikt op een passende wijze. Hiermee wordt bijgedragen aan de kwaliteit van de leefomgeving en wordt de omgeving gerevitaliseerd.

Uit de woningbouwopgave, die in hoofdstuk 8 van de Woonagenda is vastgelegd, blijkt dat er tot 2020 nog ruimte is om ca. 1.000 woningen te realiseren. De ontwikkeling van drie extra woningen in het plangebied past binnen deze kwantitatieve opgave.

De ontwikkeling is derhalve in kwalitatieve en kwantitatieve zin in overeenstemming met de gemeentelijke Woonagenda.

Hoofdstuk 3 Milieu- en omgevingsaspecten

3.1 Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd. De belangrijkste aanleidingen hiervoor zijn de modernisering van de m.e.r. wetgeving in 2010 en de uitspraak van het Europese Hof van 15 oktober 2009. Uit deze uitspraak volgt dat de omvang van een project niet het enige criterium mag zijn om wel of geen m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren. Ook als een project onder de drempelwaarde uit lijst D zit, kan een project belangrijke nadelige gevolgen hebben, als het bijvoorbeeld in of nabij een gevoelig natuurgebied ligt. Gemeenten en provincies moeten daarom vanaf 1 april 2011 ook bij kleine bouwprojecten zoals het onderhavige beoordelen of een m.e.r.-beoordeling nodig is.

Om te bepalen of een m.e.r.-beoordeling noodzakelijk is, dient bepaald te worden (1) of de ontwikkeling de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r. overschrijdt, (2) of de ontwikkeling in een gevoelig gebied ligt en (3) of er belangrijke milieugevolgen zijn.

  • 1. In het plangebied worden drie nieuwe woningen gerealiseerd. Het initiatief blijft hiermee ruimschoots onder de drempelwaarden uit lijst D van het Besluit m.e.r..
  • 2. In onderdeel A van de bijlage bij het Besluit m.e.r is bepaald wat wordt verstaan onder een gevoelig gebied. Als gevoelig gebied zijn gebieden aangewezen die beschermd worden op basis van de natuurwaarden, landschappelijke waarden, cultuurhistorische waarden en waterwingebieden. Uit paragraaf 3.11 (Flora en Fauna) van de toelichting volgt dat het plangebied niet ligt in een gebied dat beschermd wordt op basis van de natuurwaarden. Daarnaast is er geen sprake van externe werking op de Ecologische Hoofdstructuur, een Vogel- of Habitatrichtlijngebied of overig beschermd natuurgebied. Het plangebied behoort niet tot een waterwinlocatie, waterwingebied of grondwaterbeschermingsgebied. Ook behoort het plangebied niet tot een gebied waarbinnen een Rijksmonument ligt of tot een Belvédèregebied. Daarnaast is er geen sprake van een landschappelijk waardevol gebied. Het plangebied ligt dan ook niet in een gevoelig gebied.
  • 3. In de overige paragrafen van dit hoofdstuk zijn de verschillende relevante milieueffecten beschouwd. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen. Voor de onderbouwing per onderdeel wordt verwezen naar de afzonderlijke paragrafen.


Conclusie
Zoals in bovenstaande opsomming blijkt, is het niet noodzakelijk om een m.e.r.(-beoordeling) uit te voeren.

3.2 Geluid

In de Wet geluidhinder (Wgh) is vastgesteld dat, indien in het plangebied geluidgevoelige functies (zoals woningen) zijn voorzien binnen de invloedssfeer van (rail- en weg)verkeerslawaai, akoestisch onderzoek uitgevoerd dient te worden. Voor het plangebied is uitsluitend het wegverkeerslawaai relevant. Alle wegen hebben geluidzones, met uitzondering van:

  • wegen die in een als 'woonerf' aangeduid gebied liggen;
  • wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt.


Op grond van de Wgh geldt een voorkeursgrenswaarde voor de geluidbelasting op de gevels vanwege het wegverkeer van 48 dB (artikel 82 lid 1). Indien de geluidbelasting hoger is, dient een nadere afweging plaats te vinden en kan een ontheffing voor een hogere geluidbelasting worden verleend (artikel 82 lid 2). De maximale ontheffingswaarde voor nieuwbouw binnen de bebouwde kom bedraagt 53 dB.

Beoordeling
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in de realisatie van drie nieuwe woningen en daarnee in nieuwe geluidgevoelige objecten. Het plangebied ligt niet binnen de geluidzone van wegen. Op alle wegen in de omgeving van het plangebied geldt een maximumsnelheid van 30 km/uur. Daar waar de woningen van de Hoenderkamp gerealiseerd worden, is sprake van een doodlopende straat waardoor alleen bestemmingsverkeer door dit gedeelte van de straat komt. Het betreft dan ook een lokale weg met een zeer geringe verkeersintensiteit.

Conclusie
Gezien de ligging van het plangebied buiten geluidzones van wegen is een akoestisch onderzoek niet noodzakelijk. De woningen liggen uitsluitend in de nabijheid van verkeersluwe, lokale wegen. Derhalve zijn er vanuit akoestisch oogpunt geen belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling aanwezig. Er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

3.3 Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 staan de hoofdlijnen voor regelgeving rondom luchtkwaliteitseisen beschreven in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Bij de start van nieuwe bouwprojecten moet onderzocht worden of het effect van een nieuw initiatief relevant is voor de luchtkwaliteit. Er is geen relevantie als aannemelijk kan worden gemaakt, dat de luchtkwaliteit "niet in betekenende mate" aangetast wordt. Daartoe is een algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en een ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) vastgesteld waarin de uitvoeringsregels vastgelegd zijn die betrekking hebben op het begrip NIBM.

In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoren woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze gevallen kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Conclusie
De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van drie nieuwe woningen en valt hiermee onder de in de regeling NIBM opgenomen lijst met categorieën van gevallen. De luchtkwaliteit wordt daarom niet in betekenende mate aangetast met de voorgestane ontwikkeling en een luchtkwaliteitonderzoek is niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

3.4 Bedrijven en milieuzonering

Bij de planontwikkeling dient rekening gehouden te worden met milieuzoneringen van bestaande en toekomstige bedrijven om zodoende de kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Bij milieuzonering wordt gebruik gemaakt van de door de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) opgestelde Lijst van Bedrijfsactiviteiten2. Hierin wordt per bedrijfssoort aangegeven welke milieu-invloed (in de vorm van geur, stof, geluid en gevaar) hiervan kan uitgaan en welke indicatieve afstand hierbij (minimaal) in acht genomen worden. Deze afstanden kunnen als basis worden gehanteerd, maar zijn indicatief. In het algemeen wordt door middel van het aanbrengen van een zonering (afstand) tussen bedrijvigheid en woonbebouwing de overlast ten gevolge van de bedrijfsactiviteiten zo laag mogelijk gehouden.

Onderscheid wordt gemaakt in twee omgevingstypen, uitgaande van het principe van functiescheiding: rustige woonwijk c.q. rustig buitengebied en gemengd gebied. In gemengd gebied worden de richtafstanden één afstandsstap verlaagd.

Beoordeling
| Het plangebied en de directe omgeving zijn te karakteriseren als 'rustige woonwijk'. Er is weliswaar sprake van enkele niet-woonfuncties ten zuiden van het plangebied, maar dit betreft geen zware milieubelastende functies. Bovendien is het plangebied niet nabij een drukke doorgaande weg gelegen.
Dit bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van nieuwe gevoelige functies, namelijk woningen. Milieubelastende functies worden niet mogelijk gemaakt. In de omgeving van het plangebied zijn de volgende functies aanwezig.

Adres   Functie   Milieucat.   Richtafstand   Afstand werkelijk  
Onze Lieve Vrouwestraat 30   Detailhandel (dieren- speciaalzaak)   1   10 m   ruim 10 m  
Onze Lieve Vrouwestraat 32   Horeca (restaurant)   1   10 m   ruim 10 m  
Onze Lieve Vrouwestraat 32a   Horeca (restaurant)   1   10 m   ruim 10 m  
Onze Lieve Vrouwestraat 32b   Detailhandel   1   10 m   ruim 10 m  
Onze Lieve Vrouwestraat 36   Kleinschalig museum   1   10 m   ruim 10 m  

Uit bovenstaande tabel volgt dat zich in de omgeving van het plangebied uitsluitend functies van miliuecategorie 1 bevinden. Dergelijke functies passen uitstekend in een woongebied. De opzet van de percelen in het plangebied is zodanig, dat de woningen op minimaal 10 meter afstand van de betreffende functies worden gerealiseerd. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden. Er is dan ook geen sprake van belemmeringen. Ter plaatse van de woningen kan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat worden gegarandeerd.

Door het amoveren van een detailhandelsbestemming, treedt voor de direct nabijgelegen woningen een verbetering van het woon- en leefklimaat op.

Conclusie
Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt gelet op het voorgaande geen belemmering voor de voorgestane ontwikkelingen.

3.5 Geurhinder

Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Deze wet vormt het toetsingskader voor vergunningen op grond van de Wet milieubeheer, waar het gaat om geurhinder veroorzaakt door het houden van dieren. Daarnaast is de wet van belang in verband met de zogenoemde 'omgekeerde werking' in het kader van de ruimtelijke ordening. De Wgv kent een aantal standaardnormen. Daarnaast hebben gemeenten de mogelijkheid gekregen om binnen een wettelijk bepaalde bandbreedte van deze standaardnormen af te wijken. Op deze wijze kan de gemeente een geurhinderbeleid vaststellen, dat is afgestemd op de plaatselijke situatie. Voor het plangebied en omgeving is geen gemeentelijke verordening vastgesteld.

Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het toevoegen van drie geurgevoelige objecten. De locatie Hoenderkamp is gelegen in het centrumgebied van Heteren. In en nabij het plangebied bevindt zich geen belemmerende agrarische bedrijvigheid. Derhalve is uitgesloten dat er vanuit het aspect geurhinder belemmeringen voor de voorgenomen ontwikkeling bestaan.

3.6 Bodem

De bodemkwaliteit vormt een belangrijk aspect bij bouwontwikkelingen. In het kader van functiewijziging en herinrichting vormt de bodemkwaliteit bij ontwikkeling van ruimtelijke functies een belangrijke afweging. De Bouwverordening bevat een verbod voor het bouwen van bouwwerken, waarin mensen permanent of nagenoeg permanent verblijven (zoals woningen) op verontreinigde grond.

Conclusie
Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een functiewijziging van detailhandel, verkeer en groen naar wonen met tuin. Daarmee is sprake van een gevoeliger functie. Een verkennend bodemonderzoek is dan ook noodzakelijk. Het uitvoeren van een bodemonderzoek is pas mogelijk na sloop van de bestaande bebouwing. Na sloop van de bebouwing en voor de start van de werkzaamheden dient dan ook een verkennend bodemonderzoek te worden verricht, waarin dient te worden beoordeeld of de grond geschikt is voor het beoogde gebruik voor bewoning. Op voorhand zijn hiervoor geen belemmeringen te verwachten.

3.7 Externe veiligheid

Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico's voor de omgeving vanwege handelingen met gevaarlijke stoffen. De handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag en de productie, als op het transport van gevaarlijke stoffen. Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) vloeit de verplichting voort om in ruimtelijke plannen in te gaan op de veiligheidsrisico's in het plangebied ten gevolge van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze externe veiligheidsrisico's dienen te worden beoordeeld voor twee risiconormen, te weten het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. Voor beide risiconormen geldt dat hoe groter de afstand tussen planontwikkeling en risicobron, des te kleiner zal de impact van het plan zijn op de hoogte van het risico.

Plaatsgebonden risico
Het plaatsgebonden risico (PR) heeft tot doel om hetzelfde minimale beschermingsniveau te bieden voor iedere burger in Nederland. Het PR beschrijft de kans per jaar dat een onbeschermd individu komt te overlijden door een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het PR wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron (bedrijf, weg, spoorlijn, etc.), waarbij de 10-6-contour (kans van 1 op 1 miljoen op overlijden) de maatgevende grenswaarde is.

Groepsrisico
Het groepsrisico (GR) is een afwegingsinstrument dat tot doel heeft een bewuste afweging te stimuleren over het risico op een ongeval met een groot aantal slachtoffers. Het GR beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen gelijktijdig komt te overlijden ten gevolge van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het GR geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het GR wordt uitgedrukt in een grafiek, waarin de kans op overlijden van een bepaalde groep (bijvoorbeeld 10, 100 of 1000 personen) wordt afgezet tegen de kans daarop. Voor het GR geldt een oriëntatiewaarde als ijkpunt in de verantwoording (géén norm).

Voor elke verandering van het GR (af- of toename) in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd over de wijze waarop de toelaatbaarheid van deze verandering in de besluitvorming is betrokken.

Samen met de hoogte van het GR moeten andere kwalitatieve aspecten worden meegenomen in de beoordeling van het GR. Onder deze aspecten vallen zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid. Onderdeel van deze verantwoording is overleg met (advies vragen aan) de regionale brandweer.

Beoordeling
De ontwikkeling betreft het bestemmen van drie nieuwe woningen ter vervanging van een supermarkt. Op basis van de risicokaart van de provincie Gelderland is een inventarisatie gemaakt van de risicobronnen in en rondom het plangebied, die een extern veiligheidsrisico kunnen veroorzaken. In afbeelding 3 is een uitsnede opgenomen van de risicokaart.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0245HTRNhoenderkmp-VSG1_0004.png"  
Afbeelding 3: Uitsnede risicokaart provincie Gelderland (geraadpleegd op 13-06-2016) met het plangebied in de zwarte cirkel  


De informatie uit de risicokaart levert de volgende inzichten op.

Het plangebied ligt op ongeveer 800 meter van de A50. Op basis van de regeling Basisnet is vastgesteld dat de PR-contour 10-6 niet over het plangebied ligt. Het invloedsgebied GR bedraagt 4.000 meter vanaf het hart van de weg (conform de 'Handleiding Risicoanalyse Transport'). Het plangebied ligt daar binnen.

Het plangebied is niet gelegen in de PR-contour 10-6 van een Bevi-inrichting en een hogedruk aardgastransportleiding. Dit geldt eveneens voor het invloedsgebied GR.

Verantwoording GR
De gemeente is op grond van het Bevt (artikel 7 en 9) verplicht om het GR voor de ruimtelijke ontwikkeling te verantwoorden. Omdat de ontwikkeling plaatsvindt buiten de 200 meterzone van de A50 kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het GR. De afstand tussen het plangebied en de risicobronnen is zo groot dat ook door de wetgever wordt aangenomen dat een initiatief op ruime afstand van de risicobronnen geen significante impact kan hebben op het externe veiligheidsniveau. In dat geval dient enkel ingegaan te worden op de aspecten bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid.

De gemeente heeft bij het invullen van de verantwoordingsplicht een grote mate van beoordelingsvrijheid. Ten aanzien van criteria bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft de veiligheidsregio adviesrecht. De Veiligheids- en Gezondheidsregio Gelderland Midden (VGGM) heeft op 16 juni 2016 geadviseerd (Bijlage 1). Onderstaand een beschouwing van deze aspecten.

Bestrijdbaarheid
Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om de effecten ten gevolge van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden dicht bij de bron. De mate van bestrijdbaarheid wordt vooral bepaald door de veiligheidsvoorzieningen en het aantal aanwezigen dicht bij de risicobron. Omdat dit initiatief op een grote afstand van de risicobron ligt, zal de ontwikkeling geen (negatieve) invloed op de mogelijkheden voor de hulpverlening hebben.

Zelfredzaamheid
Dicht bij de risicobron zullen aanwezigen eerder slachtoffer worden van het incident dan op grote afstand daarvan. Daarmee is de mate van zelfredzaamheid dicht bij de risicobron veel relevanter dan op grote afstand. Bovendien i s op grote afstand van de risicobron het schuilen in huis, kantoor en industriecomplex een goede en veilige zelfredzame strategie. Omdat het om woningen gaat zullen de aanwezige personen in voldoende mate zelfredzaam zijn.

Conclusie
Het plangebied ligt buiten de PR 10-6 contour van een inrichting, hogedruk aardgasleiding en transportroute. De PR-contour van de diverse risicobronnen vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan.

Ten aanzien van het GR ligt het plan in het invloedsgebied van de A50. Op basis van de beperkte verantwoording van het GR (zie hierboven) wordt geconcludeerd dat het initiatief geen significant effect heeft op het GR en de mogelijkheden voor bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Daarmee acht de gemeente het GR verantwoord en wordt het restrisico geaccepteerd.

3.8 Explosieven

Gezien het feit dat de regio waarin het plangebied gelegen is tijdens de Tweede Wereldoorlog mede het strijdtoneel vormde rond operatie 'Market Garden', bestaat de kans dat in het plangebied nog sprake is van onontplofte munitie. Vanwege de voor de ontwikkeling benodigde bodemroerende werkzaamheden in het plangebied, is een controleverzoek uitgevoerd (Bijlage 2).

Het uitgevoerde onderzoek betreft een toets aan de risicokaart conventionele explosieven (CE) van de gemeente en het daarbij betrokken bronnenmateriaal. Uit de controle volgt dat het plangebied als verdacht op de aanwezigheid van CE moet worden beschouwd. Alvorens op de locatie bodemroerende werkzaamheden worden aangevangen, dient een opsporing te worden uitgevoerd. Deze zal worden uitgevoerd na sloop van de huidige bebouwing. Op deze wijze wordt verzekerd dat de bodemroerende werkzaamheden op veilige wijze worden uitgevoerd.

3.9 Kabels en leidingen

Het verrichten van werkzaamheden in de nabijheid van hoogspanningsmasten, hoogspanningslijnen, hoogspanningskabels, warmwaterleidingen e.d. kan gevaar met zich meebrengen. Om dit gevaar zoveel mogelijk te beperken dient de leidingbeheerder aan te geven onder welke voorwaarden de werkzaamheden veilig plaats kunnen vinden.

Conclusie
In het plangebied zijn enkele kabels en leidingen ten behoeve van de water-, gas- en nutsvoorziening gelegen. Deze zijn in het kader van de onderhavige bestemmingsplanprocedure in kaart gebracht. De aanwezige kabels zullen voor aanvang van de overige werkzaamheden verlegd worden. Op deze wijze zijn er geen belemmeringen aanwezig.

3.10 Waterparagraaf

Rijksbeleid
Nationaal waterplan
In december 2015 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016-2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water, en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiertoe worden genomen. Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding.

Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet, die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat wordt opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Dit programma is gericht op duurzame waterveiligheid en zoetwatervoorziening.

Provinciaal beleid
Provinciaal Waterplan
In het Waterplan Gelderland is het waterbeleid beschreven aan de hand van een aantal thema's, zoals landbouw, wateroverlast, watertekort, natte natuur, grondwaterbescherming en hoogwaterbescherming. Voor deze thema's is beschreven welke doelstellingen voor 2027 en 2015 er liggen. Daarbij is beschreven hoe wij voor de planperiode de uitvoering van acties zien om die doelstellingen te bereiken. Bij sommige thema's gelden aanvullende waterdoelstellingen voor specifieke waterhuishoudkundige functies.

In het kort zijn de belangrijkste doelstellingen voor de planperiode:

  • voor de 35 gebieden van de TOP-lijst is het Gewenste Grond- en Oppervlaktewater Regiem (GOOR) bestuurlijk vastgesteld en zijn de maatregelen voor herstel uitgevoerd;
  • de maatregelen voor herstel van de wateren van het hoogste ecologisch niveau (HEN-wateren) zijn uitgevoerd;
  • de natte ecologische verbindingszones zijn gerealiseerd, tenzij onvoldoende financiële middelen beschikbaar zijn;
  • wateroverlast vanuit het regionale watersysteem wordt voorkomen door inrichting van waterbergingsgebieden en verruiming van watergangen;
  • in het stedelijk gebied is urgente wateroverlast opgelost;
  • de zwemwateren voldoen als minimum aan de categorie aanvaardbaar;
  • toekomstvast hoogwaterbeleid.

Waterschap Rivierenland
Waterbeheerplan 2016-2021
Dit plan, vastgesteld op 27 november 2015, gaat over het waterbeheer in het hele rivierengebied en het omvat alle watertaken van het waterschap: waterkwantiteit, waterkwaliteit, waterkering en waterketen. In het Waterbeheerplan staat wat Waterschap Rivierenland de komende periode gaat doen om inwoners van het rivierengebied veiligheid en voldoende schoon en mooi water in sloten en plassen te kunnen blijven bieden. Het plan is in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe opgesteld.

Keur Waterschap Rivierenland 2014
Voor waterhuishoudkundige ingrepen is de "Keur Waterschap Rivierenland 2014" van toepassing. De Keur is een waterschapsverordening die gebods- en verbodsbepalingen bevat met betrekking tot ingrepen, die consequenties hebben voor de waterhuishouding en het waterbeheer. Zo is het onder andere verboden om handelingen te verrichten waardoor het onderhoud, aanvoer, afvoer en/of berging van water kan worden belemmerd, zonder een ontheffing van het Waterschap. De wateren en waterkeringen waarop de keur van toepassing is zijn vastgelegd in de legger wateren.

Realisatie van nieuwe bebouwing en/of verhard oppervlak moet hydrologisch neutraal worden uitgevoerd. Bij het toevoegen van bebouwing of verharding geldt een compensatieplicht. Er geldt een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht wanneer minder verharding dan 500 m² in stedelijk gebied of minder dan 1.500 m² in landelijk gebied wordt toegevoegd.

Gemeente Overbetuwe
Waterplan Overbetuwe
In 2008 heeft de gemeente Overbetuwe in samenwerking met het Waterschap Rivierenland het Waterplan Overbetuwe vastgesteld. Het waterbeheerplan van het waterschap is recent geactualiseerd (zie hierboven), eveneens in samenwerking met onder meer de gemeente Overbetuwe. Beide plannen gelden echter naast elkaar.

In het Waterplan Overbetuwe wordt het beleidskader geschetst en worden concrete maatregelen voor het watersysteem uitgewerkt. Naast het waterplan wordt parallel een Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) opgesteld waarin de maatregelen voor de riolering (waterketen) worden uitgewerkt.
Met het opstellen van een waterplan wordt inzicht gegeven in de relevante wateropgaven voor de gemeente Overbetuwe, zoals:

  • wateroverlast, het zoeken van oplossingen om wateroverlast tegen te gaan;
  • waterkwaliteit, het onderzoeken van mogelijkheden voor het verbeteren van de waterkwaliteit;
    grondwater, het inventariseren van grondwateroverlast;
  • beleving van water, burgers betrekken bij water;
  • afspraken en taken van waterschap en gemeente.


Watertoets
In opdracht van Breure & Janssen heeft Greenhouse Advies een watertoets gedaan voor onderhavig initiatief. De watertoets is opgenomen als Bijlage 3 behorende bij deze toelichting.

Conclusie
Op basis van de genoemde uitgangspunten uit de watertoets kan geconcludeerd worden dat door de voorgenomen ontwikkeling, de bouw van drie vrijstaande woningen, het totaal verhard oppervlakte afneemt. De ontwikkelingen hebben geen schadelijk effect op de kwaliteit van het grond- en/of oppervlaktewater. Geadviseerd wordt om het regenwater zoveel mogelijk via een gescheiden rioolstelsel af te voeren. Eventueel kan gekozen worden om het hemelwater vast te houden of te laten infiltreren in de bodem. Gezien het bovenstaande vormt het aspect water geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

3.11 Flora en Fauna

Natuurwetgeving
De bescherming van de natuur is sinds 1 januari 2017 vastgelegd in de Wet Natuurbescherming. Deze vervangt de Natuurbeschermingswet 1998 en de Flora- en faunawet. Deze wet vormt een uitwerking van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. Daarnaast vindt beleidsmatig gebiedsbescherming plaats door middel van het Natuurnetwerk Nederland (NNN), dat op provinciaal niveau is uitgewerkt (Gelders Natuurnetwerk).

De Wet natuurbescherming heeft enerzijds betrekking op de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Ruimtelijke ontwikkelingen die effecten hebben op de vastgestelde natuurwaarden van deze gebieden, zijn in beginsel niet toegestaan. Indien er een kans bestaat dat effecten zullen optreden, dienen deze vooraf in kaart gebracht en beoordeeld te worden.

Anderzijds is in de wet de bescherming van diverse planten- en diersoorten in Nederland vastgelegd. In het kader van de soortenbescherming zijn in de Wnb drie beschermingsregimes opgenomen. Voor vogels geldt dat de beschermingsverboden en ontheffingsgronden één-op-één zijn overgenomen van de Vogelrichtlijn (paragraaf 3.1 Nbw). Voor dier- en plantensoorten van Europees belang geldt dat de beschermingsverboden en ontheffingsgronden één op één zijn overgenomen van de Habitatrichtlijn en de verdragen van Bern en Bonn (paragraaf 3.2 Nbw). Voor de overige dier- en plantensoorten die beschermd worden is een opsomming gegeven in de bijlage bij de Nbw. Voor deze soorten gelden ruimere ontheffingsgronden dan voor de dier- en plantensoorten die onder het regime van de richtlijnen vallen. De verboden neergelegd in de Nbw gelden alleen voor opzettelijke handelingen.

Resultaten gebiedsbescherming
Het plangebied valt buiten de invloedssfeer van de voor de Natuurbeschermingswet 1998 en Natuurnetwerk Nederland (NNN, voormalige Ecologische Hoofdstructuur) aangewezen gebieden. Het dichtbij gelegen Natura 2000-gebied Rijntakken bevindt zich op ca.120 meter ten noorden van het plangebied. Voorts is het plangebied niet gelegen in het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelzones.

Resultaten soortenbescherming
In het kader van dit bestemmingsplan is een quickscan gedaan door Greenhouse Advies in samenwerking met Ekoza naar de aanwezigheid van beschermde flora- en/of fauna in en om het plangebied. Uit de quickscan van januari 2015 is gebleken dat binnen het plangebied mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig waren in het leegstaande gebouw. Naast de vleermuizen zijn mogelijke broedplaatsen van vogels aangetroffen. Om deze redenen is vervolgonderzoek gedaan in september 2015 naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen vleermuizen en vogels. De onderzoeken zijn bijgevoegd als Bijlage 4 en Bijlage 5.

Conclusie
Vleermuizen

Er bevinden zich geen verblijfsplaatsen van vleermuizen in de te slopen gebouwdelen of in de directe omgeving ervan. Essentiële foerageergebieden of vliegroutes zijn niet in het plangebied geconstateerd. Schade aan vleermuizen en daarmee overtreding van de Flora- en faunawet is door de ingreep niet aan de orde.

Huismussen
Omdat er geen vaste- rust- of verblijfplaatsen van huismussen aanwezig zijn in of direct rond de gebouwen en er ook op het foerageergebied geen negatieve invloed zal plaatsvinden, zal er geen overtreding van de Flora- en faunawet aangaande deze soort optreden bij de sloop. Er dient wel aan de algemene zorgplicht te worden voldaan, niet alleen voor huismussen maar ook andere flora- en fauna.

Wat betreft natuurwetgeving en beleid zijn er geen bezwaren verbonden aan het voorliggend plan.

3.12 Archeologische waarden

Sinds de invoering van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg (WAMZ) op 1 september 2007 is de verantwoordelijkheid ten aanzien van het bodemarchief gedecentraliseerd naar de gemeente. De provincie Gelderland blijft hierbij bestemmingsplannen (en afwijkingen hierop) toetsen op archeologie en cultuurhistorie, maar gaat er daarbij wel vanuit dat de gemeente zijn eigen taak naar behoren zelfstandig zal uitvoeren. De gemeente Overbetuwe heeft voor haar gemeentelijk grondgebied een erfgoedplan3 en een archeologische beleidsadvieskaart4 vervaardigd. Het erfgoedplan beoogt versterking van de plaats en betekenis van cultuurhistorie als factor in het ruimtelijk beleidsproces.

Beoordeling
Ter plaatse van het plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen. Dit betekent dat bij bodemingrepen dieper dan 30 cm-Mv, bij een oppervlakte van 100 m² van de ingreep, archeologisch onderzoek verplicht is. Deze drempelwaarde wordt bij de onderhavige planontwikkeling overschreden.

In opdracht van Breure & Janssen heeft Greenhouse Advies een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd in het kader van de sloop van het gebouw behorende bij een voormalige supermarkt aan de Hoenderkamp te Heteren. Op deze locatie worden drie vrijstaande woningen gebouwd. Een deel van het voormalig parkeerterrein zal een groenstrook worden. Het volledige onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 6. Het selectieadvies is bijgevoegd als Bijlage 7.

Conclusie
Op basis van de resultaten geldt een hoge archeologische verwachting voor het plangebied. Om deze verwachtingswaarde te toetsen wordt geadviseerd om een verkennend booronderzoek uit te voeren om de intactheid van de bodem(-opbouw) in kaart te brengen. Met een mogelijkheid om, wanneer blijkt dat men hier met een intacte bodemopbouw te maken heeft, direct op te schalen naar een karterend onderzoek. Dit om de mogelijke aanwezige archeologische resten op te sporen en in kaart te brengen.

Op voorhand vormt het aspect archeologie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het vervolgonderzoek dient plaats te vinden voor aanvang van de bodemingrepen. Ter waarborging hiervan blijft de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' van kracht.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Huidige situatie

Binnen het plangebied is een gebouw gesitueerd dat voorheen in gebruik was als supermarkt. Nu staat het gebouw al een tijd leeg (zie afbeelding 4). Zoals te zien is in de afbeelding wordt het plangebied omsloten door bebouwing en een groenstrook. De groenstrook bestaat uit bomen en heesters, welke ten westen van het plangebied uitkomt op een parkeerterrein. Gezien de huidige situatie gelden nu dan ook de bestemmingen 'Detailhandel', 'Groen', 'Horeca' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' in het plangebied.

afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0245HTRNhoenderkmp-VSG1_0005.png"
afbeelding "i_NL.IMRO.1734.0245HTRNhoenderkmp-VSG1_0006.png"  
Afbeelding 4: Huidige situatie plangebied (Bron: Google Streetview)  

4.2 Voorgenomen ontwikkeling

In de toekomstige situatie wil initiatiefnemer drie vrijstaande woningen realiseren binnen het plangebied. Deze ontwikkeling past zowel ruimtelijk als functioneel niet binnen de in het plangebied geldende bestemmingen. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, dienen de bestemmingen 'Detailhandel' en 'Horeca' te worden gewijzigd naar de bestemming 'Wonen'. De bestemmingen 'Groen' en 'Verkeer - Verblijfsgebied' worden deels omgezet naar 'Wonen' en naar 'Tuin'.

De woningen moeten voldoen aan stedenbouwkundige uitgangspunten welke zijn opgesteld door de gemeente Overbetuwe. Om te voldoen aan deze uitgangspunten is een stedenbouwkundige visie opgesteld voor het plangebied. De complete visie is opgenomen als Bijlage 8 bij de toelichting.

Er worden drie woningen gerealiseerd, die allen aan de noordzijde worden ontsloten op de Hoenderkamp. De woningen worden vrijstaand, op ruime afstand van de straat gerealiseerd. Het parkeren gebeurt op eigen terrein en vindt plaats tussen de woningen, waardoor auto's zoveel mogelijk uit het zicht blijven.

De woningen worden individueel ontworpen waardoor een zo divers mogelijk beeld ontstaat. Om goed aan te sluiten op het bestaande beeld van de Hoenderkamp, worden de woningen in een verspringende rooilijn gerealiseerd. De woning op het hoekkavel wordt op zo'n manier ontworpen dat sprake is van een tweezijdige oriëntatie. Hierdoor wordt ingespeeld op de hoeklocatie. Qua maatvoering wordt aangesloten op de gestelde randvoorwaarden, de goothoogte bedraagt 4 meter. Dit komt overeen met het vigerende bestemmingsplan en wijzigt dus niet.

Het uitgangspunt is om de bestaande bomen in de groenstrook te handhaven. Hiertoe is nader onderzoek noodzakelijk. Het betreft echter geen monumentale, beschermde bomen. De twee bomen op de twee rechter kavels zijn mogelijk in conflict met de bebouwing. In dit geval zou een herplant dichter op de straat een mogelijke oplossing zijn. De huidige groenstrook zou gebruikt moeten worden voor de ontsluiting van de kavels.

4.3 Verkeer en parkeren

Ten behoeve van de realisatie van de woningen dienen op eigen terrein voldoende parkeerplaatsen aanwezig te zijn. Hierbij dient te worden voldaan aan de Nota Parkeernormen Overbetuwe 2014. Voor onderhavig initiatief is in juli 2016 door DAGNL Adviesgroep een parkeerbalans opgesteld. De rapportage is opgenomen als Bijlage 9.

Door inpassing van de nieuw te bouwen woningen kan in eerste instantie niet voldaan worden aan de vigerende parkeernorm. De nieuwe woningen vereisen 4,2 aanvullende parkeerplaatsen op het openbaar terrein. Aanvullend zullen door de nieuwe woningen vier parkeerplaatsen verdwijnen. Om de parkeercapaciteit alsnog te waarborgen is de parkeerbalans opgesteld. Door observatie is duidelijk geworden of de parkeercapaciteit in de nabije omgeving voldoende zal zijn. Op grond van artikel 3.1 van de Nota Parkeernormen 2014 op basis van de parkeerbalans kan worden afgeweken van de gestelde normen.

Het onderzoeksgebied heeft tijdens de momentopname een belasting van gemiddeld 61%. Door de geplande aanpassingen zal de belasting verhoogd worden naar 65%. Voor de parkeerbelasting van sectie 2 (de straat van de nieuwe te bouwen woningen) stijgt hierbij van gemiddeld 72% naar gemiddeld 90%. De parkeerbelasting van het aangrenzende openbare parkeerterrein blijft echter zeer beperkt, deze stijgt slechts 6%, namelijk van 22% naar 28%. De bezettingsgraad blijft onde de grens van 85% zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen 2014 in artikel 3.1. Geconcludeerd wordt dat voldoende parkeercapaciteit aanwezig is wanneer onderhavig initiatief wordt gerealiseerd.


Hoofdstuk 5 Juridische planopzet

5.1 Algemene opzet

Inleiding
Dit hoofdstuk bevat de concrete vertaling van het beleidsgedeelte (voorafgaande hoofdstukken) in het juridisch gedeelte van het bestemmingsplan (de verbeelding en regels).

Het bestemmingsplan 'Hoenderkamp 4' bestaat uit de volgende onderdelen:

De toelichting
In de toelichting is de ontwikkeling verantwoord, zowel op basis van het beleid, als op basis van milieu-hygiënische aspecten, aangevuld met een toelichting op de juridische opzet.

De bestemmingsregels
De bouw- en gebruiksregels binnen de verschillende bestemmingen. Daarnaast zijn waar nodig afwijkings- en wijzigingsbevoegdheden opgenomen, om het plan de benodigde flexibiliteit te geven.


De verbeelding
Op de verbeelding zijn de bestemmingen 'Tuin' en 'Wonen' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie' opgenomen.

De opzet van het plan
Het bestemmingsplan is een juridisch plan, dat bindend is voor de burgers en voor de overheid. Qua systematiek is aangesloten bij het bestemmingsplan 'Oosterhout', dat het meest recente komplan van Overbetuwe is.

Bouwplan
Indien een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend wordt, zijn in eerste instantie de bestemming met bijhorende regels van belang. Als het nieuwe en het beoogde gebruik past binnen de toegekende bestemming dan kan de omgevingsvergunning worden verleend.

5.2 Toelichting op de verbeelding en regels

Op de verbeelding zijn de bestemmingen onderscheiden. De bestemmingen zijn afgeleid uit het gebruik (de aanwezige functies). De bestemmingen vormen het zogenaamde casco van het plan, waarvan in beginsel niet mag worden afgeweken.

Tuin en Wonen
Binnen het plangebied is onderscheid gemaakt in de bestemmingen 'Wonen' en 'Tuin'. Voor ieder kavel is een bouwvlak opgenomen, zodat hier drie vrijstaande woningen gerealiseerd kunnen worden (één per bouwvlak).

De gewenste verspringende voorgevelrooilijn is hierin vertaald. Het woningtype (vrijstaand) en de maximale goot- en bouwhoogte (respectievelijk 4 en 10 meter) zijn op de verbeelding opgenomen. Ook de geveloriëntatie is op de verbeelding opgenomen, waarmee de tweezijdige oriëntatie van de westelijke woning is vastgelegd.

Bijbehorende bouwwerken zijn uitsluitend toegestaan binnen de bestemming 'Wonen', die binnen het bouwvlak en vanaf 3 meter achter de voorgevellijn gelegen is. De verspringende voorgevelrooilijn is opgenomen.

Bij recht is een aan huis verbonden beroeps- of bedrijfsactiviteit toegestaan, indien aan de in de regels opgenomen voorwaarden wordt voldaan. Het gebruik van een deel van de woning en/of bijbehorende bouwwerken ten behoeve van de uitoefening van een publieksgerichte beroeps- of bedrijfsactiviteit aan huis kan uitsluitend op basis van een omgevingsvergunning mogelijk worden gemaakt.

De voortuin en een deel van de zijtuinen zijn zoveel mogelijk binnen de bestemming 'Tuin' opgenomen. Dit is gedaan om te voorkomen dat voor- en zijerven worden bebouwd en daarmee het straatbeeld grote wijzigingen ondergaat.

Waarde - Archeologie
In het plan is een dubbelbestemming opgenomen, ten behoeve van archeologische waarden in of nabij het plangebied. Op basis van deze dubbelbestemming is archeologisch onderzoek nodig indien sprake is van bodemverstorende ingrepen groter dan 100 m² en dieper dan 30 cm-Mv. Naast de betreffende dubbelbestemming hebben de betrokken gronden altijd nog een hoofdbestemming. De regels van de hoofdbestemming en de dubbelbestemming zijn dan beide van toepassing. Bij strijd tussen deze regels prevaleren de regels van de dubbelbestemming. De reden hiervoor is dat de belangen van de dubbelbestemming zwaarder wegen dan die van de hoofdbestemming.

Hoofdstuk 6 Financiële toelichting

Kostenverhaal
Uitgangspunt voor de beoogde ontwikkelingen is dat deze voor de gemeente budgetneutraal worden ontwikkeld. Op grond van artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de gemeenteraad van Overbetuwe verplicht om, indien er sprake is van een bouwplan, de gemeentelijke kosten te verhalen.
 
De kosten worden verhaald middels een kostenverhaalsovereenkomst tussen de gemeente en de initiatiefnemer, alsmede via de gemeentelijke legesverordening. Met de ontwikkelende eigenaar van de gronden die binnen het plangebied gelegen, wordt tevens een planschadeovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst zijn afspraken gemaakt over het verhaal van kosten, dit is daarin op afdoende wijze vastgelegd.

Financiële haalbaarheid
De initiatiefnemer beschikt over voldoende middelen om de voorgestane ontwikkelingen te kunnen realiseren. Er zijn geen onvoorziene hoge kosten te verwachten. Ook is er geen sprake van onzekere financiële bijdragen van anderen. De financieel-economische haalbaarheid is hiermee in voldoende mate aangetoond.

 

Hoofdstuk 7 Overleg en inspraak

7.1 Inleiding

De procedures voor vaststelling van een bestemmingsplan zijn door de wetgever geregeld. Aangegeven is dat tussen gemeente en verschillende instanties waar nodig overleg over het plan moet worden gevoerd alvorens een ontwerpplan ter visie gelegd kan worden. Bovendien kan het noodzakelijk zijn om belanghebbenden de gelegenheid te bieden om hun visie omtrent het plan te kunnen geven. Dit is afhankelijk van de inspraakverordening van de gemeente. Pas daarna kan de wettelijke procedure met betrekking tot vaststelling van het bestemmingsplan van start gaan.

7.2 Overleg

Artikel 3.1.1 van het besluit ruimtelijke ordening (Bro) geeft aan dat het bestuursorgaan dat belast is met de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg pleegt met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Gezien de geringe omvang en impact van de voorgenomen ontwikkelingen heeft vooroverleg niet plaatsgevonden.

7.3 Vaststellingsprocedure

De vaststellingsprocedure van het bestemmingsplan zal plaatsvinden volgens artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening. Het bestemmingsplan is in dit kader ter visie gelegd gedurende een periode van zes weken. Gedurende deze periode kon een ieder zijn zienswijzen kenbaar maken tegen het plan. Er zijn geen zienswijzen ingediend.

Het bestemmingsplan is op 24 oktober 2017 ongewijzigd vastgesteld.

7.4 Beroep

Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.