direct naar inhoud van Motivering
Plan: TAM-omgevingsplan hoofdstuk 22n De Hoek 6 Hijken
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1

Motivering

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Aanleiding

De kavel Hoek 6 in Hijken heeft in het omgevingsplan twee verschillende bestemmingen. Het perceel met kadastraal nummer 2920 heeft de woonbestemming. De rest van het perceel heeft binnen het 'Hijken - De Hoek 6' de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De agrarische bestemming staat het gebruik van de grond alleen toe voor agrarische doeleinden, zoals grondgebonden bedrijven en cultuurgrond, en beperkt daarmee de mogelijkheden voor het gewenste bijgebouw. Om het bijgebouw mogelijk te maken, is een wijziging van het omgevingsplan noodzakelijk. Met een TAM-omgevingsplan wordt de agrarische bestemming omgezet naar 'Wonen'. De gemeente Midden-Drenthe heeft aangegeven onder voorwaarde van een goede landschappelijke inpassing toestemming te willen verlenen aan dit initiatief.

1.2 Het plangebied

Het plangebied is gelegen aan De Hoek 6 in het dorp Hijken binnen in de gemeente Midden-Drenthe. De Hoek is een doodlopende weg. Hoek 6 bevindt zich aan het einde van deze weg. Ten noorden en ten westen bevinden zich woningen. Ten oosten en ten zuiden bevinden zich agrarische percelen. Het plangebied bevindt zich aan de rand van het esdorp.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1_0001.png"

Figuur 1.1 Ligging Plangebied (Bron: Kaartportaal Drenthe)

1.3 Het omgevingsplan

Per 1 januari 2024 is de Omgevingswet in werking. Daarmee zijn alle geldende en in procedure zijn bestemmingsplannen opgegaan in het 'Omgevingsplan van rechtswege'. Dit betekent niet dat de bestemmingsplannen hun geldigheid verliezen. Voor het plangebied gelden nu twee bestemmingsplannen:

  • 1. Bestemmingsplan Hijken (vastgesteld 13-12-2012)
  • 2. Bestemmingsplan Hijken - De Hoek 6 (vastgesteld 22-02-2018)

Het bestemmingsplan Hijken - De Hoek 6 wijzigt de eerder geldende bedrijfsbestemming (bestemmingsplan Hijken) naar wonen. In dit bestemmingsplan is voor het hoofdgebouw (de woning) bepaald dat dit gebouw alleen in het aangeduide bouwvlak gebouwd mag worden. Bijgebouwen mogen buiten het bouwvlak gebouwd wordt, mits niet voor de voorgevel gebouwd wordt. Het bestemmingsplan maakt daardoor bouwen op het zij- of achtererf niet mogelijk.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1_0002.png"

Figuur 1.2 Bestemmingsplan Hijken

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1_0003.png"

Figuur 1.3 Bestemmingsplan Hijken - De Hoek 6

Voor het gehele perceel geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Op de gronden met de Waarde Archeologie 1 mag volgens het bestemmingsplan niet gebouwd worden. Conform het gemeentelijke archeologisch beleid is dit wel toegestaan. Zie hiervoor 4.13 Archeologie, cultuurhistorie en landschap.

1.4 Leeswijzer

Na de inleiding in hoofdstuk 1 wordt in hoofdstuk 2 de huidige en toekomstige situatie toegelicht. In hoofdstuk 3 wordt het algemeen geldende Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid samengevat. Alleen het beleid wat van toepassing is op het voorliggende initiatief wordt in dit hoofdstuk benoemd. Specifiek beleid (Rijk, provincie en gemeente) voor omgevingsaspecten wordt in hoofdstuk 4 besproken. De uit het beleid voortkomende motiveringen en/of onderzoeken worden ook in hoofdstuk 4 samengevat en voorzien van een conclusie. Hoofdstuk 5 bestaat uit de juridische vormgeving van het project. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de financieel-economische uitvoerbaarheid. Ten slotte wordt in hoofdstuk 7 ingegaan op de voorbereiding en participatie.

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving

2.1 Huidige situatie

In de huidige situatie wordt de locatie al gebruikt om te wonen. Het plangebied is gelegen aan een uitloper van het dorp en overziet de es. Eind vorige eeuw is op deze locatie een bedrijfsgebouw gerealiseerd. Nadat het bedrijf is beëindigd is het bedrijfsgebouw verbouwd tot woning.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1_0004.png" Figuur 2.1 Huidige situatie gezien vanaf de straatkant (bron: eigen foto)

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1_0005.png"

Figuur 2.2 Huidige situatie zicht op de esgronden (bron: eigen foto)

2.2 Voorgenomen ontwikkeling

De initiatiefnemer meerdere overleggen met de gemeente gevoerd om een goed passende plek te vinden waar een bijgebouw kan worden gerealiseerd. De gemeente heeft ook hiervoor advies gevraagd aan de provincie Drenthe vanwege het provinciaal belang landschap. De gemeente heeft laten weten dat het realiseren van een bijgebouw aan de achterzijde van de woning (gezien vanaf de weg) niet wenselijk is. Wel werd aangegeven dat er mogelijkheden zijn voor de plaatsing van een bijgebouw aan de voorzijde, nabij de straatkant. Dit komt ook overeen met het advies van de provincie.

Deze inzichten vormen de basis voor het opgestelde landschappelijk inpassingsplan (zie bijlage 1 regels). Het inpassingsplan heeft als doel de omgevingskwaliteit van het gebied te waarborgen en het bijgebouw op een harmonieuze wijze in het landschap te integreren. Het uitgangspunt is de samenhang tussen bebouwing, erf en het omliggende landschap, met respect voor de bestaande ruimtelijke structuur. De ruimte aan de voorzijde van de woning biedt voldoende mogelijkheden om een bijgebouw te realiseren zonder de visuele openheid van het gebied aan te tasten. Het bijgebouw, met een afmeting van 12 x 6,5 meter, is zorgvuldig gepositioneerd om de visuele rust van het terrein te behouden. Het is niet direct voor de gevel van de woning geplaatst, maar iets westelijker gesitueerd. Hierdoor blijft er meer ruimte over voor groen en openheid. Deze strategische plaatsing draagt bij aan een optimale beleving van het erf en het omliggende landschap. De inrichting van het erf rondom het bijgebouw is zodanig vormgegeven dat de openheid en de rustige uitstraling van het gebied worden versterkt. Hierbij wordt gebruikgemaakt van inheemse beplanting en natuurlijke materialen, passend bij het karakter van het landschap.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1_0006.png"

Figuur 2.2 Erfinrichtinvoorstel nieuwe situatie De Hoek 6, Hijken (bron: JRO, Jantiene Ruimtelijk Ontwerp / Buro Hollema)

Hoofdstuk 3 Beleid en regelgeving

3.1 Rijk

3.1.1 Nationale Omgevingsvisie

Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan.

Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem de fysieke leefomgeving. Daarnaast kan een rijksverantwoordelijkheid aan de orde zijn indien:

  • een onderwerp nationale baten en/of lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt, bijvoorbeeld het reserveren van ruimte voor militaire activiteiten en het stellen van opgaven in de stedelijke regio's rondom de mainports, brainports, greenports en valleys;
  • over een onderwerp internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan, bijvoorbeeld het stimuleren van biodiversiteit, duurzame energie, watersysteemherstel of het beschermen van werelderfgoed;
  • een onderwerp provincie- of landsgrensoverschrijdend is een ofwel een hoog afwentelrisico kent ofwel in beheer bij het Rijk is. Bij dit laatste gaat het bijvoorbeeld om de hoofdnetten van weg, spoor, water en energie, maar ook de bescherming van gezondheid van inwoners is op rijksniveau relevant.

Toetsing

Aangevraagd is de realisatie van een bijgebouw en de wijzing van de agrarische functie. Gelet op de aard, omvang en locatie zijn er geen Rijksbelangen van toepassing op dit initiatief.

3.1.2 Instructieregels Rijk (AMvB's)
3.1.2.1 Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl)

In hoofdstuk 5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) staan instructieregels voor een omgevingsplan. Het grootste deel heeft betrekking op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (afdeling 5.1 Bkl). Deze instructieregels zijn van toepassing op het stellen van regels in het omgevingsplan als bedoeld in artikel 4.2, eerste lid, van de Omgevingswet. Aan deze regels mogen geen economische motieven ten grondslag liggen, die leiden tot strijd met de dienstenrichtlijn (artikel 5.1a Bkl).

Het Bkl bevat instructieregels voor de volgende hoofdonderwerpen:

  • Waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2);
  • Beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3);
  • Beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit;
  • Beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking;
  • Het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden;
  • Het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën;
  • Het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).

Over de onderwerpen waarvoor het Bkl geen instructieregels heeft opgenomen (onderwerpen die buiten het toepassingsbereik van de instructieregels vallen) is de gemeente vrij om regels te stellen, mits dat past binnen de andere kaders.

Toetsing

De voor dit TAM-omgevingsplan relevante instructieregels zijn nader uitgewerkt in hoofdstuk 4. In dit hoofdstuk vindt dan ook de toetsing plaats.

3.2 Provincie

3.2.1 Omgevingsvisie Drenthe

De Omgevingsvisie provincie Drenthe 2022 (geactualiseerd d.d. 28 september 2022) is het strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van de provincie Drenthe. Op het moment dat de Omgevingswet in werking is getreden, is deze Omgevingsvisie van rechtswege aangemerkt als omgevingsvisie in de zin van de Omgevingswet. Dit volgt uit artikel 4.10, tweede lid, van de Invoeringswet Omgevingswet.

Met de Omgevingsvisie zet de provincie in op "het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe passend bij deze kernkwaliteiten." De kernkwaliteiten zijn de kwaliteiten die bijdragen aan de identiteit en aantrekkelijkheid van Drenthe. Het gaat om: rust, ruimte, natuur en landschap; oorspronkelijkheid (authenticiteit, Drents eigen); noaberschap; kleinschaligheid (Drentse schaal); menselijke maat; veiligheid. Het provinciaal belang ligt in het behouden en, waar mogelijk, ontwikkelen van de kernkwaliteiten. In de Omgevingsvisie is voor alle kernkwaliteiten een uitwerking naar concrete indicatoren gemaakt, namelijk voor landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. Aanvullend geeft de provincie aan dat 'zuinig ruimtegebruik' en het bewaken van een goede 'milieu- en leefomgevingskwaliteit' van provinciaal belang zijn.

In de Omgevingsverordening provincie Drenthe (29 oktober 2024) is het beleid uit de Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022 vertaald naar juridische regels.

3.2.2 Omgevingsverordening provincie Drenthe

Gekoppeld aan de Omgevingsvisie heeft de provincie een Omgevingsverordening opgesteld. In de Omgevingsverordening worden regels gesteld ten aanzien van het provinciaal belang. De Omgevingsverordening is voor het laatst gewijzigd op 29-10-2024. Deze versie is gebruikt bij de toetsing van het provinciaal beleid.

Toetsing

Voor het voorliggende TAM-omgevingsplan zijn de aspecten water (beekdal) en landschap van provinciaal belang. De gemeente heeft eerder al advies van de provincie gevraagd. De provincie geeft aan het plangebied op de rand van de beekdalaanduiding ligt. De provincie geeft daarbij aan dat deze aanduiding globaal is begrensd. Bovendien is de ingreep beperkt en het waterschap heeft in haar advies in het kader van de watertoets aangegeven dat er geen waterhuishoudkundige effecten worden verwacht. De provincie heeft om deze redenen geen op- of aanmerkingen wat betreft het aspect water (beekdal).

Wat betreft het aspect landschap geeft de provincie aan dat het plangebied ligt in een gebied met meerdere gebouwen in een karakteristieke losse setting. Het plangebied heeft een landschappelijke waarde. Hierdoor is het essentieel dat er een landschappelijk erfontwikkelingsplan gemaakt wordt, zodat erf en bebouwing goed integreren in de omgeving en in het landschap. Inmiddels is dit erfontwikkelingsplan opgesteld en als bijlage 1 bij de regels van dit TAM-omgevingsplan toegevoegd.

3.2.3 Conclusie

Door het opstellen van een landschappelijk inpassingsplan is goed rekening gehouden met de landschappelijke waarde van het plangebied. Hierdoor is het TAM-omgevingsplan niet strijdig met de provinciale belangen.

3.3 Gemeente

3.3.1 Omgevingsvisie Midden-Drenthe

In de Omgevingsvisie Midden-Drenthe (versie 6 februari 2022, vervangt de Structuurvisie Midden-Drenthe 2030 "Platteland Leeft!" uit 2012) geeft de gemeente antwoorden op diverse vragen: Hoe willen we dat onze gemeente er in de toekomst uitziet? Welke ontwikkelingen komen er op ons af en wat is er nodig om de komende jaren prettig te kunnen wonen, werken en recreëren? Daarvoor is de gemeente voor een groot deel afhankelijk van initiatieven. Om initiatieven samen voor elkaar te krijgen, is de uitnodiging zo open mogelijk met zo min mogelijk beperkingen. Tegelijkertijd blijft sturing nodig. De gemeente wil dat ontwikkelingen elkaar bij voorkeur versterken en niet beperken. Bovendien is het belangrijk om het DNA van Midden-Drenthe te behouden: de identiteit van Midden-Drenthe en de kwaliteiten waar men trots op is. De gemeente is verantwoordelijk voor het bewaken van de samenhang en de kwaliteit. De gemeente kan initiatieven stimuleren en ontwikkelingen mogelijk maken, door integraal te werken en vooral in samenwerking met inwoners, ondernemers, (semi-)overheden, organisaties en overige belanghebbenden. Zij kiest er met deze Omgevingsvisie voor om meer ruimte te bieden en niet alles vast te leggen. Dit doet de gemeente door ambities per thema en per deelgebied te benoemen, zonder precies aan te geven waar wat moet komen.

In Midden-Drenthe is de ruimte. Streven voor Midden-Drenthe in 2035 is dan ook ruimte:

  • voor iedereen om mee te doen;
  • om te wonen;
  • voor duurzame innovatie;
  • voor ontwikkeling;
  • maken we samen.

Toetsing

In zowel de visie als in de gebiedskompassen wordt de woonambitie uitgesproken. De gemeente vindt het belangrijk dat bij transformatie er ook oog is voor de woonomgeving. De aspecten gezond, schoon en veilig zijn altijd onderdeel van de afwegingen. In hoofdstuk 4 worden deze milieukwaliteiten getoetst aan de realisatie van het bijgebouw.

3.3.2 Programma's
3.3.2.1 Woonvisie Midden-Drenthe 2023-2027

Met de woonvisie 2023-2027 geeft de gemeente richting aan het wonen in Midden-Drenthe. De gemeente beschrijft hoe er tegen opgaven wordt aangekeken, wat de ambities zijn en wat ze concreet gaan doen zodat inwoners prettig kunnen (blijven) wonen in Midden-Drenthe. De visie van de gemeente Midden-Drenthe is samen te vatten in één zin: wonen heeft prioriteit! Dit betekent voornamelijk meer woningen in alle dorpen, passend bij de vraag. Voor de kleine kernen wil de gemeente vooral inzetten op de lokale woningbehoefte, aansluitend en passend bij het karakter en de schaal van deze dorpen.

Toetsing

Aangevraagd is de een functiewijziging van 'Agrarisch met waarden' naar 'Wonen' en de realisatie van een bijgebouw. Met deze aanvraag wordt er geen woning toegevoegd.

3.3.3 Conclusie

Het beoogde bijgebouw is, met haar vooruitgeschoven positie naar de weg, ruimtelijk aanvaardbaar. Het past in de ruimtelijke (bebouwings)karakteristiek van De Hoek.

Hoofdstuk 4 Aspecten fysieke leefomgeving en milieu

4.1 Mer-melding

4.1.1 Wettelijk kader

De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (mer) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V van het Omgevingsbesluit.

Of een besluit over een project mer-plichtig of mer-beoordelingsplichtig is, kan worden afgeleid uit bijlage V van het Omgevingsbesluit, in samenhang met de artikelen 11.6 en 11.8 van het Omgevingsbesluit. Of er voor het besluit een mer-plicht of een mer-beoordelingsplicht geldt, volgt uit de tweede en derde kolom. Als het plan voldoet aan de voorwaarden van de tweede kolom, geldt een mer-plicht. Anders geldt een mer-beoordelingsplicht, tenzij ook in de derde kolom voorwaarden staan.

4.1.2 Toetsing

De beoogde ontwikkeling betreft het wijzigen van een Agrarische functie naar wonen en het realiseren van een bijgebouw. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit is onder J11 bepaald dat voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject een mer-beoordelingsplicht geldt. Het mogelijk maken van het bouwen van een klein bijgebouw bij een bestaande woning is geen stedelijk ontwikkelingsproject.

4.1.3 Conclusie

Gelet op aard, locatie en omvang van dit plan is er geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject. De wetgeving omtrent mer is daarom niet van toepassing op dit plan.

4.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

4.2.1 Wettelijk kader

De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de ladder is vereist. Een stedelijke ontwikkeling is gedefinieerd als "de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is."

Als een omgevingsplan voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling, wordt rekening gehouden met:

  • a. de behoefte aan die stedelijke ontwikkeling; en
  • b. als die stedelijke ontwikkeling is voorzien buiten het stedelijk gebied of buiten het stedelijk groen aan de rand van de bebouwing van stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen dat stedelijk gebied of binnen dat stedelijk groen in die behoefte te voorzien.
4.2.2 Toetsing

Bij het bepalen óf en hoe de Ladder moet worden toegepast zijn de volgende aspecten van belang:

  • 1. Is er sprake van een stedelijke ontwikkeling?
  • 2. Is de stedelijke ontwikkeling nieuw?
  • 3. Wat is het ruimtelijk verzorgingsgebied?
  • 4. Is er behoefte aan de voorgenomen ontwikkeling?
  • 5. Ligt de ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied?

Het mogelijk maken van de bouw van een bijgebouw bij een bestaande woning is geen stedelijke ontwikkeling. Er worden geen woningen toegevoegd.

4.2.3 Conclusie

Het aspect ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing op dit plan.

4.3 Duurzaamheid

4.3.1 Wettelijk kader

In bijlage 1 van de Omgevingswet is het begrip duurzame ontwikkeling gedefinieerd. Het gaat om "een ontwikkeling die voorziet in de behoeften van de huidige generatie zonder de mogelijkheden voor toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen." Artikel 1.3 en 2.1 Omgevingswet borgen het belang van duurzaamheid. In artikel 1.3 zijn de maatschappelijke doelen van de wet verwoord:

"Deze wet is, met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht op het in onderlinge samenhang:

  • a. bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit, en
  • b. doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften."

Artikel 2.1 geeft aan dat een bestuursorgaan zijn taken en bevoegdheden op grond van de wet uitoefent met het oog op de doelen van de wet, tenzij daarover specifieke regels zijn gesteld.

Artikel 1.3 geeft ook richting aan de voor burgers en bedrijven opgenomen zorgplicht in artikel 1.6 Ow, namelijk dat men "voldoende zorg draagt voor een goede leefomgeving". Met deze bepalingen wordt een duurzame ontwikkeling voor het gehele domein van de fysieke leefomgeving geborgd. Het vergt een samenhangende benadering vanaf het begin van de planvorming van alle relevante belangen, waaronder: ruimte, water, natuur, gezondheid en wonen.

4.3.2 Toetsing

Met dit TAM IMRO omgevingsplan wordt de bouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Ook wordt de tuin bij een woning aangewezen als 'Wonen' in plaats het nu nog gelden 'Agrarisch met waarden'. Met deze aanvraag wordt er geen woning toegevoegd. Hiermee blijft er een veilige en gezonde fysieke leefomgeving met een goede omgevingskwaliteit en wordt de woning beter bewoonbaar waardoor het een meer duurzamere toekomst biedt.

4.3.3 Conclusie

Het aspect duurzaamheid is bij de bouw van een bijgebouw dusdanig klein dat het aspect duurzaamheid niet van toepassing is.

4.4 Gezondheid

4.4.1 Wettelijk kader

Een van de maatschappelijke doelen van de Omgevingswet (Ow) is een gezonde fysieke leefomgeving (artikel 1:3 Ow, zie ook 4.4.1). In artikel 2.1 lid 4 Ow is bepaald dat het bevoegd gezag bij de evenwichtige toedeling van functies (in het omgevingsplan) in ieder geval rekening houdt met het belang van het beschermen van de gezondheid. Voorzorg kan daarbij een rol spelen. Naast de gezondheidsbescherming kan het bevoegd gezag het belang van gezondheidsbevordering meewegen. Zo heeft de fysieke leefomgeving positieve gezondheidseffecten als deze uitnodigt tot gezond gedrag en mensen stimuleert tot meer bewegen, gezonder eten en elkaar ontmoeten. De GGD kan hierbij adviseren. Het Rijk stelt ondergrenzen voor de bescherming van de gezondheid. Bijvoorbeeld via instructieregels of omgevingswaarden voor geluid, luchtkwaliteit, geur en waterkwaliteit. In het omgevingsplan werken deze randvoorwaarden door.

4.4.2 Toetsing

Met dit TAM IMRO omgevingsplan wordt de bouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Ook wordt de tuin bij een woning aangewezen als 'Wonen' in plaats het nu nog gelden 'Agrarisch met waarden'. Deze wijziging heeft daardoor geen raakvlak met het aspect gezondheid.

4.4.3 Conclusie

Het aspect gezondheid is bij de bouw van een bijgebouw dusdanig klein dat het aspect niet van toepassing is.

4.5 Verkeer en parkeren

4.5.1 Wettelijk kader

De regels in het omgevingsplan moeten leiden tot een evenwichtige toedeling van functie aan locaties (artikel 2.1 Omgevingswet). Bij een voorgenomen ontwikkeling moet daarom onder meer beoordeeld worden wat de effecten zijn op de verkeersafwikkeling en verkeersveiligheid binnen en rond het plangebied. Het kader voor die beoordeling wordt gevormd door de parkeernormen die in het omgevingsplan zijn opgenomen en/of de kencijfers van de CROW.

4.5.2 Toetsing

Het plangebied wordt reeds gebruikt om te wonen. Met de realisatie van een bijgebouw en de wijziging van de agrarische functie verandert er niets aan de hoeveelheid aan verkeer en parkeren.

4.5.3 Conclusie

Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor het toevoegen van een bijgebouw en het gedeeltelijk wijzigen van de functie voor dit plan.

4.6 Natuur

4.6.1 Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn diverse regels ter bescherming van de natuur opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de voormalige Wet natuurbescherming. Het gaat hierbij in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van plant- en diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Het gebieds- en soortenbeschermingsregime vloeit voor een belangrijk deel voort uit twee Europese richtlijnen, te weten de Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en de Habitatrichtlijn (92/43/EEG).

Gebiedsbescherming

De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. De minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit wijst de Natura 2000-gebieden aan. Op grond van artikel 2.43 Omgevingswet legt hij ook de instandhoudingsdoelstellingen vast. Dit gebeurt in een aanwijzingsbesluit. Als er naar aanleiding van projecten, plannen en activiteiten, afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten, mogelijkerwijs significante effecten optreden, dienen deze bij de voorbereiding van een omgevingsplan in kaart te worden gebracht en beoordeeld. Natura 2000-gebieden hebben een externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden en verstoring kunnen veroorzaken, moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Een omgevingsplan dat significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied kan alleen worden vastgesteld indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten. Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:

  • 1. Alternatieve oplossingen zijn niet voorhanden;
  • 2. Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard; en
  • 3. De noodzakelijke compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft.

In afdeling 8.6 Bkl staat het beoordelingskader voor de omgevingsvergunning voor Natura 2000-activiteiten.

Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een landelijk netwerk van natuur- en agrarische gebieden met een speciale natuurkwaliteit. De provincie Drenthe streeft naar een goed werkend robuust natuursysteem dat zorgt dat de kwaliteit van natuur zich duurzaam verbetert. Het NNN bestaat zowel uit afzonderlijke natuurgebieden als uit ecologische verbindingen die deze natuurgebieden met elkaar verbinden. Ecologische verbindingen vormen een waardevol onderdeel van het NNN. Via bermen, natuurstroken langs watergangen en ecoducten zoals die over de A28 kunnen dieren van het ene gebied naar het andere trekken. Dat komt ten goede aan de kwaliteit van de natuurgebieden. Bovendien vormen deze verbindingen een belangrijk onderdeel van de groene dooradering van onze provincie.

De grote boswachterijen, de uitgestrekte heidevelden en de oude hoogveenkernen maken deel uit van het NNN. De 14 Drentse Natura 2000-gebieden vormen een belangrijk onderdeel van de bestaande natuur. Het behalen van Europese natuurdoelen voor deze gebieden vormen de belangrijkste natuuropgave voor het NNN.

Stikstof

Stikstofdepositie is geregeld in artikel 22.20 van de Omgevingswet (Ow). De regels van artikel 5.5a van de Wet natuurbescherming (Wnb) blijven gelden tot een bij koninklijk besluit te bepalen datum. Hier vindt, vooralsnog, dus geen verandering plaats ten opzichte van oorspronkelijke wet- en regelgeving. Na de -nog te bepalen- datum dient stikstof te worden gemonitord als omgevingswaarde.

Soortenbescherming 

Onder de Omgevingswet zijn veel dier- en plantsoorten beschermd. De bescherming richt zich op soorten van Europees belang, die onder de reikwijdte van de Vogel- en Habitatrichtlijn vallen, als om bepaalde soorten van nationaal belang. Soortenbescherming vindt plaats binnen en buiten het Natuurnetwerk Nederland. Dit vorm krijgen in wet- en regelgeving, maar in fysieke maatregelen die bescherming, vestiging of uitbreiding van een soortenpopulatie stimuleren. Op grond van artikel 2.18 lid 1 sub f Ow zijn in beginsel de provincies hiervoor verantwoordelijk. Echter, ook decentrale overheden kunnen hiervoor actief beleid voeren. Gedacht kan worden aan het vaststellen van bijvoorbeeld een programma voor soortenbescherming.

Door strikte formulering van een flora- en fauna-activiteit moet bij vrijwel alle activiteiten in de fysieke leefomgeving nagegaan worden of:

  • er soorten aanwezig zijn; en
  • welke soorten dat zijn.

In hoofdstuk 11 van het Besluit activiteiten leefomgeving wordt bepaald wanneer een vergunning nodig is.

4.6.2 Toetsing

Het plangebied ligt niet in het NNN of in een Natura-2000 gebied. Met dit TAM-omgevingsplan wordt de bouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Ook wordt de tuin bij een woning aangewezen als 'Wonen' in plaats het nu nog gelden 'Agrarisch met waarden'. Het aantal verkeersbewegingen neemt niet toe. Het effect van de stikstofemmissie tijdens de bouw van het bijgebouw is gelet op de omvang van het bijgebouw is verwaarloosbaar.

4.6.3 Conclusie

Het aspect natuur vormt geen belemmeringen.

4.7 Luchtkwaliteit

4.7.1 Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit. Deze regels zijn gesteld ter bescherming van de gezondheid. In paragraaf 5.1.4.1 Bkl zijn omgevingswaarden voor onder andere stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) opgenomen. Een activiteit is toelaatbaar als aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde;
  • het project leidt per saldo niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • het project draagt niet in betekenende mate (NIBM) bij aan de luchtverontreiniging.

Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 ug/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft:

  • Motiveren dat het project binnen de getalsmatige grenzen van een aangewezen categorie blijft. Onder deze 'standaardgevallen NIBM' vallen kantoren, woonwijken en het telen van gewassen. Dit moet wel onder een bepaalde omvang blijven conform artikel 5.54 Bkl. Valt een project binnen de genoemde categorie, maar niet binnen de gestelde grenzen, dan is het mogelijk om alsnog via detailberekeningen aannemelijk te maken dat de 3%-grens niet wordt overschreden.
  • Op een andere manier aannemelijk maken dat een project de 3%-grens niet overschrijdt. Soms kan een kwalitatieve berekening voldoende zijn. Soms kan de zogeheten NIBM-tool gebruikt worden, eventueel aangevuld met detailberekeningen.

In artikel 5.51 lid 2 Bkl zijn aandachtsgebieden aangewezen. Dit zijn locaties met hoge concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10). De gemeente Midden-Drenthe is niet aangewezen als concentratiegebied.

4.7.2 Toetsing

Het plan biedt de mogelijkheid tot het realiseren van een bijgebouw. Het blijft daarmee ruimschoots onder de nibm-grens. Het project kan als 'niet in betekenende mate' van invloed op de luchtkwaliteit worden beschouwd.

4.7.3 Conclusie

Het project wordt beschouwd als een nibm-project. Uit de achtergrondniveaus blijkt dat deze onder de wettelijke normen blijven. Nader onderzoek naar luchtkwaliteit kan achterwege blijven. Er is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wat betreft luchtkwaliteit.

4.8 Geluid

4.8.1 Wettelijk kader

In de Bruidsschat (BS) is het onderdeel 'geluid' geregeld in paragraaf 22.3.4. Daarin staan regels over geluid door een activiteit op of in een geluidgevoelig gebouw die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. In de Bruidsschat zijn waarden bepaald (zie artikel 22.57 Bruidsschat waar waarden gelden). Daarbij is onderscheid gemaakt in geluid door de volgende activiteiten:

  • Activiteiten anders dan door windturbines en windparken en civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.2 BS);
  • Geluid door windturbines en windparken (par. 22.3.4.3 BS);
  • Geluid door civiele buitenschietbanen, militaire buitenschietbanen en militaire springterreinen (par. 22.3.4.4 BS).

De instructieregels uit afdeling 3.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn van toepassing op de beheersing van geluid door een weg, spoorweg of industrieterrein (artikel 3.18 lid 1 Bkl). De wetgever maakt onderscheid tussen geluidbronnen met een geluidproductieplafond als omgevingswaarde (gpp) en bronnen met een basisgeluidemissie (bge). Geluid afkomstig van wegen, spoorwegen en industrieterreinen heeft invloed op de omgeving. Het bevoegd gezag beoordeelt geluid van deze bronnen bij geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl).

Het rijk stelt voor een aantal gebouwen specifieke regels. Deze instructieregels van het Bkl voor geluid zijn gericht op aangewezen geluidgevoelige gebouwen (artikel 3.20 Bkl) en stiltegebieden (artikel 7.11 Bkl). In de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen is de functie (zoals wonen, onderwijs of zorg) bepalend (artikel 3.20 Bkl). Voor andere gebouwen of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak 'evenwichtige toedeling van functies aan locaties'.

4.8.2 Toetsing

Met dit TAM IMRO omgevingsplan wordt de bouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Ook wordt de tuin bij een woning aangewezen als 'Wonen' in plaats het nu nog gelden 'Agrarisch met waarden'. Er wordt geen geluidsgevoelig gebouw toegevoegd. Een onderzoek naar wegverkeersgeluid is daarom niet noodzakelijk. Dit geldt ook voor een onderzoek naar industriegeluid.

4.8.3 Conclusie

Een bijgebouw is geen geluidsgevoelig gebouw. Om die reden is het aspect geluid geen belemmering voor het plan.

4.9 Geur

4.9.1 Wettelijk kader

De provincie heeft in haar verordening ook regels omtrent geur opgenomen. Deze regels en de verdere doorwerking hiervan zijn gebaseerd op de doelstellingen inzake geur en specifiek de doelstellingen inzake de na te streven gezondheidskwaliteit en kwaliteit van het milieu binnen en buiten het gebied van de structuurvisie Midden-Drenthe, zoals opgenomen in de Omgevingsvisie. Deze doelstellingen hebben feitelijk het karakter van Omgevingswaarden conform de Omgevingswet. Voor de juiste doorwerking naar normen en vergunningvoorschriften in het structuurvisiegebied volgens de systematiek van de Omgevingswet zijn deze omgevingswaarden vastgesteld. De vastgestelde omgevingswaarden in het structuurvisiegebied zijn gebaseerd op het beleid en de doelstellingen in de gehele provincie inzake de na te streven gezondheidskwaliteit en kwaliteit van het milieu. De Omgevingswet geeft meer decentrale afwegingsruimte aan provincies en gemeenten op het gebied van geur door het verminderen van rijksregels. Op deze manier wordt de continuïteit van het geurbeleid zoals vastgelegd in de Omgevingsvisie geborgd.

4.9.2 Toetsing

Een bijgebouw is geen geurgevoelig object. Tevens bevinden zich in de nabije omgeving van de locatie geen geurproducerende objecten of activiteiten.

4.9.3 Conclusie

Het aspect geur vormt geen belemmering voor de wijziging van functie en het realiseren van een bijgebouw.

4.10 Omgevingsveiligheid

4.10.1 Wettelijk kader

Omgevingsveiligheid beschrijft de risico's die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn regels opgenomen in paragraaf 5.1.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 van het Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.

Plaatsgebonden risico

Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Grenswaarden voor kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties (art. 5.7 lid 1 Bkl) worden in een omgevingsplan in acht genomen. Dat geldt ook voor standaardwaarden voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties (art. 5.11 Bkl). Voor het plaatsgebonden risico gelden, afhankelijk van de activiteit, vastgestelde afstanden of te berekenen afstanden (bijlage VII Bkl).

Groepsrisico

Bij groepsrisico is sprake van 'aandachtsgebieden'. Risicovolle activiteiten hebben van rechtswege aandachtsgebieden (art. 5.12 Bkl). Het opnemen van aandachtsgebieden in een omgevingsplan is niet verplicht.

Aandachtsgebieden zijn gebieden rond activiteiten met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen onvoldoende beschermd zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Het gaat om ongevallen vanwege brand, explosie en een gifwolk. Afhankelijk van het type activiteit met gevaarlijke stoffen, zijn voor het aandachtsgebied in de regelgeving vaste afstanden vastgesteld of zijn deze afstanden rekenkundig te bepalen (bijlage VII Bkl). Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico's (REV).

Overige bepalingen

Naast bovengenoemde regels over veelvoorkomende situaties zijn voor een aantal specifieke situaties nog de volgende delen van het Bkl van belang:

  • Beperkingen in het belemmeringengebied (voormalige belemmeringenstrook in de huidige regelgeving) van buisleidingen: par. 5.1.2.3 Bkl;
  • Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik: par 5.1.2.4 Bkl;
  • Veiligheid rond het bewerken en opslaan van ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en op militaire objecten: par. 5.1.2.5 Bkl;
  • Veiligheid rond luchthavens: par. 5.1.2.6 Bkl.
4.10.2 Toetsing

Met dit TAM-omgevingsplan wordt de bouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Ook wordt de tuin bij een woning aangewezen als 'Wonen' in plaats het nu nog gelden 'Agrarisch met waarden'. Er worden dus geen kwetsbare objecten toegevoegd. Tevens ligt het plangebied niet binnen een aandachtsgebied externe veiligheid.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1_0007.png" Figuur 4.1 Uitsnede signaleringkaart ev (bron: signaleringskaart.nl)

4.10.3 Conclusie

Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor de het wijzigen van de functie Agrarisch met waarden naar wonen en de realisatie van een bijgebouw.

4.11 Trilling

4.11.1 Wettelijk kader

Het aspect 'trillingen' is geregeld in paragraaf 22.3.5 van de Bruidsschat. Daarin worden regels gesteld aan trillingen in een frequentie van 1 tot 80 Hz door een activiteit in een trillinggevoelige ruimte van een trillinggevoelig gebouw, die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. De maximale waarden zijn opgenomen in de tabellen in artikel 22.88 en 5.87a BS.

4.11.2 Toetsing

Met dit TAM IMRO omgevingsplan wordt de bouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Ook wordt de tuin bij een woning aangewezen als 'Wonen' in plaats het nu nog gelden 'Agrarisch met waarden'. Een bijgebouw is geen trillingsgevoelige gebouw.

4.11.3 Conclusie

Het aspect trilling vormt geen belemmering voor het wijzigen van de agrarische functie naar wonen en de realisatie van het bijgebouw.

4.12 Welstand

4.12.1 Wettelijk kader

Welstand gaat over hoe de uiterlijke kenmerken van een bouwwerk in de omgeving passen. Denk hierbij aan vorm, kleur of gebruik van materialen. De redelijke eisen van welstand zijn uitgewerkt in de welstandsregels van de gemeente. In de Bruidsschat (BS) zijn regels opgenomen met betrekking tot repressief welstandstoezicht (art. 22.7 BS), oftewel de excessenregeling en de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk (art. 22.29 BS).

Artikel 22.29 lid 1 onder b BS bepaalt dat een omgevingsvergunning met betrekking tot een bouwactiviteit en het in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerken alleen wordt verleend als het uiterlijk of de plaatsing van het bouwwerk niet in strijd is met de redelijke eisen van welstand, beoordeeld volgens de criteria van de welstandsnota. Tijdelijke bouwwerken, niet zijnde seizoensgebonden werken zijn uitgesloten van deze welstandstoets.

4.12.2 Toetsing

Met dit TAM-omgevingsplan wordt de bouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Ook wordt de tuin bij een woning aangewezen als 'Wonen' in plaats het nu nog gelden 'Agrarisch met waarden'.

In een eerder overleg tussen het kwaliteitsteam welstand en de gemeente Midden-Drenthe werd duidelijk dat een bijgebouw aan de achterzijde van de woning (gezien vanaf de weg) niet wenselijk is, maar dat er wel mogelijkheden zijn voor het plaatsen van een bijgebouw aan de voorzijde, aan de straatkant. Deze informatie vormt de basis voor het ontwerp en de ruimtelijke inpassing van het bijgebouw, waarbij het doel is de omgevingskwaliteit van het gebied te waarborgen en het bijgebouw harmonieus in het landschap in te passen (zie bijlage 1) behorende bij de regels van dit TAM-omgevingsplan. Het uitgangspunt voor dit inpassingsplan is de integratie van bebouwing en erf in het omliggende landschap, met respect voor de bestaande ruimtelijke structuur van de omgeving. De beoogde plek voor het bijgebouw is zorgvuldig gekozen, zodat het in het geheel niet als een verstoring van de open ruimte wordt ervaren, maar juist als een onderdeel van het karakteristieke erf en landschap. De ruimte aan de voorkant van de woning biedt voldoende ruimte om een bijgebouw te positioneren zonder dat dit de visuele openheid van het gebied in gevaar brengt. Het ontwerp zorgt ervoor dat het bijgebouw een passende maatvoering heeft, zodat het aansluit bij de omliggende setting van gebouwen in het karakter van het oude esdorpenlandschap. In dit inpassingsplan is ook een erfinrichtingsvoorstel opgenomen, waarin landschappelijke elementen een belangrijke rol spelen. De indeling van het erf rondom het bijgebouw wordt zo vormgegeven dat deze de openheid en de rustige sfeer van het gebied versterkt. Er wordt gebruikgemaakt van inheemse beplanting en natuurlijke materialen, die passen bij het karakter van het aanwezige landschap.

4.12.3 Conclusie

De aanvraag is niet in strijd met redelijke eisen van welstand.

4.13 Archeologie, cultuurhistorie en landschap

4.13.1 Wettelijk kader

In het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn ter bescherming van archeologische en cultuurhistorische waarden een aantal beginselen geformuleerd (art. 5.130 Bkl). Deze beginselen richten zich op de omgang met monumenten die op grond van het omgevingsplan zijn beschermd, archeologische monumenten, (voorbeschermde) rijksmonumenten, beschermde stads- en dorpsgezichten en beschermde cultuurlandschappen. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 Bkl regels gesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten.

Het gemeentelijk beleid over archeologie en cultuurhistorie is vooruitlopend op de Omgevingswet opgenomen op de archeologische beleidskaart en de cultuurhistorische waardenkaart. Deze archeologische waarden en verwachtingen en de cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in respectievelijk archeologische dubbelbestemmingen en cultuurhistorische dubbelbestemmingen opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan of activiteitgericht in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

4.13.2 Toetsing

Landschap en cultuurhistorie

De omgeving maakt onderdeel van één van de flanken van het beekdal en is onderdeel van het esdorpenlandschap. De provincie geeft in haar beleid de focus te hebben op het behoud en versterken van het landschap met de openheid van de wijken en rechtlijnige landschapsstructuur. Hiermee is in dit TAM-omgevingsplan rekening gehouden. In het inpassingsplan is bepaald waar het bijgebouw kan komen. Ook is bepaald waar het niet mag komen zodat de openheid richting het landschap niet wordt verstoord.

Archeologie

De gemeente Midden-Drenthe heeft haar archeologisch beleid vastgelegd in de Archeologische verwachtings- en beleidskaart gemeente Midden-Drenthe (maart 2012). Het plangebied ligt grotendeels in de historische kern ('Terrein van hoge waarde'; AMK terrein) waarvoor conform de beleidskaart een vrijstellingsgrens van 100 m2 geldt. Het met dit TAM-omgevingsplan planologisch mogelijk gemaakte bijgebouw heeft een maximale oppervlakte van 100 m2. Het bouwen van dit bijgebouw is daardoor niet in strijd met het gemeentelijk archeologisch beleid.

4.13.3 Conclusie

Het aspect archeologie, cultuurhistorie en landschap vormt geen belemmering voor het wijzigen van de agrarische functie naar wonen en de realisatie van een bijgebouw.

4.14 Bodem

4.14.1 Wettelijk kader

Ter bescherming van de gezondheid en het milieu zijn voor het aspect bodem instructieregels in het Bkl opgenomen. De inhoud van deze regels is via het Aanvullingsbesluit bodem Omgevingswet (AbO) opgenomen in paragraaf 5.1.4.5 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Het AbO bepaalt voor welke activiteiten kan worden volstaan met een melding. Er worden drie basisvormen van bodemgebruik onderscheiden: landbouw/natuur, wonen en industrie. De kaders die de Omgevingswet voor deze vormen van gebruik stelt, zijn gebaseerd op de risicogrenswaarden die voor de betreffende situaties zijn afgeleid.

De algemene doelstelling van het bodembeleid is het waarborgen van de gebruikswaarde van de bodem en het faciliteren van het duurzaam gebruik van de functionele eigenschappen van de bodem, door:

  • het beschermen van de bodem tegen nieuwe verontreinigen en aantastingen;
  • een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, rekening houdend met de kwaliteiten van de bodem;
  • het duurzaam en doelmatig beheren van de resterende historische verontreinigingen en aantastingen.

Artikel 5.89i Bkl bepaalt dat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie, opgenomen worden in het definitieve omgevingsplan. Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie art. 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (art. 5.89K Bkl, art. IIIa onder 2 AbO).

Daarnaast zijn er specifieke regels over bodem opgenomen in het AbO en het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal):

  • Regels over nazorg van de bodem na saneren op grond van het Bal, het omgevingsplan, een omgevingsvergunning of een maatwerkvoorschrift (artikel IIIa, paragraaf 2.3.6a.2 AbO);
  • Regels over graven in de bodem (paragraaf 3.2.21 AbO en 3.2.22 Bal);
  • Regels over activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico (paragraaf 2.3.6a.4 AbO).

Bij wijzigingen van activiteiten geldt dat de bodem geschikt moet zijn voor het beoogde gebruik. Dit kan betekenen dat een onderzoek moet worden verricht naar de bodem- en grondwaterkwaliteit.

4.14.2 Toetsing

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. De term gebouw is in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en het Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl) gedefinieerd als: bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

Met dit TAM-omgevingsplan wordt de bouw van een bijgebouw mogelijk gemaakt. Ook wordt de tuin bij een woning aangewezen als 'Wonen' in plaats het nu nog gelden 'Agrarisch met waarden'. Het vrijstaande bijgebouw maakt geen deel uit van de woning. Hierdoor is het aannemelijk dat er niet langer dan 2 uur mensen aanwezig zijn in dit bijgebouw. Daarmee is dit vrijstaande bijgebouw geen bodemgevoelig gebouw.

Daarnaast geldt dat bij eventuele graafwerkzaamheden, ten behoeve van de realisatie van het plan, inzichtelijk moet worden gemaakt of er meer dan 25 m³ grond wordt verzet. Indien dit het geval is, dient voorafgaand aan de werkzaamheden een bodemonderzoek conform paragraaf 5.2.2 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) te worden uitgevoerd en aan het plan te worden toegevoegd. Hiermee wordt vastgesteld of de bodemkwaliteit geschikt is voor het beoogde gebruik en of aanvullende maatregelen noodzakelijk zijn. Omdat het hier gaat om een TAM-IMRO en er in deze fase nog geen fysieke uitvoering plaatsvindt, volstaat nu een beschrijvende toetsing. Bij daadwerkelijke realisatie zal een onderzoek conform de wettelijke vereisten alsnog moeten worden uitgevoerd.

4.14.3 Conclusie

Het aspect bodem vormt geen belemmering voor het wijzigen van de agrarische functie naar wonen en het realiseren van het bijgebouw.

4.15 Water

4.15.1 Wettelijk kader

Artikel 5.37 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Denk bijvoorbeeld aan (instructie)regels uit de provinciale omgevingsverordening en de waterschapsverordening. Daarnaast bevatten de artikelen 5.38 t/m 5.49 Bkl regels met betrekking tot:

  • het voorkomen van belemmeringen voor primaire waterkeringen;
  • het bouwen binnen kustfundamenten buiten stedelijk gebied; en
  • het ontplooien van activiteiten in en nabij grote rivieren en het IJsselmeergebied.

Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. Zodoende is de oorspronkelijke watertoets niet langer voorgeschreven en is de gemeente vrij om hier zelf invulling aan te geven.

Ten slotte zijn de regels van art. 5.165 Bkl en paragraaf 22.3.8 uit de Bruidsschat van belang met betrekking tot het lozen van (industrieel) afvalwater in het openbaar vuilwaterriool. Artikel 5.165 Bkl schrijft voor in welke gevallen het omgevingsplan lozingen van industrieel afvalwater mag toestaan. Gemeenten kunnen voor sommige lozingen specifieke regels stellen. In het algemeen is de specifieke zorgplicht voor milieubelastende activiteiten die in de Bruidsschat zijn opgenomen voldoende. Met de bevoegdheid tot het stellen van maatwerkvoorschriften kan de gemeente voor specifieke bedrijven zo nodig aanvullende eisen stellen die passen bij de bedrijfssituatie.

4.15.2 Toetsing

Op 15 januari 2025 is in het kader van de watertoets de aangevraagde bouw van een bijgebouw voorgelegd aan het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Dit is gebeurd via de digitale watertoets (zie Bijlage 1). Een deel van het plangebied raakt een B-watergang. Aangezien vanwege de landschappelijke inpassing het bijgebouw alleen ten noordwesten van de bestaande bebouwing gerealiseerd mag worden, wordt niet in of aan de B watergang gebouwd. Gelet op de maximale oppervlakte verharding die met dit TAM-omgevingsplan wordt toegevoegd is er verder sprake van een korte procedure. Er zijn geen waterbelangen die in strijd zijn met dit TAM-omgevingsplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1_0008.png"

Figuut 4.2 Uitsnede legger oppervlaktewateren WDODelte met grens plangebied.

4.15.3 Conclusie

Het aspect water vormt geen belemmering voor de wijziging van functie en het toevoegen van het bijgebouw.

Hoofdstuk 5 Juridische vormgeving

5.1 Wijziging omgevingsplan

Dit omgevingsplan sluit aan op de door de gemeente Midden-Drenthe recent in andere TAM-omgevingsplannen gebruikte plansystematiek.

5.1.1 Omgevingsplan van rechtswege

Op 1 januari 2024 is het omgevingsplan van rechtswege ontstaan. Dit omgevingsplan bestaat uit alle ruimtelijke plannen, waaronder bestemmingsplannen en wijzigingsplannen, en uit de Bruidsschat die de gemeente van het Rijk heeft ontvangen. In deze Bruidsschat zitten onder meer regels voor milieubelastende activiteiten en bouwactiviteiten. Ook twee bodemkaarten en de hogere waarde besluiten maken deel uit van het omgevingsplan van rechtswege. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om het omgevingsplan van rechtswege en andere regels over de fysieke leefomgeving om te zetten naar een nieuw omgevingsplan. Op grond van artikel 2.4 en 22.6 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad het omgevingsplan van rechtswege (laten) wijzigen.

5.1.2 Toepassing TAM-IMRO

De Omgevingswet integreert wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. Het DSO ondersteunt bij de uitvoering van de wet en bestaat uit lokale systemen van overheden en de landelijke voorziening (DSO-LV), zoals Regels op de kaart en het Omgevingsloket. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) ontwikkeld voor organisaties die nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van deze TAMs is TAM-IMRO. Bij TAM-IMRO wordt het omgevingsplan gewijzigd via de - onder de Wet ruimtelijke ordening gebruikte - IMRO-standaard (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de voorziening ruimtelijkeplannen.nl.

Het gebruik van TAM-IMRO is toegestaan tot en met 31 december 2025. Als het ontwerp van een TAM-omgevingsplan uiterlijk 31 december 2025 ter inzage is gelegd, mag het ook na 1 januari 2026 worden afgemaakt met TAM-IMRO. Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Klimaat geeft aan dat TAM-omgevingsplannen uiterlijk voor 1 januari 2032 moeten worden omgezet naar de nieuwe Standaard officiële publicaties (STOP) met de bijbehorende Toepassingsprofielen omgevingsdocumenten (TPOD).

De Vereniging Nederlandse Gemeente (VNG) gaat uit van twee varianten van een TAM-omgevingsplan: de Basisvariant en de Crisis- en herstelwet-variant. Voorliggend TAM-omgevingsplan is opgezet volgens de Basisvariant. Deze blijft qua vorm en inhoud zo dicht mogelijk bij een bestemmingsplan. Daarbij wordt uiteraard wel aan alle eisen van de Omgevingswet en bijbehorende AMvB's voldaan.

5.1.3 Werkingsgebied

De regels in dit TAM-omgevingsplan zijn van toepassing op de locatie van de bedrijfswoning aan De Hoek 6 in Hijken, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand [NL.IMRO.1731.TAMDeHoek6HY-VST1] zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl. In Hoofdstuk 1 is een overzichtskaart van het werkingsgebied c.q. plangebied opgenomen.

5.2 Artikelsgewijze toelichting

Preambule

De preambule is direct zichtbaar boven de regels. In de preambule staat dat het TAM-omgevingsplan gelezen moet worden als hoofdstuk en de artikelen als paragrafen van dat hoofdstuk. Dit om onduidelijkheden met het omgevingsplan van rechtswege te voorkomen.

HOOFDSTUK 1 INLEIDENDE REGELS

Artikel 1 Toepassingsbereik

In de toepassingsbereikbepaling wordt in het eerste lid bepaald dat de ruimtelijke plannen uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan niet van toepassing zijn op de locatie waarvoor het TAM-omgevingsplan is opgesteld. In het tweede lid is bepaald dat de regels uit de Bruidsschat niet van toepassing zijn, als deze regels in strijd zijn met de regels uit het TAM-omgevingsplan. In het derde lid worden de regels uit het TAM-omgevingsplan gekoppeld aan de bijbehorende verbeelding.

Artikel 2 Begripsbepalingen

In dit artikel is een verwijzing opgenomen naar de elders al bepaalde begripsbepalingen en naar de begrippen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-omgevingsplan.

Artikel 3 Meet- en rekenbepalingen

Het omgevingsplan van rechtswege bevat in artikel 22.24 al meetbepalingen. In dit artikel zijn alleen meet- en rekenbepalingen opgenomen die specifiek gelden voor het TAM-omgevingsplan. Deze regels zijn aangepast aan de TAM IMRO systematiek. Via maatwerk zijn bepalingen die niet van toepassing zijn op de locatie niet opgenomen. Hiermee wordt de leesbaarheid (begrijpelijkheid van de regels) vergroot.

HOOFDSTUK 2 FUNCTIES EN ACTIVITEITEN

Artikel 4 Algemeen gebruiksverbod

Onder de omgevingswet geldt dat als in het omgevingsplan geen regels voor een activiteit zijn opgenomen deze activiteit zonder meer mag worden uitgevoerd en er geen beperkingen voor die activiteit op grond van het omgevingsplan zijn. Alleen het opnemen van locaties met functies (voorheen bestemmingen) is daarom onvoldoende om het handelen in strijd met die functies te verbieden of vergunningplichtig te maken.

Door het opnemen van een algemeen gebruisverbod wordt het gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het TAM-IMRO omgevingsplan vergunningplichtig gesteld.

Artikel 5 Wonen

Binnen de als Wonen aangewezen locaties zijn woonfuncties en de daarbij behorende activiteiten toegestaan. De hoofdgebouwen moeten binnen het op de kaart aangegeven bouwvlak worden gebouwd en zijn vrijstaand. Hoofdgebouwen dienen in de bestaande voorgevel te worden gerealiseerd.

De woonfunctie mag bij recht (onder voorwaarden) gecombineerd worden met een beroepsactiviteit aan huis: een beroep dat in of bij een woonhuis met behoud van de woonfunctie kan worden uitgeoefend. Dit zijn beroepen die door de bewoner van een woning worden uitgeoefend. Het zijn beroepen die in het verleden, meestal door jurisprudentie, als vrij beroep zijn aangewezen en daarop naar aard en ruimtelijke uitstraling gelijkende beroepen. Eén van de voorwaarden voor het toestaan van een aan-huis-verbonden beroep is het uitsluiten van nevenactiviteiten, in de vorm van (productiegebonden) detailhandel, behoudens de verkoop in het klein in direct verband met het aan-huis-verbonden beroep.

Ook is in dit artikel een voorwaarde verplichting landschappelijk inpassing opgenomen. Hierdoor wordt de plek van het te realiseren bijgebouw en het behoud van de openheid op de rand van de es juridisch vastgelegd. Het landschappelijk inpassingsplan is als bijlage toegevoegd aan de juridisch bindende regels.

HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS

Artikel 6 Anti-dubbeltelregel

In dit artikel is aangegeven dat grond die één keer in beschouwing is genomen voor het toestaan van gebouwen, niet een tweede keer mag meetellen voor de toelaatbaarheid van andere gebouwen, als die grond inmiddels tot een ander bouwperceel is gaan behoren.

Artikel 7 aanvraagvereisten

In paragraaf 22.5.2 van de bruidsschat zijn aanvullende aanvraagvereisten opgenomen voor vergunningaanvragen die betrekking hebben op het tijdelijk deel van het omgevingsplan (o.a. binnenplanse afwijkingen uit bestemmingsplannen). Deze aanvullende aanvraagvereisten zijn niet automatisch van toepassing op vergunningplichten voor omgevingsplanactiviteiten die in een TAM-omgevingsplan worden opgenomen. Het TAM-omgevingsplan maakt namelijk deel uit van het nieuwe deel. Door het opnemen van dit artikel wordt de relevante aanvraagvereisten uit het tijdelijke deel van overeenkomstige toepassing verklaard op vergunningaanvragen op de locatie van het TAM-omgevingsplan.

HOOFDSTUK 4 REGELS TER BESCHERMING VAN WAARDEN EN OBJECTEN

Artikel 8 Waarde - Archeologie 1

In de functie Waarde - Archeologie 1 zijn alle bekende gebieden met archeologische waarden opgenomen. Dit zijn de zogenaamde AMK-gebieden. Voor AMK gebieden geldt conform de beleidskaart een vrijstellingsgrens van 100 m2. In dit TAM-omgevingsplan is de archeologische dubbelbestemming uit het naast gelegen en daarmee aansluitend bestemmingsplan 'Veegplan Buitengebied - Midden-Drenthe 2022' overgenomen.

HOOFDSTUK 5 OVERGANGSREGELS

Artikel 9 Overgangsrecht

In dit artikel zijn de regels voor het overgangsrecht opgenomen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen bouwwerken, functioneel gebruik en overige activiteiten.

Hoofdstuk 6 Financieel-economische uitvoerbaarheid

6.1 Wettelijke kaders

Economische uitvoerbaarheid

In deze motivering is onderbouwd dat met het voorliggende besluit tot om af te wijken van het omgevingsplan van rechtsweg een evenwichtige toedeling van functies aan locaties wordt bereikt en dat de toegekende functies binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd. Gelet hierop kan, in het verlengde daarvan, aangenomen worden dat de realisatie economisch uitvoerbaar is. Op voorhand is er geen reden om aan te nemen dat de toegekende functies om financiële redenen niet binnen een redelijke termijn kunnen worden gerealiseerd.

Kostenverhaal

Op grond van artikel 13.11 Omgevingswet is de gemeente verplicht tot kostenverhaal, indien sprake is van een of meerdere aangewezen bouwactiviteiten. Het gaat hier om kostenverhaalsplichtige activiteiten als genoemd in artikel 8.13 Omgevingsbesluit, (hierna: 'een aangewezen bouwactiviteit'). Dit houdt in dat de gemeenteraad kostenverhaalsregels dient vast te stellen in het omgevingsplan, tenzij middels gemeentelijke gronduitgifte en/of een anterieure overeenkomst, co-financiering, subsidies, gemeentelijk krediet, de kosten die het vanwege artikel 8.15 Omgevingsbesluit maakt, anderszins verzekerd zijn dan wel vrijstelling wordt/is verleend voor de kosten in de gevallen genoemd in artikel 8.14 Omgevingsbesluit.

6.2 Toetsing

In artikel 8.15 Omgevingsbesluit worden de kostensoorten in de tabellen A en B van bijlage IV aangewezen als verhaalbare kostensoorten. In onderdeel A11 staat “Nadeelcompensatie aan derden als bedoeld in hoofdstuk 15 van de wet”. Nadeelcompensatie is een regeling voor schadevergoeding voor rechtmatig overheidsoptreden. Het gaat over schade boven het normale maatschappelijke risico en het bedrijfsrisico die iemand onevenredig zwaar treft. Het kan gaan om directe of indirecte schade. Directe schade is het gevolg van inperking van bestaande rechten van de eigenaar. Indirecte schade wordt veroorzaakt door activiteiten in de omgeving. In titel 4.5 Algemene wet bestuursrecht (Awb) staan de grondslagen, inhoudelijke eisen en procedurele bepalingen over toekenning van nadeelcompensatie.

Economische uitvoerbaarheid

Aangevraagd is een realisatie van een bijgebouw. Er worden geen woningen toegevoegd, waardoor er geen sprake is van het verhalen van kosten op basis van artikel 13.11 Omgevingswet. Om dezelfde reden is er ook geen sprake van nadeelcompensatie.

Hoofdstuk 7 Voorbereiding & Participatie

7.1 Vooroverleg ketenpartners

In het kader van het wettelijk vooroverleg heeft de gemeente de concept motivering naar gemeentelijke overlegpartners gestuurd. Hierbij zijn reacties ontvangen van de Provincie Drenthe, het Waterschap Drents Overijsselse Delta, en de Omgevingsdienst Drenthe (ODD). De ontvangen opmerkingen betreffen uiteenlopende aspecten van het initiatief, waaronder milieu, waterbeheer, gezondheid en naleving van provinciale en gemeentelijke beleidskaders (zie Bijlage 2). Waar mogelijk zijn de aanbevelingen en aandachtspunten uit het vooroverleg verwerkt in de uiteindelijke motivering en toetsing van het project, zodat het plan zowel beleidsmatig als juridisch goed onderbouwd is.

Provincie Drenthe
De provincie Drenthe geeft in haar overlegreactie aan dat het plan geen reden geeft tot het maken van opmerkingen. Indien het plan overeenkomstig dit voorontwerp in procedure wordt gebracht, kan de gemeente er vanuit gaan dat Gedeputeerde Staten geen reden zal zien om vanuit provinciaal belang in te grijpen in de verdere procedure.

Waterschap Drents Overijsselse Delta
Het voorliggende project is in het kader van de watertoets op 15 januari 2025 voorgelegd aan het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Dit is gebeurd via de digitale watertoets. Voor deze aanvraag is geen procedure van toepassing.

ODD Drenthe

Zie Bijlage 3

7.2 Participatie

De initiatiefnemer heeft de wens voor het bouwen van een bijgebouw op eigen kavel, aan de voorzijde van de reeds bestaande woning. Voor dit TAM-omgevingsplan is door de gemeente Midden-Drenthe gevraagd om het uitvoeren van participatie. De participatie voor de realisatie van het bijgebouw is gericht op de volgende doelen:

  • De omgeving informeren over de nieuwe activiteit;
  • Het inventariseren van mogelijke issues rond het voornemen, om bezwaren, waar mogelijk tegemoet te komen.

De resultaten van de participatie zijn te lezen in bijlage 4. Op het participatieverzoek zijn 4 schriftelijke reacties gekomen. In deze reacties zijn aspecten als parkeren, en de plaatsing van het bijgebouw naar voren komen. Hier is op gereageerd. De reacties gaven geen aanleiding tot een aanpassing in het ontwerp. De omwonenden staan positief tegenover het plan.